• Adriaan van Dis

    Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946) is bekend als schrijver, televisiepresentator en Zuid-Afrika-specialist. Hoewel hij niet geboren is in Nederlands-Indië, wordt zijn werk over het algemeen geschaard onder de Indisch-Nederlandse letterkunde. Begin jaren tachtig presenteerde Van Dis het meest populaire boekenprogramma ooit op de Nederlandse televisie, Hier is…Adriaan van Dis.

    Persoonlijk
    Adriaan van Dis wordt in 1946 geboren in Bergen. Zijn vader is een Indische Nederlander, zijn moeder een boerenmeisje uit Breda, die elkaar in Indië leren kennen. Zijn moeder heeft drie dochters uit haar huwelijk met een KNIL-militair. Ook zijn vader was in Indië al eerder getrouwd. Van Dis groeit op te midden van halfzussen in een familie getekend door de oorlog. Zijn vader, die door zijn (Japanse) oorlogservaringen en zijn fysieke conditie arbeidsongeschikt verklaard, voedt hem streng op.
    Van Dis gaat Nederlands en Zuid-Afrikaans studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens zijn studie publiceert hij in NRC Handelsblad, waar hij later als redacteur aan de slag gaat. Met zijn televisieprogramma Hier is…Adriaan van Dis wordt hij een Bekende Nederlander. Het effect van het programma op de verkoop van de besproken boeken en optredende auteurs, is zo groot, dat er gesproken wordt over ‘het Van Dis-effect.’
    In 1983 debuteert Adriaan Van Dis met de novelle Nathan Sid, in 1984 bekroond met het Gouden Ezelsoor, een prijs voor het best verkochte literaire debuut. De zorgvuldige stijl van Van Dis wordt geprezen door critici.

    In 1988 verschijnt de roman Zilver of Het verlies van de onschuld, die inmiddels onder middelbarescholieren een ‘leestlijstklassieker’ is. De critici zijn minder enthousiast over de lyrisch-poëtische stijl.

    In 1992 besluit Adriaan van Dis zich volledig aan het schrijven te wijden, maar hij kan het presenteren toch niet laten: tussen 1999 en 2002 presenteert hij Zomergasten.

    Sinds de jaren zeventig is Van Dis zeer nauw betrokken bij Zuid-Afrika. Hij beheerst de taal, verstaat zich met de schrijvers en dichters, volgt de politieke en sociale ontwikkelingen op de voet en publiceert boeken over deze regio, zoals Het beloofde land en In Afrika.

    In 2008 maakt hij een zevendelige documentaireserie over een reis door Zuid-Afrika, Namibië en Mozambique. In Van Dis in Afrika zoekt hij naar parallellen én contrasten met de huidige West-Europese samenlevingen.

    Van Dis is niet getrouwd en woont in Parijs.

    Bijzonderheden:

    • Adriaan van Dis werd tweemaal van plagiaat beschuldigd. In 1992 schreef Vrij Nederland dat hij in zijn in 1990 verschenen boek Het beloofde land: een reis door de Karoo citaten van de antropoloog Vincent Crapanzano zou hebben gebruikt. Van Dis gaf als verklaring dat hij bij het schrijven uit zijn oude dagboeken had geput, daarin had hij de citaten overgenomen, maar vergat de bron te vermelden. Hij bood Crapanzano zijn excuses aan.
    • Eind 2001 werden opmerkelijke overeenkomsten tussen Een barbaar in China en From Heaven Lake: travels through Sinkiang and Tibet (1983) van de Indiase auteur Vikram Seth gevonden. Critici waren het er niet over eens of er werkelijk van plagiaat sprake was.

    Links

    www.adriaanvandis.nl

    Werken

    • Nathan Sid (1983, novelle)
    • Een bord met spaghetti (1984, verhalen)
    • Casablanca (1986, verhalen)
    • De vraatzuchtige spreekt (1986, novelle)
    • De rat van Arras (1986. novelle)
    • Tropenjaren: De zaak (1986, toneel)
    • Zoen (1987, novelle)
    • Een barbaar in China: een reis door Centraal Azië (1987, roman)
    • Zilver of Het verlies van de onschuld (1988, roman)
    • Een keuze uit mijn vrolijke doodsgedachten (1988, verhalen)
    • Komedie om geld, Een uur in de wind (1988, toneel)
    • Het beloofde land: een reis door de Karoo (1990, roman)
    • In Afrika (1991, roman)
    • De man uit het Noorden (1991, verhalen)
    • Waar twee olifanten vechten ? Mozambique in oorlog (1992. verhalen)
    • Alles is te koop (1992, manifest)
    • Classics (1993, verhalen)
    • Indische Duinen (1994, roman)
    • Wij, koningin (1995, verhalen)
    • Palmwijn (1996, novelle)
    • Een waarze sat (1997, verhalen)
    • Een deken van herinnering (1998, essay)
    • Totok (1998, poëzie)
    • Dubbelliefde: geschiedenis van een jongeman (1999, roman)
    • Op oorlogspad in Japan (2000, novelle)
    • Familieziek (2002, roman)
    • Vrijtaal (2003, verhalen)
    • Onder het zink. Un abécédaire de Paris (2004, essay)
    • Op de televisie (2007, herinneringen)
    • De wandelaar (2007, roman)
    • Leeftocht. veertig jaar onderweg (2007, verhalen)
    • Van Dis in Afrika (2008, documentaireserie)

    Prijzen

    • 1985 Gouden Ezelsoor voor Nathan Sid.
    • 1986 De Nipkowschijf voor Hier is…Adriaan van Dis.
    • 1994 De Nieuwe Clercke-Pico Bello-prijs voor zijn verdiensten voor de Nederlandse literatuur.
    • 1995 Trouw Publieksprijs voor het Nederlandse Boek voor Indische duinen.
    • 1995 Gouden Uil voor Indische Duinen.
    • 2007 Groenman Taalprijs voor zijn heldere en creatieve taalgebruik.

     

  • Nobelprijs literatuur 2007 voor Doris Lessing

    Doris Lessing werd 22 oktober 1919 als Doris May Tayler in Kermanshah in Perzië (nu Iran) geboren. In 1924 verhuisde zij met haar familie naar een farm in Zuid-Rhodesië (het tegenwoordige Zimbabwe), waar ze nogal geïsoleerd opgroeide. Ze leerde zichzelf lezen en las al gauw alles wat los en vast zat. Toen ze vijftien jaar was, verliet ze school en werkte achtereenvolgens als kindermeisje, verpleeghulp en telefoniste in Salisbury.

