• Thomas Rosenboom

    Thomas Rosenboom (Doetichem, 8 januari 1956) won als enige schrijver tweemaal de Libris Literatuurprijs. In 1999 brak Rosenboom definitief door met zijn historische roman Publieke werken. Veel lezers en critici moesten aanvankelijk wennen aan het stijlexhibitionisme van Rosenboom, maar inmiddels wordt dit door velen als zijn grote kracht beschouwd en is Thomas Rosenboom niet meer weg te denken uit de Nederlandse literatuur.

    Persoonlijk

    Op 8 januari 1956 werd Thomas Rosenboom geboren te Doetinchem. Hij studeerde drie jaar psychologie in Nijmegen en trok vervolgens naar Amsterdam om daar Nederlands te studeren. In 1983 debuteerde hij met de verhalenbundel De mensen thuis. De lijvige romans die Rosenboom schreef zijn allemaal te beschouwen als historische romans, hoewel het volgens de auteur zelf niet draait om de beschreven historische periode, maar veel meer om de historische setting. Rosenboom gebruikt de geschiedenis als decor om zijn verhaal te vertellen. Zo dient in Gewassen vlees de Verlichting en in Publieke werken de negentiende eeuw als achtergrond waartegen het verhaal wordt verteld.

    Opvallend is dat in bijna alle verhalen van Rosenboom de menselijke hybris centaal staat; zijn ‘helden’ zijn veelal personen die zich ogenschijnlijk in een situatie bevinden waarin ze vrij zijn, maar doordat ze proberen boven hun eigen kunnen uit te stijgen, graven ze hun eigen graf en gaan ten onder aan hun hoogmoed. Bovendien zijn de hoofdpersonen uit Rosenbooms werk vaak figuren die, in de ogen van anderen, belangrijk gevonden willen worden, maar daar met al hun pogingen niet in slagen.

    Thomas Rosenboom woont en werkt in Amsterdam.

    Bron: www.literairnederland.nl

    Bijzonderheden:

    • De stijl van schrijven van Rosenboom is op zijn minst exorbitant te noemen. Zijn gebeeldhouwde zinnen zijn doordrenkt van buitenissige woorden (baljuwagie, gruppen), die vaak te verklaren zijn vanuit de beschreven periode (allengs, zich animeren en bezwadderd). Rosenboom weet over het algemeen een goed evenwicht te vinden in dit gebruik van historische woorden, maar op enkele plaatsten zijn woorden te vinden die ook in die tijd zelf niet bestonden.
      Bron: www.literairnederland.nl

    Links

    www.thomasrosenboom.nl

    Werken

    • De mensen thuis (1983, verhalen)
    • Vriend van verdienste (1985, roman)
    • Gewassen vlees (1994, roman)
    • Publieke werken (1999, roman)
    • Het journaal van Bontekoe (2001, hertaling)
    • Aanvallend spel: vier lezingen over schrijven (2002)
    • De nieuwe man (2003, roman)
    • Spitzen (2004, roman)
    • Denkend aan Holland (2005, pamflet)
    • Het einde van Johan van Oldenbarnevelt (2005, hertaling)
    • Hoog aan de wind (2006, verhalen)

    Prijzen

    • 1984 Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs voor De mensen thuis
    • 1995 Libris Literatuur Prijs voor Gewassen vlees
    • 2000 Libris Literatuur Prijs voor Publieke werken

    Tekeing: Martien Bos, www.antisomber.nl

  • Eva Gerlach

    Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948) is een Nederlands dichter en vertaalster. Eva Gerlach is het pseudoniem van Margaret Dijkstra. Ze verzon dit pseudoniem toen ze een verhuiswagen van de Firma Gerlach voorbij zag komen. Heel passend, vond ze: een dichter is immers ook een soort verhuizer – een verplaatser van betekenissen. ‘Je haalt iets uit de werkelijkheid en plaatst het in een ander verband.’

    Persoonlijk
    Eva Gerlach werd als Margaret Dijkstra op 9 april 1948 geboren in Amsterdam. Haar vader was schrijver en scenarist van beeldverhalen. Hij verliet het gezin toen Gerlach vier was; zij werd verder opgevoed door haar moeder, een lerares Nederlands, en haar stiefvader, een geoloog.

    Van haar vijfde tot haar achttiende woonde het gezin in Paramaribo. Terug in Nederland volgde ze verschillende studies: Spaans, culturele antropologie en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze had vele banen en bijbanen: van zweminstructeur tot magazijnhulp. Ook vertaalde ze gebruiksaanwijzingen, assisteerde ze bij het maken van catalogi en hielp ze toneelgezelschappen.

    Gerlachs eerste gedichten verschenen in 1977 in het literaire tijdschrift Hollands Maandblad. Haar debuut, Verder geen leed, verscheen twee jaar later en kreeg meteen de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Haar belangrijkste thema’s komen in deze eerste bundel als aan de oppervlakte: verval, het verstrijken van de tijd, maar vooral ook de betekenis van begrippen als ‘waarneming’, ‘vastlegging’ en ‘vergetelheid’.

    Stijl en thematiek veranderden vanaf de bundel Dochter uit 1984, waarin haar te vroeg geboren dochter een grote rol speelt. Deze ontboezemingen hebben wel als gevolg dat geruchten de ronde doen over de tot dan toe anonieme dichteres. Een jaar na het uitkomen voelde Gerlach zich geroepen om voor de eerste keer naar buiten te treden. In een interview met de Haagse Post legde ze uit waarom ze tot nu toe verkoos om achter een pseudoniem schuil te gaan. Niet alleen om privacyredenen, maar ook vanwege haar literaire opvattingen, zo blijkt. ‘De biografie is een leugen. De literatuur is werkelijkheid.’

    In de daaropvolgende bundel, Domicilie, (1987) zal het thema van dood en leven een nog veel grotere rol krijgen. Haar stijl wordt losser: minder strakke, regelmatig gevormde verzen, meer ruimte voor onregelmatige strofen en elliptische zinnen. Andere teksten bieden eveneens een thuisbasis – van kinderliedjes tot gedichten. In 1988 kreeg zij voor haar hele oeuvre de A. Roland Holstpenning en in 2000 ontving ze de P.C. Hooft-prijs.

    Ze woont in Amsterdam, met haar man en twee dochters.

    Bron: www.literairnederland.nl

    Bijzonderheden:

    • Gerlachs stijl is klassiek en afgemeten, met verzen in een strak schema. Het zijn doorlopende zinnen, in een soort Nijhoff-parlando, heel ingenieus met enjambementen ingekleed, zodat het gebruik van rijm uiterst subtiel is. Haar poëzie lijkt hierin enigszins op die van Judith Herzberg.
    • In haar vroege dichtwerk zoals Een kopstaand beeld (1983) komen de figuren van de dominante moeder en de weinig liefdevolle vader meermalen terug.
    • J.B. Charles en enkele andere bewonderaars waren zo onder de indruk van Gerlachs gedichten dat ze een speciale prijs in het leven riepen, de J.B. Charles-prijs: een kist met flessen Italiaanse champenoise wijn die Charles (Willem Hendrik Nagel) bij Gerlach thuis liet bezorgen.
    • Gerrit Komrij nam zeven van Gerlachs gedichten op in zijn Gerrit Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten (Amsterdam 2004).
    • Het werk van Gerlach is vrijwel steeds gunstig door de kritiek onthaald.

    Links

    www.kb.nl/dichters/gerlach/gerlach-01.html
    www.arbeiderspers.nl
    www.schrijversnet.nl

    Werken

    • Verder geen leed (1979)
    • Een kopstaand beeld (1983)
    • Dochter (1984)
    • Domicilie (1987)
    • De kracht van verlamming (1988)
    • In een bocht van de zee (1990)
    • Wat zoekraakt (1994)
    • Alles is werkelijk hier (1997)
    • Hee meneer Eland (1998, jeugdpoëzie)
    • Niets bestendiger (1998)
    • Voorlopig verblijf. Gedichten 1979-1990 (1999)
    • Oog in oog in oog in oog (2001, jeugdpoëzie)
    • Een bed van mensenvlees (2003)
    • Daar ligt het (2003)
    • Losse bedrading (2003)
    • Jaagpad (2003)
    • Situaties (2006)

    Prijzen

    • 1981 Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs voor Verder geen leed
    • 1981 J.B. Charles-prijs voor Verder geen leed
    • 1988 A. Roland Holst-penning voor haar gehele oeuvre
    • 1995 Jan Campert-prijs voor Wat zoekraakt
    • 1999 Nienke van Hichtumprijs voor Hee meneer Eland
    • 1999 Zilveren Griffel voor Hee meneer Eland
    • 2000 P.C. Hooftprijs voor haar gehele oeuvre
    • 2004 Gedichtendagprijzen voor ‘Solve et coagula’ uit de bundel Een bed van mensenvlees
      Bron: www.literairprijzen.nl

    Tekening: Martien Bos, www.antisomber.nl

  • Biografie J.M.A. Biesheuvel

    Jacobus Martinus Arend Biesheuvel (Schiedam, 23 mei 1939) ontving in 2007 de P.C. Hooft-prijs voor zijn volledige oeuvre. Volgens het juryrapport heeft de schrijver J.M.A. Biesheuvel ‘met zijn verhalen, die het autobiografische en het fantastische op een zo wonderbaarlijke manier met elkaar vermengen, (…) een unieke en onverwisselbare bijdrage geleverd aan de Nederlandse literatuur.’

