• Geen geschikt moment

    Het kwam vast door de februari wind, de nachtvorst en het onverbiddelijk witte daglicht waardoor ik deze dagen wat ongemakkelijk in elkaar stak. Als klopten de verbindingen niet meer, was er een defect in het handelen opgetreden. Toch toog ik afgelopen zondag naar een literaire salon aan de Lijnbaansgracht in Amsterdam. Omdat ik gereserveerd had. Omdat de schrijver Nicolien Mizee  er geïnterviewd zou worden. Haar openheid van zaken en exacte formulering der dingen (wat ik geheel ontbeer), wilde ik eens live meemaken. Omdat deze literaire salons bestaan uit twee zeer onderhoudende interviews, omlijst met muziek en er een voortreffelijke maaltijd geserveerd wordt, wilde Mijn Lief mij wel vergezellen. In het felle middaglicht zaten we in de Intercity waar een medereiziger luid sprak: ‘Wat een prachtige dag is het toch. Een dag voor een elfstedentocht!’ Ik dacht aan bevroren vingers en stugge schaatsriempjes en drukte mijn rug in de stoelleuning, mijn hoofd afgewend van het treinvenster.

    Bij aankomst station Amsterdam kocht ik bij de Hema een parapluutje alvorens het daglicht in te gaan. We wandelden langs de Prins Hendrikkade richting Noordermarkt en verder. Tot we ons opeens bevonden tussen een aanzienlijke hoeveelheid dames van een zekere leeftijd, met een zekere mate van make-up, een speelse krul of pluk in het haar en opmerkelijke brilmonturen. Ik vergat even wat voor dame ikzelf was. We vonden twee lege stoelen achterin het overvolle atelier tegen een lange muur waar ik mijn rugzak, waarin een exemplaar van De kennismaking van Nicolien Mizee, onder mijn stoel schoof. Ze werd geïnterviewd door Mieke van der Weij. Het publiek was enthousiast, leek alles voor het eerst te vernemen. Over de faxen die Mizee dagelijks schreef aan iemand die er niet op zat te wachten en waarop ze nooit een antwoord kreeg. Over de humor in De kennismaking als ook in haar andere boeken. Dat is het mooie van een literaire salon: je laten vermaken, nieuwsgierig gemaakt worden naar een boek.

    Na het interview stond het eten opgediend. Literatuur maakt hongerig en iedereen kwam in beweging. Een enorme rij ging voor de tafel langs waarachter de schrijver zat (die ook geen kant op kon). Sommigen die voor haar tafel tot stilstand kwamen, kochten een boek, kregen dat gesigneerd. Mijn boek zat (omdat ik wat ongemakkelijk in elkaar stak) nog in mijn rugzak. Tegen Mijn Lief die me erop attendeerde, zei ik dat ik een geschikt moment afwachtte. En bedacht wat ik zou zeggen terwijl ik het boek naar haar toe zou schuiven: ‘Ik vond het een zeer vermakelijk boek.’ Waarop ik me direct zou verontschuldigen omdat ‘vermakelijk’ niet het juiste woord was voor een boek waar ik… tja, me toch wel ongelofelijk mee vermaakt heb. Dat ik me verheug op het volgende deel, zou ik haar zeggen, dat in mei uitkomt en dat De Porseleinkast heet. Ja, dat zou ik zeggen. Maar dat geschikte moment kwam maar niet en zo bleef het boek ongemakkelijk in mijn rugzak zitten.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Verhalen die verder gaan

    Hij heeft niet eens een bijrol in de Harry Potter-reeks. Hij is ‘slechts’ de schrijver van Fantastic Beasts and Where to Find Them, verplichte kost voor leerlingen van Hogwarts School of Witchcraft and Wizardry.
    Zeven delen is Newton Artemis Fido (roepnaam Newt) Scamander onzichtbaar, hoewel zijn naam in de verfilming van Harry Potter and the Prisoner of Azkaban te zien is op Marauder’s Map (hij is dus in de buurt). Dat hij de leading man zou worden in een film met dezelfde titel als zijn boek kwam voor velen als een verrassing en was dan ook groot nieuws. Dat er vanwege verwacht succes nog vier films volgen niet minder.

    Toen vorig jaar De middelste dag van het jaar van Maria Stahlie verscheen, was er geen krant die kopte dat Sylvia Ciecierzky eindelijk de kans kreeg om haar kant van het verhaal te vertellen, nadat het in Honderd deuren (1996) vooral om haar dochters draaide. Sterker nog: de verwantschap tussen beide romans kwam in de media nauwelijks ter sprake. Zelfs de meeste recensenten deden alsof De middelste dag van het jaar volledig op zichzelf stond.
    Joke Hermsen gaat verder: zij vervolgt in haar romans de levens van haar personages. Drie romans lang – in Het dameoffer (1998), De profielschets (2004) en Blindgangers (2012) – gunde zij Det van Vliet de kans iets van haar leven te maken. Inmiddels is ook Ella Theisseling in Rivieren keren nooit terug toe aan haar derde literaire levensfase. Zij debuteerde in De profielschets en was in Blindgangers een van de zes ‘dramatis personae’.

