• Behoorlijk overschat

    Een kind van twee leert zo’n tien woorden per week. Tegen de tijd dat het volwassen is, kent het gemiddeld zo’n 10.000 woorden. Wie veel leest kan dat aantal verdrievoudigen. Die woorden worden niet dagelijks gebruikt maar zitten ergens opgeslagen om op een moment van sprakeloosheid of in nood verkerend om een uitdrukking, op de voorgrond te treden. Zo’n vergeten woord zegt dan min of meer: ‘Alsjeblieft, hier ben ik, neem mij, ik stond al te lang in onbruik in je lexicon en popel om deel uit te maken van je dagelijkse woordgebruik.’ Zo kwam het dat ik opeens nogal van veel dingen vond dat die schromelijk overschat waren.
    Ik had veel in de tuin gezeten, gelezen en nog meer gelezen, met verre vrienden gegeten en weer gelezen. Een vuur ontstoken, gesprekken gevoerd, verder gelezen en daar was het opeens. Op een ochtend, de zon hoog aan de hemel en in gesprek met de postbode (wie praat er nog met de postbode?), zei ik dat ik vakantie een behoorlijk overschat tijdverdrijf vond. Ik hoorde het mezelf zeggen en dacht: ‘Hoe kom ik daar nu bij: Overschat?’

    Het was een last minute beslissing dat we thuisbleven. Geen rugzak inpakken, meten en wegen wat wel/niet mee kan. Geen katten en tuin die op de zorg van anderen aangewezen zijn. Wat op zich ook een overschatting is; dat als je op vakantie gaat je de katten goed kunt achterlaten. Een kat is bij afwezigheid van weken van zijn baasje zeer ontevreden, onze katten in ieder geval wel. Onder welke condities we ze ook achterlaten, bij terugkomst wendden ze zich immer met een hautaine hoofdbeweging van ons af als hadden we ze achtergelaten bij de eerste de beste kattenviller. Een kat vindt ’trouw’ ook beslist een overschat iets.
    Er was een Armeense moeder die na negen jaar, terwijl haar kinderen ergens anders speelden, werd uitgezet. Er waren meer dan tweeduizend varkens verbrand, en er was de keuze om honderdduizenden kippen de kop af te hakken (of anders wat?) omdat er een eiergifschandaal was. Kabinetsvorming, mensenrechten, compassie en gezond verstand, kwamen me als bovenmatig overschat voor.

    Koken vond ik ook opeens zo’n schromelijk overschat item. Nog nooit zo goed gegeten als deze vakantie. De courgettes, die en masse de achtertuin bevolkten en die nu geoogst konden worden voor ze de vorm van een zeppelin hadden aangenomen, stonden dagelijks op het menu. Gegrild, geraspt, geroerbakt, in de soep, we kregen er geen genoeg van. Dat courgettes smakeloos zijn is een overschat idee.
    Hoe ik er terecht kwam weet ik niet meer maar op de site van Hollands Diep las ik een interview met een schrijver waaraan onder meer gevraagd werd wat het meest overschatte boek was. Deze schrijver antwoordde: ‘Alles van Philippe Claudel.’ Wat een kitsch.’ voegde hij eraan toe, om te benadrukken dat het hem menens was. Dat vond ik dan weer een behoorlijk overschatte mening. Nu de vakantie voorbij is, zoek ik naar een ander nog niet gebruikt woord in mijn lexicon.

     

     

  • Dichtbij de schrijver

    Heeft het zin om als lezer de voetsporen van een schrijver te volgen? Die vraag drong zich bij me op toen ik vorige week in Haworth was, de plaats waar de gezusters Brontë halverwege de negentiende eeuw literatuurgeschiedenis hebben geschreven. Ik wilde er de ‘woeste hoogten’ in de omgeving gaan verkennen, maar toog eerst naar het huis van de schrijvende zusters. Daar viel ik met mijn neus in de boter en werd onderdeel van een geweldig literair kunstproject. Twee keer per dag nodigt de kunstenares Clare Twomey mensen uit om het verloren gegane manuscript Wuthering Heights te herscheppen. En ik viel (net als mijn vrouw) in de prijzen. Mijn dag kon niet meer stuk. Ik zou die dag niet alleen het voetspoor van Emily Brontë volgen, maar ook letterlijk haar schrijfspoor.

    Het volgen van Emily’s schrijfspoor mocht volgens Twomey niet te licht worden opgevat. Het re-creëren van een manuscript is een uiterst serieuze zaak. Ik kreeg de opdracht, terwijl ik achter het bureau zat, eerst tot rust te komen (mind you, in de kamer die ooit de werkkamer van Charlotte was geweest) en dan mijn ‘innerlijke Emily te verkennen’. Pas dan zou ik klaar zijn om een goede bijdrage te kunnen leveren aan het nieuwe manuscript.

