• Herman Hendrik ter Balkt

    Herman Hendrik (roepnaam Harry) ter Balkt werd geboren op 17 september 1938 te Usselo, een Twents dorpje in de buurt van Enschede. Na de middelbare school en een lerarenopleiding gaf hij jarenlang les in Drenthe en Nijmegen. Als dichter debuteerde hij in 1969 met de bundel Boerengedichten, onder het pseudoniem Habakuk II De Balker. (Onder dit pseudoniem blijft hij tot 1979 publiceren, waarna hij als H.H. ter Balkt verder dicht. Een ander pseudoniem, Foel Aos, gebruikte hij voor zijn publicatie Zwijg uit 1973.) Zijn debuutbundel is tamelijk succesvol en zet de toon voor de vele bundels die erop volgen. In de woorden van Piet Meeuse: “Dit was een nieuw geluid: de krachtige lyriek van iemand die zich uitdrukkelijk presenteerde als een boerendichter. Zijn poëzie leek aansluiting te zoeken bij tradities die in de Nederlandse poëzie nauwelijks een rol speelden: de oude, orale poëzie van straatzangers en sprooksprekers uit vervlogen tijden”.

    Terugkerende thema’s in het werk van Ter Balkt zijn: de vaderlandse geschiedenis, de waarachtige, maar bedreigde ambachtelijkheid van het agrarische leven, de tegenstelling tussen natuur en cultuur en de negatieve invloed van de moderne mens op zijn omgeving.

    In 2000 verschijnt de veelomvattende bloemlezing In de waterwingebieden, waarover Arie van den Berg opmerkt: “Nu er meer dan vijftien bundels, gekortwiekt, herschikt en herschreven, in ruim zevenhonderd pagina’s zijn bijeengebracht, blijkt hoe groot het dichterschap van Ter Balkt is”. Zijn meest recente bundel is Laaglandse hymnen II (2002), opvolger van de in 1991 verschenen Laaglandse hymnen.

    Onlangs werd bekend dat Ter Balkt in 2003 de P.C. Hooftprijs voor zijn poëtisch oeuvre zal ontvangen. In de vorige eeuw vielen hem al de Herman Gorterprijs, de Henriëtte Roland Holstprijs, de Jan Campertprijs en de Constantijn Huygensprijs ten deel.

  • Louis Couperus

    Deze week, op 10 juni 1863 om precies te zijn, is het 142 jaar geleden dat Louis Couperus werd geboren en 12 jaar geleden dat het Louis Couperus Genootschap werd opgericht. Geen ronde getallen, maar wel reden voor wat extra aandacht dunkt ons zo…

    De absurd mooie, goed verzorgde en onderhouden(de) website van het Louis Couperus Genootschap staat bol van de recensies, artikelen en beschrijvingen. Terecht schrijft men daar onder meer: ‘Couperus is een auteur met vele gezichten. Zijn veelzijdigheid is net zo indrukwekkend als de omvang van zijn oeuvre. Met een onuitputtelijke fantasie, werkkracht en stilistische variëteit schreef hij psychologische, mythologische en historische romans, verhalen, sprookjes en gedichten. In zijn reisbeschrijvingen en feuilletons toont hij zich bovendien als een scherp observerend journalist.’

    Couperus werd op 10 juni 1863 in Den Haag geboren en overleed op 16 juli 1923 in De Steeg, gemeente Rheden, aan longvliesontsteking en bloedvergiftiging. In de tussenliggende zestig jaar zag hij kans de halve wereld te bereizen en uit te groeien tot een van de grootste schrijvers die Nederland ooit voortbracht.

    De Volledige Werken van Couperus verschenen tussen 1987 en 1996. De vijftig delen werden uitgegeven door Veen Uitgevers / L.J. Veen (Utrecht/Antwerpen) en verzorgd door H.T.M. van Vliet, J.B. Robert, Karel Reijnders, Ernst Braches, Jan Fontijn, Marijke Stapert-Eggen, Oege Dijkstra en Gerard Nijenhuis.

    Delen uit dat verzameld werk zijn overigens nog steeds voor het luttele bedrag van 1 euro te verkrijgen bij ramsjboekhandel De Slegte.

