• Het mooie meisje

    Op de binnenplaats van een huizenblok in de Litouwse hoofdstad Vilnius danst de 9-jarige Inga, een spichtig meisje met een gezicht vol sproeten, vol overtuiging als een vlinder rond in een kring van leeftijdsgenootjes die haar vertellen hoe mooi ze is. Het is een spel dat ‘het mooie meisje’ heet en Inga ‘is hem’, of in dit geval: is haar. Het zijn de openingsbeelden van de film Gražuolė (1969) van de Litouwse regisseur Arūnas Žebriūnas. Engelse titel: The Beautiful Girl.

    Hoe breekbaar dit kinderspel is, blijkt wanneer er een nieuwe jongen in het blok komt wonen. Het is een botterik die uit jaloezie het spel verstoort en kapotmaakt door recht in Inga’s gezicht te zeggen dat ze helemaal niet mooi is. Integendeel, hij vindt haar een lelijke aap met sproeten. Weg magie. Weg zelfbeeld. Weg plezier.

    Gražuolė, een Litouwse klassieker, gaat over het universum van de kindertijd en het vermogen van kinderen om de werkelijkheid te transformeren door middel van het spel. En in ruimere zin gaat de film over brute lompheid versus onschuld, gevoeligheid, kwetsbaarheid en weemoed, en het vasthouden van de herinnering aan wat verdwenen is. Zo zien we een herdershond die elke dag op de kade zit op de plek waar zijn baasje maanden daarvoor is verdronken. En een oude man die op een bank zit op de plek waar zijn geboortehuis stond voordat het gesloopt werd. 

    Arūnas Žebriūnas (1930-2013) studeerde in 1955 af aan de Academie van Beeldende Kunsten in Vilnius als architect, waarna hij toetrad tot de Litouwse Filmstudio. Hij maakte zijn regiedebuut in 1959 en legde zich voornamelijk toe op het maken van kinderfilms – maar dan niet bedoeld voor kinderen, maar voor volwassenen. Het verschafte hem de gelegenheid om ondanks de censuur in betrekkelijke vrijheid zijn gang te kunnen gaan. 

    De onderliggende politieke boodschap (het is de tijd van de Sovjet-Unie) van Gražuolė is intussen duidelijk. De nieuwkomer krijgt geen naam, maar wie de film ziet snapt direct waar de vernielzuchtige binnendringer voor staat. (Tegenwoordig krijgen Litouwse schoolkinderen vanaf tien jaar gevechtstraining, inclusief het gebruik van wapens. Dat hebben ze niet zelf verzonnen, maar overgenomen van Rusland, waar dat ook gebeurt.)

    Het is de uiterst stijlvolle manier waarop Žebriūnas zijn verhaal brengt, die maakt dat de film veel meer is dan een verkapte vorm van kritiek en een op zichzelf staand, tijdloos en universeel meesterwerkje genoemd mag worden. Hij vertelt zijn verhaal in betoverende metaforen en met een verfrissende lichtvoetigheid, die nog versterkt wordt door de sfeervolle score van de toen net afgestudeerde jazzpianist en componist Vyacheslav Ganelin, die de geest van de liedjes van Françoise Hardy ademt. In 2018 is Gražuolė in Frankrijk ‘(her)ontdekt’ en in de bioscoop en op dvd uitgebracht. Nu de rest van de wereld nog.

     

     



    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Onbeschreven blad

    Ik las een wonderlijk mooi boek. Helderwit, de titel, Tosca, verticaal in wit reliëf op de voorkant. Drie zwarte bogen, twee opgenomen in de O, vormen gesloten haakjes. Een derde, liggende boog in de C van de titel. Op de achterflap vijf regels van twee tot drie woorden in reliëf, wit als het omslag zelf. Maar kom, nu eerst de roman, dat een lange brief van alter ego May Solovjov aan Daniël is, haar uitgever. Je denkt, hee, medeoprichter van DasMag. ‘Het ontroerde me dat je me het voorbije jaar een paar keer een bericht stuurde met de vraag hoe het ging en wanneer je eens iets van me kon lezen.’ May verontschuldigt zich dat ze het afgelopen jaar niet aan het boek over haar overleden vader werkte. Dat daar iets tussen kwam dat haar leven volledig in beslag nam.

    Ze vertelt over de lezing die ze hield over een Russische dichteres. Dat ze na afloop een portrettekening van haarzelf op haar lessenaar vond. Buiten dat May in het portret ziet hoe sterk ze op haar (Russische) vader lijkt, schenkt ze er niet veel aandacht aan. Een week later leest ze op Messenger, Facebook een bericht: ‘(Geachte mevrouw Slovjov. Dank u wel voor uw lezing over Vanja Lavrova. Ik had er erg naar uitgekeken. het was mijn laatste wens om het te kunnen meemaken. Met vriendelijke groeten, Aline. PS Ik hoop dat u het niet erg vindt dat ik u heb getekend.)’

    Deze tekst en vooral het, ‘mijn laatste wens’, triggert May. Daarna valt haar op dat een meisje met een oranje muts zich overdag ophoudt in de buurt van de faculteit waar ze lesgeeft. Het is Aline uit het bericht. May zoekt toenadering, maakt zich bezorgd om haar. Aline eet en slaapt niet, lijdt aan paniekaanvallen. ‘Weer begon het beven. Als je haar zo zag zitten op het bankje, zo volledig in zichzelf gekeerd, kon je denken dat ze aan het bidden was, alsof ze vibreerde door een goddelijk kracht.’ Ze wordt mishandeld door een groepje leeftijdgenoten om haar geaardheid, (denk even aan Het smelt van Lize Spit, de ruwheid onder jongeren van eenzelfde orde). Ondanks dat ze bij haar moeder woont, brengt ze geregeld een nacht op straat door.

