• Biografie over ‘ongepolijste’ schrijver

     

    Er zijn verschillende biografieën verschenen over de Amerikaanse schrijver Jack London (1876-1916); hieraan heeft onze landgenoot Hans Dütting (1947) er in 2014 eentje toegevoegd onder de simpele titel: Jack London.

    Dütting heeft meerdere biografieën geschreven, o.a. over Jan Cremer; hij was tot zijn pensionering als medewerker verbonden aan het Letterkundig Museum in Den Haag. De werkwijze van de biograaf is als volgt. Hij opent met een chronologie van het leven van Jack London. Op zich niets bijzonders, dat doen wel meer biografen. Maar Dütting doet dat heel strikt – jaartalsgewijs – bovendien vermeldt hij per jaartal diverse belangrijke gebeurtenissen.

    Voorbeelden: 1882: Jack London bezoekt de lagere school. De schrijver Robert Louis Stevenson publiceert Treasure Island. 1890: Jack maakt zijn school af en gaat werken in een conservenfabriek waar zalm wordt ingeblikt. Vincent van Gogh pleegt zelfmoord. 1896: Jack verlaat de middelbare school en wordt toegelaten tot de universiteit van Californie. Theodor Herzl publiceert zijn boek Der Judenstat, de aanzet tot het georganiseerde Zionisme.

    De vroege jeugd van Jack verloopt – evenals de rest van zijn korte leven – stormachtig en avontuurlijk. Essentieel, al in zijn lagere schooltijd, is dat hij wordt gegrepen door de literatuur, mede onder invloed van de bibliothecaresse en dichteres Ina Coolbrith. Zijn hartstocht voor boeken laat hem nooit meer los. En vanaf zijn middelbare schooltijd (1895 in Oakland, Californië) publiceert hij korte verhalen en artikelen, al verloopt dat proces aanvankelijk moeizaam en zonder noemenswaardige inkomsten. Hij heeft dan al (in 1893) een carrière als matroos achter de rug aan boord van een schoener, die via o.a. Hawaï de Beringzee bezoekt. Terug in Californië werkt hij in een jutefabriek. Hij krijgt in een wedstrijd voor jonge schrijvers de eerste prijs (25 dollar) voor zijn verhaal ‘Story of a Tyfoon off the Cost of Japan’.

    In 1896, dus op 20-jarige leeftijd, sluit hij zich aan bij de Socialist Labor Party. Voor deze partij stelt hij zich tweemaal kandidaat voor het burgemeesterschap van Oakland, doch beide keren tevergeefs.

    Het jaar daarop verlaat hij de universiteit en besluit hij zich volledig aan de literatuur te wijden. In hetzelfde jaar wordt bekend, dat er in Klondike, in het uiterste noorden van Canada, goud is gevonden en dus vertrekt de avontuurlijke London naar Klondike. Maar veel goud vindt hij daar niet en terug in Oakland verkoopt hij zijn schamele hoeveelheid goud voor 4 dollar 50! In deze periode doet hij in gesprekken in kroegen inspiratie op voor zijn bestseller The Call of the Wild. Het boek werd aanvankelijk – in 1903 – als feuilleton in de Saterday Evening Post gepubliceerd. Toen het in boekvorm verscheen verkocht London de rechten – uit geldnood – voor 2000 dollar aan de uitgever. Daarna werden er miljoenen exemplaren van verkocht! Het boek is altijd in druk gebleven. Het werd een klassieker, die tot op de huidige dag op Amerikaanse middelbare scholen verplichte literatuur is. Er verschenen meer dan 60 vertalingen. In het Nederlands onder de titel: Als de natuur roept.

    Het succes van het boek kan worden verklaard door een ongewone opzet: de goudkoorts wordt gezien door de ogen van Buck, een sledehond. De goudzoekers in dat onherbergzame gebied kregen te maken met een verschrikkelijk klimaat, waarin sledehonden uiterst waardevol waren. De gokverslaafde baas van Buck verkoopt de hond aan weinig zachtzinnige hondentrainers, die hem met knuppels africhten om hem daarna naar het koude noorden te sturen. Hier komt de sledehond in opstand en weigert verdere diensten. Een goudzoeker ontfermt zich over hem; de instincten van zijn voorouders worden geleidelijk, tijdens lange tochten door het woud, sterker en wanneer zijn baas door Indianen is vermoord, geeft hij toe aan een lokroep: hij sluit zich aan bij een troep wolven. Maar toch: een keer per jaar keert hij terug naar de plaatst waar zijn baas werd vermoord. En nog eenmaal huilt hij daar heel hard als eerbetoon aan een goede baas. Het gigantische succes van Call of the Wild vestigde Londons naam als schrijver.

    Hij heeft er zijn leven ook alleszins naar ingericht: hij werd een uitermate productieve auteur, die in tijdschriften en boeken – 50 stuks maar liefst, terwijl de auteur maar 40 jaar oud werd – zijn mening weergaf over uiteenlopende onderwerpen als inkomensproblemen, carrièremogelijkheden, onderwijs, cultuur/religie/moraal van andere volken, liefdadigheid, huwelijksproblemen en echtscheiding. Dit laatste aspect kende de auteur uit persoonlijk ervaring: nadat hij op 24-jarige leeftijd trouwde met Elisabeth Maddern (‘Bess’) bij wie hij al gauw twee dochters kreeg, werd hij drie jaar later weer verliefd op zijn vroegere vriendin Charmian Kittredge, scheidde van zijn vrouw en trouwde met zijn vriendin, die tot zijn dood bij hem bleef. Van de talloze boeken die London schreef mogen er enkele niet onbesproken blijven. Met The Sea-Wolff (1904) sloot hij zich aan bij een aantal schrijvers van zeeverhalen als Edgar Allan Poe en Herman Melville.

    In 1908 schreef de oude socialist in hem het boek The Iron Heel, een vernietigende aanklacht tegen het kapitalisme van zijn tijd en tevens een belangrijke bijdrage aan de ophanden zijnde economische revolutie. De kringen, die in hem – terecht-  het grote literaire talent van Californië zagen deden zijn  socialistische theorieën graag af als een gril van voorbijgaande aard. Maar dat deed niets af aan het feit dat hij – in het kader van de klassenstrijd – ook waarschuwde voor de gevaren van het fascisme. Het begin van de 20ste eeuw liet dat in zekere zin al zien.

    In het voorjaar van 1913 was Jack London de bekendste en best betaalde schrijver ter wereld maar in weerwil van zijn verbluffende literaire productie kende de schrijver periodes van zwaarmoedigheid. Hij twijfelde dan aan zijn werk, aan het socialisme, aan de ranch die hij had laten bouwen, aan zijn vrienden, aan zijn met verve verdedigde recht op zelfmoord etc. Tijdens deze depressies, die hij voor iedereen verborgen probeerde te houden, dronk hij enorm veel, schold hij met dikke tong en zocht hij ruzie. Maar hij zou zichzelf niet zijn geweest als hij dit niet zou hebben opgeschreven en dat leverde de autobiografisch roman John Barleycorn op. Het werd een klassieker over het alcoholisme, zelfs zodanig dat het een van de leidende factoren werd waardoor in 1919 in de VS het algehele alcoholverbod tot stand kwam, de zogenaamde drooglegging.

    In zijn laatste roman The Star Rover (1915) beschrijft London de ervaring van iemand die in een beruchte eigentijdse gevangenis was gemarteld. Er werd een beeld geschetst van het verschrikkelijke leven, zoals ooit beleefd door een ex-gevangene, die daarbij hallucinaties kreeg over dramatische episodes uit een verre geschiedenis. Deze verschillende periodes van het verleden boden de schrijver de gelegenheid om kritiek uit te oefenen op leven en moraal van de eigentijdse maatschappij.

