• W.G. Sebald

    De geschiedenis van het vergeten is nog veel minder onderzocht dan de geschiedenis van het herinneren.

    Winfried Georg ‘Max’ Sebald (18 mei 1944 – 14 december 2001) studeerde Duitse taal- en letterkunde in Freiburg, later ook in Fribourg (Franstalig Zwitserland) en in Manchester. In 1970 verliet hij Duitsland ? een vlucht uit het naoorlogse klimaat van onverdraaglijke verdringing, brutale normalisering en onvermogen om te rouwen ? om zich permanent in Norwich (Groot-Brittannië) te vestigen. Daar gaf hij les aan de Universiteit van East Anglia, en werd hij in 1987 professor Europese Letterkunde. Ondanks zijn jarenlange verblijf in Engeland bleef hij een oorspronkelijk Duits schrijver, al werkte hij intensief samen met zijn Engelse vertalers. In zijn gedichten, essays en romans heeft Sebald een sterke persoonlijke stijl en thematiek ontwikkeld. De kern van zijn werk ligt in het vermengen van fictie en werkelijkheid, in de spanning tussen herinneren en vergeten, binnen de context van de Tweede Wereldoorlog en de holocaust. De gefictionaliseerde biografieën van ? meestal, maar niet altijd ? joodse ballingen die ontsnapten aan de gruwelen van de holocaust worden verweven met de autobiografie van een al even ontheemde verteller, die in dialoog treedt met de genoemde ballingen en die sterke gelijkenissen vertoont met W.G. Sebald. Via minutieuze beschrijvingen en opsommingen, foto’s en andere stille getuigen wordt een documentair karakter opgebouwd, dat echter meteen wordt ondermijnd door een complexe textuur van literaire verwijzingen. De moeilijkheid van het herinneren, de onvermijdelijke fictionalisering van het verleden, de subversieve kracht van toevallige Verbindungen en de onmogelijkheid om de horror van de holocaust en de Kindertransporte recht in de ogen te kijken zijn even tekenend voor zijn oeuvre als het uitputtende onderzoeksproces dat aan elk van zijn boeken voorafgaat: een poging om de geschiedenis die zich in tal van objecten (foto’s, documenten) heeft gecondenseerd te vertellen.

    W.G. Sebald won verschillende prijzen, zoals de Los Angeles Times Book Award voor fictie, de Berlijn Literatur-prijs en de Literatur Nord-prijs. In 2001 kwam zijn laatste boek uit: Austerlitz, dat in 2003 onder dezelfde titel in het Nederlands verscheen. In december van datzelfde jaar kwam hij om bij een auto-ongeluk. Voor Austerlitz ontving hij in 2002 postuum de National Book Critics Circle Award.

    Titels in het Nederlands:
    Melancholische dwaalwegen (Van Gennep, 1991)
    De Emigrés: vier geïllustreerde verhalen (Van Gennep, 1993)
    De ringen van Saturnus: een Engelse pelgrimage (Van Gennep, 1996)
    Austerlitz (De Bezige Bij, 2003)
    De natuurlijke historie van de verwoesting (De Bezige Bij, 2004)

    Het februarinummer van het literaire tijdschrift DWB (Dietsche Warande & Belfort, http://www.dwb.be/) bevat een uitgebreid themagedeelte over W.G. Sebald, samengesteld door Bart Philipsen en Jan Ceuppens. Naar aanleiding van dat nummer wijdde radiozender Klara op 26 februari 2005 een aflevering van het programma De Harde Schijf aan Sebald. De aflevering, met een heruitzending van het interview dat Jean-Pierre Rondas in 2001 had met Sebald over Melancholische Dwaalwegen, is integraal te beluisteren op http://www.klara.be/html/fs_audio.html. Meer audiofragmenten, over Austerlitz en De natuurlijke historie van de verwoesting, zijn te vinden op boeken.vpro.nl. In het maartnummer van Raster verschijnen enkele van zijn gedichten, vertaald door Wim Brands. En op 8 april 2005 gaat in het Kaaitheater in Brussel (http://www.kaaitheater.be/) De Emigrés in première, een theaterbewerking van Sebalds gelijknamige boek door Rudi Meulemans en De Parade. Een bespreking van de DWB-aflevering en een verslag van de voorstelling in het Kaaitheater verschijnen later op deze site.

    Bronnen:
    http://www.dwb.be/
    boeken.vpro.nl

    KS

  • Jan Wolkers

    Jan Wolkers groeit op als derde kind in een streng gereformeerd, kinderrijk (11 kinderen) gezin, waarin de vader de dominerende figuur was. Op school gaat het niet goed, hij wordt in 1938 van de MULO afgestuurd. Hij gaat aan het werk in de kruidenierswinkel van zijn vader, later als o.a. tuinman en dierenverzorger (aan de Leidse Universiteit). Op 1 oktober 1940 wordt Jan Wolkers ingeschreven op de avondtekenschool in Leiden, ‘Ars Aemula Naturae’. In de Tweede Wereldoorlog moet hij onderduiken.
    Op 30 augustus 1944 sterft zijn oudere broer (Gerrit Johannes) aan difterie. Hij bewonderde deze broer, omdat hij tegen hun vader durfde te protesteren. In 1946 schrijft hij zich in aan de Academie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. In 1947 trouwt Jan Wolkers (voor de eerste keer). Zijn vrouw Sibylle was eerst bevriend geweest met Hans Warren. Warren beschrijft haar én Jan Wolkers uitgebreid in zijn ‘Geheim dagboek’ over die jaren.
    Na de Tweede Wereldoorlog studeert Jan Wolkers beeldhouwkunst in Amsterdam (1949-1953), Den Haag en Straatsburg. In 1956 krijgt hij voor zijn beeld Jongen met haan de Sint-Lucas medaille. Ook in 1956 krijgt hij zijn eerste belangrijke opdracht: het watersnoodmonument in Kruiningen. Jan Wolkers krijgt in 1957 een beurs om stage te kunnen lopen bij Zadkine in Parijs. Daar begon hij ook met het schrijven van verhalen.
    In 1958 trouwt Jan Wolkers voor de tweede keer. Jan Wolkers debuteert in 1961 met de verhalenbundel Serpentina’s petticoat. Van 17 tot 24 juli 1971 zit hij, op uitnodiging van de VARA, op Rottumerplaat. Er is via Willem Ruis dagelijks radiocontact. De week voor hem zat Godfried Bomans op Rottumerplaat. Door alle ‘deining’ rond zijn literaire werk, blijft zijn beeldende werk steeds wat minder belicht. Vooral zijn vroegste werk heeft een sterk autobiografische inslag. Hier en daar probeerden plaatselijke politici de vertoning tegen te houden. Ook als beeldend kunstenaar is Jan Wolkers succesvol. Bekend is zijn Auschwitzmonument in Amsterdam. Bij de urn met as van slachtoffers uit Auschwitz heeft Wolkers gebroken spiegels neergelegd: ‘Voorgoed kan op die plaats de hemel niet meer ongeschonden weerspiegeld’. 
    Jan Wolkers woont sinds 1980 met vrouw en kinderen op Texel. 