    Dat een zekere rust wel een vereiste was, werd me overigens onmiddellijk duidelijk. Want de dame voor mij had zich door de zenuwen wat al te veel literaire vrijheden veroorloofd en in Emily’s origineel ‘would’ verandert in ‘was’. Wat natuurlijk niet de bedoeling was. Mijn eerste taak was daarom deze fout herstellen, om daar vervolgens de volgende woorden op te schrijven: “… be to play in, if we removed the table; and I asked … ”. Voor wie het wil weten: het zijn de woorden van de vijfde regel op pagina 284, waar de jonge Catherine Earnshaw opbiecht zich tegen de zin van haar vader al enkele dagen stiekem Wuthering Heigths te bezoeken om zich er te verpozen met Linton Heathcliff en Hareton Earnshaw.

    Het voert wat ver om te zeggen dat ik al schrijvende mijn innerlijke ‘Emily’ voelde, maar het deed me wel wat. Want daar zat ik dan, anno 2017, in de oude werkkamer van Charlotte, opnieuw de woorden op te schrijven die haar zus tweehonderd jaar geleden voor het eerst publiceerde. In de wetenschap dat volgend jaar ‘mijn’ woorden ten toon worden gesteld in het kader van de viering van de tweehonderdste sterfdag van Emily. Veel dichter kon ik voor mijn gevoel niet bij het werk van een schrijver komen.
    Later die dag struinde ik door de woeste veengronden die de beide Catherines uit Emily’s roman zo graag doorkruisten. Wat achter het bureau nog niet gebeurde, gebeurde daar wel. Omringd door de ‘wuthering heights’ boven Haworth voelde ik aarzelend een beetje ‘Emily’ door mijn aderen stromen.

    ‘… be to play in, if we removed the table; and I asked …’

     

     

     

  • Oostende, de vergane glorie voorbij

    Een uitnodiging voor de opening van een tentoonstelling in de Venetiaanse Gaanderijen leek acht jaar geleden de aangewezen gelegenheid om eindelijk naar Oostende af te reizen. Griep stak daar destijds een stokje voor. Vandaar dat ik pas vorige week ging.

    Ik houd van vergane glorie en ben in dat opzicht het een en ander gewend, met als voorlopig hoogtepunt een Day Trip to Bangor (‘Didn’t we have a lo-ve-ly day, the day we went to Bangor’) toen ik een week in het door weer, wind en tijd toegetakelde Llandudno verbleef, waar je overigens destijds nog wel een kopje thee kon drinken in een hotel dat ooit het vakantiehuis van de ouders van Alice uit Wonderland was.

    Natuurlijk was ik erop voorbereid dat in de voormalige ‘Koningin der Badsteden’ niet alles oude luister zou zijn, maar de stralende schoonheid van weleer is in Oostende wel heel ver te zoeken. Dat er bommen vielen, is wat mij betreft geen excuus. Geschiedenis is een kwestie van geven en nemen. Een roemrijk verleden verplicht, maar het duurzaam dichten van de gaten die in het aanzien van de stad geschoten zijn, lijkt in Oostende weinig prioriteit te hebben.
    Het gevolg van het verdonkeremanen van alle grandeur was dat ik me nauwelijks kon oriënteren en zo goed als tevergeefs zocht naar sporen van illustere inwoners en emigrés die de stad Oostende naam en faam bezorgden.

    Op de grote troeven van Oostende – het licht en de zee – kregen tijd en autoriteit godzijdank geen vat. Je hoeft geen James Ensor te heten om de waarde van deze natuurlijke rijkdommen te zien: de zee en het licht compenseren alle vergane glorie. Ensor liet zich louter lovend uit over de ‘wonderbaarlijke wateren van Oostende’ en het licht dat stad en omgeving in alle tinten en toonaarden kleurde, maar degenen die het aangezicht van zijn Oostende verminkten, gaf hij er verbaal van langs: ‘En wat te zeggen van de nog veel gevaarlijker ontijdige architecten, vol oneindige aanmatiging, nivellerende beulen van onze mooie plekjes. Onbehouwen lelijkerds die in naam van de edele moderniteit op neusverstopte projecten zitten te kauwen.’
    James Ensor had recht van spreken. Toen hij begon met het vangen van het licht was Oostende nog niet eens de mondaine badstad waar ik het over had, maar een vesting in de duinen die hooguit twee maanden per jaar toeristen moest dulden.

    (Dat ik nooit eerder in Oostende was, is trouwens niet helemaal waar. Een paar jaar geleden voorleeswandelde ik met mijn demente moeder bovenlangs het strand. Het was eb en ergens in de verte lag de zee. Als we goed keken, konden we haar zien. We hadden de zee niet per se nodig om te genieten: er zwierden meeuwen genoeg.
    Het was herfst. Er hing een man aan een lantaarnpaal te wapperen. Zo hard waaide het. Even later werd het voorjaar en zagen we een peuter modder maken. Terwijl een jongen het zand toetakelde, waadden wij door grijs-paarse plassen – of waren ze toch appelblauw-zeegroen – naar Engeland. We waanden ons onbespied, maar misschien heeft iemand ons gezien.)

     

    Voor de gelegenheid las en herlas ik:

    Met zicht op zee. Aan zee: veertig jaar later – Eric De Kuyper
    De geheime wereld van James Ensor – John Gheeraert
    Koetsier Herfst – Charlotte Mutsaers
    Ensor op hoge poten – Bert Popelier
    Oostende, de zomer van 1936 – Mark Schaevers

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Heraklion, Parijs, Rotterdam en Brussel.