    Maarten Biesheuvel werd geboren in Schiedam en heeft vier broers en zussen. Zijn vader was archivaris op een scheepswerf Wilton Feyenoord. In 1956 werd Biesheuvel van het lyceum afgestuurd wegens eigenzinnig gedrag. Hij ging varen als ketelbink en volgde het avondgymnasium. Hij zakte echter voor zijn staatsexamen, in 1958 maakte hij uiteindelijk het laatste jaar van zijn gymnasiumopleiding af.
    Na zijn militaire dienst ging Biesheuvel rechten studeren. Hij volgde samen met Maarten ’t Hart colleges bij Karel van het Reve, die in Leiden hoogleraar Slavische Letterkunde was. Naar eigen zeggen dacht Maarten Biesheuvel ‘in een krankzinnige gereformeerde waan’ dat Karel van het Reve God was, mede doordat hij zo erudiet was en dat als volstrekt vanzelfsprekend beschouwde.

    Godsdienst en psychische crisis

    Tot zijn eenentwintigste leefde Biesheuvel in ‘een roes’ van godsdienst. Toen hij in 1958 Eva Gütlich, met wie hij in 1979 trouwde, leerde kennen viel die ‘roes’ weg. Zij was niet-gelovig en liet Biesheuvel zien dat ze niet slechter was dan christenen die hij kende. Biesheuvel kwam in een ernstige psychische crisis en van februari tot juni 1966 zat hij in de psychiatrische inrichting Endegeest in Oegstgeest. Na zijn ontslag verhuisde hij naar Leiden.

    In zijn studietijd publiceerde hij in het Leids Universiteitsblad en voor het verenigingsblad van studentenvereniging Catena. In 1972 debuteerde hij met de verhalenbundel In de bovenkooi en vestigde hiermee direct zijn naam. Hij werkte tien jaar aan de bundel, waarin alle thema’s zijn aan te treffen die zijn oeuvre domineren: de zee, God, krankzinnigheid, angst en eenzaamheid.

    In de jaren zeventig en tachtig publiceert Biesheuvel ongeveer iedere twee jaar een bundel, maar in de jaren negentig valt zijn productie stil, mede door zijn manisch-depressiviteit en veelvuldige opnamen in inrichtingen.

    Biesheuvel heeft zich nooit sterk in de media of de literaire wereld geprofileerd, naar eigen zeggen is hij een ‘romantische randfiguur, die helemaal niet hoort in het middelpunt van de literaire aandacht.’ Desalniettemin wordt zijn werk zeer gewaardeerd, zowel door critici als een breed lezerspubliek.

    Maarten Biesheuvel woonde met Eva Gütlich in Leiden, in een houten huis genaamd Sunny Home.

     

    Bijzonderheden

    • J.M.A. Biesheuvel publiceerde ook onder de namen Emmy van Overeem, God en D. Blijn.
    • De hoofdfiguren van Biesheuvel zijn nadrukkelijk underdogs en terugkerende thema’s: zijn (gereformeerde) jeugd, de rol van zijn vrouw Eva in zijn leven, psychiatrische inrichtingen en het idee om Jezus te zijn. Naast verhalen met een hoog werkelijkheidsgehalte schreef hij kolderieke, surrealistische vertellingen.
    • Biesheuvel maakt veel gebruik van een associatieve verteltechniek, vol ironie, wrange humor en een sterke verbeeldingskracht.
    • Biesheuvel is de neef van de protestants-christelijke schrijfster Jacoba Vreugdenhil.
    • Tot zijn zestiende werd hij Martie genoemd.

     

    Werken

    • In de bovenkooi (1972)
    • Verhalen van J.M.A. Biesheuvel (1973)
    • Slechte mensen (1973)
    • Opstapper (1973)
    • Tussen dieren, tussen mensen (1974)
    • Vijf korte verhalen (1974)
    • Het is ook fout dat ik me zo vaak… (1975)
    • Het nut van de wereld (1975)
    • Gedichten [roofdruk] (1976)
    • De Weg naar het Licht (1977)
    • De Verpletterende Werkelijkheid (1978)
    • Een dag uit het leven van David W. (1978)
    • De verpletterende werkelijkheid (1979)
    • De merel (1980)
    • Een gelukkige oude dag (1980)
    • Duizend vlinders (1981)
    • Wilde zwanen (1981)
    • Hoe de dieren in de hemel kwamen (1982)
    • Brommer op zee (1982)
    • De bruid (1982)
    • De zoon (1982)
    • Mijn vrouw (1983)
    • Heren E (1983)
    • Tussen mensen tussen dieren (1983)
    • De steen der wijzen (1983)
    • Reis door mijn kamer (1983)
    • De wereld moet beter worden (1984)
    • Reis door mijn kamer (1984)
    • Sigaar (1984)
    • Zeeverhalen (1985)
    • Godencirkel (1985)
    • De klacht van de dorpsschoolmeester (1985)
    • Eert uw vader en uw moeder (1985)
    • Avonturen van Joachim Müller (1986)
    • Godencirkel (1986)
    • Ons onvervreemdbaar erfdeel (1986)
    • Nachtelijk gesprek (1987)
    • In het land der grijze dalen (1987)
    • De angstkunstenaar (1987)
    • Een overtollig mens (1988)
    • Biesboek (1988)
    • Storm op zee (1988)
    • Konijn (1988)
    • Vader en dochter (1988)
    • Vijftig verhalen (1989)
    • Epigrammen (1989)
    • Carpe diem (1989)
    • Kreet uit een kelderwoning (1989)
    • Een overtollig mens (1990)
    • Onrust (1992)
    • Ere-admiraal Wyntham Cremer (1993)
    • Giuliano (1994)
    • Van de man die zelf een wolk was (1994)
    • Biesheuvel over Elsschot… (1994, roofdruk)
    • Kind/Het wonder (1994)
    • Angst (1996)
    • Oude geschiedenis van Pa (2001)
    • Zes novellen (2001)
    • Motje tegen gloeiend lampepeertje (2001)
    • God zelf (2002, roofruk)
    • Oude geschiedenis van Pa (2002)
    • Eva’s keus (2003)
    • Brieven aan Bert Poll (2003)
    • Raadgeving in het holst van de nacht (2004)
    • De wethouder (2005, roofdruk)
    • Een sterfgeval (2007)
    • De angstkunstenaar (2007)
    • Blozen (2007)
    • Kerstverhaal (2007)
    • Verzameld werk (2008)
      Bron: www.jmabiesheuvel.nl

    Prijzen

    • 1972 Alice van Nahuys-prijs voor In de bovenkooi.
    • 1985: F. Bordewijk-prijs voor Reis door mijn kamer.
    • 1986: Erepenning van de stad Leiden.
    • 2007 P.C. Hooft-prijs voor gehele oeuvre.

    Benoemingen

    • 2008 Officier in de Orde van Oranje-Nassau

     

     

     

  • David Van Reybrouck

    David van Reybrouck (Brugge, 1971) is cultuurhistoricus, archeoloog en schrijver. Hij is tevens verbonden aan dagblad De Morgen, waarvoor hij essays, reportages en kritieken schrijf.

    Persoonlijk

    David Van Reybrouck werd in 1971 geboren in Brugge en studeerde archeologie en filosofie in Leuven. Hij behaalde een masters in Cambridge en promoveerde in Leiden.

    Hij woonde en werkte een tijdlang in Barcelona en Parijs. In 1999 en 2000 was hij wetenschappelijk coördinator van AREA (Archives of European Archaeology), een Europees onderzoeksnetwerk voor de geschiedenis van de archeologie.

    Hij was tevens enkele jaren als cultuurhistoricus verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven. Daar deed hij onderzoek naar de geschiedenis van de Belgische archeologie en naar de geschiedenis en de architectuur van West-Europese dierentuinen.

    De naam David Van Reybrouck is in de literaire wereld al gevestigd voordat hij een roman of dichtbundel uitgegeven heeft. Zijn eerste boek, De Plaag. Het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika verschijnt in 2001, en wordt bekroond met de Vlaamse Debuutprijs. Dit boek is onder de non-fictie te scharen, het soort meeslepend geschreven reportages waarin ook een schrijver als Frank Westerman excelleert. Voor de toneelbewerking met onder anderen Josse De Pauw, onder de titel Die Siel van die Mier ontvangt hij in 2004 de Taalunie Toneelschrijfprijs.