    Jack London overleed op 22 november 1916. Zijn dood schokte de VS én Europa. Omdat bewezen werd, dat hij kort vóór zijn overlijden morfine had gebruikt houden veel van zijn biografen het op een zelfmoord door een overdosis. Maar de betrouwbaarsten onder hen, waaronder één van zijn dochters achtten dat onwaarschijnlijk. Hij zat namelijk tot zéér kort voor zijn dood vol enthousiaste plannen voor nieuwe boeken, reizen en het kopen van uitbreidingsgrond voor zijn ranch. Men houdt het meer op uremie als doodsoorzaak, een gevolg van nierfalen. Biograaf Hans Dütting sluit zich hierbij aan. Hij concludeerde in zijn biografie terecht, dat toen later geraffineerder en meer gepolijste schrijftechnieken in zwang kwamen er voor een ‘ongepolijste’ schrijver als Jack London altijd een plaats zal blijven bestaan; zijn werk blijft springlevend.

     

  • Nieuwe film over Dylan Thomas

    door Karel Wasch

     

    Het is dit jaar 100 jaar geleden dat de beroemde dichter Dylan Thomas in Swansea in Wales werd geboren. Hoewel Dylan in Wales werd geboren sprak hij nauwelijks Welsh. De voertaal in zijn gezin was Engels en hij woonde in Swansea in een Engelse enclave van gegoede burgers en notabelen.

    In Engeland en Wales wordt zijn geboortejaar uitbundig gevierd. Prince Charles las voor de televisie een gedicht van Thomas voor en in oktober worden overal festivals en opvoeringen georganiseerd. Under Milk Wood, zijn beroemde stemmenspel zal in meerdere steden worden opgevoerd en de British Mail kwam zelfs met een postzegel uit met Thomas er op.

    De BBC doet nu een duit in het zakje en vertoonde 19 mei jl. de televisiefilm A Poet in New York. Als biograaf van Thomas was ik nieuwsgierig naar het resultaat en posteerde mij voor de buis. Er is veel positiefs aan deze film. Met een groot budget werd op locatie gefilmd. We zien prachtige beelden.  Laugharne, het plaatsje in Wales, waar Dylan met vechtgenote Caitlin de laatste 4 jaar van zijn leven doorbracht is poëtisch in beeld gebracht met een dansende Caitlin op de achtergrond. Ze was danseres.

    De acteurs spelen formidabel, zo zien we Tom Hollander als een overtuigende Dylan Thomas, die schitterend voordraagt, en Essie Davis lijkt geknipt voor de aanvallende agressieve Caitlin. Ook de vileine literaire agent van Dylan, John Malcolm Brinnin, wordt trefzeker neergezet door Ewen Bremner. Er zijn flash backs van de jeugd van Dylan, zijn opkomende astma, de prachtige wandelingen langs de zee en er is een inkijkje in het gezin Thomas, waar vader trots is op zijn zoon, maar eigenlijk zelf dichter had willen worden. Niets aan de hand dus. Maar dan begint de ellende. De laatste tournee van Dylan Thomas door de Verenigde Staten van 19 oktober tot 9 november 1953 wordt uitvoerig in beeld gebracht. Bolle ijskasten, dikke Buicks, gele taxi’s, ze zijn er als een zoetsappig décor voor een onheilspellend drama. Deze laatste tournee door Amerika is weliswaar belangrijk in zijn leven, maar ze bestrijkt maar anderhalve maand. We zien Dylan – hij is dan al ziek- overgeven vlak voor een optreden, we zien hem aan een stuk door drinken, totdat de dood erop volgt. Drinken totdat we zinken, terwijl de dokter hem meermalen waarschuwt. En -last but not least- we zien een man die de controle over zijn gehavende leven volkomen kwijt is. De vrouwen komen en gaan. Ze hebben mislukte sex met de dichter, maar hij denkt alleen maar aan zijn vrouw, die hij in Wales heeft achtergelaten. De repetities van Under Milk Wood  in New York, verlopen stroef en de ontmoeting met Stravinsky komt niet tot stand. Dylan Thomas zou een tekst schrijven voor een opera, maar heeft geen letter op papier gekregen. Hij lijdt aan diabetes, een maagaandoening en heeft absences.

    Ik weet het. Er moet tegenwoordig veel sensatie tussen de beelden, anders verslapt de aandacht. En die sensatie is niet ver te zoeken in het leven van de poet maudite. De Rimbaud van Wales, popster avant la lettre. Maar ik hoop dat de toeschouwer na het zien van deze film snel duikt in het werk van de getormenteerde dichter. En dan blijft ondanks alle excessen in zijn korte leven van 39 jaar een schitterend oeuvre over.

     

    A Poet in New York

    regie: Aisling Walsh
    duur: 72 minuten
    TV film BBC

  • ‘Bezie uw werk als de spaanders van de plank die ge had willen zagen.’

    Tien jaar na het overlijden van Godfried Bomans
    († 1971) verscheen deze monografie als bijlage van Vrij Nederland, een jaar later in boekvorm. Nu, honderd jaar na de geboorte van Bomans, werd Jeroen Brouwers door uitgeverij Atlas Contact in de gelegenheid gesteld zijn boek nog eens tegen het licht te houden met het oog op een nieuwe druk. Jeroen Brouwers bezag zijn werk en zag dat het nog steeds goed was.

    Op de vraag die hem indertijd gesteld werd wat hij in godsnaam had met Godfried Bomans, antwoordde hij: ‘Hij is familie van mij!!’ En niet alleen Jeroen Brouwers zegt schatplichtig te zijn aan Godfried Bomans, maar ook menig ander Nederlands literator erkent dat te zijn, bijvoorbeeld Harry Mulisch.  Zij roemen Bomans dan vooral om zijn grote stilistische kwaliteiten – ‘de nu en dan volmaakt schrijvende Bomans’ – , niet om wat hij schreef, dat beschouwen zij als ‘niet veel soeps’. Hierin schuilt iets tragisch. Bomans kon liegen alsof het gedrukt stond. Zo schijnt hij ooit op een feestje aan alle aanwezige dames zijn levensverhaal te hebben verteld en alle verhalen bleken volkomen van elkaar te verschillen. Dat gaf hij ook ruiterlijk toe: ‘De waarheid is wat ik ervan maak’.  De feitelijke toedracht der gebeurtenissen was voor hem niet interessant, het gaat om de ‘nieuwe waarheid’ die de verteller creëert.  In het creëren van deze nieuwe waarheid kwam Bomans echter nooit verder dan briljant vertelde flauwiteiten, ‘geslachtsloze schrijfsels’ zoals Gerard Reve zijn werk typeert.  Jeroen Brouwers weet dit tragische onvermogen van Bomans goed bloot te leggen zonder afbreuk te doen aan zijn gevoelens van respect en waardering voor Bomans. Na 1950 heeft Bomans geen boek van betekenis meer geschreven. Hij teerde eigenlijk nog slechts op de successen uit het verleden door zichzelf op allerlei spreekbeurten in den lande, op radio en later ook op televisie voortdurend te herhalen.  Bomans was populair, mateloos populair. Hij verloor het contact met de wereld van de literatuur en kwam steeds meer in de greep van ‘het droefmakend volk uit het Gooi dat verantwoordelijk is voor stupidisering, infantilisering, kunsthaat en smaakverpesting’. Bomans werd steeds eenzamer. Eigenlijk schuilt er in het beeld dat Jeroen Brouwers ons van Bomans schetst iets van de ondergang van een Klassiek Griekse held: briljant, door de goden zelf voorbestemd tot grootse daden en werken, op handen gedragen door het volk, maar ook geketend aan de draden van het lot en de tijd: de Moira, die zelfs de macht van goden te boven gaat.

