• Kikvors

    Onlangs las ik een zeer kort verhaal (zkv) van de schrijver A.L. Snijders over hoe de schrijver op een ochtend zijn deur opent en daar een kikvors aantreft die ‘groter is dan een kleine hond’. Zulke kikvorsen bestaan niet wist de schrijver. Toch zat er een voor zijn deur. Ook de kikvors schrok van de schrijver en maakte zich met sprongen van drie meter, waarna hij even omkeek en weer drie meter verder sprong, uit de voeten. Gelukkig kwam daar de postbode aan, die zou kunnen bevestigen dat de schrijver niet gek was. Hij moest de kikvors ook hebben gezien. De schrijver klampte hem aan en vroeg: ‘Wat moeten we doen met deze kikvors.’ De postbode meende dat het geen kikvors was maar een haiku, een Japans gedicht van zeventien lettergrepen.

    Toen A.L. Snijders dagelijks zkv’s schreef, vertelde hij in Nooit meer slapen (2015) aan Pieter van der Wielen, begon hij deze stukjes gaandeweg via de mail te versturen. Eerst naar zijn kinderen en later naar vrienden en bekenden. Met het gevolg dat er, om deze gretig gelezen stukjes te kunnen bundelen, een uitgeverij voor zijn zkv’s werd opgericht. Ondertussen zijn er meer dan tien bundels met zkv’s gepubliceerd. In de serie Op het nachtkastje (2014 VPRO) vertelt de schrijver – tijdens een zeer ontwapende ontmoeting met kunstenaar Joost Conijn – dat meer dan 1700 mensen op zondag een zkv van hem ontvangen. Dat er soms iemand, soms twee personen daarop reageren. Ik dacht te weten dat ik die ene of tenminste een van die twee was.

    In de ‘Kikvors’ kwamen de postbode en de schrijver niet tot een eenduidig oordeel over wat het was dat zij beide hadden zien wegspringen. Het ging van kikvors naar haiku, heen en weer als een kaatsbal. Was de  postbode aan gooi was het een haiku, kaatste de schrijver de bal terug, was het kikvors. Ik vond het een fantastisch verhaal, vooral op het moment dat de haiku zijn intree deed, dat van die kikvors zou nog wel eens waar kunnen zijn. Dat liet ik de schrijver weten.

    Een uur later ontving ik nog een zkv, ‘Zoon’. Ik voelde me aangemoedigd. Nadat ik ‘Zoon’ gelezen had, waarin de schrijver als een ongelovige priester door een ondiepe poel waadt, vanwaar hij een strofe uit een gedicht  van de Perzische filosoof en dichter Omar Khayyam, waar ik nog nooit van had gehoord (er is wel meer waar ik nooit van gehoord heb), naar ‘onzichtbare mensen’ schreeuwde. Daarna gaat de schrijver naar huis en wacht op zijn zoon die na afloop van een reünie van zijn lagere school bij hem zal overnachten. Het stormt die nacht. Zijn zoon moet vijftien kilometer ‘onder brekende takken’ door het bos naar huis fietsen. De schrijver blijft tot diep in de nacht op, tot zijn zevenenveertigjarige zoon ongedeerd thuiskomt.
    Ook dit zkv  was in alle betekenissen van het woord, verrassend en fantastisch. Toch waagde ik het niet de schrijver dit te laten weten omdat ik vreesde dat we de hele dag op elkaars mails zouden blijven reageren.

     

    Hier het Auteursportret A.L. Snijders met Joost Conijn.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en teksten als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • William Shakespeare kan er helemaal niets aan doen

    Losbandig. Die indruk kreeg de tiener Osama Bin Laden van de Britten tijdens zijn wekelijkse bezoeken aan het geboortehuis van William Shakespeare in Stratford-upon-Avon: ‘We went every Sunday to visit Shakespeare’s house. I was not impressed and I saw that they were a society different from ours and that they were a morally loose society.’ Deze woorden tekende Bin Laden vlak voor zijn dood op in een schriftje dat deel uitmaakt van de recent door de CIA vrijgegeven documenten die de Navy Seals tijdens de inval in het huis van Osama Bin Laden in Abbotabad aantroffen.
    Weliswaar maakt de volwassen Bin Laden enig voorbehoud: ‘I got the impression that they were a loose people, and my age didn’t allow me to form a complete picture of life there’, maar dan nog…

    Net als ik die ene keer dat ik het geboortehuis van Shakespeare bezocht – op 15 juli 1992: ik heb dan wel geen dagboek, maar ik kocht er een kaart met de tekst: ‘So I haven’t written much lately! So what? Neither has Shakespeare’, en heb het bonnetje bewaard – moet Osama Bin Laden zich gerealiseerd hebben dat hij bij het betreden van dat huis een flinke stap terug in de tijd deed. Als hij daar als veertienjarige niet bij stilstond, moet dat besef er toch geweest zijn op het moment dat hij het opschreef?
    Misschien vond hij – ik laat in het midden welke Bin Laden: de veertienjarige of zijn volwassen versie – elke week op zondag gewoon te veel van het goede? Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Zelfs als je in Groot-Brittannië bent om de taal te leren, is elke zondag op de koffie bij een dode dichter een beetje overdreven.