    Ze trouwde in 1939 met Charles Wisdom, raakte betrokken bij het werk van verschillende radicale politieke groeperingen en de zwarte onafhankelijkheidsbeweging, werd communiste, kreeg twee kinderen en liet zich scheiden. Ze hertrouwde in 1943 met de Duitse vluchteling Gottfried Lessing. Dit huwelijk werd in 1949 ontbonden en Doris Lessing vertrok met haar zoon uit haar tweede huwelijk naar Londen, met medeneming van het manuscript van The grass is singing dat in 1950 werd gepubliceerd.

    Twee van haar belangrijkste thema’s zijn al in die eerste roman terug te vinden, namelijk de relaties tussen zwart en wit in Afrika en het probleem van het vrouw zijn in wat toch voornamelijk een mannenwereld is. Deze roman was erg succesvol en vanaf dat moment heeft zij van de inkomsten van haar werk kunnen leven.

    In 1956 ging ze voor een bezoek terug naar Zuidelijk Afrika en kreeg daarna een inreisverbod opgelegd omdat de toenmalige premier van Zuid-Rhodesië, Huggins had bepaald dat zij ‘geen onrust mocht zaaien onder zijn inboorlingen’.

    Ze was van 1953 tot 1956 lid van de Communistische partij in Engeland; ook was ze actief in de anti-kernwapenbeweging en schreef ze artikelen voor verscheidene linkse bladen. In de jaren zestig nam ze geleidelijk afstand van het marxisme en kreeg ze belangstelling voor het Soefisme, wat ook in haar werk merkbaar is.

    Tussen 1982 en 1992 bezocht zij Zimbabwe (voormalig Rhodesië) nog vier maal waarover zij uitgebreid verslag deed. Haar meest recente boek is de eerder dit jaar verschenen roman The Cleft. Deze speelt in een oertijd waar vrouwen vreedzaam naast elkaar leven. Tot er op onverklaarbare wijze jongetjes worden geboren in de gemeenschap.

    www.nobelprize.org

    Bron: boek-delen

  • Colette, een begaafde ‘Vagabonde’

    Colette overleed 52 jaar geleden maar haar naam duikt steeds weer op. De Franse schrijfster Sidonie-Gabriëlle Colette (1873 – 1954) was bij leven slechts bekend met haar achternaam.

    In 2003 verscheen er een film over haar leven met als saillant detail dat actrice Marie Trintignant kort na het afronden van de opnames door haar geliefde vermoord werd. Hoe tragisch ook, het bracht de film extra publiciteit en Colette kreeg meer aandacht dan verwacht. Nederland bleef niet achter. Onlangs zijn er twee vertalingen uitgegeven en de actrice Josée Ruiter is tot eind maart 2007 op tournee met de monoloog Colette.

    Er is veel bekend over leven het leven van Colette. Haar rustige jeugd op het platteland, de sterke band met haar moeder Sido en de turbulentie die vanaf haar twintigste door haar leven giert. Ze trouwt met de vijftien jaar oudere schrijver, musicus en playboy Henri Gauthier-Villars (‘Monsieur Willy’). Ze zet de eerste stappen in de wereld van bohémiens en artiesten en begint met schrijven. Onder de naam Willy Colette publiceert ze in drie jaar tijd vier romans over het schoolmeisje ‘Claudine’.

    De Claudine-serie bestaat uit vier delen en handelt over de onbetamelijke avonturen van deze opgroeiende tiener en adolescent. De titels doen nu wat suffig aan: Claudine à l’école, Claudine à Paris, Claudine en ménage en Claudine s’en va. Het wordt een enorm succes in Frankrijk en de merchandising is niet van de lucht: een kledinglijn, zeep, parfum en zelfs een ‘Claudine’-musical. Het verhaal gaat dat Villars zijn vrouw flink onder de knoet had en zelfs opsloot om haar tot schrijven te dwingen.

    n 1906 verlaat Colette Villars, en start ze een theatercarrière waar ze haar borsten ontbloot en copulatiepantomimes ten beste geeft. Ze heeft relaties met mannen en vrouwen van alle leeftijden en met name haar lesbische relatie met Marquise de Belbeuf (‘Missy’) haalt de schandaalpers. In het boek La Vagabonde (De Zwerfster) uit 1910 doet ze verslag van deze periode.

    In 1912 trouwt ze met Henri de Jouvenel des Ursins, de uitgever van de Franse krant ‘Le Matin’, en na hun scheiding kiest ze in 1935 voor de zestien jaar jongere Maurice Goudeket. Deze laatste schreef een aandoenlijk boekje over hun leven samen.

    Uit het huwelijk met Jouvenel wordt tot Colettes grote schrik een dochter geboren. Kinderen! Wat moet je daar nou mee? Ze wil niets met Colette Jouvenel, ook wel Bel-Gazou genoemd, te maken hebben. De moeder-dochterrelatie is complex en wordt prachtig neergezet in de monoloog door Josée de Ruiter.

    In de jaren twintig stijgt haar succes naar grote hoogten. Ze bevindt zich in de kringen rond de kunstenaar Jean Cocteau, met wie ze een goede vriendschap ontwikkelt, en laat zich inspireren door moderne poëzie en schilderkunst. Ze stort zich weer op het schrijven en haar boeken vliegen de winkels uit. Haar manier van schrijven is speels en lyrisch en ze weet fictie en werkelijkheid goed met elkaar te vermengen. In de novelle Het Zieke Kind laat ze hallucinaties vloeiend afwisselen met het leven van alledag. Ook haalt ze (voor die tijd) gedurfde trucs uit.

    In haar beroemdste boek Chèrie (1920) stoeit ze met stereotypen en genderrollen.
    Al haar fictie wordt bevolkt door personages die zich aan de buitenranden van de maatschappij bevinden: homoseksuelen, biseksuelen, gigolo’s, courtisanes, prostituees en artiesten. Waar ze vooral om geroemd wordt, is het feit dat ze zich goed weet te verplaatsen in het liefdesleven van vrouwen. Haar scherpe en rake karakterschetsen worden alom geprezen. Terugkerende thema’s in haar werk zijn: liefde, de natuur, seks, eten en dieren, met in het bijzonder poezen.

    Later in de twintiger jaren legt ze zich toe op autobiografisch werk en schrijft ze met een aan verheerlijking grenzende liefde over haar kinderjaren op het Franse platteland. In Het Huis van mijn Moeder (1922) en Sido (1930) staat Colettes vroegere gezinsleven centraal en schrijft ze beeldend over haar ouders, haar zus en haar twee broers, maar ook over haar innig geliefde tuin en de ronddolende dieren. Door haar rol in society-kringen, maar vooral op grond van haar prachtige romans, wordt ze in 1927 Frankrijks belangrijkste vrouwelijke auteur genoemd.

