• Een smakelijk en met vaart geschreven biografie

    In september verscheen de biografie Een gat in het hoofd, Leven en werk van Heere Heeresma van de hand van radiomaker, presentator en voorheen boekverkoper Anton de Goede. Het is een dik boek geworden dat uitvoerig ingaat op werk en leven van deze schrijver, voor zover dat mogelijk was. Want Heeresma hield zijn privéleven zorgvuldig afgeschermd voor buitenstaanders, pottenkijkers en overheidsdienaren. Daarentegen is Heeresma’s werk – romans, verhalen, gedichten, brieven, ‘porno-persiflages’ en beschouwingen op de radio – zeer toegankelijk. Er verschenen van Heeresma tientallen boekuitgaven, verzamelbundels en herdrukken. Bovendien werd een flink aantal van zijn werken verfilmd en is zijn markante stemgeluid te horen op talrijke geluidsopnamen van gesproken columns voor de radio. Ook sprak hij zelf de luisterversie van een van zijn bekendste boeken in: Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp.

    Heere Heeresma (1932-2011) werd geboren als zoon van een godsdienstonderwijzer, kennelijk minstens zo eigenwijs als zijn zoon. Heeresma senior overleed toen de jonge Heere elf jaar oud was. De dood van de vader, midden in de Tweede Wereldoorlog, was uiteraard een ingrijpende gebeurtenis voor het gezin, dat naast Heere zelf en zijn moeder inmiddels uit nog twee jongetjes bestond. Bovendien hadden de oorlogsomstandigheden onvermijdelijke gevolgen voor de Heeresma’s.

    Een wonderlijk mens

    Van enige schoolcarrière is in het leven van de schrijver in de dop nauwelijks sprake. Hij bracht jaren door op een internaat waar hem praktisch onderwijs werd geboden. Daarna begon een loopbaan van allerlei verschillende betrekkingen die korter of langer duurden, maar meestal korter. Vanaf het begin van de jaren zestig begon Heeresma duchtig te publiceren en met succes. Met name Een dagje naar het strand (1962) maakte veel indruk. Bij de presentatie van deze biografie zei auteur Anton de Goede: ‘Je kunt veel van Heeresma zeggen, maar hij bracht wel leven in de brouwerij’ en ‘Wanneer de naam Heeresma valt, is een schaterlach nooit ver weg’. Dat moge zo zijn, maar uit het boek rijst toch vooral het beeld op van een wonderlijk mens, met wie de omgang vaak zeer moeilijk tot onmogelijk moet worden genoemd. Berucht was Heeresma om het dwingende beslag dat hij op zijn gezelschap wist te leggen, vaak ongevraagd en soms tot diep in de nacht. Hij bouwde ook een reputatie op wegens zijn veeleisende omgang met uitgevers, die hij geld afhandig maakte door voorschotten te eisen voor boeken die vervolgens nooit verschenen. Dit alles combineerde hij met een onafzienbare reeks sterke verhalen over woonplaatsen, vervoermiddelen, belevenissen en zakelijke successen. Wat ervan waar was wist hij alleen – en waarschijnlijk was dat eigenlijk maar heel weinig. Juist omdat Heeresma met name in de jaren zeventig een aantal sterke en goedverkopende boeken schreef, werd hem veel vergeven. En ja, er viel vaak wat te lachen.

    De schrijver en publicist

    De Goede schrijft overtuigend en goed gestructureerd. In het boek wordt Heeresma behandeld als schrijver en publicist, maar ook als (ontrouwe) echtgenoot en vader, als onverzoenlijke broer, als man van het Bijbels taaleigen, als filosemiet. De auteur bewonderde Heeresma als adolescent, leerde hem in zijn tijd als boekverkoper bij boekhandel Athenaeum persoonlijk kennen en werkte later met hem samen bij de VPRO. Hij stond dus betrekkelijk dicht bij zijn onderwerp en is verfrissend oprecht wanneer hij soms ook gewoon toegeeft niet zeker te weten hoe sommige feiten zich hebben voltrokken. Uit veel verschillende bronnen heeft de biograaf zijn informatie betrokken en heeft daaruit een krachtig en coherent beeld gecreëerd van Heeresma, die desondanks zijn raadselachtigheid volstrekt behoudt.

    Treurig is Heeresma’s persoonlijke lot geweest. Aan het eind van zijn leven wendden zelfs zijn allernaasten zich van hem af. Zoals zijn vrouw, met wie hij meer dan veertig jaar gehuwd was geweest, en zijn zoon Heere Heeresma jr., die tot dan toe kennelijk symbiotisch met zijn vader had geleefd en gewerkt. Senior heeft het ernaar gemaakt, denkt de lezer. Hij stierf uiteindelijk schamel behuisd, armelijk en eenzaam. Daar staat tegenover dat Heere Heeresma iets flikte wat maar weinig schrijvers lukt: in de nadagen van zijn loopbaan schreef hij ‘opeens’ nog een paar boeken die door de pers zeer verrast en met groot enthousiasme werden onthaald, met name Een jongen uit plan Zuid ’38 – ’46, dat zelfs nog in het Duits werd vertaald.

    Toch ook onaangenaam

    Een gat in het hoofd is een smakelijk en met vaart geschreven boek over een wonderlijk, markant en ten slotte toch ook onaangenaam mens, die niettemin een volstrekt eigen plaats inneemt in de Nederlandse literatuur, en deze met enkele onverwoestbare titels heeft verrijkt. Verbluffend is het aantal rake typeringen dat Anton de Goede van Heeresma heeft opgeduikeld, van hen die met hem omgingen of van bewonderaars op afstand. De quote van criticus Wim Zaal, die Heeresma tientallen jaren had gekend, moet wel een van de meest treffende zijn.

    ‘En wat was hij begaafd, zij het slordig van beheer! Bij sommige verhalen denk je: Wat zou dit een meesterwerkje zijn geworden als de schrijver er meer zorg aan had besteed. Maar ik heb geleerd, schrijvers te nemen zoals ze zijn. Heere was een flamboyante melancholicus, een religieuze woningzoekende, een pathologische jongleur, een geldbeluste provo, steeds geteisterd en getroost door de gave van het woord.’

     

    In 2024 stelde biograaf Anton de Goede een bloemlezing samen uit Heeresma’s oeuvre, In 2024 verscheen Heeresma houdbaar / samenstelling Anton de Goed/ (Gedundrukt) bij Van Oorschot. Een signalement daarvan vindt u hier.

     

     

  • Een echt Renaissance-mens

    Meer dan tien jaar heeft Michiel van Kempen gewerkt aan deze biografie van Albert Helman. Het is dan ook een vuistdik boekwerk geworden: 638 bladzijden tekst en 75 bladzijden noten. Dat vraagt om een rechtvaardiging, zeker gezien het oude adagium: ‘In de beperking toont zich de meester’ en ….., wie is eigenlijk die Albert Helman?
    Voor het lezen van deze biografie wist ik niet zo bijster veel van Albert Helman. Mijn boekenkast bevat nog een pocket van zijn hand uit de Salamanderreeks getiteld Zuid-zuid-west. Bij het doorbladeren kwam het verhaal weer in mijn herinnering boven drijven, een serie schetsen over het koloniale leven in Suriname, waar zijn wieg gestaan heeft. Omdat de naam Helman mij wel altijd is bijgebleven als een van de Nederlandse vrijwilligers die zich voor de oorlog aanmeldden bij de Internationale Brigades om te gaan vechten tegen de fascisten van generaal Franco, heb ik een paar jaar geleden zijn opnieuw uitgegeven boek, De sfinx van Spanje, gelezen, een van de weinige ooggetuigenverslagen van de strijd tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Tenslotte stuitte ik onlangs bij een antiquariaat op een andere, aanzienlijk dunnere biografie van Helman uit 1949 geschreven door Max Nord. Helman was toen 46 en zou er nog 47 jaar aan vastknopen.

    Wie is Albert Helman?
    Lou Lichtveld (Albert Helman) is een Surinaamse jongen, die breekt met zijn roots en zich in 1922 in Nederland vestigt. Hij schrijft onder talloze pseudoniemen, maar meestentijds onder de naam Helman. Onder die naam is hij ook het meest bekend geworden. Hij is in zekere zin briljant te noemen. Hij is een snelle en originele denker, energiek, een vlotte en soms zeer goede schrijver, uitstekend muzikant en componist, prachtig dichter, sociaal vaardig, maatschappelijk betrokken, maar ook: zelfingenomen en zelfzuchtig, behept met een minderwaardigheidsgevoel, ongeduldig en vaak onaangenaam, dol op seks tot zelfs in zijn laatste dagen als, aldus Van Kempen, hij schalks in het oor van een van zijn lieftallige gezelschapsdames fluistert: ‘Weet je wat ik nou nog zo dolgraag eens zou willen? Een keer van bil gaan?’

    Wat heeft Albert Helman allemaal gedaan?
    Naast vele romans en korte verhalen heeft hij talloze recensies geschreven, commentaren geleverd, analyses geschreven, ingezonden brieven en heel veel gedichten. Hij heeft vele lezingen gehouden, zelfs op het kleine eiland Saba, wat Van Kempen de verzuchting ontlokt: ‘Hij geeft maar liefst drie lezingen op het piepkleine eilandje; soms vraag je je af of hij ook voor de albatrossen heeft gesproken.’ Hij is diplomaat geweest, minister, hoofd van de rekenkamer, redacteur van tijdschriften, vrijwilliger aan het front in de Spaanse Burgeroorlog, verzetsstrijder in Nederland, heeft in de zuiveringscommissie gezeten, heeft zich bemoeid met de onafhankelijkheid van Suriname, actief gelobbyd tegen Bouterse c.s. Hij heeft niet alleen gesproken en aan tafel gezeten met de culturele en politieke elite van Nederland, maar met de groten der aarde. Kortom Albert Helman is een actief baasje geweest, een man met buitengewone capaciteiten op tal van terreinen: een echt Renaissance-mens zoals hij ook graag wilde zijn, aldus Van Kempen.