    May wil haar redden, ontwikkelt een dubbelleven. Enerzijds is er haar vrouw die sinds zes jaar zwanger probeert te worden. Ze verzwijgt voor haar de mate van omgang met Aline. Verstikkend blijkt dat zwijgen. Ondanks dat Connie Palmen laatst in een fijnee podcast opriep het begrip toxische relatie te verbieden, is deze relatie gewoonweg toxisch. Na vele mislukte pogingen van May, Aline te helpen en verschillende misverstanden, vermoedt je een tragische afloop. Soms houd ik het bijna niet meer uit. Fijn zijn dan de blanco pagina’s. Rustgevend wit, gevolgd door een gedicht. Achtentwintig keer wordt de roman doorsneden met zo’n ‘stille’ pagina, een gedicht. Prachtige gedichten die het verhaal verluchtigen, transparanter maken.

    Toen het boek uit was, waren de hagelwitte reliëfletters op de achterflap bezoedeld door mijn handen, waardoor deze tekst te lezen was: ‘Zij is een / gesloten boek; / beter dan ik / kan niemand / haar lezen

    Het werd er opeens zeer persoonlijk van. Alsof ik de enige was die dit boek kon lezen. Een betoverend boek, een kunstwerk. 

     

     

    Tosca / Maud Vanhauwaert / 243 blz. / Uitgeverij DasMag



    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een boekencolumn.

     

     

     

  • Held of egoïst

    ‘Voor wie de droom uit het leven wil halen, is er geen leven zonder schuld’. Het is misschien wel de kernzin in het oeuvre van de Nederlandse zanger/dichter Alex Roeka (1945). Hij zingt het in het majestueuze lied ‘De modder van mijn graf’ dat is opgenomen op zijn zojuist verschenen verzamelalbum Nachtcafé, dat ik natuurlijk meteen beluisterde. Het bevat zijn beste werk voor Excelsior Recordings van de laatste tien jaar. ‘Samen alleen, Stille dromers in de stad’ en ‘Wat wil je eigenlijk met mij?’ staan er eveneens op. Prachtig. Toch is het jammer dat hij niet meer van dit soort nieuwe kanjers schrijft en in plaats daarvan aan het verzamelen is geslagen. Ook zijn vorige album, Nieuwe Dromen uit 2022 viel me al een beetje tegen. Alsof hij op die plaat alles, waarover hij eerder in metaforen zong, nog één keer duidelijk wilde uitleggen. Misschien begrijpelijk voor een kunstenaar die tegen de tachtig loopt, maar jammer voor de fan die in Roeka’s teksten kroop en zijn best moest doen om te zoeken naar de zanger en zichzelf.

    De portee van ‘Het Nachtcafé aan het eind van de straat’ bezong Roeka trouwens ook in het onnavolgbare ‘Hadesbar’ (2010). Een lied van ruim tien minuten over mensen die zich na de dood terugvinden in een tussenportaal en daar de balans opmaken: ‘eerst moest ik in mezelf geloven / toen ook nog in een doel /  levend werd ik leeg gezogen / door de barre beestenboel.’ Vergelijk dat met deze strofe uit ‘In dit Sterrendal’, ‘ze zeiden ga maar wat studeren in de stad / gesmoorde levensdrang / ik had nog niets geleerd, raakte getroebleerd / voelde me niet genoeg’. Kritiek op mijn lievelingszanger doet pijn. Liever spreek ik over zijn indrukwekkende optredens. Een verkreukelde achtenzeventigjarige man in een langzaam toenemend bezweet wit overhemd onder een grijs colbert, vuur en passie van een jonge kerel, zingend over leven, liefde en dood. Nooit zal hij het publiek paaien, al is hij gelukkig minder afstandelijk dan Van Morrison met wie hij eenzelfde zeggingskracht gemeen heeft.

    Soms doet Roeka denken aan de gulzige zwier van Ramses Shaffy, die hij toezingt in het schitterende lied ‘Lege ochtendkroeg’ (2006). Dat mag, nee, moet op mijn begrafenis gedraaid worden: ‘Ja, ik heb wel gebeden / gelachen, geleden/gevochten, bewonderd, gehuild / maar misschien te benauwd / te bang en te koud / me te veel in mijn pantser verschuild.’ Roeka spaart zichzelf niet en dat maakt hem zo charmant. In ‘Tussen honds geluk en pijn’ (2008) bezingt hij een variant op de droom en de schuld waarmee dit stukje opende. Herkenbaar voor iedereen die een scheiding doorzette, zijn kinderen moest teleurstellen of zijn ouders in de steek heeft gelaten, ‘het is een zee die me met zich meetrekt / ik zwalk weerloos door de mist /  ben ik een held die trouw is aan zichzelf / of een egoïst?’ Wie Roeka met deze strofe in het achterhoofd aan het eind van een voorstelling alleen in een spotlight, ‘Gestreeld en gekrast’ heeft zien zingen, houdt voor altijd van die man. Fijn dat dit nummer is verzameld op Nachtcafé.

     

    Foto: Excelsior Recordings


    Jan Kloeze ging naar Schrijversvakschool Amsterdam waar hij met een groepje studenten literair tijdschrift Proefdruk oprichtte. Voor Literair Nederland schrijft hij tweewekelijks een column en regelmatig recensies.

     

     

  • Verslavend

    In de nacht klonk door het open raam de roep van een uil, twee uilen. Of was er een mens in nood? Je dacht aan de buurvrouw twee huizen verderop. Aan hoe je haar moest redden, of je degene die naast je sliep daarbij moest betrekken. Toen verdween het menselijke uit het roepen in de nacht, was er de zekerheid van een uil. Het was prachtig, je ging er eens goed voor liggen, zei, ‘Hoorde je dat?’, maar degene naast je hoorde niets. Later zocht je het op, uilen gaan in december al een nestgebied uitzoeken. Het mannetje begint luid te roepen als hij een plek vindt waar muizen zijn. Achter in de tuin bij de composthoop leven genoeg muizen om een uilenfamilie te onderhouden. Een uil is net zo slim als een boer die op het land dat hem moet voeden gaat wonen. Het tot zijn territorium maakt met hekken en tractor geraas, zo roept de uil luid zijn onzichtbare omheining in het rond.