     

  • In de koffer van Els

    De meningen verschillen: neem je nu Ilja Leonard Pfeiffer mee als je op vakantie gaat naar Genua of juist niet? Christiaan Weijts heeft er als antwoord de term ‘contrapuntisch lezen’ voor bedacht: stop het Winterlogboek van Paul Auster bij voorkeur in de koffer als je in de zomer naar een snikhete plaats gaat. Dus geen La Superba als je van plan bent naar Genua te reizen.

    Bij mij schuurt zoiets. Ik zou niet op het idee komen in Londen, waar ik laatst was, een Duitse roman te gaan lezen, of omgekeerd een Engels boek in Kassel, waar ik een paar dagen op de documenta rondliep. Toch moet het nu ook weer niet al te dicht bij elkaar liggen, het boek en de vakantie-ervaring. Er moet een zekere ruimte tussen zitten. Zo nam ik geen originele Shakespeare mee naar een studieweekje over hem (voor mij is dit een heerlijke vorm van vakantie vieren: een denkvakantie). Of de Bijbelse Psalmen naar het Psalmenfestival van het Nederlands Kamerkoor in het kader van het Festival Oude Muziek in Utrecht. Zelfs niet de bewerking van Lloyd Haft. Maar in beide gevallen wel iets dat er tegenaan ligt, om in de mood te blijven.

    Naar het Shakespeare-weekje ging Heksengebroed van Margaret Atwood mee, naar Shakespeare’s The tempest. Het verscheen oorspronkelijk in The Hogart Shakespeare Series van Penguin Random House, waarvan ik op deze site eerder een vertaald deel besprak: Azijnmeisje van Anne Tyler. Een kostelijk initiatief en ik verheug me op de vier delen die nog komen. In Nederlandse vertalingen om tot nu toe u tegen te zeggen.
    In mijn koffer naar Utrecht stop ik het boek over Martin Buber dat onlangs verscheen van de hand van Theo Witvliet, van wie ik al eens eerder een prachtig boek las. Kwaliteit van leven heet het nieuwe boek, en ik verwacht er op grond van enkele interviews met de auteur veel van.

    Naast het lezen van de grote geesten als bovengenoemden, lees ik er met liefde nog een dichtbundel naast. Ik denk dat het Wildcamera, de zesde bundel van Martin Reints wordt, dat naast gedichten ook nog eens korte prozastukken belooft over beeldende kunst, Martin Luther King en Wallace Stevens. Mooi meegenomen wanneer na de zomer in de Amsterdamse Nieuwe Kerk een tentoonstelling valt te zien over Gandhi, King en Mandela.
    Volgens Piet Gerbrandy, die een recensie over de bundel schreef, begint de poëzie van Reints ‘pas te spreken zodra je luistert naar de stilte eromheen’, zoals het joodse denken volgens de joodse mystiek begint in het wit in en om de Hebreeuwse letters. Misschien is dat ook wel het geval met het denken van Buber – we gaan het aan de hand van het boek van Witvliet ontdekken.
    Als ’t even lukt ontstaat er op die manier ook een ‘contrapuntisch lezen’, alleen op een andere manier dan Weijts bedoelt, maar dat mag niet hinderen.

     

     

  • Ideale bestaansvorm

    Laat ik mijn keuze aan boeken voor de zomer beperken tot het onderwerp van mijn vaste columns. Ik denk dan het eerst aan Exit West van Mohsin Hamid, dat een paar maanden geleden in het Nederlands verscheen. Een indrukwekkend verhaal over twee geliefden die hun land in het Midden-Oosten ontvluchten voor het oorlogsgeweld. Maar de roman is zoveel meer dan een liefdesverhaal in tijden van oorlog. Hamid laat je nadenken over de pijn van vluchtelingen die zich altijd afgesneden zullen voelen van hun wortels, maar ook over wat migratie – niet alleen een vlucht – met mensen doet. In één van de interviews ter gelegenheid van de verschijning van de Nederlandse vertaling zei Hamid: ‘Als je migratie metaforisch beschouwt, dan is oud worden ook een vorm van migratie, of trouwen, naar de universiteit vertrekken, een lange reis maken. Migratie is gedwongen verandering, het dwingt je jezelf opnieuw uit te vinden’. Exit West gaat daarom over veel meer dan vluchten. Het gaat over ieder van ons en juist daarom leef je zo mee met de verliefden Al Said en Nadia.

    Op 9 augustus verscheen er van mijn hand een recensie over Een afgedane zaak van de Tsjechische schrijver Patrik Ouředník. Hij was me volkomen onbekend, maar deze roman liet me meteen naar de bibliotheek hollen om twee eerdere boeken van hem mee te pikken: Europeana en Het geschikte moment 1855. In die laatste roman lezen we het relaas van een stel idealisten die de absolute vrijheid wil praktiseren in een kolonie in Brazilië. Op de heenreis gaat het echter al flink mis. Ouředník laat je af en toe in lachen uitbarsten, maar stelt ondertussen essentiële kwesties aan de orde. Wat is vrijheid? Welke hoop mogen we hebben?
    Bij Het geschikte moment moest ik af en toe denken aan een ander prachtig boek over migratie: De onervaren van Joke van Leeuwen uit 2015. Het is gesitueerd in 1847, dus acht jaar vóór het jaar waarin Ouředník zijn roman plaatste. In dat boek steken kansarme Nederlanders uit een christelijk dorp de zee over om daar hun ideale bestaansvorm te realiseren. Een boek over dromen, eigenbelang en (wan)hoop.

