• Illustrator en kinderboekenschrijver Maurice Sendak overleden

    door Ingrid van der Graaf

    Dinsdag 8 mei is Maurice Sendak  op 83 jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van een beroerte. De in Brooklyn geboren kinderboekenschrijver, illustrator en veelzijdig kunstenaar illustreerde vele boeken en schreef enkele tientallen titels.

    Hij illustreerde onder meer verhalen van de Gebroeders Grimm, Andersen, Tolstoi, Randall Jarrell, Robert Graves en Isaac Bashevis Singer, die pas op latere leeftijd verhalen voor kinderen schreef. Ook illustreerde hij  de enigszins brave maar zeer geliefde verhalen van Kleine beer van Else Holmelund Minarik.

    Zijn bekendste creatie is wel Where the Wild Things Are, over het jongetje Max, dat op avontuur gaat in zijn eigen verbeelding en in het Nederlands vertaald werd als Max en de Maximonsters. Drie jaar geleden werd het boek succesvol verfilmd met medewerking van Dave Eggers. Eggers schreef daarna op verzoek van Sendak een op zijn boek geïnspireerd verhaal voor alle leeftijden dat in Nederland verscheen als Max (en de Wild Things).

    Sendak was in 2003 de eerste winnaar, samen met de schrijfster Christine Nöstlinger van de Astrid Lindgren Award. Volgens de jury heeft Sendak als geen ander de mogelijkheden van het prentenboek als verhalend medium ontwikkeld.

    Naast het schrijven en illustreren van kinderboeken creëerde hij kostuums voor balletuitvoeringen, deed de dramaturgie voor opera’s, was producer voor tekenfilms en ontwierp een versie van de Notenkraker die later als film op televisie werd vertoond. Ook schreef hij mee aan de Amerikaanse versie van de Tsjechische opera Brundibar. Naar eigen zeggen was hij met dat stuk het dichtst in de buurt van een ‘perfect geesteskind’ gekomen.

     

  • Sylvia Plath (1932-1963) – Een leven in gedichten

    De in Amerika geboren schrijfster Sylvia Plath (1932 – 1963)  woonde afwisselend in Amerika en Engeland. Ze overleed in 1963 in Londen. Hoewel zij een groot deel van haar leven schreef, werd het meeste van haar werk pas na haar dood gepubliceerd. In het jaar 1940, toen haar vader Otto Plath, de van oorsprong Duitse hoogleraar zoölogie, overleed, schreef zij haar eerste gedicht. Gedurende haar volwassen leven leed ze aan een ernstige vorm van depressie. Tijdens haar studie aan het prestigieuze Smith College schreef ze meer dan vierhonderd gedichten die onregelmatig in Amerikaanse tijdschriften verschenen en waarmee ze enig succes oogstte.

    Toen ze in 1950 aan het Smith College begon deed ze haar eerste zelfmoordpoging. Later schreef ze daarover in de roman The Bell Jar (De glazen stolp 1963), die ze uitgaf onder het pseudoniem ‘Victoria Lucas’. Na haar zelfmoordpoging werd Plath korte tijd opgenomen in een psychiatrische inrichting. In 1955 studeerde ze cum laude af en ontving een beurs voor Cambridge. Ook aan deze universiteit schreef ze gedichten die in de studentenkrant Varsity werden geplaatst.

    De poëzie van Plath heeft een macabere kant en is emotioneel zeer geladen. Woede, afgunst, wraaklust, passie en een sterk doodsverlangen spreekt uit haar gedichten. De vroege dood van haar vader heeft een groot deel van haar leven bepaalt. In het gedicht Daddy schildert ze haar vader af als een verrader. Het is een zwartgallig gedicht waarin ze haar vader een nazi noemt en zichzelf voor joods uitgeeft.

    Sylvia Plath deed driemaal een zelfmoordpoging waarover ze het gedicht Lady Lazerus schreef. Daarin maakt ze van het sterven en wederop staan een kunst.

    ‘I have done it again.
    One year in every ten
    I manage it -‘

    (…)

    And I a smiling woman.
    I am only thirty.
    And like the cat

    I have nine times to die
    This is Number Three.
    What a trash
    To annihilate each decade.’

    In Cambridge ontmoette ze de Engelse dichter Ted Hughes, met wie ze in 1956 trouwt. Ze wonen afwisselend in Amerika, waar Plath lesgeeft, en Engeland. Robert Lowell, die ze van lezingen in Boston kent, zou later van grote invloed op haar werk zijn.

    Haar eerste dichtbundel, The Colossus, kwam in 1960 in Engeland uit. In februari 1961 kreeg ze een miskraam, waar ze in een aantal gedichten naar verwees. Na de geboorte van hun eerste kind Frieda, leefde het paar bijna twee jaar gescheiden. Plath keerde terug naar Londen. Ze huurde een appartement waar ook William Butler Yeats ooit woonde en niet veel later werd de scheiding tussen Hughes en Plath een feit. In de strenge winter van 1962/1963 werd Plath ziek. Op 11 februari 1963 zette ze eten en een glas melk voor haar twee kinderen neer waarna ze haar hoofd in de oven stak en zichzelf vergaste. Twee jaar na haar dood verscheen de poëziebundel Ariel, die ze in een maand tijd geschreven had en waarmee ze een van de meest gevierde dichteressen ter wereld werd. Sylvia Plath werd begraven op het kerkhof van Heptonstall in West Yorkshire.

     

    Bibliografie
    Poëzie
    The Colossus (1960)
    Ariel (1965)
    Crossing the Water (1971)
    Winter Trees (1972)
    The Collected Poems (1981)

    Proza
    The Bell Jar (De glazen stolp) (1963), onder pseudoniem  Victoria Lucas
    Letters Home (1975), geschreven aan en samengesteld door haar moeder
    Johnny Panic and the Bible of Dreams (1977)
    The Journals of Sylvia Plath (1982)
    The Magic Mirror (1989)
    The Unabridged Journals of Sylvia Plath (2000), Plaths eindscriptie aan Smith College samengesteld door Karen V. Kukil

    Kinderboeken
    The Bed Book (1976)
    The It-Doesn’t-Matter-Suit (1996)
    Collected Children’s Stories (2001)
    Mrs. Cherry’s Kitchen (2001)

    Over Sylvia Plath
    The Death and Life of Sylvia Plath (1991), Ronald Hayman
    De film Sylvia (regie Christine Jeffs, 2003) schetst een beeld van de problematische verhouding van het dichtersechtpaar;
    De Amerikaanse singer-songwriter Ryan Adams schreef het nummer Sylvia Plath dat verscheen op zijn album Gold.

     

     

  • In memoriam Anil Ramdas (1958-2012)

    Op donderdag 16 februari heeft de Surinaams-Nederlandse journalist, essayist en schrijver Anil Ramdas op 54 jarige leeftijd een einde aan zijn leven gemaakt. Anil Ramdas was de zoon van een onderwijzer en een radiomaakster. Hij groeide op in Suriname en vertrok in 1977 naar Amsterdam om te studeren. Ramdas was politiek en maatschappelijk een zeer betrokken persoon en stelde zich op als voorvechter van de multiculturele samenleving van Nederland.

    In 1989 werd Anil Ramdas redacteur bij De Groene Amsterdammer en in 1992 ging hij als columnist, essayist en reisverslaggever werken voor NRC Handelsblad. Vanaf 1994 presenteerde hij verschillende programma’s voor de VPRO waaronder, In mijn vaders huis, (serie interviews met denkers over de botsing van culturen en de rol van de wetenschap en media daarin), Zilte stranden en sinds september 2010 het opninie programma Z.O.Z.. Woensdag 15 februari werd (naar later bleek) de laatste uitzending van Z.O.Z. met Ramdas opgenomen. Naar de VPRO liet weten, was Ramdas zelf erg trots op deze aflevering.