    Colette blijft maar schrijven en de lijst met romans wordt langer en langer. Mede door de veranderende tijdgeest nemen de schandalen af en is ze een auteur met aanzien. Tijdens de eerste Wereld Oorlog is ze journaliste aan het front. In 1953 wordt ze tot grootofficier benoemd in het Légion d’Honneur. Ook wint ze veel literaire prijzen en verkeert ze in dezelfde kringen als de beroemde Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein (1874 – 1946). Een aantal van haar boeken wordt omgewerkt tot toneelstuk of musical.

    Ook in Nederland heeft Colette haar sporen nagelaten. Niet alleen werden haar boeken vertaald, ze inspireerde ook haar collega en tijdgenoot Carry van Bruggen (1881 – 1932). In haar roman Eva (1927) speelt Claudine (het schoolmeisje uit de reeks van Colette) een grote rol. Niet alleen leest en citeert Eva Claudine à ménage, maar er zijn ook inhoudelijke raakvlakken te vinden. Zo onderzoeken beide protagonisten hun seksuele voorkeur en gaan ze liefdesrelaties aan met seksegenoten.

    Dat het boek Eva er is, is misschien wel dankzij Colette, en is de eerste Nederlandse roman met een biseksuele hoofdpersoon. Ook de vertelperspectieven in beide romans komen overeen: een alwetende verteller die de gedachten en gevoelens van de vrouwelijke hoofdpersonen beschrijft. De Claudine-serie is in het Nederlands vertaald, maar niet meer verkrijgbaar in de boekhandel.

    In 1950 verschijnt haar verzameld werk in vijftien banden en de laatste jaren leidt Colette een rustig leven met haar Maurice in het Parijse Palais Royal. Tussen haar en haar dochter Bel-Gazou is het gelukkig goed gekomen. In 1954 overlijdt ze op 81 jarige leeftijd en krijgt als eerste vrouw in de Franse geschiedenis een staatsbegrafenis.

    Hoe is het mooier af te sluiten dan met een fragment uit het gedicht ‘Père Lachaise, oktober’ van de Nederlandse dichteres Esther Blom. Ook in de eenentwintigste eeuw weet Colette haar vakbroeders en zusters nog steeds te inspireren.
    Ik zoek het graf van Colette
    die oud werd en mooi bleef
    en van het leven wist. Een poes loopt
    voor me uit, alsof ze er hoort.’

     

     

  • Jaap Scholten

    Jaap Frederik Scholten (Enschede, 1963) is de vierde van vijf zonen die door moeder alleen werden grootgebracht. Behalve een studie binnen het kader van een filosofie keuzevak naar de invloed van Tolstoi op Wittgenstein, wees niets op een literaire toekomst. Door pech – een onder de auto uitgevallen cardanas – in de Algerijnse woestijn, 600 kilometer ten noorden van de dichtstbijzijnde stad Insalah, ontdekte hij de magie van het geschreven woord. Na drie dagen kwam een vrachtautochauffeur langs die na één blik op Scholten concludeerde; ‘Et ça, c’est le philosophe?’

    Niet lang daarna schreef Scholten in een kloostercel nabij Barcelona het script voor Beauville, een lange korte film over een oude man die voor hij sterft zijn zoutwaterschildpadjes naar zee wil brengen. In 1995 werd het scenario in Los Angeles verfilmd door de Belgische regisseur Rudolf Mesdag met in de hoofdrollen Julien Schoenaerts en Marianne Sagebrecht. Scholten sloot zich hierop van de wereld af in de Dordtse Biesbos. Daar probeerde hij proza te schrijven, wat helaas op niets uitdraaide. Hij knapte onderwijl  een oude – uitsluitend per boot bereikbare – kooikerswoning – zonder elektriciteit of stromend water – op en werd na drie maanden horendol van het witte papier en vooral van het oeverloze gekwetter van eenden. Hij ging werken in de drukkerij van Schiphol en woonde aan de Bloemgracht waar hij ’s nachts korte verhalen in briefvorm schreef, die hij naar uitgever Thomas Rap stuurde.

    Verhalen in briefvorm

    Na enkele maanden zei Rap: ‘We gaan een boek maken.’  Dat werd Bavianehaar & Chipolatapudding (1990).
    Na veel omzwervingen, vooral door Oost-Europa, werkte Scholten vijf jaar lang full-time in reclame en uitgeverij. Onderwijl schreef hij ’s avonds en ’s nachts de roman Tachtig en het toneelstuk Caravangeluk. Na het succes van Tachtig en een lucratief aanbod van een filmmaatschappij nam hij ontslag.
    Sindsdien kwam er nog maar weinig uit zijn vingers. Het volledige schrijverschap verlamde hem of hij hield zich met andere zaken bezig.

    De laatste tijd komt daar verandering in; hij schreef een televisiefilm, Wodan! (regie Norbert ter Hall) voor de KRO in de serie ‘De zeven deugden’. Daarnaast verscheen de roman Morgenster (longlist AKO literatuurprijs). Scholten werkt momenteel aan de korte film Mercedes (regie Mark de Cloe), aan een speelfilm met de werktitel Luna (regie Jean van der Velde) en aan de novelle Als één van de honden jarig is.
    In april/mei 2001 verscheen Reisverhalen en bedevaartstochten, met daarin de herbegrafenis van de laatste tsaar in Sint Petersburg; een zoektocht naar de Hongaarse bloedgravin Erszébet Bathory; een bezoek aan Paul Bowles in Tanger kort voor diens dood; Pepín Bello en de Residencia de Estudiantes in Madrid en een bedevaartstocht naar J.D. Salinger in Cornish, New Hampshire.

    Bijzonderheden: Scholten studeerde industriële vormgeving in Delft, grafische vormgeving en reclame in Rotterdam. Hij richtte een meubelwerkplaats op, ontwierp affiches, werd tweede met de jeugdkampioenschappen Tae Kwondo, trok door de Sahara, werkte als barkeeper en als tankercleaner. Na het afronden van zijn studies werkte hij als art-director bij een groot Amerikaans reclamebureau maar werd ontslagen wegens het beledigen van de directeur. Op het moment woont hij met zijn gezin in Hongarije.