    Tenslotte nog het prachtige De familie Mann. Geschiedenis van een gezin door Tilmann Lahme. De dit jaar verschenen biografie van het gezin van schrijver Thomas Mann, die begint op het moment dat Thomas Mann zelf bijna 50 is en alle kinderen al geboren zijn. In mijn bescheiden kennis van die familie was het vooral een gezin dat rollebollend met elkaar door het leven ging, gebukt onder een autoritaire vader aan wiens ambities alles ondergeschikt was. Dat beeld heb ik grondig bij moeten stellen. Moeder Katia  is in dit boek een krachtige vrouw die het gezin door de moeilijke jaren van oorlog, nazisme, aanvaarding van homofilie en zelfmoord leidt. Maar het is – en daarom hoort het in dit migratievakantiepakket thuis – evenzeer een boek over de worstelingen tussen ouders en kinderen als het aankomt op keuzes onder een regiem dat je niet kunt accepteren: hoe besluit je te vluchten uit een land dat je liefhebt?

     

  • Venetië zien. En dan?

    Zeven (of acht) was ik toen Venetië zich voordeed. We waren op vakantie in Lido di Jesolo en dan ben je er bijna. Ik wilde wel en gooide Marco Polo in de strijd. Mijn moeder bracht gondels in. Toen we eenmaal in Venetië waren, bleek het water onstuimig en de gondeliers onverstaanbaar en zat er dus niets anders op dan naar Marco Polo te lopen. Het was warm, en het was heel ver. Ondanks dat maakte Marco Polo indruk en zorgde zijn rode jas voor een historische sensatie. Mijn eerste.

    Een klein glazen schildpadje herinnert aan dat bezoek. Na lang wikken en wegen gekozen op glasblazerseiland Murano. Ik neem aan dat we daar niet te voet naar toe gingen, maar ik herinner me geen vaporetto. Eigenlijk herinner ik me heel weinig van de dag dat we in Venetië waren. Ik weet dat ik de Brug der Zuchten zag. Ik weet ook nog dat iemand de duiven op het Piazza San Marco voerde. Maar ik herinner het me niet.

    Het meisje van zeven (of acht) dat ik was, had geen benul van Venetië. Ze kende de geschiedenis en de reputatie van de stad niet. Venetië was nog geen verhaal. Venetië was wat ze zag. Meer niet.
    Ze kende alleen Marco Polo. Daar had ze een boek over gelezen. Ze was nog maar net lid van een bibliotheek waar de vloer kraakte, ook als je heel voorzichtig van de ene naar de andere kast liep. Het boek over de ontdekkingsreiziger was het eerste dat ze leende.

    De tijd verstreek en het meisje verdween achter de horizon. Het bleef bij dat ene bezoek aan de stad in het water, maar ondertussen ben ik oneindig vaak in Venetië geweest. Voorzien van ‘een landkaart van de dood’ zwierf ik over San Michele. Aan het eind van de dag moest ik hollen om de laatste vaporetto te halen. Had ik maar op de dochter van de gondelier gewacht. Zij houdt van de nacht en kent de weg. Ik was het ook die me met mijn lichaam een tunnel baande door de mist en mezelf zo een half uur later de weg naar huis wees.

    Door de ogen van anderen kwam ik overal. Ik leerde mensen kennen en kon achter maskers en andere façades kijken. Ik heb de stad zien veranderen. Het water zien stijgen. Venetianen hun stad zien ontvluchten. Even heb ik overwogen er te gaan wonen, maar ondanks het verval blijven de huizen er onbetaalbaar.

    Dat ik La Serenissima nooit los heb hoeven laten, dank ik aan dat meisje van zeven (of acht). Onbevangen en onbeschreven als ze was, gaf zij Venetië de kans zich voorgoed in mij te nestelen. En dat terwijl ik geboren ben op een eiland waar Venetianen het eeuwenlang voor het zeggen hebben gehad.
    Ik vertel verhalen, maar dit is geen sprookje. Geloof me nou maar.

     

    Voor de gelegenheid las en herlas ik:
    Watermark: An Essay on Venice – Joseph Brodsky
    De onzichtbare steden – Italo Calvino (vertaling: Henny Vlot)
    Venetiës
    – Paul Morand (vertaling: Geerten Meijsing)
    Venetiaanse vignetten – Cees Nooteboom
    The Passion – Jeanette Winterson

     

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Oostende, Heraklion, Parijs, Rotterdam en Brussel.