    Treffend is de vergelijking tussen Bomans en Reve, van wie wij hierboven al hebben laten zien dat hij niet veel ophad met Godfried Bomans. Brouwers grijpt op een knappe manier de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig door te laten zien dat, terwijl Gerard Reve, afkomstig uit een niet-katholiek nest, zich bekent tot de R.K. Kerk vanwege het daaraan verbonden ritueel en dat ritueel ook op provocerende wijze sublimeert, Godfried Bomans, diep geworteld in de ultramontaanse traditie van diezelfde kerk, zich manifesteert als een haast Erasmiaanse spotvogel van de ambtsdragers van die kerk en de aan hun ambt verbonden rituele handelingen, waarvan hij zich echter nooit zal kunnen losmaken.  Bomans reageert enthousiast op de uitspraak van Reve: ‘Het menselijk bestaan is een verschrikkelijke ziekte die onherroepelijk eindigt met de dood. Wat moet je nu doen? Je moet zèlf,  als leek,  poliklinieken inrichten waar je psychotherapie beoefent, en waar je allerlei rituele handelingen uitvoert die een bezwerende werking hebben en waardoor de mensen weer een paar etmalen het bestaan aankunnen. Dàt is de kerk.  En inzonderheid is dat een kerk, die niet theoretiseert over zonden en over korte rokken en zo, maar één die een mysterie opvoert zoals de katholieke kerk.’  Voor beiden wordt het ritueel steeds meer de werkelijke essentie van het geloof. Alleen waar Reve provoceert en dus shockeert, conformeert Bomans zich en verwordt zo, in de ogen van Jeroen Brouwers, tot de ‘Anton Pieck van het katholicisme’, al tijdens zijn leven de ‘personifiëring van het verleden’.

    Bomans eindigt zijn leven eenzaam, weliswaar op handen gedragen door het kijkbuisvolk, maar uitgelachen door de literaire wereld, waartoe hij toch eigenlijk behoorde.  Jeroen Brouwers geeft weer hoe Harry Mulisch de beëindiging  van zijn vriendschap met Bomans als volgt beschrijft: ‘Kort voor Bomans’ dood stonden hij en Bomans per toeval, ieder in hun eigen auto, naast elkaar, in Haarlem voor een rood stoplicht te wachten. “Een tijdje zaten wij toen dom tegen elkaar te lachen, tot het licht op groen sprong; hij stak zijn hand op en sloeg rechtsaf. Ik moest rechtdoor.”‘ Zijn verblijf op Rottumerplaat, kort voor zijn dood, waar hij exhibitionistisch zonder kleren rondloopt, maar in zijn dagboek noteert: ‘Ik ben als de dood voor exhibitionisme van mijn diepere gevoelens’, geeft de tragiek van Bomans prachtig weer.  Jeroen Brouwers toont zich hier heel meelevend, want verontwaardigd door te zeggen dat het precies die angst is die Bomans heeft belet een groot schrijver te worden. Hij heeft zich uiteindelijk te veel laten coachen door ‘lulhannessen’ als Willem Duys en zijn coterie (blz. 148), die hem aanmoedigden ‘produktie’ te maken en te weinig door mensen die hem zouden kunnen aanmoedigen zich bezig te houden met zijn eigenlijke werk, nl. het schrijven van boeken. Doodziek en gek van eenzaamheid keerde hij terug naar de vaste wal om korte tijd later te sterven.

    Over Godfried Bomans

    Auteur: Jeroen Brouwers
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 192
    Prijs: € 18,95

  • Nieuwe blik op dode dichter

    Willem Kloos is hét protoype van de dichter. Gekweld, dronken en eenzaam. Vol van Grote Gevoelens, Hevige Hartstochten en Onvervulde Verlangens die zich in eindeloze stromen sonnetten en andere gedichten een weg banen. Willem Kloos (1859-1938) was de dichterlijke voorman van de paleisrevolutie in de Nederlandse letteren bij uitstek: de Beweging van Tachtig. Hij bezorgde in 1882 de eerste uitgave van de gedichten van zijn jonggestorven vriend Jacques Perk, die een nieuw tijdperk inluidden in de Nederlandse literaire geschiedenis en hij – Kloos – voorzag dit boekje van een programmatische inleiding. En ten slotte redigeerde hij vanaf 1885 meer dan vijftig jaar het tijdschrift dat spreekbuis der Tachtigers was: De nieuwe gids. Na drieste beginjaren vol van passie, originaliteit en overmoed ontpopte Kloos zich tot een levend fossiel van wat zo glorieus begon. En daarmee zat hij zijn eigen beeldvorming en nagedachtenis danig in de weg. Het is dus een mooie daad van eenvoudige rechtvaardiging dat aan Kloos’ leven en werk onlangs een biografie werd gewijd.

    Het beeld van Kloos als gedoemd poëet c.q. dichtervorst is op het lachwekkende af herhaald in hagiografisch aandoende en inmiddels zeer gedateerde publicaties, zoals van Max Kijzer, K.H. de Raaf en last but not least van Kloos’ weduwe Jeanne Reyneke van Stuwe herself. Dit beeld wordt door Bart Slijper krachtig bijgesteld, allereerst door zijn focus op de enkele jaren van Kloos’ werkelijk belangrijke optreden in de Nederlandse letteren en ten tweede door Kloos zonder terughouding in al zijn deerniswekkendheid voor het voetlicht te brengen. Kloos’ zelfmoordpoging (met een broodmes) is wel een dieptepunt dat hier waarschijnlijk voor het eerst wordt opgedist (Jeroen Brouwers noemt in elk geval in zijn boek uit 1984 over zelfmoord in de Nederlandse letteren het geval Kloos niet).

    Slijpers suggestieve beschrijving van het contact tussen de jeugdige dichters Kloos-Perk resp. Kloos-Verwey laat ruimte genoeg voor een 21ste eeuwse interpretatie van volledig geconsumeerd homoseksueel contact. Of daarvan echt sprake geweest is blijft vaag. Doet het ertoe en ‘willen wij dit weten’? Misschien niet, maar de ogenschijnlijk veelzeggende behandeling van dit even delicate als gewichtige onderwerp laat onduidelijkheid bestaan die de nieuwsgierigheid wel prikkelt maar niet bevredigt.

    Slijper laat meer vragen van de lezer onbeantwoord: bv. hoe Kloos’ vrienden reageerden op zijn toch wel wat burgerlijke huwelijk. En we hadden ook wel iets meer willen weten over contacten van Willen Kloos met zijn vader, stiefmoeder, stiefbroer. Of waar Kloos van leefde. Of hoe Kloos m.n. in zijn zwartste jaren zijn zenuwziekte en alcoholverslaving wist te combineren met het redacteurschap van De nieuwe gids. Over de achtergrond van figuren als Witsen, Van der Goes, Gorter, Alberdingk Thijm, Paap hadden ook enkele aanvullende alinea’s kunnen zorgen voor meer reliëf en perspectief. Wie waren al die mensen, hoe kenden ze elkaar, etc. Nu blijven het toch passanten die af en toe fel belicht worden. Wie niet enigszins thuis is in de betreffende materie kan daardoor ook wel wat ‘tekort komen’.

    Als er één woord van toepassing is op dit boek dan is het ‘impressionistisch’. De auteur Bart Slijper focust zeer sterk op een beperkt aantal levensjaren van Kloos. Die zijn zonder meer doorslaggevend of in elk geval relevant, zeker waar het zijn vriendschappen betreft (Slijper spreekt dikwijls van ‘liefdes’) met Jacques Perk en Albert Verwey. Maar het resultaat is toch ook: onevenwichtigheid. Bij sommige gebeurtenissen staan we zo ongeveer in de kamer om een en ander bij te wonen en mee te maken, door middel van langdurig uitgesponnen verslagen, levendig aangevuld met goedgekozen dagboek- en briefpassages. Anderzijds worden Kloos’ laatste veertig levens- en huwelijksjaren in enkele alinea’s afgedaan. Neutraler geformuleerd: dit is een journalistieke biografie. Slijper concentreert zich op wat ‘het belangrijkste’ is in Kloos’ leven, de rest is bijzaak – en blijft dus grotendeels buiten beeld.

    Dit doet niet af aan het feit dat dit boek levendig en aantrekkelijk is. Het prijkt, zoals het hoort, met een aanzienlijk notenapparaat en verantwoording, maar de biografie is nergens zwaarwichtig of taai. De bronnen waaruit Slijper heeft geput zijn bovendien overvloedig, rijk, origineel en gevarieerd. Slijpers commentaar is hier en daar juist knap-laconiek (‘Dingen waren anders vroeger.’, p. 199) of aandoenlijk betrokken (‘Ach, Willem dan toch.’, p. 225; ‘De treurigheid van dit alles.’, p. 227). Ook scherp is Slijper soms in zijn bijna aforistisch aandoende kwalificaties: ‘Hij is gecapituleerd en heeft overwonnen’, p. 242.