    Citaat: ‘Ik heb een voorliefde voor mensen die tegen de stroom ingaan. Ik houd van die romantiek, ben iemand van heldenverering en bedevaartsoorden.’ (HP/De Tijd, 5-1-1996)

     

    Bibliografie:
    Bavianehaar & Chipolatapudding (korte verhalen,1990 )
    Tachtig (autobiografische roman, 1996)
    Zelda – vertel me hoe te leven (novelle, 1996)
    Morgenster (roman, 2000)
    Reisavonturen en bedevaartstochten (reisverhalen, 2001)
    De wet van Spengler, (autobiografische roman, 2008)
    Heer & Meester. Berichten uit de voormalige dubbelmonarchie, (non-fictie, 2008)
    De avonturen van Jaap Scholten. Van Oldenzaal tot Ouaguadougou, verhalen 2010 (verscheen eerder als Bavianehaar & Chipolatapudding, 1990)
    Kameraad Baron. Een reis door de verdwijnende wereld van de Transsylvaanse aristocratie, (non-fictie, 2010)
    Horizon City, 2014 (familiekroniek, onder meer over zijn tante Ankie Stork)
    Suikerbastaard, 2020

    Prijzen:
    1995: Longlist AKO Literatuurprijs voor Tachtig
    2000: Longlist AKO Literatuurprijs voor Morgenster
    2009: ‘selexyz uitgelezen keuze’ voor De wet van Spengler
    2011: Shortlist Bob den Uyl-prijs voor Kameraad Baron
    2011: Libris Geschiedenis Prijs voor Kameraad Baron
    2014: Overijssels Boek van het Jaar 2014 voor Horizon City,

     

    Bron: Schrijversnet / Wikipedia

     

     

  • Jack Kerouac (1922 – 1969)

    Door Coen Peppelenbos

    De roman On the road van Jack Kerouac is voor sommige lezers een ijkpunt in hun literaire ontwikkeling. Sal Paradise en zijn aan drugs en seks verslaafde vriend Dean Moriarty rijden kris kras door Amerika. Wat het boek uitademde was een hang naar vrijheid op seksueel en intellectueel gebied. In Nederland is het boek vertaald onder de veel minder aansprekende titel Onderweg (on the road klinkt toch wat rauwer, opa en oma zijn ‘onderweg’).
    Kerouac was een schrijver die aan één onderwerp genoeg had: zichzelf. Zijn meest bekende boek, maar ook de andere boeken hebben zijn eigen leven als vertrek- en eindpunt.

    Wat de aanleiding was om juist nu een biografie(tje) uit te brengen over Kerouac is onduidelijk, maar Karel Wasch maakte een 148 bladzijden tellend boekje over een van de prominentste leden van de zogenaamde Beat Generation.
    Het beeld dat daaruit opdoemt is niet erg positief. Kerouac is zijn hele leven aan het klooien met vrouwen (trouwen, scheiden, als er een kind van komt erkent hij het kind niet), drank , drugs, religie (katholicisme, boeddhisme) en het slijten van zijn manuscripten. Pas vrij laat krijgt hij succes. Aan het eind van zijn leven wordt hij ook nog eens antisemitisch. Leuk mannetje.

    Wie het boek van Wasch leest en er achter probeert te komen waar de boeken Kerouac over gaan, komt bedrogen uit. Wasch is meer geïnteresseerd in de ontmoetingen met andere literaire grootheden, zoals Allen Ginsberg en William Burroughs.
    Er is wat raars aan de hand met dit boekje over Kerouac. Het wemelt van de slordigheden. Er worden rare gedachtesprongen gemaakt. ‘In de tussentijd werd het duidelijk dat Jacks vader leed aan ongeneeslijke maagkanker. Jack, net als Dylan Thomas de dichter uit Wales die er een gedicht aan wijdde, moest werkeloos toezien hoe zijn vader steeds meer een wrak werd.’ Een merkwaardige zin over Dylan Thomas. Begrijp ik nu goed dat Dylan Thomas een gedicht schreef over de vader van Kerouac? Het is niet het enige voorbeeld waarbij je even met de ogen knippert.

    Je vraagt je af wat Wasch bedoelt met deze zin over Jacks boezemvriend Neal: ‘Hij had een 38 pistool gekocht en had geprobeerd zich dood te laten vriezen bij de snelweg. Toen dit laatste te lang duurde bleek dat de radiator was bevroren. Thuisgekomen nam Carolyn het pistool van hem af.’ Het bevriezen lukt niet omdat de radiator bevroren was? En wat te denken van: ‘De snelheidsmeter op het dashboard begeeft het en Kerouac belandt uiteindelijk op de achterbank en stelt zich voor dat ze een ongeluk krijgen.’

    Los van de spelfouten, het ontbreken van woorden in een zin, boeken die opeens een andere spelling krijgen ( De Diamanten Soetra en De Diamanten Sutra), fout hoofdlettergebruik (na een dubbele punt komt er bij Wasch altijd een hoofdletter) en een merkwaardige zinsbouw (‘Op het adres 212 Orizaba Street huurt Kerouac een kleine dakhut waar Bill Garver, een junkievriend van Burroughs woont een etage lager.’) zijn er nog meer in het oog springende slordigheden. Zinnen sluiten niet op elkaar aan, informatie wordt niet uitgelegd. Wasch heeft het opeens over de poging van Ginsberg om het echtpaar Rosenberg te redden van de doodstraf. Niet duidelijk is wat die mededeling met Kerouac te maken heeft. Daarnaast is het de vraag of iedere lezer weet wat dat echtpaar gedaan heeft.

    Wasch citeert ook erg merkwaardig. Zo haalt hij bijvoorbeeld Johnnie van Doorn aan die over Kerouac zei: ‘King of the Beats, reizend van zijn bankstel naar de ijskast, wat een einde.’ Meer dan honderd bladzijden verder zegt Johnnie opeens: The King of the Beats, de schrijver van On the Road maakte alleen nog maar de gang van het bankstel naar de ijskast.’ Als zelfs dat citaat al niet zo betrouwbaar is, hoe zit het dan met de rest van de citaten? Het zou interessant zijn om dat uit te zoeken. Wasch heeft behoorlijk geknipt en geplakt in biografieën over Kerouac, maar nergens verwijst hij daar direct naar. Achterin staat een lijstje boeken en artikelen, maar in het boekje staat nergens waar hij een citaat heeft weggeplukt. Ook de rest van de informatie is met schaar en lijmpot in deze lor van een biografie terechtgekomen, slecht vertaald en daarom vaak zo onleesbaar.

    Een paar keer heeft Wasch zelf iemand gesproken. Dat wordt dan meteen in cursief opgetekend. Zo weet hij bijvoorbeeld Burroughs een nietszeggend zinnetje te ontlokken. Zijn eigen naspeuringen leveren niet meer dan een bladzijde eigen materiaal op. Binnen die bladzijde eigen materiaal zitten ook niet relevante opmerkingen over het leven van Wasch (‘Ook in Nederland bestond de politie uit reactionairen. Toen ik eens tegen een agent een opmerking plaatste moest ik direct mee naar het hoofdbureau.’). Voor de rest is het jatwerk. Naar de papierversnipperaar ermee.