    Zonder dat de context van die paar regels uit het opschrijfboekje van Osama Bin Laden over de bezoeken die de jongen die hij was bracht aan het huis in Henley Street precies duidelijk is – of waarschijnlijk juist daarom – koppen sommige sensatiebeluste kranten dat de weerzin van Bin Laden tegen het westen begonnen is tijdens de bezoeken aan het huis van Shakespeare. Daarmee toch ook suggererend dat een man die inmiddels al vierhonderd jaar dood is – dat werd vorig jaar nog uitgebreid herdacht – medeverantwoordelijk kan zijn voor de radicalisering van Bin Laden en daardoor misschien ook wel een beetje schuldig is aan 9/11.
    Hallo… Hoe vanzelfsprekend is het dat Bin Laden in 2011 nog precies wist wat hij in 1971 vond? Is er dan niemand op de gedachte gekomen om het geheugen en de bedoelingen van Bin Laden in twijfel te trekken?

    Ik wil heus wel weten wat Bin Laden, die zelf van goeden huize kwam, zo decadent en losbandig vond aan Groot-Brittannië, maar misschien is dat allemaal toch te vergezocht. Misschien stond de Shakespeare-cultus hem gewoon tegen. Meer niet.
    Ondertussen is William Shakespeare, die op een steenworp afstand van zijn geboortehuis begraven ligt, zich van geen kwaad bewust. Zijn hoofd over deze kwestie breken kan ook niet meer: honderdvijftig jaar geleden werd zijn schedel uit het graf geroofd. Zegt men.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • 99 stories

    Met twee dezelfde boeken sta ik in de boekhandel – of nu ja, het ene exemplaar is onvertaald en het ander net uitgekomen in het Nederlands, twee keer zo dik en met onbegrijpelijke opmaak, want alle verhalen beginnen op de rechterpagina en ja, zo kom ik ook wel aan de 212 bladzijden. Toevallig sta ik ook voor de kassa. Ik kan me voorstellen hoe het personeel me moet zien: een jonge vrouw, diep in gedachten verzonken – kijk, ze maakt een foto van een bladzijde uit een van de boeken, waarom kijkt ze zo bijzonder boos?
    Het heeft nooit wat willen worden met mijn pokerface.

    Waar het om gaat is verhaal 92 uit de bundel 99 stories of God van Joy Williams. Het is een van de kortste uit een bundel waarin de verhalen toch al met grote regelmaat niet langer bedragen dan een enkele alinea. Onvertaald heet het Distinction: ‘I have never known an insane person, he said. But I have known people who later became dead.’
    Schitterend, wat mij betreft. In Onderscheid, de vertaling, gaat het zo: ‘Ik heb nooit iemand gekend die krankzinnig was, zei hij. Maar ik heb mensen gekend die later dood werden.’
    Stukken minder schitterend.

    Van vertalen weet ik weinig. Wat ik wel weet is dat sommige dingen me eerder opvallen in mijn moedertaal. Zo kan ik stapelgek worden van de overdreven manier waarop veel Nederlandse acteurs hun teksten articuleren. Ik denk niet dat deze acteurs dit meer doen dan anderstalige acteurs, wel denk ik dat ik die nuance mis in het Engels en Duits en in het Frans helemaal.

    Mijn probleem zit hem in het ‘dood werden,’ zo lelijk en weinig treffend vind ik dat. Vertalen is keuzes maken, zegt Jan van Mersbergen in een blog waarin hij zijn liefde voor vertalingen uitlegt: ‘Mijn spreektaal schuurt langs de vertalingen. Ik heb altijd opmerkingen over de woordkeuzes van de vertalers, ik ben altijd blij dat ik die keuzes kan zien. In het Nederlands moet ik die keuzes ook maken. In het Engels lees ik over de keuzes heen, in die taal is er voor de meeste zaken wat mij betreft één woord. Uitdrukkingen staan daar nog los van, die ken ik helemaal niet.’

    Mooi en waar. Ik lees in het Engels om mezelf af te remmen. Om diezelfde reden eet ik sushi met stokjes: ik moet mezelf ervan weerhouden alles in een keer in mijn mond te stoppen. Nu durf ik voorzichtig te beweren dat mijn Engelse leesvaardigheden beter ontwikkeld zijn dan mijn hand-oogcoördinatie. Toch zal ik, net als Jan in zijn blog uitlegt, heel wat missen, simpelweg doordat Engels niet mijn moedertaal is.
    Dood werden – misschien is het niet zo’n groot probleem. Misschien is het een opvatting, zoals de keuze van Erik Bindervoet om Joyce’ Dubliners te vertalen als Dublinezen een opvatting is. Maar ik deel die opvatting met Marianne Gaasbeek, vertaler van 99 stories of god, niet. Dus trek ik mijn gezicht in een plooi, leg de vertaling terug en reken volkomen tevreden de originele bundel af aan de kassa.


