Het is dit jaar 100 jaar geleden dat de beroemde dichter Dylan Thomas in Swansea in Wales werd geboren. Hoewel Dylan in Wales werd geboren sprak hij nauwelijks Welsh. De voertaal in zijn gezin was Engels en hij woonde in Swansea in een Engelse enclave van gegoede burgers en notabelen.
In Engeland en Wales wordt zijn geboortejaar uitbundig gevierd. Prince Charles las voor de televisie een gedicht van Thomas voor en in oktober worden overal festivals en opvoeringen georganiseerd. Under Milk Wood, zijn beroemde stemmenspel zal in meerdere steden worden opgevoerd en de British Mail kwam zelfs met een postzegel uit met Thomas er op.
De BBC doet nu een duit in het zakje en vertoonde 19 mei jl. de televisiefilm A Poet in New York. Als biograaf van Thomas was ik nieuwsgierig naar het resultaat en posteerde mij voor de buis. Er is veel positiefs aan deze film. Met een groot budget werd op locatie gefilmd. We zien prachtige beelden. Laugharne, het plaatsje in Wales, waar Dylan met vechtgenote Caitlin de laatste 4 jaar van zijn leven doorbracht is poëtisch in beeld gebracht met een dansende Caitlin op de achtergrond. Ze was danseres.
De acteurs spelen formidabel, zo zien we Tom Hollander als een overtuigende Dylan Thomas, die schitterend voordraagt, en Essie Davis lijkt geknipt voor de aanvallende agressieve Caitlin. Ook de vileine literaire agent van Dylan, John Malcolm Brinnin, wordt trefzeker neergezet door Ewen Bremner. Er zijn flash backs van de jeugd van Dylan, zijn opkomende astma, de prachtige wandelingen langs de zee en er is een inkijkje in het gezin Thomas, waar vader trots is op zijn zoon, maar eigenlijk zelf dichter had willen worden. Niets aan de hand dus. Maar dan begint de ellende. De laatste tournee van Dylan Thomas door de Verenigde Staten van 19 oktober tot 9 november 1953 wordt uitvoerig in beeld gebracht. Bolle ijskasten, dikke Buicks, gele taxi’s, ze zijn er als een zoetsappig décor voor een onheilspellend drama. Deze laatste tournee door Amerika is weliswaar belangrijk in zijn leven, maar ze bestrijkt maar anderhalve maand. We zien Dylan – hij is dan al ziek- overgeven vlak voor een optreden, we zien hem aan een stuk door drinken, totdat de dood erop volgt. Drinken totdat we zinken, terwijl de dokter hem meermalen waarschuwt. En -last but not least- we zien een man die de controle over zijn gehavende leven volkomen kwijt is. De vrouwen komen en gaan. Ze hebben mislukte sex met de dichter, maar hij denkt alleen maar aan zijn vrouw, die hij in Wales heeft achtergelaten. De repetities van Under Milk Wood in New York, verlopen stroef en de ontmoeting met Stravinsky komt niet tot stand. Dylan Thomas zou een tekst schrijven voor een opera, maar heeft geen letter op papier gekregen. Hij lijdt aan diabetes, een maagaandoening en heeft absences.
Ik weet het. Er moet tegenwoordig veel sensatie tussen de beelden, anders verslapt de aandacht. En die sensatie is niet ver te zoeken in het leven van de poet maudite. De Rimbaud van Wales, popster avant la lettre. Maar ik hoop dat de toeschouwer na het zien van deze film snel duikt in het werk van de getormenteerde dichter. En dan blijft ondanks alle excessen in zijn korte leven van 39 jaar een schitterend oeuvre over.
Dinsdag 8 mei is Maurice Sendak op 83 jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van een beroerte. De in Brooklyn geboren kinderboekenschrijver, illustrator en veelzijdig kunstenaar illustreerde vele boeken en schreef enkele tientallen titels.
Hij illustreerde onder meer verhalen van de Gebroeders Grimm, Andersen, Tolstoi, Randall Jarrell, Robert Graves en Isaac Bashevis Singer, die pas op latere leeftijd verhalen voor kinderen schreef. Ook illustreerde hij de enigszins brave maar zeer geliefde verhalen van Kleine beer van Else Holmelund Minarik.