    Deel 1 Een lent van vaerzen (1988). Verscheen oorspronkelijk in 1884.
    Deel 2 Orchideeën; Een bundel poëzie en proza (1989). Verscheen oorspronkelijk in 1886.
    Deel 3 Eline Vere; Een Haagsche roman (1987). Verscheen oorspronkelijk in 1889.
    Deel 4 Noodlot (1990). Verscheen oorspronkelijk in 1890.
    Deel 5 Extaze; Een boek van geluk (1990). Verscheen oorspronkelijk in 1892.
    Deel 6 Eene illuzie (1988). Verscheen oorspronkelijk in 1892.
    Deel 7 Majesteit (1991). Verscheen oorspronkelijk in 1893.
    Deel 8 Reis-impressies (1988). Verscheen oorspronkelijk in 1894.
    Deel 9 Wereldvrede (1991). Verscheen oorspronkelijk in 1895.
    Deel 10 Williswinde (1990). Verscheen oorspronkelijk in 1895.
    Deel 11 Hooge troeven (1991). Verscheen oorspronkelijk in 1896.
    Deel 12 De verzoeking van den H. Antonius. Naar Gustave Flaubert. Fragmenten (1992). Verscheen oorspronkelijk in 1896.
    Deel 13 Metamorfoze (1988). Verscheen oorspronkelijk in 1897.
    Deel 14 Psyche (1992). Verscheen oorspronkelijk in 1898.
    Deel 15 Fidessa (1992). Verscheen oorspronkelijk in 1899.
    Deel 16 Langs lijnen van geleidelijkheid (1989). Verscheen oorspronkelijk in 1900.
    Deel 17 De stille kracht (1989). Verscheen oorspronkelijk in 1900.
    Deel 18 Babel (1993). Verscheen oorspronkelijk in 1901.
    Deel 19 De boeken der kleine zielen I en II (1991). Verscheen oorspronkelijk in 1901-02.
    Deel 20 De boeken der kleine zielen III en IV (1991). Verscheen oorspronkelijk in 1902-03.
    Deel 21 Over lichtende drempels (1993). Verscheen oorspronkelijk in 1902.
    Deel 22 God en goden (1989). Verscheen oorspronkelijk in 1903.
    Deel 23 Dionyzos (1988). Verscheen oorspronkelijk in 1904.
    Deel 24 De berg van licht (1993). Verscheen oorspronkelijk in 1905-06.
    Deel 25 Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… (1988). Verscheen oorspronkelijk in 1906.
    Deel 26 Aan den weg der vreugde (1989). Verscheen oorspronkelijk in 1908.
    Deel 27 Van en over mijzelf en anderen (1989). Verscheen oorspronkelijk in 1910-17.
    Deel 28 Antieke verhalen (1993). Verscheen oorspronkelijk in 1911.
    Deel 29 Korte arabesken (1990). Verscheen oorspronkelijk in 1911.
    Deel 30 Antiek toerisme; Roman uit Oud-Egypte (1987). Verscheen oorspronkelijk in 1911.
    Deel 31 De zwaluwen neêr gestreken (1993). Verscheen oorspronkelijk in 1911.
    Deel 32 Schimmen van schoonheid (1991). Verscheen oorspronkelijk in 1912.
    Deel 33 Uit blanke steden onder blauwe lucht (1994). Verscheen oorspronkelijk in 1912-13.
    Deel 34 Herakles (1994). Verscheen oorspronkelijk in 1913.
    Deel 35 Van en over alles en iedereen (1990). Verscheen oorspronkelijk in 1915.
    Deel 36 De ongelukkige (1994). Verscheen oorspronkelijk in 1915.
    Deel 37 De komedianten (1992). Verscheen oorspronkelijk in 1917.
    Deel 38 Legende, mythe en fantazie (1994). Verscheen oorspronkelijk in 1918.
    Deel 39 De verliefde ezel (1994). Verscheen oorspronkelijk in 1918.
    Deel 40 De ode (1990). Verscheen oorspronkelijk in 1919.
    Deel 41 Xerxes of de hoogmoed (1993). Verscheen oorspronkelijk in 1919.
    Deel 42 Iskander (1995). Verscheen oorspronkelijk in 1920.
    Deel 43 Met Louis Couperus in Afrika (1995). Verscheen oorspronkelijk in 1921.
    Deel 44 Het zwevende schaakbord (1994). Verscheen oorspronkelijk in 1922.
    Deel 45 Oostwaarts (1992). Verscheen oorspronkelijk in 1923.
    Deel 46 Proza (1995). Verscheen oorspronkelijk in 1923-25.
    Deel 47 Het snoer der ontferming (1995). Verscheen oorspronkelijk in 1924.
    Deel 48 Nippon (1992). Verscheen oorspronkelijk in 1925.
    Deel 49 Ongebundeld werk (1996).
    Deel 50 Ongepubliceerd werk (1996). 

  • Richard Steegmans

    Richard Steegmans

    Richard Steegmans (Hasselt, 1952) heeft met Ringelorend zelfportret op haar leeuwenhuid onlangs een van de gedichtenbundels geschreven in de tweede, hernomen, Windroosreeks. Drie jaar eerder debuteerde hij al met Uitgeslagen zomers in de kleurenreeks van Perdu.

    Uitgeslagen zomers
    beslaat vijf afdelingen: ‘Liefde ? verdacht’, ‘Echofiel’, ‘Schaduw van de achterman’, ‘Kakelland, katoenveld’ en ‘Zonnelist’. Uit ‘Schaduw van de achterman’:

    De lucht is van draden

    Van een vogel die zonder weerwerk
    door een spervuur van insecten vliegt
    wil het toeval dat het de sperwer is.

