• Italo Calvino (1923-1985)

    Italo Calvino wordt geboren op 15 oktober 1923 in Santiago de Las Vegas, Cuba. Zijn beide ouders zijn op dat moment werkzaam als reizende botanisten. In 1925 verhuist het gezin  naar een landgoed in San Remo, aan de Italiaanse Riviera. Calvino brengt zijn kindertijd door tussen de tropische bomen en planten, maar raakt al snel geïnteresseerd in een ander soort vegetatie: die van het geschreven woord.

    In 1940 neemt Calvino, als gedwongen lid van de Jonge Fascisten, deel aan de Italiaanse bezetting van de Franse Riviera. Een jaar later begint hij aan zijn studie landbouwkunde aan de Universiteit van Turijn, waar zijn vader lesgaf als professor tropische agricultuur. Tijdens de Duitse bezetting in 1943 breekt hij zijn studie af en sluit zich aan bij het Italiaanse verzet om te strijden in de Ligurische Alpen als lid van de Garibaldi Brigades. Hier is het, zo schrijft Calvino later, dat hij de kunst van het vertellen leert kennen: bij de partizanen aan het kampvuur. In 1944 wordt hij lid van de Partido Comunista Italiano.

    Na de bevrijding keert Calvino terug naar Turijn. Hij besluit zijn studie landbouwkunde niet voort te zetten, maar zich te werpen op de studie literatuur. Twee jaar later studeert hij af met een verhandeling over Joseph Conrad. Hij levert bijdragen voor het weekblad Il Politecnico en de krant L’Unita en gaat al snel werken bij de uitgeverij Einaudi. Hier ontmoet hij Cesare Pavese en Elio Vittorini, twee neorealistische schrijvers die hem introduceren in de linkse politiek. De moeilijke liefdes, een bundeling korte verhalen passen in Calvino’s neorealistische periode. Ook de historicus Franco Venturi en de filosofen Norberto Bobbio en Felice Balbo gaan tot zijn vriendenkring behoren.

    In december 1946 schrijft hij, in slechts twintig dagen, zijn eerste roman, Het pad van de spinnennesten. Hierin verweeft Calvino elementen uit zijn jeugd bij de partizanen. Vanaf 1948 werkt hij mee aan het communistische weekblad Rinascita. In 1950 keert hij terug naar Einaudi en krijgt hij de verantwoordelijkheid over de literaire bijdragen in La Piccola Biblioteca Scientifica-Letteraria. Na het lezen van het werk van de Russische formalist Vladimir Propp raakt hij bijzonder geïntrigeerd door de morfologie van de volkse verhalentraditie. Tijdens de jaren 50 legt Calvino zich toe op het verzamelen van volkse vertellingen uit heel Italië. In 1956 publiceert hij zijn Italiaanse volkssprookjes.

    Die fascinatie voor het fantastische leidt in 1952 tot de publicatie van De gespleten burggraaf, het eerste deel van Calvino’s latere drieluik, Onze voorouders. In 1957 en 1959 verschijnen het tweede en derde deel, De baron in de bomen en De ridder die niet bestond. Figuren als de gespleten burggraaf Medardo van Terralba, de baron in de bomen Cosimo Piovasco van Rondò en de ridder die niet bestaat Agilulf Emus Bertrandinus van Guildivern en de Anderen van Corbentraz en Sura, ridder van Selympia Citerior en Fez, bestaan op zich als de creatie van een grootse verbeelding, maar worden door Calvino bij een terugblik op het drieluik ook geplaatst in de realiteit van de tijdsgeest. Die vermenging van het fantastische met politieke en andere werkelijkheden is tekenend voor zijn oeuvre.

    In 1957 verlaat Calvino de Communistische Partij. Hij reist veel en bezoekt onder andere Rusland, de VS en Cuba, waar hij in 1964 de Argentijnse vertaalster Esther Judith Singer trouwt. Intussen is zijn Marcovaldo verschenen, het definitieve einde van zijn neorealistische periode. In 1965 publiceert hij Kosmi Komische verhalen, waarin hij ‘de spontane vorming van beelden en de doelgerichtheid van het redenerend denken met elkaar [wil] verenigen’. De hoofdpersoon, Qfwfq, is een altijd al aanwezige levensvorm die ‘getuige [blijkt] te zijn geweest van alles wat de theorieën over het ontstaan van het heelal veronderstellen’, maar die geschiedenis niet onproblematisch vertegenwoordigt.