Zijn bekendste creatie is wel Where the Wild Things Are, over het jongetje Max, dat op avontuur gaat in zijn eigen verbeelding en in het Nederlands vertaald werd als Max en de Maximonsters. Drie jaar geleden werd het boek succesvol verfilmd met medewerking van Dave Eggers. Eggers schreef daarna op verzoek van Sendak een op zijn boek geïnspireerd verhaal voor alle leeftijden dat in Nederland verscheen als Max (en de Wild Things).
Sendak was in 2003 de eerste winnaar, samen met de schrijfster Christine Nöstlinger van de Astrid Lindgren Award. Volgens de jury heeft Sendak als geen ander de mogelijkheden van het prentenboek als verhalend medium ontwikkeld.
Naast het schrijven en illustreren van kinderboeken creëerde hij kostuums voor balletuitvoeringen, deed de dramaturgie voor opera’s, was producer voor tekenfilms en ontwierp een versie van de Notenkraker die later als film op televisie werd vertoond. Ook schreef hij mee aan de Amerikaanse versie van de Tsjechische opera Brundibar. Naar eigen zeggen was hij met dat stuk het dichtst in de buurt van een ‘perfect geesteskind’ gekomen.
De in Amerika geboren schrijfster Sylvia Plath (1932 – 1963) woonde afwisselend in Amerika en Engeland. Ze overleed in 1963 in Londen. Hoewel zij een groot deel van haar leven schreef, werd het meeste van haar werk pas na haar dood gepubliceerd. In het jaar 1940, toen haar vader Otto Plath, de van oorsprong Duitse hoogleraar zoölogie, overleed, schreef zij haar eerste gedicht. Gedurende haar volwassen leven leed ze aan een ernstige vorm van depressie. Tijdens haar studie aan het prestigieuze Smith College schreef ze meer dan vierhonderd gedichten die onregelmatig in Amerikaanse tijdschriften verschenen en waarmee ze enig succes oogstte.
Toen ze in 1950 aan het Smith College begon deed ze haar eerste zelfmoordpoging. Later schreef ze daarover in de roman The Bell Jar (De glazen stolp 1963), die ze uitgaf onder het pseudoniem ‘Victoria Lucas’. Na haar zelfmoordpoging werd Plath korte tijd opgenomen in een psychiatrische inrichting. In 1955 studeerde ze cum laude af en ontving een beurs voor Cambridge. Ook aan deze universiteit schreef ze gedichten die in de studentenkrant Varsity werden geplaatst.
De poëzie van Plath heeft een macabere kant en is emotioneel zeer geladen. Woede, afgunst, wraaklust, passie en een sterk doodsverlangen spreekt uit haar gedichten. De vroege dood van haar vader heeft een groot deel van haar leven bepaalt. In het gedicht Daddy schildert ze haar vader af als een verrader. Het is een zwartgallig gedicht waarin ze haar vader een nazi noemt en zichzelf voor joods uitgeeft.
Sylvia Plath deed driemaal een zelfmoordpoging waarover ze het gedicht Lady Lazerus schreef. Daarin maakt ze van het sterven en wederop staan een kunst.
‘I have done it again.
One year in every ten
I manage it -‘
(…)
And I a smiling woman.
I am only thirty.
And like the cat
I have nine times to die
This is Number Three.
What a trash
To annihilate each decade.’
In Cambridge ontmoette ze de Engelse dichter Ted Hughes, met wie ze in 1956 trouwt. Ze wonen afwisselend in Amerika, waar Plath lesgeeft, en Engeland. Robert Lowell, die ze van lezingen in Boston kent, zou later van grote invloed op haar werk zijn.
Haar eerste dichtbundel, The Colossus, kwam in 1960 in Engeland uit. In februari 1961 kreeg ze een miskraam, waar ze in een aantal gedichten naar verwees. Na de geboorte van hun eerste kind Frieda, leefde het paar bijna twee jaar gescheiden. Plath keerde terug naar Londen. Ze huurde een appartement waar ook William Butler Yeats ooit woonde en niet veel later werd de scheiding tussen Hughes en Plath een feit. In de strenge winter van 1962/1963 werd Plath ziek. Op 11 februari 1963 zette ze eten en een glas melk voor haar twee kinderen neer waarna ze haar hoofd in de oven stak en zichzelf vergaste. Twee jaar na haar dood verscheen de poëziebundel Ariel, die ze in een maand tijd geschreven had en waarmee ze een van de meest gevierde dichteressen ter wereld werd. Sylvia Plath werd begraven op het kerkhof van Heptonstall in West Yorkshire.