    Zoals gezegd: het bestaande beeld van Willem Kloos – als daarvan al iets was overgebleven – was eenzijdig, verouderd en ook niet helemaal rechtvaardig. Bart Slijper geeft met zijn levendige boek over deze dode dichter de lezer van vandaag een nieuwe blik. Het verhaal over ‘de mens’ Willem Kloos kan biograaf Bart Slijper niet leuker maken dan het is; de ‘figuur’ Willem Kloos verdient dit boek volledig. Slijper heeft Kloos ontdaan van literair-historisch aangekoekte ballast die het zicht op de reële betekenis van Kloos belemmerde. Namelijk die van katalysator van de Beweging van Tachtig en van een ‘nieuw geluid’ in de toenmalige Nederlandse letteren.

    In dit gevreesd gemis.
    Het leven van Willem Kloos

    Auteur: Bart Slijper
    Verschenen bij: Uitgeverij Bert Bakker
    Aantal pagina’s: 325
    Prijs: € 24,95

     

  • Recensie door Hilde van Vlaanderen

    Had het anders gekund?

    Rudi van Dantzig wilde zijn herinneringen aan Sonia Gaskell schrijven. Hij had een voorlopig manuscript liggen toen hij in januari 2012 overleed. Maria Vlaar, journalist en redacteur, heeft het manuscript gelezen en bewerkt. In haar nawoord geeft zij – gelukkig – een uitgebreide toelichting van het materiaal dat zij aantrof en hoe zij het boek vormgegeven heeft.

    In dit nawoord schrijft zij o.a. Dat Van Dantzig aan het eind geen grip meer had op zijn tekst en dat zijn ‘driesporenbeleid’ geen goede greep was, bleek bij lezing al snel. Er zat goud in het manuscript verborgen, maar dat zou wel zorgvuldig uit het ruwe materiaal opgediept moeten worden. Dat was mijn taak en daarbij heb ik vooral, paradoxaal genoeg, hulp gekregen van de schrijver zelf. Door zijn prachtige roman Voor een verloren soldaat te herlezen, raakte ik opnieuw onder de indruk van zijn heldere, geciseleerde stijl en zijn gevoeligheid voor details.’ 

    Van Dantzig kon dus wel degelijk schrijven. De vraag dringt zich op hoe voorlopig het manuscript was dat ze na zijn dood vonden. Hoeveel zou hij zelf nog geschrapt en bijgeschaafd hebben?

    Vlaar heeft ruim een kwart van de oorspronkelijke tekst geschrapt, een indeling in hoofdstukken gemaakt en de verhaallijn chronologischer gemaakt. Met alle waardering voor haar consciëntieuze bewerking is er een boek uitgekomen, dat toch gemengde gevoelens oproept.

    Rudi van Dantzig wilde zijn herinneringen aan Sonia Gaskell schrijven. Dat heeft hij zeker gedaan. Maar dat niet alleen. Hij schreef ook een stuk balletgeschiedenis van Nederland. Hij beschreef ook de start van zijn eigen loopbaan. Daarnaast beschreef hij de ontmoeting met Sonia Gaskell, de lessen, de samenwerking, het gedeelde enthousiasme voor de dans, zijn bewondering voor haar tomeloze energie en doorzettingsvermogen. Maar vooral beschreef hij ook de verwondering, het ongemak, het vaak terugkerende onderlinge onbegrip. ‘Gaskell kon een schaduw over onze levens laten vallen of een felle lichtstraal op ons richten, ons opzwepen, deprimeren, verhelderen of versomberen, hoopvol laten zijn of diep zwartgallig. Ze kon ons ons nietige schepsels doen voelen en soms liet ze ons dat ook zo ervaren. Gaskell was onze ochtend en avond, in die tijd. Donker en licht. (pag. 163) (Maria Vlaar had nog wel meer mogen schrappen).

    Het boek geeft een beeld van een gedreven, soms niets ontziende, vaak wispelturige vrouw die maar één doel voor ogen had: een uitstekende balletopleiding en daaruit voortvloeiend een professioneel corps de ballet. Enerzijds wilde iedereen les bij haar hebben, anderzijds werd er gemopperd over haar strenge optreden. Nu eens koesterde zij haar favoriete leerlingen, dan weer werden ze geschokt door onverwachte beslissingen. Die voortdurende wisselingen in stemmingen, in reacties over en weer heeft Van Dantzig goed beschreven. Zo goed, dat je al lezend ook boos wordt, maar ook denkt: ‘waarom kon niemand op redelijke wijze met deze vrouw omgaan?’ Waren het karakterverschillen of ook cultuurverschillen?

    Het hoofdstuk, dat Rudi van Dantzig aan de levensloop van Sonia Gaskell wijdt is nogal feitelijk opgezet, heeft weinig kleur. Dit zal mede veroorzaakt zijn door het feit, dat zij vermoedelijk zelf weinig heeft losgelaten en hij meer van haar zus gehoord heeft. Toch ontstaat de vraag, of hij als leerling en later collega wel voldoende afstand had om dieper door te vragen, door te zoeken. Bij veel biografen, die niet zo verbonden zijn met de persoon over wie zij schrijven, zie je toch vaker meer inkleuring. Juist die afstand creëert dan de mogelijkheid om dichter bij de persoon te komen.

    Het boek is interessant voor mensen, die willen lezen over de ontwikkelingen in de Nederlandse balletwereld. Het biedt echter vooral een boeiend inkijkje in botsende karakters en de onmogelijkheid om tot elkaar te komen, terwijl er toch een gezamenlijke wereld is. Hoe tragisch was het uiteengaan na een inhoudelijk conflict, waarbij mevrouw Gaskell ogenschijnlijk de grote verliezer is en alleen achterblijft. Zeker, het is duidelijk dat Rudi van Dantzig gekweld werd door alle misverstanden en bleef schommelen tussen bewondering en verwondering. Misschien komt er ooit een biografie, zowel over Rudi van Dantzig als over Sonia Gaskell. Maar op de vraag, of het niet anders had gekund, zullen we wel nooit een antwoord krijgen.

     

    Herinneringen aan Sonia Gaskell

    Auteur: Rudi van Dantzig
    Redactie en van een nawoord voorzien door: Maria Vlaar
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 360
    Prijs: € 24,95

  • Een leven als een roman

    ‘Wat een ontzettend leuke tante moet dat geweest zijn’, schrijft Robert Anker na het lezen van het dagboek van Eefje Jonker, overigens niet zijn tante maar een achternicht. Na lezing van het dagboek kun je het alleen maar met hem eens zijn.

    Eefje Jonker begint met het opschrijven van haar levensverhaal op de dag dat ze hoort dat haar echte naam niet Eefje de Zeeuw is, maar ……. inderdaad: Eefje Jonker. Het is haar achttiende verjaardag en ze krijgt te horen dat haar ‘ouders’ niet haar ouders maar haar pleegouders zijn. Hoewel het haar vanzelfsprekend overvalt, is ze er niet echt ondersteboven van: het is een nuchter West-Fries meisje, dat niet snel uit haar evenwicht raakt. Om de opzienbarende onthulling te verwerken, schrijft ze op wat ze te weten is gekomen:

    ‘Jeetje, wat een toestand allemaal. Dat moest ik echt gaan opschrijven en blijkbaar denk ik dat er nog meer komt want ik schrijf dit in een leeg schoolschrift dat ik nog overhad van de ulo. We zullen zien. Misschien ben ik wel aan een dagboek begonnen.’

    Het dagboek beslaat, met onregelmatige tussenpozen, een periode van ongeveer dertig jaar, te beginnen op 11 mei 1928. De laatste aantekening is niet gedateerd, de voorlaatste is echter van 9 mei 1956.

    Zo kunnen we Eefje volgen tijdens de meest roerige perioden van haar leven en we zien haar ontwikkeling van een puberend meisje, op zoek naar wie en wat ze nu eigenlijk is, tot een vrouw die, uiteindelijk, haar bestemming heeft gevonden. Op dat punt eindigt het dagboek: de noodzaak om alles op te schrijven was er niet meer.