    Twee jaar later verhuist Calvino naar Parijs, waar hij gedurende vijftien jaar, met tussenpozen, zal blijven terugkeren. Daar leert hij de literaire kringen Tel Quel en OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle) kennen en ontmoet hij schrijvers als Raymond Queneau, Georges Perec en Jacques Roubaud. Onder invloed van de écriture à contraintes roept hij op tot een literatuur die filosofie en wetenschap ademt, maar tegelijkertijd zijn afstand bewaart en theoretische abstracties en het schijnbaar concrete van de realiteit oplost. In de eerste helft van de jaren 70 verschijnen De onzichtbare steden en Het kasteel van de kruisende levenspaden. Over dat laatste boek schrijft hij zelf: ‘een boek dat een soort machine wil zijn voor de vermenigvuldiging van verhalen op basis van figuurlijke elementen met vele mogelijke betekenissen, zoals die van een spel tarotkaarten’. De onzichtbare steden is een boek dat zich op het complexe symbool van de stad concentreert, een symbool dat de schrijver ‘de meeste mogelijkheden heeft geboden om uitdrukking te geven aan de spanning tussen geometrische rationaliteit en wirwar van het menselijk bedrijf’. Marco Polo brengt hierin, uiterst miniem maar gedetailleerd, verslag uit aan Kublai Khan van zijn reizen naar tal van wereldsteden, plaatsen die in het echt niet bestaan.

    In 1979 brengt Calvino zijn hyper-roman Als op een winternacht een reiziger… uit. Hierin tracht hij ‘de essentie van de roman als zodanig weer te geven door die te concentreren in tien beginfragmenten van mogelijke romans, die op de meest diverse manieren een gemeenschappelijke kern tot ontwikkeling brengen, en die handelen binnen een raamwerk dat hen bepaalt en door hen bepaald wordt’. Een Lezer en een Lezeres volgen intrigerende verhaallijnen en komen zo terecht in een wijdvertakte vertelling die zich uitstrekt over gekende en ongekende literaturen.

    In 1983 schrijft hij nog Palomar, ‘een soort notitieschrift over minimale kennisproblemen, over manieren om relaties met de wereld tot stand te brengen, over beloning en frustratie in het hanteren van stilte en van taal.’ Meneer Palomar concentreert zich in zijn dagelijkse bestaan op geïsoleerde verschijnselen en bestudeert ze ‘tot in de kleinste details, met een hang naar precisie die grenst aan obsessie’.

    Op 19 september 1985 sterft Italo Calvino aan een hersenbloeding. Postuum verschijnt nog zijn Zes memo’s voor het volgende millennium, een erg intelligent, beeldrijk pleidooi voor een literatuur die zijn eigen voortbestaan kan garanderen. De voor dat soort literatuur zo nodige kenmerken lichtheid, snelheid, exactheid, zichtbaarheid en veelvoudigheid (het zesde, ‘consistentheid’, heeft hij nooit kunnen afmaken) worden steeds toegelicht aan de hand van voorbeelden uit de literaire traditie (ook zijn eigen werken) en moeten de literatuur van de toekomst gaan bepalen.

    Calvino’s oeuvre is groots in zijn opzet: de vermenging van het fantastische met het politieke, wetenschappelijke en later postmodernistisch meta narratieve geeft hem terecht een prominente plaats in de wereldliteratuur.

    Bronnen
    www.emory.edu
    www.kunstbus.nl
    authologies.free.fr

    Bibliografie
    Het pad van de spinnenesten (1947, Nederlandse vertaling 1993)
    En dan komt de raaf (1949, Nederlandse vertaling 1999)
    De moeilijke liefdes (1958; Nederlandse vertaling 1989)
    Onze voorouders (1960; Nederlandse vertaling 1986)
    De gespleten burggraaf
                De baron in de bomen
                De ridder die niet bestond
    Een dag op het stembureau (1963, Nederlandse vertaling 1994)
    Marcovaldo, of De seizoenen in de stad (1963, Nederlandse vertaling 1992)
    Kosmikomische verhalen (1965; Nederlandse vertaling 1983)
    De weg naar San Giovanni (1963-1977; Nederlandse vertaling 1992)
    De onzichtbare steden (1972, Nederlandse vertaling 1981)
    Het kasteel van de kruisende levenspaden (1973, Nederlandse vertaling 1982)
    Als op een winternacht een reiziger (1979, Nederlandse vertaling 1982)
    Palomar (1983; Nederlandse vertaling 1985)
    Zes memo’s voor het volgende millennium (1988, Nederlandse vertaling 1991)
    De betoverde tuin: de mooiste verhalen (1989, Nederlandse vertaling 1998)
    Waarom zou je de klassieken lezen (1991, Nederlandse vertaling 2003)

     

     

  • Biografie Jan Arends 'Angst voor de winter' – Nico Keunings

    Op dinsdag 21 januari is het precies 29 jaar jaar geleden dat zijn tweede bundel werd gepresenteerd. En dat hij een einde aan zijn leven maakte door uit het raam van zijn flat te springen. Volgende maand verschijnt bij De Bezige Bij zijn biografie Angst voor de winter, geschreven door neerlandicus Nico Keunings.