    Eind 2006 is Van Reybrouck writer in residence in Amsterdam. (http://www.writerinresidence.nl ) Kort erna verschijnt zijn eerste roman, Slagschaduw.

    Later dat jaar verscheen ook Waar België voor staat, een pleidooi voor een sereen en solidair debat over de toekomst van België. Aan het eind van datzelfde jaar ging zijn theatermonoloog Missie in première in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel. De monoloog kwam tot stand uit gesprekken die Van Reybrouck had met oude missionarissen in Congo en werd bekroond met de Arkprijs van het Vrije Woord voor.

    Bron: www.literairnedeland.nl

    Bijzonderheden

    • Van Reybrouck schrijft ook gedichten, enkele daarvan werden opgenomen in het eerste nummer van Het liegend konijn uit 2003, het poëzietijdschrift van Jozef Deleu.
    • Patrick Bassant, criticus van Literair Nederland over Slagschaduw: ‘Van Reybrouck is gedebuteerd met een roman die zo geraffineerd met thema’s en motieven omgaat dat je pas als je het boek hebt uitgelezen, merkt hoe goed alles past.’

    Werken

    • De Plaag. Het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika (non-fictie, 2001)
    • Slagschaduw (roman, 2007)

    Prijzen

    • 2002 Vlaamse debuutprijs voor De plaag
    • 2004 Taalunie Toneelschrijfprijs voor Die Siel van die Mier
    • 2004 Literatuurprijs voor ongepubliceerd kort proza van de Provincie West-Vlaanderen voor de radiocolumns die hij voor Radio 1 Heldenmoed maakte.
    • 2008 Arkprijs van het Vrije Woord voor Missie
  • Frank Martinus Arion

    Frank Martinus Arion (pseudoniem voor Frank Efraim Martinus, Curaçao, 17 december 1936) is een Antilliaanse schrijver, dichter en taalwetenschapper. Arion was oprichter en redacteur van het progressieve Antilliaanse tijdschrift Ruku (1969-1970). Hij brak bij een breed publiek door met de roman Dubbelspel

    (1973). In 2008 werd deze roman als eerste boek in de jaarlijkse campagne Nederland Leest in 575.000 exemplaren weggegeven bij Nederlandse bibliotheken.

    Persoonlijk

    Arion werd geboren op Curaçao en verloor op jonge leeftijd zijn ouders. Hij groeide op bij zijn stiefmoeder die alleen het Papiamento beheerste. In 1953 kwam Arion naar Nederland en studeerde hij Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden. In 1971 werd hij wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam.

    Op 17 december 1996, de dag van zijn zestigste verjaardag, promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op The Kiss of a Slave. Papiamentu’s West-African Connections. Het gaat over het ontstaan van zijn moedertaal en hij heeft er, door zijn spagaat tussen taalkunde en letterkunde vele jaren aan gewerkt.

    Hij debuteerde in 1957 met de dichtbundel Stemmen uit Afrika, maar kreeg vooral bekendheid door zijn romandebuut Dubbelspel (1973), een boek waarmee hij literatuurgeschiedenis schreef. Een naar het zich laat aanzien vredig spelletje domino haalt het slechtste in de mens boven. Dubbelspel is een roman die de lezer de ogen opent voor het hele register van bedriegerijen, schijnheiligheid en verbogen vijandschap, dat schuilgaat achter elk beminnelijk lijkend sociaal verkeer. Keerzijde van de medaille is dat Arion volgens velen niet meer in staat is gebleken zijn eigen roman Dubbelspel in ander werk te evenaren.

    Na Dubbelspel volgden de romans Afscheid van de koningin (1975) en Nobele wilden (1979). In de eerste twee romans behandelt hij de koloniale verhoudingen tussen Nederland en de Antillen. In Nobele wilden staat de koloniale situatie op de Franse Antillen, de Caraïbische eilanden Martinique en Guadeloupe, centraal. In een samenspel tussen verbeelding en werkelijkheidsbeschrijving tracht Arion gestalte te geven aan de emancipatie van de inheemse bevolking, in het bijzonder van die van de vrouwen in de beschreven gebieden. Dit engagement betekent overigens niet dat Arion de vormgeving niet belangrijk vindt. Hij maakt bewust gebruik van traditionele verteltechnieken om de lezer niet af te schrikken en hem zo binnen te voeren in zijn sociaal-kritische benadering van de wereld die hij beschrijft. Daarbij functioneren zijn romanfiguren als representanten van een bepaalde (sociale) groep.

    Bron: www.literairnederland.nl

    Bijzonderheden

    • Frank Martinus Arion stond op de longlist van het KRO-programma De Grootste Nederlander aller tijden.
    • Arion schonk het prijzengeld van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, destijds (1974) duizend gulden, aan de antiapartheidsbeweging Nederland en aan de Boycot-Outspanactie.

    Werken

    • Stemmen uit Afrika (1957, gedichten)
    • Bibliografie van het Papiamentu (1972)
    • Openingsrede bij expositie José Maria Capricorne (1972)
    • Shrini’s tour d’amour. Inleiding op Shrinivasi (1972)
    • Dubbelspel (1973)
    • Sisyphiliaans alpinisme tegen miten (1974)
    • Afscheid van de koningin (1975)
    • Albert Helman, de eenzame jager (1977)
    • Nobele wilden (1979)
    • Marein Lopap 2 o malesa di semi-lingualismo (1983)
    • De overwinning van de Yaya (1984, filmscript)
    • The emancipation of Papiamentu (1987)
    • Bon hulandes: Manual pa metodo di Hulandes komo idioma stranjo (1988)
    • Kara: un partido politiko desidido (1989)
    • Un yu’i korsou di tur bario (1990)
    • De ibismensmuis (1993)
    • De laatste vrijheid (1995)
    • The Kiss of a Slave. Papiamentu’s West-African Connections (1996, proefschrift)
    • De eeuwige hond (2001)
    • Eén ding is droevig (2005)
    • De deserteurs (2006)
    • Drie romans (2006, bevat: Afscheid van de koningin; Nobele wilden; De laatste vrijheid)Bron: www.schrijversinfo.nl

    Prijzen

    • 1975 Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1974 voor Dubbelspel.
    • 2001 Cola Debrot-prijs voor De laatste vrijheid.
  • Hafid Bouazza

    Hafid Bouazza (Oujda, Marokko, 8 maart 1970) is een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de zogeheten ‘migrantenliteratuur’ en pleitbezorger van de klassieke Arabische poëzie in Nederland. Bouazza staat bekend om zijn buitensporige drugs- en drankgebruik. In 2005 kondigde hij in Elsevier aan te stoppen met het drinken van absint: ‘De groene fee is uit me gevaren. Ik ben tot de bodem gegaan. Absint is erg heftig. Ik wil de controle terug.’

    Persoonlijk

    Hafid Bouazza is geboren in Marokko, in een dorp dicht bij de Algerijnse grens. Als hij een jaar oud is, vertrekt zijn vader naar Nederland om in een staalfabriek te werken. Zes jaar later volt de rest van het gezin ?moeder, Hafid en zes broers en zussen. De familie is het eerste Marokkaanse gezin in het dorpje Arkel, bij Gorinchem.

    In 1988 gaat Hafid Bouazza Arabische taal- en letterkunde studeren in Amsterdam. Na zijn studie werkt hij enige tijd als vertaler en docent. In 1996 debuteert hij met De voeten van Abdullah, waarin herinneringen aan een kindertijd in een strenge Marokkaanse gemeenschap, vol sprookjesachtige wonderen en seksuele belevenissen worden opgehaald. De roman domineert maanden de toptienlijsten en wordt bekroond met de E. du Perron-prijs, een jaarlijkse bekroning voor mensen of instellingen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de bevordering van wederzijds begrip en een goede verstandhouding tussen de in Nederland woonachtige bevolkingsgroepen.

    Daarna volgden de romans Momo en Salomon, het boekenweekgeschenk Een beer in bontjas en verschillende toneelbewerkingen. In 2001 trekt Bouazza in fel van leer tegen de naïeve houding van Nederlanders ten opzichte van de islam.

    In 2005 verscheen het eerste deel van Bouazza’s Arabische bibliotheek, een reeks waarin Hafid Bouazza klassieke Arabische literatuur in hedendaagse vertalingen toegankelijk maakt voor een breed publiek in hedendaagse vertalingen.

    Hafid Bouazza woont in Amsterdam en heeft twee kinderen.