    Bibliografie:

    1961 Serpentina’s Petticoat (verhalen)
    1962 Kort Amerikaans (roman)
    1963 Gesponnen suiker (verhalen)
    1963 De Babel (toneel)
    1963 Een roos van vlees (roman)
    1964 De hond met de blauwe tong (verhalen)
    1965 Terug naar Oegstgeest (roman)
    1967 Horrible Tango (roman)
    1969 Turks fruit (roman)
    1971 Groeten van Rottumerplaat (autobiografische documentaire)
    1971 Werkkleding (autobiografische documentaire)
    1974 De walgvogel (roman)
    1975 Dominee met strooien hoed (novelle)
    1977 De kus (roman)
    1979 De doodshoofdvlinder (roman)
    1980 De perzik van onsterfelijkheid (roman)
    1981 Alle verhalen
    1981 Brandende liefde (roman)
    1982 De junival (roman)
    1983 Gifsla (roman)
    1984 De onverbiddelijke tijd (roman)
    1985 22 sprookjes, verhalen en fabels
    1988 Kunstfruit en andere verhalen
    1989 Jeugd jaagt voorbij
    1991 Tarzan in Arles (essays)
    1991 Wat wij zien en horen (verhalen, samen met Bob en Tom Wolkers)
    1994 Rembrandt in Rommeldam (essays)
    1995 Zwarte Bevrijding (Boekenweekessay)
    1996 Icarus en de vliegende tering
    1997 Mondriaan op Mauritius (essays)
    1998 Terug naar Jan Wolkers (bevat: Kort Amerikaans, Een roos van vlees en Terug naar Oegstgeest)
    1998 Het kruipend gedeelte des aardbodems (rede)
    1999 Omringd door zee (columns)
    1999 De spiegel van Rembrandt
    2000 Jaargetijden
    2000 Wolkers in Wolkersdorff
    2004 Wintervitrines (gedichten)
    2004 De achtertuin (met Bob en Tom Wolkers)
    2005 Zomerhitte (Boekenweekgeschenk 2005)

    Jan Wolkers overleed op 19 oktober 2007.

  • K. Michel

    'Taalfilosofisch maar niet gortdroog; muzikaal, geestig, lyrisch, parlandistisch,' zei Joost Zwagerman ooit over K. Michel, onze Auteur van de Week. K. Michel is het pseudoniem voor de op 13 augustus 1958 te Tilburg geboren Michael Maria ('Michel') Kuijpers. Hij studeerde aan het Sint Odulphuslyceum en daarna vanaf 1978 filosofie in Groningen en Amsterdam. Na zijn studie gaf hij samen met Arjen Duinker de literaire circulaire 'AapNootMies' uit. K. Michel debuteerde in 1989 met de gedichtenbundel Ja! Naakt als de stenen. Hij werkte mee aan de bundel Openbaringen. Zeventien jonge dichters over het cruciale gedicht (1989). In 1990 verscheen zijn uit het Spaans vertaalde keuze van gedichten van de Mexicaanse letterkundige Octavio Paz, onder de titel Het vuur van iedere dag. K. Michel was een van de vijf genomineerde debuterende dichters voor de C. Buddingh'-prijs (1990, overigens gewonnen door Nachoem M. Wijnberg). In 1992 publiceerde hij de verhalenbundel Tingeling & Totus, die in 1999 door het Onafhankelijk Toneel werd bewerkt tot een toneelvoorstelling. Voor zijn tweede gedichtenbundel Boem de nacht (1994) kreeg hij de Herman Gorterprijs en zijn derde bundel Waterstudies (1999) werd bekroond met de VSB-poezieprijs en de Jan Campertprijs. Naast zijn Paz-vertalingen heeft K. Michel ook poëzie vertaald van Russell Edson en Michael Ondaatje. Hij is redacteur van het literaire tijdschrift Raster.
    Zijn laatste bundel 'Kleur de schaduwen'verscheen in 2004.

    Nee en ja

    Nee en ja er is altijd

    meer dan een keus

    En voor je iets doet (of laat)

    kun je altijd tot basta tellen

    Een ruzie vraagt twee meningen

    een kus vier lippen

    een lichaam vijf liter bloed

    Om regen te maken, een boom

    een huis. muziek, een droom

    zijn meerdere elementen vereist

    En in de sporen van schichtige dieren

    rond, een modderige drinkplaats

    schitteren 's nachts ontelbare sterren

    Voor iemand die slechts denkt

    met de één (en niet de ander)

    is dat getal een hamer

    en is de hele wereld een spijker

    uit Waterstudies (1999)

  • Leonard Nolens

     Maar deze stem is van nature kapotte gitaar, sublieme wees,
                ambteloze hoer.
    In het brutaal bewind van bladerval en retoriek maakt zij de
    eenzaamheid publiek en gangbaar.
    Zij is de puberale coloratuur, de achterlijke wijsheid van het hart,
               verwant aan de vacante ziel van een zwakzinnige.
    Van die stem ben ik de zieke prothese.
    En de woorden in die stem ?
    Dat woord gedijt niet in de koppen van kranten en knappe
                professoren, maar in de korte kreet van kraamkamers en onder
                de blauwe voeten van Eskimo’s die hun adem als lange jassen
                over de aarde gooien.
    Het woord gedijt in de zaadflank van weerbarstige moedelozen.
    Bleek en pafferig is het woord dat wegdrijft in trams en zijwegen.
    Nergens de pezige recitatieven van de hoop,
    Nergens de schreeuw die de verdrietige vangstangen van de
    verveling dynamiteert,
    Nergens een zachte zachte tong die beenderen verbrijzelt.
    Belachelijk smal is de spannende ring der lippen waarmee geen
                levensadem wordt geblazoeneerd
    Waaruit geen bloed gebeten wordt om de stem te bevruchten.
    Niet de psychiaters die de waanzin beheren
    En niet de ranzige predikanten van syndicaten en Radio Vaticano,
    Maar enkelingen alléén hangen hun keel als een fuik in de wind en
                weten hun lichaam omgedanst in breed musicerende
                bevolkingslagen
    Klef en flauw is het fugato van geliefden die hun geslacht opsluiten
                in een vogelkooi van zweet.
    Hun liefde staat genoteerd in beddelakens en kindergeld.
                                                                            (uit: ‘Zachte tong’ in Incantatie, 1977)

    Al in Incantatie, een bundel uit 1977, werpt Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947) de verschillende, steeds in elkaar hakende thematische lijnen uit die zich in zijn hele dichterschap blijven manifesteren: de complexe verhouding tussen individu en wereld, tussen poëzie en leven, de spanning tussen mens en dichter, tussen ik en jij, de drang van de bewuste eenzaat naar communicatie, naar de ander, de liefde. Die complexiteit uit zich in een nu eens pessimistische, dan weer eerder melancholische blik van de mens Leonard Nolens op de buitenwereld, ook al aanwezig in Nolens’ derde bundel, Twee vormen van zwijgen (1975). Hij leeft ‘in het opgefokte brein van deze eeuw, als een verdwaalde lob, een denkfout, een bedrieglijke bewoording van het eeuwig nu’. Nolens maakt deel uit van die eeuw, die wereld, maar kiest, in tegenstelling tot anderen, als dichter, voor de weg van de taal die in poëzie tot zelfrealisatie kan leiden. Terwijl de buitenwereld zich in het dagelijkse leven zo exclusief met één bepaalde, ingeslagen weg bezighoudt, wil Nolens in zijn gedichten verschillende identiteiten scheppen, die evenveel wegen representeren en die over elkaar gelegd misschien een kern onthullen, een deel van een verworven identiteit.