     

  • Italo Calvino (1923-1985)

    Italo Calvino wordt geboren op 15 oktober 1923 in Santiago de Las Vegas, Cuba. Zijn beide ouders zijn op dat moment werkzaam als reizende botanisten. In 1925 verhuist het gezin  naar een landgoed in San Remo, aan de Italiaanse Riviera. Calvino brengt zijn kindertijd door tussen de tropische bomen en planten, maar raakt al snel geïnteresseerd in een ander soort vegetatie: die van het geschreven woord.

    In 1940 neemt Calvino, als gedwongen lid van de Jonge Fascisten, deel aan de Italiaanse bezetting van de Franse Riviera. Een jaar later begint hij aan zijn studie landbouwkunde aan de Universiteit van Turijn, waar zijn vader lesgaf als professor tropische agricultuur. Tijdens de Duitse bezetting in 1943 breekt hij zijn studie af en sluit zich aan bij het Italiaanse verzet om te strijden in de Ligurische Alpen als lid van de Garibaldi Brigades. Hier is het, zo schrijft Calvino later, dat hij de kunst van het vertellen leert kennen: bij de partizanen aan het kampvuur. In 1944 wordt hij lid van de Partido Comunista Italiano.

    Na de bevrijding keert Calvino terug naar Turijn. Hij besluit zijn studie landbouwkunde niet voort te zetten, maar zich te werpen op de studie literatuur. Twee jaar later studeert hij af met een verhandeling over Joseph Conrad. Hij levert bijdragen voor het weekblad Il Politecnico en de krant L’Unita en gaat al snel werken bij de uitgeverij Einaudi. Hier ontmoet hij Cesare Pavese en Elio Vittorini, twee neorealistische schrijvers die hem introduceren in de linkse politiek. De moeilijke liefdes, een bundeling korte verhalen passen in Calvino’s neorealistische periode. Ook de historicus Franco Venturi en de filosofen Norberto Bobbio en Felice Balbo gaan tot zijn vriendenkring behoren.

    In december 1946 schrijft hij, in slechts twintig dagen, zijn eerste roman, Het pad van de spinnennesten. Hierin verweeft Calvino elementen uit zijn jeugd bij de partizanen. Vanaf 1948 werkt hij mee aan het communistische weekblad Rinascita. In 1950 keert hij terug naar Einaudi en krijgt hij de verantwoordelijkheid over de literaire bijdragen in La Piccola Biblioteca Scientifica-Letteraria. Na het lezen van het werk van de Russische formalist Vladimir Propp raakt hij bijzonder geïntrigeerd door de morfologie van de volkse verhalentraditie. Tijdens de jaren 50 legt Calvino zich toe op het verzamelen van volkse vertellingen uit heel Italië. In 1956 publiceert hij zijn Italiaanse volkssprookjes.

    Die fascinatie voor het fantastische leidt in 1952 tot de publicatie van De gespleten burggraaf, het eerste deel van Calvino’s latere drieluik, Onze voorouders. In 1957 en 1959 verschijnen het tweede en derde deel, De baron in de bomen en De ridder die niet bestond. Figuren als de gespleten burggraaf Medardo van Terralba, de baron in de bomen Cosimo Piovasco van Rondò en de ridder die niet bestaat Agilulf Emus Bertrandinus van Guildivern en de Anderen van Corbentraz en Sura, ridder van Selympia Citerior en Fez, bestaan op zich als de creatie van een grootse verbeelding, maar worden door Calvino bij een terugblik op het drieluik ook geplaatst in de realiteit van de tijdsgeest. Die vermenging van het fantastische met politieke en andere werkelijkheden is tekenend voor zijn oeuvre.

    In 1957 verlaat Calvino de Communistische Partij. Hij reist veel en bezoekt onder andere Rusland, de VS en Cuba, waar hij in 1964 de Argentijnse vertaalster Esther Judith Singer trouwt. Intussen is zijn Marcovaldo verschenen, het definitieve einde van zijn neorealistische periode. In 1965 publiceert hij Kosmi Komische verhalen, waarin hij ‘de spontane vorming van beelden en de doelgerichtheid van het redenerend denken met elkaar [wil] verenigen’. De hoofdpersoon, Qfwfq, is een altijd al aanwezige levensvorm die ‘getuige [blijkt] te zijn geweest van alles wat de theorieën over het ontstaan van het heelal veronderstellen’, maar die geschiedenis niet onproblematisch vertegenwoordigt.

    Twee jaar later verhuist Calvino naar Parijs, waar hij gedurende vijftien jaar, met tussenpozen, zal blijven terugkeren. Daar leert hij de literaire kringen Tel Quel en OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle) kennen en ontmoet hij schrijvers als Raymond Queneau, Georges Perec en Jacques Roubaud. Onder invloed van de écriture à contraintes roept hij op tot een literatuur die filosofie en wetenschap ademt, maar tegelijkertijd zijn afstand bewaart en theoretische abstracties en het schijnbaar concrete van de realiteit oplost. In de eerste helft van de jaren 70 verschijnen De onzichtbare steden en Het kasteel van de kruisende levenspaden. Over dat laatste boek schrijft hij zelf: ‘een boek dat een soort machine wil zijn voor de vermenigvuldiging van verhalen op basis van figuurlijke elementen met vele mogelijke betekenissen, zoals die van een spel tarotkaarten’. De onzichtbare steden is een boek dat zich op het complexe symbool van de stad concentreert, een symbool dat de schrijver ‘de meeste mogelijkheden heeft geboden om uitdrukking te geven aan de spanning tussen geometrische rationaliteit en wirwar van het menselijk bedrijf’. Marco Polo brengt hierin, uiterst miniem maar gedetailleerd, verslag uit aan Kublai Khan van zijn reizen naar tal van wereldsteden, plaatsen die in het echt niet bestaan.

    In 1979 brengt Calvino zijn hyper-roman Als op een winternacht een reiziger… uit. Hierin tracht hij ‘de essentie van de roman als zodanig weer te geven door die te concentreren in tien beginfragmenten van mogelijke romans, die op de meest diverse manieren een gemeenschappelijke kern tot ontwikkeling brengen, en die handelen binnen een raamwerk dat hen bepaalt en door hen bepaald wordt’. Een Lezer en een Lezeres volgen intrigerende verhaallijnen en komen zo terecht in een wijdvertakte vertelling die zich uitstrekt over gekende en ongekende literaturen.