    ‘Het gezang buiten wordt luider en lijkt nu als een lasso om ons heen te slaan. Ik kan het niet laten de tent een stukje open te ritsen. De stem blijft zingen en sterft dan weg. Even later zwelt het lied weer aan, op een andere plek, meer vanuit de kant waar de aalscholvers nestelen.’ Dit schrijft Miek Zwamborn in Onderling, Langs de kustlijn van Mull. Ze viert Kerst met haar vriend R. op een afgelegen strand. Vanuit Knockvologan, waar ze sinds 2016 woont, zijn ze in twee uur naar het strand gelopen. Ze bouwden een tent, maken vuur om hun ‘driegangenmenu’ op te warmen. Tegen de ochtend worden ze wakker van gezang, denken aan ‘fairies’, aan bos-, moeras- of zeegeesten. Ze ritsen voorzichtig de tent open, het gezang verplaatst zich. Er is het schijnsel van een lamp, dan een visser die zijn fuiken binnenhaalt, en de stem van een radiopresentator die iedereen een zalig kerstfeest wenst. ‘R. en ik laten ons schaterlachend terug op de mat vallen.’

    Hier is het bijna Kerstmis. Er moet van alles gedaan. Je maakt lijstjes, schuift met de tijd, kijkt naar de stapel boeken op de grond. Voor elk gelezen boek, kocht je drie nieuwe. Je reisde in een week twee keer naar Amsterdam, bezocht de boekhandel op het Spui, kocht daar Onderling van Miek Zwamborn. Nu ben je steeds op weg naar de bank, om dat ene boek te pakken. Een neerslag van hoe Zwamborn zich tot het eilandleven verhoudt, het eiland tot haar. ‘Het veen eigende zich een onderbeen toe (stelde zich tevreden met een kaplaars), een rotsspleet deed me bijna voorgoed verdwijnen en in een van de beken loste ik nagenoeg op.’

    Dit boek is reden genoeg om uit de dag te stappen. Je bekijkt foto’s, tekeningen, leest een gedicht, de brieven die Zwamborn schreef aan kunstenaars en dichters die zij bewondert. Ze schreef aan Rosa Luxemburg, geïnspireerd door een brief in het brievenboek van Luxemburg, geschreven in 1917 vanuit de gevangenis waar ze toen verbleef. Zwamborn schrijft:
    ‘Lieve Rosa, / Wat klink je uitgelaten. Zijn er veel dagen als die je beschreef? Na het lezen van je brief heb ik Wagners Die Meistersinger von Nünberg afgespeeld en ik begrijp nu hoe het lied je naar de zomer voerde.’ Om Rosa dan te vertellen over de stand van zaken op het eiland, de windhozen, boompjes die geplant zijn. Hoe schrijvers over eeuwen heen een inspiratiebron zijn, zo inspireert dit boek uit te kijken naar een eiland.

    Je kijkt naar de afbeelding van een ‘urinewiel’. ‘Ooit getekend door een dynastie van artsen op het eiland die hun eigen onderzoek vastlegden. ‘Aan de hand van kleur, geur en smaak van urine dacht men de kwaal van de desbetreffende patiënt te kunnen vaststellen.’  Zwamborn vond het in een vademecum. Ze dacht terug aan het moment dat haar inwijding in de eilandcultuur moet zijn geweest.

     

    Dat was in de eerste maanden van haar verblijf op Mull, ze was uitgenodigd door een van de dichters van The Ross of Mull Poets. De dichter, een man van in de tachtig, liet haar die middag zijn werk zien, ‘(…) in houten panelen gekerfde gezichten en op doeken geborduurde verzen waaromheen hij uit stof geknipte en geschilderde dieren gerangschikt had.’ Bij het afscheid stak de dichter haar een twee liter melkpak gevuld met een gelige vloeistof, of ze die wilde afgeven bij zijn vriendin. ‘Sue (…) nam snel het vocht in ontvangst terwijl ze wel drie keer een excuus mompelde.’ Toen begreep Zwamborn wat de inhoud van het melkpak was: ‘vloeibaar goud waarmee je reusachtige frambozen kunt opkweken en nog veel meer.’

    Tijdens het lezen werd je een gevoel van perfectie, van in het moment zijn, gewaar. Je kijkt de tuin in, denkt, je zou het hier moeten toepassen. De toewijding, de waarnemingen, het lezen van het landschap. Je voelt een mengeling van jaloezie, een soort heimwee naar iets dat je gekend hebt maar vergeten moet zijn. Dit boek is de weerslag van een nimmer aflatend verkennen van een leefomgeving. Het onderzoekende, het creëren, het commitment, het maakt je op een prettige manier sprakeloos. Wat een prachtig, verslavend boek.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

  • Betere tijden

    Weer had er iemand ongevraagd opgemerkt dat er boeken in mijn kasten stonden die ik zeker in geen twintig, misschien al wel dertig jaar had vastgehouden. Met de onuitgesproken boodschap dat die dus wel weg konden. Daarom wilde ik mijn boeken van lang geleden opnieuw lezen, om te bewijzen dat ik ze nodig had. Ik begon met mijn oude, stukgelezen kinderboeken die geduldig op zolder hadden staan wachten tot ze hun verhaal weer vertellen konden. 