    Wat is de betekenis geweest van Albert Helman op bovengenoemde vlakken?
    Dat blijft onduidelijk. Van Kempen schrijft in zijn inleiding: ‘Deze biografie geeft op sommige plaatsen niet de detaillering die biografen van auteurs van een klein oeuvre wel kunnen geven’. Hij heeft, zoals hijzelf zegt, rigoureuze keuzes moeten maken. Zo laat hij alle rapporten, memoranda en andere teksten van meestal lokaal belang uit Helmans diplomatentijd achterwege, maar ook structurele en stilistische analyses van zijn werk. Alleen ‘gefilterd sijpelen ze door naar het biografische verhaal, bijvoorbeeld daar waar kritieken aanleiding hebben gegeven tot publieke debatten’. Hoewel het eerste vanzelfsprekend is, is het tweede jammer en ook niet helemaal begrijpelijk. Helman is immers toch het meest bekend als literator en niet als diplomaat. Om hem te kunnen kennen, is inzicht in- en dus analyse van zijn werk toch onontbeerlijk? Zijn rigoureuze keuzes lijken dan ook vooral gebaseerd op de snoeischaar, maar hebben niet geleid tot een principieel andere benadering. Ondanks de veelheid aan bronnenmateriaal, blijft Van Kempen vasthouden aan een chronologische beschrijving van het leven van Albert Helman, eigenlijk zonder enigerlei andere vorm van ordening. Dit is jammer, aangezien er zo wel erg veel van de geïnteresseerde lezer gevraagd wordt. Helman heeft zich immers gedurende een lange reeks van jaren op tal van terreinen wereldwijd actief betoond. Van Kempen had er, gezien de overstelpende hoeveelheid materiaal, beter aan gedaan om, binnen een zeker chronologisch kader, te kiezen voor een meer thematische benadering, bijvoorbeeld, Helman als literator; Helman en Suriname enz.

    Tot en met hoofdstuk 7 blijft het boeien, waarschijnlijk omdat het gebodene zich tot dan toe afspeelt binnen de grenzen van onze eigen cultuurgeschiedenis, namelijk een stukje kolonialisme, verzuiling, opkomst fascisme, de Tweede Wereldoorlog en de bezetting en tenslotte de wederopbouw en de afrekening. Daarna waaiert het verhaal alle kanten uit. Dit heeft vooral te maken met de vele diplomatieke activiteiten van Helman nadien. Als betekenisvolle schrijver lijkt hij, na de oorlog, zijn tijd gehad te hebben. Er beklijven daarvan alleen nog wat anekdotes en die zijn er genoeg. Helman was immers een controversiële figuur en Van Kempen kan daar smakelijk over vertellen. Maar er ontbreekt een betekenisvolle ordening, iets dat wel ten grondslag ligt aan het oude boekje van Max Nord. Helemaal rechtvaardig is deze kritiek natuurlijk niet. Het boekje van Nord is verschenen in de serie ‘Schrijvers van heden’ en pretendeert niet zozeer een biografie te zijn, maar slechts een duiding van de betekenis van het werk van de schrijver Albert Helman tot 1949. Het is geen biografie in de zin die Van Kempen voor ogen staat en bovendien in tijdsbestek veel beknopter. Maar het is wel gebaseerd op een betekenisvolle ordening, namelijk Helman als schrijver. Dus, niks geen relaas over zijn huwelijksperikelen, maar wel over de invloed van Kafka, Freud, Camus en het existentialisme op zijn werk, hoe zijn werk zich verhoudt tot dat van bijvoorbeeld Couperus. Op zo’n manier is zo veel meer omtrent Helman te leren.

  • De kunst van een eenling

    De hoofdpersoon in de roman De speler van Dostojewski omschrijft een Duitse familie: een fatsoenlijke Vater die ’s avonds samen met zijn gezin zit te lezen, terwijl ‘boven het huisje de olmen en kastanjes ruisen. De zon gaat onder, de eiber zit op ’t dak.’ Zulke beschrijvingen kom je in de recent verschenen Nederlandse vertaling van de biografie van Johann Wolfgang von Goethe door filosoof en historicus Rüdiger Safranski niet tegen; Safranski beschouwt soortgelijke omschrijvingen als ‘weinig vleiend’ (p. 369). Sterker nog, het lijkt bijna alsof Goethe qua familie in het luchtledige hangt. Het zou zomaar kunnen, dat Safranski daarmee wil benadrukken dat Goethe ‘de kunst verstond een eenling te blijven’ (p. 17). Zoals de auteur dingen niet zonder reden weglaat, schrijft hij ook niet zomaar iets zonder bedoeling op.

    Zelfs de veelvuldig voorkomende gedachtestreepjes lijken weggelopen uit het werk van Goethe zelf. Evenals de tussenbeschouwingen die doen denken aan de eerste versie van Wilhelm Meister Wanderjahre van de meester zelf. Voorts zijn citaten zó raak gekozen, dat ze bevestigen wat Safranski over Goethe schrijft: ‘Hij ensceneert zijn liefdesperikelen in zijn brieven, verlengt en intensiveert ze en creëert in het schrijven een imaginair toneel’ (p. 53). Dit citaat ligt in het verlengde van de rode draad die Safranski door zijn biografie weeft: Goethes ‘verlangen een leven te leiden volgens de literatuur, dat pregnanter en betekenisvoller kan zijn dan het leven zelf’ (p. 96). Het schrijverschap is bij Goethe volgens Safranski ondergeschikt aan zijn leven (p. 220). Waarbij het eerste hem gemakkelijker afging dan het tweede. Safranski benadrukt het eerste, terwijl de moeizame wordingsgeschiedenis van Faust ook iets anders laat zien.

    Safranksi heeft Goethes werk, zijn primaire bron, gelezen vanuit dat uitgangspunt, het leven. Werther is bijvoorbeeld een jongeman ‘bij wie de gevoelens meer uit zijn lectuur dan uit het leven zelf stammen’ (p. 252). En passant haalt Safranski overigens de opvatting onderuit dat deze roman tot nabootsende zelfmoorden zou hebben geleid. Hoewel Goethes zelfmoordneigingen uit zijn vroege jaren en de zelfdoding van één van de dochters van kolonel Von Lassberg verderop in het boek wel met Werther in verband worden gebracht …

    Eén van de andere primaire bronnen naast Goethes eigen werk zijn brieven. Onder meer van Karoline Herder. Volgens hem had ook zij het met soortgelijke observaties over leven en werk als hijzelf maakte, het bij het rechte eind. Zij schreef aan haar man, als dichter, filosoof en theoloog de geestelijke tegenpool van Goethe: ‘Hij leeft nu eenmaal zoals de dichter met het geheel of het geheel in hem’ (p. 364). Hetzelfde geldt ook voor de kunsten die Goethe liefhad, en op zijn reizen in Italië leerde waarderen, en de natuurkunde, die hij een even warm hart toedroeg. Ook deze zuilen krijgen, net als Goethes werkzaamheden als criticus, jurist en politicus relatief veel aandacht. Safranski trekt uit deze veelzijdigheid de conclusie, dat Goethe voor alles een grenzeloos nieuwsgierig mens was, vol van het ‘machtige gevoel alles te kunnen assimileren wat hem de moeite waard leek’ (p. 431). Een beetje zelfzuchtig dus, maar zo ver gaat de bewonderende biograaf niet. Wel hield Goethe het daarbij klein, meent hij; Goethe hing, in tegenstelling tot Schiller, die ‘aan de mensheid dacht’, aan zijn ‘kleine kring van kunstvrienden’ (p. 465). Over Schiller schreef Safranski overigens eerder enkele in de pers goed ontvangen studies, evenals over Nietzsche, Heidegger, Schopenhauer en E.T.A. Hoffmann.

    Concluderend schreef Safranski met Goethe een meesterlijke biografie over één van de grootste meesters uit de wereldliteratuur. Hij baseerde zich op het werk van Goethe zelf en werkt consistent en evenwichtig het slechts in een enkel geval als een mal werkende idee uit dat Goethe een leven leidde volgens die literatuur. Daarbij wijst hij telkens momenten in zijn leven en werk aan die er een bepaalde wending aan gaven. Momenten die in een kroniek achter in het boek nog eens op een rijtje zijn gezet. Safranski weet die momenten, het leven en werk van Goethe op grond van primaire bronnen binnen de context van zijn tijd te plaatsen. Dit geeft het grootse boek dat – zoals het cliché zegt – leest als een roman meerwaarde en tilt het uit boven de zoveelste biografie over Goethe. Daarbij komt dat de studie ook nog eens mooi is vertaald door Mark Wildschut, die eerder boeken van Safranksi vertaalde.

     

    Goethe. Kunstwerk van het leven
    Biografie

    Auteur: Rüdiger Safranski
    Vertaald door: Mark Wildschut
    Verschenen bij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 704
    Prijs: € 44,99

  • Portret van een oeuvre

    Recensie door Hans Bender

    Margot Dijkgraaf (1960), romanist en onder meer literatuurcriticus van diverse literaire bladen, is vanaf haar middelbare schooltijd gefascineerd geweest door het werk van Hella Haasse. Als twintiger stuurde zij de schrijfster soms brieven met vragen over een boek, dat ze zojuist had gelezen. De schrijfster belde haar dan steevast terug om de vragen te beantwoorden. De interviewster zat ondertussen niet stil; ze werkte voor NRC Handelsblad, voor diverse culturele organisaties, werd redacteur van literaire tijdschriften en schreef zelf een paar boeken. Al met al: in de 22 jaar, die zij Haasse heeft gekend is zij ongeveer 130 keer bij haar thuis geweest.

    In 2004 ontstond het plan, de gesprekken in een boek te bundelen; dat resulteerde in Spiegelbeeld en schaduwspel.

    Hella Haasse groeide op op Java en haar bekendste Indische boeken zijn haar debuut Oeroeg en het latere Heren van de thee. In 1988 krijgt zij de nodige bekendheid bij het grote publiek doordat Adriaan van Dis haar in zijn televisieprogramma ten tonele voert als ‘de schrijfster van Oeroeg‘. Het boek wordt later, in 2009, verkozen tot het centrale boek van de campagne ‘Nederland leest’. Bovendien omschrijft Van Dis haar als ‘de gesprekspartner van de koningin’. Het interview bevalt de schrijfster allerminst; ze wil uitsluitend worden beoordeeld op de kwaliteiten van haar literaire werk.

    In het algemeen wordt zij gezien als een erudiete, aardige en bescheiden dame zonder uitgesproken, laat staan controversiële standpunten. Ook de neerlandistiek besteedt relatief weinig aandacht aan haar: als Margot Dijkgraaf enige tijd na Haasse’s dood in 2011  een avond poogt te organiseren over haar werk vangt zij bij alle door haar benaderde hoogleraren bot. En tot op de huidige dag is er niemand gepromoveerd op (alleen) het werk van Hella Haasse.