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Rechte pad

    Het 13e nummer van Terras ‘China’, is net verschenen maar de voorgaande editie houdt me nog steeds bezig. ‘Catacomben’ met 265 mooie pagina’s tekst die, als was het een doktersvoorschrift, maandelijks, soms wekelijks herlezen moeten worden. Teksten als een mantra, teksten die gekraakt dienen te worden. De dagen moe en de geest verpieterd door virale rellen waar ik niets mee te maken had – maar toch. Met Terras #12 ondergronds, op zoek naar woorden die gevoelens van oprechtheid, van waarde en stevigheid teweeg brachten. Want god, wat is het moeilijk niet mee te bewegen met de stroom zo sterk als een modderstroom. Mijn laptop leek besmet met een ziekte, iets slijmerigs. Angst deze te openenen; één klik en de virale wereld stroomde over het toetsenbord uit.

    Lees dan Nuttige metalen van de Franse schrijfster Caroline Lamarche nog maar eens. Een verhaal waarbij elke lezing andere indrukken teweeg brengt. ‘De ketting die u als ijskoud water over mijn lendenen laat glijden, voordat u hem strak om mijn boevenlijf gordt (…) die ketting dompelt me in een wonderbaarlijk zachte slaap.’ Waarvan je je afvraagt of dat is wat het is? Is hier sprake van liefde of wordt iemands geest onderdrukt?

    Dan De taal van thuis is goede wil  van de Tsjechische schrijfster Kateřina Tučkov waarin haar moeder een definitie van ’thuis’ geeft: ‘Thuis, dat zijn deze vier muren en een deur met een veiligheidsslot, waarvan alleen de gezinsleden een sleutel hebben.’ Daar is geen speld tussen te krijgen, zo benauwend. Geen ongewenst bezoek. Wie weet brengt die ongewenste bezoeker de hoognodige lucht en ruimte tussen de familiebanden en neemt daarmee de geschiedenis een andere loop.

    De definitite van de dochter, Kateřina Tučkov, van ’thuis’ zijn woorden. Met taal een thuis creëren dat nooit op slot hoeft. Ze houdt van de volkstaal – het ‘hantec’ – een mengeling van Duits, Jiddisch en Tsjechisch. Elk woord uit het hantec heeft zijn eigen verhaal waardoor de taal leeft, omhulling geeft. Dat is voelbaar als je dit leest.Voor Tučkov is taal het middel waarmee ze haar huis maakt. Het hantec had een vulgair tintje, schrijft ze, maar het drukt voor haar het best het gevoel van thuis uit.

    Een zin als: ‘Naar verluidt staan elk jaar op de wereld een vijftigtal talen op punt van uitsterven. Het hantec is aan het eind van de Tweede Wereldoorlog gesneuveld.’, markeert dan een stilvallen in de tijd.

    Moeder is blij dat het hantec is uitgestorven, dochter betreurt het. Moeder noemt het hantec geen taal maar een ‘misbaksel’. Moeder voert als argument aan dat ze elkaar nu tenminste kunnen verstaan. Dochter bevestigt dat ze elkaar verstaan maar niet begrijpen. Dat elkaar begrijpen geen kwestie van taal is, maar van goede wil. En dat – beste mensen – houdt me op het rechte pad.


    De taal van thuis is goede wil
      van Kateřina Tučkov werd vertaald door Edgar de Bruin.
    Nuttige metalen werd vertaald door Nathalie Tabury.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en teksten als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Pleisters plakken

    Veel meer dan een titel en een toepasselijk plaatje had ik niet voor ik aan het schrijven van deze column begon. Ik wilde het per se hebben over Harnas van Hansaplast van Charlotte Mutsaers. Dat haar nieuwe roman zo zou gaan heten, maakte zij – of was het haar uitgever – al een tijd geleden bekend. Een prachtige titel waar ik me niets bij voor kon stellen. Toen kwam het boek met een ontroerend poppetje van Hansaplast op de cover, dat het ‘stroeve zelfportret’ van Barend, de broer van Charlotte Mutsaers, blijkt te zijn. De schrijfster treft het aan op een dwarsbalk op de zolder waar haar broer eenzaam en alleen de dood tegemoet getreden is.

    Ik was nog aan het bedenken welke kant dit stuk precies op moest, toen er een bom ontplofte. Naar aanleiding van een interview in de Volkskrant over haar nieuwe roman werd Charlotte Mutsaers van alles verweten, maar vooral dat zij en haar zus een opkoper lieten komen voor de (kinder)porno die ze aantroffen tijdens het ruimen van het huis van hun broer. Er waren zelfs mensen – waaronder nota bene collega-schrijvers – die graag zouden zien dat dit de zussen formeel ten laste wordt gelegd. Waarop de schrijfster zich genoodzaakt voelde om te verklaren dat zij en haar zus nooit – ‘nog geen snipper’ – kinderporno hebben doorverkocht. Terwijl het haar eigenlijk om iets anders ging: Charlotte Mutsaers ergerde zich aan het weer eens op één hoop gooien van feit en fictie.