    Zo vloog ik weer met Nils Holgersson op de rug van de ganzen naar Lapland, zwierf met Remi en Vitalis door Les Landes, voetbalde met de Katjangs, reed met Winnetou en Old Shatterhand door het Wilde Westen, voer met de scheepsjongens van Bontekoe naar Oost-Indïe en dook met kapitein Nemo 20.000 mijlen onder zee. Het was als een reünie van de middelbare school: sommige van je oude vrienden herken je helemaal niet meer, met anderen pak je de draad op alsof er nooit een zee van jaren tussen gelegen heeft. Enkelen vallen na al die tijd tegen, terwijl ze vroeger tot je beste vrienden behoorden. Er is altijd wel eentje bij die je vroeger gemeden hebt als de pest, om nu bij een hernieuwde kennismaking te moeten constateren dat je meer met hem gemeen hebt dan je ooit had kunnen denken. 

    Maar de boeken zijn hetzelfde gebleven, dus ik moet veranderd zijn. Ik laat me niet meer zomaar ademloos meeslepen in het verhaal, ik let ook op stijl en structuur, beeldspraak, verteltempo en historische verantwoording. Ik lees niet alleen maar met mijn hart, maar ook met mijn hoofd. Alsof ik, in plaats van me in de Efteling te vergapen aan het wonder van de slapende Sneeuwwitje, me afvraag hoe het mechanisme werkt dat haar borst laat rijzen en dalen. Of welk merk haarverf Blauwbaard gebruikt zou hebben. En of het glazen muiltje van Assepoester niet berust op een vertaalfout. Ik ben niet meer de kleine Johannes, ik ben in Pluizer veranderd. Ik ben volwassen geworden, net als ‘Het meisje’ van Hanny Michaelis:

    ‘Ben ik na jaren nog het kind gebleven
     dat zich, door lentes toverlicht verblind,
     liet vangen door de speelse voorjaarswind
     als hoog boven haar hoofd de wolken dreven?

     Ben ik nog steeds het argeloze kind
     dat zich aan zon en wind kan overgeven?
     Is het dezelfde band waarmee dit leven
     mij aan een wereld vol geheimen bindt?

     Weer laat ik door de voorjaarswind mij vangen,
     weer dwaal ik als een kind door lentes land,
     verblind van licht, met overbloosde wangen.

     Maar ‘k heb mijn onbevangenheid verpand –
     diep in mij laait de vlam van het verlangen:
     een vuur dat niet in kinderen ontbrandt.’

    Dat wil niet zeggen dat ik niet meer genieten kan van die klassiekers. In De hut van Oom Tom belichaamt de ijzingwekkende vlucht van Eliza met haar kind over de ijsschotsen nog steeds de hoop op andere, gelukkigere tijden. Diezelfde hoop dat het eens beter wordt, lees ik in al mijn kinderboeken terug. Daarom mogen ze blijven, juist nu we bijna de hoop verliezen. 

     

    Uit: Verzamelde gedichten (2006) / Hanny Michaelis



    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Scrollend door het leven

    Vrijdagavond zag ik Leave the world behind, een apocalyptische film naar het gelijknamige boek van de Amerikaanse schrijver Rumaan Alam. Aangezet door de auteur van Goudjakhals die ik in Restaurant 1e klas op Amsterdam Centraal sprak over zijn boek. Bij de afsluitende woorden verheugde hij zich op de avond, een nieuwe film op Netflix, met Julia Roberts (zonder make-up) en Ethan Hawke (vettig kapsel, knipbeurt gemist). Het sloeg op me over, ik ging kijken.
    De film opent in een blauw (dicht)geverfde slaapkamer waar Hawke onder een grijs dekbed wakker wordt. Roberts is met koffers in de weer. In een moment van slapeloosheid huurde ze online een vakantiehuis aan de kust van Long Island. Hawke hoort het welwillend aan, vraagt enkel: ‘But, help me out babe, why today?’ ‘Well’, zegt Roberts en loopt naar het slaapkamerraam. Ze wilde naar de zonsopgang kijken. Zag al die mensen op straat volhardend aan hun dag beginnen. ‘All in an effort to make something of themselves. Make something of our world.’ Dat ze zich gelukkig voelde daar onderdeel van te zijn. Tot ze bedacht, haar gezicht betrekt, hoe de wereld echt in elkaar steekt. ‘And I came to a more accurate realization.’ Kijkt in de camera: ‘I fucking hate people.’ En de film begint.

    De volgende ochtend denk ik aan de betekenis van herten in de film. Na vijftien minuten verschijnen er langs de rand van het gazon waar Roberts en Hawke vanuit de keuken zicht op hebben, de eerste herten. Om daarna de hele film door gedrieën, als enkeling of roedel te verschijnen. Ze dringen zich op, sluiten de protagonisten in. Ik zoek in mijn geheugen naar herten in andere boeken. Wacht, daar is de verhalenbundel Wanneer de herten komen van Joke van Vliet. In het verhaal met de gelijknamige titel, is er sprake van een hinde. ‘Ineens staat ze er, geluidloos naar voren gestapt vanuit de gekrulde varenbladen, haar kortharige vacht glanzend in de ochtendzon.’ Het dier doet de man uit het verhaal, die zich poogt los te maken uit een huwelijk en in een vervallen huisje in een bos (weg van de wereld) is getrokken, denken aan zijn moeder, aan zijn vrouw. Heel even lijkt het of Van Vliet de synopsis voor de film schreef. Er wordt, net als in de film, naar het dorp gegaan voor boodschappen, wat de limiet aangeeft van wat de protagonisten aan sociaal contact kunnen verdragen. Wanneer de herten komen is onheilspellend absurdistisch, aandoenlijke ook. 