    In de literatuur is het niet gebruikelijk om levens te hernemen en spin-offs komen ook niet zo vaak voor. Misschien omdat literatuur er niet a priori op uit is om leeshonger te stillen en lezers vast te houden. Liefhebbers van literatuur willen wel meer, maar niet per se meer van hetzelfde.
    Dat er met literatuur relatief weinig geld te verdienen valt, zal ook een rol spelen. De prikkel om uit financiële overwegingen in herhalingen te vervallen, ontbreekt. Literatuur is een fundamenteel andere vorm van vermaak dan ‘leesboeken’, televisie(series) of films waarvan er dertien in een dozijn gaan.

    Als schrijvers als Maria Stahlie of Joke Hermsen ervoor kiezen het leven van een personage te verlengen, is dat een keuze ingegeven door louter literaire overwegingen. Zij zijn nog niet klaar met hun protagonist; ze zien in hem/haar de ideale persoon om ideeën over het voetlicht te brengen en/of een verhaal vanuit een ander perspectief te vertellen. Dat dat personage ondertussen eventueel ouder en misschien ook wel wijzer is geworden, is in de meeste gevallen mooi meegenomen.

    De schrijver die op deze manier romans aan elkaar rijgt, neemt een risico. Hij mag zelf zo zijn redenen hebben om een verhaal aan dat ene en niet aan een willekeurig nieuw personage op te hangen, als de lezer nog nooit van Sylvia Ciecierzky, Det van Vliet of Ella Theisseling heeft gehoord, schiet hij een deel van zijn doel voorbij. In het gunstigste geval wordt zijn meest recente roman welwillend ontvangen, maar dat die roman onderdeel is van een groter verhaal blijft helaas en tot zijn spijt onopgemerkt.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Seis oere thús

    Op een avond reed ik met een bus Leeuwarden binnen. Na mijn studie heb ik daar jaren gewoond. Toen ik uitstapte, luidden de klokken zes maal zes slagen; het is zes uur. Dat wil zeggen: kom naar huis, je moet eten. Opvallend is dat ik me dit meer dan dertig jaar later nog kan herinneren als de dag van gisteren: de verstilde sfeer, de invallende avond, de klank van die klokken en het Friese landschap waar ik doorheen was gereden, vanaf Snits (Sneek) richting Ljouwert (Leeuwarden).
    Seis oere thús heet de herkenningsmelodie, de tune voor de Culturele hoofdstad van Europa in 2018: Leeuwarden – Fryslân. Het uitgangspunt is inderdaad het gelui van de kerkklokken, maar niet zozeer als roep om thuis te komen voor het eten, maar als wake up call voor de problemen van deze tijd die ook Friesland kent: de energiecrisis, biodiversiteit, het zoeken naar identiteit, het eigene van de taal en de kunst.

    De tekst is van Nynke Laverman, de muziek van haar partner Sytze Pruiksma. De première ervan gaven ze in een uitzending van het televisieprogramma Podium Witteman. Pruiksma – ik kan me uit mijn Friese tijd alleen zijn broer, dirigent Hoite herinneren – bespeelde tijdens het gesprek aan tafel niet alleen de dulcimer, een snaarinstrument, maar ook een vogelfluitje dat staat voor de weidevogel in het algemeen en de bedreigde grutto in het bijzonder.
    De melodie die Pruiksma op de tekst had geschreven, riep volgens Laverman door de lange lijnen ervan de sfeer op van het wijde Friese landschap.

    Spelen in lange lijnen was volgens mijn oud-hoboleraar in Leeuwarden, Erik Keuning, niet mijn sterkste kant. Daarvoor was ik misschien teveel gepokt en gemazeld in de barokmuziek, met aandacht voor retorische détails. Van  mijn blokfluitleraar Hans Nieuwland in hetzelfde Ljouwert kan ik me herinneren dat hij een soortgelijk ideaalbeeld schetste van een grote weidevogel die door de lucht scheert en slechts een enkele keer de vleugels beweegt. Zó moest het volgens hem klinken. Of, zoals Hylke Speerstra  samenvattend dichtte met een herinnering aan de verdwijnende zang van de leeuwerik:

    Sa springt myn hert, út leed en ûnk,
    Ut lege mieden fen fortriet
    En sjit omhech, in ljochte fûnk,
    Det sjonged altyd heger klimt
    En nea gjin ein mear nimt.

    Zo springt mijn hart op uit leed en ongeluk,
    uit lege velden van verdriet
    en schiet omhoog, een lichte vonk,
    een zelfvergeten lied
    dat zingend altijd hoger klimt
    en nooit een einde neemt.


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • In gekwelde toestand aan de brugleuning

    Drieëntwintig jaar geleden overleed Ischa Meijer. Mijn toen zestienjarige oudste dochter vertelde het me bij thuiskomst op die veertiende februari 1995. ‘Het was op de radio’, zei ze nog. Hij was jarig die dag, tweeënvijftig geworden. Radiopresentator bij de VPRO, interviewer, chansonnier, opeens weg. Ik was geschokt. Connie Palmen zei, ‘dat bij de dood van haar man een schok door Nederland ging’. De media zei dat dat wel meeviel. Dat Ischa als linkse jongen de laatste twee jaar van zijn leven voor Joop van den Ende werkte, werd hem niet in dank afgenomen. Ook zeiden ze dat hij als columnist geen geliefd figuur was zoals Simon Carmiggelt. Ach, ze zeiden zoveel toen.