    Het kan niet vaak genoeg gezegd worden: hoe autobiografisch een roman ook lijkt, neem nooit zomaar aan dat iets waargebeurd is. Sara Berkeljon van de Volkskrant weet dat en had daar in haar vraagstelling blijk van moeten geven. Wie het betreffende deel van het interview leest, krijgt de indruk dat roman en werkelijkheid probleemloos over elkaar heen kunnen schuiven. Charlotte Mutsaers laat dat zo. Zij voelt zich, het gehengel naar wat waar is en wat niet meer dan beu, niet geroepen duidelijkheid te verschaffen. Een roman is een roman is een roman. Daar heeft ze groot gelijk in.

    Dat is zelfs haar goed recht, maar daar wringt wel de schoen. Sara Berkeljon en Charlotte Mutsaers praten tijdens het interview langs elkaar heen. Sara Berkeljon is journalist. Het gaat haar om de feiten, maar ze realiseert zich niet dat waar ze mee bezig is – een roman terugbrengen tot een verzameling autobiografische feiten – pijnlijk is. Dat Charlotte Mutsaers, die toch al een haat-liefdeverhouding heeft met het interview – omdat een ander de vragen stelt en daardoor het gesprek stuurt: daar verandert de vrijheid van antwoorden niets aan – met haar antwoord een statement maakt en stelling neemt, ziet ze niet.

    Zover ben ik als ik opnieuw word ingehaald door de actualiteit. Charlotte Mutsaers vertelt in De wereld draait door hoe het zit. Ze legt uit dat ze doorgaans heel open antwoordt op vragen. Dat ze niet hoort bij de schrijvers die er in een interview op los fabuleren, omdat ze een interview zien als het verlengde van hun oeuvre. Ze maakt daarop één uitzondering. ‘Als ze aan mijn boek komen, zeg ik het gewoon zoals het in mijn boek staat.’ Opnieuw neemt ze de roman die haar aan het hart gaat in bescherming. Ten koste van zichzelf.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Zoete en stoute kinderen

    ‘Ik weet niet of de kinderen ons ooit zullen begrijpen’ zegt de moeder van regisseur Aliona van der Horst in haar documentaire Liefde is aardappelen. ‘Ons’, dat wil zeggen de mensen in het vrije westen. En ook, ‘het’ ooit zullen begrijpen, waarmee ze de ontberingen tijdens het communistische regime in de Sovjet-Unie bedoelt.
    Toch heb ik het gevoel dat je er soms, even dichtbij kunt komen. Of op z’n minst het verlangen naar licht kunt begrijpen dat er moet zijn. Bijvoorbeeld tijdens het concert dat het Boedapest Festival Orkest onder leiding van Iván Fischer onlangs gaf in het Amsterdamse Concertgebouw. Gespeeld werd het twintigste pianoconcert in d kleine terts KV 466 van Mozart, met Emanuel Ax en zijn fluwelen toucher als solist.

    Vanuit de zaal zag ik tussen de openstaande klep van de vleugel en achter de eerste violen de contrabas sectie van het orkest. Enorme contrabassen waren het, met vijf snaren en de klankkast dieper dan gebruikelijk. Barokinstrumenten waren het, die het orkest ook gebruikt als ze die muziek spelen. De klank was anders dan we van Nederlandse orkesten kennen. Voller, als droegen de bassen de rest van het orkest op handen.
    Maar wat vooral opviel, was dat de bassisten niet leken te strijken, maar te vegen. Zoef, zoef. Zoals de losse toets van een schilder als Frans Hals die zijn verf in vegen op het doek aanbracht, zoals op Portret van een man dat momenteel in Amsterdam tijdens de tentoonstelling Hollandse Meesters uit de Hermitage valt te zien. Dit geeft een bepaalde lichtheid en biedt troost die door alle donkerte te zien is of doorklinkt.

    Is dat een al dan niet symbolische interpretatie, iets dat ik er maar inleg? Niet helemaal of helemaal niet. Mozarts concert geeft er op z’n minst alle aanleiding toe: hij eindigt het in een blijmoedig D grote terts. De film van Van der Horst eindigt ook zo, wanneer op het eind de winter met z’n diepsneeuw plaatsmaakt voor de lente. Zij heeft het bewust gedaan, zei ze in een interview in het Amsterdamse Rialto, net zoals Mozart heel goed wist wat hij deed.
    Natuurlijk hebben wij weet van de zandman Klaas Vaak die zoete kinderen (het regime in het voormalig Oostblok welgevallige mensen) mooie dromen voorschotelt, en stoute kinderen (dissidenten) nachtmerries toewenst, maar zonder mooie dromen over een toekomst zonder dictators, hongersnood en martelingen en zonder hoop valt niet te leven:

    de droom hangt in het raam, kom maar
    als hij deze dag inluidt, is het weer en zo
    niet dan trekt hij zijn regenjas aan, herfst
    komt spoedig, hij heeft een theepot nodig
    hij loopt de straat uit, en fluit zijn liedjes

    (Albertina Soepboer, Zandman’ in: bezonken)

    Liedjes zonder woorden zijn het. Van Mozart of – zoals in de film – van bijvoorbeeld Elmer Schönberger. Met bij Mozart contrabassen o zo mooi. Zoef, zoef. Ze wissen hopelijk de tranen van mensen als Aliona van der Horsts moeder.