Bibliografie Poëzie The Colossus (1960) Ariel (1965) Crossing the Water (1971) Winter Trees (1972) The Collected Poems (1981)
Proza The Bell Jar (De glazen stolp) (1963), onder pseudoniem Victoria Lucas Letters Home (1975), geschreven aan en samengesteld door haar moeder Johnny Panic and the Bible of Dreams (1977) The Journals of Sylvia Plath (1982) The Magic Mirror (1989) The Unabridged Journals of Sylvia Plath (2000), Plaths eindscriptie aan Smith College samengesteld door Karen V. Kukil
Kinderboeken The Bed Book (1976) The It-Doesn’t-Matter-Suit (1996) Collected Children’s Stories (2001) Mrs. Cherry’s Kitchen (2001)
Over Sylvia Plath The Death and Life of Sylvia Plath (1991), Ronald Hayman
De film Sylvia (regie Christine Jeffs, 2003) schetst een beeld van de problematische verhouding van het dichtersechtpaar;
De Amerikaanse singer-songwriter Ryan Adams schreef het nummer Sylvia Plath dat verscheen op zijn album Gold.
Op donderdag 16 februari heeft de Surinaams-Nederlandse journalist, essayist en schrijver Anil Ramdas op 54 jarige leeftijd een einde aan zijn leven gemaakt. Anil Ramdas was de zoon van een onderwijzer en een radiomaakster. Hij groeide op in Suriname en vertrok in 1977 naar Amsterdam om te studeren. Ramdas was politiek en maatschappelijk een zeer betrokken persoon en stelde zich op als voorvechter van de multiculturele samenleving van Nederland.
In 1989 werd Anil Ramdas redacteur bij De Groene Amsterdammer en in 1992 ging hij als columnist, essayist en reisverslaggever werken voor NRC Handelsblad. Vanaf 1994 presenteerde hij verschillende programma’s voor de VPRO waaronder, In mijn vaders huis, (serie interviews met denkers over de botsing van culturen en de rol van de wetenschap en media daarin), Zilte stranden en sinds september 2010 het opninie programma Z.O.Z.. Woensdag 15 februari werd (naar later bleek) de laatste uitzending van Z.O.Z. met Ramdas opgenomen. Naar de VPRO liet weten, was Ramdas zelf erg trots op deze aflevering.
In 1993 hield Anil Ramdas de Den Uyl-lezing. Van 2000 tot 2003 was hij correspondent voor NRC Handelsblad in New Delhi. Voor hem waren zijn jaren in India het hoogtepunt van zijn turbulente loopbaan als journalist, schrijver. Terug in Nederland was hij van 2003 tot en met 2005 directeur van debatcentrum De Balie in Amsterdam. In 2007 ging hij voor een jaar naar Paramaribo om er een boek te schrijven waarover hij zelf zei: “Een serieus reisverhaal vereist een intensieve kijk op de wereld. Dat vergt het risico om ergens een jaar te gaan zitten. Dat deed ik met Paramaribo, maar het was geen aangename ervaring.”
In 2009 verscheen het boek Paramaribo. De vrolijkste stad in de jungle.
“Dit boek is de droevige en soms hilarische neerslag van zijn indrukken en ervaringen”, zo is de omschrijving van Wim Brands, presentator van het programma Boeken waarvan hier de weergave van het gesprek met Ramdas over zijn boek Paramaribo.
Vorig jaar debuteerde Anil Ramdas als romanschrijver met Badal. Daarover zei hij in een interview (29-07-11) met Elsbeth Ettty dat Badal naar zijn eigen beeld was geschapen: ‘Ik volg in de roman de Wikipedia-gegevens van Anil Ramdas, ik gebruik veel van zijn reizen en indrukken, maar ik heb ze verdraaid of uitvergroot.’ Op 22 december 2011 schreef Ramdas zijn laatste bijdrage voor de rubriek ‘De reizende commentator’ van NRC Handelsblad.