    Opmerkelijk: Haasse wilde niet, dat het boek van Dijkgraaf een biografie zou worden; wie wilde weten wat voor leven zij had geleid moest – zo meende zij – haar boeken maar lezen. Tja, en wat denkt Dijkgraaf, de interviewster eigenlijk zélf van haar boek? Welnu, om te beginnen, ze vindt het – merkwaardigerwijze – geen interviewboek en evenmin een biografie. Zij omschrijft het als ‘mijn portret van het oeuvre van onze grootste twintigste eeuwse schrijfster…’

    Hella Haasse had levendige herinneringen aan haar vroege, Indische jeugd en zij legde daarbij de nadruk op de betovering, die uitgaat van de natuur. Dit aspect alsook de (gezins)wereld waarin zij opgroeide komt tot uiting in haar autobiografisch werk Zelfportret als legkaart (1954), Persoonsbewijs (1967), Krassen op een rots (1974) en nog enkele andere boeken.
    Hella Haasse krijgt van huis uit liefde mee voor kunst en cultuur en daarnaast een zekere hartstocht voor literatuur en het schrijven. Dit alles wordt in hoge mate bepaald in de jaren die zij doorbrengt op het lyceum in Batavia. Na haar eindexamen vertrekt zij in 1938 naar Nederland, waar haar vader haar heeft ingeschreven voor de universitaire studie Nederlands in Utrecht. Tegen de zin van haar ouders verhuist ze naar Amsterdam om er Scandinavische talen, Zweeds en in het bijzonder Oud-Noors te gaan studeren. Inmiddels is de Tweede Wereldoorlog uitgebroken en is Nederland door de Duitsers bezet. Hella stopt met de studie en schrijft zich in bij de toneelacademie. In 1943 doet zij daar eindexamen. Tijdens de opleiding en daarna treedt zij regelmatig op in het land. Zij schrijft in die tijd teksten voor kinderprogramma’s; ook voor Wim Sonneveld schreef ze – tot 1947 – veel cabaretteksten.

    In 1944 trouwt Hella Haasse met Jan van Lelyveld, die aanvankelijk archeologie en geschiedenis, later rechten studeerde. Hij had literaire ambities, was redacteur van het satirische studentenblad Propria Cures en vroeg haar – al in 1940 – tot de redactie toe te treden.

    Hella Haasse betitelde de roerige oorlogsjaren als ‘ de belangrijkste van mijn leven’, maar pas veel later, in 1963, schreef zij daarover een roman De meermin waarin de problematiek – twee geliefden, die verschillende toekomstverwachtingen koesteren – in vermomde vorm opduikt.

    In 1945 verschijnt Hella’s eerste dichtbundel Stroomversnelling. Interviewster Dijkgraaf ziet daarin een bekend motief van Haasse’s optreden: ergens bij willen horen, met name bij de geliefde, om tegelijkertijd de eigen creatieve autonomie te behouden.  Ook het ‘Feniksmotief’ keert in haar oeuvre vaak terug, bijvoorbeeld in De scharlaken stad (1951) en Een nieuwer testament (1966).

    Phoenix is een vogel uit de Griekse mythologie. Hij vliegt eens in de 500 (!) jaar naar Egypte en nestelt daar hoog in een boom. Nest plus vogel vatten vlam, waarna de vogel verjongd uit zijn as herrijst. Deze wedergeboorte, het nieuwe begin, heeft Haasse nog talloze malen uitgewerkt.

    Terug naar een eerder genoemd thema, de door de interviewster in het oeuvre van Haasse ‘ontdekte’ – en door de schrijfster in de gesprekken bevestigde – discrepantie ten aanzien van de toekomstverwachtingen tussen geliefden. Dat werpt de vraag op voor welke lezer een boek als dit nu eigenlijk het meest geëigend is. Welnu, voor degenen die genieten van de verhaaltrant van Hella Haasse zal dit boek zeker welkom zijn. So far, so good. Maar degene voor wie dit boek een uitkomst zou moeten zijn – de man of vrouw aan wie de psychologische diepgang werkelijk besteed is – zou dat niet de eerder genoemde promovendus zijn, die vooralsnog  ontbreekt in onze literatuurgeschiedenis? Uw recensent ziet daar een mogelijkheid.

    Al met al kan Spiegelbeeld en schaduwspel een verhelderend boek zijn voor bewonderaars van het werk van Hella Haasse. En die zijn er genoeg.

     

  • Steeds bezig aan één groot werkstuk

    In oktober 1954 vulde een Haarlemse ambtenaar een formulier in waarin Anton Heijboer (of Heyboer, zoals hijzelf schreef) zich liet registreren als kunstenaar. De etser en latere schilder wilde gebruik maken van de contraprestatieregeling. Die voorzag erin dat de gemeente werk aankocht in ruil voor een uitkering. Heyboer verklaarde tegenover de ambtenaar dat hij van niemand invloed had ondergaan en dat bijzonderheden over hem te vinden waren in zijn dossier in het krankzinnigengesticht in Santpoort. De ambtenaar noteerde nog dat de verklaringen op het formulier in hoofdzaak waren gebaseerd op uitlatingen van de kunstenaar zelf.

    Blijkbaar wisten ze ten gemeentehuize in 1954 al niet hoe ze betrouwbare biografische gegevens over hem op papier moesten krijgen. Dat zou niet erg veranderen. Ruim 50 jaar later verklaarde kunsthistoricus Hans Locher over Heyboer: ‘[Hij] bouwde zijn eigen gekkenhuis in Den Ilp, kon je zeggen, in het echt en in de verhalen. Er was niet zoveel verschil.’

    Locher vertelde dat aan Bert Nijmeijer, historicus en journalist, van wie zojuist een boek over Heyboer is verschenen.

    Nijmeijer, geboren in 1971, had het beeld van Heyboer dat de meesten voor ogen staat. Dat van de halvegare quasi-kunstenaar die tussen vrouwen en dieren woonde in vervallen hokken in Den Ilp, bij Amsterdam, en wiens verschijning in TV-programma’s als De Stoel vooral op de lachspieren werkte. Nijmeijers ruimere nieuwsgierigheid werd gewekt toen in 2007 een boekje verscheen van Erna Kramer. Zij leerde Heyboer kennen in 1952, was vier jaar daarna met hem getrouwd, had met hem een dochtertje Marcelle gekregen, en was in 1959 met het kind bij hem weggegaan. Heyboer maakte daarna geen deel meer uit van hun leven, maar in 2007 ontdekte Erna dat Heyboer haar in interviews doodzweeg door zijn leven in de jaren ’50 louter af te doen als ‘vijf jaar palingvissen’. Dat was haar te gortig.

    Voor Nijmeijer kwam daar nog eens bij dat rond de tijd dat Erna haar stem in geschrift verhief de geruchten steeds aanzwollen over regelmatig opduikende vervalsingen van werk van Heyboer. Daarin speelden de Amsterdamse kunsthandelaren Knubben en Simon én een mysterieuze Bijvoet een grote rol. Dat waren voor hem genoeg redenen om de geschiedenis van die ‘gek’ uit Den Ilp te reconstrueren.

    Maar ga er maar aan staan, als uit de aantekening van de Haarlemse ambtenaar en de ervaring van Locher al blijkt dat je nauwelijks houvast zult vinden. Dat ontdekte Nijmeijer gaandeweg eveneens. Hij heeft dan ook geen biografie geschreven, maar ‘een biografische speurtocht’. Die leidde vooral langs de bestaande literatuur en zo’n 35 ‘getuigen’ die hij interviewde. Al die verhalen heeft hij samengeweven tot een lappendeken van anekdotes, meningen, interpretaties en ruzies, die het object van zijn onderzoek helaas niet erg nader tot de lezer brengen dan in voorgaande publicaties al is gebeurd.

    Nijmeijer schrijft onderhoudend, daar niet van. Al lijkt het er soms op dat hij moeite had om weetjes en anekdotes achterwege te laten. Soms is dat storend voor de loop van het verhaal. Wat moet je er bijvoorbeeld als lezer mee dat Harry Mulisch, die in Haarlem bevriend was met Heyboer, naar Amsterdam verhuist en daar met Ed Hoornik optrekt. Het gegeven heeft geen enkele relevantie voor het leven van Heyboer die dan feitelijk al met Mulisch gebroken heeft.

    De rode draad in het boek wordt gevormd door twee componenten: de filosofie van Heyboer en zijn werk. Wat het eerste betreft blijft de kunstenaar trouw aan de diagnose die in 1951 in Santpoort al gesteld werd: ‘krankzinnigheid met Christuscomplex’. Hij bouwt zijn filosofie uit tot een systeem waarin hij zelf als een soort Christus de spil vormt met als doelstelling zijn hele leven en dat van de vijf vrouwen waarmee hij uiteindelijk in Den Ilp samenwoont tot zijn ultieme kunstwerk te verheffen. Steeds als een nieuwe vrouw bij hem intrekt moet haar ego en haar burgerlijkheid tot de grond toe worden afgebroken om met hem verenigd te kunnen worden. ‘Ik ben steeds bezig aan één groot werkstuk’, laat Nijmeijer hem ergens zeggen.

    Daarnaast als tweede component zijn werk, dat aanvankelijk in de vorm van etsen en later in schilderijen (gemakkelijker, want zo’n ding heb je veel sneller af) wordt opgetuigd uit lijnen, kruisen, cijfers en teksten die allemaal naar zijn ‘systeem’ verwijzen. Een enkeling valt ervoor, maar eigenlijk is er niemand die er een touw aan vast kan knopen. De al genoemde Locher, die in 1976 eveneens een biografie publiceerde, kende de kunst van Heyboer ‘een ongewoon dwingende werking’ toe, maar zag er toch ook niet meer in dan ‘een taal waarin bepaalde mededelingen gedaan werden’ (geciteerd door Nijmeijer). Aan zo’n heldere analyse heb je nog eens wat als je geïnteresseerd bent in wat de kunstenaar bewoog!

    Ook Nijmeijer zelf slaagt er niet in om de lezer inzicht te geven in Heyboers werk, maar anders dan Locher, valt hem dat te vergeven. Hij geeft in zijn nawoord toe dat hij te weinig kunstkenner is om daar uitspraken over te doen.