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waarbij zij in haar observaties het publiek niet vergeet  waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Carmiggelt in een glossy

    Het was een regenachtige maandagmiddag. Ik zat in de overvolle wachtkamer van het streekziekenhuis. In wachtruimtes op luchthavens, bij de tandarts of dokter, lijkt veel er niet meer toe te doen. Bladerend door tijdschriften die voorhanden zijn als Voetbal, Quote en De Linda vergaat de tijd. Gedachten aan okergele schoenen en dat ik mijn broer eens moet opzoeken krijgen de ruimte. In een wachtkamer komen goede voornemens bij me op als op een oudjaarsavond. In deze wachtkamer waren alle tijdschriften in gebruik. Twee stoelen links van mij zat een vrouw die met haar man was meegekomen. Had iets onbekommerds van, ‘mij scheelt niks’. Ze bladerde in een tijdschrift, een glossy. Ik keek van terzijde mee en zag Carmiggelt voorbijkomen, en dacht, wat is er met Carmiggelt?
    Mompelde binnensmonds, ‘blader even terug’ maar de vrouw bekeek uitgebreid de woninginrichting van een BN’er, met tafelbladen van de doorsnee van een tachtigjarige eik, de schors nog langs de tafelranden.

    In mijn hoofd raasde het, ‘is er een herdruk van een van zijn gebundelde kronkels verschenen, is er een Carmiggelt feest opkomst een herdenking of een “Wie schrijft de beste Kronkel” wedstrijd’? Ik schoof op mijn stoel heen en weer, er werd een naam afgeroepen, de bladerende vrouw zei: ‘Jij bent aan de beurt.’ ‘Ja’, zei de man en stopte het puzzelboekje waarin hij niet gekeken had, in haar tas. De vrouw legde achteloos het tijdschrift terzijde. Ik pakte het blad (Hollands Glorie; wat in vredesnaam!), op en zocht Carmiggelt. Een artikel over zijn leven, met zwart/wit foto’s en waar eigenlijk niets instond wat ik nog niet wist, maar las het desondanks gretig (een gretigheid van lezen die bij een wachtkamer hoort). Over zijn verloren broer Jan in de oorlog, zijn rol als meest getrouwde man van Nederland, over Tiny zijn vrouw, de affaire met Renate Rubenstein en zijn journalistieke loopbaan. In een kader dacht ik de aanzet tot dit stuk te vinden. Een aankondiging van S. Carmiggelt, Een levensverhaal door Sylvia Witteman en Thomas van den Bergh.

    Ik nam later de bus naar de eerste de beste boekwinkel. Vroeg de doorgewinterde boekverkoopster terstond naar deze biografie. In de winkel – oh schande – stond ie niet. Op internet niets te vinden. Ik zag de blinde hoeken van de uitgeverswereld waardoor deze biografie ongezien voorbij was gegaan. Hoe was dit mogelijk! De doorgewinterde boekverkoopster kon zich niets herinneren van Witteman en Carmiggelt. Ze twijfelde aan de computer, aan zichzelf. Nam plaats achter een andere computer, die evenmin iets opleverde. Hoe-is-dit-mogelijk! We werden speurders in boekentijd toen opeens bol.com met resultaat kwam. Tweedehands (want uit 1998) was het nog te verkrijgen. Onthutst namen de doorgewinterde boekverkoopster en ik afscheid van elkaar: dat we dit gemist hadden! Thuis heb ik het direct besteld en lees opnieuw over zijn leven en ben verkocht aan zijn cursiefjes die  nog steeds ongelofelijk leesbaar zijn en uitermate geschikt voor in de wachtkamer.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Jan Wolkers & Zonen

    Ik zie ze daar nog staan. Bob en Tom, de tweelingzonen van Jan en Karina Wolkers. De een staat met zijn jas in de hand, de ander tilt zijn tas uit de kofferbak van de auto die hen naar het ouderlijk huis heeft gebracht. Ze weten wat de wereld nog niet weet: hun vader is stervende. Haast om het huis te betreden, hebben ze niet. Ze zijn in gedachten verzonken.
    Ik zie ze in het voorbijgaan. We zijn op weg naar een kop koffie met een Juttertje. We hadden ook een andere weg kunnen kiezen, maar kozen de Rozendijk. Als altijd kijk ik ter hoogte van Pomona even opzij en zie ik ze.

    De dagen voorafgaand aan de dood van Jan Wolkers was ik op Texel om met een hoogbejaarde moeder de verjaardag van een afwezige dochter te vieren. Een van die dagen was ik getuige van de thuiskomst van Bob en Tom.
    Vanaf het moment dat ik Onno Blom op de plek waar zij een paar dagen daarvoor stonden de dood van Jan Wolkers wereldkundig zag maken, heeft het beeld van jongens die op het punt staan hun stervende vader te begroeten zich in mijn hoofd genesteld. Zo staan ze al tien jaar in mijn geheugen gegrift.
    Volkomen ten onrechte blijkt na het bladeren en verkennend lezen in Het litteken van de dood: de biografie van Jan Wolkers van Onno Blom.