    Voor Twee vormen van zwijgen schreef Leonard Nolens nog de bundels Orpheushanden (1969) en De muzeale minnaar (1973). Beide bundels werden gepubliceerd tijdens zijn redacteurschap bij het experimentele tijdschrift Labris, waartoe onder anderen Marcel van Maele, Lucienne Stassaert en Frans Denissen behoorden. Nolens kon zich echter nooit volledig identificeren met het Labris-programma en liet ook zijn gedichten uit die periode niet mee opnemen in zijn verzamelbundels Hart tegen hart en Laat alle deuren op een kier.

    De brede zinnen die Nolens in zijn eerste bundels neerschrijft en die een volle zwaarmoedigheid dragen, neigen meer naar proza ? volgens Nolens zelf naar een vorm die vanuit een soort preliterair besef wordt geschapen, een vorm die nog geen rekening moet houden met de scheiding tussen poëzie, filosofie, religieuze teksten of geschiedschrijving. Die wijde vormgeving gaat Nolens uiteindelijk ombuigen naar een wat geconcentreerdere taal, een nauwgezette constructie die de talloze paradoxen in zijn werk subtiel kan verwoorden. Zijn gedichten blijven grofweg dezelfde thematische lijnen beschrijven, maar dijen tegelijkertijd uit naar een breder kader. De melancholie en de furor poeticus van de dichter gaan steeds meer vergezeld van een zekere inhoudelijke lichtheid en redelijkheid. Het absolute, bezwerende maakt plaats voor een soberder, parlando-achtige stijl. Naast de mens en de dichter Nolens, en niet noodzakelijk los daarvan, treden in Nolens’ poëzie vaak vrouwen (niet zelden zijn moeder) op de voorgrond. In zijn liefdespoëzie, zeker een grote reden voor zijn succes als dichter, wordt de relatie met die vrouwen niet onproblematisch weergegeven. Nolens’ spel met de voornaamwoorden, zijn verschillende identiteiten, vormen van denken en manieren van leven, brengen snel andere componenten binnen in de getekende verhoudingen. Andere vaak voorkomende thema’s zijn de jeugd en het ouder worden, familie, het leven en de dood.

    Nolens schrijft, vanuit een grote romantische traditie over de mens, de dichter, het leven en de literatuur, en vooral: over zichzelf. Zijn gedichten hebben voor de een een sterk bezwerend karakter, worden een reeks rituele woorden die het ware, eenzame dichterschap en het echte leven oproepen, beelden van de furieuze pogingen van een man, een dichter om zichzelf zin te geven in een al te banaal leven; voor de ander vormen ze een kwelling, om steeds weer naar de verzuchtingen van die ene persoon te moeten luisteren, om steeds in die compromisloze zwaarmoedigheid te verkeren waarin geen greintje ironie te bespeuren valt. Zijn poëzie wordt zeker niet eenzijdig enthousiast onthaald. Zijn uithalen naar de academische dichters die gedichten zo lastig en theoretisch maken, stoten op eenzelfde verzet tegenover Nolens’ al te autobiografische navelstaren. Feit is dat Leonard Nolens zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld tot een van de belangrijkste Vlaamse dichters. Een dichter, bovendien, die een grote groep lezers heeft weten te overtuigen van de kracht van poëzie.

    Leonard Nolens ontving tal van literaire prijzen. De muzeale minnaar werd bekroond met de Prijs voor het beste literaire debuut in 1974, Twee vormen van zwijgen werd bekroond met de Arkprijs van het Vrije Woord en de Poëzieprijs van de provincie Antwerpen, voor Alle tijd van de wereld. Een poëtica ontving Nolens de driejaarlijkse Hugues C. Pernathprijs en de Poëzieprijs van de provincie Limburg, voor Vertigo werd hem de tweejaarlijkse poëzieprijs van De Vlaamse Gids toegekend… Voor Liefdes verklaringen, wellicht zijn populairste bundel tot nu toe, ontving Nolens de Jan Campertprijs 1991 en de driejaarlijkse Staatsprijs 1992. In 1997 ontving hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele werk.

    Naast zijn vele bundels schreef hij nog vier dagboeken, die in sterke mate dwarsverbanden vertonen met zijn gedichten. Zijn poëzie werd vertaald in het Frans, Duits, Italiaans en Pools. Een voorlopige biografie die enkel uit zijn naam en zijn werken zou mogen bestaan, werd in 2004 gepubliceerd onder de titel Laat alle deuren op een kier.

    Bibliografie
    Orpheushanden (gedichten, 1969)
    De muzeale minnaar (gedichten, 1973)
    Twee vormen van zwijgen (gedichten, 1975)
    Incantatie (gedichten, 1977)
    Alle tijd van de wereld. Een poëtica (gedichten, 1979)
    Hommage (gedichten, 1981)
    Vertigo (gedichten, 1983)
    De gedroomde figuur (gedichten, 1986)
    Geboortebewijs (gedichten, 1988)
    Stukken van mensen. Dagboek 1979-1982 (1989)
    Liefdes verklaringen (gedichten, 1990)
    Hart tegen hart. Gedichten 1975-1990 (1991)
    Tweedracht (gedichten, 1992)
    Blijvend vertrek. Dagboek 1983-1989 (1993)
    Honing en as (gedichten, 1994)
    De vrek van Missenburg. Dagboek 1990-1993 (1995)
    En verdwijn met mate (gedichten, 1996)
    De liefdesgedichten van Leonard Nolens (1997)
    Een lastig portret. Dagboek 1994-1996 (1998)
    Hart tegen hart. Gedichten 1975-1996 (1998)
    Voorbijganger (gedichten, 1999)
    Manieren van leven (gedichten, 2001)
    Derwisj (gedichten, 2003)
    Laat alle deuren op een kier. Verzamelde gedichten (2004)

    Bronnen
    dbnl.org
    poetry.nl
    vpro.nl
    ergopers.be

    Kurt Snoekx

  • Moses Isegawa

    Sommige ochtenden had ik het gevoel dat mijn maag vol zat met claustrofobe ratten die wanhopig vochten om door mijn keel of mijn rectum naar buiten te komen. Ze woelden, zwiepten en beukten als een zwarte mamba die in een zachte doek gevangen zat. Vandaag waren ze suffig, alsof ze de hele nacht hadden gefuifd en te duf waren om rond te hollen of zelfs maar even te bijten. Zo te zien werd het een goede dag, misschien wel een heel goede dag. Ik duimde ervoor.
    [uit: Voorbedachte daden]

    Moses Isegawa werd in 1963 geboren in Oeganda. Zijn levensloop vertoont veel overeenkomsten met die van de hoofdpersoon in zijn roman Abessijnse kronieken: ook hij woonde de eerste jaren bij zijn opa en oudtante en later bij het eigen gezin met een tirannieke moeder, ook hij kwam terecht op een seminarie en ook hij vertrok naar Nederland. Bij hem thuis hadden ze veel romans en op zijn vijftiende wist hij dat hij schrijver wilde worden. Op het seminarie kwam hij in contact met nog meer boeken. Hij viel op bij de lessen Engels en werd aangemoedigd om door te gaan met schrijven. Het schrijverschap bleek echter moeilijker te zijn dan hij als jongen vermoedde. Vruchteloos probeerde hij in Oeganda te publiceren. Gedurende zijn seminarietijd schreef hij al stukjes voor het tijdschrift BijEEN, daarna was Isegawa vier jaar geschiedenisleraar.