    Heyboer. Een biografische speurtocht laat zich grotendeels lezen als een amusant verhaal. Het wordt zelfs spannend als de auteur probeert te achterhalen wie de geheimzinnige Bijvoet is, die steeds opnieuw met onbekend werk uit zijn Haarlemse periode aan komt zetten. Nieuwe inzichten over leven en werk van Heyboer levert het boek echter niet op.

     

     

  • Snijderseiland – Juliën Holtrigter

    door Ingrid van der Graaf

    Winnaar van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2011, Juliën Holtrigter komt begin februari met een nieuwe gedichtenbundel, getiteld Snijderseiland. De Turingprijs won hij voor zijn gedicht Onder de sterren, dat u hieronder kunt lezen.

    ‘Onder de sterren
    Onder de sterren geslapen. Lang in de tijd
    liggen kijken, in de ijlende, krijsende ruimte.
    De vreemde vreugde die dat ondenkbare schept.

    Ik zag een foto die iemand vanuit een kuil had genomen.
    Uitzicht vanuit een graf, stond eronder. Je zag
    een stuk van de hemel en de dunne kruinen van bomen.

    Ik denk aan mijn vader, heel ver van huis, niet meer
    bij machte terug te keren.
    En aan mijn ex die ik plots bij mijn tandarts aantrof
    boven mijn wijdopen mond, mooier en harder dan ooit,
    met een slang in haar hand om het gruis en het vocht
    weg te zuigen. Daar lag ik.

    Ik zou zo graag licht willen reizen, met in mijn rugzak
    niet meer dan wat kleren, een veldfles, een pen
    en papier.’

    Juliën Holtrigter (pseudoniem Henk van Loenen) publiceerde onder meer in Maatstaf, Tirade, Hollands Maandblad en Poëziekrant. Hij debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij uitgeverij Mozaiek. Gevolgd door: Het verlangen te verdwalen (2004), Het stilteregister (2006) en Het feest van de schemer ( 2009), bij uitgeverij De Harmonie waar ook zijn  vijfde bundel Snijderseiland verschijnt. De gedichten van Holtrigter verbeelden een rusteloos zoeken waarbij alledaagsheid verwordt tot geheimzinnige onwerkelijkheid.
    Holtrigter over zijn werk: ‘Wat ik opschrijf lijkt bij nader inzien het verslag van een reis. Het blijkt een zoeken te zijn naar wat zich achter de zichtbare werkelijkheid bevindt. Het is ook een relaas over pogingen tot onthechting en overgave.’ Steeds dringt zich een werkelijkheid op die groter is dan de waarneembare, maar die toch met handen en voeten aan die waarneembare werkelijkheid vastzit. Het is juist het aardse besef dat het besef van het bovenaardse oproept. Naast dichter is Holtrigter onder zijn eigen naam Henk van Loenen ook beeldend kunstenaar. Zijn beeldend werk bestaat hoofdzakelijk uit tekeningen en schilderijen in acryl op linnen en papier. Ook schildert hij in olieverf op linnen. Zijn werk is kenmerkend om zijn abstracte en tevens herkenbare vormen waarbinnen de menselijke figuur een belangrijk thema/motief is.

    Uit zijn binnenkort te verschijnen bundel Snijderseiland is het volgende gedicht:

    ‘Het licht
    Wakker geworden.
    De blinden zijn dicht maar het licht,
    soeverein,
    glipt door de kieren naar binnen.

    Ik stap naar buiten.
    Ik ruik het, ga liggen.

    Springlevend word ik gebalsemd,
    gewiegd als een prehistorische koning,
    geaaid als een veulen, ik adem.’

    Holtrigter won in 2003 de VU-Podium Poëzieprijs voor Dichter en onlangs de Concept Poezieprijs 2011 het gedicht Het laatste huis.

    De pers over Het feest van de schemer: ‘De smaak van deze gedichten is wonderlijk, soms een beetje bureaucratisch en stijf maar dan weer met een gekke, hier en daar haast surrealistische afdronk (….). Ik ken eerlijk gezegd geen dichter in Nederland met zulke visioenen.’ Rob Schouten in Awater, november 2009

    Ter attentie: het hierbovengeplaatste cover betreft niet de aangekondigde bundel Snijderseiland maar is de cover van Holtrigters laatste bundel uit 2009, Het feest van de schemer.

    Snijderseiland
    Juliën Holtrigter
    Blz: 48
    Prijs: 14,90
    Verschijnt begin februari bij: De Harmonie

    Voor meer inormatie bezoek de site van www.deharmonie.nl en www.henkvanloenen.nl

  • Nieuw hoofdstuk Chris van Geel (1917-1974)

    Dichteres Elly de Waard (1940) debuteerde in 1978 met de bundel Afstand  en schreef meer dan vijftien jaar over popmuziek voor de Volkskrant en Vrij Nederland. Zij gold als een der spraakmakers op dit gebied en maakte voor muziektijdschriften interviews met beroemdheden als David Bowie. Haar studie Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam brak zij vroegtijdig af om dichter Chr. J. van Geel te begeleiden op zijn weg in de poëzie . ‘Je zou kunnen zeggen dat ik de levende en toegespitste studie (en de liefde) verkoos boven de grotere dorheid van een universiteit.’ (KB)

    Elly de Waard deelde twaalf jaar van haar leven met dichter Chr. J. van Geel en je zou kunnen zeggen dat zij zijn werk als geen ander kent. Sinds begin dit jaar beheert De Waard een website waarop ze onder andere het nalatenschap van Van Geel heeft ondergebracht. Het werken aan teksten over het beeldende en literaire werk van Van Geel gebeurt in etappes en onlangs is aan het lemma ‘De ontwikkeling van een dubbeltalent’ dat als eerste hoofdstuk bevatte, Van Geel en het surrealisme nu een tweede hoofdstuk Van Geel en Forum toegevoegd.

    Hierin aandacht voor hoe Chris van Geel zijn dichterschap ontwikkelde, hoe moeizaam zijn weg was  en er uiteindelijk twintig jaar over deed om in 1958 zijn eerste bundel te kunnen presenteren. Als autodidact op letterkundig gebied schoolde hij zichzelf door veel te lezen en de literatuur van die tijd op de voet te volgen. Hij raakte betrokken bij het tijdschrift Forum en zelfs bevriend met Forums voorman E. du Perron, die hij als vaderfiguur en raadgever zag in zijn zoektocht in de kunsten.

    Elly de Waard geeft een blik op de jaren dertig, veertig en vijftig van de vorige eeuw waarin verschillende stromingen in de kunsten ontstonden.  En waar Van Geel zocht naar een verbinding tussen dit alles die tot een associatieve en vrije kunst moest leiden. Een kort beeld in de tijd wordt weergegeven van o.a. Bertus Aafjes, Vasalis, Ida Gerhardt, Leo Vroman, Louis Lehmann en Kouwenaar en Lucebert.
    Op de webpagina staan verschillende afbeeldingen van de dichter Van Geel en enkele van zijn kunstwerken.

     

    Interview met Elly de Waard op site Koninklijke Bibliotheek: http://www.kb.nl/dichters/waard/waard-04.html)
    www.ellydewaard.nl

     

  • door Wil van Basten-Malipaard

    Historicus prof. Cees Fasseur (1938) heeft verscheidene publicaties over de Nederlands-Indische geschiedenis op zijn naam staan maar is vooral bekend geworden  door zijn tweedelige biografie over Koningin Wilhelmina. De Wilhelmina-biografie is dan ook voor Fasseur de inspiratie om een studie te maken over het leven van Juliana en Bernhard. Hij kiest voor de periode 1936-1956 omdat dit de meest bewogen episode vormt uit het verhaal van hun lange huwelijk en diep in hun persoonlijk leven heeft ingegrepen.

    Voor het schrijven van deze indringende dubbelbiografie baseert Fasseur zich op het Koninklijk Huisarchief, met inbegrip van de door de commissie Beel verzamelde dossiers en de tekst van het rapport van dit driemanschap. En dat was heel veel! Kilometers geschreven materiaal in de vorm van brieven, notities, memoranda, familiepapieren, krantenartikelen, dagboekaantekeningen, herinneringen, kattebelletjes, grafologische analyses, etc. En dan nog te bedenken dat de dagboeken van Juliana volgens haar testamentaire beschikking, niet vóór 2054 mogen worden geraadpleegd. Fasseur is de eerste en voorlopig de enige die toegang heeft gekregen tot het Koninklijk Huisarchief, het privédomein van de Koninklijke familie. Dit feit zorgt al sinds de eerste druk van Juliana & Bernhard, eind 2008, voor heftige discussies.

    Deze twintig  jaar trieste huwelijksgeschiedenis van Juliana en Bernhard wordt beschreven in drie lijvige delen.

    • Deel 1: ‘De Opmaat’: de kennismaking, het huwelijk, de oorlogsjaren, de ‘goede’ Bernhard tijdens de oorlog, de oogafwijking van prinses Marijke, gezien als  aanleiding tot het zevenjarig durend conflict, beter bekend als ‘de Greet Hofmans-affaire’ ? 1948-1956.
    • Deel 2: ‘Het Conflic’: de hoofdrol van gebedsgenezeres Greet Hofmans als doorgeefster, de invloed van de Hofmansadepten in de hofhouding van Juliana, de ‘slechte’ Bernhard van na de oorlog, de escalatie en de rol van de buitenlandse pers tot de mogelijke oplossing van het conflict.
    • Deel 3: ‘De Ontknoping’: de door o.a. de commissie Beel voorgestelde maatregelen die noodzakelijk waren om de vrede in het koninklijk gezin en Nederland weer te waarborgen. De ‘Afwikkeling’ zou wellicht een betere titel van dit hoofdstuk zijn geweest. Het woord ‘Ontknoping’ doet m.i. te veel denken aan een onverwachte afloop van een spannende roman of toneelstuk. Misschien moet er wel gewacht worden tot 2054 voor een dergelijke ontknoping!
    • In het laatste hoofdstuk ‘Terugblik’ lezen we in elf bladzijden de samenvatting van deze drie delen met een vooruitblik naar wat wij daarna tot en met nu (menen te) weten over Juliana en Bernhard.