    Van op de grond verkijkt men zich op hete lucht
    die zonder de ballast van een zandkorrel opstijgt,
    tegen de vogel schertst men over het toeval
    waar zijn roofruim aan overgelaten is.

    Onder het gonzen hangt een ballon in de draden.
    Het scherpste beeld toegedaan is wie de lucht
    in hem hangen ziet aan een spinselmisse ?
    uit vrouwenhemden los te woelen ?
    zijden draad.

    Men zal een vogelprooi oplaten in het toeval
    dat zich op de landerijen laat verschalken
    door hoofden die boven de kooi uitsteken.

    ‘De lucht is van draden’ laat het toeval binnen een scenario los. Een vogel vliegt rond in de lucht. Het is volkomen toevallig een sperwer, die zich voortbeweegt in een roofruimte die alweer door toeval wordt gedicteerd ? en niet verder in positieve of negatieve zin wordt benoemd. Of zo toch wordt beschouwd door degene die observeert. Onder het gonzen van de insecten, onder dat geluid, hangt een beeld: een ballon. Maar het scherpste beeld is voor wie de lucht in de ballon ziet hangen aan een zijden draad. Die dreiging ? aan een zijden draadje hangen ? lijkt te verwijzen naar de figuurlijke draden in de lucht. Wordt alles, ondanks die eerst zo overdadig uitgesproken toevalligheid, niet georkestreerd? Wordt de onbevangen blik van de toeschouwer niet bedrogen, of op zijn minst onbewust gericht? Moet hij wat hij ziet niet beschouwen als een marionettenspel? De laatste strofe lijkt dat te impliceren. Het toeval dat zich laat verschalken door hoofden boven een kooi, die de aandacht van de vogel richten op een vogelprooi. Gevangenschap wordt ingeruild voor een gewisse dood. Het toeval is in die laatste confrontatie omgeslagen in een soort wetenschap. Of is het de dichter die de lezer ensceneert?

    Richard Steegmans bouwt zijn gedichten in Uitgeslagen zomers minutieus op. De observatie wentelt zich al snel in de richting van een benoemen, namen geven. Niet zozeer om te definiëren, maar om te suggereren. Om van de bijna verborgen dieptes flarden te laten bovendrijven. Oppervlakte en diepte gaan zich samen manifesteren, of toch een soort samenspel van mogelijkheden aanreiken vanuit de blik van de toeschouwer. Richard Steegmans schrijft rijke poëzie. Hij schuwt de taal niet en laat zich ook niet vangen in een gesloten spel van eerst observatie en dan beschouwing. Hij drijft het verder: misschien als een danser, ‘die steeds meer vloer aansnijdt, uitspansel zoekt tussen de benen’. Taal en fictie dringen binnen in zijn poëzie, maar op zo’n manier dat de observatie daar voor een deel door wordt bepaald. Lichamen spreken meer dan alleen maar mee. En tussen al die verschillende signalen komen ook nog eens de gedachten op: woorden en beelden die het staan in en kijken naar de wereld zo intens en diffuus maken. Nooit om tot een absoluut beeld te komen, maar om mogelijkheden aan te reiken, verschillende zienswijzen, die de zijne of die van anderen zijn.

    Zo ook in Ringelorend zelfportret op haar leeuwenhuid, onlangs verschenen in de Windroosreeks. De bundel bevat onder meer gedichten die in 2004 al in de tijdschriften DWB, Parmentier, Deus ex Machina en Krakatau verschenen. In het openingsgedicht, ‘Vriendinnen, woorden weghalend’, spreekt een man over zijn vriendinnen, een oude en een nieuwe, die weg zijn. ‘Losgelaten’, schrijft Richard Steegmans, ‘zoals de briefschrijver na veel bedenktijd / een anekdote achter zijn plompe woorden opheft / zoals de huid aan zomerse tinten inboet / naarmate in een handspiegel de herfst verstrijkt’. Op het eerste gezicht zijn dat vergelijkingen van dat ene relationele loslaten met andere vormen van afscheid. Maar die interpretatie schept zeker geen volledig beeld van het optreden van de dichter. Het gedicht baadt immers in veelvuldige referenties aan taal. De vriendinnen halen, in de titel, woorden weg. Uit de mond van de man in het gedicht die door te spreken over het afscheid, ook de woorden die de vrouwen omringen letterlijk uitspreekt, loslaat? Of verbant de man misschien de talige constructies die hij rond de vrouwen heeft opgebouwd? En waarom verstrijkt de herfst in een handspiegel? Gebeurt dat ook niet als je er rechtstreeks naar kijkt? Waarom is die reflectie zo belangrijk? Misschien verliest op dat moment de man zowel een fysieke herinnering, als een woordelijke. Uit het oog, uit het hart. De eigen reflectie in de spiegel brengt het voorbijgaan (de herfst) fysiek in beeld, en net als de huid, worden ook de gedachten aan de vriendinnen steeds vager. Richard Steegmans sluit het gedicht af met ‘wat door de ene verbluffend is afgedaan / als een anekdote op de rand van het adorabele / blijft voor de anderen een bloedernstig bod tegen het ongenaakbare’. Opnieuw duiken er verschillende zienswijzen op. En opnieuw kunnen die zienswijzen gericht zijn op taal of op de wereld. Maar hier lijkt een dichter naar voren te treden die de lezer aanspreekt over de poëzie die hij nu leest. Alsof dat de al gemaakte keuze is: de adorabele anekdote of het bloedernstige bod tegen het ongenaakbare. Of worden met het lezen die woorden ook weggehaald?