Werken van Anil Ramdas:
1985 – De factor arbeid op Curaçao: een analyse in histories perspectief in: Brasia vol. 6 nr. 5
1987 – De dans en de dansers: biografiese vertellingen uit Curaçao over voorstellingen van man-vrouw verhoudingen
1987 – Goden en marionetten. Een verkenning van ideologie, discours, subjectiviteit afstudeerscriptie (zonder publicatie)
1987 – Zekerheid en eenzaamheid in het huishouden; Mannen en vrouwen in de productie en de consumptie onderzoeksverslag (zonder publicatie)
1988 – De strijd van de dansers, biografische vertellingen uit Curaçao uitgeverij SUA (verkorte versie herdrukt door Rainbow Pocketboeken / Maarten Muntinga BV, 1994)
1988 – Laclau/Mouffe en de Marxisten: een verhouding van liefde en haat. s.n. (voor tijdschrift ‘Krisis’)
1992 – De papegaai, de stier en de klimmende bougainvillea, essays, De Bezige Bij.
1992 – Tussen de regels: vluchtelingen en detentie met Thomas Spijkerboer, in: NJCM-bulletin; vol. 17, afl. 1, pag. 15-34
1993 – In Mijn Vaders Huis, deel 1 Mets
1994 – In Mijn Vaders Huis, deel 2 Mets
1994 – Het besluit van Mai novelle, De Bezige Bij.
1995 – Een Surinaamse Ballade:’wel de snack maar niet de saus’, verslagen en foto’s (van Fred van Dijk) van reizen naar Suriname, De Bezige Bij
1996 – De beroepsherinneraar en andere verhalen, essays en verhalen, De Bezige Bij
1996 – De kracht van cultuur: onze creatieve verscheidenheid; Commentaren bij het Rapport van de Wereldcommissie voor Cultuur en Ontwikkeling (met anderen) Koninklijk Instituut voor de Tropen
2000 – Het geheugen van de stad levensverhalen van migrantenfamilies, in opdracht van Wereldmuseum Rotterdam, uitgeverij Balans
2004 – Zonder liefde valt best te leven, correspondentie uit India opstellen over de rol van de journalist in vreemde culturen, De Bezige Bij
2005 – Culturele diversiteit en de media, Katholiek Instituut voor Massamedia (KIM)
2008 – Weg uit Babylon, verhalen en essays over culturele miscommunicatie, samengesteld door Rachida Azough en Anil Ramdas, uitgeverij Augustus
2009 – Paramaribo: de vrolijkste stad in de jungle De Bezige Bij. Vijfde druk 2010
2011 – Badal De Bezige Bij
Lees hier een bespreking (interview) met Anil Ramdas over zijn debuutroman Badal op Recensieweb.nl.
”…o moeder die me niet leest (…) vader die nooit met me zal praten”.
Bij toeval belandde deze korte ‘biografie’ van Pierre Michon (1945) over een deel van het turbulente leven van de jonggestorven Franse dichter Arthur Rimbaud (1854-1891) in de sublieme vertaling van Rokus Hofstede op mijn bureau. Vooral door de kwaadaardige eerste twee zinnen werd ik weer, exact zoals destijds in 1991 bij de eerste Franse uitgave, aangezet om verder te lezen.
“Men zegt dat Vitalie Rimbaud, geboren Cuyf, een dochter van het platteland en een boosaardige vrouw, een vrouw die leed en boosaardig was, het leven schonk aan Arthur Rimbaud. Men weet niet of ze eerst vervloekte en pas daarna leed of dat ze haar lijden vervloekte en toen in die vervloeking volhardde; ofwel dat in haar geest vervloeking en lijden elkaar overlapten, aflosten, aanwakkerden onlosmakelijk met elkaar verbonden als de vingers van haar hand, die zo geïrriteerd waren geraakt door het contact met haar leven, haar zoon, haar levenden en haar doden dat ze ze tussen haar zwarte vingers vermorzelde.”
Deze twee zinnen zeggen veel, zo niet alles over het begin van de carrière van Rimbaud als dichter.
Michon suggereert dat zij de oorzaak is van Rimbauds niet aflatende opstandigheid, die hem als een wervelwind door de porseleinkast van de Franse letteren jaagt en hem na een literaire bliksemcarrière van vijf jaar en na veel omzwervingen uiteindelijk als wapenkoopman in het Afrikaanse Harrar, ver van alle verzen van de wereld, doet belanden.