    Deze week pakte ik zijn boeken erbij. Een jongetje dat alles goed zou maken, De handzame Ischa Meijer,waarin het verhaal ‘Bankstel’. De toon waarop hij verslag doet van het inricht talent van zijn ouders. Een dressoir, twee fauteuiltjes en een bank werden geleverd door wooninrichtingsbedrijf ‘Baja’. Zijn ouders sleepten er mee door de kamer maar kregen het niet op hun plek.
    “Ik red het niet”, zei mijn moeder.
    “’t Kan er niet in”, zei mijn vader.
    “Die meneer van Baja zei anders…,” hijgde mijn moeder.
    “Die meneer van Baja is een schoft,” siste mijn vader. “Die meneer van Baja is blij dat hij ons dit heeft verkocht. Wat kan ’t hem schelen dat wij …”
    De bank werd voor het dressoir gezet. Het dressoir werd weggetild. De bank ging tegen de muur. De bank werd voor de boekenkast geplaatst. (…)
    “Ik bel die gore antisemiet op,” zie mijn vader tenslotte.
    “Laten we het nog éénmaal proberen,” gilde mijn moeder. En ze verzette de stoeltjes achter het dressoir.
    Later op de avond komt meneer Baja zelf.
    “Dat doen we zo en zo,” zei meneer Baja.
    Zonder hulp verplaatste hij de meubels. In een minuutje stond alles op z’n plaats. Alsof het daar hoorde, en nergens anders. Het hóórde ook daar en nergens anders. Het zou daar blijven en nergens anders.
    “O, u bent geweldig,” zei mijn moeder tegen meneer Baja,
    “Een kunstenaar,” zei mijn vader, enigszins dof.
    “Niets te danken, graag gedaan,” zei meneer Baja. En hij vertrok.

    En dan De Dikke Man, stukjes die hij vijf jaar lang schreef voor Het Parool. Schetsen uit het dagelijkse leven van Amsterdam. Met veel bijvoeglijke naamwoorden. De gesprekken met Een Oude Kennis, De Zenuwachtige Kennis, Een Verre Vriend, De Melancholieke Drinkebroer, De Kleine Kale Uitgever, De Kale Acteur, De Stralende Jongeman, Het Meisje In Uniform  alsook Het Filosoofje, waarvan iedereen wist dat hij daarmee Connie Palmen bedoelde. Het had iets pedanterigs die Dikke Man, pathetisch ook. Nou, nou, nou.

    Ik begon te lezen. De dagelijkse ontmoetingen; op de brug, gesprekken met De Baas Van Het Koffiehuis in Het Koffiehuis, in Het Morsige Café, tijdens zijn ‘namiddagwandelingetje’. Er zijn veel ‘namiddagwandelingetjes’ Opmerkelijk hoe deze getormenteerde man in zijn stukjes zo’n scherp inzicht in de ander toonde. Dat de man, die in het gewone leven niet goed raad wist met zijn eigen kinderen, zo liefdevol schreef over kinderen (ook over zijn eigen). De Dikke Man, in al zijn hoofdletters, blijkt zoveel jaar na dato om te smullen. Een tijdsbeeld van het Amsterdam van toen. En verdomd, wat zijn ze Carmiggeliaans. Ik kom in de stemming en verlang opeens hevig naar een brugleuning waar in Gekwelde Toestand, of in een staat van Verbijstering tegenaan gehangen kan worden. Dat dan De Dikke Man langs komt en dingen zegt als: ‘Aan de boemel?’, of ‘Lang niet gezien.’ of ‘Wat is er met jou aan de hand?’ Dan volgt een gesprek waaruit een beeld ontstaat dat je zo aan de muur kunt hangen.

    Als ik
    iedereen
    zou haten
    die
    mij niet mag
    had ik
    geen leven
     dichtte De Dikke Man, krachteloos.’

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • In een mum van tijd een leven moeten herzien

    En weer deed een biografie nog voor verschijnen flink wat stof opwaaien. Dat Bertus Swaanswijk voordat hij Lucebert werd foute ideeën aanhing, was natuurlijk nieuws. Dat ‘iedereen’ daar ook zonder Lucebert: biografie van Wim Hazeu gelezen te hebben vervolgens iets van vond, lag voor de hand. Het was zelfs een beetje de bedoeling.
    In de fase vlak voor publicatie moeten potentiële lezers op het spoor van een boek gezet worden. Dus wordt er alvast ‘iets’ prijsgegeven in de hoop dat er opschudding ontstaat. Nuanceren kan daarna altijd nog. Als de verkoop eenmaal loopt.

    Dit keer ging het een beetje anders. Het nieuws werd onmiddellijk van een context voorzien. Biograaf Wim Hazeu mengde zich zelf in het debat en vertelde dat wat nu nieuws is een jaar geleden voor hem volkomen uit het niets kwam, toen hem brieven van Bertus Swaanswijk ter hand werden gesteld. Hij had de biografie toen al af. Er zat voor hem niets anders op dan het boek grondig te herschrijven. Dat wegmoffelen van een waarheid die schadelijk kon zijn voor het imago van Lucebert voor Wim Hazeu geen optie was, siert deze biograaf.