    Bijzonderheden:

    • De barokke, bloemrijke stijl van Hafid Bouzza is doorspekt met archaïsche, oud-Hollandse woorden.
    • Het werk van Bouazza is zowel geïnspireerd op de sprookjes van Duizend-en-een-nacht als op het werk van Nederlandse negentiende-eeuwse auteurs als Frederik van Eeden.
    • Een door Bouazza veel gebruikte metafoor is dat zijn geest als een huis is dat tot zijn achttiende is ingericht door anderen. Naar eigen zeggen hebben lsd en alcohol hem geholpen om dat huis volledig leeg te halen en opnieuw te vullen met zelfgekozen meubels.
    • De zus van Hafid Bouazza, Hassnae (1973), werd bij een breed publiek bekend door haar optredens in verschillende VPRO-programma’s en als columniste voor Vrij Nederland.
    • In Knack (31-10-2003) zegt Bouazza over migranten: ‘(…) identiteit is geen vaststaand gegeven, maar een vloeibaar iets. Migranten zitten wat mij betreft in een luxepositie: migratie is het beste wat iemand kan overkomen. Je stapt uit de bron van je moederland en je wordt afgedroogd, bij wijze van spreken, in een ander land. Waar kun je beter wonen dan in je eigen geest? Er gaat niets boven thuisloosheid.’

    Links:

    In 2005 maakte Pieter Verhoeff voor de VPRO een persoonlijke documentaire over Hafid Bouazza, terug te zien op www.vpro.nl/programma/ram/afleveringen/24069439/

    Werken

    • De voeten van Abdullah (1996)
    • Momo (1998, novelle)
    • Apollien (1998, toneel)
    • Schoon in elk oog is wat het bemint (2000, klassieke Arabische liefdesgedichten, bloemlezing)
    • Een beer in bontjas: autobiografische beschouwingen (2001, Boekenweekessay)
    • De slachting in Parijs (2001, toneel)
    • Salomon (2001, roman)
    • Rond voor rond of als een pikhouweel (2002, essay)
    • Othello (2003, toneel)
    • Het monster met de twee ruggen : een kameropera (2003, libretto)
    • Paravion (2003, roman)
    • Een beer in bontjas (2004, herziene, uitgebreide versie)
    • Het temmen van een feeks (2005, toneel)
    • Schoon in elk oog is wat het bemint (2005, bloemlezing Arabische liefdesgedichten)
    • De zon kussen op dit nachtuur (2006, bloemlezing van gedichten van Abdullah ibn al-Mu’tazz)
    • De vierde gongslag (met CD) (2006, Bundel literaire essays over opera’s)
    • Om wat er nog komen moet : pornografica (2006, bloemlezing erotische Arabische poëzie)

     Prijzen

    • 1996 E. du Perronprijs voor De voeten van Abdullah
    • 2003 Amsterdamprijs voor de kunsten voor gehele oeuvre
    • 2004 De Gouden Uil voor Paravion
      Bron: www.literaireprijzen.nl
    Tekening Martien Bos, www.antisomber.nl
  • Dimitri Verhulst (1972)

    Dimitri Verhulst (Aalst, 1972) is een geëngageerd auteur van verhalen, poëzie, romans, columns en andere publicaties en zegt daar zelf over: ‘Ik heb het tegendeel van een writer’s block.’

    Als ongewenst kind in een gewelddadig gezin, wordt hij op 12 jarige leeftijd door zijn moeder het huis uit gezet. In Humo (2006) beschrijft hij het leven bij hem thuis: Er werd ongelofelijk veel gevochten thuis, de pinten vlogen door de woonkamer, er hing altijd agressie in de lucht (…) wij waren de losers, het crapuul, de messenvechters.

    Hij ontvlucht zijn familie en komt terecht bij een pleeggezin, maar gaat ook daar weer weg en belandt in een gezinsvervangend tehuis, maar wil zo snel mogelijk op eigen benen staan en werkt onder andere als pizzabezorger, toeristische gids op plezierbootjes, ‘duivenstrontschraper’ op kerken en animator (of ‘animatras’, op z’n Verhulst’s) in Mallorca.

    Zijn eigenlijke debuut Assevrijdag (1994), was een eigen uitgave en enkel bedoeld voor vrienden en bekenden. Met De kamer hiernaast (1999) debuteerde hij officieel als schrijver. De verhalenbundel werd genomineerd voor de NRC Literatuur Prijs. Hij publiceerde veelvuldig in verschillende literaire tijdschriften, waaronder Nieuw Wereldtijdschrift, De Brakke Hond en het tijdschrift Underground, waarvan hij redacteur is.

    In 2003 laat Dimitri Verhulst zich voor het Vlaamse tijdschrift Deus ex Machina enkele dagen opsluiten in het asielcentrum van Arendonk. Hij schrijft er een reportage over, maar verwerkt zijn ervaringen ook in de roman Problemski hotel.

    Met De helaasheid der dinggen (2006) – een genadeloze en hilarische afrekening met zijn jeugd – breekt Verhulst door naar een breed publiek.

    In 2008 stuntten zijn uitgever Contact en het weekblad Humo met de uitgave van zijn nieuwe roman Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Het boek – met een oplage van 320.000 exemplaren – werd gratis geleverd als bijlage bij Humo (€ 2,30); een nooit eerder geziene promocampagne voor een Vlaams literair werk.

    In 2009 wint hij de Libris Literatuur Prijs voor zijn roman Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Waarmee hij de eerste Vlaamse schrijver is, sinds Hugo Claus de prestigieuze literatuurprijs won in 1997.

    Verhulst is zeer controversieel in zijn werk waardoor  hij twee keer voor de rechtbank wordt gedaagd. De eerste keer door zijn moeder, die hij in De kamer hiernaast portretteerde als een zeer grof en enorm dikke vrouw. De tweede keer na het verschijnen van het toneelstuk Aalst, waarin het verhaal van een ouderpaar dat hun twee kinderen vermoordde centraal staat. De veroordeelde ouders vinden dat Verhulst te ver is gegaan in zijn zin voor realisme.

    Verhulst grote voorbeeld is Louis Paul Boon. Net als zijn stadsgenoot toont Verhulst zich sterk maatschappelijk betrokken. Zo schrijft hij onder andere geëngageerde columns voor De Morgen.

     

    Bibliografie:

    Assevrijdag, 1992, verhalen
    De kamer hiernaast, 1999, verhalen
    Niets, niemand en redelijk stil, 2001, roman
    Liefde, tenzij anders vermeld, 2001, gedichten
    De verveling van de keeper, 2002, roman
    Problemski Hotel, 2003, roman
    Dinsdagland. Schetsen van België, 2004, reisverhalen
    De aankomst in de bleke morgen op dat bleke plein (Aalst), Victoria & Sintjoris, 2005, toneel
    De helaasheid der dingen, 2006, roman
    Mevrouw Verona daalt de heuvel af, 2006, roman
    Godverdomse dagen op een godverdomse bol, 2008, roman
    De laatste liefde van mijn moeder, 2010, roman
    De zeven laatste zinnen, 2010
    Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten, 2011
    De intrede van Christus in Brussel, 2011
    De laatkomer, 2013, roman
    Kaddisj voor een kut, 2014, roman
    De zomer hou je ook niet tegen, 2015, novelle, tevens boekenweekgeschenk
    Bloedboek, 2015
    Het leven gezien van beneden, 2016
    Spoo Pee Doo, 2016


    Gelauwerd met de volgende prijzen:

    • 2007 – Publieksprijs Gouden Uil voor De helaasheid der dingen
    • 2007 – Humo’s Gouden Bladwijzer voor De helaasheid der dingen
    • 2008 – De Inktaap voor De helaasheid der dingen, literaire jongerenprijs Vlaanderen, Nederland en Suriname
    • 2009 – Beste Boek 2008 Humo’s Pop Poll voor Godverdomse dagen op een godverdomse bol
    • 2009 – De Libris Literatuur Prijs voor Godverdomse dagen op een godverdomse bol
    • 2014 – Beste Boek 2013 Humo’s Pop Poll voor De laatkomer

     

    Bron: Wikipedia en Atlas/Contact

     

     

  • Connie Palmen

    Aldegonda Petronella Huberta Maria (Connie) Palmen (Sint Odiliënberg, 25 november 1955) vestigde in 1991 in één keer haar naam met de debuutroman en bestseller De wetten. In haar werk zoekt ze de grenzen op tussen feit en fictie, een methode waarvoor ze wordt bewonderd én verguist. Palmen: ‘Tussen de waarheid en het schrijven botert het niet.’

    Persoonlijk

    Connie Palmen wordt in 1955 geboren in Sint Odiliënberg, vlakbij Roermond. Na de lagere school gaat ze naar de mavo, maar haar schoolprestaties blijven achter. Haar leraar Nederlands, waar ze zich erg aan optrekt, ontdekt echter dat dit niet komt doordat ze slecht kan leren, maar uit verveling: haar IQ blijkt uitzonderlijk hoog. Deze periode vormt het uitgangspunt voor haar latere roman De vriendschap (1995).

