• ‘Bezie uw werk als de spaanders van de plank die ge had willen zagen.’

    Tien jaar na het overlijden van Godfried Bomans
    († 1971) verscheen deze monografie als bijlage van Vrij Nederland, een jaar later in boekvorm. Nu, honderd jaar na de geboorte van Bomans, werd Jeroen Brouwers door uitgeverij Atlas Contact in de gelegenheid gesteld zijn boek nog eens tegen het licht te houden met het oog op een nieuwe druk. Jeroen Brouwers bezag zijn werk en zag dat het nog steeds goed was.

    Op de vraag die hem indertijd gesteld werd wat hij in godsnaam had met Godfried Bomans, antwoordde hij: ‘Hij is familie van mij!!’ En niet alleen Jeroen Brouwers zegt schatplichtig te zijn aan Godfried Bomans, maar ook menig ander Nederlands literator erkent dat te zijn, bijvoorbeeld Harry Mulisch.  Zij roemen Bomans dan vooral om zijn grote stilistische kwaliteiten – ‘de nu en dan volmaakt schrijvende Bomans’ – , niet om wat hij schreef, dat beschouwen zij als ‘niet veel soeps’. Hierin schuilt iets tragisch. Bomans kon liegen alsof het gedrukt stond. Zo schijnt hij ooit op een feestje aan alle aanwezige dames zijn levensverhaal te hebben verteld en alle verhalen bleken volkomen van elkaar te verschillen. Dat gaf hij ook ruiterlijk toe: ‘De waarheid is wat ik ervan maak’.  De feitelijke toedracht der gebeurtenissen was voor hem niet interessant, het gaat om de ‘nieuwe waarheid’ die de verteller creëert.  In het creëren van deze nieuwe waarheid kwam Bomans echter nooit verder dan briljant vertelde flauwiteiten, ‘geslachtsloze schrijfsels’ zoals Gerard Reve zijn werk typeert.  Jeroen Brouwers weet dit tragische onvermogen van Bomans goed bloot te leggen zonder afbreuk te doen aan zijn gevoelens van respect en waardering voor Bomans. Na 1950 heeft Bomans geen boek van betekenis meer geschreven. Hij teerde eigenlijk nog slechts op de successen uit het verleden door zichzelf op allerlei spreekbeurten in den lande, op radio en later ook op televisie voortdurend te herhalen.  Bomans was populair, mateloos populair. Hij verloor het contact met de wereld van de literatuur en kwam steeds meer in de greep van ‘het droefmakend volk uit het Gooi dat verantwoordelijk is voor stupidisering, infantilisering, kunsthaat en smaakverpesting’. Bomans werd steeds eenzamer. Eigenlijk schuilt er in het beeld dat Jeroen Brouwers ons van Bomans schetst iets van de ondergang van een Klassiek Griekse held: briljant, door de goden zelf voorbestemd tot grootse daden en werken, op handen gedragen door het volk, maar ook geketend aan de draden van het lot en de tijd: de Moira, die zelfs de macht van goden te boven gaat.

    Treffend is de vergelijking tussen Bomans en Reve, van wie wij hierboven al hebben laten zien dat hij niet veel ophad met Godfried Bomans. Brouwers grijpt op een knappe manier de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig door te laten zien dat, terwijl Gerard Reve, afkomstig uit een niet-katholiek nest, zich bekent tot de R.K. Kerk vanwege het daaraan verbonden ritueel en dat ritueel ook op provocerende wijze sublimeert, Godfried Bomans, diep geworteld in de ultramontaanse traditie van diezelfde kerk, zich manifesteert als een haast Erasmiaanse spotvogel van de ambtsdragers van die kerk en de aan hun ambt verbonden rituele handelingen, waarvan hij zich echter nooit zal kunnen losmaken.  Bomans reageert enthousiast op de uitspraak van Reve: ‘Het menselijk bestaan is een verschrikkelijke ziekte die onherroepelijk eindigt met de dood. Wat moet je nu doen? Je moet zèlf,  als leek,  poliklinieken inrichten waar je psychotherapie beoefent, en waar je allerlei rituele handelingen uitvoert die een bezwerende werking hebben en waardoor de mensen weer een paar etmalen het bestaan aankunnen. Dàt is de kerk.  En inzonderheid is dat een kerk, die niet theoretiseert over zonden en over korte rokken en zo, maar één die een mysterie opvoert zoals de katholieke kerk.’  Voor beiden wordt het ritueel steeds meer de werkelijke essentie van het geloof. Alleen waar Reve provoceert en dus shockeert, conformeert Bomans zich en verwordt zo, in de ogen van Jeroen Brouwers, tot de ‘Anton Pieck van het katholicisme’, al tijdens zijn leven de ‘personifiëring van het verleden’.

    Bomans eindigt zijn leven eenzaam, weliswaar op handen gedragen door het kijkbuisvolk, maar uitgelachen door de literaire wereld, waartoe hij toch eigenlijk behoorde.  Jeroen Brouwers geeft weer hoe Harry Mulisch de beëindiging  van zijn vriendschap met Bomans als volgt beschrijft: ‘Kort voor Bomans’ dood stonden hij en Bomans per toeval, ieder in hun eigen auto, naast elkaar, in Haarlem voor een rood stoplicht te wachten. “Een tijdje zaten wij toen dom tegen elkaar te lachen, tot het licht op groen sprong; hij stak zijn hand op en sloeg rechtsaf. Ik moest rechtdoor.”‘ Zijn verblijf op Rottumerplaat, kort voor zijn dood, waar hij exhibitionistisch zonder kleren rondloopt, maar in zijn dagboek noteert: ‘Ik ben als de dood voor exhibitionisme van mijn diepere gevoelens’, geeft de tragiek van Bomans prachtig weer.  Jeroen Brouwers toont zich hier heel meelevend, want verontwaardigd door te zeggen dat het precies die angst is die Bomans heeft belet een groot schrijver te worden. Hij heeft zich uiteindelijk te veel laten coachen door ‘lulhannessen’ als Willem Duys en zijn coterie (blz. 148), die hem aanmoedigden ‘produktie’ te maken en te weinig door mensen die hem zouden kunnen aanmoedigen zich bezig te houden met zijn eigenlijke werk, nl. het schrijven van boeken. Doodziek en gek van eenzaamheid keerde hij terug naar de vaste wal om korte tijd later te sterven.

    Over Godfried Bomans

    Auteur: Jeroen Brouwers
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 192
    Prijs: € 18,95

  • Biografie J.M. Coetzee, Een schrijversleven – J.C. Kannemeyer

    Onlangs verschenen

    De biografie van J.M. Coetzee door J.C. Kannemeyer. In deze diepgaande biografie wordt  de wereld en wandel van Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee gevolgd van Zuid-Afrika tot Groot-Brittannië en van de Verenigde Staten tot Australië. Hij belicht de politieke en sociale achter gronden van Coetzees oeuvre net zo uitvoerig als diens persoonlijke geschiedenis. Omdat de schrijver zijn medewerking verleende, had Kannemeyer toegang tot de meest uiteenlopende bronnen, wat verrassende inzichten in Coetzees werk en werkwijze opleverde. De biografie geeft een beeld van een bewogen leven in een verscheurde eeuw en laat zien hoe John Maxwell Coetzee zich heeft ontwikkeld van docent Engelse letterkunde tot een van de belangrijkste auteurs van onze tijd.

     Over de schrijver van onder andere de meesterwerken In ongenade en Wachten op de barbaren is weinig bekend. Deze grondige eerste biografie verandert dat. Kannemeyers boek bevat veel foto’s uit het archief van de familie Coetzee en een schat aan nooit eerder gepubliceerd materiaal, van Coetzees eerste gedichten tot fragmenten uit zijn masterscriptie, van redevoeringen tot brieven. Zo ontstaat voor de lezer een zo compleet mogelijk beeld van Coetzees werk en geschiedenis, vanaf het moment dat zijn Nederlandse voorouders zich in de zeventiende eeuw in Zuid-Afrika vestigden, tot aan zijn huidige verblijf in Australië.

    John Christoffel Kannemeyer (1939-2011) was als academicus een autoriteit op het gebied van de Afrikaanse literatuur en de schrijver van meerdere veelgeprezen biografieën over Afrikaanse auteurs. Daarnaast publiceerde hij talloze studies over de geschiedenis van de Afrikaanse literatuur. Voor zijn biografieën en literaire essays ontving hij onder andere de Recht Malan Prize, de C. Louis Leipoldt-prijs, en een eredoctoraat aan de Universiteit van Stellenbosch. Hij overleed kort na de voltooiing van deze biografie. ‘Deze biografie is een uiterst indrukwekkende onderneming. Het boek voorziet de lezer van een immense  hoeveelheid informatie die voorheen ontoegankelijk was, en werpt een nieuw licht op het schrijverschap van J.M. Coetzee.’ – Derek Attridge.       

    Biografie; J.M. Coetzee, Een schrijversleven

    J.C. Kannemeyer
    Vertaald door Joost Poort-Prijs
    Prijs: € 45,-
    Uitgeverij Cossee

     

  • In Memoriam J. Bernlef (1937 – 2012)

    Schrijver en dichter J. Bernlef  is op 29 oktober jl. na een kort ziekbed op 75 jarige leeftijd overleden. Bernlefs oeuvre omvat zo’n vijfentachtig titels die getuigen van een onvermoeibare schrijversdrang. Bernlef schreef in een no-nonsensstijl, sober en wars van gepsychologiseer. Hoewel hij vooral bekendheid verwierf met zijn romans schreef hij alles bij elkaar meer dan duizend gedichten. Bernlef is het pseudoniem voor Hendrik Jan Marsman, een Friese bard uit de achtste eeuw.

    In 1958 richtte Bernlef samen met G. Brands en K. Schippers het tijdschrift Barbarber op. Hij schreef daarvoor realistische en neo-realistische gedichten. Het tijdschrift onderscheidde zich van andere literaire tijdschriften door geen onderscheid te maken tussen het gewone en het literaire. De in Sint Pancras geboren schrijver debuteerde in 1959  toen hij de Reina Prinsen Geerligsprijs , (een literaire prijs voor auteurs onder de 25 jaar) won voor zijn inzending van niet eerder gepubliceerde verhalen en gedichten . De gedichten verschenen een jaar later in Kokkels en de verhalen in Stenen Spoelen.