    Wat meteen opvalt, is hoe goed ze schrijft. Ze heeft belangstelling voor literatuur en taal en hecht duidelijk belang aan de wijze waarop ze formuleert. Ze brengt haar twijfels en onzekerheden, haar emoties bij goede en slechte ervaringen op indrukwekkende en boeiende wijze onder woorden. Regelmatig vraag ze zichzelf af waarom ze dit doet, schrijven in een dagboek: zelf weet ze immers alles al en het is niet de bedoeling dat anderen het lezen. Toch blijft ze schrijven: hoewel het niet altijd leidt tot beter begrip van en meer controle over haar handelen en gevoelens, laat het haar wel nadenken over zichzelf en biedt het haar daardoor af en toe inzicht in haar motieven. Als lezer zie je haar volwassen worden en haar schrijfstijl groeit mee. Helaas ontbreekt er, zoals we vernemen van Eefje zelf, een periode: de schriftjes waarin ze toen heeft geschreven is ze kwijt geraakt.

    Het is allesbehalve een alledaags meisje, dat we uit dit dagboek leren kennen, en ook later, als ze volwassen is, blijkt ze een bijzonder mens. Ze is vrijgevochten, zelfstandig en eigenzinnig. Bovendien is ze creatief begaafd: ze schildert niet onverdienstelijk. Hoewel ze talent heeft, is dit niet voldoende om in haar onderhoud te voorzien. Haar pleegouders stellen haar voor een opleiding tot kapster te volgen en haar daarna te helpen met het opzetten van een eigen kapsalon. De opleiding tot kapster volgt ze in Amsterdam en daar gaat een wereld voor haar open. Ze voelt zich direct aangetrokken tot het artistieke bohemienachtige leven waarmee ze daar kennismaakt. Bovendien raakt ze bevriend met een meisje dat ook de kappersopleiding volgt, Elsa. Hun gevoelens voor elkaar overstijgen het vriendschappelijke, maar dat herkennen ze vooralsnog niet.

    Eefje rondt de opleiding af en start, zoals de bedoeling was, met behulp van haar pleegouders, een kapsalon. Ze blijft schrijven in haar dagboek, weliswaar met grotere tussenpozen. De salon loopt goed maar ze ontmoet een man, trouwt en vertrekt met hem naar Ursem, waar hij boer is. Ze blijft echter zelfstandig werken als kapster, ook als ze moeder wordt.

    De provincie, het platteland en het huwelijk werken niet voor haar. Zelfs het moederschap brengt haar geen rust. Ze maakt keuzes die niet alleen in die tijd op z’n minst opzienbarend genoemd konden worden, maar die ook vandaag de dag nog tot opgetrokken wenkbrauwen zouden leiden.

    De manier waarop het dagboek bij Robert Anker terecht is gekomen, is een roman op zich, te meer daar hij nooit op de hoogte is geweest van haar bestaan. De Amerikaan Chris Lewis vond na het overlijden van zijn moeder de schriften waarin haar moeder (zijn oma dus) een dagboek bijhield. Hij kon zelf geen Nederlands lezen, maar schakelde een Nederlandse branchegenoot in, Liesbeth van Dongen. Zij herkende de naam Eefje Jonker uit een autobiografisch boek van Anker, dat ze kort daarvoor gelezen had, en ze nam contact op met de schrijver. Toeval bestaat (niet)..?

    Natuurlijk, er worden grote periodes van het leven van Eefje Jonker overgeslagen en we kennen slechts de “ingedikte” versie van haar levensverhaal; belangrijke relaties, bijzondere ontmoetingen en beslissende keuzes: alleen de spannende episodes zijn opgeschreven en bewaard gebleven. En toch is dat voldoende om te constateren dat het leven van deze bijzondere vrouw moeiteloos model zou kunnen staan voor een boeiende roman. Het is zeker de moeite waard om, via dit dagboek, kennis met haar te maken.

     

    Het dagboek van Eefje Jonker

    Bezorgd en van een nawoord voorzien door: Robert Anker
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 18,95

     

  • Biografie van Curaçaose dichter Pierre Lauffer

    Als schrijver kun je een nog zo fraaie geloofsbrief van Frank Martinus ‘Dubbelspel’ Arion op zak hebben: ‘je kunt zeggen dat iedereen die in het Papiaments goede poëzie schrijft, op de ene of andere manier door Pierre beïnvloed is’, maar daarmee is niet gezegd dat iedereen die in goed Papiaments schrijft in het gehele Koninkrijk der Nederlanden bekendheid geniet. Pierre Lauffer (1920-1981) is dan ook op de Antillen een begrip, maar daarbuiten heeft nauwelijks iemand van hem gehoord. Daar komt nu verandering in omdat de Pierre Lauffer Stichting Bernadette Heiligers heeft gevraagd het leven van Lauffer te boekstaven in de Nederlandse taal. Bernadette Heiligers heeft zich voorafgaande aan de biografie de volgende onderzoeksvragen gesteld: ‘In hoeverre valt het oeuvre van Pierre Lauffer samen met zijn leven? Wat vertelt het van de samenleving waarin hij opgroeide? En welke invloed heeft de dichter en schrijver mogelijk gehad op de taal en de literatuur van zijn land?’

    Lauffer was van de generatie van Tip Marugg en Boeli van Leeuwen, landgenoten die zich richtten op de Nederlandse taal en daarmee ook literaire bekendheid in ons land verwierven. Pierre Lauffer bewandelde een andere weg. Hij schreef in het Papiaments, een taal die cultureel gezien geen rol van betekenis speelde. Pierre Lauffer zag echter al jong de potentie en klankrijkdom van deze taal, in zijn ogen zo eigen aan de schoonheid van zijn eiland. Zijn debuutbundel Patria was ook een primeur voor het Papiaments, want het betrof de eerste dichtbundel volledig in die taal geschreven. Zijn vriend Luis Daal had Lauffer plechtig op het hart gedrukt: ‘Zolang jij je gedichten niet publiceert, ontneem je ons volk iets waar het recht op heeft.’ Dat die taal in lager aanzien stond was voor Lauffer geen reden haar links te laten liggen. Integendeel, als deze biografie ergens in overtuigt is het wel het beeld van een man die lak had aan conventies en sociale normen en liefst zijn eigen gang ging. Zijn belang voor het Papiaments was groot, maar zijn invloed was indirect. Schrijvend over de kleine man, stond hij daar zelf ver vanaf.

    Melancholie en sarcasme

    De biografie is thematische opgebouwd en volgt zoveel mogelijk een chronologische lijn. Deze aanpak komt de overzichtelijkheid ten goede, maar kent het nadeel dat feiten soms herhaald worden. De passie van Lauffer voor zijn eiland Curaçao staat centraal, het Papiaments, zijn liefde voor de vrouw, muziek. Maar ook zijn in zichzelf gekeerd zijn, zijn onaangepastheid, de man die dwars door zijn negen kinderen tellende gezinsleven heen zijn eigen weg bleef gaan, zijn sarcasme, zijn nonchalance, zijn humor, zijn melancholie komen aan bod. Weinig blijft van hem onbesproken. Daarvoor worden veel bronnen overhoop gehaald, waarvan sommigen elkaar tegenspreken. Wel zo eerlijk.

    Waar het de eigen nazaten van Lauffer betreft heeft de biografe hun ruimte voor retoucherend commentaar gegund. Want ja, als lezer gaan je oren wel klapperen als je leest hoe streng hij als vader voor zijn kinderen kon zijn (zo moest de gitaar van zijn oudste zoon eraan geloven toen deze met een teleurstellend rapport thuiskwam) en hoe zijn nukkig beleden soberheid doorwerkte op zijn gezin. Veelzeggend is ‘dat hij met 10 gulden deed wat een ander met 100 gulden deed’. Verjaardagen werden niet gevierd, want dat was immers maar gewoon een dag. En Sinterklaas kwam er ook niet in. Hij leerde z’n kinderen ‘van kleins af aan dat Sinterklaas niet bestond, want hij was niet van plan geld aan cadeautjes uit te geven zodat een nepheilige met de eer zou strijken.’ Ook lezen we hoe hij zijn kinderen dacht te harden: hij ging dan zelf in het donker in het verste hoekje van een kerkhof staan en liet zijn kinderen vervolgens één voor één naar hem toe lopen.