    Na de mavo gaat ze naar de Pedagogische Academie in Roermond, waar ze tegelijkertijd haar havo diploma kan halen. In 1978 vertrekt Palmen naar Amsterdam om Nederlands en filosofie te gaan studeren. In 1986 studeert ze cum laude af in Nederlands met een scriptie over Cees Nooteboom. Twee jaar later rondt ze haar studie filosofie af met de scriptie Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates, later in aangepaste vorm gepubliceerd.

    In 1991 verschijnt haar debuutroman De wetten. De media hebben veel aandacht voor de jonge schrijfster en de vele publieke optredens maken van Palmen in een keer een Bekende Nederlander. Tijdens een interview voor het VPRO-programma een Een uur Ischa, ontmoet Palmen Ischa Meijer, met wie ze een onstuimige liefdesrelatie krijgt.

    Als in 1995, vlak voor het verschijnen van haar tweede roman De vriendschap, Ischa Meijer overlijdt, worden alle promotiecampagnes rondom het boek en de schrijfster afgeblazen, maar desalniettemin is het boek een instant bestseller en wordt bekroond met de AKO-literatuurprijs.

    De dood van Ischa Meijer en het rouwproces van Palmen, wordt uitvoerig beschreven in de roman I.M. (1998). De roman wordt wisselend ontvangen, veel critici zijn niet gecharmeerd van de manier waarop Palmen de werkelijkheid gebruikt in haar roman. Een jaar later verschijnt in Vrij Nederland een artikel waarin Connie Palmen zich verklaart en ingaat op het gebruik van de werkelijkheid in fictie.

    In 2007 zorgt de roman Lucifer voor een gelijksoortige ‘rel’. Palmen gebruikt in deze sleutelroman het leven van componist Peter Schat en de mysterieuze dood van zijn echtgenote Marina Schapers om de grenzen tussen feit en fictie op te zoeken. De critici (en de vele personen uit het intellectuele Amsterdams milieu die herkenbaar in de roman voorkomen) zijn verdeeld, maar Palmen is verzekerd van veel media-aandacht en heeft inmiddels een trouwe lezerskring opgebouwd en de roman verkoopt zeer goed.

    Connie Palmen woont in Amsterdam samen met oud-politicus Hans van Mierlo.

    Bijzonderheden

    • I.M. werd in het Duits vertaald als I.M. Ischa Meijer. In Margine. In Memoriam.
    • Een terugkerend thema in het werk van Connie Palmen is verslaving. Zelf is ze ook bekend om haar drink- en rookgedrag. Het drinken heeft ze inmiddels opgegeven (wat breed werd uitgemeten in de media) maar de Marlboro Lights niet. ‘Een verslaving is een vriendschap zonder vriend’ en ‘verslaving geeft heroïek aan de eenzaamheid’ zijn bekende uitspraken van La Palmen, zoals ze door critici ook wel wordt genoemd.
    • In de Parool-column De Dikke Man van Ischa Meijer werd Palmen opgevoerd als Het Filosoofje.
    • Op 12 maart 2008 zendt de KRO een profiel uit van Connie Palmen, waarin onder andere haar oud-leraar Nederlands, die uitvoerig en opzienbarend voorkomt in De vriendschap, aan het woord komt over wat werkelijkheid is en wat fictie. De uitzending én de reactie van Connie Palmen zijn te zien op profiel.kro.nl/uitzendingen/2008/0312_connie_palmen/intro.aspx
    • In 2005 presenteerde Palmen het befaamde VPRO-programma Zomergasten.

    Links

    www.conniepalmen.nl

    Werken

    • De wetten (1991)
    • Het weerzinwekkende leven van de oude filosoof socrates (1992, proefschrift)
    • De vriendschap (1995)
    • Home (1997)
    • I.M. (1998)
    • De erfenis (boekenweekgeschenk 1999)
    • De interviewer (50 interviews door Ischa Meijer, bijeengebracht door Connie Palmen en Rob Grootendorst) (1999)
    • Echt contact is niet de bedoeling. Lezingen en beschouwingen (2000)
    • Geheel de uwe (2002)
    • Iets wat niet bloeden kan (2004)
    • Een kleine filosofie van de moord (2004)
    • God en vitriool. Interviews met Connie Palmen (2005)
    • Als een weke krijger. Verspreid werk (2005)
    • Lucifer (2007)
    • Jij bent de absolute harmonie (laudatie bij de tachtigste verjaardag van Harry Mulisch) (2007)

    Prijzen

    • 1991 European Novel of the year voor De wetten.
    • 1992 Het Gouden Ezelsoor voor De wetten.
    • 1995 AKO-literatuurprijs voor De vriendschap.
    • 1996 Trouw publieksprijs voor De vriendschap.
    • 1996 De Gouden Bladwijzer van Humo voor De vriendschap.

  • Willem Jan Otten

    Willem Jan Otten (Amsterdam, 4 oktober 1951) heeft een veelzijdig oeuvre van poëzie, verhalend proza, toneel, kritieken, artikelen, beschouwingen en essays op zijn naam staan. Hij brak bij een breed publiek door met zijn roman Specht en zoon (2000.)

    Persoonlijk

    Willem Jan Otten wordt in 1951 in Amsterdam geboren. Hij debuteert in 1973 als dichter met de bundel Een zwaluw vol zaagsel. Door de jaren heeft Otten een veelzijdig oeuvre opgebouwd. Zo schrijft hij jarenlang artikelen en beschouwingen, die in verschillende tijdschriften verschijnen. Van 1989 tot 1996 is hij redacteur van het literaire tijdschrift Tirade. Hij schrijft tevens een tijdlang als toneel- en muziekkritieken voor Vrij Nederland.

    Na zijn bundel Paviljoenen (1991) verschijnen binnen enkele jaren een essaybundel, twee romans en twee toneelstukken.

    In 2004 verschijnt Specht en zoon. De roman wordt goed onthaalt in de pers en wordt bekroond met de Libris Literatuurprijs 2005 en met de Inktaap 2006, een prijs die wordt toegekend door scholieren uit Nederland en België. Specht en zoon is verkocht aan Italië, Frankrijk, Duitsland en Zweden.

    Willem Jan Otten is getrouwd met schrijfster Vonne van der Meer.
    Bron: www.vanoorschot.nl

    Bijzonderheden

    • Door de verschijning van de roman Ons mankeert niets raakt Otten betrokken in de discussie over het euthanasievraagstuk. Hij schrijft een bijdrage voor de bundel Als de dood voor het leven.
    • Otten bekeert zich tot het katholieke geloof en in 1999 publiceert hij naar aanleiding hiervan Het wonder van de losse olifanten, een rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie.

    Links

    www.vanoorschot.nl

    Werken

    • Een zwaluw vol zaagsel (1973, poëzie)
    • Het keurslijf (1974, poëzie)
    • De eend. Een epyllion (1975, poëzie)
    • Het ruim (1976, poëzie)
    • Henry II (1978, toneelstuk)
    • Ik zoek het hier (1980, poëzie)
    • Een sneeuw (1983, toneelstuk)
    • Een man van horen zeggen (1984, roman)
    • Denken is een lust (1985, essay)
    • Lichaam & blik (1986, toneelstuk)
    • Na de nachttrein (1988, poëzie)
    • Boek en film (1989)
    • Het museum van licht (1991, stukken over film)
    • Paviljoenen (1991, poëzie)
    • De wijde blik (1992, roman)
    • De letterpiloot (1994, essaybundel)
    • Ons mankeert niets (1994, roman)
    • De fuik van Pascal (1997, essay)
    • De nacht van de pauw (1997, toneelstuk)
    • Eindaugustuswind (1998, poëzie)
    • Het wonder van de losse olifanten (1999, essay)
    • Oude mensen (1999, toneelstuk)
    • Eerdere gedichten (2000)
    • Op de hoge (2003, poëzie)
    • Braambos (2004, toneelstuk)
    • Specht en zoon (2004, roman)
    • Een sneeuw en meer toneel (2006)
    • Alexander (2006, toneelstuk)
    • Waarom komt u ons hinderen (2006, essaybundel)

    Prijzen

    • 1972 Reina Prinsen Geerligsprijs voor Een zwaluw vol zaagsel
    • 1981 Herman Gorterprijs voor Ik zoek het hier
    • 1992 Jan Campertprijs voor Paviljoenen
    • 1994 Busken Huetprijs voor De letterpiloot
    • 1999 Constantijn Huygensprijs voor gehele oeuvre
    • 2005 Libris Literatuurprijs voor Specht en zoon
    • 2006 De Inktaap voor Specht en zoon Bron:
      Bron: www.literaireprijzen.nl

    Tekening: Martien Bos, www.antisomber.nl

  • Rudy Kousbroek

    Herman Rudolf (Rudy) Kousbroek, geboren 1 november 1929 te Pematang Siantar, Sumatra, is een schrijver en essayist en belangrijk voorvechter van De Vijftigers. Als essayist besprak hij uiteenlopende zaken, zoals de Japanse interneringskampen, spellingshervorming, pornografie en melancholie.