    Bernlef was ook een belangrijk vertaler. Hij heeft onder andere vele werken uit het Zweeds naar het Nederlands vertaald, zoals het werk van Nobelprijs winnaar voor de literatuur 2011 Tomas Tranströmer. Als journalist interviewde hij samen met K. Schippers verschillende auteurs voor het tijdschrift De Gids. Hij schreef ook recensies voor o.a. de Haagse Post, was na Barbarber redacteur van Raster en publiceerde met eigen werk in meerdere tijdschriften, waaronder Kroniek van Kunst en Kultuur, Podium, Maatstaf, Waddenbulletin en Bzzlletin.

    In 1984 brak Bernlef door bij het grote publiek met Hersenschimmen. Een roman over een relatie die eindigt door dementie. Het thema dementie was een geheel nieuw onderwerp in de literatuur. Van dit boek zijn in Nederland en Vlaanderen meer dan een miljoen exemplaren verkocht en het werd in tien talen vertaald. In 1988 werd de roman verfilmd. In 2008 schreef hij het boekenweekgeschenk De Pianoman. Over zijn schrijven zei Bernlef zelf dat de meeste ideeën die hij had eerst als gedicht ontstonden en daarna verder werden uitgewerkt tot verhalen, essays of een roman.

    Bernlef was meer dan vijftig jaar aan uitgeverij Querido verbonden. Uitgever Annette Portegies op de site van de uitgeverij: ‘We verliezen niet alleen een geweldige schrijver maar vooral ook een lieve vriend. Iemand bovendien die, vanuit de traditie van ons huis, meedacht over de toekomst van de uitgeverij, en die jonge schrijvers hielp en adviseerde. We zullen hem verschrikkelijk missen.’ Ter ere van vijftig jaar schrijven publiceerde Querido dit jaar de nieuwe bundel verhalen, Help me herinneren.

    Zijn werk werd vele malen bekroond, onder andere met de P.C. Hooftprijs, de Constantijn Huygensprijs en de AKO Literatuurprijs.

    In de Boekenbijlage van NRC Handelsblad stond in mei van dit jaar een groot interview van Marjoleine de Vos met Bernlef ter ere van 50 jaar schrijverschap. In dat interview wordt benadrukt hoe enorm productief Bernlef in zijn leven is geweest.

     

     

  • door Wil van Basten-Malipaard

    Historicus prof. Cees Fasseur (1938) heeft verscheidene publicaties over de Nederlands-Indische geschiedenis op zijn naam staan maar is vooral bekend geworden  door zijn tweedelige biografie over Koningin Wilhelmina. De Wilhelmina-biografie is dan ook voor Fasseur de inspiratie om een studie te maken over het leven van Juliana en Bernhard. Hij kiest voor de periode 1936-1956 omdat dit de meest bewogen episode vormt uit het verhaal van hun lange huwelijk en diep in hun persoonlijk leven heeft ingegrepen.

    Voor het schrijven van deze indringende dubbelbiografie baseert Fasseur zich op het Koninklijk Huisarchief, met inbegrip van de door de commissie Beel verzamelde dossiers en de tekst van het rapport van dit driemanschap. En dat was heel veel! Kilometers geschreven materiaal in de vorm van brieven, notities, memoranda, familiepapieren, krantenartikelen, dagboekaantekeningen, herinneringen, kattebelletjes, grafologische analyses, etc. En dan nog te bedenken dat de dagboeken van Juliana volgens haar testamentaire beschikking, niet vóór 2054 mogen worden geraadpleegd. Fasseur is de eerste en voorlopig de enige die toegang heeft gekregen tot het Koninklijk Huisarchief, het privédomein van de Koninklijke familie. Dit feit zorgt al sinds de eerste druk van Juliana & Bernhard, eind 2008, voor heftige discussies.

    Deze twintig  jaar trieste huwelijksgeschiedenis van Juliana en Bernhard wordt beschreven in drie lijvige delen.

    • Deel 1: ‘De Opmaat’: de kennismaking, het huwelijk, de oorlogsjaren, de ‘goede’ Bernhard tijdens de oorlog, de oogafwijking van prinses Marijke, gezien als  aanleiding tot het zevenjarig durend conflict, beter bekend als ‘de Greet Hofmans-affaire’ ? 1948-1956.
    • Deel 2: ‘Het Conflic’: de hoofdrol van gebedsgenezeres Greet Hofmans als doorgeefster, de invloed van de Hofmansadepten in de hofhouding van Juliana, de ‘slechte’ Bernhard van na de oorlog, de escalatie en de rol van de buitenlandse pers tot de mogelijke oplossing van het conflict.
    • Deel 3: ‘De Ontknoping’: de door o.a. de commissie Beel voorgestelde maatregelen die noodzakelijk waren om de vrede in het koninklijk gezin en Nederland weer te waarborgen. De ‘Afwikkeling’ zou wellicht een betere titel van dit hoofdstuk zijn geweest. Het woord ‘Ontknoping’ doet m.i. te veel denken aan een onverwachte afloop van een spannende roman of toneelstuk. Misschien moet er wel gewacht worden tot 2054 voor een dergelijke ontknoping!
    • In het laatste hoofdstuk ‘Terugblik’ lezen we in elf bladzijden de samenvatting van deze drie delen met een vooruitblik naar wat wij daarna tot en met nu (menen te) weten over Juliana en Bernhard.

    Het is evident dat Cees Fasseur antwoorden heeft proberen te vinden op eigenlijk maar een hoofdvraag. Dé grote vraag. Het grote WAAROM? In het volgend citaat verwoordt Fasseur deze prangende vraag en geeft daarna mogelijke redenen. Blz. 290:  …waarom Juliana zich zo liet leiden door een vrouw (Greet Hofmans) die als een destructieve kracht op haar huwelijk inwerkte, de gezinsverhoudingen ontwrichtte en kennelijk een eigen agenda voerde. Kwam het door het verdriet om Marijke, een verdriet waarmee zij elke dag opnieuw werd geconfronteerd? Lag het aan de spanningen in haar huwelijk, haar werk en de toestand in de wereld die haar ongelukkig en onzeker maakten? Was het de wens om zich te conformeren aan haar Baarnse kring van vriendinnen die zich in hun dagelijkse leven eveneens naar Hofmans’ wenken en doorgevingen richtten? Was het de voor ons niet meer na te voelen fascinatie  voor een vrouw aan wie bovennatuurlijke gaven en krachten werden toegeschreven, maar die tegelijkertijd ook weer zo ‘gewoon’ was? Of hing het geloof in “Boven” samen met Juliana’s aanleg en karakter? (…) Mensen die haar goed meenden te kennen, (…), wierpen het op haar toegeschreven ernstig minderwaardigheidscomplex. Ze had zich altijd de mindere gevoeld van haar moeder en aanvankelijk ook van haar man. De paradoxaal klinkende conclusie ligt voor de hand dat zij zo sterk afhankelijk van Hofmans werd, omdat deze haar zekerheid en zelfvertrouwen schonk.”

    Dit lange citaat is m.i. de samenvatting, de leidraad die Cees Fasseur heeft gevolgd voor zijn onderzoek voor het schrijven van deze dubbelbiografie.Tot een openbaring komt het echter niet. Er is geen ontknoping.
    Door zich dan weer bladzijdenlang te richten op Juliana, dan weer bladzijdenlang op Bernhard of op andere voor hen belangrijke personen lukt het Fasseur niet altijd een chronologische volgorde aan te houden. En gaat de lezer wat heen en weer. Soms zijn er zelfs grote schommelingen in de tijd die als feedback dienen (bv. de langere flashbacks naar vroegere tijden (koningin Emma) en nogal eens wordt er een vooruitblik naar het heden geworpen).

    Blz. 319 over Bernhard: ‘Met zijn gebruikelijke openhartigheid, die hem zelfs zou overleven, had de prins zijn verhaal in het voorjaar van 1952 gedaan aan de Amerikaanse journalist (…)’.’Daar school natuurlijk ook berekening in’, suggereert Fasseur. En hij besluit deze alinea met nog een flash forward: ‘Toch zou publicatie dertig jaar op zich laten wachten’. Dankzij de herhalingen en doublures in de tekst is het alleszins mogelijk om niet het gehele boek  te lezen maar je te beperken tot enkele capita selecta.

    Met een grote regelmaat lezen wij bv. vanuit verschillende invalshoeken over de (genetisch bepaalde!?) driftbuien en het minderwaardigheidscomplex van Juliana. Een paar voorbeelden ter illustratie daarvan. Op blz. 29 schrijft Fasseur: ‘Evenals haar moeder had zij last van onverwacht  opkomende driftbuien die, hoewel doorgaans weer even snel verdwenen als vergeten, haar omgeving telkens eraan herinneren dat zij juist niet gewoon was.’ Op blz. 114 schrijft Bernhard in een brief van 22-27 november 1942 aan Juliana: ‘Het was reuze aardig deze keer en ik moet je toch niet mijn vaderlijke lof verzwijgen over je uiterlijk en ook dat je deze keer helemaal geen “uitbarsting” had? dat maakte het dubbel gezellig en aardig…’ Van Hamel  (na de commissie Beel, de vierde wijze man en mediator  in het ‘Soestdijk-conflict’)  schrijft op blz. 427-28: ‘De beste behandelaar van de koningin was zijns inziens de prins ? en hun kinderen niet te vergeten. Gemakkelijk werd het hun echter niet gemaakt door de “ontzettende driftbuien” van Juliana, die zij tien minuten later weer vergeten was’.

    De interventies van de schrijver gaan van mild kritisch tot onverbloemd kritisch. Zijn vele ironische en suggestieve opmerkingen, zijn uitleg, te pas en te onpas, hebben zeker een toegevoegde waarde. Over de driftbuien van Juliana suggereert  Fasseur dat ‘die driftbuien mede het gevolg zullen zijn geweest van haar opvoeding als enig kind’.
    Over de persoonlijk kamerheer van Juliana, mr. dr. I.G. van Maasdijk schrijft Fasseur op blz. 149 dat in de hele paleisaffaire, waarvan Greet Hofmans in de jaren 1948-1956 het middelpunt vormde, een prominente rol voor Van Maasdijk was weggelegd. O.a. op blz. 216 geeft Fasseur duidelijk zijn mening over deze rol: ‘Zij had er beter aan gedaan definitief met hem te breken. Nu behield hij, daarin gesteund door zijn vrouw, de gelegenheid Juliana op te zetten tegen haar echtgenoot  (…)’. En hij vervolgt op de volgende blz. ‘Het zal je kamerheer (of diens vrouw maar wezen. Brieven en adviezen als deze moesten wel een funest effect hebben op de harmonie in het door Bernhards gedrag toch al verstoorde huwelijk (…)’.