    Nog als afsluiter een fragment uit het mooie ‘Verwisseling van de hoofden’ uit Ringelorend zelfportret op haar leeuwenhuid. Een gedicht dat gegrond is in de herinnering aan de Limburgse steenkoolmijnen en waarin de dichter terugkeert naar de gevoelens en gedachten die hij als tienjarige jongen had bij het harde werk van zijn vader:

    Het ijverig bespuugde eelt in zijn handen is verdwenen.
    Op zijn schouders staat soms mijn hoofd, dat bevangen
    raakt door enge gedachten aan de reusachtige dreiging
    van zware aardlagen op de diepdonkere, hete delfplek,
    waar een claustrofobie, het eeuwig uitschurend stof en
    nesten van ratten de totale schedelholte willen innemen.

    Of op mijn schouders zijn hoofd, waarin ik eenvoudig denk
    de dood te kunnen afhouden die hem onder de grond stopt.

    Van Richard Steegmans verschenen al:

    Uitgeslagen zomers. Deel 4 van de Kleurenreeks. Uitgeverij Perdu, Amsterdam 2002.
    Ringelorend zelfportret op haar leeuwenhuid. In de Windroosreeks. Uitgeverij Holland, Haarlem 2005.

  • Annelies Verbeke

    Annelies Verbeke werd in 1976 geboren in Dendermonde, België. Ze studeerde Germaanse Taal- en Letterkunde aan de universiteit van Gent en scenarioschrijven aan het Rits in Brussel. Haar scenario DOGDREAMING werd geselecteerd voor European Pitch Point 2003, een grote scenariowedstrijd tijdens het filmfestival van Berlijn. De Belgische Stichting Roeping overlaadde haar in prijzen. Eind 2003 werd haar debuutroman Slaap! uitgegeven bij uitgeverij De Geus. Ondertussen is het boek aan zijn tiende druk toe en ontving het lovende recensies en ontving ze de Vrouw & Kultuur Debuutprijs. Verder werd haar verhaal ‘Affaires’, een voorsmaakje van haar volgende roman, opgenomen in Magazijn, een uitgave van Uitgeverij 521 i.s.m. Literair Nederland die de nieuwe generatie schrijvers voorstelt. Annelies Verbeke werkt momenteel aan scenario’s en een nieuwe roman. Nu en dan schrijft zij filmrecensies en journalistieke artikels. In het tegendraadse maandblad Deng heeft zij een vaste column.

    ‘Mijn verhalen gaan meestal over de underdog, omdat die volgens mij dichter bij de essentie van het leven staat en interessanter is in zijn zoektocht naar een waarheid voor zichzelf. Ik wil mensen ontroeren, aan het lachen maken en een gevoel van verbondenheid meegeven, in de hoop dat ze daardoor, al was het maar heel even, wat dichter bij elkaar komen.’
    (bron: www.stichtingroeping.be)
    Na de Vrouw & Kultuur Debuutprijs 2004 en de Debuutprijs 2004 van het Vlaamse boekenvak heeft Annelies Verbeke voor het veelgeprezen Slaap! nu ook het Gouden Ezelsoor gewonnen. Tijdens Accolade 2005 in de Beurs van Berlage in Amsterdam heeft heeft Jan-Dirk Knol, directeur van papiergroothandel Proost en Brandt, vandaag deze jaarlijkse prijs van de Grafische Cultuurstichting aan haar uitgereikt.

    Van de roman werden in het eerste halfjaar na verschijnen 15.595 exemplaren verkocht. Inmiddels zijn dat er meer dan 40.000 en is het boek in negen landen uitgebracht. Het aantal verkochte exemplaren is echter niet het enige criterium bij het toekennen van de prijs. De jury, onder voorzitterschap van Marieke Bemelman, wordt geacht ook te beoordelen of een inzending als een literair werk kan worden beschouwd en of toekenning van de prijs in overeenstemming is met de doelstelling.
    De jury prees de compositie, de stijl en het taalgebruik van Slaap!, alsmede de fantasie van de schrijfster en haar vermogen de spanning te doseren. Aan de prijs zijn een oorkonde en een bedrag van 5000 euro verbonden.