    Terwijl ik dit schrijf, hoor ik op de radio hoe men zich zorgen maakt over ‘hele generaties’ die het scrollen op hun mobiel niet kunnen laten. Hoeveel tijd daarmee verspild wordt. Ik denk er weleens aan, hoe te leven zonder internet. Waar laat ik mijn scrollende vingers dan, waar richt ik mijn blik op. Leave the world behind, zoek jezelf (broeder), dat zongen Van Kooten en De Bie in de jaren tachtig al.
    Dan dit nog: de serie Friends speelt een rol in de film, bescheiden lijkt het, maar voor tienerdochter Rose (Farrah Mackenzie) – die onverhoopt de gelegenheid krijgt de laatste aflevering van de serie te zien – een soort ‘Napels zien en dan sterven’ vervulling krijgt. Waarmee de film eindigt. Ach, wat een film.

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem.

  • Zonder mededogen

    De bank afficheerde zich in een voorfilmpje als de bank voor mensen die ‘anders’ naar de wereld kijken zonder dat te definiëren. Maar de mensen die er bankieren weten precies wat daarmee wordt bedoeld. Zij kijken ‘bevoorrecht’ naar de wereld. Het is een bank voor welgestelden, voor vermogenden. Vorige maand maakte ik voor de vierde keer een IDFA-dag bij deze bank mee. Zonder de uitnodiging van mijn gezelschap was ik op mijn afgedragen bootschoenen waarschijnlijk niet binnengekomen, maar misschien ook wel, want mijn huidskleur klopte met de rest van het publiek en mijn verdwijnende haardos eveneens. 

    Het statige bankgebouw aan de gracht was omgeturnd tot Grand Café. Tientallen studenten waren door een cateringbedrijf ingehuurd om ons in het atrium, tussen het bezoeken van de documentaires door, te verwelkomen met voortreffelijke koffie, patisserie en later op de dag soep, luxe broodjes, wijn en bitterballen. Een bankier met een marketingrol, zoals hij het zelf formuleerde, bood spontaan aan om mij en mijn gezelschap de ‘hall of fame’ en de vergaderkamer te laten zien. Beide waren eigenlijk niet voor publiek geopend. De vergaderkamer was dan ook ingenomen door het cateringbedrijf dat tussen de gepatineerde tafel en de van schilderijen druipende muren, vele draadcontainers met voedselbakken had neergezet. Een jongeman zat er in het uniform van de catering snel een broodje weg te werken.

    In de lange ‘hall of fame’ hingen foto’s, plakkaten en schilderingen van de vele rechtsvoorgangers van de bank aan de muur. De geschiedenis ging honderdvijftig jaar terug. Opvallend, want ik wist dat de bank in de gouden eeuw was opgericht, mede om slavenplantages te financieren. Uiteindelijk werd de bank na faillissementen zelf slavenhouder. Maar die hele periode was gemakshalve buiten beschouwing gelaten. Ik was op dat moment halverwege in De ondergrondse spoorweg, het boek van de Amerikaanse schrijver met Afro-Afrikaanse roots, Colson Whitehead. Hij publiceerde dit boek in 2016, toen Obama nog president van de VS was. Het is een klap-in-je-gezicht-boek. Hoezo ‘show don’t tell’? Whitehead doet daar niet aan. Zonder enig mededogen met de moreel medeplichtige witte lezer beschrijft hij gedetailleerd de onvoorstelbare wreedheden van slavenhouders en slavenjagers. Verkrachting, verminking en vernedering worden je genadeloos door de strot geduwd.

    Nee, dan de prettige aanpak van de bank. Wie er niets van wilde weten, kon zijn inmiddels van regeringswege officieel geëxcuseerde ogen eenvoudig sluiten voor het slavernijverleden van de oprichters. We moesten er immers niet aan denken dat de geroosterde bagel met gerookte zalm of de zachte aardappel-currysoep ons zwaar op de maag zouden liggen als we in onze bioscoopstoel zaten uit te buiken.

     

     


    Jan Kloeze ging naar Schrijversvakschool Amsterdam waar hij met andere studenten literair tijdschrift Proefdruk oprichtte. Voor Literair Nederland schrijft hij tweewekelijks een column en regelmatig recensies.

  • Zulke verhalen

    G.A. van Oorschot vroeg eens aan J.J. Voskuil wat deze vond van zijn verhaal ‘Een tragisch geval’, gepubliceerd in Tirade. Het nieuwe Dagboeken deel van Voskuil opent op ‘vrijdag 1 october,’ 1965 met onder andere een brief aan Van Oorschot waarin hij schrijft het een verhaal van niks te vinden. En: ‘Ik vind dat zulke verhalen niet geschreven zouden moeten worden. (…) Dat stuk over die buren en muziekleraar heeft geen functie. Je zou dat moeten schrappen. Maar dan nog. Ik begrijp niet wat je bezielt als je zo iets opschrijft.’ Hij vindt dat Van Oorschot zijn personages emoties toeschrijft die niet kunnen, omdat ‘jij niet [kunt] weten wat er in die mensen omgaat’. Hij denkt dat Van Oorschot wel de ‘pest in’ zal hebben over zijn kritiek. ‘Je schrijft je vrienden liever dat je enthousiast bent, omdat vrienden nu eenmaal aardige mensen zijn, ook als ze de krankzinnigste dingen in hun hoofd halen.’ Hij besluit met: ‘Houd het daar dan maar op, vriend.’ 

    Er is een verhaal van  Frida Vogels uit 1967 dat onlangs voor het eerst in druk verscheen. Een verhaal dat in de zomer van 1965 zijn oorsprong vond, toen Vogels met haar man in een klein gehucht, Venola, dat op vijfentwintig kilometer van Bologna ligt, de zomermaanden doorbracht. Ze verbleven in een boerderij waar een paardenstal was omgebouwd tot zitkamer, ‘geriefelijk ingericht met uit Ennio’s geboortehuis in Zuid-Italië afkomstige meubelen.’ Het verhaal van Vincenzo gaat over hun buurman, Vincenzo, ‘een man uit één stuk, sterk en intelligent’. Vogels schrijft: ‘Niet lang voor hij ziek werd en stierf zag ik hem in de schuur naast zijn huis bezig een grote boomstronk doormidden te hakken. Hij sloeg op die stronk met alle kracht die hij bezat, maar slaagde er niet in hem te splijten, en ik schaamde me hem zo bezig te zien en liep weg.’  Dit zou Voskuil ‘mieters’ hebben gevonden. Vogels en Voskuil spraken in termen van ‘mieters’ of ‘schofterig’ met elkaar. 