    Ook haar particulier secretaris, Walraven van Heeckeren, komt er bij herhaling niet goed vanaf. Op blz. 276 stelt Fasseur: ‘In het voetspoor van Van Maasdijk, met wie hij in vriendschappelijke betrekking bleef staan, begon hij zich hoe langer hoe sterker als de beschermer van de koningin op te werpen tegen de listen en lagen van haar eigengereide echtgenoot’.  Op blz. 429-430 ‘bevestigt’ Drees (in 1956) deze stelling: ‘Drees rekende Van Heeckeren, als overbrenger van de boodschappen van Hofmans samen met Van Maasdijk tot “de kwade krachten” voor het gezinsleven van koningin en prins. Er was een onhoudbare toestand ontstaan. Secretaris en kamerheer moesten daarom beiden van het hof worden verwijderd.’

    Maar het hoofdbestanddeel zijn toch de vele, vele citaten uit de diverse correspondenties die een waarheidsgetrouw beeld vormen of in hoge mate suggereren. Daarnaast geven ze een inzicht in de zeden, gewoonten en geestelijk klimaat van die tijd. Op blz. 101 schrijft Juliana in haar reisverslag (1941) over haar bezoek aan de Roosevelts: ‘Het zijn mensen met tact en van goeden huize, ze doen niet overdreven “gewoon”…  De gedienstigen zijn negers met aardige, pientere gezichten.’
    De lezer krijgt dus een goed beeld van de dertiger tot en met vijftiger jaren, visueel versterkt  door de fotokaternen en de foto’s die een enkele keer wel erg willekeurig in de tekst zijn geplaatst en soms geen direct verband hebben met de context. Op blz. 248 bv. waar een wintersportvakantie foto staat van de vier prinsessen middenin een tekst over het organiseren van een eerste geestelijke vredesconferentie in 1951.

    Het is opmerkelijk dat er zoveel gecorrespondeerd werd met elkaar in die tijd en dat zoveel correspondentie bewaard is gebleven.  De pennenvruchten van Bernhard hebben vooral grote historische invloed gehad. Bernhard meldt zichzelf aan als huwelijkskandidaat voor Juliana. Blz. 35 e.v. beschrijven hoe Bernhard langs verschillende wegen contact heeft gezocht met het Nederlandse hof ter voorbereiding van een ontmoeting met Juliana.

    Greet Hofmans biedt op 28 april 1948 middels ‘een wonderlijk epistel’ haar diensten aan als gebedsgenezeres. In eerste instantie werd dit verzoek afgedaan met een ‘standaardbriefje’ door de particulier secretaresse. Maar Hofmans zou het er niet bij laten zitten. En het was ook Bernhard die Greet Hofmans eind 1948 in ‘huis’ haalde op voorspraak van een aantal van haar sympathisanten. Het was ook prins Bernhard die de impasse, door Hofmans ontstaan, doorbrak en als enige redmiddel in zijn ogen de publiciteit van de invloedrijke buitenlandse media zocht door middel van zijn netwerk en aldus het conflict naar buiten bracht.

    De grafologische analyses waarin zowel Juliana als Bernhard geloofden zijn verhelderend en belangrijk en kunnen in deze dubbelbiografie echt niet ontbreken. Juliana heeft bv. ook de hulp van een amateurgrafologe ingeroepen om te weten of zij met Bernhard de ware Jacob had gevonden na er zo lang en tevergeefs  naar gezocht te hebben (blz. 41).

    Het tweede deel Het Conflict is uiteindelijk ‘la pièce de résistance’ – het belangrijkste deel voor Fasseur. De uitwerking  van de vragen en redenen  waarom hij deze dubbelbiografie heeft geschreven. Door het lezen van de vele brieven, citaten, ‘doorgevingen’ van Greet Hofmans, die zoals zijzelf zegt ‘het contactsleuteltje’ met Boven was (zij werd door Juliana ‘mijn lieve engel’ genoemd), is de lezer geneigd de conclusie te trekken dat Juliana, hoewel ze dat zelf tegensprak, gemanipuleerd werd, maar niet alleen door Greet Hofmans maar zeker ook door alle Hofmans-adepten om haar heen en in haar hofhouding. Daarmee volgt de lezer de bevindingen van de commissie Beel die het onderzoek heeft gedaan in dit ‘Koninginnedrama’ met Hofmans in de hoofdrol als de ‘Raspoetin’ van Soestdijk. De aanbevelingen van de commissie Beel werden uiteindelijk uitgevoerd. Het was gedaan met de invloed op Soestdijk van de Hofmansgetrouwen.
    De wereldvrede werd in 1956 op het nippertje gered; het huwelijk op Soestdijk ook.

    Juliana en Bernhard bleven nog 48 jaar bij elkaar tot in 2004 de dood hen scheidde. De eenzaamheid van Juliana tijdens haar hele leven komt heel duidelijk naar voren in veel documenten en wordt door Fasseur nog benadrukt, …zo we daar al over heen konden lezen. Misschien hebben alleen de eerste zes huwelijksjaren haar geluk en onbezorgdheid gebracht. Hoewel ze in de oorlog door haar verblijf in Canada gescheiden van Bernhard leefde en hun huwelijk door de talloze bestellingen die Bernhard deed  ‘hoe langer hoe meer de trekken kreeg van een ‘postorderbedrijf’, zo kunnen we lezen op blz. 115.

    Over de prinsessen komen we niet veel te weten. Behalve dat de Kees Boekeschool  in Bilthoven werd ingeruild voor het Baarns’ Lyceum omdat de twee oudsten een leesachterstand zouden hebben en er toch diploma’s behaald moesten worden. En zowel Beatrix als Irene kozen de kant van hun vader in de Hofmans-affaire. Ook prinses Armgard, de moeder van prins Bernhard betekende een vertrouwde haven (paleis Warmelo) voor de beide prinsessen. Dit in tegenstelling tot Het (koude) Loo van koningin/prinses Wilhelmina. Deze voorkeur was eveneens een bron van onenigheid tussen de beide echtelieden.

    De liefdesaffaires en amoureuze escapades van Bernhard worden niet uitgebreid besproken en worden door Juliana niet als dramatisch ervaren, althans zij heeft daarvan in haar brieven nooit iets laten blijken. ‘Misschien is het voorbeeld van haar moeder op haar houding van invloed geweest’, stelt Fasseur op blz. 122. ‘In het vorstelijk milieu van de negentiende eeuw was huwelijkstrouw nooit een deugd die sterk werd gecultiveerd. Keus was er voor de mannelijke helft van de in hogere kringen gehuwden doorgaans te over en de vrouwelijke helft had hierin maar te berusten’.

    Juliana & Bernhard is een zeer leesbaar en toegankelijk werk. De schrijfstijl van Fasseur is open en spontaan. Op geen enkel moment wordt het boek een dorre opsomming van feiten en gebeurtenissen vergezeld van saai commentaar. Kortom, een geslaagd boek! Een boek dat voortdurend je aandacht vasthoudt. Een aanrader voor die lezers die zich interesseren in geschiedenis en in de geschiedenis van ons koningshuis in het bijzonder.  We komen veel te weten over het hof en Hofmans (what’s in a name?). De brave vaderlandse pers werd in die tijd immers nog overal buiten gehouden.

    Misschien was het inderdaad zo, zoals Fasseur concludeert in zijn Terugblik en was ‘Juliana als het ware uit haar tijd gevallen’. Zie blz. 452. En ‘was er bij politici en partijen, met uitzondering dan van de communisten, geen enkel begrip voor de genuanceerde opstelling van de koningin in zaken van oorlog en vrede, voor haar bevlogen, toen als wereldvreemd gezien idealisme’ .

    Het laatste woord in deze affaire kwam van Juliana in haar kersttoespraak in 1956: ‘Maar heb ook ik soms het recht niet te trachten mijzelf te zijn’?  en daarmee kom ik terug op het citaat boven deze recensie: ‘Misschien viel Hofmans nog het minste te verwijten’ ? Fasseur op blz. 449.

     

    Juliana & Bernhard.Het verhaal van een huwelijk, de jaren 1936-1956
    (Heruitgave als paperback)
    Aureur: prof. dr. Cees Fasseur
    Prijs: € 15,-.
    Uitgegeven door: uitgeverij Balans, 2009

  • De performing dichter die de kreet verkoos boven het papier

    Eindelijk is er dan een biografie over Johnny van Doorn (1944 – 1991). Hoe men ook over hem moge denken, dat hij een unieke plaats inneemt in de Nederlandse literatuur staat buiten kijf. De titel verwijst naar een libretto, dat zelden werd opgevoerd maar door Van Doorn van tekst werd voorzien.

    Opgegroeid in een burgerlijk milieu in Arnhem in de vroege jaren vijftig ontworstelt hij zich aan school, wordt afgekeurd voor militaire dienst, ontloopt een eventuele baantjescarrière en kiest voor een vlucht naar voren. Hij treedt op in cafés waar hij vooral vuurwerk nadoet en onsamenhangende teksten scandeert, waarbij hij zichzelf in trance brengt. Uiteindelijk settelt hij zich in Amsterdam in een afbraakpand. Vanuit deze wankele veste presenteert hij zich als Johnny the Selfkicker. In 1966 treedt hij op uitnodiging van Simon Vinkenoog, op tijdens het roemruchte ‘Poëzie in Carré’. Hier valt hij direct op door een onorthodox optreden met veel verbaal en non verbaal lawaai. In het boek dat na deze manifestatie wordt uitgegeven, is Van Doorn degene die het meest gerecenseerd wordt door de verzamelde pers. Men weet niet goed raad met deze woordbarbaar.

    Het Algemeen Dagblad meldt: ‘Toen verscheen Johnny the Selfkicker, die in het begin nogal tam van wal stak met een gedicht waarin de paringsdaad met nadrukkelijke realiteit werd beschreven maar tenslotte in zijn bizarre kreten losbarstte , waarop het publiek wisselend reageerde. Eerst proestte de zaal van pret, daarna klapten de aanwezigen van enthousiasme en tenslotte brulde de menigte van afkeer om Johnny’s openhartigheid. Het was in ieder geval een boeiende afsluiting vóór de pauze.’

    Zonder het te beseffen is hij plotseling een ‘performing poet’ geworden. Iemand die de kreet verkiest boven het dulle papier. Uitgeverijen Meulenhoff en De Bezige Bij bieden hem echter wel degelijk contracten aan en dat leidt tot de uitgave van zijn eerste bundel Een nieuwe mongool (1966) gevolgd door Een heilige huichelaar (1968).