  • Voorbereiding op Engeland

    Vorige zomer bezocht ik in Bexleyheath het Rode Huis van William Morris. Een mooi bakstenen huis uit 1860 dat één grote etalage is voor de ideeën van deze grote voorman van de Arts & Crafts beweging. De muren zijn behangen met schitterend behang naar ontwerp van Morris zelf, als ze althans niet zijn beschilderd door zijn kunstzinnige vrienden, waaronder Dante Gabrielle Rossetti. En de eetzaal is imposant, met zijn enorme haard en gezellig grote eettafel voor de slemppartijen die Morris en zijn vrouw in de weekenden organiseerden voor hun vrienden uit London. Maar het meest indrukwekkend vond ik het metselwerk aan de buitenzijde. Baksteenrode pracht, met liefde in verband gelegd en toonbeeld van wat Arts & Crafts vermag: ambachtelijke perfectie.

    Ik houd van die ambachtelijke perfectie. Of het nu om een huis, eettafel, behang, mooie sculptuur of boek gaat, ik ben meteen verkocht. Bij boeken toont die perfectie zich in omslag, binding, papier en lettertype. Onovertroffen vind ik daarin de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Het is een feest om een boek uit die reeks open te slaan, het Primapage tussen je vingers te voelen en je ogen te laten dansen over de door Helmut Salden vormgegeven teksten. Maar ook Engelse uitgevers kunnen er wat van. Eén van mijn favorieten is de reeks klassieken van de Everyman’s Library. Een reeks die dezelfde voorliefde voor ambachtelijke perfectie laat zien als Morris’ Rode Huis. Al moet ik zeggen dat papier en lettertype het niet halen bij die van de Russische Bibliotheek. Maar daar staat dan weer tegenover dat de Everyman’s Library wat vriendelijker is geprijsd (we blijven Hollanders) en dat het een leeslint heeft.

    Deze zomer reis ik weer naar Engeland. De boeken voor die trip liggen al klaar, natuurlijk uit de bibliotheek. Dit keer voert de trip wat Noordelijker dan vorig jaar en één van de geplande stops is Haworth. Mijn leesplannen zijn daar deels op afgestemd, net als mijn plan om daar boeken te kopen. Het is de bedoeling dat, als ik in Haworth arriveer, zo’n beetje halverwege Jane Eyre ben, van Charlotte Brontë, één van de schrijvende zussen uit Haworth. Ik kijk er naar uit. Het tweede plan is dat ik in Haworth het enige boek uit de Everyman’s Library koop van haar zus Anne, en als ik me niet kan inhouden misschien ook nog een boek van Charlotte zelf. Wuthering Hights van zus Emily staat overigens niet op de leeslijst. Dat heb ik namelijk bij wijze van voorbereiding deze week al uitgelezen. Brontë’s beschrijvingen van Thrushcross Grange, Wuthering Heights, de Penistone Crags en woeste gronden rondom Gimmerton hebben me nieuwsgierig gemaakt, ook al weet ik dat al deze plaatsen niet bestaan. Maar ergens rondom Haworth zullen ze vast te vinden zijn.

     

  • Mensen en mistroostigheid in Lissabon

    Als ik opkijk van mijn polvo à Lagareiro zit hij aan het belendende tafeltje. Dat wil zeggen: de jongere versie van een zelf. Hij draagt al een brilletje, het snorretje heeft hij nog niet. Over het ontbreken van hoed, overjas en aktetas valt geen zinnig woord te zeggen. Op latere leeftijd zal hij zelden zonder gefotografeerd  worden.
    Het is mijn vierde dag in zijn stad aan de Taag. Gisteren bezocht ik zijn huis aan de Rua Coelho da Rocha, al woont hij daar al lang niet meer. Ik doorkruiste het Jardim da Estrala waar hij ook wel eens wandelde. Dronk wat in zijn stamcafé, in één van de vele. Zocht hem in straten waar ik hem vermoedde, maar vond hem niet. En nu zit hij naast mij.

    Als schrijver wil Fernando Pessoa voor mij maar geen mens van vlees en bloed worden. Ik weet dat hij een leven had, en zijn biografie bevestigt dat, maar de mythe waarmee dat leven omgeven is, maakt van Meneer ‘Persoon’ een personage. Fernando António Nogueira Pessoa was niet alleen Fernando Pessoa maar ook Alberto Caeiro, Ricardo Reis, Álvaro de Campos, Bernardo Soares, António Mora en Barón de Teive, en dan had hij ook nog een stuk of wat pseudoniemen. Hij was heel veel mensen: honderdzevenentwintig om precies te zijn. Al is honderdzevenentwintig een voorlopige tussenstand. Vanavond is hij een jonge man met overtollig rughaar.

    Het is de derde keer dat ik in Lissabon ben. De eerste keer stapte ik over. De tweede keer flotterde ik in het kielzog van. Dit keer zoek ik het zelf uit. Ik heb Fernando Pessoa als gids overwogen, maar ik bleek het tempo waarin hij toeristen rondleidt niet bij te kunnen benen. Lissabon is geen wedstrijd. Bovendien wil ik niet alleen bezienswaardigheden bezoeken, maar ook mensen zien, en dan vooral alfacinhas (‘slakropjes’) die doen alsof hun stad niet wordt overspoeld door vakantiegangers.