    Het is evident dat Cees Fasseur antwoorden heeft proberen te vinden op eigenlijk maar een hoofdvraag. Dé grote vraag. Het grote WAAROM? In het volgend citaat verwoordt Fasseur deze prangende vraag en geeft daarna mogelijke redenen. Blz. 290:  …waarom Juliana zich zo liet leiden door een vrouw (Greet Hofmans) die als een destructieve kracht op haar huwelijk inwerkte, de gezinsverhoudingen ontwrichtte en kennelijk een eigen agenda voerde. Kwam het door het verdriet om Marijke, een verdriet waarmee zij elke dag opnieuw werd geconfronteerd? Lag het aan de spanningen in haar huwelijk, haar werk en de toestand in de wereld die haar ongelukkig en onzeker maakten? Was het de wens om zich te conformeren aan haar Baarnse kring van vriendinnen die zich in hun dagelijkse leven eveneens naar Hofmans’ wenken en doorgevingen richtten? Was het de voor ons niet meer na te voelen fascinatie  voor een vrouw aan wie bovennatuurlijke gaven en krachten werden toegeschreven, maar die tegelijkertijd ook weer zo ‘gewoon’ was? Of hing het geloof in “Boven” samen met Juliana’s aanleg en karakter? (…) Mensen die haar goed meenden te kennen, (…), wierpen het op haar toegeschreven ernstig minderwaardigheidscomplex. Ze had zich altijd de mindere gevoeld van haar moeder en aanvankelijk ook van haar man. De paradoxaal klinkende conclusie ligt voor de hand dat zij zo sterk afhankelijk van Hofmans werd, omdat deze haar zekerheid en zelfvertrouwen schonk.”

    Dit lange citaat is m.i. de samenvatting, de leidraad die Cees Fasseur heeft gevolgd voor zijn onderzoek voor het schrijven van deze dubbelbiografie.Tot een openbaring komt het echter niet. Er is geen ontknoping.
    Door zich dan weer bladzijdenlang te richten op Juliana, dan weer bladzijdenlang op Bernhard of op andere voor hen belangrijke personen lukt het Fasseur niet altijd een chronologische volgorde aan te houden. En gaat de lezer wat heen en weer. Soms zijn er zelfs grote schommelingen in de tijd die als feedback dienen (bv. de langere flashbacks naar vroegere tijden (koningin Emma) en nogal eens wordt er een vooruitblik naar het heden geworpen).

    Blz. 319 over Bernhard: ‘Met zijn gebruikelijke openhartigheid, die hem zelfs zou overleven, had de prins zijn verhaal in het voorjaar van 1952 gedaan aan de Amerikaanse journalist (…)’.’Daar school natuurlijk ook berekening in’, suggereert Fasseur. En hij besluit deze alinea met nog een flash forward: ‘Toch zou publicatie dertig jaar op zich laten wachten’. Dankzij de herhalingen en doublures in de tekst is het alleszins mogelijk om niet het gehele boek  te lezen maar je te beperken tot enkele capita selecta.

    Met een grote regelmaat lezen wij bv. vanuit verschillende invalshoeken over de (genetisch bepaalde!?) driftbuien en het minderwaardigheidscomplex van Juliana. Een paar voorbeelden ter illustratie daarvan. Op blz. 29 schrijft Fasseur: ‘Evenals haar moeder had zij last van onverwacht  opkomende driftbuien die, hoewel doorgaans weer even snel verdwenen als vergeten, haar omgeving telkens eraan herinneren dat zij juist niet gewoon was.’ Op blz. 114 schrijft Bernhard in een brief van 22-27 november 1942 aan Juliana: ‘Het was reuze aardig deze keer en ik moet je toch niet mijn vaderlijke lof verzwijgen over je uiterlijk en ook dat je deze keer helemaal geen “uitbarsting” had? dat maakte het dubbel gezellig en aardig…’ Van Hamel  (na de commissie Beel, de vierde wijze man en mediator  in het ‘Soestdijk-conflict’)  schrijft op blz. 427-28: ‘De beste behandelaar van de koningin was zijns inziens de prins ? en hun kinderen niet te vergeten. Gemakkelijk werd het hun echter niet gemaakt door de “ontzettende driftbuien” van Juliana, die zij tien minuten later weer vergeten was’.

    De interventies van de schrijver gaan van mild kritisch tot onverbloemd kritisch. Zijn vele ironische en suggestieve opmerkingen, zijn uitleg, te pas en te onpas, hebben zeker een toegevoegde waarde. Over de driftbuien van Juliana suggereert  Fasseur dat ‘die driftbuien mede het gevolg zullen zijn geweest van haar opvoeding als enig kind’.
    Over de persoonlijk kamerheer van Juliana, mr. dr. I.G. van Maasdijk schrijft Fasseur op blz. 149 dat in de hele paleisaffaire, waarvan Greet Hofmans in de jaren 1948-1956 het middelpunt vormde, een prominente rol voor Van Maasdijk was weggelegd. O.a. op blz. 216 geeft Fasseur duidelijk zijn mening over deze rol: ‘Zij had er beter aan gedaan definitief met hem te breken. Nu behield hij, daarin gesteund door zijn vrouw, de gelegenheid Juliana op te zetten tegen haar echtgenoot  (…)’. En hij vervolgt op de volgende blz. ‘Het zal je kamerheer (of diens vrouw maar wezen. Brieven en adviezen als deze moesten wel een funest effect hebben op de harmonie in het door Bernhards gedrag toch al verstoorde huwelijk (…)’.

    Ook haar particulier secretaris, Walraven van Heeckeren, komt er bij herhaling niet goed vanaf. Op blz. 276 stelt Fasseur: ‘In het voetspoor van Van Maasdijk, met wie hij in vriendschappelijke betrekking bleef staan, begon hij zich hoe langer hoe sterker als de beschermer van de koningin op te werpen tegen de listen en lagen van haar eigengereide echtgenoot’.  Op blz. 429-430 ‘bevestigt’ Drees (in 1956) deze stelling: ‘Drees rekende Van Heeckeren, als overbrenger van de boodschappen van Hofmans samen met Van Maasdijk tot “de kwade krachten” voor het gezinsleven van koningin en prins. Er was een onhoudbare toestand ontstaan. Secretaris en kamerheer moesten daarom beiden van het hof worden verwijderd.’

    Maar het hoofdbestanddeel zijn toch de vele, vele citaten uit de diverse correspondenties die een waarheidsgetrouw beeld vormen of in hoge mate suggereren. Daarnaast geven ze een inzicht in de zeden, gewoonten en geestelijk klimaat van die tijd. Op blz. 101 schrijft Juliana in haar reisverslag (1941) over haar bezoek aan de Roosevelts: ‘Het zijn mensen met tact en van goeden huize, ze doen niet overdreven “gewoon”…  De gedienstigen zijn negers met aardige, pientere gezichten.’
    De lezer krijgt dus een goed beeld van de dertiger tot en met vijftiger jaren, visueel versterkt  door de fotokaternen en de foto’s die een enkele keer wel erg willekeurig in de tekst zijn geplaatst en soms geen direct verband hebben met de context. Op blz. 248 bv. waar een wintersportvakantie foto staat van de vier prinsessen middenin een tekst over het organiseren van een eerste geestelijke vredesconferentie in 1951.

    Het is opmerkelijk dat er zoveel gecorrespondeerd werd met elkaar in die tijd en dat zoveel correspondentie bewaard is gebleven.  De pennenvruchten van Bernhard hebben vooral grote historische invloed gehad. Bernhard meldt zichzelf aan als huwelijkskandidaat voor Juliana. Blz. 35 e.v. beschrijven hoe Bernhard langs verschillende wegen contact heeft gezocht met het Nederlandse hof ter voorbereiding van een ontmoeting met Juliana.

    Greet Hofmans biedt op 28 april 1948 middels ‘een wonderlijk epistel’ haar diensten aan als gebedsgenezeres. In eerste instantie werd dit verzoek afgedaan met een ‘standaardbriefje’ door de particulier secretaresse. Maar Hofmans zou het er niet bij laten zitten. En het was ook Bernhard die Greet Hofmans eind 1948 in ‘huis’ haalde op voorspraak van een aantal van haar sympathisanten. Het was ook prins Bernhard die de impasse, door Hofmans ontstaan, doorbrak en als enige redmiddel in zijn ogen de publiciteit van de invloedrijke buitenlandse media zocht door middel van zijn netwerk en aldus het conflict naar buiten bracht.

    De grafologische analyses waarin zowel Juliana als Bernhard geloofden zijn verhelderend en belangrijk en kunnen in deze dubbelbiografie echt niet ontbreken. Juliana heeft bv. ook de hulp van een amateurgrafologe ingeroepen om te weten of zij met Bernhard de ware Jacob had gevonden na er zo lang en tevergeefs  naar gezocht te hebben (blz. 41).

    Het tweede deel Het Conflict is uiteindelijk ‘la pièce de résistance’ – het belangrijkste deel voor Fasseur. De uitwerking  van de vragen en redenen  waarom hij deze dubbelbiografie heeft geschreven. Door het lezen van de vele brieven, citaten, ‘doorgevingen’ van Greet Hofmans, die zoals zijzelf zegt ‘het contactsleuteltje’ met Boven was (zij werd door Juliana ‘mijn lieve engel’ genoemd), is de lezer geneigd de conclusie te trekken dat Juliana, hoewel ze dat zelf tegensprak, gemanipuleerd werd, maar niet alleen door Greet Hofmans maar zeker ook door alle Hofmans-adepten om haar heen en in haar hofhouding. Daarmee volgt de lezer de bevindingen van de commissie Beel die het onderzoek heeft gedaan in dit ‘Koninginnedrama’ met Hofmans in de hoofdrol als de ‘Raspoetin’ van Soestdijk. De aanbevelingen van de commissie Beel werden uiteindelijk uitgevoerd. Het was gedaan met de invloed op Soestdijk van de Hofmansgetrouwen.
    De wereldvrede werd in 1956 op het nippertje gered; het huwelijk op Soestdijk ook.

    Juliana en Bernhard bleven nog 48 jaar bij elkaar tot in 2004 de dood hen scheidde. De eenzaamheid van Juliana tijdens haar hele leven komt heel duidelijk naar voren in veel documenten en wordt door Fasseur nog benadrukt, …zo we daar al over heen konden lezen. Misschien hebben alleen de eerste zes huwelijksjaren haar geluk en onbezorgdheid gebracht. Hoewel ze in de oorlog door haar verblijf in Canada gescheiden van Bernhard leefde en hun huwelijk door de talloze bestellingen die Bernhard deed  ‘hoe langer hoe meer de trekken kreeg van een ‘postorderbedrijf’, zo kunnen we lezen op blz. 115.