    De anekdotes doen het goed in deze biografie die een tikkeltje conventioneel inzet om gaandeweg over te gaan op show, don’t tell. Want er kan met zoveel woorden worden verteld dat Pierres afkeer van sociale conventies een spoor van onrust door zijn leven trok; dat zijn nonchalante houding niet een geaffecteerde poging betrof om de artiest uit te hangen, maar dat hij, waar zelfs de eenvoudige kantoorbediende niet zonder jas en gepoetst schoeisel de deur uitging, het gewoon zelf verkoos om in hemd en op arme-mensen-sandalen over straat te lopen onder het motto ‘je moet de mensen iets te roddelen geven’, maar als je mag lezen dat de dichter in de apotheek, horende dat een klant discreet naar de apotheker vraagt, buldert: ‘Geef die man toch gewoon een pak condooms!’ weet je genoeg. Vanaf dat moment komt zijn levensverhaal écht tot leven en zal die Pierre bij de meeste lezers een potje kunnen breken. Wie zo tegen de conventies gekant is, lijkt nog niet van zijn achtergrond bevrijd. Zo is Lauffer zijn leven lang belijdend Katholiek gebleven en de rijke kinderschare (elf in getal) die hij bij zijn twee respectieve echtgenotes verwekte, wijst ook op een zekere hang naar geborgenheid in tradities. Hij mocht dan geen waarde hechten aan feestdagen, hij respecteerde wel bepaalde familierituelen van zijn ouders. Frank Martinus Arion merkt daar iets over op: ‘Omdat Pierre Lauffer niet duidelijk laat blijken waar hij voor staat, kan je niet zeggen dat hij behalve een sociaal geweten ook sociale principes heeft.’

    Tweede leven eindigt in verbittering

    Echt populair is Lauffer nooit geworden, binnen het beperkte taalgebied van het Papiaments bleven de oplagen beperkt. Ook de poëtica van Lauffer blijft buiten beeld. Wel sleepte hij er een aantal prijzen mee in de wacht. Vanzelfsprekend vormde met zo’n klein afzetgebied zijn schrijverswerk geen noemenswaardige bron van inkomsten. Een vast inkomen had hij lang niet altijd, ondanks een rits aan baantjes als politieman, salesman, begrafenisondernemer, ambtenaar en leraar. Het gezin Lauffer kende dan ook periodes waarin het moest teren op het geld van de rijkere schoonfamilie. En juist met deze schoonfamilie had Pierre bonje gemaakt op de hem typerende wijze. Toen een van zijn kinderen ter communie ging, wilde hij daarbij niet opgedoft voor de dag te komen. Hij wilde het feest sober houden. Maar zijn schoonvader had juist groots willen uitpakken met feestelijke kleren en lekker eten. Niks ervan! Pierre wist het feest te saboteren door de stekker uit de koelkast te trekken opdat het daarin ingeslagen voedsel zou bederven en vervolgens de overgebleven taarten de achtertuin in te smijten.

    Op 47 jarige leeftijd liet een nieuwe liefde van achttien jaar hem nog een tweede jeugd beleven. Toch treedt aan het eind van zijn leven verbittering in. Als hij in de zeventiger jaren leraar Papiaments is moet hij vaststellen dat de nieuwe generatie zich aan die taal minder gelegen laat liggen. ‘Soms gebeuren er dingen in het leven die je melancholiek maken. Je merkt dat je vaak gestreden hebt voor dingen die niet de moeite waard zijn. Als ik mensen onder een boom zie zitten zonder verder iets uit te voeren, denk ik soms dat zij misschien wel gelijk hebben.’ Meer en meer gaat de buitenwereld hem minder interesseren tot die de proporties krijgt van zijn achtertuin. ‘Ik heb een hangmat. Als ik daarin lig, weet ik niet eens dat de wereld bestaat.’ Op 60 jarige leeftijd overleed hij tamelijk onverwacht in het ziekenhuis waar hij als diabeet opgenomen was voor een zwart plekje aan zijn voet.

    Het is mooi dat de Stichting Pierre Lauffer deze biografie in de Nederlandse taal heeft doen verschijnen zodat men ook hier kennis kan nemen van het boeiende leven van deze man die in een uithoek van ons Koninkrijk zowel in zijn leven als in zijn poëzie z’n eigen pad ging. Ter afsluiting een poëziefragment van Lauffer in de hem zo typerende melancholische stemming:

    ‘Aldoor in tweestrijd, niet wetend wat te doen,
    schuim om mijn mond van woede, angstig
    om mijn onvermogen een besluit te nemen
    tot vertrek en dan weer luidkeels wensende
    het onbekende achter me te laten,
    terug te keren naar de buurten
    die ik als mijn broekzak ken
    en het verlaten.

    Ik weet het niet,
    geloof me maar, ik weet het niet:
    rot ik weg in steenslag dat van hitte ziedt
    of lig ik ooit, begraven als ontheemde,
    ver van mijn land, tussen een groepje vreemden?’

    Hopelijk hoeven we niet te wachten tot de honderdste geboortedag van deze dichter eer er een keuze uit zijn poëzie in het Nederlands verschijnt.

     

     

  • 10 jaar Literair Nederland: 2007 – Doris Lessing wint Nobelprijs voor de Literatuur

    door Ingrid van der Graaf

    Dat Literair Nederland aandacht besteedt aan literaire, historisch belangrijke gebeurtenissen, maakt het archief tot een waardevolle bron waar zo nu en dan uit geput kan worden. In 2007 won Doris Lessing (1919-2013) de Nobelprijs voor Literatuur. Dat hier twee verschillende recensenten, de één anoniem, de ander was Pauline van der Lans, over schreven, maakt het alleen maar interessanter.

    Het gouden boek (The golden notebook, 1962) van Doris Lessing kwam in 1978 in Nederlandse vertaling uit en werd ongewild een must voor elke vrouw die zich enigszins in de feministische hoek ophield. Het  is een omvangrijke roman over de sociale en psychologische onrust in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Het leven van schrijfster Anna Wulf staat centraal in het boek. Anna probeert door middel van vier notitieboekjes haar leven de baas te blijven. Daarbij heeft elk schrijfboek zijn eigen functie: zwart voor haar ervaringen in Afrika, rood voor de toenmalige politieke situatie, geel voor de gefictionaliseerde versie van zichzelf en blauw voor haar dagboek. Het maakte indruk, je leven te ordenen door het in vier verschillende kleurschakeringen op te delen. De rustgevende ordentelijkheid die daarvan af straalde deed menigeen ernaar verlangen dit ook te beheersen. Ook mij stond het idee wel aan om verschillende schrijfboekjes te gebruiken. Maar het bracht me niet de rust en overzichtelijkheid die ik tijdens het lezen van Het gouden boek in Anna dacht terug te zien. Ik raakte in een soort vacuüm door het ontleden van gevoelens en gedachten, en dan ook nog te moeten kiezen in welk boekje, welke kleur het bijgeschreven moest worden, verlamde me compleet. Maar des te meer gold mijn bewondering voor Lessing, hoe zij tot het construeren van deze complexe roman was gekomen.

    In mijn vriendenkring van die tijd werden overigens te pas en te onpas, notitieboekjes cadeau gedaan. Nu ik erover nadenk zou het zomaar kunnen zijn dat door Het gouden boek, vanaf eind jaren zeventig, het gebruik van opschrijfboekjes, drastisch gestegen is.

    Lees hier het wat zakelijker bericht van 11 oktober 2007, en hier de uitvoerige en heldere bespreking over het werk van Lessing (15 oktober 2007) door Pauline van der Lans. Beide berichten hebben als uitgangspunt het winnen van de Nobelprijs voor de Literatuur door Doris Lessing.

     

    Lees ook:
    2011, Knip dan, toe dan 

    2003, De zwemmer van Zsuzsa Bánk
    Een herinnering aan 10 jaar Literair Nederland 

     

  • Steeds bezig aan één groot werkstuk

    In oktober 1954 vulde een Haarlemse ambtenaar een formulier in waarin Anton Heijboer (of Heyboer, zoals hijzelf schreef) zich liet registreren als kunstenaar. De etser en latere schilder wilde gebruik maken van de contraprestatieregeling. Die voorzag erin dat de gemeente werk aankocht in ruil voor een uitkering. Heyboer verklaarde tegenover de ambtenaar dat hij van niemand invloed had ondergaan en dat bijzonderheden over hem te vinden waren in zijn dossier in het krankzinnigengesticht in Santpoort. De ambtenaar noteerde nog dat de verklaringen op het formulier in hoofdzaak waren gebaseerd op uitlatingen van de kunstenaar zelf.