En deze twee zinnen tonen het fraaie en rijke proza van Michon waarvan de stijl in hoge mate doet denken aan de poëzie van Rimbaud. Wilde Rimbaud zoals Victor Hugo het vers in eigen persoon belichamen ‘le vers personellement’, zo lijkt het erop dat Michon door zijn werk dit ideaal eveneens voor zijn eigen proza nastreeft. Zijn taal is rijk, poëtisch, confronterend en soms verpletterend. Hij werkt met veel tegenstellingen, synoniemen, woordomwisselingen, metaforen. Lange zinnen. Veel prachtige stijlfiguren zijn in zijn werk moeiteloos te vinden.
Voor de liefhebbers van literatuur is ook dit werk een juweeltje van vertelkunst. Niet voor niets is Pierre Michon in oktober 2009 onderscheiden met de Grand Prix du roman de l’Académie française voor zijn werk Les Onze waar hij vijftien lange jaren aan werkte.
Michon heeft niet gekozen voor de traditionele biografie. De vorm die hij kiest is uniek. Het perspectief wisselt voortdurend. Michon kruipt in de huid van de alleswetende schrijver die zich overigens bescheiden opstelt, of richt zich als verteller rechtstreeks tot de dichter of tot de lezer.
Volgens de informatie op de achterflap bestaat het verrassende vertrekpunt voor deze biografie uit de weinige foto’s en portretten die van Rimbaud bewaard bleven. Helaas zijn in dit werk slechts twee van deze foto’s opgenomen, uitgebreid beschreven en becommentarieerd.
Foto 1: ‘Hij kijkt naar zijn model. Hij ziet dat de stropdas scheef zit; hij ziet de kleur ervan, die wij niet kennen. Het vest is rood of zwart, dat zal onduidelijk blijven, de foto is in zwart-wit. Hij bedenkt dat die stropdas straks rechtgetrokken moet worden ? of toch maar niet, deze jongeman is een dichter, het is goed dat de stropdas van dichters scheef zit.’ blz. 79. De ‘hij’ in dit citaat is de Parijse fotograaf Etienne Carjat die onsterfelijk is geworden door dit beeld van Rimbaud voor de eeuwigheid vast te leggen in een ovaal portret. Een soort aureool. Die ‘mandorla’ die tegenwoordig in de wereld bekender is dan de doek van de heilige Veronica, die betekenisvoller en leger is, die zeer verheven icoon waarop de stropdas voor eeuwig scheef zit, de stropdas waarvan we nooit zullen weten welke kleur hij had. (…) het portret dat even zwaar weegt als het hele dichtwerk bij elkaar, of bijna’, zo schrijft Michon op blz. 88. De foto werd gemaakt in 1871! De begintijd van de fotografie.
Foto 2 op de voorkant is een deel van het schilderij Le Coin de table. Het fabuleuze groepsportret van Verlaine en Rimbaud met zes andere, inmiddels vergeten dichters. Wij zien hier alleen hoofd en haardos van Rimbaud. De andere ‘foto’s’ die als basis dienden zijn geschreven portretten van de voor Rimbaud belangrijke personen in zijn (literaire) leven en komen min of meer chronologisch voor in de zeven hoofdstukken van het boek.
Zijn vader, Frédéric Rimbaud, is kapitein bij het Franse leger en vaak uithuizig. Zijn moeder, Vitalie Cuyf, een boerendochter, voedt de (vier) kinderen met ijzeren hand op. Frédéric Rimbaud verlaat haar in 1860. De 22-jarige Georges Izambard, leraar op het Collège van Charleville stimuleert de vijftienjarige Rimbaud om zich op poëzie toe te leggen en leert hem alles over de alexandrijn (roede genoemd in de vertaling van Rokus Hofstede). Dan volgt Théodore de Banville wiens gedichten niemand meer leest maar die rond 1870 als mentor van de Franse dichters optrad.
Op 16-jarige leeftijd gaat Rimbaud naar Parijs, op uitnodiging van de door hem bewonderde dichter Paul Verlaine, die hij enkele gedichten toegestuurd heeft en die in hem een groot talent herkent. In werkelijkheid ontwikkelt zich een stormachtige homoseksuele relatie tussen Verlaine en Rimbaud. De eerste paardans wordt zeer beeldend beschreven op blz. 55. Michon geeft a.h.w. een ooggetuigenverslag van dat moment in de donkere kamer achter zonneblinden. ‘… , stuwden ze zich vast en terwijl ze aan die mast hingen, die niét de roede was, geschiedde het dat ze huiverden en een ogenblik weg waren van deze wereld, …’
Het einde van de relatie met Verlaine en de publicatie van Une saison en enfer betekenen voor Rimbaud het afscheid van de literatuur/poëzie. Het boek eindigt hier ook. Rimbaud is dan weer terug bij zijn familie in Roche, in de Ardennen. Hij schrijft daarna nooit meer ook maar één vers.