    Na een bezoek aan Oeganda nodigde een redacteur van dat tijdschrift BijEEN  hem uit naar Nederland te komen. In 1990 maakte hij de overstap op een toeristenvisum. Hij nam zijn intrek in de flat van de redacteur in Beverwijk, vastbesloten zich door niets te laten dwarsbomen in zijn ambitie een roman te schrijven. Om toch iets achter de hand te hebben als hij daarin onverhoopt zou falen, volgde hij nog wel een cursus boekhouden. Jarenlang kreeg hij echter geen letter van de gedroomde roman op papier. Pas na een jaar of vier tobben stond hem plotseling het stramien daarvan voor ogen: hij zou min of meer zijn eigen verhaal vertellen. En dat van zijn familie en van zijn land; het door het terreur en burgeroorlog geteisterde Oeganda

    In 1998 verschijn Abessijnse Kronieken. Het boek bevat verhalen over de familie van de hoofdpersoon Moegezi, over de geschiedenis van Oeganda, over de regimes van de dictators Obote en Amin, over de guerrillaoorlog die het land verscheurde en over het opgroeien van een jongeman te midden van al deze gebeurtenissen. In 1999 verovert het boek het buitenland, negen landen brengen het boek in vertaling. Met Slangenkuil had hij opnieuw groot succes. In 2004 verscheen Voorbedachte daden.

    In Slangenkuil keert Bat Katanga, na in Cambridge ter bestrijding van zijn impulsiviteit wiskunde en economie te hebben gestudeerd, terug naar zijn vaderland Oeganda. In een helikopter heeft hij zijn eerste en enige sollicitatiegesprek met generaal Samson Bazooka, minister van Energie en Communicatie onder het regime van Idi Amin. Bazooka heeft hem nodig om orde op zaken te stellen in het ministerie. Maar deze selfmade man die intellectuelen wantrouwt, zet zijn voormalige liefje Victoria op Bat om hem in de gaten te houden.
    Bat maakt een bliksemcarrière. Hij leidt het leven van 'the rich and the famous' en is gelukkig met Victoria, die al snel verliefd wordt op Bat, haar opdracht vergeet en hem een dochter schenkt. Wanneer Bats liefde voor Victoria bekoelt, ruilt hij haar argeloos in voor een andere vrouw. In een dictatuur is echter niets zo wankel als succes en geluk. In de slangenkuil liggen niet alleen de lakeien van Amin te kronkelen, maar ook Victoria, want een vrouw die gehard is in de jungle van een militair regime, laat zich niet eenvoudig aan de kant zetten. 

    In Voorbedachte daden beschrijft Isegawa een maatschappij die bevangen is door angst voor terreur. Pingeland, zo noemt Dismas het rijke land, dat veel op Nederland lijkt en hem ooit als vluchteling gastvrij ontving. Sinds Blaatpan minister-president van Pingeland is voelt hij zich er steeds minder thuis. Het sociale klimaat wordt grimmiger, asielbeleid en terrorisme bepalen de politieke agenda. Dismas doet er vanuit zijn flat in een rustige nieuwbouwwijk ogenschijnlijk afstandelijk verslag van, maar in werkelijkheid gaat in hem de aanstichter schuil van een reeks aanslagen.

    Bibliografie
    2004  Voorbedachte daden
    2001  Twee chimpansees
    1999  Slangenkuil
    1998  Abessijnse kronieken

    bronnen:
    De Bezige Bij
    Biblioweb
    boeken.vpro.nl

     

     

     

     

     

  • Michel Houellebecq

    Michel Houellebecq wordt geboren op 26 februari 1958 op La Réunion. Geen van zijn ouders interesseert zich voor de kleine Michel en op 6-jarige leeftijd wordt hij aan zijn grootmoeder toevertrouwd. Haar naam neemt hij later over als pseudoniem.

    Twee jaar na de dood van zijn grootmoeder in 1978 studeert hij af als landbouwingenieur en trouwt in datzelfde jaar. Een jaar later krijgt hij een zoon, loopt zijn huwelijk op de klippen en belandt hij in een psychiatrische inrichting. Houellebecq verwerkt sterk autobiografische elementen in zijn romans, wie Elementaire Deeltjes heeft gelezen zal bovenstaande thema’s herkennen.

    In het begin van zijn literaire carrière houdt hij zich vooral bezig met poëzie en publiceert een aantal gedichten in de Nouvelle Revue de Paris. Verder schrijft hij een bibliografie van Howard P. Lovecraft, Contre le monde, Contre la vie, en de dichtbundel Rester vivant. In 1994 verschijnt zijn eerste roman Extension du domaine de la lutte, relatief succesvol. De grote doorbraak volgt in 1998 met de roman Elementaire deeltjes, waarvoor hij de Prix Novembre krijgt. In het jaar 1999 trouwt hij weer wordt zijn eerste roman verfilmt. In 2002 zorgt de publicatie van zijn derde roman, Platform, voor ophef.

    Houellebecq heeft inmiddels een cultstatus bereikt, geloofd en gehaat vanwege zijn voortdurende schoppen tegen heilige huisjes. Zijn personages houden er zeer controversiële standpunten op en hebben overduidelijk autobiografische trekken. De verworvenheden van de seksuele revolutie, de feministische strijd en de studentenprotesten en jongerencultuur van mei '68 worden genadeloos onderuitgehaald en vaak geridiculiseerd. Hij beschouwt de afbraak van de waarde van het gezin door de proclamatie van de vrije liefde als de ultieme emanatie van het liberale streven naar individualisering.

    Bibliografie:
    H.P. Lovecraft : contre le monde, contre la vie (1991, essayistisch werk over H.P. Lovecraft in De koude revolutie)
    Rester vivant (1991, venijnige beschouwing over het dichterschap, Leven, lijden, schrijven – methode, in De koude revolutie)
    La poursuite du bonheur (1992, poëzie)
    Extension du domaine de la lutte (1994, roman, De wereld als markt en strijd)
    Le sens du combat (1996, poëzie)
    Les particules élémentaires (1998, roman, Elementaire deeltjes)
    Interventions (1998, essays, in De koude revolutie)
    Renaissance (1999, poëzie)
    Lanzarote (2000, novelle met fotoboek, Lanzarote)
    Plateforme (2001, roman, Platform)

  • Hans Vervoort

    Hans Vervoort werd op 22 april 1939 geboren in Magelang (Indonesië) als zoon van een KNIL-militair. Zijn eerste jeugdherinneringen deed hij op in een Japans interneringskamp. Na de oorlog woonde het gezin in Makassar en Soerabaja. Het gezin kwam pas in 1953, geruime tijd na de grote uittocht uit Indonesië, naar Nederland. Hans maakte in Amsterdam de HBS af en werkte vervolgens ruim twee jaar als assistent-accountant, vervulde zijn dienstplicht en ondernam een poging tot een wereldreis, die echter al bij de eerste heuvels in Noord-Frankrijk strandde. De Solex begaf het en de schriftelijke cursus autogeen lassen die hij bij zich had om onderweg in zijn onderhoud te voorzien, zat nog ongelezen in de envelop. Als een lange donkere tunnel heeft hij later deze jaren beschreven, de heimwee naar Indonesië overheerste alles.