    Persoonlijk

    Rudy Kousbroek wordt in 1929 in Indonesië geboren. In de oorlog  wordt hij geïnterneerd in een Jappenkamp en in 1946 verhuist hij naar Nederland.
    In Amsterdam volgt hij de HBS van het Amsterdams Lyceum en gaat aansluitend wis- en natuurkunde in dezelfde stad studeren. Deze studies maakt hij niet af.
    Hij leert Remco Campert kennen en samen richten ze in 1950 het literaire tijdschrift Braak op, dat een belangrijke rol speelt in de doorbraak van De Vijftigers, waarvan Kousbroek en Campert belangrijke vertegenwoordigers zijn.
    Kousbroek verhuist in 1950 naar Parijs, waar hij Japanse en Chinese letteren studeert. Ook deze studies voltooit hij niet. Een jaar later trouwt hij met de schrijfster Ethel Portnoy, ze krijgen twee kinderen, maar de relatie houdt geen stand.
    In 1953 debuteert hij met de dichtbundel Begrafenis van een keerkring.
    Vanaf de jaren zestig publiceerde hij essays in onder meer Hollands Maandblad, NRC Handelsblad en Vrij Nederland, waarin hij fel van leer trok tegen waandenkbeelden in uiteenlopende vakgebieden: filosofie, politiek, natuurwetenschap en geschiedschrijving.
    In 1975 krijgt hij de P.C. Hooftprijs voor zijn essayistische werk.
    In 1989 komt Kousbroek terug naar Nederland. Hij woont kort bij vrienden in Amerongen en vestigt zich dan in Leiden.

    Rudy Kousbroek woont in Leiden en is getrouwd met de Ierse schrijfster Sarah Hart.

     

    Bijzonderheden

    • In 2006 stond Kousbroek, voor de verkiezingen voor de Tweede Kamer, als lijstduwer op de lijst van de Partij voor de Dieren.
    • Kousbroek verdiepte zich in Toergenjev. In 2005 maakte hij een bedevaart naar diens graf in Petersburg.
    • Rudy Kousbroek schreef in Vrij Nederland onder het pseudoniem Leopold de Buch.
    • Arnold Heumakers: ‘In Kousbroeks borst huizen twee zielen: de ene behoort aan een geharnast rationalist, die alles wat naar religie, mythologie of metafysica zweemt, met de grond gelijk maakt; de andere verraadt een romantische ontvankelijkheid voor emoties en sentimenten, die zelfs voor onvervalste sentimentaliteit niet terugschrikt. Eigenlijk is dat altijd al zo geweest, maar in de loop van de tijd heeft Kousbroek zijn gevoelige ziel duidelijker op de voorgrond geplaatst (Arnold Heumakers, de Volkskrant, 23 april 1993).’
    • Werken
    • De begrafenis van een keerkring (1953, poëzie)
    • Revolutie in een industriestaat (1968)
    • De aaibaarheidsfactor, gevolgd door Die wacht am IJskast (1969)
    • Anathema’s 1 (1969)
    • Het avondrood der magiërs (1970)
    • Anathema’s 2 (1970)
    • Het gemaskerde woord. Anathema’s 1, 2 en 3 (1970)
    • Een kuil om snikkend in te vallen (1971)
    • Anathema’s 3 (1971)
    • Ethologie en cultuurfilosofie (1973, Huizingalezing)
    • Een passage naar Indië (1978)
    • De aaibaarheidsfactor (1978, uitgebreide herdruk)
    • Anathema’s 4, De waanzin aan de macht (1979)
    • Vincent of het geheim van zijn vaders lichaam (1981)
    • Wat en Hoe in het Kats (1983)
    • De logologische ruimte (1984)
    • Anathema’s 5. Het meer der herinnering (1984)
    • Het rijk van Jabeer. Getransformeerde sprookjes (1985, met bijdrage van Joost Roelofsz.)
    • Lief Java (1987)
    • Nederland: een bewoond gordijn (1987, boekenweekessay)
    • Een zuivere schim in een vervuilde schepping (1988, over het werk van Konstantinos Kavafis)
    • Dagelijkse wonderen (1988, budgetboek-serie)
    • Anathema’s 7, De onmogelijke liefde (1988)
    • Morgen spelen wij verder (1989)
    • De archeologie van de auto (1989)
    • Einsteins poppenhuis, Essays over filosofie 1 (1990)
    • Het Paleis in de verbeelding (1990)
    • Lieve kinderen hoor mijn lied (1990)
    • Anathema’s 6, Het Oostindisch kampsyndroom (1992)
    • Anathema’s 8, De vrolijke wanhoop (1993)
    • Varkensliedjes (1993)
    • Terug naar Negri Pan Erkoms (1995)
    • Hoger honing (1997)
    • Verloren goeling (1998)
    • In de tijdmachine door Japan (2000)
    • Opgespoorde wonderen: fotosynthese (2003, fictie; fotografie)
    • Die Winterreise (2003, audio-boek, verhalen)
    • Dierentalen en andere gedichten (2003, poëzie)
    • Verborgen verwantschappen: fotosynthese (2005, fictie; fotografie)
    • Het Oostindisch kampsyndroom (2005, vijfde, uitgebreide druk)
    • De archeologie van de auto (2006, uitgebreide herziene uitgave)
    • Het raadsel der herkenning: fotosynthese 3 (2007, fictie; fotografie)

     

    Prijzen

    • 1969 Essayprijs van de gemeente Amsterdam voor Revolutie in een industriestaat
    • 1975 P.C. Hooft-prijs voor zijn beschouwende oeuvre.
    • 2005 Jan Hanlo Essayprijs Groot voor Opgespoorde wonderen

     

    Benoemingen

    • 1994 Eredoctoraat in de wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen.

     

     

  • Jeroen Brouwers

    Jeroen Godfried Marie Brouwers (Batavia, 30 april 1940) is journalist, schrijver en essayist. Zijn omvangrijke oeuvre omvat onder andere romans, toneelwerken, essays, polemieken en novellen. Brouwers staat tevens bekend als een voorvechter voor een betere (financiële) positie voor auteurs. Zo weigerde hij de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren in ontvangst te nemen, omdat hij het prijzengeld (16.000 euro) ‘een fooi’ vond. Naar aanleiding van zijn weigering is het prijzengeld verhoogd tot 40.000 euro.

    Persoonlijk
    Jeroen Brouwers werd geboren in Batavia. Na de Japanse invasie in 1943 werd zijn vader overgebracht naar een krijgsgevangenenkamp in de buurt van Tokio. Brouwers werd samen met zijn oma, moeder en zus in het Japanse interneringskamp Kramat geplaatst. Na een paar maanden werden ze overgeplaatst naar kamp Tjideng, in een buitenwijk van Batavia. Zijn grootouders overleefden de kampen niet. In 1981 schreef Jeroen Brouwers in Bezonken rood over de Japanse bezetting van Indonesië.

    In 1947 verhuisde Brouwers samen met zijn moeder en broers en zussen naar Nederland, zijn vader volgde een jaar later. Vanaf zijn tiende leefde hij in verschillende rooms-katholieke pensionaten.

    Na zijn dienstplicht ging Jeroen Brouwers in 1961 werken als leerling-journalist. In 1964 verhuisde hij naar België om bij uitgeverij Manteau als redactiesecretaris te gaan werken. Later wordt hij (hoofd) redacteur van de uitgeverij.

    In 1964 debuteert Brouwers met de verhalenbundel Het mes op de keel. Sinds 1976 wijdt Jeroen Brouwers zich geheel aan het schrijven.

    In 1979 verscheen de roman Het verzonkene, het eerste deel van een aan zijn Indische jeugd gewijde trilogie. Het tweede deel, Bezonken rood (1981) is een zeer groot succes, maar leidde ook tot heftige discussies. Zo bestreed Rudy Kousbroek het waarheidsgehalte van Brouwers opmerkingen over de Japanse kampen in Nederlands-Indië. De zondvloed (1988) maakt de trilogie compleet.

    In 2000 verschijnt Geheime kamers, een roman die een nieuwe periode in zijn schrijversschap inluidt. Na tien jaar van betrekkelijke stilte, was dit de grote roman waar het publiek en de kritiek op hadden gewacht. Beide waren erg enthousiast.

    In 2007 verscheen zijn jongste roman, Datumloze dagen.

    Jeroen Brouwers woont in Zutendaal (België) en heeft een dochter en twee zoons, waarvan de oudste zoon in 2006 overleed.