Michon beperkt zich uitsluitend tot het literaire leven van Rimbaud. Het genie Arthur Rimbaud.
De vele omzwervingen na de breuk met Verlaine door Europa en Afrika blijven dus geheel onvermeld. Enkele jaren later, terug in Frankrijk vanwege zijn gezondheid, bezwijkt Rimbaud in een ziekenhuis in Marseille aan botkanker in zijn rechterbeen.
Michon maakt duidelijk dat Rimbaud aanvankelijk de zoon is van al deze voor hem belangrijke personages. Hij is de leerling, maar hij maakt zich successievelijk ook weer los van hen. En hij wil zelf geen opvolger. Niemand mag in zijn voetsporen treden. Hij wordt zelf geen vader in de beide betekenissen van het woord. Hij geeft ‘zijn stekje’, zoals Pierre Michon dat noemt, niet door. Op blz. 92 lezen we: ‘… dat hij misschien ophield met schrijven omdat hij niet de zoon van zijn werken kon worden, dat wil zeggen, er het vaderschap van kon aanvaarden. Hij vond het beneden zijn waardigheid de zoon van Le bateau ivre, van de Saison en van Enfance te zijn, zoals hij evenzeer had geweigerd de nakomeling te zijn van Izembard, Banville of Verlaine.’
‘Men zegt dat…’, is de steeds terugkerende beginformule die aangeeft dat Michon zich evenals alle anderen baseert op anekdotes, verhalen, vermoedens, interpretaties van feiten, enz. Toch heeft hij een duidelijk merkbare, degelijke research verricht voor dit werk. Helaas worden zijn bronnen niet vermeld. De vertaler heeft enkele verhelderende aantekeningen bij de tekst gevoegd. Geen echte biografie dus, maar een persoonlijke, subjectieve interpretatie van Michon.
Ook gaat Michon er vanuit dat de lezers op de hoogte zijn van het werk en leven van Rimbaud. En dat is zeker een pré als je dat bent. Hij spreekt dan over ‘wij’. Al drijft hij een enkele keer wel de spot met historici ‘…want lezen, dat kan niemand ? behalve misschien de mensen die denken dat het om cijferschrift gaat, en lezen die soms beter? Gewetenloze romaneske schurken zijn wij. Nee, we lezen niet, ik net zomin als alle anderen. …’ zegt hij op blz. 65, bescheiden met enige zelfspot.
Voor mij was het herlezen van dit werk aanleiding om Rimbaud weer eens ‘uit de kast’ te halen. En het moet weer gezegd worden: ‘Sommige werken zijn zo de moeite van het herlezen waard!’
Le bateau ivre en Une saison en enfer hadden nu een heel andere uitwerking op me dan destijds toen ik verplicht was vanwege mijn studie Franse Taal- en Letterkunde deze grondig te bestuderen als een soort ‘cijferschrift’….
Auteur: Pierre Michon
Oorspronkelijke titel: Rimbaud, le fils (1991 Editions Gallimard)
Verschenen bij: Uitgeverij G.A. van Oorschot (1998, 2e druk)
Vertaling: Rokus Hofstede, Amsterdam
Thomas Rosenboom (Doetichem, 8 januari 1956) won als enige schrijver tweemaal de Libris Literatuurprijs. In 1999 brak Rosenboom definitief door met zijn historische roman Publieke werken. Veel lezers en critici moesten aanvankelijk wennen aan het stijlexhibitionisme van Rosenboom, maar inmiddels wordt dit door velen als zijn grote kracht beschouwd en is Thomas Rosenboom niet meer weg te denken uit de Nederlandse literatuur.
Persoonlijk
Op 8 januari 1956 werd Thomas Rosenboom geboren te Doetinchem. Hij studeerde drie jaar psychologie in Nijmegen en trok vervolgens naar Amsterdam om daar Nederlands te studeren. In 1983 debuteerde hij met de verhalenbundel De mensen thuis. De lijvige romans die Rosenboom schreef zijn allemaal te beschouwen als historische romans, hoewel het volgens de auteur zelf niet draait om de beschreven historische periode, maar veel meer om de historische setting. Rosenboom gebruikt de geschiedenis als decor om zijn verhaal te vertellen. Zo dient in Gewassen vlees de Verlichting en in Publieke werken de negentiende eeuw als achtergrond waartegen het verhaal wordt verteld.