    Wat hij nog meer zei, prikkelde mijn nieuwsgierigheid pas echt. De biograaf liet blijken met de brieven een sleutel in handen te hebben gekregen. Nadat hij kennis genomen had van het feit dat Bertus Swaanswijk de ideologie van de nazi’s in zijn jonge jaren enige tijd omarmde, zag hij hoe het werk van Lucebert zich tot het leven van Bertus Swaanswijk verhoudt: ‘Zijn strijdbare en krachtige schilderijen, en gedichten komen vóórt uit de oorlog. Lucebert neemt wraak op de oorlog. Wraak op zichzelf.’
    In de inleiding van de biografie zegt Wim Hazeu het zo: ‘De waarschijnlijk onbewuste zelfreflectie veroorzaakte een revolutie in zijn autonome denken’ en ‘Zonder die oorlogsbelevenis géén Lucebert’.
    Dat klinkt heel plausibel. Ik bedoel: ik weet nog niet of het in het geval van Lucebert helemaal waar is, maar ik kan me voorstellen dat iemand op die manier afstand neemt van een kortstondig vol overtuiging beleden abjecte ideologie.

    Het is wat: een op basis van langdurig onderzoek geschreven boek moeten herschrijven omdat er op het laatste moment brieven opduiken aan een ook nog eens tot dan toe niet in het verhaal optredende vriendin. Hoe doe je dat? Waar begin je? Hoever ga je?
    Ik heb zelf ook wel eens een brief onder ogen gekregen waardoor ik een beeld van iemand in mijn naaste omgeving (mijn moeder) bij moest stellen. Ik heb zelfs wel eens een leven (het mijne) moeten herzien op basis van nieuwe informatie. Dat is ingrijpend en de gevolgen zijn niet altijd onmiddellijk te overzien. Hoe het verleden met terugwerkende kracht is veranderd en hoe een nieuwe werkelijkheid schaduwen vooruitwerpt, wordt vaak pas na verloop van tijd duidelijk.

    Wim Hazeu heeft in een mum van tijd zijn kijk op een leven moeten herzien. Ik kan me bijna niet voorstellen dat hij in het jaar dat hij daarvoor had alles heeft kunnen heroverwegen. Het hele leven van Bertus Swaanswijk en de complete carrière van Lucebert. Hoever hij kwam zal tijdens het lezen van Lucebert: biografie blijken.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Recensentenborrel in Rotterdam

    Vorige week zaterdag was er een borrel. De jaarlijkse borrel voor recensenten en columnisten van Literair Nederland die onbezoldigd hun werk doen. Dat mag wel eens gezegd; onbezoldigd maar met een inzet en enthousiasme die de echte literatuurliefhebber kenmerkt. Jaarlijkse ontmoetingen waar met een glas in de hand gesproken wordt over oeuvres, debutanten en andere perikelen; voor even verkerend in een bubbel waarbinnen de literatuur alles is.
    De eerste twee keer borrelden we bij antiquariaat JOOT in de Hartenstraat, daarna bij Egidius Antiquarische Boekhandel in de Haarlemmerstraat, beide in Amsterdam. Daarna trokken we het land in; borrelden bij Boekhandel in oprichting ’t Colofon in Arnhem, en de voorlaatste keer bij Het Literatuurhuis in Utrecht. Nu was Rotterdam in beeld, Katendrecht, ooit een volkswijk en berucht om het vertier dat de zeelieden er in de rosse buurt vonden. Nu een wijk allengs op weg een bijdetijdse buurt te worden met hippe eettentjes, kunstprojecten, een theatertje en de Fenix Food Factory.

    Kom je over het Deliplein zie je bij de aanblik van de oude loodsen, de rommelige straatindeling, de sporen van het leven van de havenarbeiders. Het dichtst bij een impressie van een haven kwam ik lang geleden door de verhalen van Maarten Biesheuvel. Ooit ging hij op zeventienjarige leeftijd van school om in de haven te werken. Later monsterde hij als ketelbink aan op een schip. Daar schreef hij fantastische verhalen over waaruit ik me de bonkige kerels op het schip herinner die hem imponeerden met hun verhalen, zeemansverhalen, die hij later, weer aan wal, evenzogoed vertellen kon. Ik denk aan ‘In de bovenkooi’.
    ‘Op mijn zestiende ging ik voor het eerst varen. Ik stond op het achterdek van de ‘Esso Rotterdam’ die afgemeerd lag in een van de buitenhavens van Antwerpen.’ Ik zie hem staan op dat achterdek, rond brilletje op de licht kromme neus.

    Een andere weg om bij de Fenixloodsen te komen is via de honderdzes meter lange loopbrug die van Hotel New York naar Katendrecht loopt. In de volksmond kreeg deze ‘Rijnhavenbrug’ – zo vertelde een Rotterdamse recensent – al gauw de naam die de vroegere status van Katendrecht voor altijd in ere zou houden: De Hoerenloper.