    De brief aan Van Oorschot zoals hierboven weergegeven, heeft Voskuil niet verstuurd. Het verhaal van Vincenzo werd niet gepubliceerd. Tot deze herfst, toen verscheen het bij Hof van Jan een collectief van margedrukkers. Het boekje telt zeseneenhalve pagina tekst, met de kenmerkende illustraties van Paul van der Steen. Vincenzo was stationschef in Marzabotto en woonde met zijn gezin op de bovenverdieping van het station. Op een dag vond hij een broodmager zwerfhondje. Het was een lief hondje, maar had een vreemde gewoonte: ‘het deed niets liever dan over de treinrails lopen’. Vincenzo kreeg daar de zenuwen van. Hij wilde het de hond in een keer afleren. ‘Hij pakte het hondje beet, bond het op een biels tussen de rails stevig vast en waarschuwde de machinist van de eerstvolgende trein. Bij aankomst in Marzabotto reed die trein over het hondje heen. Toen de trein weer weg was, maakte Vincenzo zijn hondje los. Het rende hevig jankend weg en waagde zich nooit meer in de buurt van de rails.’ Vogels schrijft zonder een oordeel te geven (dat zijn de beste schrijvers). De opbrengst van deze uitgave, 17 euro, komt geheel ten goede –zo belooft het drukkerscollectief – aan de vierennegentigjarige schrijfster. En dat is mooi.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

     

  • Liefde van de kok gaat door de maag

    Op het Waterlooplein vond ik jaren geleden de autobiografie van de Zwitserse huisvrouw Rosmarie Buri: Dik en dom. Het is het (on)gewone verhaal van een (on)gewoon leven. Een meesterlijk boek, dat nergens aandacht kreeg maar zich goed zou lenen voor een meeslepende film. Eenzelfde lot trof de uitgave van König Ludwig II speist: Erinnerungen seines Hofkochs Theodor Hierneis, dat in 1953, het jaar waarin Hierneis overleed, verscheen. Dat wil zeggen, totdat regisseur Hans-Jürgen Syberberg er tijdens de research voor zijn film Ludwig – Requiem für einen jungfräulichen König op stuitte en er meteen geschikt materiaal voor een film in zag. En zo verscheen in hetzelfde jaar – 1972 – als Ludwig, ook Theodor Hierneis oder Wie man ehem. Hofkoch wird.

    Aan het einde van zijn leven werd de legendarische sprookjeskoning Ludwig II van Beieren zo mensenschuw dat hij zich volledig terugtrok. Hierneis, zijn persoonlijke kok, was dus één van de weinigen die hem in deze periode van nabij meemaakten. 

    Syberbergs aanpak is van een verbluffende eenvoud. De oude Hierneis neemt de kijker mee langs de plekken waar hij gediend heeft: de paleizen van Linderhof en Neuschwanstein, het Berghaus Schachen, de Linderhof-grot en de Runding-hut. Hij loopt er rond alsof hij er nooit is weggeweest en vertelt in één lange monoloog vol liefde over zijn belevenissen aan het hof. Natuurlijk, zegt hij, moest je altijd rekening houden met Ludwigs slechte gebit: alles moest zacht zijn, zodat er niet gekauwd hoefde te worden. Soep was nooit een probleem, evenals puree, een mousse, en kievietseieren, een in roomboter gegaard forelletje of urenlang gesudderd stoofvlees, dat ging ook nog wel.

    De camera volgt Hierneis, die in de camera vertelt hoe het was. Meer is het niet. De beelden moet je er zelf maar bij bedenken. Eenvoudiger een film maken kan niet en goedkoper en gedurfder evenmin. Een verhaal is er ook al niet, maar je blijft geboeid door de adembenemende tour de force van acteur Walter Sedlmayr (Beiers welvaren, hoedje op), die van Hierneis een gemoedelijke verteller en een aandoenlijke heer maakt. Trots dat hij de koning mocht dienen, ook al zei die nooit dat het eten dat met zoveel toewijding voor hem bereid werd, hem gesmaakt had. Of de liefde van twee kanten kwam, weten we dus niet. Maar de liefde van de kok voor zijn koning was ruim voldoende om voor twee te tellen.

    Theodor Hierneis oder Wie man ehem. Hofkoch wird werd bekroond met de Duitse Filmprijs voor beste acteur en beste non-narratieve film. En dat is een merkwaardige combinatie, die past bij een merkwaardige film, waar je moeilijk een etiketje op kunt plakken. In zekere zin is het een kostuumfilm. Maar dan wel de bijzonderste kostuumfilm die ik ooit gezien heb.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Plaatsbepaling van verdriet

    Sinds de avond van de verkiezingsuitslagen gonst het in mijn hoofd. Hoe het kan dat een man die in de twintig jaar dat hij zijn extreem rechtse politieke ideeën te pas en te onpas uitkraamde, premier van Nederland wordt. De man die er altijd op uit was de poten onder andermans/-vrouws stoel uit te zagen, zou milder zijn geworden. Iedereen lijkt vergeten hoe hij gewoon is de ander te kwetsen. In mijn hoofd klonk het doorlopend: ‘Oh, no, Not me’. Uit The Man who Sold the World van David Bowie, gezongen door Lulu. Dat kwam door de kleine roman Tenminste voor een bepaalde tijd, die ik in de week voorafgaand aan de verkiezingen las. De vertelling bracht iets teweeg in mijn hoofd. Ik dacht aan de jongen die op zaterdag in een boekhandel werkt. Waar hij schrijvers als Knut Hamsun, Christopher Isherwood, Dostojevski ontdekt. De jongen die op latere leeftijd terugkijkt op een periode in zijn leven die hem gevormd heeft, daar een boek over schrijft dat speelt in het jaar 1974, als hij vijftien wordt. 