    Het is de tijd van de provohappenings rond het Lieverdje in Amsterdam. Rookmagiër Robert Jasper Grootveld ontvouwt zijn theorie rond de mythische figuur Klaas. En Johnny van Doorn doet zijn duit in het zakje door overal en nergens te declameren ‘dat men eindelijk maar eens klaar zou moeten komen.’ Gevolgd door zijn soundrepeteergeweer: ‘Een magistrale stralende zon’. Uw recensent mocht een aantal malen getuige zijn van optredens van Van Doorn en vooral de wilde, allesoverspoelende energie en de herhalingen werkten op de lachspieren en wekten bewondering. Ook in het dagelijks leven schrikt Johnny er niet voor terug zijn knallende geluidseffecten overal (tram, bus, café) ten beste te geven. Vaak tot verbazing van het gehoor.

    Hij drinkt in deze hashdoorrookte dagen liever veel alcohol en dat zal zijn hele leven zo blijven. Was hij alcoholist? Hij trouwt met de danseres Yvonne en ze krijgen een zoon, Sindbad Bruce. Bruce naar de Amerikaanse cabaretier Lenny Bruce. Johnny wordt (terecht) moe van het optreden in rokerige studentenzaaltjes en besluit zich meer te gaan concentreren op proza. Via Hans Sleutelaar krijgt hij een column aangeboden bij de Haagse Post. Uiteindelijk worden zijn verhalen gebundeld in Mijn kleine hersentjes (1972). Het boek wordt lauw ontvangen maar na een tv-optreden verkoopt het redelijk. De Bezige Bij is in haar nopjes.

    De VPRO toont belangstelling voor Van Doorn en Wim Noordhoek en Peter Flik maken mooie programma’s met Johnny als middelpunt. Zijn causerieën voor de VPRO-radio worden later gebundeld in de cyclus Gevecht tegen het zuur. (Zijn drankzucht veroorzaakt regelmatig –  vooral ’s ochtends – overtollig maagzuur.)

    Inmiddels is Van Doorn met vrouw en kind in het troosteloze Amsterdam Noord neergestreken, waar hij koortsachtig aan het schrijven is geslagen. Zijn optredens doet hij nu voor veel geld met steeds meer tegenzin. Hij heeft zelfs een grijs pak aangeschaft. Zijn oude kompanen Hans Verhagen en Cor Vaandrager zien dat met lede ogen aan.
    Door Armando en Cherry Duyns wordt hij in Herenleed gevraagd, een toneelachtige absurdistische voorstelling die spoedig een cultstatus zal krijgen, mede door de vreemde rol, die Van Doorn erin vertolkt. Hij speelt o.a. kabouter, moeder en bediende. Er volgt een heuse tournee door Duitsland onder de titel Herrenleid. Een boek met foto’s van de voorstellingen is in drie dagen uitverkocht. Johnny van Doorn wordt gevraagd voor een reclame voor het zoutje Nibb-it. Later zou Jules Deelder hem volgen en reclame maken voor Legner jenever (‘Waar Deelder, dáár Legner’).

    Moegestreden wordt hij tenslotte in het ziekenhuis opgenomen. Maar hij is te laat, de kanker is ongeneeslijk en hij sterft.

    Nico Keuning heeft veel mensen geïnterviewd uit de grote kring rond Van Doorn. Hij portretteerde eerder Jan Arends en Bob den Uyl en het beeld dat hij van Johnny van Doorn schetst is helder. Over een fenomeen in de jaren zestig, een bekende in de jaren zeventig en een moegestreden afvallige in de jaren tachtig. Jammer dat er geen Selfkickers meer zijn.

    Oorlog en pap. Het bezeten leven van Johnny van Doorn.
    Auteur: Nico Keuning
    Blz: 262
    Uitgever: De Bezige Bij
    Prijs: €24,90

    Bijzonderheid: met cd en het niet eerder gepubliceerde libretto Oorlog en pap.

  • Kader Abdolah

    Kader Abdolah, pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani (Arak, 12 december 1954) vestigde zich in 1988 in Nederland. Begin 2008 verscheen zijn vertaling van de Koran. Zelf zegt hij hierover: ‘Tegen de Nederlanders zeg ik: “Ik verdedig de Koran niet, ik draag hem alleen voor. Lees, en geef je mening. Shitboek, prachtboek; wat je zegt is goed, ik ga er niet over in discussie.” En tegen de fanatici zeg ik: “Vriend, wees niet boos op mij. Ik heb het uit liefde gedaan.” (Volkskrant magazine, 26 april 2008).

    Persoonlijk

    Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani wordt in 1954 in Arak, Iran geboren in een streng islamitische streek. Hij jonge jongen droomt hij ervan schrijver te worden, net als zijn betovergrootvader Qhaem Megham Ferahni. Vanaf zijn twaalfde begint hij heimelijk westerse literatuur te lezen en luistert hij in het geheim naar westerse radiostations en clandestiene verzetszenders.

    Hij gaat natuurkunde in Teheran studeren en sluit zich aan bij een ondergrondse linkse partij. Deze partij vecht tegen de dictatuur van de sjah en later die van de ayatollahs. Hij schrijft voor een illegaal blad en publiceert twee clandestiene verhalenbundels onder de naam Kader Abdolah. Na zijn opleiding gaat hij werken als directeur van een emballagefabriek. Hij zet zijn politieke activiteiten voort. In 1985 wordt hij gedwongen zijn geboorteland te ontvluchten.

    In 1988 belandt hij in een asielzoekerscentrum in Apeldoorn en krijgt later een huis in Zwolle toegewezen, waar hij gaat werken in een natuurhistorisch museum en een conservenfabriek. In 1993 debuteert Kader Abdolah met de verhalenbundel De adelaars, die meteen wordt bekroond met Het Gouden Ezelsoor voor beste debuut.

    Twee jaar later krijgt hij voor de tien verhalen in De meisjes en de partizanen het Charlotte Köhler-stipendium, een aanmoedigingsbeurs voor de meest veelbelovende auteur van het moment. Romans, verhalenbundels en vertalingen volgen en in april 2008 verschijnt De Koran en De boodschapper, een vertaling van de Koran en een bijbehorende vertelling.
    Het werk van Abdolah werd onder andere vertaald in het Engels, Italiaans, Spaans, Deens, Noors, Zweeds en Turks.

    Kader Abdolah woont in Delft, is getrouwd en heeft twee dochters.

    Bijzonderheden

    • Kader Abdolah is een pseudoniem. Het zijn twee voornamen van overleden Iraanse vrienden.
    • Het huis van de moskee werd in 2007 gekozen tot op een na beste Nederlandse roman aller tijden. De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch werd verkozen tot beste Nederlandse roman.
    • Van Het huis van de moskee werden meer dan tweehonderdduizend exemplaren verkocht.

    Links

    www.degeus.nl/auteurs/abdolah/index.html

    Werken

    • De adelaars (1993, verhalen)
    • De meisjes en de partizanen (1995, verhalen)
    • De reis van de lege flessen (1997, roman)
    • Mirza (1998, columns)
    • Spijkerschrift (2000, roman)
    • De koffer (2001, Overijssels boekenweekgeschenk)
    • Een tuin in zee (2001, columns)
    • Kélilé en Demné (2002, hervertelling van Perzische verhalen)
    • Sophia’s droë vrugte (2002, roman)
    • Portretten en een oude droom (2003, roman)
    • Karavaan (2003, columns)
    • Het huis van de moskee (2005, roman)
    • De Koran en De boodschapper (2008, respectievelijk ‘een vertaling’ en ‘een vertelling’)

    Prijzen

    • 1993    Het Gouden Ezelsoor voor De adelaars
    • 1995    Charlotte Köhler-stipendium voor De meisjes en de partizanen
    • 1997    ASN-ADO-Mediaprijs voor zijn wekelijkse column Mirza in de Volkskrant
    • 1998    Mundial Award voor zijn landelijke verdiensten op het gebied van internationale samenwerking, vrede en veiligheid
    • 2001    E. du Perronprijs voor zijn gehele oeuvre

    Benoemingen

    • 2000    Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
    • 2004    Onderscheiden met de Franse ridderorde
    • 2007    Franse onderscheiding Chevalier des Arts et des Lettres

    Tekening Martien Bos, www.antisomber.nl

  • Biografie J.M.A. Biesheuvel

    Jacobus Martinus Arend Biesheuvel (Schiedam, 23 mei 1939) ontving in 2007 de P.C. Hooft-prijs voor zijn volledige oeuvre. Volgens het juryrapport heeft de schrijver J.M.A. Biesheuvel ‘met zijn verhalen, die het autobiografische en het fantastische op een zo wonderbaarlijke manier met elkaar vermengen, (…) een unieke en onverwisselbare bijdrage geleverd aan de Nederlandse literatuur.’

    Maarten Biesheuvel werd geboren in Schiedam en heeft vier broers en zussen. Zijn vader was archivaris op een scheepswerf Wilton Feyenoord. In 1956 werd Biesheuvel van het lyceum afgestuurd wegens eigenzinnig gedrag. Hij ging varen als ketelbink en volgde het avondgymnasium. Hij zakte echter voor zijn staatsexamen, in 1958 maakte hij uiteindelijk het laatste jaar van zijn gymnasiumopleiding af.
    Na zijn militaire dienst ging Biesheuvel rechten studeren. Hij volgde samen met Maarten ’t Hart colleges bij Karel van het Reve, die in Leiden hoogleraar Slavische Letterkunde was. Naar eigen zeggen dacht Maarten Biesheuvel ‘in een krankzinnige gereformeerde waan’ dat Karel van het Reve God was, mede doordat hij zo erudiet was en dat als volstrekt vanzelfsprekend beschouwde.

    Godsdienst en psychische crisis

    Tot zijn eenentwintigste leefde Biesheuvel in ‘een roes’ van godsdienst. Toen hij in 1958 Eva Gütlich, met wie hij in 1979 trouwde, leerde kennen viel die ‘roes’ weg. Zij was niet-gelovig en liet Biesheuvel zien dat ze niet slechter was dan christenen die hij kende. Biesheuvel kwam in een ernstige psychische crisis en van februari tot juni 1966 zat hij in de psychiatrische inrichting Endegeest in Oegstgeest. Na zijn ontslag verhuisde hij naar Leiden.

    In zijn studietijd publiceerde hij in het Leids Universiteitsblad en voor het verenigingsblad van studentenvereniging Catena. In 1972 debuteerde hij met de verhalenbundel In de bovenkooi en vestigde hiermee direct zijn naam. Hij werkte tien jaar aan de bundel, waarin alle thema’s zijn aan te treffen die zijn oeuvre domineren: de zee, God, krankzinnigheid, angst en eenzaamheid.