    Christine Bosch en Folco de Jong begonnen twee jaar geleden hun onafhankelijke literaire boekhandel in de Fenix Food Factory. Gewoon tussen de ambachtelijke ondernemers met drank, worsten en eettentjes. Niet bang voor een vetvlek op de kaften van hun zorgvuldig samengestelde collectie boeken. We waren met zijn twintigen afgelopen zaterdag daar bij de jonge boekverkopers Bosch&De Jong. Enkelen waren verhinderd. Het leven van een online recensent speelt zich af in de luwte, sommigen willen daar graag blijven. We toosten op 15 jaar Literair Nederland. Reden om deze eerste zaterdag in februari de glazen te heffen met een voortreffelijke cider van een van de ‘ambachtelijke’ ondernemers. Later – na het over elkaar, over boeken en schrijvers te hebben gehad – werden er boeken (sommigen handen vol) uit de stellingkasten gezocht. Werden er opzetjes gemaakt voor een bespreking van die boeken en stapten we zachtjes aan de avond in, over het Deliplein, of over De Hoerenloper. Naar huis.

     

    Citaat uit: ‘Inwijding’, In de bovenkooi (1972).


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

  • Blanco in ‘De jaren’ beginnen

    Dat de tijd verstrijkt, is in The Years (1937) van Virginia Woolf essentieel en wordt door de hoofdstuktitels – 1880, 1891, 1907, 1908, 1910, 1911, 1913, 1914, 1917, Present Day – onderstreept. Dat met het verstrijken van de tijd zeden en gewoonten veranderen, ligt voor de hand. Dat niet iedereen in dezelfde mate kon profiteren van de verworvenheden van die voortschrijdende tijd was Virginia Woolf een doorn in het oog, maar in The Years laat ze dat alleen tussen de regels door blijken. Hoe uitgesproken Virginia Woolf ook was, in The Years kaart zij kwesties – ‘sex, education, life &c’- heel subtiel aan. De seizoenen komen en gaan; het regent in verschillende gradaties (of niet) en ondertussen nemen de levens van de leden van de familie Pargiter hun loop. Sommigen kunnen kiezen, anderen ondergaan hun lot.

    Tachtig jaar heeft The Years op een Nederlandse vertaling moeten wachten. Professionele lezers verklaarden vervolgens dat De jaren nog niets aan actualiteit heeft ingeboet. Liefhebbers van Virginia Woolf laafden zich aan de vertaling van Barbara de Lange. Wie niet stond te popelen, werd door Schwob verleid tot het lezen van een ‘herontdekking’. Degenen die een stok achter de deur nodig hebben, konden er voor kiezen het boek in groepsverband te lezen en te ontleden.

    Ik las De jaren op eigen kracht, en vond het vervolgens nogal wat om er na zoveel jaar publiekelijk iets van te vinden. Er is inmiddels zoveel gezegd en geschreven over The Years en het verwante essay Three Guineas (1938), dat al in 1980 in vertaling verscheen – samen hadden ze een novel-essay moeten worden: The Pargiters, maar Virginia Woolf slaagde niet in haar opzet – dat doen alsof dit een net verschenen boek betreft en er vervolgens ‘gewoon’ een recensie over schrijven eigenlijk geen optie is.

    In mijn omzwervingen op zoek naar een antwoord op de vraag ‘in welke vorm dan wel?’ bezocht ik vorige week een bijeenkomst van De leesclub van alles. Daar werd nog maar weer eens benadrukt dat het leven en het werk van een schrijver twee verschillende dingen zijn. Dat je een roman dus eigenlijk volkomen los moet zien van dat leven en je ook niets van de schrijversintentie aan moet trekken (ondanks alles wat Tim Parks in De roman als overlevingsstrategie: een nieuwe kijk op de relatie tussen schrijver, tekst en lezer beweert).
    Terwijl er die avond ook met grote stelligheid beweerd werd dat kennis de waardering voor een roman beïnvloedt. Wat volgens de moderator van dienst absoluut geweten moet worden om ten volle van De jaren te kunnen genieten: de structuur van de roman; de manier van denken en schrijven van Virginia Woolf en de wordingsgeschiedenis van De jaren.  

    Stel dat je dat allemaal niet weet. Dat je nog nooit van Virginia Woolf gehoord hebt – ik geef toe, dat lijkt me stug – en De jaren cadeau hebt gekregen omdat je van dikke boeken houdt. Wat voor roman lees je dan? En wat vind je daar dan van?
    Zo blanco zou je De jaren moeten kunnen lezen.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Er gebeurde niets

    Ik heb een grote bewondering voor de Vlaamse dirigent Philippe Herreweghe en zag uit naar de Kerstmatinee in het Amsterdamse Concertgebouw afgelopen december. Op de lessenaars stond de Hohe Messe van Joh. Seb. Bach. Toen de muziek begon, gebeurde er niets met me, helemaal niets.
    De eerste keer dat ik in de Oude Kerk de Hohe Messe door Cappella Amsterdam onder leiding van Jan Boeke hoorde, zat ik zo slecht dat ik niets zag en ‘het’ naar mijn idee opeens begon. Uit het luchtledige klonk de door het koor, hard aangezette ‘K’ van het Kyrie die de ruimte doorkliefde. Het is sindsdien het meest verwachtingsvolle moment geworden van elke uitvoering die ik hoorde, alsof ‘de wind danst met de stilte’ om een dichtregel van Ingmar Heytze aan te halen.