Opvallend is dat in bijna alle verhalen van Rosenboom de menselijke hybris centaal staat; zijn ‘helden’ zijn veelal personen die zich ogenschijnlijk in een situatie bevinden waarin ze vrij zijn, maar doordat ze proberen boven hun eigen kunnen uit te stijgen, graven ze hun eigen graf en gaan ten onder aan hun hoogmoed. Bovendien zijn de hoofdpersonen uit Rosenbooms werk vaak figuren die, in de ogen van anderen, belangrijk gevonden willen worden, maar daar met al hun pogingen niet in slagen.
De stijl van schrijven van Rosenboom is op zijn minst exorbitant te noemen. Zijn gebeeldhouwde zinnen zijn doordrenkt van buitenissige woorden (baljuwagie, gruppen), die vaak te verklaren zijn vanuit de beschreven periode (allengs, zich animeren en bezwadderd). Rosenboom weet over het algemeen een goed evenwicht te vinden in dit gebruik van historische woorden, maar op enkele plaatsten zijn woorden te vinden die ook in die tijd zelf niet bestonden.
Bron: www.literairnederland.nl
David van Reybrouck (Brugge, 1971) is cultuurhistoricus, archeoloog en schrijver. Hij is tevens verbonden aan dagblad De Morgen, waarvoor hij essays, reportages en kritieken schrijf.
Persoonlijk
David Van Reybrouck werd in 1971 geboren in Brugge en studeerde archeologie en filosofie in Leuven. Hij behaalde een masters in Cambridge en promoveerde in Leiden.
Hij woonde en werkte een tijdlang in Barcelona en Parijs. In 1999 en 2000 was hij wetenschappelijk coördinator van AREA (Archives of European Archaeology), een Europees onderzoeksnetwerk voor de geschiedenis van de archeologie.
Hij was tevens enkele jaren als cultuurhistoricus verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven. Daar deed hij onderzoek naar de geschiedenis van de Belgische archeologie en naar de geschiedenis en de architectuur van West-Europese dierentuinen.
De naam David Van Reybrouck is in de literaire wereld al gevestigd voordat hij een roman of dichtbundel uitgegeven heeft. Zijn eerste boek, De Plaag. Het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika verschijnt in 2001, en wordt bekroond met de Vlaamse Debuutprijs. Dit boek is onder de non-fictie te scharen, het soort meeslepend geschreven reportages waarin ook een schrijver als Frank Westerman excelleert. Voor de toneelbewerking met onder anderen Josse De Pauw, onder de titel Die Siel van die Mier ontvangt hij in 2004 de Taalunie Toneelschrijfprijs.
Eind 2006 is Van Reybrouck writer in residence in Amsterdam. (http://www.writerinresidence.nl ) Kort erna verschijnt zijn eerste roman, Slagschaduw.
Later dat jaar verscheen ook Waar België voor staat, een pleidooi voor een sereen en solidair debat over de toekomst van België. Aan het eind van datzelfde jaar ging zijn theatermonoloog Missie in première in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel. De monoloog kwam tot stand uit gesprekken die Van Reybrouck had met oude missionarissen in Congo en werd bekroond met de Arkprijs van het Vrije Woord voor.
Van Reybrouck schrijft ook gedichten, enkele daarvan werden opgenomen in het eerste nummer van Het liegend konijn uit 2003, het poëzietijdschrift van Jozef Deleu.
Patrick Bassant, criticus van Literair Nederland over Slagschaduw: ‘Van Reybrouck is gedebuteerd met een roman die zo geraffineerd met thema’s en motieven omgaat dat je pas als je het boek hebt uitgelezen, merkt hoe goed alles past.’
Werken
De Plaag. Het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika (non-fictie, 2001)
Slagschaduw (roman, 2007)
Prijzen
2002 Vlaamse debuutprijs voor De plaag
2004 Taalunie Toneelschrijfprijs voor Die Siel van die Mier
2004 Literatuurprijs voor ongepubliceerd kort proza van de Provincie West-Vlaanderen voor de radiocolumns die hij voor Radio 1 Heldenmoed maakte.