    In het slothoofdstuk van zijn biografie beschrijft Onno Blom de laatste dagen van Jan Wolkers. Wolkers wordt op 3 oktober 2007 in het ziekenhuis opgenomen. De operatie waarvoor hij komt, verloopt succesvol, maar de artsen constateren dat zijn lever niet meer werkt. Jan Wolkers is doodziek.
    ‘De volgende ochtend, op dinsdag 16 oktober, werd hij met een ambulance teruggebracht naar het eiland. Tom hield hem gedurende de rit gezelschap’, schrijft Onno Blom, en dat maakt het uitermate onwaarschijnlijk dat ik de zonen van Jan Wolkers voor de deur moed heb zien verzamelen. Onno Blom bevestigt wat ik eigenlijk al weet: het is ondenkbaar dat de tweeling zich pas op het laatste moment bij hun zieke vader voegt. Daarvoor is het gezin waar zij deel van uitmaken te hecht.

    Anders dan Jan Wolkers heb ik mijn leven niet nauwkeurig gedocumenteerd. In mijn agenda staat alleen dat ik in die periode op Texel was. Op welke dag ik in een bleekgeel Dafje via de Rozendijk naar De Dennen tufte, heb ik niet genoteerd, maar ik weet zeker dat ik toen een man met een jas en een man met een tas bij de familie Wolkers op de stoep heb zien staan.
    Dat ik daar na de dood van hun vader Bob en Tom van gemaakt heb, kan eigenlijk maar één ding betekenen: ik wilde met terugwerkende kracht getuige zijn van een bijzonder moment in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Zodat ik zou kunnen zeggen: ik was er bijna bij toen Jan Wolkers overleed. Zoiets moet het geweest zijn. Met het liegen van de waarheid heeft het niets te maken. Voor zover ik weet.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Wel of niet lezen

    De afgelopen jaren ben ik geïnteresseerd geraakt in gedwongen migratie en de daarmee samenhangende problemen. Het levert soms stress op. Er lijkt een tsunami aan literatuur over me te worden uitgestort. En dan denk ik vooral aan romanciers die het als thema kiezen. Het idee vliegt me wel eens aan: hoe hou ik dat allemaal bij?
    In zijn nieuwste roman Zuivering van Tom Lanoye neemt hoofdpersoon Gideon Rottier een Syrisch vluchtelingengezin in huis. Moet ik dus lezen. Van mezelf. Het zal er nog wel van komen, al is het maar omdat ik Lanoye om zijn taal graag onder ogen heb.

    Ik heb het over dit boek vanwege een recensie in De Groene door Kees ’t Hart (die zelf in De keizer en de astroloog in zekere zin ook over een vluchteling schreef, maar dan van een heel ander type). Hij vraagt zich af wat Lanoye eigenlijk wil met zijn roman: ‘Moet ik aan het denken worden gezet over kwesties waarover ik het al lang met hem eens ben?’ En even verder: ‘In romans hoop ik altijd op rare invallen, een krankzinnig idee, een overdreven visie die nergens op slaat, een verwoestende blik (…) Ik hoop op romans waarin het erom gaat ongelijk te krijgen’.

    Het deed me denken aan de falsificatietheorie van Karl Popper, die kritisch onderzoek eist: is datgene waarover we het eens lijken te zijn wel houdbaar? Maar ik greep ook terug naar een passage die ik me herinnerde van Bohumil Hrabal in zijn Praags ironie. Hij blikt daarin terug op wat hij in zijn leven schreef: boeken boordevol reflecties en metaforen, maar ook boeken met kale zinnen. Boeken waar hij doodsbang voor was en boeken waarom hij moest lachen. Bellettrie naast journalistiek werk. Boeken waarin zijn levenslot besloten lag maar ook boeken die louter vermaak beoogden. Ik hou van Hrabal en ik weet dat ik me bij diens passage afvroeg of ik dat allemáál zou willen lezen.

    Kees ’t Hart stelt een boeiende persoonlijke onderzoeksvraag. Waarom zou ik de nieuwe Lanoye willen lezen? Wat is het precies waarom ik van Hrabal hou? Op deze vraag heb ik wel een antwoord (hoewel ik lang niet alles van deze Tsjech ken): hij voert me mee op gedachtestromen die me voortdurend confronteren met mijn eigen wijze van denken. Hij biedt mij vooral ‘de rare invallen’ waarover ’t Hart het heeft. Hij blijft nog steeds nieuw voor me.
    Het is lastiger om dat van Lanoye (ook van hem las ik niet alles) te zeggen. Een taalvirtuoos, dat is hij zeker. Hij weet me te vangen. Maar hij verrast me niet altijd. Zijn Gelukkige slaven vond ik spannend, geraffineerd opgezet. Maar ben ik er veel wijzer van geworden over stroperij, jacht op neushoorns, illegale handel en fraude?
    Ik zal Zuivering waarschijnlijk lezen. Maar ik hoop wel – weer in de woorden van Hrabal – ‘achter dingen van de wereld te komen die ik niet weet…’


    Adri Altink recenseert voor LiterairNederland en heeft belangstelling voor (cultuur)geschiedenis. Hij werkt als vrijwilliger met vluchtelingen. Zijn ervaringen daarmee deelt hij in zijn columns.