    Blijkbaar wisten ze ten gemeentehuize in 1954 al niet hoe ze betrouwbare biografische gegevens over hem op papier moesten krijgen. Dat zou niet erg veranderen. Ruim 50 jaar later verklaarde kunsthistoricus Hans Locher over Heyboer: ‘[Hij] bouwde zijn eigen gekkenhuis in Den Ilp, kon je zeggen, in het echt en in de verhalen. Er was niet zoveel verschil.’

    Locher vertelde dat aan Bert Nijmeijer, historicus en journalist, van wie zojuist een boek over Heyboer is verschenen.

    Nijmeijer, geboren in 1971, had het beeld van Heyboer dat de meesten voor ogen staat. Dat van de halvegare quasi-kunstenaar die tussen vrouwen en dieren woonde in vervallen hokken in Den Ilp, bij Amsterdam, en wiens verschijning in TV-programma’s als De Stoel vooral op de lachspieren werkte. Nijmeijers ruimere nieuwsgierigheid werd gewekt toen in 2007 een boekje verscheen van Erna Kramer. Zij leerde Heyboer kennen in 1952, was vier jaar daarna met hem getrouwd, had met hem een dochtertje Marcelle gekregen, en was in 1959 met het kind bij hem weggegaan. Heyboer maakte daarna geen deel meer uit van hun leven, maar in 2007 ontdekte Erna dat Heyboer haar in interviews doodzweeg door zijn leven in de jaren ’50 louter af te doen als ‘vijf jaar palingvissen’. Dat was haar te gortig.

    Voor Nijmeijer kwam daar nog eens bij dat rond de tijd dat Erna haar stem in geschrift verhief de geruchten steeds aanzwollen over regelmatig opduikende vervalsingen van werk van Heyboer. Daarin speelden de Amsterdamse kunsthandelaren Knubben en Simon én een mysterieuze Bijvoet een grote rol. Dat waren voor hem genoeg redenen om de geschiedenis van die ‘gek’ uit Den Ilp te reconstrueren.

    Maar ga er maar aan staan, als uit de aantekening van de Haarlemse ambtenaar en de ervaring van Locher al blijkt dat je nauwelijks houvast zult vinden. Dat ontdekte Nijmeijer gaandeweg eveneens. Hij heeft dan ook geen biografie geschreven, maar ‘een biografische speurtocht’. Die leidde vooral langs de bestaande literatuur en zo’n 35 ‘getuigen’ die hij interviewde. Al die verhalen heeft hij samengeweven tot een lappendeken van anekdotes, meningen, interpretaties en ruzies, die het object van zijn onderzoek helaas niet erg nader tot de lezer brengen dan in voorgaande publicaties al is gebeurd.

    Nijmeijer schrijft onderhoudend, daar niet van. Al lijkt het er soms op dat hij moeite had om weetjes en anekdotes achterwege te laten. Soms is dat storend voor de loop van het verhaal. Wat moet je er bijvoorbeeld als lezer mee dat Harry Mulisch, die in Haarlem bevriend was met Heyboer, naar Amsterdam verhuist en daar met Ed Hoornik optrekt. Het gegeven heeft geen enkele relevantie voor het leven van Heyboer die dan feitelijk al met Mulisch gebroken heeft.

    De rode draad in het boek wordt gevormd door twee componenten: de filosofie van Heyboer en zijn werk. Wat het eerste betreft blijft de kunstenaar trouw aan de diagnose die in 1951 in Santpoort al gesteld werd: ‘krankzinnigheid met Christuscomplex’. Hij bouwt zijn filosofie uit tot een systeem waarin hij zelf als een soort Christus de spil vormt met als doelstelling zijn hele leven en dat van de vijf vrouwen waarmee hij uiteindelijk in Den Ilp samenwoont tot zijn ultieme kunstwerk te verheffen. Steeds als een nieuwe vrouw bij hem intrekt moet haar ego en haar burgerlijkheid tot de grond toe worden afgebroken om met hem verenigd te kunnen worden. ‘Ik ben steeds bezig aan één groot werkstuk’, laat Nijmeijer hem ergens zeggen.

    Daarnaast als tweede component zijn werk, dat aanvankelijk in de vorm van etsen en later in schilderijen (gemakkelijker, want zo’n ding heb je veel sneller af) wordt opgetuigd uit lijnen, kruisen, cijfers en teksten die allemaal naar zijn ‘systeem’ verwijzen. Een enkeling valt ervoor, maar eigenlijk is er niemand die er een touw aan vast kan knopen. De al genoemde Locher, die in 1976 eveneens een biografie publiceerde, kende de kunst van Heyboer ‘een ongewoon dwingende werking’ toe, maar zag er toch ook niet meer in dan ‘een taal waarin bepaalde mededelingen gedaan werden’ (geciteerd door Nijmeijer). Aan zo’n heldere analyse heb je nog eens wat als je geïnteresseerd bent in wat de kunstenaar bewoog!

    Ook Nijmeijer zelf slaagt er niet in om de lezer inzicht te geven in Heyboers werk, maar anders dan Locher, valt hem dat te vergeven. Hij geeft in zijn nawoord toe dat hij te weinig kunstkenner is om daar uitspraken over te doen.

    Heyboer. Een biografische speurtocht laat zich grotendeels lezen als een amusant verhaal. Het wordt zelfs spannend als de auteur probeert te achterhalen wie de geheimzinnige Bijvoet is, die steeds opnieuw met onbekend werk uit zijn Haarlemse periode aan komt zetten. Nieuwe inzichten over leven en werk van Heyboer levert het boek echter niet op.

     

     

  • Biografie J.M. Coetzee, Een schrijversleven – J.C. Kannemeyer

    Onlangs verschenen

    De biografie van J.M. Coetzee door J.C. Kannemeyer. In deze diepgaande biografie wordt  de wereld en wandel van Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee gevolgd van Zuid-Afrika tot Groot-Brittannië en van de Verenigde Staten tot Australië. Hij belicht de politieke en sociale achter gronden van Coetzees oeuvre net zo uitvoerig als diens persoonlijke geschiedenis. Omdat de schrijver zijn medewerking verleende, had Kannemeyer toegang tot de meest uiteenlopende bronnen, wat verrassende inzichten in Coetzees werk en werkwijze opleverde. De biografie geeft een beeld van een bewogen leven in een verscheurde eeuw en laat zien hoe John Maxwell Coetzee zich heeft ontwikkeld van docent Engelse letterkunde tot een van de belangrijkste auteurs van onze tijd.

     Over de schrijver van onder andere de meesterwerken In ongenade en Wachten op de barbaren is weinig bekend. Deze grondige eerste biografie verandert dat. Kannemeyers boek bevat veel foto’s uit het archief van de familie Coetzee en een schat aan nooit eerder gepubliceerd materiaal, van Coetzees eerste gedichten tot fragmenten uit zijn masterscriptie, van redevoeringen tot brieven. Zo ontstaat voor de lezer een zo compleet mogelijk beeld van Coetzees werk en geschiedenis, vanaf het moment dat zijn Nederlandse voorouders zich in de zeventiende eeuw in Zuid-Afrika vestigden, tot aan zijn huidige verblijf in Australië.

    John Christoffel Kannemeyer (1939-2011) was als academicus een autoriteit op het gebied van de Afrikaanse literatuur en de schrijver van meerdere veelgeprezen biografieën over Afrikaanse auteurs. Daarnaast publiceerde hij talloze studies over de geschiedenis van de Afrikaanse literatuur. Voor zijn biografieën en literaire essays ontving hij onder andere de Recht Malan Prize, de C. Louis Leipoldt-prijs, en een eredoctoraat aan de Universiteit van Stellenbosch. Hij overleed kort na de voltooiing van deze biografie. ‘Deze biografie is een uiterst indrukwekkende onderneming. Het boek voorziet de lezer van een immense  hoeveelheid informatie die voorheen ontoegankelijk was, en werpt een nieuw licht op het schrijverschap van J.M. Coetzee.’ – Derek Attridge.       