    In de jaren zeventig en tachtig publiceert Biesheuvel ongeveer iedere twee jaar een bundel, maar in de jaren negentig valt zijn productie stil, mede door zijn manisch-depressiviteit en veelvuldige opnamen in inrichtingen.

    Biesheuvel heeft zich nooit sterk in de media of de literaire wereld geprofileerd, naar eigen zeggen is hij een ‘romantische randfiguur, die helemaal niet hoort in het middelpunt van de literaire aandacht.’ Desalniettemin wordt zijn werk zeer gewaardeerd, zowel door critici als een breed lezerspubliek.

    Maarten Biesheuvel woonde met Eva Gütlich in Leiden, in een houten huis genaamd Sunny Home.

     

    Bijzonderheden

    • J.M.A. Biesheuvel publiceerde ook onder de namen Emmy van Overeem, God en D. Blijn.
    • De hoofdfiguren van Biesheuvel zijn nadrukkelijk underdogs en terugkerende thema’s: zijn (gereformeerde) jeugd, de rol van zijn vrouw Eva in zijn leven, psychiatrische inrichtingen en het idee om Jezus te zijn. Naast verhalen met een hoog werkelijkheidsgehalte schreef hij kolderieke, surrealistische vertellingen.
    • Biesheuvel maakt veel gebruik van een associatieve verteltechniek, vol ironie, wrange humor en een sterke verbeeldingskracht.
    • Biesheuvel is de neef van de protestants-christelijke schrijfster Jacoba Vreugdenhil.
    • Tot zijn zestiende werd hij Martie genoemd.

     

    Werken

    • In de bovenkooi (1972)
    • Verhalen van J.M.A. Biesheuvel (1973)
    • Slechte mensen (1973)
    • Opstapper (1973)
    • Tussen dieren, tussen mensen (1974)
    • Vijf korte verhalen (1974)
    • Het is ook fout dat ik me zo vaak… (1975)
    • Het nut van de wereld (1975)
    • Gedichten [roofdruk] (1976)
    • De Weg naar het Licht (1977)
    • De Verpletterende Werkelijkheid (1978)
    • Een dag uit het leven van David W. (1978)
    • De verpletterende werkelijkheid (1979)
    • De merel (1980)
    • Een gelukkige oude dag (1980)
    • Duizend vlinders (1981)
    • Wilde zwanen (1981)
    • Hoe de dieren in de hemel kwamen (1982)
    • Brommer op zee (1982)
    • De bruid (1982)
    • De zoon (1982)
    • Mijn vrouw (1983)
    • Heren E (1983)
    • Tussen mensen tussen dieren (1983)
    • De steen der wijzen (1983)
    • Reis door mijn kamer (1983)
    • De wereld moet beter worden (1984)
    • Reis door mijn kamer (1984)
    • Sigaar (1984)
    • Zeeverhalen (1985)
    • Godencirkel (1985)
    • De klacht van de dorpsschoolmeester (1985)
    • Eert uw vader en uw moeder (1985)
    • Avonturen van Joachim Müller (1986)
    • Godencirkel (1986)
    • Ons onvervreemdbaar erfdeel (1986)
    • Nachtelijk gesprek (1987)
    • In het land der grijze dalen (1987)
    • De angstkunstenaar (1987)
    • Een overtollig mens (1988)
    • Biesboek (1988)
    • Storm op zee (1988)
    • Konijn (1988)
    • Vader en dochter (1988)
    • Vijftig verhalen (1989)
    • Epigrammen (1989)
    • Carpe diem (1989)
    • Kreet uit een kelderwoning (1989)
    • Een overtollig mens (1990)
    • Onrust (1992)
    • Ere-admiraal Wyntham Cremer (1993)
    • Giuliano (1994)
    • Van de man die zelf een wolk was (1994)
    • Biesheuvel over Elsschot… (1994, roofdruk)
    • Kind/Het wonder (1994)
    • Angst (1996)
    • Oude geschiedenis van Pa (2001)
    • Zes novellen (2001)
    • Motje tegen gloeiend lampepeertje (2001)
    • God zelf (2002, roofruk)
    • Oude geschiedenis van Pa (2002)
    • Eva’s keus (2003)
    • Brieven aan Bert Poll (2003)
    • Raadgeving in het holst van de nacht (2004)
    • De wethouder (2005, roofdruk)
    • Een sterfgeval (2007)
    • De angstkunstenaar (2007)
    • Blozen (2007)
    • Kerstverhaal (2007)
    • Verzameld werk (2008)
      Bron: www.jmabiesheuvel.nl

    Prijzen

    • 1972 Alice van Nahuys-prijs voor In de bovenkooi.
    • 1985: F. Bordewijk-prijs voor Reis door mijn kamer.
    • 1986: Erepenning van de stad Leiden.
    • 2007 P.C. Hooft-prijs voor gehele oeuvre.

    Benoemingen

    • 2008 Officier in de Orde van Oranje-Nassau

     

     

     

  • Frank Martinus Arion

    Frank Martinus Arion (pseudoniem voor Frank Efraim Martinus, Curaçao, 17 december 1936) is een Antilliaanse schrijver, dichter en taalwetenschapper. Arion was oprichter en redacteur van het progressieve Antilliaanse tijdschrift Ruku (1969-1970). Hij brak bij een breed publiek door met de roman Dubbelspel

    (1973). In 2008 werd deze roman als eerste boek in de jaarlijkse campagne Nederland Leest in 575.000 exemplaren weggegeven bij Nederlandse bibliotheken.

    Persoonlijk

    Arion werd geboren op Curaçao en verloor op jonge leeftijd zijn ouders. Hij groeide op bij zijn stiefmoeder die alleen het Papiamento beheerste. In 1953 kwam Arion naar Nederland en studeerde hij Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden. In 1971 werd hij wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam.

    Op 17 december 1996, de dag van zijn zestigste verjaardag, promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op The Kiss of a Slave. Papiamentu’s West-African Connections. Het gaat over het ontstaan van zijn moedertaal en hij heeft er, door zijn spagaat tussen taalkunde en letterkunde vele jaren aan gewerkt.

    Hij debuteerde in 1957 met de dichtbundel Stemmen uit Afrika, maar kreeg vooral bekendheid door zijn romandebuut Dubbelspel (1973), een boek waarmee hij literatuurgeschiedenis schreef. Een naar het zich laat aanzien vredig spelletje domino haalt het slechtste in de mens boven. Dubbelspel is een roman die de lezer de ogen opent voor het hele register van bedriegerijen, schijnheiligheid en verbogen vijandschap, dat schuilgaat achter elk beminnelijk lijkend sociaal verkeer. Keerzijde van de medaille is dat Arion volgens velen niet meer in staat is gebleken zijn eigen roman Dubbelspel in ander werk te evenaren.

    Na Dubbelspel volgden de romans Afscheid van de koningin (1975) en Nobele wilden (1979). In de eerste twee romans behandelt hij de koloniale verhoudingen tussen Nederland en de Antillen. In Nobele wilden staat de koloniale situatie op de Franse Antillen, de Caraïbische eilanden Martinique en Guadeloupe, centraal. In een samenspel tussen verbeelding en werkelijkheidsbeschrijving tracht Arion gestalte te geven aan de emancipatie van de inheemse bevolking, in het bijzonder van die van de vrouwen in de beschreven gebieden. Dit engagement betekent overigens niet dat Arion de vormgeving niet belangrijk vindt. Hij maakt bewust gebruik van traditionele verteltechnieken om de lezer niet af te schrikken en hem zo binnen te voeren in zijn sociaal-kritische benadering van de wereld die hij beschrijft. Daarbij functioneren zijn romanfiguren als representanten van een bepaalde (sociale) groep.

    Bron: www.literairnederland.nl

    Bijzonderheden

    • Frank Martinus Arion stond op de longlist van het KRO-programma De Grootste Nederlander aller tijden.
    • Arion schonk het prijzengeld van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, destijds (1974) duizend gulden, aan de antiapartheidsbeweging Nederland en aan de Boycot-Outspanactie.

    Werken

    • Stemmen uit Afrika (1957, gedichten)
    • Bibliografie van het Papiamentu (1972)
    • Openingsrede bij expositie José Maria Capricorne (1972)
    • Shrini’s tour d’amour. Inleiding op Shrinivasi (1972)
    • Dubbelspel (1973)
    • Sisyphiliaans alpinisme tegen miten (1974)
    • Afscheid van de koningin (1975)
    • Albert Helman, de eenzame jager (1977)
    • Nobele wilden (1979)
    • Marein Lopap 2 o malesa di semi-lingualismo (1983)
    • De overwinning van de Yaya (1984, filmscript)
    • The emancipation of Papiamentu (1987)
    • Bon hulandes: Manual pa metodo di Hulandes komo idioma stranjo (1988)
    • Kara: un partido politiko desidido (1989)
    • Un yu’i korsou di tur bario (1990)
    • De ibismensmuis (1993)
    • De laatste vrijheid (1995)
    • The Kiss of a Slave. Papiamentu’s West-African Connections (1996, proefschrift)
    • De eeuwige hond (2001)
    • Eén ding is droevig (2005)
    • De deserteurs (2006)
    • Drie romans (2006, bevat: Afscheid van de koningin; Nobele wilden; De laatste vrijheid)Bron: www.schrijversinfo.nl

    Prijzen

    • 1975 Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1974 voor Dubbelspel.
    • 2001 Cola Debrot-prijs voor De laatste vrijheid.
  • Hafid Bouazza

    Hafid Bouazza (Oujda, Marokko, 8 maart 1970) is een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de zogeheten ‘migrantenliteratuur’ en pleitbezorger van de klassieke Arabische poëzie in Nederland. Bouazza staat bekend om zijn buitensporige drugs- en drankgebruik. In 2005 kondigde hij in Elsevier aan te stoppen met het drinken van absint: ‘De groene fee is uit me gevaren. Ik ben tot de bodem gegaan. Absint is erg heftig. Ik wil de controle terug.’

    Persoonlijk

    Hafid Bouazza is geboren in Marokko, in een dorp dicht bij de Algerijnse grens. Als hij een jaar oud is, vertrekt zijn vader naar Nederland om in een staalfabriek te werken. Zes jaar later volt de rest van het gezin ?moeder, Hafid en zes broers en zussen. De familie is het eerste Marokkaanse gezin in het dorpje Arkel, bij Gorinchem.