    Maar er gebeurde dus niets. Ja, het stuk begon. ‘Gewoon’, zou ik haast zeggen. Zoals de uitvoering verder ook was: niet beklijvend zoals veel van Herreweghe, in mijn oren althans. Ik vroeg me af waarom en kwam op een verklaring die stoelt op de omschrijving die Albert Camus eens van een pijl en boog gaf: ‘Op het toppunt van de spanning verlaat de doelgerichte pijl de vrijheid van de pees.’ Zó moet het begin van de Hohe Messe door musici en toehoorders ook worden beleefd: in de gespannen stilte die aan de uitvoering voorafgaat, schiet die hard uitgestoten ‘K’ als een pijl uit de boog.
    Volgens Camus zijn er twee polen voor nodig waaruit die spanning ontstaat. Bij Bach is dat de stilte en het verbreken daarvan wanneer het orkest de strijkstok aanzet, vingers op snaren plaatst, de adem door het riet laat gaan, de toetsen van het orgel beroert. Het gebeurde allemaal in Amsterdam – maar er ontbrak dat ene. Er trilde niets na. Ik luisterde en keek. Onbewogen.

    Het had zoiets moeten zijn als de plaats waar een chirurg een scalpel in het vlees zet en waarvan een litteken achterblijft. Het had zoiets moeten zijn als het eerste woord, de eerste zin die een schrijver op het blanco papier zet en die beklijft, zoals recent die van Bert Natters Ze zullen denken dat we engelen zijn: ‘De laatste mooie dag van het jaar.’ Of de eerste streek die een schilder op het doek zet.
    Het deed me denken aan een klein schilderijtje dat ik onlangs kocht, in een techniek die sumi-e heet. Sumi-e is een eeuwenoude techniek die 2500 v. Chr. in China ontstond en veel later door toedoen van Zen-monniken in Japan terecht kwam. Sumi betekent ‘zwarte inkt’, e staat voor ‘schilderij’. De schilder werkt vanuit één punt en zet heel geconcentreerd en aanwezig in het moment, op zijn/haar adem een streek, naar boven of naar beneden. Zoals het Kyrie in Bachs Hohe Messe klinkt als uit één mond, één keel. Adembenemend als het goed is.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

     

  • Meneer Maarten

    Aan het tafeltje naast mij zit een redacteur van een gerenommeerde uitgeverij te werken. Ze is zo verdiept in een manuscript dat ze mij niet ziet. Ze leest, overweegt en streept, maar eigenlijk zit ze net als ik te wachten. Zij en ik zijn niet de enigen. Verspreid over het etablissement zitten bekende koppen koffie te drinken. Eén zo’n niet alleen bekende maar ook markante kop loopt langs haar tafeltje en vraagt of zij ook gaat. Hij vraagt naar de bekende weg: degenen uit het wereldje die hier nu hun tijd doden, worden straks allemaal aan de overkant verwacht. Zelfs de ober weet wat er te gebeuren staat: het afscheid van meneer Maarten.

    Meneer Maarten was veertien jaar de baas van de boekwinkel aan de overkant van het plein. Hij was nog veel meer, zal later vandaag blijken. Voor dat vele en de wijze waarop hij zich van zijn taken kweet, krijgt hij, maar zover is het nu nog niet, een hoge koninklijke onderscheiding. Voorlopig zit ik nog aan de koffie en denk ik aan de keren dat ik Maarten Asscher sprak. Dat was niet vaak, en het waren ook geen hoogdravende gesprekken. Ze hadden slechts zijdelings met literatuur te maken. Zo herinner ik me een gesprek over een tot op de draad versleten bermudazwembroek. Omdat die zwembroek Maarten Asscher voor altijd doet denken aan zijn pelgrimstocht naar Sète, waar hij de graven van de door hem bewonderde dichters Paul Valéry en Georges Brassens bezocht, mag zijn maillot de bain – hoe vergaan ook – absoluut niet weg.

    We hadden het ook een keer over eekhoorns. Ik vertelde hoe ik in het Łazienki Park in Warschau een rode eekhoorn tot lezen had verleid, waarop hij mij vroeg of ik wel eens een eekhoorn had zien poepen. Nee dus. Onmiddellijk trok hij zijn telefoon en liet zien hoe hij er in Londen één op heterdaad had betrapt. Om ook deze anekdote nog enig literair cachet te geven: het poepen vond plaats op Russell Square, hartje Bloomsbury, bij Virginia Woolf om de hoek.

    Diepzinniger zijn mijn gesprekken met hem als hij er zelf niet bij is. Wanneer ik hem lees – ik ben nu bijvoorbeeld bezig in Toch zit het anders, de bundel die vanmiddag aan het eind van het afscheidssymposium wordt gepresenteerd, maar geen haar op mijn hoofd die er aan denkt dat boek hier tevoorschijn te halen – en me moet verhouden tot wat hij, stellig en met argumenten omkleed, beweert in de stukken die hij schrijft. Ook tijdens die gesprekken valt er nooit een onvertogen woord. Ik ben het bijna altijd met Maarten Asscher eens, of vind wat verder ter tafel komt – hij schrijft ook over onderwerpen waarover het hebben van een mening geen vereiste is – gewoon wetenswaardig en getuigen van een speelse, omnivore geest.