    Jan Arends wordt op 13 februari 1925 in Den Haag geboren als vaderloos kind van Gerardina Elizabeth Arends. Van zijn achtste tot zijn dertiende zit hij op de (antroposofische) Vrije School, waar hij zich een buitenstaander voelt en wordt gepest door de andere leerlingen. Op zijn dertiende gaat hij naar een katholiek jongensinternaat in Rijswijk en vanaf zijn achttiende probeert hij in zijn onderhoud te voorzien met de meest uiteenlopende baantjes, waaronder reclame-copywriter, schoenmaker, huisknecht, hotelportier, krantenbezorger, broodbezorger en ijscoman. Terwijl het hem niet lukt een enigszins geslaagde maatschappelijke carrière op te bouwen, leest en schrijft hij als een bezetene. Het tweede deel van zijn leven brengt hij grotendeels door in psychiatrische inrichtingen.

    Arends debuteert in 1949 als schrijver in het tijdschrift Ad Interim. Zijn eerste boek, Lente/Herfst, verschijnt in 1955 als Maatstafdeeltje 14, nadat het eerder dat jaar als verhaal werd opgenomen in het juni/juli-nummer van literair tijdschrift Maatstaf. Een jaar later publiceert hij zijn eerste gedichten in Vertoning, een tijdschrift dat na zijn eerste jaar ophoudt te bestaan. In 1962 plaatst Gard Sivik één bedrijf van Arends’ nooit opgevoerde toneelstuk Smeer of De weldoener des Vaderlands en verschijnen zijn gedichten nog in Podium en Tirade, maar pas in 1965 brengt De Bezige Bij zijn debuutbundel Gedichten uit.

    Met de verhalenbundel Keefman (1972) verwerft hij nationale bekendheid. In uiterst geladen taal beschrijft hij hierin de ervaringen en gevoelens van mensen voor wie het leven tot een hel geworden is. Vooral het titelverhaal ‘Keefman’, waarin de patiënt Keefman zijn psychiater in een lange monoloog verwijtend toespreekt over de voortdurende vernedering tijdens zijn behandeling, maakt diepe indruk. Het verhaal is in 1977 verfilmd en later ook bewerkt voor televisie en toneel. Tijdens het schrijven van de meeste verhalen in Keefman is Arends geen vrij man: ‘Keefman’ en ‘Het ontbijt’ schrijft hij in het Willem Arntsz Huis in Utrecht en ‘Vrijgezel op kamers’ in de Jelgersma-kliniek in Oegstgeest. In de Nieuwe Revu van 5 mei 1973 zegt hij hierover: ‘Ik schreef het toen om de psychiater duidelijk te maken, hoe het met mij gesteld was. Maar het werd niet serieus genomen. De psychiater zou zèlf wel uitmaken, wat de beste therapie voor mij was.’

    Zijn werk speelt zich vooral af ‘in de schaduw van het gekkengesticht’, in de innerlijke belevingswereld van de psychiatrische patiënt. In zijn verhalen verzet hij zich tegen de strenge scheidslijn tussen ‘normaal’ en ‘gek’ en probeert hij de afstand te verkleinen tussen patiënt en maatschappij. Hij doet dat op een weinig orthodoxe, weinig verheven, maar bijzonder indringende manier. Ook Arends’ zeer geconcentreerde gedichten zijn nauw met zijn persoonlijke ervaringen en omstandigheden verbonden en worden beheerst door waanzin, ziekte, drank en angst.

    Op 21 januari 1974, de dag waarop zijn nieuwe gedichtenbundel Lunchpauzegedichten verschijnt, pleegt Jan Arends zelfmoord. Om acht uur ’s avonds springt hij uit het raam van zijn flat aan het Amsterdamse Roelof Hartplein. Eigenlijk is hem dan al de Multatuliprijs 1973 toegekend, maar op het moment van zijn overlijden is het juryrapport nog niet klaar. Het doel van de prijs is ‘het bevorderen van de scheppende kunst’, en omdat bij een overleden auteur de productie niet meer te stimuleren valt, ziet men van uitreiking af.

    Bibliografie:
    1955 Lente/Herfst (verhaal; Maatstafdeeltje 14)

    1965 Gedichten (poëzie)
    1972 Keefman (verhalen)
    1974 Lunchpauzegedichten (poëzie)
    1974 Ik had een strohoed en een wandelstok (verhalen)
    1975 Nagelaten gedichten (poëzie; samengesteld door Remco Campert)
    1984 Verzameld werk (verhalen en poëzie; samengesteld door Thijs Wierema en ingeleid door K. van Weringh)

    Citaat:

    Als
    iedere niksnut
    wordt geprezen
    als
    een groot dichter
    wat
    blijft er dan
    over
    voor
    een arme schooier?

    (‘Voor Remco Campert’, in: Lunchpauzegedichten, p. 51)

    Aanvullende bi(bli)ografische gegevens:
    www.ongebonden.nl/auteur/arends/mainw

    www.geocities.com/Athens/Ithaca/2249/arendsjan

    www.kunstbus.nl/verklaringen/jan+arends