    In 1988 gaat Hafid Bouazza Arabische taal- en letterkunde studeren in Amsterdam. Na zijn studie werkt hij enige tijd als vertaler en docent. In 1996 debuteert hij met De voeten van Abdullah, waarin herinneringen aan een kindertijd in een strenge Marokkaanse gemeenschap, vol sprookjesachtige wonderen en seksuele belevenissen worden opgehaald. De roman domineert maanden de toptienlijsten en wordt bekroond met de E. du Perron-prijs, een jaarlijkse bekroning voor mensen of instellingen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de bevordering van wederzijds begrip en een goede verstandhouding tussen de in Nederland woonachtige bevolkingsgroepen.

    Daarna volgden de romans Momo en Salomon, het boekenweekgeschenk Een beer in bontjas en verschillende toneelbewerkingen. In 2001 trekt Bouazza in fel van leer tegen de naïeve houding van Nederlanders ten opzichte van de islam.

    In 2005 verscheen het eerste deel van Bouazza’s Arabische bibliotheek, een reeks waarin Hafid Bouazza klassieke Arabische literatuur in hedendaagse vertalingen toegankelijk maakt voor een breed publiek in hedendaagse vertalingen.

    Hafid Bouazza woont in Amsterdam en heeft twee kinderen.

    Bijzonderheden:

    • De barokke, bloemrijke stijl van Hafid Bouzza is doorspekt met archaïsche, oud-Hollandse woorden.
    • Het werk van Bouazza is zowel geïnspireerd op de sprookjes van Duizend-en-een-nacht als op het werk van Nederlandse negentiende-eeuwse auteurs als Frederik van Eeden.
    • Een door Bouazza veel gebruikte metafoor is dat zijn geest als een huis is dat tot zijn achttiende is ingericht door anderen. Naar eigen zeggen hebben lsd en alcohol hem geholpen om dat huis volledig leeg te halen en opnieuw te vullen met zelfgekozen meubels.
    • De zus van Hafid Bouazza, Hassnae (1973), werd bij een breed publiek bekend door haar optredens in verschillende VPRO-programma’s en als columniste voor Vrij Nederland.
    • In Knack (31-10-2003) zegt Bouazza over migranten: ‘(…) identiteit is geen vaststaand gegeven, maar een vloeibaar iets. Migranten zitten wat mij betreft in een luxepositie: migratie is het beste wat iemand kan overkomen. Je stapt uit de bron van je moederland en je wordt afgedroogd, bij wijze van spreken, in een ander land. Waar kun je beter wonen dan in je eigen geest? Er gaat niets boven thuisloosheid.’

    Links:

    In 2005 maakte Pieter Verhoeff voor de VPRO een persoonlijke documentaire over Hafid Bouazza, terug te zien op www.vpro.nl/programma/ram/afleveringen/24069439/

    Werken

    • De voeten van Abdullah (1996)
    • Momo (1998, novelle)
    • Apollien (1998, toneel)
    • Schoon in elk oog is wat het bemint (2000, klassieke Arabische liefdesgedichten, bloemlezing)
    • Een beer in bontjas: autobiografische beschouwingen (2001, Boekenweekessay)
    • De slachting in Parijs (2001, toneel)
    • Salomon (2001, roman)
    • Rond voor rond of als een pikhouweel (2002, essay)
    • Othello (2003, toneel)
    • Het monster met de twee ruggen : een kameropera (2003, libretto)
    • Paravion (2003, roman)
    • Een beer in bontjas (2004, herziene, uitgebreide versie)
    • Het temmen van een feeks (2005, toneel)
    • Schoon in elk oog is wat het bemint (2005, bloemlezing Arabische liefdesgedichten)
    • De zon kussen op dit nachtuur (2006, bloemlezing van gedichten van Abdullah ibn al-Mu’tazz)
    • De vierde gongslag (met CD) (2006, Bundel literaire essays over opera’s)
    • Om wat er nog komen moet : pornografica (2006, bloemlezing erotische Arabische poëzie)

     Prijzen

    • 1996 E. du Perronprijs voor De voeten van Abdullah
    • 2003 Amsterdamprijs voor de kunsten voor gehele oeuvre
    • 2004 De Gouden Uil voor Paravion
      Bron: www.literaireprijzen.nl
    Tekening Martien Bos, www.antisomber.nl
  • Jeroen Brouwers

    Jeroen Godfried Marie Brouwers (Batavia, 30 april 1940) is journalist, schrijver en essayist. Zijn omvangrijke oeuvre omvat onder andere romans, toneelwerken, essays, polemieken en novellen. Brouwers staat tevens bekend als een voorvechter voor een betere (financiële) positie voor auteurs. Zo weigerde hij de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren in ontvangst te nemen, omdat hij het prijzengeld (16.000 euro) ‘een fooi’ vond. Naar aanleiding van zijn weigering is het prijzengeld verhoogd tot 40.000 euro.

    Persoonlijk
    Jeroen Brouwers werd geboren in Batavia. Na de Japanse invasie in 1943 werd zijn vader overgebracht naar een krijgsgevangenenkamp in de buurt van Tokio. Brouwers werd samen met zijn oma, moeder en zus in het Japanse interneringskamp Kramat geplaatst. Na een paar maanden werden ze overgeplaatst naar kamp Tjideng, in een buitenwijk van Batavia. Zijn grootouders overleefden de kampen niet. In 1981 schreef Jeroen Brouwers in Bezonken rood over de Japanse bezetting van Indonesië.

    In 1947 verhuisde Brouwers samen met zijn moeder en broers en zussen naar Nederland, zijn vader volgde een jaar later. Vanaf zijn tiende leefde hij in verschillende rooms-katholieke pensionaten.

    Na zijn dienstplicht ging Jeroen Brouwers in 1961 werken als leerling-journalist. In 1964 verhuisde hij naar België om bij uitgeverij Manteau als redactiesecretaris te gaan werken. Later wordt hij (hoofd) redacteur van de uitgeverij.

    In 1964 debuteert Brouwers met de verhalenbundel Het mes op de keel. Sinds 1976 wijdt Jeroen Brouwers zich geheel aan het schrijven.

    In 1979 verscheen de roman Het verzonkene, het eerste deel van een aan zijn Indische jeugd gewijde trilogie. Het tweede deel, Bezonken rood (1981) is een zeer groot succes, maar leidde ook tot heftige discussies. Zo bestreed Rudy Kousbroek het waarheidsgehalte van Brouwers opmerkingen over de Japanse kampen in Nederlands-Indië. De zondvloed (1988) maakt de trilogie compleet.

    In 2000 verschijnt Geheime kamers, een roman die een nieuwe periode in zijn schrijversschap inluidt. Na tien jaar van betrekkelijke stilte, was dit de grote roman waar het publiek en de kritiek op hadden gewacht. Beide waren erg enthousiast.

    In 2007 verscheen zijn jongste roman, Datumloze dagen.

    Jeroen Brouwers woont in Zutendaal (België) en heeft een dochter en twee zoons, waarvan de oudste zoon in 2006 overleed.

    Bijzonderheden:

    • Volgens de jury van de Prijs der Nederlandse Letteren heeft Brouwers ‘in de naoorlogse Nederlandstalige literatuur bakens uitgezet en verzet’. Hij heeft ‘het egodocument verheven tot een volwaardig literair genre’ en zijn brievenboeken zijn volgens de jury ‘ongeëvenaarde kwaliteit’. Brouwers schreef zijn bekende polemieken ‘met veel vuur en verontwaardiging maar vooral steeds met veel liefde voor het onderwerp’. Door Vlaanderen vaak als onderwerp te nemen, ‘vormt hij als geen andere auteur een brug binnen het Nederlandse taalgebied over de landsgrenzen heen.’
      Bron:
      www.taaluniversum.org
    • Jeroen Brouwers publiceerde werk onder verschillende pseudoniemen. Zo gebruikte hij onder ander de namen Roosje W. Breuner, Jouwre Broesner, Henri van Maaren en Jeroen Zondervan.
    • Theodoor Holman gebruikte Jeroen Brouwers als pseudoniem in Propria cures.
    • Datumloze dagen is oorspronkelijk geschreven als theatermonoloog voor Roef Ragas, die vlak nadat hij de proefdruk had gelezen, onverwacht overleed.
    • Het woord ‘zon’ komt in veel titels van romans van Brouwers op een verborgen wijze voor. Er is wel gesuggereerd dat dit komt door de kwelling van de brandende zon die hij in een jappenkamp moest verduren.
    • Jeroen Brouwers heeft een fascinatie voor zelfmoordenaars.
    • De Standaard beschuldigde Jeroen Brouwers in 2001 ten onrechte van plagiaat in zijn roman Joris Ockeloen en het wachten (1967).