    In 1983 schrijft hij nog Palomar, ‘een soort notitieschrift over minimale kennisproblemen, over manieren om relaties met de wereld tot stand te brengen, over beloning en frustratie in het hanteren van stilte en van taal.’ Meneer Palomar concentreert zich in zijn dagelijkse bestaan op geïsoleerde verschijnselen en bestudeert ze ‘tot in de kleinste details, met een hang naar precisie die grenst aan obsessie’.

    Op 19 september 1985 sterft Italo Calvino aan een hersenbloeding. Postuum verschijnt nog zijn Zes memo’s voor het volgende millennium, een erg intelligent, beeldrijk pleidooi voor een literatuur die zijn eigen voortbestaan kan garanderen. De voor dat soort literatuur zo nodige kenmerken lichtheid, snelheid, exactheid, zichtbaarheid en veelvoudigheid (het zesde, ‘consistentheid’, heeft hij nooit kunnen afmaken) worden steeds toegelicht aan de hand van voorbeelden uit de literaire traditie (ook zijn eigen werken) en moeten de literatuur van de toekomst gaan bepalen.

    Calvino’s oeuvre is groots in zijn opzet: de vermenging van het fantastische met het politieke, wetenschappelijke en later postmodernistisch meta narratieve geeft hem terecht een prominente plaats in de wereldliteratuur.

    Bronnen
    www.emory.edu
    www.kunstbus.nl
    authologies.free.fr

    Bibliografie
    Het pad van de spinnenesten (1947, Nederlandse vertaling 1993)
    En dan komt de raaf (1949, Nederlandse vertaling 1999)
    De moeilijke liefdes (1958; Nederlandse vertaling 1989)
    Onze voorouders (1960; Nederlandse vertaling 1986)
    De gespleten burggraaf
                De baron in de bomen
                De ridder die niet bestond
    Een dag op het stembureau (1963, Nederlandse vertaling 1994)
    Marcovaldo, of De seizoenen in de stad (1963, Nederlandse vertaling 1992)
    Kosmikomische verhalen (1965; Nederlandse vertaling 1983)
    De weg naar San Giovanni (1963-1977; Nederlandse vertaling 1992)
    De onzichtbare steden (1972, Nederlandse vertaling 1981)
    Het kasteel van de kruisende levenspaden (1973, Nederlandse vertaling 1982)
    Als op een winternacht een reiziger (1979, Nederlandse vertaling 1982)
    Palomar (1983; Nederlandse vertaling 1985)
    Zes memo’s voor het volgende millennium (1988, Nederlandse vertaling 1991)
    De betoverde tuin: de mooiste verhalen (1989, Nederlandse vertaling 1998)
    Waarom zou je de klassieken lezen (1991, Nederlandse vertaling 2003)

     

     

  • Eva Gerlach en de verhuizer

    Dichters worden met van alles vergeleken: zieners, orakels, priesters, zelfs smeden en bakkers. Nooit met verhuizers. Daarvoor moet je een dichter als Eva Gerlach zijn. Ze verzon dit pseudoniem toen ze een verhuiswagen van de Firma Gerlach voorbij zag komen. Heel passend, vond ze: een dichter is immers ook een soort verhuizer – een verplaatser van betekenissen. “Je haalt iets uit de werkelijkheid en plaatst het in een ander verband.”

    Eva Gerlach werd als Margaret Dijkstra op 9 april 1948 geboren in Amsterdam. Haar vader was schrijver en scenarist van beeldverhalen. Hij verliet het gezin toen Gerlach vier was; zij werd verder opgevoed door haar moeder, een lerares Nederlands, en haar stiefvader, een geoloog. In haar vroege dichtwerk zoals Een kopstaand beeld (1983) zullen de figuren van de dominante moeder en de weinig liefdevolle vader meermalen terugkomen. Van haar vijfde tot haar achttiende woonde het gezin in Paramaribo. Terug in Nederland volgde ze verschillende studies: Spaans, culturele antropologie en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze had vele banen en bijbanen: van zweminstructeur tot magazijnhulp. Ook vertaalde ze gebruiksaanwijzingen, assisteerde ze bij het maken van catalogi en hielp ze toneelgezelschappen. Ze publiceerde vervolgens in een groot aantal tijdschriften – van Tirade tot Nieuw Wereldtijdschrift. Sinds eind jaren zeventig leeft ze van haar vertaal- en schrijfwerk. Ze woont in Amsterdam, met haar man en twee dochters.

    Gerlachs eerste gedichten verschenen in 1977 in het literaire tijdschrift Hollands Maandblad. Haar debuut, Verder geen leed, verscheen twee jaar later en kreeg meteen de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Haar belangrijkste thema’s komen in deze eerste bundel als aan de oppervlakte: verval, het verstrijken van de tijd, maar vooral ook de betekenis van begrippen als ‘waarneming’, ‘vastlegging’ en ‘vergetelheid’. “Je duwde me op tot ik vaart kreeg. Wind / sloeg bij het naar voren zwaaien in mijn ogen, / terug was het of ze werden weggezogen. / uit mijn gezicht. Beneden was ik blind.”

    Gerlachs stijl is klassiek en afgemeten, met verzen in een strak schema. Het zijn doorlopende zinnen, in een soort Nijhoff-parlando, heel ingenieus met enjambementen ingekleed, zodat het gebruik van rijm uiterst subtiel is. Haar poëzie lijkt hierin enigszins op die van Judith Herzberg.

    Wijlen J.B. Charles en enkele andere bewonderaars waren zo onder de indruk van Gerlachs gedichten dat ze een speciale prijs in het leven riepen, de J.B. Charlesprijs: een kist met flessen Italiaanse champenoise wijn die Charles (Willem Hendrik Nagel) bij Gerlach thuis liet bezorgen. Tegenstanders had Gerlach ook. Hans Warren stoorde zich aan haar anonimiteit. Hij geloofde bijvoorbeeld niet dat Gerlach een vrouw was en wist zeker dat er een man achter het pseudoniem school – zeker toen in haar volgende bundel Een kopstaand beeld (1983) jongensherinneringen (volgens Warren) voorkwamen. En inderdaad zijn in deze bundel volop herinneringen aan de jeugdjaren aanwezig – alleen wel die van Gerlach zelf. Zoals de titel van deze tweede bundel al aangeeft – een kopstaand beeld is het bekende camera obscura-effect – is fotografie een belangrijke inspiratiebron. In een artikel in Tirade zou Gerlach duidelijk maken wat de betekenis van fotografie is: niet de herinnering zelf en het vastleggen van tijd, maar het produceren van eeuwigheid. Woorden hebben die kracht niet: het zijn immers abstracties die geen zeggingskracht hebben. “Eva Gerlach heeft een toon getroffen die velen diep raakt,” schreef Peter Bekkers in De Held. “Als Donne, Quevedo en Achterberg van grote invloed op haar werk zijn, dan mogen wij die drie heren wel dankbaar zijn.”