    Over de prinsessen komen we niet veel te weten. Behalve dat de Kees Boekeschool  in Bilthoven werd ingeruild voor het Baarns’ Lyceum omdat de twee oudsten een leesachterstand zouden hebben en er toch diploma’s behaald moesten worden. En zowel Beatrix als Irene kozen de kant van hun vader in de Hofmans-affaire. Ook prinses Armgard, de moeder van prins Bernhard betekende een vertrouwde haven (paleis Warmelo) voor de beide prinsessen. Dit in tegenstelling tot Het (koude) Loo van koningin/prinses Wilhelmina. Deze voorkeur was eveneens een bron van onenigheid tussen de beide echtelieden.

    De liefdesaffaires en amoureuze escapades van Bernhard worden niet uitgebreid besproken en worden door Juliana niet als dramatisch ervaren, althans zij heeft daarvan in haar brieven nooit iets laten blijken. ‘Misschien is het voorbeeld van haar moeder op haar houding van invloed geweest’, stelt Fasseur op blz. 122. ‘In het vorstelijk milieu van de negentiende eeuw was huwelijkstrouw nooit een deugd die sterk werd gecultiveerd. Keus was er voor de mannelijke helft van de in hogere kringen gehuwden doorgaans te over en de vrouwelijke helft had hierin maar te berusten’.

    Juliana & Bernhard is een zeer leesbaar en toegankelijk werk. De schrijfstijl van Fasseur is open en spontaan. Op geen enkel moment wordt het boek een dorre opsomming van feiten en gebeurtenissen vergezeld van saai commentaar. Kortom, een geslaagd boek! Een boek dat voortdurend je aandacht vasthoudt. Een aanrader voor die lezers die zich interesseren in geschiedenis en in de geschiedenis van ons koningshuis in het bijzonder.  We komen veel te weten over het hof en Hofmans (what’s in a name?). De brave vaderlandse pers werd in die tijd immers nog overal buiten gehouden.

    Misschien was het inderdaad zo, zoals Fasseur concludeert in zijn Terugblik en was ‘Juliana als het ware uit haar tijd gevallen’. Zie blz. 452. En ‘was er bij politici en partijen, met uitzondering dan van de communisten, geen enkel begrip voor de genuanceerde opstelling van de koningin in zaken van oorlog en vrede, voor haar bevlogen, toen als wereldvreemd gezien idealisme’ .

    Het laatste woord in deze affaire kwam van Juliana in haar kersttoespraak in 1956: ‘Maar heb ook ik soms het recht niet te trachten mijzelf te zijn’?  en daarmee kom ik terug op het citaat boven deze recensie: ‘Misschien viel Hofmans nog het minste te verwijten’ ? Fasseur op blz. 449.

     

    Juliana & Bernhard.Het verhaal van een huwelijk, de jaren 1936-1956
    (Heruitgave als paperback)
    Aureur: prof. dr. Cees Fasseur
    Prijs: € 15,-.
    Uitgegeven door: uitgeverij Balans, 2009

  • Arnon Grünberg

    Arnon Yasha Yves Grünberg (Amsterdam, 22 februari 1971) is een van de belangrijkste contemporaine Nederlandse auteurs. Bij zijn binnenkomst in de Nederlandse letteren vergeleek criticus Jan Vrijman hem met de jonge Gerard Reve. Vele publicaties later dringt de vergelijking met Willem Frederik Hermans zich op: net als Hermans schrijft Grunberg romans, korte verhalen, poëzie, toneel, essays, is hij een begenadigd columnist en polemist en foetert hij op Nederland en de Nederlandse mentaliteit.

    Persoonlijk
    Arnon Grunberg wordt op 22 februari 1971 geboren in Amsterdam. Hij gaat naar het Vossius Gymnasium, maar wordt daar in 1988 van verwijderd. Hij gaat werken, onder ander andere als bordenwasser en bij een apotheek. Hij start een eigen uitgeverijtje, Kasimir en krijgt in 1991 een toneelschrijfopdracht van het Amsterdams Fonds voor de Kunsten.

    Als hij 23 is, debuteert hij met de sterk autobiografische roman Blauwe maandagen, waarin onder andere zijn joodse afkomst aan bod komt. Grunberg vestigt in een keer zijn naam: critici zijn lovend en vergelijken hem met een jonge Gerard Reve, hij ontvangt de Anton Wachter-prijs voor beste debuut en Blauwe maandagen wordt vertaald naar het Engels, Duits, Deens, Italiaans, Frans, Spaans, Zweeds en Japans.

    Met zijn tweede roman Figuranten bevestigd Grunberg in 1997 zijn talent en consolideert zijn positie als een van de belangrijkste hedendaagse auteurs.

    In het voorjaar van 1999 debuteert Grunbergs als dichter met Liefde is business, een komische tragedie in vrije verzen over een onmogelijke liefde tussen een schrijver en hoer C.

    In 2000 verschijnt de roman De geschiedenis van mijn kaalheid, van de schrijver Marek van de Jagt. In de media wordt de roman direct vergeleken met het werk van Grunberg en een mediahype rondom de ware identiteit van Van der Jagt volgt. Uiteindelijk is het NRC Handelsblad dat onthult en bevestigd krijgt dat Van der Jagt een pseudoniem van Grunberg is.

    In 2005 publiceert Grunberg voor de laatste maal onder de naam Marek van der Jagt een essay over de filosoof Otto Weininger, de joodse schrijver van het antisemitische boek Geslacht en karakter, die in 1903 zelfmoord pleegde. Hij beëindigt het essay Otto Weininger of Bestaat de jood? met de voetnoot: ‘Dit is het laatste boek waarop de naam Marek van der Jagt zal prijken. Hij heeft geen functie meer, en daarmee ook geen identiteit. Hij moet doen wat ik nog niet kan: sterven.’

    Grunbergs boeken zijn in vele talen vertaald. Hij is columnist voor het maandblad van Amnesty International Wordt Vervolgd, voor de VPRO-gids (Yasha) en voor Humo. Verder is hij medewerker van NRC Handelsblad, waarvoor hij in 2007 en 2008 als embedded journalist in Uruzgan en Irak stukken schreef. Bovendien gaf hij hij workshops aan Nederlandse soldaten die in Uruzgan hadden gediend, om hen te helpen hun ervaringen in verhaalvorm te gieten.

    Arnon Grunberg is niet getrouwd en woont in New York.

    Bijzonderheden:

    • Absurditeiten, postmoderne stijlfiguren en gitzwarte humor zijn bekende middelen waarvan Grunberg zich bedient om zijn thematiek, voornamelijk (het verlies van) identiteit, aan de orde te stellen.
    • Arnon Grunberg had een relatie met columniste Aaf Brandt Corstius, die hij in zijn columns opvoerde als Aap.
    • Voor de publiciteitscampagne rondom De asielzoeker maakte Grunberg, in gezelschap van een geit, een boottocht door Nederland.
    • Om Grunberg en zijn leven hangt een zweem van mystificatie, die de schrijver zorgvuldig in stand houdt.

    Links

    www.grunberg.nl
    www.arnongrunberg.nl
    www.arnongrunberg.com
    www.tirza.nl
    www.dejoodsemessias.nl

    Werken

    • De Machiavellist (1990)
    • De dagen van Leopold Mangelmann, Brief aan M, Schoonheid en bier (1993)
    • Blauwe maandagen (1994)
    • De advocaat, de leerlooier en de forellen (1994)
    • Rattewit (1994, toneelstuk)
    • Linkerschoen (1996, relatiegeschenk)
    • De dagen van Leopold Mangelmann/Kom liefje, mijn beste vrienden walgen van
    • me/Van Palermo naar San Francisco (1996, toneelstukken)
    • Figuranten (1997, roman)
    • De heilige Antonio (1998, boekenweekgeschenk)
    • De troost van de slapstick (1998, essays)
    • Het 14e kippetje (1998, filmscript)
    • Liefde is business (1999, gedichten)
    • Fantoompijn (2000)
    • Geachte Erasmus (2000, brieven; nieuwjaarsgeschenk)
    • De Mensheid zij geprezen, lof der zotheid (2001, essay)
    • Het Rotterdam van Arnon Grunberg (2001, reportage)
    • Amuse Gueule (2001, bundeling van de verhalen uit de periode 1991-1996)
    • Geweigerde liefde (2002)
    • Sterker dan de waarheid: de geschiedenis van Marek van der Jagt (2002)
    • De asielzoeker (2003)
    • Grunberg rond de wereld (2004, korte reisverhalen)
    • Arnon Grunberg leest Karel van het Reve (2004)
    • Het aapje dat geluk pakt (2004, novelle)
    • De joodse messias (2004)
    • De techniek van het lijden (2005, lezingen, als gastschrijver aan de TU Delft)
    • Grunbergbijbel (2005, bijbellezing)
    • De Receptioniste (2005, kort verhaal)
    • Mijn vriend Boorman (2006, essay)
    • Tirza (2006)
    • Onder de Soldaten (2006, verslag/columns)
    • Over joodse en andere paranoia (2007, Frans Kellendonk-lezing)
    • Het nieuwe lijden (2007, vervolg op De Techniek van het lijden)
    • Omdat ik u begeer (2007, brieven)

    Onder pseudoniem Marek van der Jagt:

    • De geschiedenis van mijn kaalheid (2000)
    • Gstaad 95-98 (2002)
    • Monogaam (2002, essay)
    • Otto Weininger, of bestaat de Jood? (2005, essay)
    • Ik ging van hand tot hand (2008, verzameld werk)

    Prijzen

    • 1994 RABO-bank Lenteprijs voor Literatuur voor ‘Tina’, gepubliceerd in De Tweede Ronde, 1993, nr. 3 en opgenomen in Blauwe maandagen.
    • 1994 Anton Wachter-prijs voor Blauwe maandagen.
    • 1996 Gouden Ezelsoor voor Blauwe maandagen.
    • 1998 Charlotte Köhler Stipendium voor De troost van de slapstick.
    • 2000 AKO Literatuur Prijs voor Fantoompijn.
    • 2004 AKO Literatuur Prijs voor De asielzoeker.
    • 2004 F. Bordewijk-prijs voor De asielzoeker.
    • 2007 Libris Literatuur Prijs voor Tirza.

    Als Marek van der Jagt

    • 2000 Anton Wachter-prijs voor De geschiedenis van mijn kaalheid.