    In 1993 hield Anil Ramdas de Den Uyl-lezing. Van 2000 tot 2003 was hij correspondent voor NRC Handelsblad in New Delhi. Voor hem waren zijn jaren in India het hoogtepunt van zijn turbulente loopbaan als journalist, schrijver. Terug in Nederland was hij van 2003 tot en met 2005 directeur van debatcentrum De Balie in Amsterdam. In 2007 ging hij voor  een jaar naar Paramaribo om er een boek te schrijven waarover hij zelf zei:  “Een serieus reisverhaal vereist een intensieve kijk op de wereld. Dat vergt het risico om ergens een jaar te gaan zitten. Dat deed ik met Paramaribo, maar het was geen aangename ervaring.”
    In 2009 verscheen het boek Paramaribo. De vrolijkste stad in de jungle.
    “Dit boek is de droevige en soms hilarische neerslag van zijn indrukken en ervaringen”, zo is de omschrijving van Wim Brands, presentator van het programma Boeken waarvan hier de weergave van het gesprek met Ramdas over zijn boek Paramaribo.

    Vorig jaar debuteerde Anil Ramdas als romanschrijver met Badal. Daarover zei hij in een interview (29-07-11) met Elsbeth Ettty dat Badal naar zijn eigen beeld was geschapen: ‘Ik volg in de roman de Wikipedia-gegevens van Anil Ramdas, ik gebruik veel van zijn reizen en indrukken, maar ik heb ze verdraaid of uitvergroot.’
    Op 22 december 2011 schreef Ramdas zijn laatste bijdrage voor de rubriek ‘De reizende commentator’ van NRC Handelsblad.

     

     


    Werken van Anil Ramdas:

    1985De factor arbeid op Curaçao: een analyse in histories perspectief in: Brasia vol. 6 nr. 5
    1987 – De dans en de dansers: biografiese vertellingen uit Curaçao over voorstellingen van man-vrouw verhoudingen
    1987 – Goden en marionetten. Een verkenning van ideologie, discours, subjectiviteit afstudeerscriptie (zonder publicatie)
    1987 – Zekerheid en eenzaamheid in het huishouden; Mannen en vrouwen in de productie en de consumptie onderzoeksverslag (zonder publicatie)
    1988 – De strijd van de dansers, biografische vertellingen uit Curaçao uitgeverij SUA (verkorte versie herdrukt door Rainbow Pocketboeken / Maarten Muntinga BV, 1994)
    1988 – Laclau/Mouffe en de Marxisten: een verhouding van liefde en haat. s.n. (voor tijdschrift ‘Krisis’)
    1992 – De papegaai, de stier en de klimmende bougainvillea, essays, De Bezige Bij.
    1992 – Tussen de regels: vluchtelingen en detentie met Thomas Spijkerboer, in: NJCM-bulletin; vol. 17, afl. 1, pag. 15-34
    1993 – In Mijn Vaders Huis, deel 1 Mets
    1994 – In Mijn Vaders Huis, deel 2 Mets
    1994 – Het besluit van Mai novelle, De Bezige Bij.
    1995 – Een Surinaamse Ballade:’wel de snack maar niet de saus’, verslagen en foto’s (van Fred van Dijk) van reizen naar Suriname, De Bezige Bij
    1996 – De beroepsherinneraar en andere verhalen, essays en verhalen, De Bezige Bij
    1996 – De kracht van cultuur: onze creatieve verscheidenheid; Commentaren bij het Rapport van de Wereldcommissie voor Cultuur en Ontwikkeling (met anderen) Koninklijk Instituut voor de Tropen
    2000 – Het geheugen van de stad levensverhalen van migrantenfamilies, in opdracht van Wereldmuseum Rotterdam, uitgeverij Balans
    2004 – Zonder liefde valt best te leven, correspondentie uit India opstellen over de rol van de journalist in vreemde culturen, De Bezige Bij
    2005 – Culturele diversiteit en de media, Katholiek Instituut voor Massamedia (KIM)
    2008 – Weg uit Babylon, verhalen en essays over culturele miscommunicatie, samengesteld door Rachida Azough en Anil Ramdas, uitgeverij Augustus
    2009 – Paramaribo: de vrolijkste stad in de jungle De Bezige Bij. Vijfde druk 2010
    2011 – Badal De Bezige Bij

     


    Lees hier een bespreking  (interview) met Anil Ramdas over zijn debuutroman Badal op Recensieweb.nl.

    Foto: Katrijn Van Giel

     

  • In memoriam Doeschka Meijsing (1947-2012)

    ‘En plotseling was alles anders dan vroeger.’

    Maandag 30 januari overleed de schrijfster Doeschka Meijsing op 64 jarige leeftijd. Mijn boekenkast als stille getuige dat ik haar kende; De hanen en andere verhalen, Robinson, Tijger, tijger!, De beproeving, Vuur en zijde, 100 % chemie en Over de liefde, stonden met hun ruggen, opeens lichtelijk verschrokken naar me toe. Alsof ze te lang vergeten stonden. Doeschka Meijsing, haar naam alleen al steeg uit boven andere schrijvers, die eind jaren zeventig, begin jaren tachtig debuteerden. Robinson was het eerste boek dat ik van haar las en het was prachtig, terughoudend en bedacht maar tegelijkertijd vrij rebellerend.

    Doeschka Meijsing werd geboren onder de naam Maria Johanna Meijsing in Eindhoven op 21 oktober 1947 als tweede kind in een gezin van vier kinderen. Begin jaren vijftig verhuisde het gezin naar Haarlem. Ze vertrok naar Amsterdam toen ze Nederlands en literatuurwetenschap ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam. In die tijd schreef ze verhalen en gedichten en op 22 jarige leeftijd debuteerde ze in het literaire tijdschrift Podium. Na haar studie gaf ze van 1971 tot 1976 les aan het St. Ignatiusgymnasium en tot 1978 was ze wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. In 1978, ze had toen al drie boeken gepubliceerd, trad ze toe tot de redactie van de boekenbijlage van Vrij Nederland en in 1989 werd ze literatuurredacteur van opinieblad Elsevier.

    Ze schreef zo’n 20 boeken waaronder verhalen, romans, gedichten en essays. Met  haar jongere broer, Geerten Meijsing schreef ze in 2005 Moord & doodslag. Voor haar werk  ontving ze verschillende prijzen waaronder de Annie Romeinprijs in 1997 voor haar gehele oeuvre en in 2008 werd Over de liefde met meerdere prijzen bekroond: AKO Literatuurprijs, F. Bordewijkprijs en Opzij Literatuurprijs.
    Doeschka Meijsing schreef een aanzienlijk en respectabel oeuvre bij elkaar. Deze maand zou haar nieuwe verhalenbundel Het kauwgomkind uitkomen maar volgens uitgeverij Querido heeft ze het boek niet kunnen voltooien.

    In haar laatste boek, Over de liefde (2008), waarmee ze volgens sommigen pas echt doorbrak, (wee degene, die haar daarvoor niet kende), roept Meijsing dezelfde onherroepelijkheid op als in haar eerste roman Robinson. In Over de liefde begint Meijsing de derde alinea met: ‘Iemand had, buiten mijn weten, mijn leven overhoop geschopt en mijn toekomst aan diggelen.’ In die sfeer opende ze ook haar eerste roman (Robinson): ‘En plotseling was alles anders dan vroeger.’ De onomkeerbaarheid van het lot, al doe je nog zo je best, het neemt je altijd onverwacht te grazen. Haar personages zijn immer zoekende en worstelen met de werkelijkheid maar gingen er nooit aan onderdoor. Op 30 januari bepaalde het lot anders en overleed Doeschka Meijsing na een zware operatie. Een belangrijk schrijfster is heengegaan. Haar boeken blijven, fier rechtop in de boekenkast en hopelijk zullen veel van haar titels een herdruk beleven.

     

     

  • Snijderseiland – Juliën Holtrigter

    door Ingrid van der Graaf

    Winnaar van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2011, Juliën Holtrigter komt begin februari met een nieuwe gedichtenbundel, getiteld Snijderseiland. De Turingprijs won hij voor zijn gedicht Onder de sterren, dat u hieronder kunt lezen.

    ‘Onder de sterren
    Onder de sterren geslapen. Lang in de tijd
    liggen kijken, in de ijlende, krijsende ruimte.
    De vreemde vreugde die dat ondenkbare schept.

    Ik zag een foto die iemand vanuit een kuil had genomen.
    Uitzicht vanuit een graf, stond eronder. Je zag
    een stuk van de hemel en de dunne kruinen van bomen.