    Stijl en thematiek veranderden vanaf de bundel Dochter uit 1984, waarin haar te vroeg geboren dochter een grote rol speelt. Deze ontboezemingen hebben wel als gevolg dat geruchten de ronde doen over de tot dan toe anonieme dichteres. Een jaar na het uitkomen voelde Gerlach zich geroepen om voor de eerste keer naar buiten te treden. In een interview met de Haagse Post legde ze uit waarom ze tot nu toe verkoos om achter een pseudoniem schuil te gaan. Niet alleen om privacy-redenen, maar ook vanwege haar literaire opvattingen, zo blijkt. “De biografie is een leugen. De literatuur is werkelijkheid.”

    In de daaropvolgende bundel, Domicilie, (1987) zal het thema van dood en leven een nog veel grotere rol krijgen. Haar stijl wordt losser: minder strakke, regelmatig gevormde verzen, meer ruimte voor onregelmatige strofen en elliptische zinnen. Poëzie wordt een plek om te wonen. “Kijk God, hier woon ik, dag en nacht / in vorm en veiligheid gebracht.” Andere teksten bieden eveneens een thuisbasis – van kinderliedjes tot gedichten. In 1988 kreeg zij voor haar hele oeuvre de A. Roland Holstpenning.

    De laatste jaren heeft Gerlach af en toe ook kinderboeken (gedichten) geschreven, zoals Hee meneer Eland (1998) en Oog in oog in oog in oog (2001), geïllustreerd door Sieb Posthuma. Over de eerstgenoemde bundel schreef Marjoleine de Vos in NRC Handelsblad: “De gedichten die ze nu voor jongeren heeft geschreven in een bundel met de misleidend kinderlijke titel Hee meneer Eland, lijken zo helder als glas. Maar ze zijn vaak veel geheimzinniger dan ze lijken.” Oog in oog in oog in oog is een bundel kinderpoëzie zonder leestekens, bestaande uit gedichten die veelal over het zoeken naar identiteit gaat. “Dat je niet weet dat je gezien kan worden / Dat je rustig als bloed in jezelf / weer gewoon klopt en meedoet met wat gebeurt / in plaats van dat het steeds zeurt in je zitten mijn spikes goed.” “Hopelijk nemen leerkrachten de tijd om deze gedichten een aantal malen aan de kinderen voor te lezen,” schreef Remco Ekkers in Poëziekrant.

    In Wat zoekraakt (1994) blijkt ook Gerlachs fascinatie voor getallen en reeksen. De bundel bevat drie reeksen van tien gedichten, samen goed voor 44 pagina’s. Dat is geen toeval: ook in Dochter zijn de getallen drie, vijf en acht oververtegenwoordigd. Wat zoekraakt gaat over verdwijnen, veranderen en doodgaan. De bundel krijgt de Jan Campertprijs. Niet iedereen is het daar mee eens. Remco Ekkers betoogt in de Leeuwarder Courant dat Gerlach te moeilijk schrijft. Trouws Tom van Deel staat aan de andere zijde: hij vindt wel dat de nieuwe vorm meer bij haar onderwerpen hoort en dat Gerlach met weinig woorden situaties kan beschrijven. “Met voortreffelijk woordgebruik geeft zij schitterende beelden weer.” En Arie van den Berg over haar in 1997 verschenen bundel Niets bestendiger (1998): “De kwaliteit van Gerlachs poëzie is verbazingwekkend constant. Dat is niet het gevolg van haar ruime inspiratiebron, maar heeft zoals bij elke goede dichter te maken met hoe ze onder woorden brengt wat haar omringt. Er wordt scherp gekeken in haar gedichten – met als paradoxale conclusie dat de wereld en het leven daarin onoverzichtelijk zijn.”

    In 2000 krijgt Gerlach de PC Hooftprijs voor haar poëzie – een kroon op haar werk. Ze kreeg onderscheiding voor haar complete oeuvre, dat inmiddels uit tien dichtbundels bestaat.

    Dit jaar schrijft Eva Gerlach de vierde Gedichtendagbundel Daar ligt het. Deze speciale bundel bevat een tiental nieuwe gedichten en is vanaf 30 januari verkrijgbaar.

    Zo

    Een hond met ijzeren ogen had mijn hand

    in zijn mond genomen. Ik wilde
    niet dat dit gebeurde maar was bang
    te scheuren als ik mij verzette. Luister
    hond, zei ik, laat me los en ik geef je
    wat je verlangt. Maar wat hij wilde was alleen
    dat ik niet verder ging en met mijn andere hand
    hem streelde. Zo. Dagen en nachten in
    zijn ogen zag wie van ons sterker scheen.

    uit: Daar ligt het (2003)

    Werk van Eva Gerlach: Een kopstaand beeld (1983); Dochter (1984); De kracht van verlamming (1988); Wat zoekraakt (1994); Alles is werkelijk hier (1997) Hee meneer Eland (1998); Niets bestendiger (1999); Voorlopig verblijf (1999); Solstitium (2000); De invulbare ruimte (2000); Oog in oog in oog in oog (2001).

    met dank aan Het Schrijversnet en Remco Volkers

     

  • Biografie Jan Arends 'Angst voor de winter' – Nico Keunings

    Op dinsdag 21 januari is het precies 29 jaar jaar geleden dat zijn tweede bundel werd gepresenteerd. En dat hij een einde aan zijn leven maakte door uit het raam van zijn flat te springen. Volgende maand verschijnt bij De Bezige Bij zijn biografie Angst voor de winter, geschreven door neerlandicus Nico Keunings.

    Jan Arends wordt op 13 februari 1925 in Den Haag geboren als vaderloos kind van Gerardina Elizabeth Arends. Van zijn achtste tot zijn dertiende zit hij op de (antroposofische) Vrije School, waar hij zich een buitenstaander voelt en wordt gepest door de andere leerlingen. Op zijn dertiende gaat hij naar een katholiek jongensinternaat in Rijswijk en vanaf zijn achttiende probeert hij in zijn onderhoud te voorzien met de meest uiteenlopende baantjes, waaronder reclame-copywriter, schoenmaker, huisknecht, hotelportier, krantenbezorger, broodbezorger en ijscoman. Terwijl het hem niet lukt een enigszins geslaagde maatschappelijke carrière op te bouwen, leest en schrijft hij als een bezetene. Het tweede deel van zijn leven brengt hij grotendeels door in psychiatrische inrichtingen.