    In Slaap! van Annelies Verbeke leidt Maya, de hoofdpersoon, aan slapeloosheid. Ze probeert alles om ervan af te komen. De wereld ziet er heel anders uit wanneer je bijna de hele nacht wakker ligt naast een heerlijk slapende partner. Niets helpt haar van haar slapeloosheid af. Wanneer haar vriend Remco zijn biezen pakt gaat Maya s nachts dwalen en maakt de slapende medemens wakker. Tot ze een andere slapeloze ontmoet. ‘Dat ik Benoit de Gieter in één nacht tot Vriend had uitverkoren vloeide niet alleen voort uit mijn behoefte aan een soortgenoot. Het was een verdrukte drang naar contact die mij dreef.’
    De slapeloosheid van beiden leidt tot een vorm van depressiviteit. Benoit, die een stuk ouder is dan Maya heeft al een psychiatrisch verleden. De doorwaakte uren en het overmatige drankgebruik moeten wel tot een ondergang leiden.
    Maya rijdt met haar fiets in de gleuf van de tramrails en komt onder een vrachtwagen terecht. Annelies Verbeke weet het zo te beschrijven dat het in het midden blijft of het een ongeluk is of een schreeuw om hulp. Benoit vergaat het even slecht. Hij lijdt aan waanvoorstellingen en wordt onder dwang opgenomen in een psychiatrische inrichting.
    Nadat Maya uit het ziekenhuis ontslagen is verkoopt ze al haar spullen en gaat zwerven om zichzelf te ontlopen en om Benoit te zoeken.

     

    Foto: Stephan Vanfleteren

     

  • Vastgelegd in zwart en wit

    Recensie door Marieke Visser

    Een zwartwit foto van een man die achter een eenvoudig schooltafeltje op een erf zit te schrijven op een typemachine. Geen grasveld, maar wit zand, een palmboom erbij, de hitte haast voelbaar. Gelukkig bedenk je de verkoelende bries er ook zo bij. Wie de foto van Michel Szulc-Krzyzanowski bekijkt in de uitgave Woorden die diep wortelen van Michiel van Kempen loopt een grote kans om overtuigd te raken van het idee dat schrijven in Suriname het mooiste is dat een mens op deze aarde kan doen.

    Dorus Vrede is de man op die foto. Hij weet uit eerste hand dat het leven in Suriname de schrijvers vaak de kans niet geeft om dit idyllische plaatje werkelijkheid te laten worden. Wie Van Kempen’s tekst bij de foto leest ziet ook hoe de dagelijkse strijd om brood op te plank te krijgen in Suriname vaak zo zwaar is dat het haast verwonderlijk is dat er überhaupt nog letterkundige werken tot stand komen in de voormalige kolonie.

    Een baan in het onderwijs vormt de hoofdmoot van Vrede’s werkend bestaan. In zijn vrije tijd schrijft hij echter graag. Veel poëzie, vaak liedjes die hij zingt waarbij hij zichzelf op de gitaar begeleidt. Daarbij maakt hij veel gebruik van folkloristische elementen uit de Saramaccaanse orale literatuur. Naast poëzie heeft hij ook proza geschreven en uitgegeven.

    Vrede is op 16 februari 1949 geboren in Lombé, een plaatsje aan de Surinamerivier, dat nu midden in het stuwmeer ligt. De gevolgen die de bouw van de stuwdam te Afobaka en de aanleg van het Van Blommesteijnmeer hadden voor de Saramaccaanse bosnegers in dat gebied, zijn zeer ingrijpend geweest. De gedwongen verhuizing van hele dorpsgemeenschappen, oftewel de transmigratie, is dan ook een terugkerend thema in Vrede’s werk. Ook de problemen die de trek van binnenland naar de stad veroorzaakte wordt belicht. De hoofdtaal is Nederlands, maar er wordt ook stevig gebruik gemaakt van Saramaccaans, Sranan (Suriname’s lingua franca) en hier en daar wat Aucaans (of N’Dyuka) en Kromanti (geheimtaal van de marrons).

    Groenhartbloemen

    Groenhartbloemen langs de rivier
    heldergeel als stadse lichten
    |De vissen groeten je
    Het rivieroppervlak is mooi
    als feesten van watergoden
    Groenhartbloemen langs de rivier
    in welk teken sta je
    zonneschijn of regen?

    (Dorus Vrede ? Otobanda / De andere oever, Paramaribo, 1992)

    Gyantifolo

    Gyantifolo a bandyalio
    ndonu yënge kuma fotofaya
    Dee fisi ta dai odi
    Di libawatta hansé
    kuma wattagadu fesa
    Gyantifolo a bandyalio
    un maaka i tyako
    sonu nöö tyuba?
    (Saramaccaans)
    (Dorus Vrede / Otobanda / De andere oever, Paramaribo, 1992)

    Stemmen van verre landen
    roepen mij
    op zo’n laat uur

    Zacht gitaargetokkel
    leest mijn levensverhaal
    op de snaren

    Het licht van de olielamp
    is moe geworden
    het gaat zoetjesaan uit

    Een jongetje
    dat me gezelschap hield
    is gaan slapen
    en droomt zijn eigen droom