  • Nieuwe norm

    In de week waarin er zoveel op sociale media speelt dat je bijna zou vergeten dat waar het om gaat vooral buiten gebeurt, op straat en in cafés en slaapkamers, in het openbaar vervoer, er is zoveel meer dan internet – in die week denk ik vooral na.
    Op de middelbare school waar ik zat, kon je kiezen of je bij de rapportvergaderingen aansloot. Deelnemen was geen optie, de docenten bespraken de leerlingen en jij hield je mond, maar je kon eventueel horen wat het team over je te zeggen had. Nooit zat ik erbij. Luiheid, angst?
    Wat zou er gebeuren als we, in het kader van die vreselijke hashtags (vreselijk omdat ze even nodig als onvolledig zijn), rapportvergaderingen zouden houden? Ik stel het me voor: een klaslokaal, een kring docenten, de leerling in kwestie aan de zijlijn. En dan de anekdotes.

    ‘Die keer in de kroeg dat hij maar toespelingen bleef maken over mijn decolleté.’

    ‘De hand op mijn bil.’

    ‘De zoen op mijn wang die steeds op mijn mond terechtkwam.’

    Het zijn wellicht niet de grootste misdrijven maar daar gaat het niet om, het gaat om de volledigheid per individu, want in alles wat er nu in kranten en op het web gezegd wordt, dreigen we in algemeenheid te verzanden. De ervaringsverhalen zijn belangrijk maar lijken op elkaar en worden weinig tastbaar voor wie ze leest – ‘o, dat gaat duidelijk niet over mij’, is dan  een makkelijke gedachte.
    De mannen op het schavot, de mannen die beloven vanaf nu op te letten en in te grijpen, zelfs de mannen die in stilte worstelen met herinneringen die in ander licht komen te staan – zouden ze die verhalen, die wel over henzelf gaan aankunnen?
    Op de radio vertelde een man hoe hij een hele avond, naar zijn idee, signalen kreeg van een vrouw dat de interesse wederzijds was. Ze was aanrakerig, vrolijk, flirterig. Op het einde van de avond zoende hij haar. Ze werd woest. Aan de luisteraars de vraag: deed de man het verkeerd?

    Daaronder liggen nog zoveel vragen, vragen die ik, met twee opgroeiende tieners in mijn buurt, te belangrijk vind om te negeren. Want als er zoveel niet mag, wat mag er dan wel? Hoe leer ik die jongens waar de grens ligt tussen een vrolijk ‘ik probeer het gewoon!’ en opdringerig, eng gedrag?
    Misschien kunnen wij, vrouwen, op onze beurt ook eens aan die zijlijn gaan staan en horen wat mannen over ons te zeggen hebben.

    ‘Toen je de hele avond tegen me aan stond te dansen, kreeg ik echt de indruk dat je mij leuk vond.’

    ‘Als je naast me zit en steeds over mijn arm wrijft, dan doet dat iets met mijn verwachtingen.’

    ‘Ik weet niet meer wanneer ik iets mag proberen.’

    Ik zeg dit niet om een schuld bij vrouwen te leggen. Ik denk alleen dat lezen, wat zo veilig afstandelijk is, niet genoeg is. Misschien schiet zelfs luisteren tekort. We moeten in gesprek, en met elkaar een nieuwe norm bepalen. Maar wie durft?

     


    Marijn Sikken mijmert en schrijft in haar columns over lezen, verhalen en literatuur en over dingen die haar bezig houden. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen begin dit jaar bij Uitgeverij Cossee.

     

  • Op de plaats onrust

    Bijna iedereen in de boeken die ik bij me heb is onderweg. Sipko Melissen begeeft zich naar Norderney, nadat hij eerst in Venetië en Merano geprobeerd heeft Franz Kafka zo dicht op de huid te zitten, dat hij zich voor kan stellen hoe het geweest is om Franz Kafka te zijn. Gerda Dendooven stuurt twee naamloze personages, een vrouw en een man, met onbekende bestemming weg uit het leven dat ze leiden in de hoop dat ze elders rust vinden. Een psychiater die verdacht veel op António Lobo Antunes lijkt, laat tijdens een rit van de Algarve naar Lissabon zijn gedachten de vrije loop en belandt zo in zijn turbulente verleden. Alleen de man die zich verschanst heeft in een tuin verplaatst zich nauwelijks, al koestert hij een diepe wens die tuin – waar hij in een mum van tijd een zee van kan maken – te verlaten.