    Ik denk aan mijn vader, heel ver van huis, niet meer
    bij machte terug te keren.
    En aan mijn ex die ik plots bij mijn tandarts aantrof
    boven mijn wijdopen mond, mooier en harder dan ooit,
    met een slang in haar hand om het gruis en het vocht
    weg te zuigen. Daar lag ik.

    Ik zou zo graag licht willen reizen, met in mijn rugzak
    niet meer dan wat kleren, een veldfles, een pen
    en papier.’

    Juliën Holtrigter (pseudoniem Henk van Loenen) publiceerde onder meer in Maatstaf, Tirade, Hollands Maandblad en Poëziekrant. Hij debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij uitgeverij Mozaiek. Gevolgd door: Het verlangen te verdwalen (2004), Het stilteregister (2006) en Het feest van de schemer ( 2009), bij uitgeverij De Harmonie waar ook zijn  vijfde bundel Snijderseiland verschijnt. De gedichten van Holtrigter verbeelden een rusteloos zoeken waarbij alledaagsheid verwordt tot geheimzinnige onwerkelijkheid.
    Holtrigter over zijn werk: ‘Wat ik opschrijf lijkt bij nader inzien het verslag van een reis. Het blijkt een zoeken te zijn naar wat zich achter de zichtbare werkelijkheid bevindt. Het is ook een relaas over pogingen tot onthechting en overgave.’ Steeds dringt zich een werkelijkheid op die groter is dan de waarneembare, maar die toch met handen en voeten aan die waarneembare werkelijkheid vastzit. Het is juist het aardse besef dat het besef van het bovenaardse oproept. Naast dichter is Holtrigter onder zijn eigen naam Henk van Loenen ook beeldend kunstenaar. Zijn beeldend werk bestaat hoofdzakelijk uit tekeningen en schilderijen in acryl op linnen en papier. Ook schildert hij in olieverf op linnen. Zijn werk is kenmerkend om zijn abstracte en tevens herkenbare vormen waarbinnen de menselijke figuur een belangrijk thema/motief is.

    Uit zijn binnenkort te verschijnen bundel Snijderseiland is het volgende gedicht:

    ‘Het licht
    Wakker geworden.
    De blinden zijn dicht maar het licht,
    soeverein,
    glipt door de kieren naar binnen.

    Ik stap naar buiten.
    Ik ruik het, ga liggen.

    Springlevend word ik gebalsemd,
    gewiegd als een prehistorische koning,
    geaaid als een veulen, ik adem.’

    Holtrigter won in 2003 de VU-Podium Poëzieprijs voor Dichter en onlangs de Concept Poezieprijs 2011 het gedicht Het laatste huis.

    De pers over Het feest van de schemer: ‘De smaak van deze gedichten is wonderlijk, soms een beetje bureaucratisch en stijf maar dan weer met een gekke, hier en daar haast surrealistische afdronk (….). Ik ken eerlijk gezegd geen dichter in Nederland met zulke visioenen.’ Rob Schouten in Awater, november 2009

    Ter attentie: het hierbovengeplaatste cover betreft niet de aangekondigde bundel Snijderseiland maar is de cover van Holtrigters laatste bundel uit 2009, Het feest van de schemer.

    Snijderseiland
    Juliën Holtrigter
    Blz: 48
    Prijs: 14,90
    Verschijnt begin februari bij: De Harmonie

    Voor meer inormatie bezoek de site van www.deharmonie.nl en www.henkvanloenen.nl

  • Nieuw hoofdstuk Chris van Geel (1917-1974)

    Dichteres Elly de Waard (1940) debuteerde in 1978 met de bundel Afstand  en schreef meer dan vijftien jaar over popmuziek voor de Volkskrant en Vrij Nederland. Zij gold als een der spraakmakers op dit gebied en maakte voor muziektijdschriften interviews met beroemdheden als David Bowie. Haar studie Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam brak zij vroegtijdig af om dichter Chr. J. van Geel te begeleiden op zijn weg in de poëzie . ‘Je zou kunnen zeggen dat ik de levende en toegespitste studie (en de liefde) verkoos boven de grotere dorheid van een universiteit.’ (KB)

    Elly de Waard deelde twaalf jaar van haar leven met dichter Chr. J. van Geel en je zou kunnen zeggen dat zij zijn werk als geen ander kent. Sinds begin dit jaar beheert De Waard een website waarop ze onder andere het nalatenschap van Van Geel heeft ondergebracht. Het werken aan teksten over het beeldende en literaire werk van Van Geel gebeurt in etappes en onlangs is aan het lemma ‘De ontwikkeling van een dubbeltalent’ dat als eerste hoofdstuk bevatte, Van Geel en het surrealisme nu een tweede hoofdstuk Van Geel en Forum toegevoegd.

    Hierin aandacht voor hoe Chris van Geel zijn dichterschap ontwikkelde, hoe moeizaam zijn weg was  en er uiteindelijk twintig jaar over deed om in 1958 zijn eerste bundel te kunnen presenteren. Als autodidact op letterkundig gebied schoolde hij zichzelf door veel te lezen en de literatuur van die tijd op de voet te volgen. Hij raakte betrokken bij het tijdschrift Forum en zelfs bevriend met Forums voorman E. du Perron, die hij als vaderfiguur en raadgever zag in zijn zoektocht in de kunsten.

    Elly de Waard geeft een blik op de jaren dertig, veertig en vijftig van de vorige eeuw waarin verschillende stromingen in de kunsten ontstonden.  En waar Van Geel zocht naar een verbinding tussen dit alles die tot een associatieve en vrije kunst moest leiden. Een kort beeld in de tijd wordt weergegeven van o.a. Bertus Aafjes, Vasalis, Ida Gerhardt, Leo Vroman, Louis Lehmann en Kouwenaar en Lucebert.
    Op de webpagina staan verschillende afbeeldingen van de dichter Van Geel en enkele van zijn kunstwerken.

     

    Interview met Elly de Waard op site Koninklijke Bibliotheek: http://www.kb.nl/dichters/waard/waard-04.html)
    www.ellydewaard.nl

     

  • Aandacht voor leven en werk van Chr. J. van Geel op website van Elly de Waard

    Dichteres Elly de Waard, die van 1962 tot 1974 samenleefde met Chris van Geel (1917-1974), richtte in 1974 de Chr. J. van Geel Stichting  op. Sinds mei 2011 beheert zij een website waar  ruim aandacht wordt geschonken aan leven en werk van Van Geel.

    Het is een mooi vorm gegeven site met veel informatie over het werk van de beeldend kunstenaar en dichter Chris van Geel. De site bevat biografische gegevens en er is onder meer een hoofdstuk over Van Geel en het surrealisme met veel bijzonder veelzeggende en onbekende tekeningen; er zijn biografische gegevens met foto’s en schilderijen te bekijken; er is een overzicht van de diverse stadia van zijn beeldende werk. En er worden dwarsverbindingen getrokken tussen de gedichten en de tekeningen.

    Aan Chris Van Geel zijn op dit moment zeven pagina’s gewijd, waarop informatie over onder andere zijn nalatenschap, de plannen daarmee en over de activiteiten van de Stichting Chr. J. van Geel.

     

    Het volgende gedicht staat op de site en is geplaatst bij een schilderij van zijn moeder.

    ZOON, BIJ DE DOOD VAN ZIJN MOEDER

    Het dood gezicht achter het glas:
    het eerste schooluur in de klas,
    de glazen deur waardoor ik tuur
    naar wie mij bracht en zag hoe het mij
    verging. – Ik houd mij strak en koel
    als zij, zo strak als toen, ik voel
    opnieuw, dit is van langer duur
    dan voor zes jaar. – En weer die schrik
    dat zij bemoedigend naar mij knikt.

     

    Tevens op haar site aandacht voor J.A Emmens, (vriend van Chris Van Geel) en de Amerikaanse dichteres Amy Clampitt.

     

    Bezoek de website van Elly de Waard op www.ellydewaard.nl

  • Rimbaud de zoon

    Door Wil van Basten-Malipaard

    ”…o moeder die me niet leest  (…) vader die nooit met me zal praten”.