    Het wordt zo langzamerhand tijd om aan de overkant van de straat afscheid te gaan nemen. Over een paar uur weet ik dat Maarten Asscher fulltime schrijver wordt en zal ik me afvragen of het hebben van een zee van tijd wel goed voor hem is.

     


     

     

    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Circulair lezen

    Athanasius Kircher was een enorm leergierige jezuïet die leefde van 1602 tot 1680. Hij dacht zo’n beetje overal verstand van te hebben en voelde zich door de Voorzienigheid bestemd om de geheimen van de wereld te ontsluiten, of het nu ging om hiërogliefen, vulkanisme of insecten. Hij  schrok er daarbij niet voor terug om de hiaten in zijn bewijsmateriaal op te vullen vanuit zijn rijke fantasie.
    Dat mengsel van leergierigheid en bedrog heeft me geïntrigeerd sinds ik voor het eerst van hem hoorde. Wanneer dat was? Begin jaren 70 van de vorige eeuw mogelijk: 1974? Toen zond de VPRO de documentaire In het voetspoor van Athanasius Kircher uit, gemaakt door Anton Haakman. Maar het gekke is dat ik me niet kan herinneren dat ik die gezien heb.

    Het moet in ieder geval ver voor 1994 geweest zijn. Ik las toen Het eiland van de vorige dag van Umberto Eco en ik herinner me mijn lichte opwinding toen ik in Eco’s jezuïet Caspar Wanderdrossel mijn ‘vriend’ Athanasius herkende. Toen ik in 2010 las dat Waar de tijgers thuis zijn van Jean-Marie Blas de Roblès voor een groot deel over Kircher ging, moest alles waar ik in bezig was even opzij voor een dringende leeservaring.
    Er gingen jaren voorbij dat ik helemaal niet aan Athanasius Kircher dacht. Tot vorig jaar Tijl van Daniel Kehlmann verscheen. Ik recenseerde het voor Literair Nederland en was er vol lof voor. Vooral om de krachtproef van de auteur zelf, maar ook om het plezier dat hij mij deed met de wederopvoering van mijn ‘held’. Kircher is de man die in een aaneenschakeling van drogredenen Tijls vader Claus betrapt op steun aan hekserij. Het belangrijkste bewijsmiddel is een Latijns boek dat Claus op zolder heeft liggen terwijl hij geen woord Latijn kan lezen. Ik weet niet of Kehlmann het zo bedoeld heeft, maar ik zag in dat bewijsmiddel een parallel met Kirchers pedante claim de hiërogliefen te hebben ontcijferd (zoals Kehlmann meer parallellen verstopt heeft in zijn roman: als Tijl bijna verdrinkt  in een watermolen moet ik meteen denken aan de wonderbaarlijke redding van Kircher na een val in een watermolen – waarover hij vertelt in zijn autobiografie).

    Hoe dan ook: Tijl verleidde me om De onderaardse wereld van Athanasius Kircher van Anton Haakman, de maker van de VPRO-documentaire uit 1974, weer eens te lezen. En daarin overkwam me iets vreemds. Ik dacht heel wat details uit het leven van Kircher te kennen, maar één ding is me vreemd genoeg ontgaan. Ik lees dat de lagere school-onderwijzer van de jonge Kircher erom bekend stond dat hij de jeugd niet alleen kennis, maar ook vroomheid en godsvrucht bij bracht. En hoe heette die onderwijzer? Pater Johannes Altink. Het staat in de door Haakman eveneens vertaalde autobiografie (verschenen in De Revisor, jaargang 18). Verrassend dat een naamgenoot bijdroeg aan de ontwikkeling van iemand die mij nog steeds boeit.

     


    Adri Altink recenseert voor LiterairNederland en heeft belangstelling voor (cultuur)geschiedenis. Zijn lees ervaringen deelt hij in zijn columns.

  • Meeneemboek

    Ik was deze week in Deventer, een stad die zich uitstekend leent om er zonder enig plan rond te lopen. Onderwijl dacht ik aan een plek om het boek te lezen dat ik bij me had. Er zijn boeken die zich buitenshuis niet laten lezen, die blijven vergeten in de tas. Er zijn ook boeken die gelezen willen worden, waar dan ook. Boeken die er geen genoegen mee nemen alleen in de trein gelezen te worden, als ze eenmaal mee zijn willen ze overal uit de tas. Ze brengen iets teweeg wat je niet kunt duiden maar waar je steeds weer in duikt om de ervaring van die ‘teweegbrenging’. Zo ging het mij met De kennismaking van Nicolien Mizee. Brieven aan een introverte man die haar nooit terug schrijft. Vanaf de eerste tot de laatste brief heb ik er me ongelofelijk mee vermaakt om zinsneden als deze:
    ‘Je lijkt soms zozeer een verzameling afgeronde theorieën, dat ik me wel eens afvraag of je menselijk bent. Ik kreeg even hoop toen ik je twee speculaasjes zag eten, maar nam aan dat je research aan het doen was voor een nieuw scenario.’