    In 1961 kwam hij mismoedig en bij toeval in het marktonderzoek terecht, destijds een piepjong vak. Schrijven was altijd al zijn grote passie geweest, en met cijfers omgaan kon hij goed. De studie andragogie, die hij overigens in 1970 na het kandidaatsexamen afbrak, voegde de benodigde psychologische en sociologische kennis toe.

    In 1967 richtte Hans Vervoort met drie collega’s een eigen markt- en opinieonderzoek-bureau op: Inter/View. Dat bureau werd van meet af aan een veel groter succes dan ze verwacht of nodig hadden en dat kwam Hans eigenlijk slecht uit. Eind 1966 was hij na enkele inzendingen namelijk redacteur geworden van het roemruchte literaire studentenblad Propria Cures, dat hem het podium bood om als schrijver voor de dag te komen. Hij moest echter al na een jaar afhaken omdat het bedrijf werd overspoeld met werk. Toch bleef hij nog wel publiceren. Stukjes op de achterpagina van de Nieuwe Linie, een aantal columns in Vrij Nederland, en recensies in NRC, Het Parool en Vrij Nederland.

    Op verzoek van de jonge uitgeverij Thomas Rap maakte hij samen met Gerrit Heijmenberg in 1970 het Klein Nederlands Soldatenboek. En in hetzelfde jaar verscheen Kleine Stukjes om te Lezen, een bundel van de korte en zeer korte verhalen die hij in Propria Cures had gepubliceerd. In 1970 werd hij zelfs voor de tweede keer redacteur van Propria Cures, een unicum in de geschiedenis van dit eigengereide blad. Drukke werkzaamheden als mededirecteur van een succesvol bureau, een studie, een gezin met kinderen en de schrijverij vergden na enkele jaren hun tol en Hans Vervoort besloot Inter/View te verlaten.

    In 1974 vertrok hij met vrouw en kinderen voor een lange vakantie naar Indonesië. Deze ‘sentimental journey’ bevrijdde hem definitief van zijn heimwee: het Indonesië van nu was zijn land niet meer. In Vanonder de Koperen Ploert deed hij verslag van deze drie maanden durende tocht. Na de roman Zonder Dollen die in 1974 verscheen (en later werd verfilmd met Peter Faber in de hoofdrol) werd ook dit boek uitstekend ontvangen.

    Hans Vervoort trad medio 1975 als bedrijfsmarktonderzoeker in dienst van de Weekbladpers, in de hoop in deze tachtig-procent-baan wat meer rust en tijd te vinden voor het schrijven. In 1977 verscheen de roman Zwarte Rijst en in 1980 Met Stijgende Verbazing, door veel critici beschouwd als zijn beste roman tot dan toe. Tussendoor schreef hij samen met zijn vrouw de biografie van Sicco Roorda van Eysinga (Zijn eigen vijand), vriend en tijdgenoot van Multatuli en schrijver van het beruchte pamflet ‘Koning Gorilla’.

    In de loop van de tijd werd Hans Vervoort toch weer opgeslokt door het werk en in 1988 kreeg hij het verzoek om uitgever te worden van de cultuur/opiniebladen-groep van de Weekbladpers. Hij was het eeuwig schipperen tussen het uitgeverswerk en de behoefte om te schrijven zat en besloot daarom een aantal jaren het werk voorrang te geven. Afgesproken werd dat hij dat vijf jaar zou doen. In 1993 waren de afgesproken vijf jaar om en kon Hans afhaken. Maar het directieteam was zo op elkaar ingespeeld geraakt dat gekozen werd voor een alternatief: hij kreeg drie maanden onbetaald verlof om een roman te schrijven (Zonnige perioden, 1994) en zette daarna zijn werk als uitgever voort. In 1996 deed hij ten slotte toch de stap terug en sinds hij in april 2000 met VUT ging is het schrijven zijn fulltime bezigheid. In 2001 verscheen de roman Eerlijk is Vals, in januari 2003 de verhalenbundel Geluk is voor de dommen en in 2004 de autobiografie Kind van de Oost.

    Hans Vervoort werkt o.a. geregeld mee aan het VPRO-programma Radio Music Hall. Naast publiceren houdt Hans Vervoort zich bezig met het ontwikkelen van een Internet Boekenzoekmachine. Hij schreef hierover in juni 2002 een artikel in De Groene Amsterdammer, naar aanleiding van de rampzalige toptien-ontwikkelingen in de boekenbranche.

    Publicaties
    1970 Klein Nederlands Soldatenboek (compilatie)
    1970 Kleine stukjes om te lezen (zeer korte verhalen)
    1973 Heden mosselen morgen gij (verhalen)
    1974 Zonder dollen (roman)
    1975 Vanonder de koperen ploert (reisverhaal)
    1977 Zwarte rijst (roman)
    1979 Sicco Roorda van Eysinga: zijn eigen vijand (biografie)
    1980 Met stijgende verbazing (roman)
    1983 Een zomer apart (roman)
    1988 Het tekort (roman)
    1994 Zonnige perioden (roman)
    2001 Eerlijk is vals (roman)
    2003 Geluk is voor de dommen (verhalen)
    2004 Kind van de Oost (autobiografie)

    Bron en meer informatie: http://www.hansvervoort.nl/
    Link naar artikel in de Groene Amsterdammer: http://www.groene.nl/2002/0224/hv_schrijver.html

     