     Bij toeval belandde deze korte ‘biografie’ van Pierre Michon (1945) over een deel van het turbulente leven van de jonggestorven Franse dichter Arthur Rimbaud (1854-1891) in de sublieme vertaling van Rokus Hofstede op mijn bureau. Vooral door de kwaadaardige eerste twee zinnen werd ik weer, exact zoals destijds in 1991 bij de eerste Franse uitgave, aangezet om verder te lezen.

    “Men zegt dat Vitalie Rimbaud, geboren Cuyf, een dochter van het platteland en een boosaardige vrouw, een vrouw die leed en boosaardig was, het leven schonk aan Arthur Rimbaud. Men weet niet of ze eerst vervloekte en pas daarna leed of dat ze haar lijden vervloekte en toen in die vervloeking volhardde; ofwel dat in haar geest vervloeking en lijden elkaar overlapten, aflosten, aanwakkerden onlosmakelijk met elkaar verbonden als de vingers van haar hand, die zo geïrriteerd waren geraakt door het contact met haar leven, haar zoon, haar levenden en haar doden dat ze ze tussen haar zwarte vingers vermorzelde.”

    Deze twee zinnen zeggen veel, zo niet alles over het begin van de carrière van Rimbaud als dichter.

    Michon suggereert dat zij de oorzaak is van Rimbauds niet aflatende opstandigheid, die hem als een wervelwind door de porseleinkast van de Franse letteren jaagt en hem na een literaire bliksemcarrière van vijf jaar en na veel omzwervingen uiteindelijk als wapenkoopman in het Afrikaanse Harrar, ver van alle verzen van de wereld, doet belanden.

     En deze twee zinnen tonen het fraaie en rijke proza van Michon waarvan de stijl in hoge mate doet denken aan de poëzie van Rimbaud. Wilde Rimbaud zoals Victor Hugo het vers in eigen persoon belichamen ‘le vers personellement’, zo lijkt het erop dat Michon door zijn werk dit ideaal eveneens voor zijn eigen proza nastreeft. Zijn taal is rijk, poëtisch, confronterend en soms verpletterend. Hij werkt met veel tegenstellingen, synoniemen, woordomwisselingen, metaforen. Lange zinnen. Veel prachtige stijlfiguren zijn in zijn werk moeiteloos te vinden.

    Voor de liefhebbers van literatuur is ook dit werk een juweeltje van vertelkunst. Niet voor niets is Pierre Michon in oktober 2009 onderscheiden met de Grand Prix du roman de l’Académie française voor zijn werk Les Onze waar hij vijftien lange jaren aan werkte.

     

    Michon heeft niet gekozen voor de traditionele biografie.  De vorm die hij kiest is uniek. Het perspectief wisselt voortdurend. Michon kruipt in de huid van de alleswetende schrijver die zich overigens bescheiden opstelt, of richt zich als verteller rechtstreeks tot de dichter of tot de lezer.

    Volgens de informatie op de achterflap bestaat het verrassende vertrekpunt voor deze biografie uit de weinige foto’s en portretten die van Rimbaud bewaard bleven. Helaas zijn in dit werk slechts twee van deze foto’s opgenomen, uitgebreid beschreven en becommentarieerd.

    Carjat_Arthur_Rimbaud_1872

    Foto 1: ‘Hij kijkt naar zijn model. Hij ziet dat de stropdas scheef zit; hij ziet de kleur ervan, die wij niet kennen. Het vest is rood of zwart, dat zal onduidelijk blijven, de foto is in zwart-wit. Hij bedenkt dat die stropdas straks rechtgetrokken moet worden ? of toch maar niet, deze jongeman is een dichter, het is goed dat de stropdas van dichters scheef zit.’ blz. 79. De ‘hij’ in dit citaat is de Parijse fotograaf Etienne Carjat die onsterfelijk is geworden door dit beeld van Rimbaud voor de eeuwigheid vast te leggen in een ovaal portret. Een soort aureool. Die ‘mandorla’ die tegenwoordig in de wereld bekender is dan de doek van de heilige Veronica, die betekenisvoller en leger is, die zeer verheven icoon waarop de stropdas voor eeuwig scheef zit, de stropdas waarvan we nooit zullen weten welke kleur hij had.  (…) het portret dat even zwaar weegt als het hele dichtwerk bij elkaar, of bijna’, zo schrijft Michon op blz. 88. De foto werd gemaakt in 1871! De begintijd van de fotografie.

     

    Henri_Fantin-Latour_005

     Foto 2 op de voorkant is een deel van het schilderij Le Coin de table. Het fabuleuze groepsportret van Verlaine en Rimbaud met zes andere, inmiddels vergeten dichters. Wij zien hier alleen hoofd en haardos van Rimbaud. De andere ‘foto’s’ die als basis dienden zijn geschreven portretten van de voor Rimbaud belangrijke personen in zijn (literaire) leven en komen min of meer chronologisch voor in de zeven hoofdstukken van het boek.

    Zijn vader, Frédéric Rimbaud, is kapitein bij het Franse leger en vaak uithuizig. Zijn moeder, Vitalie Cuyf, een boerendochter, voedt de (vier) kinderen met ijzeren hand op. Frédéric Rimbaud verlaat haar in 1860. De 22-jarige Georges Izambard, leraar op het Collège van Charleville stimuleert de vijftienjarige Rimbaud om zich op poëzie toe te leggen en leert hem alles over de alexandrijn (roede genoemd in de vertaling van Rokus Hofstede). Dan volgt Théodore de Banville wiens gedichten niemand meer leest maar die rond 1870 als mentor van de Franse dichters optrad.

    Op 16-jarige leeftijd gaat Rimbaud naar Parijs, op uitnodiging van de door hem bewonderde dichter Paul Verlaine, die hij enkele gedichten toegestuurd heeft en die in hem een groot talent herkent. In werkelijkheid ontwikkelt zich een stormachtige homoseksuele relatie tussen Verlaine en Rimbaud. De eerste paardans wordt zeer beeldend beschreven op blz. 55. Michon geeft a.h.w. een ooggetuigenverslag van dat moment in de donkere kamer achter zonneblinden. ‘… , stuwden ze zich vast en terwijl ze aan die mast hingen, die niét de roede was, geschiedde het dat ze huiverden en een ogenblik weg waren van deze wereld, …’

    Het einde van de relatie met Verlaine en de publicatie van Une saison en enfer betekenen voor Rimbaud het afscheid van de literatuur/poëzie. Het boek eindigt hier ook. Rimbaud is dan weer terug bij zijn familie in Roche, in de Ardennen. Hij schrijft daarna nooit meer ook maar één vers.

    Michon beperkt zich uitsluitend tot het literaire leven van Rimbaud. Het genie Arthur Rimbaud.

    De vele omzwervingen na de breuk met Verlaine door Europa en Afrika blijven dus geheel onvermeld. Enkele jaren later, terug in Frankrijk vanwege zijn gezondheid, bezwijkt Rimbaud in een ziekenhuis in Marseille aan botkanker in zijn rechterbeen.

     

    Michon maakt duidelijk dat Rimbaud aanvankelijk de zoon is van al deze voor hem belangrijke personages. Hij is de leerling, maar hij maakt zich successievelijk ook weer los van hen. En hij wil zelf geen opvolger. Niemand mag in zijn voetsporen treden. Hij wordt zelf geen vader in de beide betekenissen van het woord. Hij geeft ‘zijn stekje’,  zoals Pierre Michon dat noemt, niet door. Op blz. 92 lezen we: ‘… dat hij misschien ophield met schrijven omdat hij niet de zoon van zijn werken kon worden, dat wil zeggen, er het vaderschap van kon aanvaarden. Hij vond het beneden zijn waardigheid de zoon van Le bateau ivre, van de Saison en van Enfance te zijn, zoals hij evenzeer had geweigerd de nakomeling te zijn van Izembard, Banville of Verlaine.’

     ‘Men zegt dat…’, is de steeds terugkerende beginformule die aangeeft dat Michon zich evenals alle anderen baseert op anekdotes, verhalen, vermoedens, interpretaties van feiten, enz.   Toch heeft hij een duidelijk merkbare, degelijke research verricht voor dit werk. Helaas worden zijn bronnen niet vermeld. De vertaler heeft enkele verhelderende aantekeningen bij de tekst gevoegd. Geen echte biografie dus, maar een persoonlijke, subjectieve interpretatie van Michon.   