    Zij lezen de stad zonder dat ze een kaart nodig hebben. Zij weten er blindelings de weg. Ik niet. Ik kan me onderweg niet verliezen in een gesprek. Ik zou zomaar verdwalen. Dat spijt me.
    Wat zou ik graag tot de ziel van Lissabon doordringen en een beetje thuis zijn in deze stad. Maar Lissabon zal altijd van anderen zijn. Van hen die haar verleden in hun genen meedragen en van hen die  verantwoordelijk zijn voor haar toekomst. Dat stemt weemoedig. Of is mistroostig een beter woord voor wat ik voel?

    Terwijl ik dit denk, en ondertussen geniet van mijn inktvis uit de oven, zit hij daar. Alleen. Zonder mobiele telefoon. Die in gedachten verzonken anachronistische jongeling. Hij is inmiddels uitgegeten. Nog even en dan moet ik hem laten gaan. Dan rekent hij af om vervolgens te verdwijnen in het labyrint dat deze stad voor mij is.

     

    Voor de gelegenheid las en herlas ik:
    Het meervoudige leven van Fernando Pessoa – Ángel Crespo (vertaling: Barber van der Pol)
    Fernando Pessoa: vivendo e escrevendo, vol. 1 – Teresa Rita Lopes
    Het onbekende zelf: Fernando Pessoa – Octavio Paz (vertaling: August Willemsen)
    Lissabon: wat de toerist moet zien – Fernando Pessoa (vertaling: Adri Boon)
    Lissabon: een logboek. Stemmen, gezichtspunten en mijmeringen – José Cardoso Pires (vertaling: Catharine Barel en Arie Pos)

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Venetië en Oostende, Heraklion, Parijs, Rotterdam en Brussel.

  • Jonge honden

    ‘Dat dit het begin was van iets,’ zo heet het kort verhaal waarmee Niña Weijers in 2010 de schrijfwedstrijd Write Now! won, een wedstrijd die ik een jaar later zou winnen en waarvan de hoofdprijs recent is toebedeeld aan de zeer getalenteerde Roos Vlogman. De organisatie van Write Now! heeft al jaren de traditie om een zinsnede uit het werk van de voorgaande winnaar te gebruiken voor de campagne van het daaropvolgende jaar. Van Weijers gebruikten ze die prachtige titel, uit mijn eigen verhaal de slotwoorden: ‘Ook olifanten moeten door.’ Alleen al voor die zinnen is het leuk om de wedstrijd te volgen, want wat gebruiken ze volgend jaar van Vlogman?

    Ik volg veel jonge schrijvers – niet alleen voor De Optimist, waar ik in de redactie zit en met vrolijke nieuwsgierigheid de kopij doorneem voor de volgende vergadering, elke eerste dag van de nieuwe maand – maar ook voor mezelf. Er zijn heel veel mensen die schrijven of willen schrijven, je zou er vermoeid van kunnen raken. Meestal ervaar ik het als iets positiefs, er zijn immers ook een heleboel verhalen te vertellen.
    Als de vogel door het glas vliegt is het afstudeerwerk van, Artez-student en Kunstbende-winnares Jante Wortel, een novelle waarin veel te genieten valt maar waar ook het een en ander op aan te merken is. In het beste geval zie je in zo’n afstudeerwerk potentie, kiemen voor meer. Het hoeft allemaal nog niet perfect te zijn want het is het begin. En al die kiemen zijn bij Wortel aanwezig. Hoort haar novelle al in de winkels te liggen? Dat weet ik niet.

    Toen ik Write Now! won had ik nog geen roman klaar, de uitgeversaanbiedingen die ik kreeg, verwarden me. Groei was wat ik zocht en ik eiste mijn tijd op met als risico dat de op dat moment geïnteresseerde partijen zouden afhaken (sommige deden dat inderdaad). Het manuscript waarmee ik uiteindelijk afstudeerde aan de Schrijversvakschool was nog slechts het begin van een roman die, zes jaar later, zou eindigen in wat er nu in de winkels ligt: naar mijn het idee het beste wat ik op dat moment kon.
    Inmiddels wordt er continu gevraagd naar mijn volgende stap. Wanneer komt die verhalenbundel (zodra die af is), ben ik bezig aan een nieuwe roman (misschien), schrijf ik eigenlijk ook poëzie (nee) – dit allemaal terwijl voor mijn gevoel Probeer om te keren gisteren pas uitkwam.

    Ondertussen drink ik koffie met Max Urai. Net als Elske Kemps en Jante Wortel is Urai pas afgestudeerd aan Artez, ook zijn inkt is net droog. Toch val ik direct in de bekende kuil en vraag hem naar zijn plannen.
    We krijgen weinig tijd om op adem te komen, misschien omdat we met zoveel zijn. Vlogman, Wortel, Kemps, Urai en nog zoveel anderen zijn de schrijvers van morgen, getalenteerde jongeren die schrijven en lezen serieus nemen, nieuwsgierig zijn. Haast hoeven ze wat mij betreft niet te hebben. Ze zijn net afgestudeerd en dat is waar het om gaat: dat dit het begin is van iets.