    Bijzonderheden:

    • Volgens de jury van de Prijs der Nederlandse Letteren heeft Brouwers ‘in de naoorlogse Nederlandstalige literatuur bakens uitgezet en verzet’. Hij heeft ‘het egodocument verheven tot een volwaardig literair genre’ en zijn brievenboeken zijn volgens de jury ‘ongeëvenaarde kwaliteit’. Brouwers schreef zijn bekende polemieken ‘met veel vuur en verontwaardiging maar vooral steeds met veel liefde voor het onderwerp’. Door Vlaanderen vaak als onderwerp te nemen, ‘vormt hij als geen andere auteur een brug binnen het Nederlandse taalgebied over de landsgrenzen heen.’
      Bron:
      www.taaluniversum.org
    • Jeroen Brouwers publiceerde werk onder verschillende pseudoniemen. Zo gebruikte hij onder ander de namen Roosje W. Breuner, Jouwre Broesner, Henri van Maaren en Jeroen Zondervan.
    • Theodoor Holman gebruikte Jeroen Brouwers als pseudoniem in Propria cures.
    • Datumloze dagen is oorspronkelijk geschreven als theatermonoloog voor Roef Ragas, die vlak nadat hij de proefdruk had gelezen, onverwacht overleed.
    • Het woord ‘zon’ komt in veel titels van romans van Brouwers op een verborgen wijze voor. Er is wel gesuggereerd dat dit komt door de kwelling van de brandende zon die hij in een jappenkamp moest verduren.
    • Jeroen Brouwers heeft een fascinatie voor zelfmoordenaars.
    • De Standaard beschuldigde Jeroen Brouwers in 2001 ten onrechte van plagiaat in zijn roman Joris Ockeloen en het wachten (1967).

    Links

    www.jeroenbrouwers.nl

    Werken

    • Edith Piaf. Lyrische straatmus (1961)
    • Van rondeel tot chanson (1963)
    • Couperus. 1863-1963 (1964)
    • Het mes op de keel (verhalen) (1964)
    • Joris Ockeloen en het wachten (roman) (1967, roman)
    • De toteltuin. Gevallen van de sfinx (1968, verhalen)
    • Groetjes uit Brussel (1969, verhalen)
    • Zonder trommels en trompetten (1973, novelle)
    • Zachtjes knetteren de letteren. Een eeuw Nederlandse literatuurgeschiedenis in anekdoten. (1975)
    • Zonsopgangen boven zee (1977, roman)
    • Klein leed (1977, verhalen)
    • Mijn Vlaamse jaren (1978, verhalen, herinneringen, pamfletten, dagboekfragmenten, brieven)
    • De nieuwe Revisor (1979, pamflet)
    • Kladboek (1979, essays)
    • Het verzonkene (1979, roman)
    • De bierkaai. Kladboek 2 (1980, essays)
    • Zonder onderschriften (1980, toneel)
    • Bezonken rood (1981, roman)
    • Et in Arcadia ego (1981, verhaal)
    • De spoken van Godfried Bomans (1982, essay)
    • Alleen voor Vlamingen (1982, essays)
    • Es ergo sum (1982, essay)
    • Verhalen en levensberichten (1983, verhalen)
    • De laatste deur (1984, essays)
    • Winterlicht (1984, roman)
    • De levende stilte van Stig Dagerman (1985, essay)
    • Hélène Swarth: haar huwelijk met Frits Lapidoth, 1894-1910 (1986, essay)
    • De sprong (1986, novelle)
    • Hij is reeds aan de overzijde (1986, necrologieënbloemlezing)
    • Miniatuur van wanhoop (1987)
    • Kroniek van een karakter. Deel 1 (1976-1981) De Achterhoek (1987, brieven)
    • Kroniek van een karakter. Deel 2 (1982-1986 De oude Faust (1987, brieven)
    • De schemerlamp van Hélène Swarth (1987, essay)
    • Sire, er zijn geen Belgen (1988, Boekenweekessay)
    • De zondvloed (1988, roman)
    • Het tuurtouw (1989, essay)
    • Zomervlucht (1990, roman)
    • Het vliegenboek. Kladboek 3 (1991, essays)
    • Het is niets (1993, essay)
    • Twee verwoeste levens (1993)
    • De vervulling (1993, monoloog)
    • Steeds dezelfde zon (1994, toespraak Dodenherdenking)
    • Het circus der eenzaamheid. Kladboek 4 (1994, essays)
    • Vlaamse leeuwen (1994, essays)
    • Adolf & Eva & de Dood (1995, essays)
    • Oefeningen in nergens bijhoren (1995, essay)
    • Het aardigste volk ter wereld: Willem Frederik Hermans in Brussel. Bijdrage aan zijn biografie. (1996)
    • De vervulling (1996, verhalen)
    • Kilometers (1996)
    • In memoriam patris (1997)
    • Alles is iets (1998, dagboekbladen en brieven)
    • De verliefden, hommage aan Fernand Victor Toussaint van Boelaere, 50 jaar na overlijden. (1998)
    • Een beroemde naamgenoot (1998)
    • Terug thuis, verhalen, leerervaringen, voetnoten (1998)
    • Al dat papier (1999)
    • De zwarte zon, essays over zelfmoord en literatuur in de 20e eeuw (1999)
    • Geheime kamers (2000, roman)
    • Papieren levens (2001)
    • Zachtjes knetteren de letteren. Literaire anekdoten – herziene en uitgebreide editie (2001)
    • Stoffer en blik (2004)
    • De schemer daalt (2005)
    • Warme herfst (2005)
    • In het midden van de reis door mijn leven (2006, Oerboek)
    • De stilte bestaat uit zoveel antwoorden (2007, briefwisseling met Gerrit Komrij)
    • Datumloze dagen (2007, roman)

    Prijzen

    • 1967 Vijverbergprijs voor Joris Ockeloen en het wachten
    • 1980 Multatuliprijs voor Het verzonkene
    • 1981 Dr. Wijnaendts Franckenprijs voor Kladboek
    • 1982 Geuzenprijs voor gehele oeuvre
    • 1989 Ferdinand Bordewijk Prijs voor De zondvloed
    • 1993 Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre
    • 1995 Gouden Uil voor Vlaamse Leeuwen
    • 1995 Prix Fémina Etranger voor Rouge décanté (Bezonken rood)
    • 2001 Multatuli-prijs voor Geheime Kamers
    • 2001 AKO Literatuurprijs voor Geheime kamers
    • 2001 Gouden Uil voor Geheime kamers
    • 2001 Humo’s Gouden Bladwijzer voor Geheime kamers
    • 2007 Prijs der Nederlandse Letteren voor gehele oeuvre. Deze heeft hij echter geweigerd omdat het prijzengeld te laag zou zijn.
    • 2007 Zutendaalse cultuurprijs.
    • 2007 Tzum-prijs voor de beste literaire zin. De bekroonde zin luidt: ‘Al stond in het centrum van het huis een kachel als uit de machinekamer van een stoomschip en stortte ik deze vol kolen en hout uit het bos, ze verspreidde geen warmte, -zoals er ook van mij, volgestort met het witte water van de firma Bols, niet echt meer iets constructiefs uitging’
    • 2008 Gouden Uil voor Datumloze dagen.

    Bron: www.literaireprijzen.nl

    Benoemingen

    • 1992 Orde van de Vlaamse Leeuw
    • 1993 Ridder in de Belgische Kroonorde
    • 1998 Eredoctoraat Universiteit van Kessel-Lo

    Tekening: Marrien Bos, www.antisomer.nl.

  • Over de schrijver Bernlef

    Bernlef (pseudoniem voor Hendrik Jan Marsman, Sint Pancras, 14 januari 1937) is een veelzijdig en productief auteur. Hij schreef romans, verhalen, gedichten, toneelstukken en essays over uiteenlopende onderwerpen (jazz, literatuur, schilderkunst, fotografie). Als vertaler heeft Bernlef in het Nederlandse taalgebied verschillende Amerikaanse en Zweedse dichters geïntroduceerd, zoals Marianne Moore, Elizabeth Bishop en Tomas Tranströmer.

    Persoonlijk

    J. Bernlef werd als Hendrik Jan (Henk) Marsman op 14 januari 1937 geboren in Sint-Pancras in de buurt van Alkmaar. Zijn jeugd bracht hij door in Amsterdam-West, in 1949 verhuisde het gezin Marsman naar Haarlem. Terug in Amsterdam in 1954 kreeg de jonge Henk op de HBS Nederlands van de schrijver Rob Nieuwenhuys die hem en zijn vrienden Gerard Stigter en Gerard Bron (de latere K. Schippers en Gerard Brands) in contact bracht met het werk van schrijvers als Nescio, Elsschot en Carmiggelt. Na zijn eindexamen in 1955 studeerde hij zes maanden aan de faculteit voor politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en werkte vervolgens bij een boekhandel en een uitgeverij. Najaar 1956, vlak voor de Hongaarse opstand, moest hij in dienst.