    Ook gaat Michon er vanuit dat de lezers op de hoogte zijn van het werk en leven van Rimbaud. En dat is zeker een pré als je dat bent. Hij spreekt dan over ‘wij’. Al drijft hij een enkele keer wel de spot met historici ‘…want lezen, dat kan niemand ? behalve  misschien de mensen die denken dat het om cijferschrift gaat, en lezen die soms beter? Gewetenloze romaneske schurken zijn wij. Nee, we lezen niet, ik net zomin als alle anderen. …’  zegt hij op blz. 65, bescheiden met enige zelfspot.

     

    Voor mij was het herlezen van dit werk aanleiding om Rimbaud weer eens ‘uit de kast’ te halen. En het moet weer gezegd worden:  ‘Sommige werken zijn zo de moeite van het herlezen waard!’ 

     Le bateau ivre  en  Une saison en enfer  hadden nu een heel andere uitwerking op me dan destijds toen ik verplicht was vanwege mijn studie Franse Taal- en Letterkunde deze grondig te bestuderen als een soort ‘cijferschrift’….

     

     

    Auteur: Pierre Michon

    Oorspronkelijke titel: Rimbaud, le fils  (1991 Editions Gallimard)

    Verschenen bij: Uitgeverij G.A. van Oorschot (1998, 2e druk)
    Vertaling: Rokus Hofstede, Amsterdam

    Prijs: ingenaaid €12,-, gebonden € 18,-

  • door Wil van Basten-Malipaard

    Historicus prof. Cees Fasseur (1938) heeft verscheidene publicaties over de Nederlands-Indische geschiedenis op zijn naam staan maar is vooral bekend geworden  door zijn tweedelige biografie over Koningin Wilhelmina. De Wilhelmina-biografie is dan ook voor Fasseur de inspiratie om een studie te maken over het leven van Juliana en Bernhard. Hij kiest voor de periode 1936-1956 omdat dit de meest bewogen episode vormt uit het verhaal van hun lange huwelijk en diep in hun persoonlijk leven heeft ingegrepen.

    Voor het schrijven van deze indringende dubbelbiografie baseert Fasseur zich op het Koninklijk Huisarchief, met inbegrip van de door de commissie Beel verzamelde dossiers en de tekst van het rapport van dit driemanschap. En dat was heel veel! Kilometers geschreven materiaal in de vorm van brieven, notities, memoranda, familiepapieren, krantenartikelen, dagboekaantekeningen, herinneringen, kattebelletjes, grafologische analyses, etc. En dan nog te bedenken dat de dagboeken van Juliana volgens haar testamentaire beschikking, niet vóór 2054 mogen worden geraadpleegd. Fasseur is de eerste en voorlopig de enige die toegang heeft gekregen tot het Koninklijk Huisarchief, het privédomein van de Koninklijke familie. Dit feit zorgt al sinds de eerste druk van Juliana & Bernhard, eind 2008, voor heftige discussies.

    Deze twintig  jaar trieste huwelijksgeschiedenis van Juliana en Bernhard wordt beschreven in drie lijvige delen.

    • Deel 1: ‘De Opmaat’: de kennismaking, het huwelijk, de oorlogsjaren, de ‘goede’ Bernhard tijdens de oorlog, de oogafwijking van prinses Marijke, gezien als  aanleiding tot het zevenjarig durend conflict, beter bekend als ‘de Greet Hofmans-affaire’ ? 1948-1956.
    • Deel 2: ‘Het Conflic’: de hoofdrol van gebedsgenezeres Greet Hofmans als doorgeefster, de invloed van de Hofmansadepten in de hofhouding van Juliana, de ‘slechte’ Bernhard van na de oorlog, de escalatie en de rol van de buitenlandse pers tot de mogelijke oplossing van het conflict.
    • Deel 3: ‘De Ontknoping’: de door o.a. de commissie Beel voorgestelde maatregelen die noodzakelijk waren om de vrede in het koninklijk gezin en Nederland weer te waarborgen. De ‘Afwikkeling’ zou wellicht een betere titel van dit hoofdstuk zijn geweest. Het woord ‘Ontknoping’ doet m.i. te veel denken aan een onverwachte afloop van een spannende roman of toneelstuk. Misschien moet er wel gewacht worden tot 2054 voor een dergelijke ontknoping!
    • In het laatste hoofdstuk ‘Terugblik’ lezen we in elf bladzijden de samenvatting van deze drie delen met een vooruitblik naar wat wij daarna tot en met nu (menen te) weten over Juliana en Bernhard.

    Het is evident dat Cees Fasseur antwoorden heeft proberen te vinden op eigenlijk maar een hoofdvraag. Dé grote vraag. Het grote WAAROM? In het volgend citaat verwoordt Fasseur deze prangende vraag en geeft daarna mogelijke redenen. Blz. 290:  …waarom Juliana zich zo liet leiden door een vrouw (Greet Hofmans) die als een destructieve kracht op haar huwelijk inwerkte, de gezinsverhoudingen ontwrichtte en kennelijk een eigen agenda voerde. Kwam het door het verdriet om Marijke, een verdriet waarmee zij elke dag opnieuw werd geconfronteerd? Lag het aan de spanningen in haar huwelijk, haar werk en de toestand in de wereld die haar ongelukkig en onzeker maakten? Was het de wens om zich te conformeren aan haar Baarnse kring van vriendinnen die zich in hun dagelijkse leven eveneens naar Hofmans’ wenken en doorgevingen richtten? Was het de voor ons niet meer na te voelen fascinatie  voor een vrouw aan wie bovennatuurlijke gaven en krachten werden toegeschreven, maar die tegelijkertijd ook weer zo ‘gewoon’ was? Of hing het geloof in “Boven” samen met Juliana’s aanleg en karakter? (…) Mensen die haar goed meenden te kennen, (…), wierpen het op haar toegeschreven ernstig minderwaardigheidscomplex. Ze had zich altijd de mindere gevoeld van haar moeder en aanvankelijk ook van haar man. De paradoxaal klinkende conclusie ligt voor de hand dat zij zo sterk afhankelijk van Hofmans werd, omdat deze haar zekerheid en zelfvertrouwen schonk.”

    Dit lange citaat is m.i. de samenvatting, de leidraad die Cees Fasseur heeft gevolgd voor zijn onderzoek voor het schrijven van deze dubbelbiografie.Tot een openbaring komt het echter niet. Er is geen ontknoping.
    Door zich dan weer bladzijdenlang te richten op Juliana, dan weer bladzijdenlang op Bernhard of op andere voor hen belangrijke personen lukt het Fasseur niet altijd een chronologische volgorde aan te houden. En gaat de lezer wat heen en weer. Soms zijn er zelfs grote schommelingen in de tijd die als feedback dienen (bv. de langere flashbacks naar vroegere tijden (koningin Emma) en nogal eens wordt er een vooruitblik naar het heden geworpen).

    Blz. 319 over Bernhard: ‘Met zijn gebruikelijke openhartigheid, die hem zelfs zou overleven, had de prins zijn verhaal in het voorjaar van 1952 gedaan aan de Amerikaanse journalist (…)’.’Daar school natuurlijk ook berekening in’, suggereert Fasseur. En hij besluit deze alinea met nog een flash forward: ‘Toch zou publicatie dertig jaar op zich laten wachten’. Dankzij de herhalingen en doublures in de tekst is het alleszins mogelijk om niet het gehele boek  te lezen maar je te beperken tot enkele capita selecta.

    Met een grote regelmaat lezen wij bv. vanuit verschillende invalshoeken over de (genetisch bepaalde!?) driftbuien en het minderwaardigheidscomplex van Juliana. Een paar voorbeelden ter illustratie daarvan. Op blz. 29 schrijft Fasseur: ‘Evenals haar moeder had zij last van onverwacht  opkomende driftbuien die, hoewel doorgaans weer even snel verdwenen als vergeten, haar omgeving telkens eraan herinneren dat zij juist niet gewoon was.’ Op blz. 114 schrijft Bernhard in een brief van 22-27 november 1942 aan Juliana: ‘Het was reuze aardig deze keer en ik moet je toch niet mijn vaderlijke lof verzwijgen over je uiterlijk en ook dat je deze keer helemaal geen “uitbarsting” had? dat maakte het dubbel gezellig en aardig…’ Van Hamel  (na de commissie Beel, de vierde wijze man en mediator  in het ‘Soestdijk-conflict’)  schrijft op blz. 427-28: ‘De beste behandelaar van de koningin was zijns inziens de prins ? en hun kinderen niet te vergeten. Gemakkelijk werd het hun echter niet gemaakt door de “ontzettende driftbuien” van Juliana, die zij tien minuten later weer vergeten was’.