    Toen ik een leeg tafeltje vond in een geschikt café, haalde ik – nog voor ik mijn jas uit had – het boek tevoorschijn. Terwijl ik zat te lezen in dat stevig uitgevallen boek, stelde ik me zo voor dat enkele cafébezoekers zich zouden afvragen: ‘Wat leest zij daar toch zo gretig?’ En wanneer ik – gebogen over het boek, amper opkijkend om een glas wijn te bestellen – met een ingehouden lach op mijn gezicht een bladzijde omsloeg, zouden ze zich afvragen: ‘Wat lacht zij daar toch?’ En ze zouden met me mee lachen en vragen wat er zo leuk was. Dan zou ik begeesterd vertellen over een vrouw die  naar het theater ging omdat er een vrijkaartje voor haar geregeld was, maar dat toch betalen moest. Dat alles wat ze zegt verkeerd begrepen wordt. En dat er veel tijd heen gaat met de dingen weer rechtbreien. Dat alles zo goed geschreven is, zou ik vertellen.

    Er rekening mee houdend dat ze er niets van zouden begrijpen, zou ik ze tot slot de brief van vrijdag 10 januari 1997 uit het boek voorlezen.
    ‘Vandaag, beminde ongelovige, zullen we het eens hebben over goede manieren, een onderwerp dat al eerder ter sprake gekomen is, maar dat we naar mijn idee nog niet voldoende uitgediept hebben.
    Het is je misschien weleens opgevallen dat wij een groot deel van de tijd langs elkaar heen praten. Jij bijvoorbeeld, geeft eigenlijk nooit antwoord op de vragen die ik stel, maar op de vragen die je erachter vermoedt. Om jou niet in een lastig parket te brengen, praat ik dan maar met je mee, waardoor we aan het eind alle twee volkomen de kluts kwijt zijn.’

    Als ik die hele brief dan heb voorgelezen en vooruit, er nog eentje doe, zouden ze het net als ik een boek vinden dat ‘iets’ teweeg brengt. Ze zouden het vast meesterlijk vinden.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Emma Bovary een voetbalvrouw?

    Steeds als ik een contemporaine roman lees van – laten we het ruim nemen  – voor mijn tijd, realiseer ik me dat dat boek eigenlijk niet voor mij geschreven is. Dat de schrijver iemand anders in gedachten had toen hij aan het werk was. Iemand die zich veel meer dan ik nu voor kon stellen wat de schrijver aan het verzinnen en verwoorden was. Hij en de schrijver waren immers tijdgenoten, wisten hoe het er toen aan toe ging en waren op de hoogte van wat er speelde. Dat wil niet zeggen dat hij het per se met de schrijver eens was of zijn werk waardeerde, maar hij wist waar de schrijver het over had en had geen verklarende voetnoten nodig.

    Veel van die toenmalige hedendaagse romans zijn inmiddels in de vergetelheid geraakt, omdat ze ouderwets geworden zijn of omdat ze altijd al oubollig waren. Romans die blijven, maken na verloop van tijd kans op het predicaat ‘klassieker’, al is er geen jury die harde eisen stelt en vervolgens het kwaliteitskeurmerk toekent. Een klassieker is een klassieker is een klassieker is een klassieker, en daarmee  een boek dat je eigenlijk gelezen moet hebben.
    Neem bijvoorbeeld het 161 jaar geleden verschenen Madame Bovary van Gustave Flaubert. Over die roman – de ‘eerste grote realistische roman, maar vooral een verhaal over verlangen en zelfbedrog’ – wilde Bas Heijne het heel graag hebben, toen hij door Winternachten gevraagd werd als leesclubbegeleider.

    Het ging tijdens de NRC Leesclub Live al een hele tijd – toch zeker drie kwartier, denk ik – over Madame Bovary toen iemand in de zaal opmerkte dat Bas Heijne het nog helemaal niet over de structuur en de stijl had gehad. Dat bleek geen toeval. Voor Bas Heijne zijn structuur en stijl niet bepalend voor de kwaliteit van een roman. In zijn ogen kan een roman alleen een klassieker worden als wát de schrijver schrijft ook zoveel jaar na dato nog relevant is. Relevant in de zin van dat het hem als lezer iets doet. En dat is, benadrukte Bas Heijne, niet hetzelfde als een roman vertalen naar de huidige tijd en interpreteren met de kennis van nu. Madame Bovary blijft een boek uit 1857, maar Emma Bovary is een tijdloos karakter.

    Alles goed en wel, vindt een mevrouw achter in de zaal. ‘Madame Bovary is heel mooi geschreven, maar ik heb me doodgeërgerd aan die vrouw. Ze neemt geen verantwoordelijkheid voor haar eigen leven. Haar man moet haar roem en rijkdom bezorgen. Emma Bovary gedraagt zich als een voetbalvrouw.’
    Iedereen lijkt meteen te begrijpen wat zij bedoelt, want er wordt hard gelachen. Ook door mensen die Madame Bovary niet gelezen hebben en/of geen verstand van voetbal(vrouwen) hebben.
    Het is makkelijk scoren over de rug van een getormenteerde ziel die haar droom najaagt en een groep vrouwen die – alleen God weet waarom (of het moet vanwege Sylvie Meis zijn) – gebukt gaan onder een fout imago. Maar van Emma Bovary een voetbalvrouw avant la lettre maken is precies wat volgens Bas Heijne niet de bedoeling is. Madame Bovary moet, hoe tijdloos ook, een negentiende-eeuwse vrouw die tevergeefs probeert haar milieu te ontstijgen blijven.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.