    Links

    www.jeroenbrouwers.nl

    Werken

    • Edith Piaf. Lyrische straatmus (1961)
    • Van rondeel tot chanson (1963)
    • Couperus. 1863-1963 (1964)
    • Het mes op de keel (verhalen) (1964)
    • Joris Ockeloen en het wachten (roman) (1967, roman)
    • De toteltuin. Gevallen van de sfinx (1968, verhalen)
    • Groetjes uit Brussel (1969, verhalen)
    • Zonder trommels en trompetten (1973, novelle)
    • Zachtjes knetteren de letteren. Een eeuw Nederlandse literatuurgeschiedenis in anekdoten. (1975)
    • Zonsopgangen boven zee (1977, roman)
    • Klein leed (1977, verhalen)
    • Mijn Vlaamse jaren (1978, verhalen, herinneringen, pamfletten, dagboekfragmenten, brieven)
    • De nieuwe Revisor (1979, pamflet)
    • Kladboek (1979, essays)
    • Het verzonkene (1979, roman)
    • De bierkaai. Kladboek 2 (1980, essays)
    • Zonder onderschriften (1980, toneel)
    • Bezonken rood (1981, roman)
    • Et in Arcadia ego (1981, verhaal)
    • De spoken van Godfried Bomans (1982, essay)
    • Alleen voor Vlamingen (1982, essays)
    • Es ergo sum (1982, essay)
    • Verhalen en levensberichten (1983, verhalen)
    • De laatste deur (1984, essays)
    • Winterlicht (1984, roman)
    • De levende stilte van Stig Dagerman (1985, essay)
    • Hélène Swarth: haar huwelijk met Frits Lapidoth, 1894-1910 (1986, essay)
    • De sprong (1986, novelle)
    • Hij is reeds aan de overzijde (1986, necrologieënbloemlezing)
    • Miniatuur van wanhoop (1987)
    • Kroniek van een karakter. Deel 1 (1976-1981) De Achterhoek (1987, brieven)
    • Kroniek van een karakter. Deel 2 (1982-1986 De oude Faust (1987, brieven)
    • De schemerlamp van Hélène Swarth (1987, essay)
    • Sire, er zijn geen Belgen (1988, Boekenweekessay)
    • De zondvloed (1988, roman)
    • Het tuurtouw (1989, essay)
    • Zomervlucht (1990, roman)
    • Het vliegenboek. Kladboek 3 (1991, essays)
    • Het is niets (1993, essay)
    • Twee verwoeste levens (1993)
    • De vervulling (1993, monoloog)
    • Steeds dezelfde zon (1994, toespraak Dodenherdenking)
    • Het circus der eenzaamheid. Kladboek 4 (1994, essays)
    • Vlaamse leeuwen (1994, essays)
    • Adolf & Eva & de Dood (1995, essays)
    • Oefeningen in nergens bijhoren (1995, essay)
    • Het aardigste volk ter wereld: Willem Frederik Hermans in Brussel. Bijdrage aan zijn biografie. (1996)
    • De vervulling (1996, verhalen)
    • Kilometers (1996)
    • In memoriam patris (1997)
    • Alles is iets (1998, dagboekbladen en brieven)
    • De verliefden, hommage aan Fernand Victor Toussaint van Boelaere, 50 jaar na overlijden. (1998)
    • Een beroemde naamgenoot (1998)
    • Terug thuis, verhalen, leerervaringen, voetnoten (1998)
    • Al dat papier (1999)
    • De zwarte zon, essays over zelfmoord en literatuur in de 20e eeuw (1999)
    • Geheime kamers (2000, roman)
    • Papieren levens (2001)
    • Zachtjes knetteren de letteren. Literaire anekdoten – herziene en uitgebreide editie (2001)
    • Stoffer en blik (2004)
    • De schemer daalt (2005)
    • Warme herfst (2005)
    • In het midden van de reis door mijn leven (2006, Oerboek)
    • De stilte bestaat uit zoveel antwoorden (2007, briefwisseling met Gerrit Komrij)
    • Datumloze dagen (2007, roman)

    Prijzen

    • 1967 Vijverbergprijs voor Joris Ockeloen en het wachten
    • 1980 Multatuliprijs voor Het verzonkene
    • 1981 Dr. Wijnaendts Franckenprijs voor Kladboek
    • 1982 Geuzenprijs voor gehele oeuvre
    • 1989 Ferdinand Bordewijk Prijs voor De zondvloed
    • 1993 Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre
    • 1995 Gouden Uil voor Vlaamse Leeuwen
    • 1995 Prix Fémina Etranger voor Rouge décanté (Bezonken rood)
    • 2001 Multatuli-prijs voor Geheime Kamers
    • 2001 AKO Literatuurprijs voor Geheime kamers
    • 2001 Gouden Uil voor Geheime kamers
    • 2001 Humo’s Gouden Bladwijzer voor Geheime kamers
    • 2007 Prijs der Nederlandse Letteren voor gehele oeuvre. Deze heeft hij echter geweigerd omdat het prijzengeld te laag zou zijn.
    • 2007 Zutendaalse cultuurprijs.
    • 2007 Tzum-prijs voor de beste literaire zin. De bekroonde zin luidt: ‘Al stond in het centrum van het huis een kachel als uit de machinekamer van een stoomschip en stortte ik deze vol kolen en hout uit het bos, ze verspreidde geen warmte, -zoals er ook van mij, volgestort met het witte water van de firma Bols, niet echt meer iets constructiefs uitging’
    • 2008 Gouden Uil voor Datumloze dagen.

    Bron: www.literaireprijzen.nl

    Benoemingen

    • 1992 Orde van de Vlaamse Leeuw
    • 1993 Ridder in de Belgische Kroonorde
    • 1998 Eredoctoraat Universiteit van Kessel-Lo

    Tekening: Marrien Bos, www.antisomer.nl.

  • Over de schrijver Bernlef

    Bernlef (pseudoniem voor Hendrik Jan Marsman, Sint Pancras, 14 januari 1937) is een veelzijdig en productief auteur. Hij schreef romans, verhalen, gedichten, toneelstukken en essays over uiteenlopende onderwerpen (jazz, literatuur, schilderkunst, fotografie). Als vertaler heeft Bernlef in het Nederlandse taalgebied verschillende Amerikaanse en Zweedse dichters geïntroduceerd, zoals Marianne Moore, Elizabeth Bishop en Tomas Tranströmer.

    Persoonlijk

    J. Bernlef werd als Hendrik Jan (Henk) Marsman op 14 januari 1937 geboren in Sint-Pancras in de buurt van Alkmaar. Zijn jeugd bracht hij door in Amsterdam-West, in 1949 verhuisde het gezin Marsman naar Haarlem. Terug in Amsterdam in 1954 kreeg de jonge Henk op de HBS Nederlands van de schrijver Rob Nieuwenhuys die hem en zijn vrienden Gerard Stigter en Gerard Bron (de latere K. Schippers en Gerard Brands) in contact bracht met het werk van schrijvers als Nescio, Elsschot en Carmiggelt. Na zijn eindexamen in 1955 studeerde hij zes maanden aan de faculteit voor politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en werkte vervolgens bij een boekhandel en een uitgeverij. Najaar 1956, vlak voor de Hongaarse opstand, moest hij in dienst.

    In 1957 verbleef hij drie maanden in het militaire hospitaal Austerlitz. In deze periode debuteerde hij met het onder zijn eigen naam geschreven verhaal Mijn zusje Olga dat later verscheen in het blad Hoos. Naar aanleiding van die publicatie maakte de recensent Hans van Straten een vergelijking met de dichter Marsman. Dat was voor de jonge Henk Marsman reden na te gaan denken over een pseudoniem. Op een boekhandelscursus had hij net gehoord over de middeleeuwse Friese bard Bernlef, van wie geen werk bewaard was gebleven. Die naam, voorafgegaan door de beginletter van zijn tweede voornaam, werd zijn pseudoniem.

    Na zijn diensttijd trok hij in 1958 naar Zweden, waar hij in de ban kwam van het weerbarstige landschap. Tot 1960 pendelde hij tussen Nederland en Zweden heen en weer. Definitief terug in Amsterdam werkte hij tot 1965, toen hij besloot van het schrijven te gaan leven, bij een grote importeur van boeken. In 1960 trouwde hij met Eva Hoornik met wie hij twee kinderen kreeg. Zijn vriend Gerard Stigter trouwde met Eva’s tweelingzusje.

    Met Stigter en Brands richtte hij het ‘tijdschrift voor teksten’ Barbarber op dat tot 1971 bestond. Door op allerlei manieren het alledaagse binnen de poëzie te halen, wilden de redactieleden de grenzen van het literaire doorbreken. Een vaste werkmethode daarbij was het gebruik van ready-mades: bestaande teksten (zoals reclamekreten en krantenknipsels) die, uit hun context gelicht, tot poëzie werden. In 1977 was hij betrokken bij de heroprichting van Raster, een blad waarvan hij geruime tijd redacteur was. Als criticus schreef hij daarnaast voor uiteenlopende kranten en tijdschriften, zoals De Groene Amsterdammer, De Gids en de Haagse Post.

    Een specifieke belangstelling heeft Bernlef altijd gehad voor de jazz, een onderwerp waar hij dan ook het nodige over geschreven heeft. Hij vervulde een bestuursfunctie bij de Stichting Jazz in Nederland.

    Bernlef schreef een tiental romans, hij vertaalde er enkele en hij schreef ook verhalend proza. Bernlef had al vele tientallen publicaties op zijn naam staan toen hij voor het eerst succes boekte bij een groot publiek. De publicatie van Hersenschimmen in 1984 betekende een doorbraak. In 2000 zei hij hierover in de Volkskrant: ‘Begin jaren tachtig had ik last van een writer’s block. Toen begon ik aan Hersenschimmen, een sprong in het duister, en ontdekte dat ik het drama in mijn werk kon toelaten zonder sentimenteel te worden, en zonder mezelf ontrouw te zijn. Het boek betekende de doorbraak naar een groot publiek, ja, maar het gaf vooral mijzelf een enorme vrijheid: weg met de theorie, alles kon en mocht voortgaan, als ik dat wilde.’

    Bron: www.kb.nl

    Bijzonderheden

    • Sinds 2002 publiceert J. Bernlef onder het pseudoniem Bernlef, dus zonder de initiaal J.
    • Bernlef heeft ook gepubliceerd onder de pseudoniemen Ronnie Appelman, J. Grauw, Cas den Haan, S. den Haan en Cas de Vries.
    • ‘Met een lift zakt hij de vergetelheid in.’ Deze zin – het begin van de roman De man in het midden (1976) – geeft in een notendop de thematiek weer die veel van het werk van J. Bernlef beheerst. Vergeten en vergetelheid, en onlosmakelijk daarmee verbonden verdwijnen en dood, zijn daarin kernbegrippen.