    De interventies van de schrijver gaan van mild kritisch tot onverbloemd kritisch. Zijn vele ironische en suggestieve opmerkingen, zijn uitleg, te pas en te onpas, hebben zeker een toegevoegde waarde. Over de driftbuien van Juliana suggereert  Fasseur dat ‘die driftbuien mede het gevolg zullen zijn geweest van haar opvoeding als enig kind’.
    Over de persoonlijk kamerheer van Juliana, mr. dr. I.G. van Maasdijk schrijft Fasseur op blz. 149 dat in de hele paleisaffaire, waarvan Greet Hofmans in de jaren 1948-1956 het middelpunt vormde, een prominente rol voor Van Maasdijk was weggelegd. O.a. op blz. 216 geeft Fasseur duidelijk zijn mening over deze rol: ‘Zij had er beter aan gedaan definitief met hem te breken. Nu behield hij, daarin gesteund door zijn vrouw, de gelegenheid Juliana op te zetten tegen haar echtgenoot  (…)’. En hij vervolgt op de volgende blz. ‘Het zal je kamerheer (of diens vrouw maar wezen. Brieven en adviezen als deze moesten wel een funest effect hebben op de harmonie in het door Bernhards gedrag toch al verstoorde huwelijk (…)’.

    Ook haar particulier secretaris, Walraven van Heeckeren, komt er bij herhaling niet goed vanaf. Op blz. 276 stelt Fasseur: ‘In het voetspoor van Van Maasdijk, met wie hij in vriendschappelijke betrekking bleef staan, begon hij zich hoe langer hoe sterker als de beschermer van de koningin op te werpen tegen de listen en lagen van haar eigengereide echtgenoot’.  Op blz. 429-430 ‘bevestigt’ Drees (in 1956) deze stelling: ‘Drees rekende Van Heeckeren, als overbrenger van de boodschappen van Hofmans samen met Van Maasdijk tot “de kwade krachten” voor het gezinsleven van koningin en prins. Er was een onhoudbare toestand ontstaan. Secretaris en kamerheer moesten daarom beiden van het hof worden verwijderd.’

    Maar het hoofdbestanddeel zijn toch de vele, vele citaten uit de diverse correspondenties die een waarheidsgetrouw beeld vormen of in hoge mate suggereren. Daarnaast geven ze een inzicht in de zeden, gewoonten en geestelijk klimaat van die tijd. Op blz. 101 schrijft Juliana in haar reisverslag (1941) over haar bezoek aan de Roosevelts: ‘Het zijn mensen met tact en van goeden huize, ze doen niet overdreven “gewoon”…  De gedienstigen zijn negers met aardige, pientere gezichten.’
    De lezer krijgt dus een goed beeld van de dertiger tot en met vijftiger jaren, visueel versterkt  door de fotokaternen en de foto’s die een enkele keer wel erg willekeurig in de tekst zijn geplaatst en soms geen direct verband hebben met de context. Op blz. 248 bv. waar een wintersportvakantie foto staat van de vier prinsessen middenin een tekst over het organiseren van een eerste geestelijke vredesconferentie in 1951.

    Het is opmerkelijk dat er zoveel gecorrespondeerd werd met elkaar in die tijd en dat zoveel correspondentie bewaard is gebleven.  De pennenvruchten van Bernhard hebben vooral grote historische invloed gehad. Bernhard meldt zichzelf aan als huwelijkskandidaat voor Juliana. Blz. 35 e.v. beschrijven hoe Bernhard langs verschillende wegen contact heeft gezocht met het Nederlandse hof ter voorbereiding van een ontmoeting met Juliana.

    Greet Hofmans biedt op 28 april 1948 middels ‘een wonderlijk epistel’ haar diensten aan als gebedsgenezeres. In eerste instantie werd dit verzoek afgedaan met een ‘standaardbriefje’ door de particulier secretaresse. Maar Hofmans zou het er niet bij laten zitten. En het was ook Bernhard die Greet Hofmans eind 1948 in ‘huis’ haalde op voorspraak van een aantal van haar sympathisanten. Het was ook prins Bernhard die de impasse, door Hofmans ontstaan, doorbrak en als enige redmiddel in zijn ogen de publiciteit van de invloedrijke buitenlandse media zocht door middel van zijn netwerk en aldus het conflict naar buiten bracht.

    De grafologische analyses waarin zowel Juliana als Bernhard geloofden zijn verhelderend en belangrijk en kunnen in deze dubbelbiografie echt niet ontbreken. Juliana heeft bv. ook de hulp van een amateurgrafologe ingeroepen om te weten of zij met Bernhard de ware Jacob had gevonden na er zo lang en tevergeefs  naar gezocht te hebben (blz. 41).

    Het tweede deel Het Conflict is uiteindelijk ‘la pièce de résistance’ – het belangrijkste deel voor Fasseur. De uitwerking  van de vragen en redenen  waarom hij deze dubbelbiografie heeft geschreven. Door het lezen van de vele brieven, citaten, ‘doorgevingen’ van Greet Hofmans, die zoals zijzelf zegt ‘het contactsleuteltje’ met Boven was (zij werd door Juliana ‘mijn lieve engel’ genoemd), is de lezer geneigd de conclusie te trekken dat Juliana, hoewel ze dat zelf tegensprak, gemanipuleerd werd, maar niet alleen door Greet Hofmans maar zeker ook door alle Hofmans-adepten om haar heen en in haar hofhouding. Daarmee volgt de lezer de bevindingen van de commissie Beel die het onderzoek heeft gedaan in dit ‘Koninginnedrama’ met Hofmans in de hoofdrol als de ‘Raspoetin’ van Soestdijk. De aanbevelingen van de commissie Beel werden uiteindelijk uitgevoerd. Het was gedaan met de invloed op Soestdijk van de Hofmansgetrouwen.
    De wereldvrede werd in 1956 op het nippertje gered; het huwelijk op Soestdijk ook.

    Juliana en Bernhard bleven nog 48 jaar bij elkaar tot in 2004 de dood hen scheidde. De eenzaamheid van Juliana tijdens haar hele leven komt heel duidelijk naar voren in veel documenten en wordt door Fasseur nog benadrukt, …zo we daar al over heen konden lezen. Misschien hebben alleen de eerste zes huwelijksjaren haar geluk en onbezorgdheid gebracht. Hoewel ze in de oorlog door haar verblijf in Canada gescheiden van Bernhard leefde en hun huwelijk door de talloze bestellingen die Bernhard deed  ‘hoe langer hoe meer de trekken kreeg van een ‘postorderbedrijf’, zo kunnen we lezen op blz. 115.

    Over de prinsessen komen we niet veel te weten. Behalve dat de Kees Boekeschool  in Bilthoven werd ingeruild voor het Baarns’ Lyceum omdat de twee oudsten een leesachterstand zouden hebben en er toch diploma’s behaald moesten worden. En zowel Beatrix als Irene kozen de kant van hun vader in de Hofmans-affaire. Ook prinses Armgard, de moeder van prins Bernhard betekende een vertrouwde haven (paleis Warmelo) voor de beide prinsessen. Dit in tegenstelling tot Het (koude) Loo van koningin/prinses Wilhelmina. Deze voorkeur was eveneens een bron van onenigheid tussen de beide echtelieden.

    De liefdesaffaires en amoureuze escapades van Bernhard worden niet uitgebreid besproken en worden door Juliana niet als dramatisch ervaren, althans zij heeft daarvan in haar brieven nooit iets laten blijken. ‘Misschien is het voorbeeld van haar moeder op haar houding van invloed geweest’, stelt Fasseur op blz. 122. ‘In het vorstelijk milieu van de negentiende eeuw was huwelijkstrouw nooit een deugd die sterk werd gecultiveerd. Keus was er voor de mannelijke helft van de in hogere kringen gehuwden doorgaans te over en de vrouwelijke helft had hierin maar te berusten’.