    Biografie; J.M. Coetzee, Een schrijversleven

    J.C. Kannemeyer
    Vertaald door Joost Poort-Prijs
    Prijs: € 45,-
    Uitgeverij Cossee

     

  • In Memoriam J. Bernlef (1937 – 2012)

    Schrijver en dichter J. Bernlef  is op 29 oktober jl. na een kort ziekbed op 75 jarige leeftijd overleden. Bernlefs oeuvre omvat zo’n vijfentachtig titels die getuigen van een onvermoeibare schrijversdrang. Bernlef schreef in een no-nonsensstijl, sober en wars van gepsychologiseer. Hoewel hij vooral bekendheid verwierf met zijn romans schreef hij alles bij elkaar meer dan duizend gedichten. Bernlef is het pseudoniem voor Hendrik Jan Marsman, een Friese bard uit de achtste eeuw.

    In 1958 richtte Bernlef samen met G. Brands en K. Schippers het tijdschrift Barbarber op. Hij schreef daarvoor realistische en neo-realistische gedichten. Het tijdschrift onderscheidde zich van andere literaire tijdschriften door geen onderscheid te maken tussen het gewone en het literaire. De in Sint Pancras geboren schrijver debuteerde in 1959  toen hij de Reina Prinsen Geerligsprijs , (een literaire prijs voor auteurs onder de 25 jaar) won voor zijn inzending van niet eerder gepubliceerde verhalen en gedichten . De gedichten verschenen een jaar later in Kokkels en de verhalen in Stenen Spoelen.

    Bernlef was ook een belangrijk vertaler. Hij heeft onder andere vele werken uit het Zweeds naar het Nederlands vertaald, zoals het werk van Nobelprijs winnaar voor de literatuur 2011 Tomas Tranströmer. Als journalist interviewde hij samen met K. Schippers verschillende auteurs voor het tijdschrift De Gids. Hij schreef ook recensies voor o.a. de Haagse Post, was na Barbarber redacteur van Raster en publiceerde met eigen werk in meerdere tijdschriften, waaronder Kroniek van Kunst en Kultuur, Podium, Maatstaf, Waddenbulletin en Bzzlletin.

    In 1984 brak Bernlef door bij het grote publiek met Hersenschimmen. Een roman over een relatie die eindigt door dementie. Het thema dementie was een geheel nieuw onderwerp in de literatuur. Van dit boek zijn in Nederland en Vlaanderen meer dan een miljoen exemplaren verkocht en het werd in tien talen vertaald. In 1988 werd de roman verfilmd. In 2008 schreef hij het boekenweekgeschenk De Pianoman. Over zijn schrijven zei Bernlef zelf dat de meeste ideeën die hij had eerst als gedicht ontstonden en daarna verder werden uitgewerkt tot verhalen, essays of een roman.

    Bernlef was meer dan vijftig jaar aan uitgeverij Querido verbonden. Uitgever Annette Portegies op de site van de uitgeverij: ‘We verliezen niet alleen een geweldige schrijver maar vooral ook een lieve vriend. Iemand bovendien die, vanuit de traditie van ons huis, meedacht over de toekomst van de uitgeverij, en die jonge schrijvers hielp en adviseerde. We zullen hem verschrikkelijk missen.’ Ter ere van vijftig jaar schrijven publiceerde Querido dit jaar de nieuwe bundel verhalen, Help me herinneren.

    Zijn werk werd vele malen bekroond, onder andere met de P.C. Hooftprijs, de Constantijn Huygensprijs en de AKO Literatuurprijs.

    In de Boekenbijlage van NRC Handelsblad stond in mei van dit jaar een groot interview van Marjoleine de Vos met Bernlef ter ere van 50 jaar schrijverschap. In dat interview wordt benadrukt hoe enorm productief Bernlef in zijn leven is geweest.

     

     

  • In memorium Rutger Kopland (1934-2012)

    Door Ingrid van der Graaf

    Vorige week overleed in de nacht van 11 op 12 juli de dichter  Rutger Kopland, pseudoniem van de psychiater Rudi van den Hoofdakker. Rutger Kopland werd 77 jaar en publiceerde sinds 1966 meer dan tien poëziebundels en essays. In 1988 ontving hij de PC Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre en in 1998 de VSB Poëzieprijs. Voor zowel zijn kunst als zijn wetenschappelijke prestaties ontving hij twee eredoctoraten.

    Maar hij paste voor een koninklijke onderscheiding. ”Mensen die krom liggen voor het buurthuis of zich belangeloos inzetten voor de lokale sportclub verdienen een lintje”, aldus Kopland in 2005. Evenals de eer om als Dichter des Vaderlands op te treden, liet hij aan zich voorbij gaan. Kopland leefde na een ernstig auto-ongeluk in december 2005 zeer teruggetrokken en trad nauwelijks meer in het openbaar op.

    Als psychiater was Kopland een autoriteit op het gebied van depressiebestrijding. Van 1981 tot 1995 was hij hoogleraar biologische psychiatrie. Tijdens zijn hele loopbaan streed hij voor de erkenning van de ‘zachte krachten in de geneeskunde’, zoals hij dat noemde. ‘Men hoeft geen wereldvreemde holist te zijn om toe te geven dat voor de analyse van een medisch probleem een stethoscoop, een bloedmonster en een scan vrijwel nooit voldoende zijn. Er is zoiets als een gesprek nodig,’ aldus Kopland.

    Kopland debuteerde destijds in Tirade en in 1966 kwam zijn eerste bundel Onder het vee uit.
    Verder publiceerde hij:
    Het orgeltje van yesterday, 1968
    Alles op de fiets, 1969
    Wie wat vindt heeft slecht gezocht, 1972
    Een lege plek om te blijven, 1975
    Al die mooie beloften, 1978
    Dit uitzicht, 1982
    Voor het verdwijnt en daarna, 1985
    Dankzij de dingen, 1989
    Geduldig gereedschap, 1993
    Het mechaniek van de ontroering. Essays over de esthetische ervaringen in poëzie en wetenschap, 1995
    Tot het ons loslaat, 1997
    Over het verlangen naar een sigaret, 2001
    Twee ambachten. Essays over psychiatrie van poëzie, 2003
    Een man in de tuin, 2004
    Verzamelde gedichten, 2006
    Toen ik dit zag, 2008
    Inleiding in de ‘Patafysica, 2010

    Zijn werk werd vertaald in het Frans, Duits en Engels.

    In de Surinamestraat in Den Haag werd op 31 maart 2012 een muurgedicht van Kopland onthuld door wethouder Marjolein de Jong. Het gedicht staat op een blinde muur van het Hofje van Schuddegeest, eigendom van de Koninklijke Haagse Woningvereniging 1854. Gerrit Noordzij bracht de tekst aan. Twee van zijn gedichten zijn sinds 2000 ook gebeiteld in een ijzeren plaat aan de achtermuur van de Steile Tuin in het Arnhemse Sonsbeekpark.

    Het Letterkundig Museum in Den Haag brengt een hommage aan de dichter. Kopland schonk in 2006 een groot deel van zijn literaire archief aan het museuM.

    In November 2011 werd er een symposium gehouden over de levensbeschouwlijke aspecten in het werk van Rutger Kopland. Waarvan hier een verslag geschreven door Heleen Rippen.

    De literaire website Tzum plaatste een mooi I.M. Rutger Kopland van Coen Peppelenbos.

    Op de site van Van Oorschot memoreert Wouter van Oorschot dat Rutger Kopland, een van de auteurs was die de uitgeverij trouw bleef na de dood van  zijn ouders. ‘Van alle door mijn ouders uitgegeven auteurs die de uitgeverij trouw bleven na de dood van mijn vader in 1987, was Rutger Kopland als laatste nog in leven.’

    Beluister hier het gesprek op radio 1 met Menno Hartman, hij was de redacteur van Kopland bij uitgeverij Van Oorschot.