    Tekening: Martien Bos, www.antisomber.nl

  • Hella Haasse

    Hélène Serafia (Hella S.) Haasse (Batavia, 2 februari 1918) is een van de meest gewaardeerde Nederlandse auteurs. Ze brak in 1948 door met Oeroeg. Met haar historische romans bereikt ze een zeer groot publiek.

    Persoonlijk

    Hélène Serafia (Hella S.) Haasse wordt op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië. Zij doorloopt er de lagere school en het gymnasium. Tussen 1924 en 1928 woont ze, samen met haar broertje, bij haar opa en oma in Nederland, omdat haar moeder voor enige tijd moest kuren in een sanatorium.

    Terug in Indië ontwikkelt Haasse een passie voor lezen en toneelspelen. Op haar elfde schrijft ze haar eerste historische roman.

    Als ze twintig is, vertrekt Hella Haasse naar Nederland om Scandinavische taal- en letterkunde te studeren. Na een jaar breekt ze haar studie af.

    In 1940 gaat ze naar de toneelschool. Toneelspelen blijkt, achteraf gezien, een voedingsbodem voor het schrijven romans: ‘Het creëren van personages in mijn werk is een soort naar binnen gekeerd toneelspelen. (…) Ik moet ze op een of andere wijze zijn en ik ben ze ook enigszins ? want anders zou ik ze niet kunnen maken. Zo ontstaat er een zeker totaaltheater. Ik bouw de decors, ik regisseer, ik acteer. Innerlijk toneel.’

    In 1943 doet ze eindexamen aan de toneelschool, maar een jaar later beëindigd ze haar toneelcarrière. Ze schrijft haar eerste gedichten, die in 1945 gebundeld zouden worden in haar poëziedebuut Stroomversnelling, trouwt Haasse met Jan van Lelyveld en wijdt zich volledig aan het schrijven. Haar prozadebuut Kleren maken de vrouw, geschreven in opdracht voor een serie boeken over beroepskeuze, trekt weinig aandacht, maar Oeroeg zorgt in 1948 voor haar doorbraak. Al decennialang staat de novelle op leeslijsten van scholieren.

    In 1981 verhuist Haasse, samen met haar man, naar Frankrijk. Ze wonen bijna tien jaar in St. Witz, ten noorden van Parijs. Daar schrijft Haasse de romans die voor een ‘tweede doorbraak’ zorgen: haar documentair-historische romans die gebaseerd zijn op bestaande documenten en getuigenissen. Met deze romans, waarvan de grote ‘Indische’ historische roman Heren van de thee (1992) de laatste is, bereikte ze een zeer groot publiek.

    In 1990 keert Haasse met haar echtgenoot terug naar Nederland.

    In 2008, ter ere van haar negentigste verjaardag, opende het virtuele museum www.hellahaassa.nl zijn deuren.

    Bron: www.hellahaasse.nl

    Hella Haasse is getrouwd en woont in Amsterdam.

    Bijzonderheden

    • Hella S. Haasse heeft een eigen boom in het Vondelpark. Bomen spelen een grote rol in haar werk en ter ere van haar negentigste verjaardag werd er bij wijze van monument op 21 maart 2008 een boom geplant in het Vondelpark .
    • Oeroeg werd in 1993 verfilmd onder regie van Hans Hylkema.
    • Er is een planetoïde naar Haasse vernoemd. Planetoïde (10250) Hellahaasse heeft een diameter van circa 4 km en voltooit in 3,57 jaar een volledige omloop rond de zon.

    Werken

    • 1945 – Stroomversnelling (gedichten)
    • 1947 – Kleren maken de vrouw
    • 1948 – Oeroeg
    • 1949 – Het woud der verwachting. Het leven van Charles van Orléans (roman)
    • 1950 – Sterrenjacht (feuilleton in Het Parool, onder pseudoniem van C.J. van der Sevensterre)
    • 1950 – De verborgen bron (roman)
    • 1952 – De scharlaken stad (roman)
    • 1954 – Zelfportret als legkaart (autobiografie)
    • 1957 – De ingewijden (roman)
    • 1960 – Cider voor arme mensen (roman)
    • 1962 – De meermin (roman)
    • 1966 – Een nieuwer testament (roman)
    • 1967 – Persoonsbewijs (autobiografie)
    • 1968 – De tuinen van Bomarzo (essays)
    • 1970 – Krassen op een rots. Notities bij een reis op Java (essays)
    • 1971 – Huurders en onderhuurders (roman)
    • 1973 – De Meester van de Neerdaling (verhalen)
    • 1976 – Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven (roman)
    • 1978 – Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter (roman)
    • 1981 – De groten der aarde of Bentinck tegen Bentinck (roman)
    • 1983 – De wegen der verbeelding (roman)
    • 1986 – Berichten van het Blauwe Huis (roman)
    • 1989 – Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern (roman)
    • 1992 – Heren van de thee (roman)
    • 1993 – Een handvol achtergrond. Parang Sawat (autobiografische teksten)
    • 1994 – Transit (Boekenweekgeschenk)
    • 1996 – Ogenblikken in Valois (essays)
    • 1996 – Uitgesproken opgeschreven. Essays over achttiende-eeuwse vrouwen, een bosgezicht, verlichte geesten, vorstenlot, satire, de pers en Vestdijks avondrood.
    • 1997 – Zwanen schieten (roman)
    • 2000 – Lezen achter de letters (essays)
    • 2000 – Fenrir: een lang weekend in de Ardennen
    • 2002 – Sleuteloog (roman)
    • 2003 – Het dieptelood van de herinnering (autobiografische teksten)
    • 2004 – Oeroeg – een begin (facsimile-editie ter gelegenheid van de Prijs der Nederlandse Letteren)
    • 2006 – Het tuinhuis (verhalen)
    • 2006 – Een kruik uit Arelate (enkel beschikbaar als podcast)
    • 2007 – Sterrenjacht (feuilleton, in 1950 in Het Parool gepubliceerd)

    Prijzen

    • 1948 Novelleprijsvraag CPNB voor Oeroeg
    • 1958 Prijsvraag Atlantische Commissie voor De ingewijden
    • 1961 Prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945 voor gehele oeuvre
    • 1962 ANV-Visser Neerlandia-prijs voor Een draad in het donker
    • 1977 Littéraire Witte Prijs voor Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven
    • 1981 Constantijn Huygens-prijs voor gehele oeuvre
    • 1983 P.C. Hooft-prijs voor gehele oeuvre
    • 1985 J.P. van Praag-prijs voor gehele oeuvre
    • 1993 Publieksprijs voor het Nederlandse Boek voor Heren van de thee
    • 1995 Annie Romein-prijs voor gehele oeuvre
    • 2003 NS Publieksprijs voor het Nederlandse Boek voor Sleuteloog
    • 2004 Prijs der Nederlandse Letteren voor gehele oeuvre

    Benoemingen

    • 1987 Erelid van de Belgische Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in Gent.
    • 1988 Eredoctoraat in de letterkunde van de Universiteit van Utrecht.
    • 1991 Erelid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden.
    • 1992 Eremedaille voor Kunst en Wetenschap van de Huisorde van Oranje.
    • 1995 Officier dans l’Ordre des Arts et des Lettres door het Franse Ministerie van Cultuur, later bevorderd tot Commandeur.
    • 2000 Bevorderd tot Officier dans l’Ordre de la legion honneur.

    Tekening: Martien Bos, www.antisomber.nl

  • A.F.Th. Van der Heijden

    Adrianus Franciscus Theodorus (Adri) van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951) is begonnen te publiceren onder de naam Patrizio Canaponi en publiceert nu onder zijn initialen A.F.Th. Van der Heijden wordt gezien als de belangrijkste vertegenwoordiger van de generatie schrijvers die na de Tweede Wereldoorlog opgroeide.

    Persoonlijk

    Adri van der Heijden wordt op 15 oktober 1951 geboren in Geldrop. Hij gaat psychologie studeren in Nijmegen, maar stapt al snel over naar filosofie. Die studie breekt hij voortijdig af om zich volledig aan het schrijven te kunnen wijden.

    In 1978debuteert hij onder het pseudoniem Patrizio Canaponi met Een gondel in de Herengracht: lyrisch getoonzette verhalen waarvoor hij de Anton Wachter-prijs ontvangt.

    In de jaren tachtig begint hij aan de ambitieuze cyclus De tandeloze tijd. Deze cyclus wordt wel de kern van zijn oeuvre genoemd en met Advocaat van de hanen, het vierde deel in de reeks, breekt hij door bij een breed publiek.

    In De tandeloze tijd staat Albert Egberts (een alter ego van Van der Heijden zelf) centraal, maar er treden ook andere personen op de voorgrond. De tijdsbeleving in de cyclus is allesbehalve chronologisch en consistent, juist die tijdsbeleving is het centrale thema ervan. In deel I introduceert Van der Heijden het begrip ‘leven in de breedte.’ Leven ‘in de lengte’ valt niet te stoppen, dus moet het maar in de breedte worden gezocht. Door elk moment uit te spinnen, te verbreden, wordt gehoopt het leven waardevoller te maken.

    In 2003 verscheen De movo tapes, de proloog op een nieuwe cyclus, genaamd Homo duplex.

    Tussen zijn lijvige romans door, publiceert A.F.TH. ook nog veel autobiografisch werk, zoals brieven en dagboekfragmenten.

    A.F.Th. van der Heijden woont in Amsterdam met zijn vrouw journaliste en schrijfster Mirjam Rotenstreich. Hun beider zoon Tonis (1988) werd op 23 mei 2010 op de fiets aangereden door een auto. Tonio overlijdt kort daarna in het AMC in het bijzijn van zijn ouders. Over dit verlies schreef Van der Heijden de roman Tonio. Een requiem dat verscheen op 26 mei 2011. Er werden in een jaar zo’n 100.000 exemplaren van verkocht en ontving verschillende literaire prijzen. In 2016 werd het boek verfilmd met Pierre Bokma in de rol van Adri, Rifka Lodeizen als Mirjam en Chris Peeters als Tonio.