    Zelf zit ik inmiddels aan een tafeltje met uitzicht op een zuidelijke zee. Een meisje met rood haar en een streng knoflook om haar nek kijkt mij aan. Hoe, dat weet ik niet precies. Degene aan wie het tafeltje toebehoort waaraan ik zit te werken, associeerde haar blik ooit met onschuld en dapperheid. Ook dat meisje heeft overigens een hele reis achter de rug. Eerst maakte ze een grote sprong westwaarts. Daarna zakte ze af naar het zuiden.
    Mijn zitten is maar schijn: zonder dat iemand het ziet, spring ik van hot naar her. Door de tijd en door de ruimte. Ik orden het verleden van iemand die op haar beurt structuur aanbracht in het geschiedenis van twee anderen om vervolgens een roman te schrijven op basis van die geleende levens.

    Ik struin rond in hun echte levens, en in dat van de schrijfster voor, tijdens en na het schrijven van het boek. Wie mij ziet zitten, gelooft niet dat ik in amper een uur tijd het Duitse dorpje aandoe waar de vrouw die model stond voor een van de protagonisten in haar jeugd verschrikkelijk vernederd werd; me suf zoek naar de datum waarop de eerste zinnen op papier gezet werden – de schrijfster schreef toen nog met de hand – en tijdens een Frankfurter Buchmesse getuige ben van de avant-première van de roman die pas een paar weken later officieel ten doop zal worden gehouden.

    Het is vandaag de vijfde dag dat ik volstrekt niet vrijblijvend surf tussen toen, nu, hier en daar. De tegenwoordige tijd begint te dringen. Aan het eind van de week moet het materiaal overzichtelijk in mapjes zitten. Bovendien heb ik zin om zelf weer wat te schrijven. Ik wil literaire verbanden leggen tussen Fresh Up en Tabac en het over Kafka hebben. Kafka van wie we dankzij een fabulerende Nicole Krauss weten dat hij na 1924 nog lang en gelukkig leefde als tuinman in Palestina. Kafka die Sipko Melissen het hoofd op hol brengt.
    De dingen beginnen danig door elkaar te lopen. Het is tijd om naar huis te gaan. Laat het meisje met de rode vlechten en de streng knoflook maar een tijdje op iemand anders neerkijken.

     

    Ik ging op reis en nam mee:

    Tabac – Gerda Dendooven
    Reis naar het einde – António Lobo Antunes
    Tuin – Vincent van Meenen
    Kafka op Norderney: essays – Sipko Melissen

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Ritme

    Op het immens drukke plein voor het Amsterdamse Centraal Station loopt een lange heer met de klep van zijn pet voor zijn ogen getrokken. Als extra bescherming tegen de zon en wat al niet meer doet hij ook nog eens zijn hand voor de zijkant van zijn gezicht. Een fractie later haalt hij met een vuist uit naar mensen om zich heen. Daarbij maakt hij passen als stond hij in een boksring. Iedereen wijkt verschrikt uit en de man vervolgt zijn weg. Ik heb niet meer gekeken op wat voor manier.
    Een dag later kwam ik bij mij in de buurt een kleine man tegen met een aangelijnde al even kleine, witte poedel. Hij had een ouderwets transistorradiootje bij zich waaruit zachtjes vrolijke muziek klonk,

    muziek waar we veertig jaar geleden op dansten:
        een bas die vier maten herhaalt en herhaalt

    aldus Martin Reints in zijn bundel met gedichten en beschouwingen, Wildcamera.

    Later zat ik in de bus achter een mijnheer die de stang voor zich angstvallig omklemde, een aktetas op schoot stevig vasthield en heen en weer wiegde. Opeens viel het kwartje of kwam ik althans op het idee van wat het zou kúnnen betekenen, de boksende en wiegende man, mij ingegeven door een interview met de filosoof en psychiater Paul Moyaert.
    Moyaert zou de boksbewegingen van de lange heer ongetwijfeld beschrijven als een omgang met zijn waanzin, als het op zijn manier meedansen met het leven. En de muziek van de kleine man zou hij zien als diens wijze om met zíjn problemen om te gaan. Hij zou hem in ieder geval zien als iemand met autisme.

    Op grond van een gebeurtenis die Artur Japin beschrijft in zijn roman Vaslav denk ik verder. Kyra, de hoofdpersoon van dit boek, komt op een gegeven moment in contact met een jongen van een jaar of achttien die aan luchtdirigeren doet. En dat niet alleen, de jongen bracht zelf ook muziek voort, ‘inventief en eigenaardig, uit alle hoeken en gaten van zijn eigen lichaam.’ Hij zoemde en piepte, fluitte, trommelde en knarste ‘voor een publiek van zotten dat er niet van op- of omkeek.’
    Hieruit concludeer ik dat niet reageren ook voor ons, een publiek van zogenaamde ‘normalen’ op het drukke plein voor het Amsterdamse Centraal Station, na de eerste schrik, wellicht de beste reactie was.
    De oproep van beide mannen op straat, van de man in de bus en de jongen van achttien bij Japin is denk ik met Moyaert dan ook niet: ‘Help mij’, maar: Geef me de ruimte. ‘Die neuriënde, waggelende, wiebelende mensen proberen in hun ritme te komen. Dat is wat het is’ aldus Moyaert. Dat moeten wij niet verstoren.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waarbij zij in haar observaties het publiek niet vergeet  waar ze dan weer over schrijft in haar columns.