    Arends debuteert in 1949 als schrijver in het tijdschrift Ad Interim. Zijn eerste boek, Lente/Herfst, verschijnt in 1955 als Maatstafdeeltje 14, nadat het eerder dat jaar als verhaal werd opgenomen in het juni/juli-nummer van literair tijdschrift Maatstaf. Een jaar later publiceert hij zijn eerste gedichten in Vertoning, een tijdschrift dat na zijn eerste jaar ophoudt te bestaan. In 1962 plaatst Gard Sivik één bedrijf van Arends’ nooit opgevoerde toneelstuk Smeer of De weldoener des Vaderlands en verschijnen zijn gedichten nog in Podium en Tirade, maar pas in 1965 brengt De Bezige Bij zijn debuutbundel Gedichten uit.

    Met de verhalenbundel Keefman (1972) verwerft hij nationale bekendheid. In uiterst geladen taal beschrijft hij hierin de ervaringen en gevoelens van mensen voor wie het leven tot een hel geworden is. Vooral het titelverhaal ‘Keefman’, waarin de patiënt Keefman zijn psychiater in een lange monoloog verwijtend toespreekt over de voortdurende vernedering tijdens zijn behandeling, maakt diepe indruk. Het verhaal is in 1977 verfilmd en later ook bewerkt voor televisie en toneel. Tijdens het schrijven van de meeste verhalen in Keefman is Arends geen vrij man: ‘Keefman’ en ‘Het ontbijt’ schrijft hij in het Willem Arntsz Huis in Utrecht en ‘Vrijgezel op kamers’ in de Jelgersma-kliniek in Oegstgeest. In de Nieuwe Revu van 5 mei 1973 zegt hij hierover: ‘Ik schreef het toen om de psychiater duidelijk te maken, hoe het met mij gesteld was. Maar het werd niet serieus genomen. De psychiater zou zèlf wel uitmaken, wat de beste therapie voor mij was.’

    Zijn werk speelt zich vooral af ‘in de schaduw van het gekkengesticht’, in de innerlijke belevingswereld van de psychiatrische patiënt. In zijn verhalen verzet hij zich tegen de strenge scheidslijn tussen ‘normaal’ en ‘gek’ en probeert hij de afstand te verkleinen tussen patiënt en maatschappij. Hij doet dat op een weinig orthodoxe, weinig verheven, maar bijzonder indringende manier. Ook Arends’ zeer geconcentreerde gedichten zijn nauw met zijn persoonlijke ervaringen en omstandigheden verbonden en worden beheerst door waanzin, ziekte, drank en angst.

    Op 21 januari 1974, de dag waarop zijn nieuwe gedichtenbundel Lunchpauzegedichten verschijnt, pleegt Jan Arends zelfmoord. Om acht uur ’s avonds springt hij uit het raam van zijn flat aan het Amsterdamse Roelof Hartplein. Eigenlijk is hem dan al de Multatuliprijs 1973 toegekend, maar op het moment van zijn overlijden is het juryrapport nog niet klaar. Het doel van de prijs is ‘het bevorderen van de scheppende kunst’, en omdat bij een overleden auteur de productie niet meer te stimuleren valt, ziet men van uitreiking af.

    Bibliografie:
    1955 Lente/Herfst (verhaal; Maatstafdeeltje 14)

    1965 Gedichten (poëzie)
    1972 Keefman (verhalen)
    1974 Lunchpauzegedichten (poëzie)
    1974 Ik had een strohoed en een wandelstok (verhalen)
    1975 Nagelaten gedichten (poëzie; samengesteld door Remco Campert)
    1984 Verzameld werk (verhalen en poëzie; samengesteld door Thijs Wierema en ingeleid door K. van Weringh)

    Citaat:

    Als
    iedere niksnut
    wordt geprezen
    als
    een groot dichter
    wat
    blijft er dan
    over
    voor
    een arme schooier?

    (‘Voor Remco Campert’, in: Lunchpauzegedichten, p. 51)

    Aanvullende bi(bli)ografische gegevens:
    www.ongebonden.nl/auteur/arends/mainw

    www.geocities.com/Athens/Ithaca/2249/arendsjan

    www.kunstbus.nl/verklaringen/jan+arends

     

  • K. Michel – Auteur van de week

    ‘Taalfilosofisch maar niet gortdroog; muzikaal, geestig, lyrisch, parlandistisch,’ zei Joost Zwagerman ooit over K. Michel, onze Auteur van de Week.

    K. Michel is het pseudoniem voor de op 13 augustus 1958 te Tilburg geboren Michael Maria (‘Michel’) Kuijpers. Hij studeerde aan het Sint Odulphuslyceum en daarna vanaf 1978 filosofie in Groningen en Amsterdam. Na zijn studie gaf hij samen met Arjen Duinker de literaire circulaire ‘AapNootMies’ uit. Hij debuteerde in 1989 met de gedichtenbundel Ja! Naakt als de stenen. Hij werkte mee aan de bundel Openbaringen. Zeventien jonge dichters over het cruciale gedicht (1989). In 1990 verscheen zijn uit het Spaans vertaalde keuze van gedichten van de Mexicaanse letterkundige Octavio Paz, onder de titel Het vuur van iedere dag. Michel was een van de vijf genomineerde debuterende dichters voor de C. Buddingh’-prijs 1990, (overigens gewonnen door Nachoem M. Wijnberg). In 1992 publiceerde hij de verhalenbundel Tingeling & Totus, die in 1999 door het Onafhankelijk Toneel werd bewerkt tot een toneelvoorstelling. Voor zijn tweede gedichtenbundel Boem de nacht (1994) kreeg hij de Herman Gorterprijs en zijn derde bundel Waterstudies (1999) werd bekroond met de VSB-poezieprijs en de Jan Campertprijs. Naast zijn Paz-vertalingen heeft K. Michel ook poëzie vertaald van Russell Edson en Michael Ondaatje. Hij is redacteur van het literaire tijdschrift Raster.

    Nee en ja

    Nee en ja er is altijd
    meer dan een keus
    En voor je iets doet (of laat)
    kun je altijd tot basta tellen
    Een ruzie vraagt twee meningen
    een kus vier lippen
    een lichaam vijf liter bloed
    Om regen te maken, een boom
    een huis. muziek, een droom
    zijn meerdere elementen vereist
    En in de sporen van schichtige dieren
    rond, een modderige drinkplaats
    schitteren ’s nachts ontelbare sterren
    Voor iemand die slechts denkt
    met de één (en niet de ander)
    is dat getal een hamer
    en is de hele wereld een spijker

    uit Waterstudies (1999)