  • Marc Kregting

    Luis in de pels

    De ‘genomineerde’ voor deze week is wellicht een beetje een verrassing. Marc Kregting is geen gelauwerde debutant, geen bestseller-auteur, geen fameus dichter. Hoewel hij als auteur en poëet een aantal titels op zijn naam heeft staan (waaronder De leliering, Zie je dat rood, en de dichtbundel De gezel) zal deze rubriek ditmaal vooral over zijn ervaringen als redacteur en zijn ideeën over de huidige stand van zaken in het boekenvak gaan, waarover hij schrijft in zijn recent verschenen boek Zij zijn niet van Jeremia. De auteur van de week dreigt daarmee boek van de week te worden, maar niets is minder waar. In Zij zijn niet van Jeremia draait het namelijk in de eerste plaats om de mening van de auteur. Dus hebben we het toch nog over Marc Kregting.
    Naast auteur is Kregting namelijk redacteur; jarenlang bij uitgeverij Meulenhoff, tegenwoordig bij Vantilt. Door zijn ervaringen als (poëzie)redacteur voelde hij zich genoodzaakt tot het schrijven van dit polemisch geschrift. Kregting maakt met Zij zijn niet van Jeremia een statement. Hoewel het boek niet altijd even helder geschreven is, heeft hij over elk facet van de branche iets zinnigs te zeggen. Zijn oordeel is niet positief, en totnogtoe is het boek dan ook doodgezwegen.
    In de ‘non-ficties’, zoals hij het zelf noemt, gaat Kregting tekeer tegen alles en iedereen in het boekbedrijf: verschaling van het boekenaanbod, noodzaak tot toetreden tot concerns, onduidelijke fondsen, verlies van ‘smoel’, omkoopbare recensenten, falende debutanten, misplaatste feestjes, overwerkte redacteuren, onderbetaalde correctoren. Ons cultureel erfgoed lijkt gedoemd te zijn.
    De vraag is echter of de lezer er iets van zal merken. Het merendeel waarschijnlijk niet. De goedverkopende literaire thriller zal ook in de toekomst als zoet broodje over de toonbank vliegen, maar voor de liefhebber van minder consumptieve literatuur ziet het er somber uit. Wij vragen ons af: Wat gaat prevaleren, welke richting gaat het op met de boekproductie? Als we Kregting moeten geloven is er drastisch behoefte aan hervorming. Ik zie daar ook wel wat in. De idealisten van weleer zijn opgegaan in commerciële productiemaatschappijen. Het boek, en daarmee de schrijver, is een halfje bruin geworden, gesneden graag.
    Waarom deze auteur als auteur van de week? Omdat hij een onderwerp aansnijdt dat door de literaire upperclass doodgezwegen wordt, en door de lezer (al of niet bewust) als voldongen feit  aanvaard is. En dat is tevens een reden om er in het voorjaar meer aandacht aan te besteden. Rond de boekenweek zullen wij een tiental literaire kopstukken aan het woord laten om Marc Kregting van repliek te dienen. Ondertussen zijn jullie natuurlijk ook van harte welkom om een reactie te geven. Wel eerst het boek lezen natuurlijk.
    Wat jeukt daar?

    ST

    Zij zijn niet van Jeremia – Marc Kregting,
    Uitgeverij Vantilt
    isbn 90 775 0312 9
    € 12,50

    Reacties: redactie@literairnederland.nl

     

     

     

     

     

  • Paul van Ostaijen

    Paul van Ostaijen wordt wel de eerste moderne dichter in het Nederlands taalgebied genoemd. Naast poëzie schrijft hij ook proza en opstellen over schilderkunst, beeldende kunst en poëzie. Van Ostaijen is op 22 februari 1896 in Antwerpen geboren en sterft aan tbc op 32 jarige leeftijd in 1928.
    In zijn jeugd is hij al een onaangepast ventje en levert hij al strijd over poëzie. Op de middelbare school, een jezuïtencollege, verzet hij zich tegen de opvatingen van de paters en leest verboden lectuur zoals Tolstoj en Ibsen. In 1913 verlaat hij het Atheneum en wordt klerk op het stadhuis
    van Antwerpen.

    Zijn debuut, Musica-Hall, verschijnt in 1916. Het is een bundel vol impressionistische, sentimentele verzen. Hij verheerlijkt er het liederlijke leven in de grote stad. Twee jaar later, in 1918, volgt de bundel Het Sienjaal. Hierin wordt de kunstenaar als een door God uitverkorene afgeschilderd. De ‘ik’ in de gedichten zoekt naar eenwording met de mensheid en richt zich op de zwakkeren en onderdrukten. Kort na het verschijnen van Het Sienjaal vlucht Van Ostaijen naar Berlijn. In Berlijn leert hij een groot aantal schrijvers en schilders kennen. Via de schilders komt hij in contact met het avantgardisme, en in het bijzonder met het dadaïsme. Van Ostaijen schrijft er twee bundels: De Feesten van Angst en Pijn en Bezette Stad. De bundels zijn nihilistisch en dadaïstisch geïnspireerd. Het gebruik van reclameslogans, flarden uit liedjes, titels van films, opschriften van uithangborden doet denken aan de dadaïstische fotomontage. Van Ostaijen laat de poëzie op alle mogelijke manieren ontploffen: van rijm en prosodie is geen sprake meer, de syntaxis wordt afgeschaft, de stem van de dichter wordt vervangen door een koor van tegen elkaar in zingende stemmen. Bezette Stad bestaat uit van Ostaijens herinneringen aan Antwerpen in de Eerste Wereldoorlog. Het binnenmarcheren van de vijandelijke legers, de lege havens, de bordelen, de bars en de bioscopen. Samen met zijn vriend Oscar Jespers werkt hij aan de ‘ritmiese’ vormgeving van de bundel om, zoals hij in een van zijn poëticale opstellen uiteenzet, ‘de lezer attent te maken op de meer dan journalistieke betekenis van het woord. Op de stam. De klinker. De medeklinker. Het interval. Het zwijgen. Het ademhalen’.

    Na zijn dood verschijnen nog zijn Nagelaten Gedichten. Uit deze gedichten, maar ook uit zijn opstellen, wordt duidelijk dat het Van Ostaijen er uiteindelijk om gaat dat poëzie niets te maken heeft met de intentie van de dichter. In plaats van een mededeling over de wereld of een expressie van gevoel, is het louter een spel van woorden en klanken. Zoals hij zelf schrijft:

    Poëzie = woordkunst.
    Poëzie is niet:
    gedachte, geest, fraaie
    zinnen, is noch
    doctoraal, noch dada.
    Zij is eenvoudig een in
    het metafysiese
    geankerde spel met
    woorden

  • Jeanne Reyneke van Stuwe

    Jeanne Henriëtte Reine Reyneke van Stuwe. De naam zegt je hoogstwaarschijnlijk niets. Jeanne Kloos wellicht wel. Inderdaad: de vrouw van. Willem Kloos is nog bekend, zijn vrouw is in de vergetelheid geraakt en dit terwijl ze een zeer populair auteur was aan het begin van de twintigste eeuw. 

    Dat Jeanne Reyneke van Stuwe niet meer bekend is, heeft waarschijnlijk te maken met het soort boeken dat ze schreef, damesromans, of ? zoals wij het genre nu ook wel noemen ? ‘chicklit.’. 

    Jeanne Reyneke van Stuwe kwam ter wereld op 1 september 1874 te Solo, Indië. Van drie kinderen was ze de middelste, haar zusje Jacqueline was in 1871 geboren, haar broer Jacob was twee jaar ouder dan Jeanne. Haar vader diende als luitenant-kolonel bij het KNIL en genoot in de functie een zekere bekendheid en het gezin had het financieel goed. 

    Kort na de geboorte van Jeanne verhuisde het gezin naar Nederland. Eerst betrokken zij in Maarssen het landgoed ‘Huis ter Meer’, vervolgens verhuisden ze naar Breda, waar ze wederom een riante woning vonden. Het luxebestaan van de familie Reyneke van Stuwe was echter maar van korte duur: door de suikercrisis verloor de vader al zijn geld en niet lang daarna stierf hij. Het gezin verhuisde ernstig verarmd naar Den Haag. 