    In dat jaar vraagt zijn vriend Nico hem mee naar zijn opa en oma in Klarenbeek. Ze lopen er op een zondagmiddag vanuit Zutphen naartoe. Ik denk aan die wandeling van tweeëneenhalf uur. Ze gaan Frida bezoeken, de zeventienjarige zus van Nico, bij haar grootouders ondergebracht omdat ze zwanger is, vader onbekend. De baby zal vernoemd worden naar de zangeres van The man who sold the world, waar Frida een plaat van had. Op zeker moment gaat de jongen de songtekst analyseren, op zoek naar een aanwijzing, naar de vader van het kind.

    Tussen de gebeurtenissen door, het lijden aan een onuitgesproken verdriet, de verstilling in het gezin van de jongen, is er een plek in de stad die ‘de plaatsbepaling van verdriet’ genoemd wordt. Het is de afstand tussen de plaatsen waar hij zich in dat jaar ophield. ‘De afstand tussen de boekhandel (…), waar ik mijn zaterdagen doorbracht, en Hotel Spaan, waar ik mijn zondagen sleet, was nog geen tweehonderd meter. Precies halverwege stond mijn school en was het fatale kruispunt van het ongeluk. Nog steeds, ook na al die jaren die er sindsdien zijn verstreken, kan ik dit punt niet passeren zonder aan mijn zus te denken.’ Dit beschrijft de verteller als hij na bijna vijftig jaar weer in het stadje rondloopt, waar zijn zus op veertienjarige leeftijd onder de achterwielen van een vrachtwagen vermorzelt werd.

    De impact van de overleden zus zit in de herinnering aan een magere jonge man in het stadspark met een hondje twee jaar na het ongeluk. Daarin herkende de jongen de agent die na het ongeluk de schooltas van zijn zus, ‘die door de klap was weggeslingerd’, kwam brengen. Die ‘klap’ en dat ‘wegslingeren’ hakken erin.

    In de boekhandel noteert de jongen uit een boek van de vrijwel onbekende schrijver Jean de Tinan een regel die deels de titel van het boek is geworden. ‘Alles is onsterfelijk – tenminste voor een bepaalde tijd.’ Een boek vol ideeën en vragen over vrijheid, en de jongen vraagt zich later af: ‘Was ik vrij of gevangen? Was de bewondering die ik, (…) voor Frida voelde, niet juist gebaseerd op het besef dat zíj vrij was en ikzelf niet?’ 

    Dan is er een wending in het verhaal die je niet zag aankomen. Want, is de verteller de vader van het kind van de tienermoeder? Het loopt af met een sisser, maar hee, als je dan opnieuw de openingsscène van het boek leest, bekruipt je het gevoel dat het een vooropgezet plan van Nico en zijn ouders is geweest om de verteller te betrekken in het familiegeheim van de zwangere zus. Maar dan verdwijnt de familie van Frida en Nico. Had ik het al gehad over andere verdwijningen die een rol spelen in het boek? Over een man die boeken, verhalen verzameld over verdwenen mensen. Het is een werkelijk knap geconstrueerde roman met verschillende mysteries die niet allemaal ontrafeld worden. Het leven is geen kloppend geheel, dat is mooi. Het heeft er alle schijn van dat – zoals Carmiggelt een meester was in het observeren van de kleine handelingen – Hans Heesen een meester is in het beschrijven van het achterwaarts beleven van gebeurtenissen uit het leven van een vroegere zelf. Het zou zomaar kunnen dat zijn volgende roman over de botte vader uit Tenminste voor een bepaalde tijd zal gaan.

     

     

    Tenminste voor een bepaalde tijd / Hans Heesen / 126 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft lezend.

  • Leren kijken

    De eerste pakweg twintig jaar van mijn leven wist ik niet wat kijken was. Daar kwam verandering toen ik D. leerde kennen. Hij beoefende de schilderkunst. Zo zei hij het altijd. Om de schilderkunst te beoefenen, moet je kunnen kijken. Kleuren, schaduwen, luchten, bomen, vogels. Ze zijn er altijd, maar wie ziet ze? Ik niet, toen. Want, min of meer onveilig gehecht zoals dat tegenwoordig heet; altijd klaar om dreigend gevaar het hoofd te bieden. Wie wil me raken? Waar word ik gekwetst? De stilstaande wereld om me heen was het decor van het toneelstuk ‘Overleven’.

    D. was een lange gespierde man met een natuurlijke zwier in zijn lijf, een jaar of zes ouder dan ik. Hij toonde me de spiegeling van een treurwilg in een vijver, een dode zwarte kraai in het okergele riet, het verschil in schaduwen bij hard ochtend- en zacht avondlicht. Mijn eigen lot liet me langzaam ietsje onverschilliger. Ik werd kleiner, de omgeving groter. Hij nam me mee naar zijn atelier, liet me zijn voornamelijk abstracte schilderkunst zien. Kleurencomposities met druipende slierten en vloeiende vormen, maar, zoals ik leerde te herkennen, zonder zichtbare verfstreken. Wat moest ik ervan zeggen? Wat moest ik ervan vinden? Ik wist het niet. En het hoefde ook niet. Mooi of niet mooi deed niet ter zake.