    Juliana & Bernhard is een zeer leesbaar en toegankelijk werk. De schrijfstijl van Fasseur is open en spontaan. Op geen enkel moment wordt het boek een dorre opsomming van feiten en gebeurtenissen vergezeld van saai commentaar. Kortom, een geslaagd boek! Een boek dat voortdurend je aandacht vasthoudt. Een aanrader voor die lezers die zich interesseren in geschiedenis en in de geschiedenis van ons koningshuis in het bijzonder.  We komen veel te weten over het hof en Hofmans (what’s in a name?). De brave vaderlandse pers werd in die tijd immers nog overal buiten gehouden.

    Misschien was het inderdaad zo, zoals Fasseur concludeert in zijn Terugblik en was ‘Juliana als het ware uit haar tijd gevallen’. Zie blz. 452. En ‘was er bij politici en partijen, met uitzondering dan van de communisten, geen enkel begrip voor de genuanceerde opstelling van de koningin in zaken van oorlog en vrede, voor haar bevlogen, toen als wereldvreemd gezien idealisme’ .

    Het laatste woord in deze affaire kwam van Juliana in haar kersttoespraak in 1956: ‘Maar heb ook ik soms het recht niet te trachten mijzelf te zijn’?  en daarmee kom ik terug op het citaat boven deze recensie: ‘Misschien viel Hofmans nog het minste te verwijten’ ? Fasseur op blz. 449.

     

    Juliana & Bernhard.Het verhaal van een huwelijk, de jaren 1936-1956
    (Heruitgave als paperback)
    Aureur: prof. dr. Cees Fasseur
    Prijs: € 15,-.
    Uitgegeven door: uitgeverij Balans, 2009

  • De performing dichter die de kreet verkoos boven het papier

    Eindelijk is er dan een biografie over Johnny van Doorn (1944 – 1991). Hoe men ook over hem moge denken, dat hij een unieke plaats inneemt in de Nederlandse literatuur staat buiten kijf. De titel verwijst naar een libretto, dat zelden werd opgevoerd maar door Van Doorn van tekst werd voorzien.

    Opgegroeid in een burgerlijk milieu in Arnhem in de vroege jaren vijftig ontworstelt hij zich aan school, wordt afgekeurd voor militaire dienst, ontloopt een eventuele baantjescarrière en kiest voor een vlucht naar voren. Hij treedt op in cafés waar hij vooral vuurwerk nadoet en onsamenhangende teksten scandeert, waarbij hij zichzelf in trance brengt. Uiteindelijk settelt hij zich in Amsterdam in een afbraakpand. Vanuit deze wankele veste presenteert hij zich als Johnny the Selfkicker. In 1966 treedt hij op uitnodiging van Simon Vinkenoog, op tijdens het roemruchte ‘Poëzie in Carré’. Hier valt hij direct op door een onorthodox optreden met veel verbaal en non verbaal lawaai. In het boek dat na deze manifestatie wordt uitgegeven, is Van Doorn degene die het meest gerecenseerd wordt door de verzamelde pers. Men weet niet goed raad met deze woordbarbaar.

    Het Algemeen Dagblad meldt: ‘Toen verscheen Johnny the Selfkicker, die in het begin nogal tam van wal stak met een gedicht waarin de paringsdaad met nadrukkelijke realiteit werd beschreven maar tenslotte in zijn bizarre kreten losbarstte , waarop het publiek wisselend reageerde. Eerst proestte de zaal van pret, daarna klapten de aanwezigen van enthousiasme en tenslotte brulde de menigte van afkeer om Johnny’s openhartigheid. Het was in ieder geval een boeiende afsluiting vóór de pauze.’

    Zonder het te beseffen is hij plotseling een ‘performing poet’ geworden. Iemand die de kreet verkiest boven het dulle papier. Uitgeverijen Meulenhoff en De Bezige Bij bieden hem echter wel degelijk contracten aan en dat leidt tot de uitgave van zijn eerste bundel Een nieuwe mongool (1966) gevolgd door Een heilige huichelaar (1968).

    Het is de tijd van de provohappenings rond het Lieverdje in Amsterdam. Rookmagiër Robert Jasper Grootveld ontvouwt zijn theorie rond de mythische figuur Klaas. En Johnny van Doorn doet zijn duit in het zakje door overal en nergens te declameren ‘dat men eindelijk maar eens klaar zou moeten komen.’ Gevolgd door zijn soundrepeteergeweer: ‘Een magistrale stralende zon’. Uw recensent mocht een aantal malen getuige zijn van optredens van Van Doorn en vooral de wilde, allesoverspoelende energie en de herhalingen werkten op de lachspieren en wekten bewondering. Ook in het dagelijks leven schrikt Johnny er niet voor terug zijn knallende geluidseffecten overal (tram, bus, café) ten beste te geven. Vaak tot verbazing van het gehoor.

    Hij drinkt in deze hashdoorrookte dagen liever veel alcohol en dat zal zijn hele leven zo blijven. Was hij alcoholist? Hij trouwt met de danseres Yvonne en ze krijgen een zoon, Sindbad Bruce. Bruce naar de Amerikaanse cabaretier Lenny Bruce. Johnny wordt (terecht) moe van het optreden in rokerige studentenzaaltjes en besluit zich meer te gaan concentreren op proza. Via Hans Sleutelaar krijgt hij een column aangeboden bij de Haagse Post. Uiteindelijk worden zijn verhalen gebundeld in Mijn kleine hersentjes (1972). Het boek wordt lauw ontvangen maar na een tv-optreden verkoopt het redelijk. De Bezige Bij is in haar nopjes.

    De VPRO toont belangstelling voor Van Doorn en Wim Noordhoek en Peter Flik maken mooie programma’s met Johnny als middelpunt. Zijn causerieën voor de VPRO-radio worden later gebundeld in de cyclus Gevecht tegen het zuur. (Zijn drankzucht veroorzaakt regelmatig –  vooral ’s ochtends – overtollig maagzuur.)

    Inmiddels is Van Doorn met vrouw en kind in het troosteloze Amsterdam Noord neergestreken, waar hij koortsachtig aan het schrijven is geslagen. Zijn optredens doet hij nu voor veel geld met steeds meer tegenzin. Hij heeft zelfs een grijs pak aangeschaft. Zijn oude kompanen Hans Verhagen en Cor Vaandrager zien dat met lede ogen aan.
    Door Armando en Cherry Duyns wordt hij in Herenleed gevraagd, een toneelachtige absurdistische voorstelling die spoedig een cultstatus zal krijgen, mede door de vreemde rol, die Van Doorn erin vertolkt. Hij speelt o.a. kabouter, moeder en bediende. Er volgt een heuse tournee door Duitsland onder de titel Herrenleid. Een boek met foto’s van de voorstellingen is in drie dagen uitverkocht. Johnny van Doorn wordt gevraagd voor een reclame voor het zoutje Nibb-it. Later zou Jules Deelder hem volgen en reclame maken voor Legner jenever (‘Waar Deelder, dáár Legner’).

    Moegestreden wordt hij tenslotte in het ziekenhuis opgenomen. Maar hij is te laat, de kanker is ongeneeslijk en hij sterft.

    Nico Keuning heeft veel mensen geïnterviewd uit de grote kring rond Van Doorn. Hij portretteerde eerder Jan Arends en Bob den Uyl en het beeld dat hij van Johnny van Doorn schetst is helder. Over een fenomeen in de jaren zestig, een bekende in de jaren zeventig en een moegestreden afvallige in de jaren tachtig. Jammer dat er geen Selfkickers meer zijn.

    Oorlog en pap. Het bezeten leven van Johnny van Doorn.
    Auteur: Nico Keuning
    Blz: 262
    Uitgever: De Bezige Bij
    Prijs: €24,90

    Bijzonderheid: met cd en het niet eerder gepubliceerde libretto Oorlog en pap.