    Een jonge Jeanne stuurde haar allereerste verzenbundel op aan Willem Kloos. Hij zag wel iets in de jonge schrijfster: op 4 april 1900 trouwden ze. Vanaf die tijd verscheen er vrijwel ieder jaar een roman van Jeanne Reyneke van Stuwe, die onder haar meisjes naam bleef publiceren.

    Kloos en Reyneke van Stuwe gingen gebukt onder geldzorgen. Pas in 1935, als Kloos een eredoctoraat krijgt aan de Universiteit van Amsterdam, krijgen ze het iets beter. Jeanne Reyneke van Stuwe verzorgde het inkomen in de eerste decennia van hun huwelijk. Wellicht is haar hoge productiviteit ? gedurende de periode 1892-1900 verschenen er meer dan vijftig (!) romans van haar hand –  te verklaren uit het simpele feit dat ze geld nodig hadden. 

    In 1938 stierf Kloos en Reyneke van Stuwe publiceerde nog enkele ? sterk gekleurde ? studie over haar man. Na de Tweede Wereldoorlog nam haar populariteit sterk af en toen zij in 1951 stierf, maakten de kranten daar maar kort melding van. Daarna is de ooit zo populaire schrijfster in de vergetelheid geraakt.

    Op het web is weinig te vinden over Jeanne Reyneke van Stuwe, alleen de website http://www.damescompartiment.nl/ geeft meer achtergrondinformatie. Mocht je meer over haar willen lezen, hier een paar tips: 

    1989   Boon-Corthals, Thera
                ‘Jeanne Reyneke van Stuwe (1874-1951), echtgenote van de Tachtiger Willem Kloos. In:  Schrijvers achterna. Een literaire wandeling door Breda. Breda: Stichting ‘Letteren’, p. 93-96

    1985    Bork, G.J. van en P.J. Verkruijsse
                Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. Weesp: De Haan

    1985    Charité, J. (Eindred.)
                Biografisch woordenboek van Nederland. Tweede deel. Amsterdam: Elsevier.

    1904    Netscher, Frans
                Onze letterkundigen ? Jeanne Reyneke van Stuwe. Amsterdam: L.J. Veen Uitgeverij.

    Vanwege de enorme productiviteit van Jeanne Reyneke van Stuwe is ervoor gekozen om hier niet, zoals gebruikelijk, een bibliografie van haar werk op te nemen. 

    AMvdP

  • Michel Tournier

    Michel Tournier (Parijs, 1924) komt uit een gezin van germanisten. Zijn vader en moeder ontmoeten elkaar tijdens hun studie germanistiek aan de Sorbonne, de universiteit van Parijs, en zorgen ervoor dat hun zoon ‘met één been in Duitsland’ opgroeit. Hij voelt zich zowel deel van de Duitse als van de Franse cultuur.
    Als Tournier zes jaar oud is, is zijn gezondheid ronduit slecht. Zo slecht zelfs dat zijn ouders het advies krijgen weg te gaan uit Parijs en ergens in een klein dorpje te gaan wonen. En dat doen ze. Het gezin verhuist naar Saint-Germain-en-Laye, een plaatsje niet ver bij Parijs vandaan. ‘Ik ben in Parijs geboren, maar heb die stad van het begin af aan gehaat. Een kind kan in Parijs niet gelukkig zijn,’ zegt Tournier daar later over. In Saint-Germain-en-Laye krijgt Tournier alles wat hij nodig heeft: ‘een tuin, een fiets, een hond, een kat, een bos. Dat heeft een kind nodig, en in Parijs had je dat niet.’
    Zijn schooljaren brengt hij voor een belangrijk deel door op privé-scholen in de omgeving van Saint-Germain-en-Laye. De ervaringen daar zullen in veel van zijn latere boeken terugkeren, waaronder in De elzenkoning en De meteoren. Maar dat hij die boeken ooit zal schrijven is voor de middelbaar scholier Michel volkomen ondenkbaar. De filosofie is zijn grote roeping. Hij wil professor in de filosofie worden.
    Aanvankelijk kent de weg die hem daarheen moet voeren weinig obstakels. Hij studeert aan de Sorbonne, vertrekt naar Tübingen in het zuiden van Duitsland om daar te gaan studeren en doet bij terugkeer in Frankrijk vol zelfvertrouwen het agrégation-examen. Hij denkt dat hij tot de besten zal behoren, rekent zelfs op een eerste plaats, maar eindigt tot zijn verbijstering op de laatste.
    Michel is te trots om een tweede poging te wagen, evenals zijn beroemde voornaamgenoot Michel Foucault, die ook faalt maar het jaar daarop gewoon een herkansing doet. Hij is te diep gekrenkt in zijn trots. Dat hele agrégation-examen is een ‘ganzenbord’. Slagen of zakken, het is een kwestie van geluk of pech. Over je werkelijke kwaliteiten zegt het weinig.
    Zijn generatie haalt hem aan alle kanten in. Gillez Deleuze, een voormalig klasgenoot van hem, wordt een succesvol filosoof, een andere klasgenoot, de intussen in vergetelheid geraakte Roger Nimier, debuteert zeer succesvol met een roman en Michel Butor en Michel Foucault (opmerkelijk veel Michels toch in die generatie) groeien respectievelijk uit tot geprezen romancier en invloedrijk filosoof.
    Het duurt lang voordat Tournier zich herstelt. ‘Ik wist niet wat ik met mijn filosofie moest doen. De deuren van de universiteit bleven gesloten voor me. Ik heb toen mijn brood verdiend bij de radio en zo het grote publiek ontdekt. Ik dacht: je moet voor dat publiek schrijven. Avonturenromans met reizen en liefdesgeschiedenissen, met geldzaken en moorden erin.’
    Het duurt even voordat hij zijn aanvankelijke tegenslag heeft verwerkt en zijn eerste boek schrijft. Michel Tournier is tweeënveertig als hij zijn eerste roman publiceert. De literatuur wordt zijn filosofische dekmantel. ‘Ik ben een smokkelaar van de filosofie’, zegt hij daar zelf een keer over in een interview. Wie geen rol krijgt toebedeeld in de erkende wetenschap, dient zijn toevlucht te zoeken tot een clandestien bestaan. Schrijvers als struikrovers in de wereld van de wetenschap.
    Vrijdag of het andere eiland heet de roman waarmee Tournier in 1967 debuteert. Het boek wordt een instant classic. De roman vertelt het verhaal van Robinson Crusoe de schipbreukeling en Vrijdag, zijn knecht, alleen dan op een volkomen andere manier dan Defoe dat voor hem deed. In zijn boek is Vrijdag uiteindelijk Robinsons leermeester, wordt de westerling ontwesterd in plaats van de gekoloniseerde geciviliseerd. Robinson raakt zelfs zover verwijderd van zijn eigen cultuur dat hij besluit niet mee te gaan als zich een schip aandient dat hem terug naar de beschaafde wereld kan brengen. Wie wel aan boord gaat is Vrijdag. Die gaat op ontdekkingsreis naar de wereld die Robinson heeft afgeworpen.
    Deze omkering vormt de kern van Tourniers schrijverschap. De omkering, of zoals Tournier het zelf bij voorkeur noemt, de inversie, keert in al zijn boeken terug. Hij wijdt zelfs een heel boek vol mini-essay aan omkeringen: ideeën en hun spiegelbeeld.
    Het boek dat Tourniers reputatie vestigt is De elzenkoning. Hoofdpersoon is de Parijse garagehouder Abel Tiffauges en is te beschouwen als een moderne hervertelling van de Sint Christoffel-legende (katholieke heilige die het kindje Jezus over een rivier draagt). De elzenkoning is een complex boek dat multi-interpretabeler is dan menig bijbelhoofdstuk. Het is een grootse hervertelling van oude mythen. En daarmee is een tweede kenmerk genoemd van Tourniers schrijverschap: hij doet niets liever dan bestaande mythen van een nieuwe betekenis voorzien, oude verhalen omkeren, zodanig hervertellen dat het perspectief volkomen anders wordt, zoals in het geval van Vrijdag of het andere eiland.
    Vrijwel het gehele oeuvre van Tournier is vertaald in het Nederlands en uitgegeven bij Meulenhoff. Hoogtepunten zijn naast de eerder genoemde boeken De meteoren, De gouden druppel en de vertelling Gilles en Jeanne (waarin hij de rechtszaken tegen kinderverkrachter Gilles de Raiz en Jeanne d’Arc tegenover elkaar zet).
    Gezien zijn oeuvre is het verwonderlijk dat Tournier in eerste instantie de filosofie koos als grote liefde. Een carrière in de filosofie had hem waarschijnlijk zeer beperkt. Zijn filosofie is er een van de verbeelding. Dat maakt hem ook veel meer een schrijver dan een wetenschapper. In de literatuur kan elke vraag straffeloos opgeworpen worden en op straffeloos veel manieren worden beantwoord. In de literatuur is alles spel, maar dan wel een spel dat met hoge inzet wordt gespeeld. Tournier had kortom niets anders kunnen worden dan schrijver. Elk filosoferen leidt naar het eindpunt van Wittgenstein en noopt tot het zwijgzaam uitkijken over het ravijn. Elk schrijven zet de verbeelding in als ultiem wapen tegen de zinloosheid. In de literatuur geldt het omgekeerde van wat volgens Wittgensteins zo vaak aangehaalde adagium in de filosofie zou moeten gelden: waarover men niet zwijgen kan, moet men spreken. Dat ultieme wapen van het hervertellen is de filosoof niet gegund.
    Overigens mag van Tournier nog veel groot werk verwacht worden. Hoewel hij in 2000 een In Memoriam schreef voor zichzelf, voorziet hij een lang leven. ‘Hoe oud een schrijver wordt is nooit toevallig,’ schrijft hij als de Duitse schrijver Ernst Jünger op 102-jarige leeftijd overlijdt. ‘Ik moet oud worden. Als ik jong gestorven was, had ik überhaupt niets geschreven.’
    Bij Meulenhoff verschenen onder meer:

    Vrijdag of Het andere eiland. Roman
    De elzenkoning. Roman
    De meteoren. Roman
    De gouden druppel. Roman
    De fetisjist. Verhalen
    Gilles en Jeanne. Vertelling
    Dwaze liefdes en ander kort proza
    Ideeën en hun spiegelbeeld
    . Essay
    Een vlaag van bezieling. Autobiografie

    Jeroen van Kan

  • Marjoleine de Vos

    Geen ongeloof

    Dat in haar iemand schuilen zou die anders
    leven wou maar door haar geen kans geboden
    kwijnt in een verdrukt bestaan. Een vrouw
    die van geduld een tuin zou maken, dagelijks
    en zonder haast haar hand toestond te doen
    wat hij te doen maar vond, die rondging
    en sereen het bloeien komen liet dat komen wou.
    Zij zou niet ongeduldig dromen vullen
    haar geest zou dieper zijn en meer verstaan
    mystiek staarde haar aan uit roos en tulp
    en aan de appelboom het leven zelf.
    Ook zou ze soms de hovenier zien gaan,
    raakte niet aan want wist wie hij kon zijn.
    Geen ongeloof of veinzerij maar alles echt.

    Bovenstaand gedicht is afkomstig uit Kat van sneeuw, de tweede bundel van Marjoleine de Vos. Het bevat iets van datgene wat in veel van haar gedichten aanwezig is, namelijk de strijd tussen rationalisme en geloof en het zoeken naar betekenis.

    Zowel in Kat van Sneeuw als in haar eerste bundel Zeehond graag combineert De Vos aardse observaties met eeuwige vragen, vragen over leven, tijd en toekomst, zoals zij dat ook doet in haar beschouwingen en columns. De toon van haar gedichten is doorgaans licht en speels. Het zijn persoonlijke gedichten, die net niet sentimenteel worden. Ze spreken van het verlangen het pijnlijke onder ogen te zien en daarnaast oog te houden voor wat het leven de moeite waard maakt.

    In Zeehond graag introduceerde De Vos haar alter ego mevrouw Despina, een vrouw die het liefst zeehond zou zijn en door het leven zou stuiteren, maar die soms ook triest is, omdat ze geen kinderen heeft. Despina moet uitgesproken worden met de klemtoon op de eerste lettergreep. “Ze is de vrouwelijke tegenhanger van Despotos, de vrouw des huizes, de koningin en dat beviel me wel. Ik dacht, dan heb je mevrouw Mevrouw, een prettig lege huls om iets in te doen. Ik wilde geen naam waar je meteen allerlei associaties bij hebt”, aldus De Vos in een interview met Remco Ekkers.

    In Kat van sneeuw keert mevrouw Despina terug en hoewel alweer ouder nu stelt ze nog steeds dezelfde vragen: “Hoe moet ik leven, vraagt mevrouw D./weer eens en loopt het park in – feest.” Ook hebben oude zorgen plaats gemaakt voor nieuwe. Zo verlangt ze nu eens naar de bescheiden ouderdom van een roestige, ijzeren wimpel, dan weer ziet ze zichzelf als neushoorn: “Wil ze het kalf zijn, wil ze/bestaan en zwaar zijn als zij -/gehuld in dik leer kalm draven/naar struiken, al eeuwen bekend.”

    In veel van De Vos’ gedichten klinkt haar liefde voor de oudheid en in het bijzonder voor Griekenland door, evenals die voor andere dichters zoals Kavafis, getuige haar in Kat van sneeuw opgenomen vertaling van één van zijn gedichten. Af en toe wekt De Vos’ vertoon van eruditie wrevel bij sommige critici, zoals wanneer zij het over lacrimae in plaats van tranen heeft. De meeste kritieken waren echter lovend van toon.

    Marjoleine de Vos (1957, Oosterbeek) is Neerlandicus, dichter en als redacteur en columnist verbonden aan NRC Handelsblad. Voor dezelfde krant interviewde zij een reeks hedendaagse dichters. Zij publiceerde onder meer een kinderboek, een schoolboek over romananalyse en een bundel beschouwingen onder de titel Nu en altijd. In 2000 debuteerde zij als dichter met de bundel Zeehond graag. In 2003 verscheen haar tweede bundel Kat van sneeuw. De Vos maakt regelmatig deel uit van verschillende literaire jury’s. Zij is getrouwd met en woont samen met de dichter Tom van Deel.