    Werken

    • Onder de bomen (1963, verhalen)
    • Wat zij bedoelen (1965, met K. Schippers, interviews)
    • Stukjes en beetjes (1965, roman, later uitgegeven als: Achterhoedegevecht)
    • De schoenen van de dirigent (1966, poëzie)
    • Paspoort in duplo (1966, roman)
    • De schaduw van een vlek (1967, verhalen)
    • Een cheque voor de tandarts (1967, met K. Schippers, documentaire)
    • Bermtoerisme (1968, poëzie)
    • De dood van een regisseur (1968, roman)
    • De verdwijning van Kim Miller (1969, verhalen)
    • Wie a zegt (1970, essays)
    • Hoe wit kijkt een eskimo (1970, poëzie)
    • Het verlof (1971, roman)
    • Rondom een gat (1971, een winterboek)
    • De maker (1971, roman)
    • Grensgeval (1972, poëzie)
    • Sneeuw (1973, roman)
    • Brits (1974, poëzie)
    • Meeuwen (1975, roman)
    • De man in het midden (1976, roman)
    • Zwijgende man (1976, poëzie)
    • Gedichten 1960-1977 (1977, poëzie)
    • Anekdotes uit een zijstraat (1978, verhalen)
    • Stilleven (1979, poëzie)
    • Nachtrit (1979, toneel)
    • De ruïnebouwer (1980, verslag en schouwspel)
    • De kunst van het verliezen (1980, poëzie)
    • Onder ijsbergen (1981, roman)
    • Alles teruggevonden/niets bewaard (1982, poëzie)
    • Hersenschimmen (1984, roman, in 1987 bewerkt tot film en in 2006 tot theaterstuk)
    • Verschrijvingen (1985, prozagedichten)
    • Wolftoon (1986, poëzie)
    • Publiek geheim (1987, roman)
    • Drie eilanden (1987, een bundel waarin opgenomen de romans sneeuw, meeuwen en onder ijsbergen)
    • Gedichten 1970-1980 (1988, poëzie)
    • Geestgronden (1988, poëzie)
    • Vallende ster (1989, novelle)
    • Achterhoede gevecht (1989, een bewerking van het in 1965 als prozadebuut uitgegeven Stukjes en beetjes)
    • De noodzakelijke engel (1990, poëzie)
    • Doorgaande reizigers (1990, verhalen)
    • Verborgen helden (1991, bloemlezing)
    • Ontroeringen (1991, essays)
    • De witte stad (1992, roman)
    • De herinneringen zien mij (1992, integrale vertaling van het werk van Tranströmer)
    • Niemand wint (1993, poëzie)
    • Eclips (1993, roman)
    • Schiet niet op de pianist. Over jazz (1993, essays)
    • Vreemde wil (1994, poëzie)
    • Esther (1994, toneel)
    • Alfabet op de rug gezien (1995, poëzievertalingen)
    • Cellojaren (1995, verhalen)
    • Achter de rug. Gedichten 1960-1990 (1997)
    • Verloren zoon (1997, roman)
    • Schijngestalten (1997, bevat tevens Hersenschimmen, Vallende ster en Eclips)
    • Onder ijsbergen (1997, herduk als Grote Lijsters 1997 Nr.1, literaire reeks voor scholieren)
    • De losse pols (1998, essays)
    • Aambeeld (1998, poëzie)
    • Meneer Toto-tolk (ter gelegenheid van de jaarwisseling 1998-1999)
    • Haalt de jazz de eenentwintigste eeuw? (1999, essays)
    • Tindeman’s Dilemma (1999, verhalen)
    • Boy (2000, roman)
    • Kokkels & Stenen spoelen (2000, verzen & verhalen)
    • Bernlefs beste volgens Bernlef (2000, verhalen)
    • Bagatellen voor een landschap (2001, gedichten)
    • Tegenliggers (2001, portretten en ontmoetingen)
    • Verbroken zwijgen (2002, verhalen)
    • Buiten is het maandag (2003, roman)
    • Kiezel en traan (2004, gedichten)
    • De onzichtbare jongen (2005, roman)
    • Een jongensoorlog (2005, roman, een door de schrijver zelf herziene versie van de eerdere romans Stukjes en beetjes en Achterhoedegevecht)
    • Hoe van de trap te vallen (2006, jazzverhalen)
    • Hersenschimmen (2006, leesclubeditie)
    • Op slot (2007, roman)
    • Het begin van tranen (2008, verhalen)
    • De pianoman (2008, Boekenweekgeschenk)
      Bronnen: www.biblioweb.nl en www.kb.nl

    Prijzen

    • 1959 Reina Prinsen Geerligs-prijs voor Kokkels
    • 1962 Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor Morene
    • 1964 Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs Dit verheugd verval
    • 1964 Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor het gedicht ‘Een dode hagedis’ in de bundel Dit verheugd verval.
    • 1977 Vijverberg-prijs voor De man in het midden
    • 1984 Constantijn Huygens-prijs voor gehele oeuvre
    • 1987 AKO-literatuurprijs voor Publiek geheim
    • 1989 Diepzee-prijs voor Hersenschimmen
    • 1994 P.C. Hooft-prijs voor gehele oeuvre
      Bron: www.literaireprijzen.nl

    Tekening: Martien Bos, www.antisomber.nl

     

  • Colette, een begaafde ‘Vagabonde’

    Colette overleed 52 jaar geleden maar haar naam duikt steeds weer op. De Franse schrijfster Sidonie-Gabriëlle Colette (1873 – 1954) was bij leven slechts bekend met haar achternaam.

    In 2003 verscheen er een film over haar leven met als saillant detail dat actrice Marie Trintignant kort na het afronden van de opnames door haar geliefde vermoord werd. Hoe tragisch ook, het bracht de film extra publiciteit en Colette kreeg meer aandacht dan verwacht. Nederland bleef niet achter. Onlangs zijn er twee vertalingen uitgegeven en de actrice Josée Ruiter is tot eind maart 2007 op tournee met de monoloog Colette.

    Er is veel bekend over leven het leven van Colette. Haar rustige jeugd op het platteland, de sterke band met haar moeder Sido en de turbulentie die vanaf haar twintigste door haar leven giert. Ze trouwt met de vijftien jaar oudere schrijver, musicus en playboy Henri Gauthier-Villars (‘Monsieur Willy’). Ze zet de eerste stappen in de wereld van bohémiens en artiesten en begint met schrijven. Onder de naam Willy Colette publiceert ze in drie jaar tijd vier romans over het schoolmeisje ‘Claudine’.

    De Claudine-serie bestaat uit vier delen en handelt over de onbetamelijke avonturen van deze opgroeiende tiener en adolescent. De titels doen nu wat suffig aan: Claudine à l’école, Claudine à Paris, Claudine en ménage en Claudine s’en va. Het wordt een enorm succes in Frankrijk en de merchandising is niet van de lucht: een kledinglijn, zeep, parfum en zelfs een ‘Claudine’-musical. Het verhaal gaat dat Villars zijn vrouw flink onder de knoet had en zelfs opsloot om haar tot schrijven te dwingen.

    n 1906 verlaat Colette Villars, en start ze een theatercarrière waar ze haar borsten ontbloot en copulatiepantomimes ten beste geeft. Ze heeft relaties met mannen en vrouwen van alle leeftijden en met name haar lesbische relatie met Marquise de Belbeuf (‘Missy’) haalt de schandaalpers. In het boek La Vagabonde (De Zwerfster) uit 1910 doet ze verslag van deze periode.

    In 1912 trouwt ze met Henri de Jouvenel des Ursins, de uitgever van de Franse krant ‘Le Matin’, en na hun scheiding kiest ze in 1935 voor de zestien jaar jongere Maurice Goudeket. Deze laatste schreef een aandoenlijk boekje over hun leven samen.

    Uit het huwelijk met Jouvenel wordt tot Colettes grote schrik een dochter geboren. Kinderen! Wat moet je daar nou mee? Ze wil niets met Colette Jouvenel, ook wel Bel-Gazou genoemd, te maken hebben. De moeder-dochterrelatie is complex en wordt prachtig neergezet in de monoloog door Josée de Ruiter.

    In de jaren twintig stijgt haar succes naar grote hoogten. Ze bevindt zich in de kringen rond de kunstenaar Jean Cocteau, met wie ze een goede vriendschap ontwikkelt, en laat zich inspireren door moderne poëzie en schilderkunst. Ze stort zich weer op het schrijven en haar boeken vliegen de winkels uit. Haar manier van schrijven is speels en lyrisch en ze weet fictie en werkelijkheid goed met elkaar te vermengen. In de novelle Het Zieke Kind laat ze hallucinaties vloeiend afwisselen met het leven van alledag. Ook haalt ze (voor die tijd) gedurfde trucs uit.

    In haar beroemdste boek Chèrie (1920) stoeit ze met stereotypen en genderrollen.
    Al haar fictie wordt bevolkt door personages die zich aan de buitenranden van de maatschappij bevinden: homoseksuelen, biseksuelen, gigolo’s, courtisanes, prostituees en artiesten. Waar ze vooral om geroemd wordt, is het feit dat ze zich goed weet te verplaatsen in het liefdesleven van vrouwen. Haar scherpe en rake karakterschetsen worden alom geprezen. Terugkerende thema’s in haar werk zijn: liefde, de natuur, seks, eten en dieren, met in het bijzonder poezen.

    Later in de twintiger jaren legt ze zich toe op autobiografisch werk en schrijft ze met een aan verheerlijking grenzende liefde over haar kinderjaren op het Franse platteland. In Het Huis van mijn Moeder (1922) en Sido (1930) staat Colettes vroegere gezinsleven centraal en schrijft ze beeldend over haar ouders, haar zus en haar twee broers, maar ook over haar innig geliefde tuin en de ronddolende dieren. Door haar rol in society-kringen, maar vooral op grond van haar prachtige romans, wordt ze in 1927 Frankrijks belangrijkste vrouwelijke auteur genoemd.

    Colette blijft maar schrijven en de lijst met romans wordt langer en langer. Mede door de veranderende tijdgeest nemen de schandalen af en is ze een auteur met aanzien. Tijdens de eerste Wereld Oorlog is ze journaliste aan het front. In 1953 wordt ze tot grootofficier benoemd in het Légion d’Honneur. Ook wint ze veel literaire prijzen en verkeert ze in dezelfde kringen als de beroemde Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein (1874 – 1946). Een aantal van haar boeken wordt omgewerkt tot toneelstuk of musical.

    Ook in Nederland heeft Colette haar sporen nagelaten. Niet alleen werden haar boeken vertaald, ze inspireerde ook haar collega en tijdgenoot Carry van Bruggen (1881 – 1932). In haar roman Eva (1927) speelt Claudine (het schoolmeisje uit de reeks van Colette) een grote rol. Niet alleen leest en citeert Eva Claudine à ménage, maar er zijn ook inhoudelijke raakvlakken te vinden. Zo onderzoeken beide protagonisten hun seksuele voorkeur en gaan ze liefdesrelaties aan met seksegenoten.

    Dat het boek Eva er is, is misschien wel dankzij Colette, en is de eerste Nederlandse roman met een biseksuele hoofdpersoon. Ook de vertelperspectieven in beide romans komen overeen: een alwetende verteller die de gedachten en gevoelens van de vrouwelijke hoofdpersonen beschrijft. De Claudine-serie is in het Nederlands vertaald, maar niet meer verkrijgbaar in de boekhandel.

    In 1950 verschijnt haar verzameld werk in vijftien banden en de laatste jaren leidt Colette een rustig leven met haar Maurice in het Parijse Palais Royal. Tussen haar en haar dochter Bel-Gazou is het gelukkig goed gekomen. In 1954 overlijdt ze op 81 jarige leeftijd en krijgt als eerste vrouw in de Franse geschiedenis een staatsbegrafenis.

    Hoe is het mooier af te sluiten dan met een fragment uit het gedicht ‘Père Lachaise, oktober’ van de Nederlandse dichteres Esther Blom. Ook in de eenentwintigste eeuw weet Colette haar vakbroeders en zusters nog steeds te inspireren.
    Ik zoek het graf van Colette
    die oud werd en mooi bleef
    en van het leven wist. Een poes loopt
    voor me uit, alsof ze er hoort.’