  • Biografiegegevens Charlotte Mutsaers

    Charlotte Jacoba Maria Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942) is schrijfster, essayiste en schilderes. ‘Vaak word ik getypeerd als liefhebber van details. Meestal is dat goed bedoeld maar het is geen juiste voorstelling van zaken. Er bestaan geen details. Alles is via causale ketens met elkaar verbonden en je hoeft geen speurneus te zijn zoals ik om er achter te komen dat de haar van een rups van niet minder importantie is dan het Vrijheidsbeeld.’

    Persoonlijk

    Charlotte Mutsaers wordt geboren in Utrecht. Haar moeder is – als we van haar verhalen, essays en interviews uitgaan – een dominante vrouw die haar sterk het gevoel geeft lastig en luidruchtig te zijn. Haar vader is kunsthistoricus: ‘Hij werkte als documentalist op het kunsthistorisch instituut in Utrecht en had ook voor zichzelf een gigantische verzameling van duizenden plaatjes aangelegd. Die knipte hij uit de jaarlijkse kunstkalenders en de kerstnummers van luxebladen als L’Oeil en Du. Summum summarum zo’n knippende en plakkende vader. Af en toe mocht ik bij hem op schoot zitten en dan liet hij me “examen” doen. Ik moest dan raden uit welke tijd een bepaald kunstwerk stamde en van welke hand het was. Op die manier heb ik een enorme kennis van de schilderkunst verworven. Zijn verzameling bevindt zich thans in het NKD (Nederlands Kunsthistorisch Documentatiecentrum) te Den Haag’ (www.charlottemutsaers.nl).

    Na haar middelbare schooltijd studeert Mutsaers eerst Nederlands, vervolgens gaat ze – via enige omwegen op haar negenentwintigste naar de Rietveldacademie in Amsterdam. Veel exposities heeft ze daarna niet, maar haar werk wordt wel veelvuldig gekocht door verzamelaars.

    In 1994 breekt ze als schrijfster door met Rachels rokje, een persoonlijk universum van verhalen, herinneringen, uitweidingen en associaties rond een radicale verliefdheid.

    Mutsaers is getrouwd met de neerlandicus Jan Fontijn en woont met man en hond afwisselend in Amsterdam, Frankrijk en Oostende.

    Bron: www.charlottemutsaers.nl en www.literairnederland.nl

    Bijzonderheden

    • Het werk van Mutsaers wordt als postmodernistisch beschouwd. Anthony Mertens: ‘De ruis in de teksten van Charlotte Mutsaers is geruststellend en onrustbarend tegelijkertijd, want het weer kan daar van het ene op het ander moment omslaan.’
    • Mutsaers stond voor de Tweede Kamerverkiezingen 2006 en 2017 op de lijst van de Partij voor de Dieren.
    • In een interview met Adriaan van Dis uit 1983, illustreert Mutsaers dat ze vloeiend woorden andersom blijkt te kunnen uitspreken en zingen.
    • In 2004 werden op initiatief van Charlotte Mutsaers tien bijzondere edities van haar boek Bont (2002) bij opbod verkocht middels een speciale internetveiling ten bate van de Stichting Bont voor Dieren.
    • In 1987 ontwerpt ze een serie kinderpostzegels. In 2000 stelde ze een aantal werken tentoon in de Vleeshal voor de tentoonstelling Schilderen en schrijven.

    Links

    www.charlottemutsaers.nl

    Werken

    • Het circus van de geest (1983, emblemata)
    • Hazepeper gevolgd door Napoleon, Sunt pueri pueri… en Varia (1985, essays)
    • Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw (1986, beeldverhaal)
    • De markiezin (1988, roman)
    • Hanegeschrei (1988, beeldverhaal)
    • Kersebloed (1990, essays)
    • Rachels rokje (1994, roman)
    • Paardejam (1996, essays)
    • Zeepijn (1999, verhalenbundel)
    • Bont. Uit de zoo van Charlotte Mutsaers (2002)
    • Cheese! (2003, boek en cd)
    • Koetsier Herfst (2008, roman)
    • 2010 – Pedante pendules en andere wekkers (essays)
    • 2012 – Dooier op drift (poëzie)
    • 2012 – Sodom revisited (poëzie, uitgave in de Matchboox-serie met artwork van Louis Gauthier)
    • 2015 – Tongetje in de Bijenkorf
    • 2017 – Harnas van Hansaplast

    Prijzen en benoemingen

    Bron: www.literaireprijzen.nl

     

     

  • Tonnus Oosterhoff

    door Menno Hartman

    Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953) is een Nederlands dichter en schrijver. Zijn poëtische werk wordt standaard goed onthaald in de kritiek en voor iedere bundel ontving hij tot nu toe een literaire prijs. Zijn experimenten met vorm en digitale media, die vooral in Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2002), een bundel met bijgeleverde cd-rom tot uitdrukking komen, zijn vooruitstrevend en vernieuwend. Criticus Jos Joosten: ‘Moeilijk is zijn werk zeker niet, “apart” is het wel.’

    Persoonlijk
    Tonnus Oosterhoff wordt in 1953 geboren in Leiden. Hij volgt het gymnasium in Groningen en gaat Nederlandse taal- en letterkunde en psychologie aan de Rijksuniversiteit in Groningen studeren. Aansluitend daarop studeert hij psychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en gaat hij werken als schoolpsycholoog.

    Oosterhoff debuteert relatief laat als dichter. In 1990 verschijnt zijn eerste gedichtenbundel Boerentijger. Guus Middag schrijft over deze bundel dat het ‘een veelzijdige, eigenzinnige en weinig verliteratuurde indruk’ maakt. Oosterhoff  ontvangt voor zijn debuut de C.Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie.

    Oosterhoff gaat werken als tekstschrijver en in 1991 debuteert hij als prozaïst met de verhalenbundel Vogelzaken.

    In 2001 initieert Tonnus Oosterhoff een eigen website, waarop ‘bewegende’ gedichten te zien zijn en hij een geheel nieuwe manier van het lezen van poëzie introduceert. Tom van Deel in Trouw over de ‘bewegende gedichten’: Meer nog dan in de bundel mogelijk is, laat deze cd-rom gedichten in beweging zien (zo heet hij dan ook). Wat dat betekent, kan ik alleen maar omschrijven in beeldende termen. Het schijfje bevat twaalf gedichten, waarvan er slechts een enkele in de bundel staat, het meeste is nieuw en extra. Soms verschijnt er op het scherm een stuk tekst waar na verloop van tijd allerlei veranderingen in optreden, alsof iemand bezig is varianten aan te brengen. Soms ook begint het met een woord dat aangevuld wordt en uitgroeit tot een tekstgedeelte, dat vervolgens weer verdwijnt en later, gewijzigd weer opdoemt. Het is een muzikaal, en ook beeldend, te noemen procédé, dat ongelooflijk sterk werkt, vanwege de ritmiek van opkomen en verdwijnen en vanwege de overvloed aan betekenissen die erdoor ontstaat’.

    Bron: www.kb.nl

    Bijzonderheden

    • De roman Het dikke hart verscheen in 1999 in Duitsland onder de titel Das dicke Herz: roman.

    www.tonnusoosterhoff.nl

    Werken

    • Boerentijger (1990, gedichten)
    • Vogelzaken: verhalen (1991)
    • De ingeland (1993, gedichten)
    • Het dikke hart: roman (1994)
    • Kan niet vernietigd worden: verhalen (1996)
    • Tekeningen 1970-1971 (1996, jaarwisselingsuitgave)
    • {Robuuste tongwerken,} een stralend plenum (1997, gedichten)
    • De lichtjes op de autoradio… (1998, gedichten)
    • Ook de schapen dachten na: essays (2000)
    • Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen: gedichten (2002)
    • Dans zonder vloer: verhalen (2003)
    • Hersenmutor: gedichten 1990-2005 (2005)
      Bron: www.kb.org
    • Prijzen
    • 1990    C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie voor Boerentijger.
    • 1994    Herman Gorter-prijs voor De ingeland.
    • 1995    Multatuli-prijs voor Het dikke hart.
    • 1998    Jan Campert-prijs voor {Robuuste tongwerken,} een stralend plenum.
    • 2003    VSB Poëzieprijs voor Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen.
      Bron: www.literaireprijzen.nl