    In 1957 verbleef hij drie maanden in het militaire hospitaal Austerlitz. In deze periode debuteerde hij met het onder zijn eigen naam geschreven verhaal Mijn zusje Olga dat later verscheen in het blad Hoos. Naar aanleiding van die publicatie maakte de recensent Hans van Straten een vergelijking met de dichter Marsman. Dat was voor de jonge Henk Marsman reden na te gaan denken over een pseudoniem. Op een boekhandelscursus had hij net gehoord over de middeleeuwse Friese bard Bernlef, van wie geen werk bewaard was gebleven. Die naam, voorafgegaan door de beginletter van zijn tweede voornaam, werd zijn pseudoniem.

    Na zijn diensttijd trok hij in 1958 naar Zweden, waar hij in de ban kwam van het weerbarstige landschap. Tot 1960 pendelde hij tussen Nederland en Zweden heen en weer. Definitief terug in Amsterdam werkte hij tot 1965, toen hij besloot van het schrijven te gaan leven, bij een grote importeur van boeken. In 1960 trouwde hij met Eva Hoornik met wie hij twee kinderen kreeg. Zijn vriend Gerard Stigter trouwde met Eva’s tweelingzusje.

    Met Stigter en Brands richtte hij het ‘tijdschrift voor teksten’ Barbarber op dat tot 1971 bestond. Door op allerlei manieren het alledaagse binnen de poëzie te halen, wilden de redactieleden de grenzen van het literaire doorbreken. Een vaste werkmethode daarbij was het gebruik van ready-mades: bestaande teksten (zoals reclamekreten en krantenknipsels) die, uit hun context gelicht, tot poëzie werden. In 1977 was hij betrokken bij de heroprichting van Raster, een blad waarvan hij geruime tijd redacteur was. Als criticus schreef hij daarnaast voor uiteenlopende kranten en tijdschriften, zoals De Groene Amsterdammer, De Gids en de Haagse Post.

    Een specifieke belangstelling heeft Bernlef altijd gehad voor de jazz, een onderwerp waar hij dan ook het nodige over geschreven heeft. Hij vervulde een bestuursfunctie bij de Stichting Jazz in Nederland.

    Bernlef schreef een tiental romans, hij vertaalde er enkele en hij schreef ook verhalend proza. Bernlef had al vele tientallen publicaties op zijn naam staan toen hij voor het eerst succes boekte bij een groot publiek. De publicatie van Hersenschimmen in 1984 betekende een doorbraak. In 2000 zei hij hierover in de Volkskrant: ‘Begin jaren tachtig had ik last van een writer’s block. Toen begon ik aan Hersenschimmen, een sprong in het duister, en ontdekte dat ik het drama in mijn werk kon toelaten zonder sentimenteel te worden, en zonder mezelf ontrouw te zijn. Het boek betekende de doorbraak naar een groot publiek, ja, maar het gaf vooral mijzelf een enorme vrijheid: weg met de theorie, alles kon en mocht voortgaan, als ik dat wilde.’

    Bron: www.kb.nl

    Bijzonderheden

    • Sinds 2002 publiceert J. Bernlef onder het pseudoniem Bernlef, dus zonder de initiaal J.
    • Bernlef heeft ook gepubliceerd onder de pseudoniemen Ronnie Appelman, J. Grauw, Cas den Haan, S. den Haan en Cas de Vries.
    • ‘Met een lift zakt hij de vergetelheid in.’ Deze zin – het begin van de roman De man in het midden (1976) – geeft in een notendop de thematiek weer die veel van het werk van J. Bernlef beheerst. Vergeten en vergetelheid, en onlosmakelijk daarmee verbonden verdwijnen en dood, zijn daarin kernbegrippen.

    Werken

    • Onder de bomen (1963, verhalen)
    • Wat zij bedoelen (1965, met K. Schippers, interviews)
    • Stukjes en beetjes (1965, roman, later uitgegeven als: Achterhoedegevecht)
    • De schoenen van de dirigent (1966, poëzie)
    • Paspoort in duplo (1966, roman)
    • De schaduw van een vlek (1967, verhalen)
    • Een cheque voor de tandarts (1967, met K. Schippers, documentaire)
    • Bermtoerisme (1968, poëzie)
    • De dood van een regisseur (1968, roman)
    • De verdwijning van Kim Miller (1969, verhalen)
    • Wie a zegt (1970, essays)
    • Hoe wit kijkt een eskimo (1970, poëzie)
    • Het verlof (1971, roman)
    • Rondom een gat (1971, een winterboek)
    • De maker (1971, roman)
    • Grensgeval (1972, poëzie)
    • Sneeuw (1973, roman)
    • Brits (1974, poëzie)
    • Meeuwen (1975, roman)
    • De man in het midden (1976, roman)
    • Zwijgende man (1976, poëzie)
    • Gedichten 1960-1977 (1977, poëzie)
    • Anekdotes uit een zijstraat (1978, verhalen)
    • Stilleven (1979, poëzie)
    • Nachtrit (1979, toneel)
    • De ruïnebouwer (1980, verslag en schouwspel)
    • De kunst van het verliezen (1980, poëzie)
    • Onder ijsbergen (1981, roman)
    • Alles teruggevonden/niets bewaard (1982, poëzie)
    • Hersenschimmen (1984, roman, in 1987 bewerkt tot film en in 2006 tot theaterstuk)
    • Verschrijvingen (1985, prozagedichten)
    • Wolftoon (1986, poëzie)
    • Publiek geheim (1987, roman)
    • Drie eilanden (1987, een bundel waarin opgenomen de romans sneeuw, meeuwen en onder ijsbergen)
    • Gedichten 1970-1980 (1988, poëzie)
    • Geestgronden (1988, poëzie)
    • Vallende ster (1989, novelle)
    • Achterhoede gevecht (1989, een bewerking van het in 1965 als prozadebuut uitgegeven Stukjes en beetjes)
    • De noodzakelijke engel (1990, poëzie)
    • Doorgaande reizigers (1990, verhalen)
    • Verborgen helden (1991, bloemlezing)
    • Ontroeringen (1991, essays)
    • De witte stad (1992, roman)
    • De herinneringen zien mij (1992, integrale vertaling van het werk van Tranströmer)
    • Niemand wint (1993, poëzie)
    • Eclips (1993, roman)
    • Schiet niet op de pianist. Over jazz (1993, essays)
    • Vreemde wil (1994, poëzie)
    • Esther (1994, toneel)
    • Alfabet op de rug gezien (1995, poëzievertalingen)
    • Cellojaren (1995, verhalen)
    • Achter de rug. Gedichten 1960-1990 (1997)
    • Verloren zoon (1997, roman)
    • Schijngestalten (1997, bevat tevens Hersenschimmen, Vallende ster en Eclips)
    • Onder ijsbergen (1997, herduk als Grote Lijsters 1997 Nr.1, literaire reeks voor scholieren)
    • De losse pols (1998, essays)
    • Aambeeld (1998, poëzie)
    • Meneer Toto-tolk (ter gelegenheid van de jaarwisseling 1998-1999)
    • Haalt de jazz de eenentwintigste eeuw? (1999, essays)
    • Tindeman’s Dilemma (1999, verhalen)
    • Boy (2000, roman)
    • Kokkels & Stenen spoelen (2000, verzen & verhalen)
    • Bernlefs beste volgens Bernlef (2000, verhalen)
    • Bagatellen voor een landschap (2001, gedichten)
    • Tegenliggers (2001, portretten en ontmoetingen)
    • Verbroken zwijgen (2002, verhalen)
    • Buiten is het maandag (2003, roman)
    • Kiezel en traan (2004, gedichten)
    • De onzichtbare jongen (2005, roman)
    • Een jongensoorlog (2005, roman, een door de schrijver zelf herziene versie van de eerdere romans Stukjes en beetjes en Achterhoedegevecht)
    • Hoe van de trap te vallen (2006, jazzverhalen)
    • Hersenschimmen (2006, leesclubeditie)
    • Op slot (2007, roman)
    • Het begin van tranen (2008, verhalen)
    • De pianoman (2008, Boekenweekgeschenk)
      Bronnen: www.biblioweb.nl en www.kb.nl

    Prijzen

    • 1959 Reina Prinsen Geerligs-prijs voor Kokkels
    • 1962 Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor Morene
    • 1964 Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs Dit verheugd verval
    • 1964 Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor het gedicht ‘Een dode hagedis’ in de bundel Dit verheugd verval.
    • 1977 Vijverberg-prijs voor De man in het midden
    • 1984 Constantijn Huygens-prijs voor gehele oeuvre
    • 1987 AKO-literatuurprijs voor Publiek geheim
    • 1989 Diepzee-prijs voor Hersenschimmen
    • 1994 P.C. Hooft-prijs voor gehele oeuvre
      Bron: www.literaireprijzen.nl

    Tekening: Martien Bos, www.antisomber.nl