    Zie hoe ik eenzaam
    achterblijf
    Zie wat de muziek
    met een man kan doen

    (Dorus Vrede / Otobanda / De andere oever, Paramaribo, 1992)

    Fara kondre sten
    kar’ mi nen
    so wan lati ten

    Safri sten f’ gitari
    leis’ mi libi
    na tapu den snari

    Na faya fu na tamundu
    kon weri
    a e saka gwe
    safri safri

    Wan p’kin boi
    di ben s’don na mi sei
    go sribi
    èn dren en eigi dren

    Luku fa mi wawan tan
    ala di na her’ kondre sribi
    Luku san na musiki
    kan du nanga wan man

    (Sranan)

    (Dorus Vrede  Otobanda / De andere oever, Paramaribo, 1992)

     

    Werk van Dorus Vrede:

    – Rond het sterfbed van mijn dorp,  Verhalenbundel / 1ste druk, 1986 (Pater Ahlbrinck Stichting, Paramaribo); 2de druk, 1990 (In eigen beheer, Paramaribo).

    Otobanda / De andere oever / Poëzie / 1ste druk, 1992.

    Als ik zwijg bloedt mijn hart / Verhalenbundel / 1ste druk, 1997.

     

     

  • W.J. Otten

    'Wie gevonden heeft, heeft slecht gezocht.'