    Bijzonderheden

    • Regelmatig verwerkt Van der Heijden waargebeurde gebeurtenissen in zijn verhalen. In Advocaat van de hanen gebruikt hij de dood van de kraker Hans Kok in een politiecel als achtergrond en in Het schervengericht figureren de regisseur Roman Polanski en de moordenaar van diens vrouw, Charles Manson.
    • Van april tot juni 2008 is A.F.Th. van der Heijden gastschrijver aan de Technische Universiteit Delft.
    • Eind 2007/begin 2008 was Van der Heijden in een hevige polemiek verwikkeld met Arnon Grunberg. Beide schrijvers waren genomineerd voor de AKO-literatuurprijs en Grunberg viel in een open brief in Humo fel uit naar A.F.Th. en noemde diens novelle Mim ‘een typografische kwestie van een verwarde kabbalist’, die ‘geheel in de verte niets met literatuur te maken’ heeft. De twee vochten, in afzonderlijke optredens, hun ruzie verder uit in het televisieprogramma Pauw & Witteman. Tijdens de uitreiking van de prijs wilde Van der Heijden niet in één zaal met Grunberg de uitslag afwachten en volgde de prijsuitreiking vanuit een aparte kamer. Van der Heijden won uiteindelijke de prijs met zijn roman Het schervengericht en refereerde kort aan de ruzie door tegen het NOS-journaal te zeggen dat Grunberg naar hem toe was gekomen en hem een hand had gegeven. ‘Ik denk dat onze controverse niet heel diep gaat. Het was een polemiek en een spel.’

    Werken

    • Een gondel in de Herengracht (1978verhalencyclus)
    • De draaideur (1979, roman)
    • De slag om de Blauwbrug. De tandeloze tijd. Proloog (1983, roman)
    • Vallende ouders. De tandeloze tijd 1 (1983, roman)
    • De gevarendriehoek. De tandeloze tijd 2 (1985, roman)
    • De sandwich. Een requiem (1986, roman)
    • Het leven uit een dag (1988, roman)
    • Dichters slaags (1988, novelle)
    • Advocaat van de Hanen. De tandeloze tijd 4 (1990, roman)
    • Weerborstels. De tandeloze tijd. Een intermezzo (1992, boekenweekgeschenk)
    • Asbestemming. Een requiem (1994, roman)
    • Het bankroet dat mijngoudmijn is (1995, verhalen)
    • Het Hof van Barmhartigheid. De tandeloze tijd 3. Eerste boek (1996, roman)
    • Onder het plaveisel het moeras. De tandeloze tijd 3. Tweede boek (1996, roman)
    • De gebroken pagaai (1997, novelle )
    • whamm. De democratisering van het talent (1997, schotschrift)
    • Voetstampwijnen en zijn tandknarswijnen (1998, met Jean-Paul Franssens, brieven)
    • Sabberita (1998, novelle)
    • Het onmogelijke boek. Een kleine monoloog van de auteur (1999, mini-essays)
    • Gevouwen woorden. Brieven over de grillen van het vak (2001)
    • De Movo tapes. Homo Duplex 0 (2003, roman)
    • Engelenplaque. Notities van alledag 1966-2003 (2003, privédomein deel 250)
    • Hier viel Van Gogh flauw. Frans dagboek (2004)
    • De gazellejongen. Het verzameld werk van Patrizio Canaponi (2004)
    • Drijfzand koloniseren (2006, roman)
    • Het schervengericht (2007, roman)
    • MIM (2007, novelle ter gelegenheid van Harry Mulisch‘ tachtigste verjaardag, geïnspireerd op diens De versierde mens; tevens onderdeel van Homo duplex)
    • Uitdorsten (2007, novelle)
    • Voetstampwijnen zijn tandknarswijnen (2008, requiem voor Jean-Paul Franssens)
    • Kruis en kraai (2008, de romankunst na James Joyce) (brief aan Anthony Mertens)
    • Gentse lente (2008, verhalen)
    • De liefdesbaby (2008, novelle)
    • De censuurpaus (2008, paroxismen, een opmaat) (artikelen uit Propria Cures)
    • Doodverf (2009, roman)
    • Tonio. Een requiemroman (2011, roman)
    • Uitverkoren – Verhandelingen over het pantonionisme (2012, ontbrekend hoofdstuk uit ‘Tonio’ + interviews) (Statenhofpers, oplage 191 ex.)
    • Woestijnvis (brief) (2012, Houtpers, oplage 122 ex.)
    • De helleveegDe tandeloze tijd, deel 5 (2013, roman)
    • Gedichten Gods of De vergrijpstuiver (2014, Kellendonklezing)
    • Kwijt in de tram (verhaal) (2014, De Carbolineum Pers, oplage 60 ex.)
    • Uitverkoren (2014, proza en interviews in de toonaard van het requiem Tonio)
    • De ochtendgave (één hoofdstuk) (2015, Stratenhofpers, oplage 90 ex.)
    • De ochtendgave (2015, historische roman gesitueerd in 1672, opdracht als novelle van de gemeente Nijmegen voor de herdenking van 330 jaar Vrede van Nijmegen in 2009)
    • Kwaadschiks – De tandeloze tijd, deel 6 (2016, roman)
    • Kastanje a/d Zee – De tandeloze tijd, deel 7 (2016, roman). Vooralsnog alleen bibliofiele editie
    • Mooi doodliggen (2018, roman, Querido)

    Prijzen

     

    Bron: Wikipedia

  • Eva Gerlach

    Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948) is een Nederlands dichter en vertaalster. Eva Gerlach is het pseudoniem van Margaret Dijkstra. Ze verzon dit pseudoniem toen ze een verhuiswagen van de Firma Gerlach voorbij zag komen. Heel passend, vond ze: een dichter is immers ook een soort verhuizer – een verplaatser van betekenissen. ‘Je haalt iets uit de werkelijkheid en plaatst het in een ander verband.’

    Persoonlijk
    Eva Gerlach werd als Margaret Dijkstra op 9 april 1948 geboren in Amsterdam. Haar vader was schrijver en scenarist van beeldverhalen. Hij verliet het gezin toen Gerlach vier was; zij werd verder opgevoed door haar moeder, een lerares Nederlands, en haar stiefvader, een geoloog.

    Van haar vijfde tot haar achttiende woonde het gezin in Paramaribo. Terug in Nederland volgde ze verschillende studies: Spaans, culturele antropologie en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze had vele banen en bijbanen: van zweminstructeur tot magazijnhulp. Ook vertaalde ze gebruiksaanwijzingen, assisteerde ze bij het maken van catalogi en hielp ze toneelgezelschappen.

    Gerlachs eerste gedichten verschenen in 1977 in het literaire tijdschrift Hollands Maandblad. Haar debuut, Verder geen leed, verscheen twee jaar later en kreeg meteen de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Haar belangrijkste thema’s komen in deze eerste bundel als aan de oppervlakte: verval, het verstrijken van de tijd, maar vooral ook de betekenis van begrippen als ‘waarneming’, ‘vastlegging’ en ‘vergetelheid’.

    Stijl en thematiek veranderden vanaf de bundel Dochter uit 1984, waarin haar te vroeg geboren dochter een grote rol speelt. Deze ontboezemingen hebben wel als gevolg dat geruchten de ronde doen over de tot dan toe anonieme dichteres. Een jaar na het uitkomen voelde Gerlach zich geroepen om voor de eerste keer naar buiten te treden. In een interview met de Haagse Post legde ze uit waarom ze tot nu toe verkoos om achter een pseudoniem schuil te gaan. Niet alleen om privacyredenen, maar ook vanwege haar literaire opvattingen, zo blijkt. ‘De biografie is een leugen. De literatuur is werkelijkheid.’

    In de daaropvolgende bundel, Domicilie, (1987) zal het thema van dood en leven een nog veel grotere rol krijgen. Haar stijl wordt losser: minder strakke, regelmatig gevormde verzen, meer ruimte voor onregelmatige strofen en elliptische zinnen. Andere teksten bieden eveneens een thuisbasis – van kinderliedjes tot gedichten. In 1988 kreeg zij voor haar hele oeuvre de A. Roland Holstpenning en in 2000 ontving ze de P.C. Hooft-prijs.

    Ze woont in Amsterdam, met haar man en twee dochters.

    Bron: www.literairnederland.nl

    Bijzonderheden:

    • Gerlachs stijl is klassiek en afgemeten, met verzen in een strak schema. Het zijn doorlopende zinnen, in een soort Nijhoff-parlando, heel ingenieus met enjambementen ingekleed, zodat het gebruik van rijm uiterst subtiel is. Haar poëzie lijkt hierin enigszins op die van Judith Herzberg.
    • In haar vroege dichtwerk zoals Een kopstaand beeld (1983) komen de figuren van de dominante moeder en de weinig liefdevolle vader meermalen terug.
    • J.B. Charles en enkele andere bewonderaars waren zo onder de indruk van Gerlachs gedichten dat ze een speciale prijs in het leven riepen, de J.B. Charles-prijs: een kist met flessen Italiaanse champenoise wijn die Charles (Willem Hendrik Nagel) bij Gerlach thuis liet bezorgen.
    • Gerrit Komrij nam zeven van Gerlachs gedichten op in zijn Gerrit Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten (Amsterdam 2004).
    • Het werk van Gerlach is vrijwel steeds gunstig door de kritiek onthaald.

    Links

    www.kb.nl/dichters/gerlach/gerlach-01.html
    www.arbeiderspers.nl
    www.schrijversnet.nl

    Werken

    • Verder geen leed (1979)
    • Een kopstaand beeld (1983)
    • Dochter (1984)
    • Domicilie (1987)
    • De kracht van verlamming (1988)
    • In een bocht van de zee (1990)
    • Wat zoekraakt (1994)
    • Alles is werkelijk hier (1997)
    • Hee meneer Eland (1998, jeugdpoëzie)
    • Niets bestendiger (1998)
    • Voorlopig verblijf. Gedichten 1979-1990 (1999)
    • Oog in oog in oog in oog (2001, jeugdpoëzie)
    • Een bed van mensenvlees (2003)
    • Daar ligt het (2003)
    • Losse bedrading (2003)
    • Jaagpad (2003)
    • Situaties (2006)

    Prijzen

    • 1981 Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs voor Verder geen leed
    • 1981 J.B. Charles-prijs voor Verder geen leed
    • 1988 A. Roland Holst-penning voor haar gehele oeuvre
    • 1995 Jan Campert-prijs voor Wat zoekraakt
    • 1999 Nienke van Hichtumprijs voor Hee meneer Eland
    • 1999 Zilveren Griffel voor Hee meneer Eland
    • 2000 P.C. Hooftprijs voor haar gehele oeuvre
    • 2004 Gedichtendagprijzen voor ‘Solve et coagula’ uit de bundel Een bed van mensenvlees
      Bron: www.literairprijzen.nl

    Tekening: Martien Bos, www.antisomber.nl