  • Griekse goden repatriëren

    Een jaar of wat geleden kocht ik – derdehands: drie voor een tientje – De goden gaan naar huis (1966) van A. den Doolaard. Ik had nog nooit van het boek gehoord, maar het sprak onmiddellijk tot mijn verbeelding. Den Doolaard voert een Griekse archeoloog op, die vindt dat de The Elgin Marbles – de antiek-Griekse sculpturen waar Groot-Brittannië goede sier mee maakt – op de Acropolis horen. Dat vind ik namelijk ook. En net als deze Nikos Grammatikakis heb ik dat ook wel eens hardop gezegd tegen medewerkers van het British Museum. Dat deed ik nadat mij nadrukkelijk naar mijn mening werd gevraagd. ‘Vindt u dat The Elgin Marbles hier horen?’, wilde een van de suppoosten, die mij langer dan de gemiddelde bezoeker langs de friezen van het Parthenon had zien schuifelen, weten. Ik had alle tijd en alle ruimte, het museum was net open, er was verder niemand.
    Ik antwoordde naar eer en geweten; en wist zeker dat hij mij die vraag stelde vanwege mijn neus die een opvallende gelijkenis vertoont met die van de meeste tentoongestelde goden.

    Ook Den Doolaards archeoloog die eigenlijk geen Griek maar een Kretenzer is, kreeg – hij wendde zich tot dr. Derek Darwin, de directeur van het museum – natuurlijk nul op het rekest. De Britten vinden dat ze alle recht hebben op deze antieke marmeren beelden. Het woord roofkunst komt in hun vocabulaire niet voor en ruiterlijk toegeven dat ze in Athene heel goed zelf voor hun goden kunnen zorgen, is er niet bij. Namens filhelleen Den Doolaard – aan hem kun je met een gerust hart Grieken toevertrouwen: lees Grieken zijn geen Goden (1960); hij kent en doorziet ze, en houd ondanks dat van hen – neemt Nikos Grammatikakis geen genoegen met die Britse arrogantie.

    Zelf heb ik ook wel eens nagedacht over manieren om die goden uit het British Museum te bevrijden. Toen ik las dat Cees Nooteboom zijn tachtigste verjaardag in het Rijksmuseum mocht vieren, stelde ik mij zo voor dat ik na afloop van een feestje in die bewuste zaal van het British Museum, mijn gasten uit zou nodigen om na afloop de versiering meer naar huis te nemen. Net zoals bezoekers van het Boekenbal dat gewend zijn te doen.
    Overigens is mijn verzet tot nu toe niet concreter geworden dan het onder het toeziend oog van een suppoost doen alsof ik een paard over de neus aai.

    Nikos Grammatikakis gaat doortastender te werk. Hij chartert een vliegtuig en laat zich naar Londen vliegen om de goden te halen. Dat is geen science fiction (vanwege het vermoeden dat het science fiction was, liet ik De goden gaan naar huis lang ongelezen, met het etiket dystopische roman kan ik leven), maar wishful thinking. Want anno 2017 pronkt het British Museum nog steeds met andermans ‘stenen’.

    Als ik de Grieken was, zou ik tijdens de Brexit-onderhandelingen hoog inzetten en de onvoorwaardelijke teruggave van Parthenonfriezen eisen. Een echte Griek neemt namelijk de woorden The Elgin Marbles niet in de mond.

     

     

  • Chinese verhalen

    Elk jaar weer die lijstjes met laatste ‘dingen doen’ voor de zomervakantie. Laatste dingen waarvan er nooit één ding echt het laatste is, er is altijd nóg een laatste. Ik ben van de lijstjes, Mijn lief verzorgt de kampeerspullen waarvan er elk jaar wel iets ontbreekt, dus dat geeft al gedoe. Als de lijstjes zijn afgewerkt, boeken gesorteerd op ‘wel mee’ – ‘niet mee’, rollen we na een glas wijn in bed. Na een onwezenlijke slaap, staan we in alle vroegte op en ‘hup’ in de auto, die altijd voller bepakt is dan we dachten. Waarna Mijn lief, voor de zekerheid, en net voor we de snelweg opdraaien nog even checkt: ‘paspoort, deur op slot, gas uit’? Wat in mij de twijfels doet losbreken maar waarop ik altijd zeg: ‘Ja hoor.’ Om bij de eerste de beste stopplaats (en Mijn lief uit beeld), snel de inhoud van mijn tas om te keren en ‘ja’, ik heb mijn paspoort.