    Deze uitspraak, gedaan in een interview in Vrij Nederland, is kenmerkend voor Willem Jan Otten. Hij reageerde met deze zin op de opmerking van interviewer Albrecht die hem vroeg naar zijn de laatste jaren nadrukkelijk beleden religieuze besef. Blijf je zoeken en denken als je in levensbeschouwelijke zin iets gevonden hebt? Otten citeerde Dietrich Bonhoeffer ('Een God die bestaat, bestaat niet') om aan te geven dat (onder)zoeken geboden blijft.
    Willem Jan Otten staat te boek als een zoekend schrijver die in zijn romans en essays een gedachtegang ontwikkelt en tot antwoorden tracht te komen. 'Als geen ander wekt Otten de indruk dat hij echt denkt op papier, zoals hij ook al formulerend kijkt, luistert en voelt,' schreef Jacq Vogelaar. Dat alles heeft ook te maken met zijn zoeken naar 'de waarde van bindingen en het verlies daarvan'. Religie is daarbij van belang omdat het 'het vermogen om bindingen aan te gaan aanleert'. In het interview in Vrij Nederland betrok Otten dat zoeken naar bindingen op het 'missen' dat in zijn gedichten een rol speelt en dat hij mede verklaart uit het feit dat zijn vader vroeg uit zijn leven verdween.
    Het missen van iets of iemand dat in de gedichten van Willem Jan Otten vaak aan de orde is, blijkt uit de titel van zijn in 1994 verschenen keuze uit eigen werk: Het was missen op het eerste gezicht. In Paviljoenen (1991) staat de figuur van Penelope centraal. Jaren wachtte zij op de terugkomst van Odysseus, terwijl mannen naar haar hand dongen. Ze zei pas te kunnen hertrouwen na een lijkwade te hebben voltooid. Maar 's nachts haalde ze het weefwerk van overdag weer uit. Het missen is wat Penelope en Odysseus bij Otten verbindt. De verbeelding van hereniging staat voorop. Ze is Penelope zolang ze Odysseus mist. In het eerste gedicht van de bundel zendt ze hem dan ook 'ter Odyssee'.
    Zeven jaar duurde het na Paviljoenen voor Willem Jan Otten een nieuwe dichtbundel uitbracht. Eindaugustuswind (1998) is een zowel qua omvang als inhoudelijk zeer rijke bundel die werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In haar verantwoording van de nominaties schreef de jury dat het lezen van de gedichten van Otten vergeleken kan worden met een schaatstocht op een zojuist dichtgevroren meer: zijn poëzie is gepolijst aan de oppervlakte met een intrigerende en duistere wereld daaronder. Het is een beeld dat goed aansluit bij de bundel zelf, waarin water en wind, ijs en wakken belangrijke elementen zijn. Otten roept oer-Hollandse landschappen op in fraaie beelden en beschrijft ze in melodieuze, zinnelijke gedichten. Dat doet hij zonder grote knaleffecten, maar eerder op fluistertoon.
    Wie dat wil of wie er gevoelig voor is, kan in veel gedichten in Eindaugustuswind een religieuze of mystieke lading ontwaren. In de uit drie verzen bestaande titelreeks valt onder meer te lezen: 'Ik twijfel niet aan uw bestaan zo lang u tot mij zwijgt'. Maar telkens is er toch die twijfel, de noodzaak om verder te zoeken: 'Ook als het waar is wat we weten – en niets ons wacht, heus, heus'.
    ’tten8mei2005Ik wilde met de ogen van iemand anders naar mezelf kijken.’ Met die zin besloot Otten in een interview in Trouw de beschrijving van een jeugdherinnering: hoe hij voor de spiegel zichzelf als hoofdfiguur van een van zijn geliefde Gouden Boekjes (De kleine indiaan) voorstelde. Kijken, niet kunnen kijken, het verlangen naar (film)beelden, de spanning van het bekeken worden: het zijn stuk voor stuk in het oog springende constanten in het werk van Otten. Dit hangt samen met de ook veel voorkomende thematiek van identiteit, het gebrek daaraan en de rol die de blik van de ander daarbij speelt. Het essay Denken is een lust (1985) is een persoonlijk betoog over pornografie en het aantrekkelijke van scènes waarin mensen in feite volstrekt inwisselbaar zijn, geen eigen identiteit hebben. Zijn eigen kijkervaringen bij het (her)zien van klassieke films beschreef Otten in de bundel Het museum van licht (1991). In De wijde blik (1992) is de thematiek van kijken en bekeken worden wel zeer sterk aanwezig. Hoofdpersoon Lex is een scheel kijkende filmrecensent. Zijn vrouw Susan wordt na een ongeval blind. Beiden leiden een voor de ander ongezien leven.
    'Er is altijd een derde' in de relaties in het werk van Otten. Dat heeft alles te maken met het verlangen naar beelden, naar scènes, het kijken en het bekeken willen worden. Zo stelt Lex zich in De wijde blik Joan (zijn minnares) voor als hij met Susan vrijt. In de bundel Na de nachttrein uit 1988 staat een gedichtencyclus met de expliciete titel 'Er is een derde'. Daarin is de derde soms een afsplitsing van de ikpersoon, worden zelf kijken en bekeken worden gecombineerd als in de Griekse mythe over Amphitryon die hoort van de geweldige liefdesnacht die zijn vrouw met hem beleefd denkt te hebben, hoewel in feite Zeus, in de gedaante van Amphitryon, haar minnaar was.
    Wat doe je als je weet dat iemand dood wil? Om die vraag gaat het in Ottens roman Ons mankeert niets (1994). Aan diverse personages wordt deze vraag gesteld, maar centraal staat de manier waarop de hoofdfiguur en verteller (de 35-jarige huisarts Justus van Loef) met een dergelijke kwestie is omgegaan. Ons mankeert niets is opgezet als een verantwoording van Justus (tegenover een tuchtcollege, tegenover God?) voor het feit dat hij niets heeft gedaan na een verzoek van zijn voorganger Dokter Daan hem een dag later te bezoeken, terwijl het Justus gedurende de dag steeds duidelijker werd dat hij de man, die in het dorp nog steeds als 'de dokter' geldt, dood zou aantreffen.
    Door het thema werd Ons mankeert niets betrokken in discussies rond euthanasie en het recht op zelfbeschikking. Otten nam zelf actief aan die discussies deel in Trouw en NRC Handelsblad. Een uitvloeisel van deze roman was ook Ottens artikel over het begrip erfzonde in de NRC. Dit leidde tot veel reacties en tevens tot een heftige discussie met overtuigd atheïst Rudy Kousbroek.
    Willem Jan Otten werd op 4 oktober 1951 geboren in Amsterdam en groeide op in een milieu waar muziek een belangrijke rol speelde. In 1959 verhuisde het gezin naar het Noord-Hollandse Laren. Zijn ouders scheidden toen Otten acht jaar was. Na het eindexamen gymnasium in 1970 ging hij in Amsterdam filosofie (één jaar) en Engels studeren. Als toneel- en literatuurrecensent werkte hij tussen 1975 en 1982 voor Vrij Nederland. Onder het gezamenlijke pseudoniem Wilhelm Schön schreef hij in die periode met Elmer Schönberger ook operarecensies en voor het tijdschrift Key Notes bijdragen over muziektheater. Vervolgens werkte Otten, die getrouwd is met de schrijfster Vonne van der Meer, als dramaturg voor de Toneelgroep Baal.
    Zijn schrijversloopbaan begon hij als dichter, met de bundel Een zwaluw vol zaagsel (1973). In 1978 werd zijn eerste toneelstuk, Henry II, in boekvorm gepubliceerd. Ottens bekendste toneelstuk is Een sneeuw dat in 1983 op de planken werd gebracht en in 1997 opnieuw werd gespeeld. Als proza-auteur debuteerde hij in 1990 met de novelle Een man van horen zeggen. Zowel voor de hoofdpersonen in beide toneelstukken als in de novelle geldt dat zij, onmachtig door respectievelijk geheugenverlies, verlies van spraakvermogen en de dood, hun identiteit ingevuld zien door de herinneringen of het beeld van anderen.
    In 1999 ontving hij de Constantijn Huygensprijs ter bekroning van zijn hele oeuvre.
    Vorig verscheen na een lange pauze eindelijk weer een roman van Otten, Specht en zoon, waarmee hij dit jaar de Libris-prijs won.