    Tekenen kon ik niet. Maar het woord was me wel gegeven. Ik las alles wat los en vast zat, schreef voor blaadjes van scholen en verenigingen. D. stimuleerde me scènes te schrijven. Ik stribbelde tegen, ‘ze’ konden me uitlachen. Toch was ik benieuwd of ik het kon. Voorzichtig beschreef ik het doppen van een pinda. Het zoeken naar de zwakke plek in de harde schil, het knijpen, de krak, de in het vlies beschermde vruchtjes, het omkeren in de hand, mijn kauwende kiezen, tastende tong. En ik vond het fantastisch zo te schrijven. Ik bleef maar sleutelen aan dat stukje tekst van nog geen tweehonderd woorden totdat ik het D. durfde voor te lezen.

    Achttien jaar geleden raakten we gebrouilleerd. Iets met een duur huis en een samenwerking die fout liep. Schaamte en trots weerhielden me van het maken van een buiging. Inmiddels ben ik bijna vijfenzestig en wil geen spijt hebben van dingen die ik heb nagelaten te doen. Afgelopen woensdag zat ik bij D. aan de keukentafel, even later in zijn atelier. Ons leeftijdsverschil leek groter geworden. Het leven had hem niet alleen zijn gespierde gestalte, maar voor een deel ook zijn zwier ontnomen. Toch, in de veroudering was hij scherp gebleven als een steeds opnieuw bijgepunt potlood. Zijn laatst geschilderde werk hing hoog en breed aan de muur van zijn atelier. Nog steeds zonder zichtbare verfstreken, nog steeds vloeiende vormen waar nu ook een menselijk figuur in schemerde. Je kon er dwars doorheen kijken. Het was een vergeestelijkt lichaam, op het punt hemelwaarts te stijgen. En ik wist dat ik op tijd tot inkeer was gekomen. Ik kon mijn oude meester nog omarmen.




    Jan Kloeze studeerde aan de Schrijversvakschool Amsterdam waar hij met andere studenten literair tijdschrift Proefdruk oprichtte. Voor Literair Nederland schrijft hij tweewekelijks een column.

  • Niet klagen, niet jammeren

    Om niet te verzinken in het gevoel dat de Nederlandse aarde in tweeën is gespleten. Om niet klagend en jammerend ten onder te gaan, is het goed Annie Ernaux te lezen. De soberheid van haar schrijven, waar zij vandaan komt, stelt mij op achterstand. Troost vinden in het armoedige bestaan van anderen. Niets is ongewoon. ‘Precies twee maanden’ nadat Annie Ernaux een aanstelling als lerares had verworven aan het lyceum in Lyon, overleed haar vader, zevenenzestig jaar. Het was op een zondagmiddag. Van bovenaf de trap zei haar moeder, ‘Het is afgelopen.’ Haar ogen bettend met een servet. ‘De volgende minuten herinner ik me niets meer. Ik zie alleen de ogen van mijn vader nog die naar iets ver achter mij staarden, en zijn tot boven het tandvlees opgetrokken lippen.’

    De dode werd gewassen en geschoren. Het pak dat hij drie jaar daarvoor bij zijn dochters bruiloft had gedragen, kwam nu van pas. ‘Mijn moeder sprak tegen mijn vader alsof hij nog leefde of bezield werd door een speciale vorm van leven, zoals dat van een pasgeborene. Een paar keer noemde ze hem vol genegenheid “mijn arme oudje”.’ De volgende dag begon het lijk te stinken. ‘De zoete en daarna verschrikkelijke geur van bloemen die iemand in een vaas met smerig water heeft laten staan.’ Tussen de zondag van zijn overlijden en de woensdag van zijn begrafenis, kwamen vaste klanten van het café afscheid nemen. Ze leverden commentaar zoals gebruikelijk bij een overledene. ‘laconiek en op zachte toon’ zei men, ‘Hij heeft er voor de donder niet lang over gedaan’ of, ‘Dus de baas is hem gesmeerd!’

    Ook zeiden ze wat het met hen had gedaan toen ze de doodstijding ontvingen. ‘Ik was ervan ondersteboven’, ‘ik wist niet wat me overkwam’. Dingen die gezegd worden in een poging te delen in het verdriet, ‘een vorm van beleefdheid’, noemt Ernaux het. Dat is wat ik na de verkiezingen voelde, niet weten wat me overkwam, verwend als ik was te krijgen wat ik verwachtte. Dat zal nu anders gaan, ik zal er nu zelf voor moeten zorgen dat de vluchteling bij mij terecht kan. Maar goed, op maandag kwam de begrafenisonderneming. De kist paste niet door de opening van de keuken naar de slaapkamer een trapje hoger. Het lijk werd in een plastic zak gewikkeld, voortgesleept over de traptreden naar de kist midden in het café.

    Die avond kwam haar man, ‘bruinverbrand en slecht op zijn gemak, omdat hij geconfronteerd werd met een verdriet waar hij buiten stond.’ Niets zo erg als verdriet waarmee je niets hebt. Ze sliepen in het enige tweepersoonsbed dat er in huis was, het bed waarin haar vader kort tevoren gestorven was. ‘Er zat een kuil in het kussen waarop zijn hoofd sinds zondag had gerust.’

    Dan begint ze aan het verhaal over het leven van haar vader. ‘Het verhaal begint een paar maanden vóór de twintigste eeuw in een dorp in het land van Caux, op vijfentwintig kilometer van de zee.’ De plek was haar vierde novelle. Ze won er de Prix Renaudot mee en brak ermee door in Frankrijk. In deze novelle paste ze voor het eerst ‘emotieloos schrijven’ toe. Wat volgens haar het best paste bij het leven van haar vader. ‘Geen poëzie der herinneringen, geen jubelende hoon. Als vanzelf schrijf ik in een vlakke, banale stijl, diezelfde stijl die ik vroeger gebruikte, wanneer ik aan mijn ouders schreef om hen van de belangrijkste zaken op de hoogte te stellen.’ Ernaux lezen is de werkelijkheid onder ogen zien.

     

     

    De plek / Annie ernaux / vertaler Edu Borger / blz. 99 / uitgeverij De Arbeiderspers


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.