Aldegonda Petronella Huberta Maria (Connie) Palmen (Sint Odiliënberg, 25 november 1955) vestigde in 1991 in één keer haar naam met de debuutroman en bestseller De wetten. In haar werk zoekt ze de grenzen op tussen feit en fictie, een methode waarvoor ze wordt bewonderd én verguist. Palmen: ‘Tussen de waarheid en het schrijven botert het niet.’
Persoonlijk
Connie Palmen wordt in 1955 geboren in Sint Odiliënberg, vlakbij Roermond. Na de lagere school gaat ze naar de mavo, maar haar schoolprestaties blijven achter. Haar leraar Nederlands, waar ze zich erg aan optrekt, ontdekt echter dat dit niet komt doordat ze slecht kan leren, maar uit verveling: haar IQ blijkt uitzonderlijk hoog. Deze periode vormt het uitgangspunt voor haar latere roman De vriendschap (1995).
Na de mavo gaat ze naar de Pedagogische Academie in Roermond, waar ze tegelijkertijd haar havo diploma kan halen. In 1978 vertrekt Palmen naar Amsterdam om Nederlands en filosofie te gaan studeren. In 1986 studeert ze cum laude af in Nederlands met een scriptie over Cees Nooteboom. Twee jaar later rondt ze haar studie filosofie af met de scriptie Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates, later in aangepaste vorm gepubliceerd.
In 1991 verschijnt haar debuutroman De wetten. De media hebben veel aandacht voor de jonge schrijfster en de vele publieke optredens maken van Palmen in een keer een Bekende Nederlander. Tijdens een interview voor het VPRO-programma een Eenuur Ischa, ontmoet Palmen Ischa Meijer, met wie ze een onstuimige liefdesrelatie krijgt.
Als in 1995, vlak voor het verschijnen van haar tweede roman De vriendschap, Ischa Meijer overlijdt, worden alle promotiecampagnes rondom het boek en de schrijfster afgeblazen, maar desalniettemin is het boek een instant bestseller en wordt bekroond met de AKO-literatuurprijs.
De dood van Ischa Meijer en het rouwproces van Palmen, wordt uitvoerig beschreven in de roman I.M. (1998). De roman wordt wisselend ontvangen, veel critici zijn niet gecharmeerd van de manier waarop Palmen de werkelijkheid gebruikt in haar roman. Een jaar later verschijnt in Vrij Nederland een artikel waarin Connie Palmen zich verklaart en ingaat op het gebruik van de werkelijkheid in fictie.
In 2007 zorgt de roman Lucifer voor een gelijksoortige ‘rel’. Palmen gebruikt in deze sleutelroman het leven van componist Peter Schat en de mysterieuze dood van zijn echtgenote Marina Schapers om de grenzen tussen feit en fictie op te zoeken. De critici (en de vele personen uit het intellectuele Amsterdams milieu die herkenbaar in de roman voorkomen) zijn verdeeld, maar Palmen is verzekerd van veel media-aandacht en heeft inmiddels een trouwe lezerskring opgebouwd en de roman verkoopt zeer goed.
Connie Palmen woont in Amsterdam samen met oud-politicus Hans van Mierlo.
Bijzonderheden
I.M. werd in het Duits vertaald als I.M. Ischa Meijer. In Margine. In Memoriam.
Een terugkerend thema in het werk van Connie Palmen is verslaving. Zelf is ze ook bekend om haar drink- en rookgedrag. Het drinken heeft ze inmiddels opgegeven (wat breed werd uitgemeten in de media) maar de Marlboro Lights niet. ‘Een verslaving is een vriendschap zonder vriend’ en ‘verslaving geeft heroïek aan de eenzaamheid’ zijn bekende uitspraken van La Palmen, zoals ze door critici ook wel wordt genoemd.
In de Parool-column De Dikke Man van Ischa Meijer werd Palmen opgevoerd als Het Filosoofje.
Op 12 maart 2008 zendt de KRO een profiel uit van Connie Palmen, waarin onder andere haar oud-leraar Nederlands, die uitvoerig en opzienbarend voorkomt in De vriendschap, aan het woord komt over wat werkelijkheid is en wat fictie. De uitzending én de reactie van Connie Palmen zijn te zien op profiel.kro.nl/uitzendingen/2008/0312_connie_palmen/intro.aspx
In 2005 presenteerde Palmen het befaamde VPRO-programma Zomergasten.