    Met volle tassen proviand en de laatste ‘dit moet ook nog mee’ dingetjes aan mijn voeten, krijg ik prompt visioenen van een ommuurde tuin overwoekerd door pompoenplanten. Een grasveldje met een hoge appelboom, bloeiende artisjokken langs de randen, metershoge helianten en purperen zomerklokjes. Daarachter een aardappelveldje dat wacht om gerooid te worden (de bewoners weg), een cirkelvormige kruidentuin met munt, basilicum en marjolein waarboven een constant zoemen van bijenvleugels te horen is. Een dichte bramenhaag langs de andere tuinkant met vruchten die donker en zwaar aan de takken hangen (maar bewoners zijn afgereisd). Ik focus me op het bladerdak van de appelboom waar gefilterd zonlicht doorheen kiert. Ik zie een makkelijk stoel, een boek, een tafeltje binnen handbereik, verhalen die zich ontwikkelen…

    Deze week skipte ik de vakantielijstjes uit mijn hoofd, las een boekje met Chinese verhalen. De eenvoud van de verhalen, de beelden die het opriep voegden zich bij  mijn verlangen de ommuurde tuin uit mijn jaarlijkse visioen te willen betreden. Ik hoefde daarvoor enkel de achterdeur van mijn huis te openen. Daar te blijven, de hele vakantie met enkel dat boekje. Doen alsof ik op vakantie ben, toerist in eigen tuin, zoals ik op vakantie speel dat ik geen toerist ben.

    ‘(…) wanneer de maan opkomt, de zon ondergaat en de sterren doven, komt door een halfgeopende gevlochten deur een jongen naar buiten. Zodra hij de deur uit is, wordt hij een spookachtige schaduw, die lichtjes wegzweeft.’

    De aftastende gesprekken in de verhalen, surrealistische gebeurtenissen waarvan je vermoedt dat ze werkelijkheid zijn. Een verhaal maakt de wereld meer bevattelijker.  Zoals ik andere jaren op vakantie ga naar andere landen, zit ik nu elke ochtend en avond onder die appelboom. Lezen over onbekende streken en gewoonten, eindeloos lezen van verhalen die in China spelen en geschreven zijn. Dichterbij kan ik niet komen, want een reis erheen staat niet (meer) op mijn lijstje.

     

     

    Een literaire kennismaking met China, (verschillende schrijvers en vertalers), werd samengesteld door Mark Leenhouts en Sophie Kok. Uitgegeven door Het Literatuurhuis tijdens het ILFU 2017.
    Citaat uit: Droge rivier van Mo Yan

     

  • Nog niet afgestompt

    Monique Champagne, de hoofdpersoon in het boek Vissen redden van Annelies Verbeke, staat te koken in de keuken en zingt ondertussen uit volle borst met de muziek van de radio of een cd mee. Nummers uit de Tweede Wereldoorlog die over liefde gaan. ‘Ze dreef haar stem tot het uiterste, waardoor haar keel soms dichtkneep en slechts een pijnlijk hoesten voortbracht.’ Het zegt veel over Monique, wier relatie is gestrand en die haar eigen verdriet ontkent, en over de tijd van de Tweede Wereldoorlog. Het leven ging toen zo goed en zo kwaad als het ging door. Je kocht zelfs, las ik eens in een boek van Henk Hofland, Sinterklaascadeautjes bij de Bijenkorf. Je klampte je aan het leven van alledag vast als aan reddingsboei, vol hoop op een toekomst van vrede.

    Het komt nu wellicht vreemd over., maar ook ik heb lang meer op gehad met mensen die na de Tweede Wereldoorlog het roer rigoureus omgooiden. Die braken met dat misschien wat gezapige beeld waarin alles gewoon doorging alsof er niets aan de hand was. Compleet met zoete liedjes en cadeautjes. Ik had meer op met componisten die de tonaliteit de rug hadden toegekeerd en atonale twaalftoonsmuziek schreven. Muziek van de zogenaamde verloren generatie, van componisten die na de Tweede Wereldoorlog doorgingen met componeren in een gematigd-modern vooroorlogs idioom, zei me niet zoveel.
    Tot ik op de autoradio eens een stuk hoorde dat ik niet herkende en dat me in zijn greep hield. Het bleek een van de strijkkwartetten van Lex van Delden te zijn. Een van de componisten van die verloren generatie, die ook nog eens in onze straat woonde en met wiens zoontje ik regelmatig op straat speelde, zodat hij over ons heen moest stappen om zijn huis in te kunnen komen.

    Hij heette anders (Alexander Zwaap), had eigenlijk arts willen worden, zat in het verzet en werd uiteindelijk componist en muziekrecensent. Was vader van nog een zoon, de inmiddels overleden acteur en naamgenoot, die ik in mijn werkzame leven leerde kennen als behoeder van het nalatenschap van zijn vader.
    Misschien is het uiteindelijk zelfs zo, dat in die doorgaande lijn – waarbij de Tweede Wereldoorlog niet als een breuk wordt gezien -, eerder tot uitdrukking komt dat de oorlog niet zomaar uit de lucht is komen vallen. Het gematigd-modernisme van Van Delden drukt dit duidelijk uit. Van nationalisme naar nieuw nationalisme. Ik ervaar het soms als beangstigend dat wij nu, net als rond de Tweede Wereldoorlog, ook gewoon doorgaan met liedjes zingen, cadeautjes kopen, met het leven van alledag, maar misschien zit dat als overlevingsstrategie gewoon in onze genen.

    Gelukkig zijn we als het goed is nog niet zo afgestompt, dat we af en toe ten diepste worden geraakt door een stuk muziek, bijvoorbeeld door een van de drie strijkkwartetten van Lex van Delden.