    Bibliografie:

    Een
    man van horen zeggen
    (1984)
    Het museum van licht (1991)
    Paviljoenen (1991)
    De wijde blik (1992)
    De letterpiloot (1994)
    Ons mankeert niets (1994)
    Eindaugustuswind (1998)
    Het wonder van de losse olifanten (1999)
    Eerdere gedichten (2000)
    Op de hoge (2003)
    Specht en zoon (2004)

    Bronnen: Biblioweb.nl en mabelis.nl

    DdH

  • Frank Koenegracht

    Frank (Franklin Hendrikus) Koenegracht werd op 23 juli 945 geboren te Rotterdam. In 1970 stuurde hij, op aanraden van Lucebert en na enkele publicaties in Maatstaf, zijn gedichten op naar de Bezige Bij. Dit resulteerde een jaar later in zijn debuutbundel Een gekke tweepersoonswesp. Vijf jaar later volgde zijn tweede bundel Camping De Vrijheid.

    Over deze bundel schreef Kees Fens in de Volkskrant van 18 september 1976: ‘In deze bundel gaat het heel wat soberder toe. Waar dan weinig eenheid en samenhang tegenover staat. En nogal wat kwaliteitsverschil. Het best is deze dichter in hekelende gedichten als ‘Liedje dat rondgaat’ en vooral in het vrij grote ‘Ballade van de middenste man’, verreweg het beste uit het bundeltje. Hier wordt het woord weer eens een heel effectief wapen. Maar kennelijk is rond die paar sterke verzen (waartoe ik ook ‘Amoureuze luchtvaart’ reken, bij deze gedichten gaat poëzie ineens weer over iets) nogal wat belegens gegroepeerd teneinde de bundel te halen. En ook dat is dan jammer’.

    Over het algemeen wordt zijn werk echter positief ontvangen in de pers en in 1990 ontving Koenegracht de Anna Blamanprijs en in 2001 kreeg hij de Frans Erens-prijs, beide onderscheidingen voor zijn gehele oeuvre. 

    Koenegracht treedt weinig op de voorgrond. In het dagelijks leven werkt hij als psychiater. De studie psychiatrie koos hij, naar eigen zeggen, uit weerzin tegen de geïnstitutionaliseerde geneeskunst.

    Meer achtergrondinformatie over het werk van Frank Koenegracht is hier te vinden. Over de ontvangst van Koenegracht in de kritiek kun je hier lezen. 

    Bibliografie
    Een gekke tweepersoonswesp
    Amsterdam: De Bezige Bij, 1971.
    Camping De Vrijheid
    Amsterdam: De Bezige Bij, 1976.
    Stichting De Drie Lichten
    Amsterdam: De Bezige Bij, 1980.
    Vuilniszakken
    Wijhe: Elferink, 1984.
    [Bibliofiele uitgave]
    Naief
    [Leiden]: [F. Koenegracht], 1984.
    [Bibliofiele uitgave, uitgebracht in zes exemplaren]
    Vijf gedichten
    Wijhe: [Elferink], 1984.
    [Bibliofiele uitgave]
    Praag
    Wijhe: [Elferink], 1985.
    [Bibliofiele uitgave]
    Epigrammen
    Amsterdam: De Bezige Bij, 1986..
    De verdwijning van Leiden: gedichten 1971-1981
    Amsterdam: De Bezige Bij, 1989.
    De mussen en andere gedichten
    Assen: Elferink, 1993.
    [Bibliofiele uitgave]
    Zwaluwstaartjes
    Amsterdam: De Bezige Bij, 1994.
    Zullen we dansen, schat?: gedichten en tekeningen.
    Leiden: Uitgeverij de Botermarkt, 1999.
    Alles valt
    Amsterdam: De Bezige Bij, 1999.
    Vroege sneeuw: gedichten 1971-2003
    Amsterdam: De Bezige Bij, 2003.

    AMvdP

  • A. Marja

    Dichter tegen wil en dank

    In de laatste editie van de dikke Komrij is hij vertegenwoordigd met twee gedichten en zo wordt hij nog enigszins aan de vergetelheid onttrokken: A. Marja. Zijn bundels zijn alleen nog maar te vinden in de stoffige uithoeken van antiquariaten en alleen zijn eerste en enige roman Snippers op de rivier heeft nog wel eens een herdrukje gekregen.
    Arend Theodoor Mooij wordt op 8 maart 1917 geboren in Oude Leye (Friesland). Zijn vader was predikant bij de Vrije Evangelische Gemeente, net als diens vader. In zijn jeugd is Marja vaak ziek en daarom leert zijn moeder hem als vroeg lezen en schrijven. Als hij veertien is, overlijdt zijn moeder aan kanker. Dat moet een aangrijpende ervaring zijn geweest, want hij publiceert later vele verzen over een (dode) moederfiguur.
    Op de HBS gebruikt Marja voor het eerst zijn pseudoniem, dan nog Arthjo Marja. Zijn eerste gedicht ‘Mijn volk’ wordt gepubliceerd in Volk en Vaderland, een NSB-blad en kent de brallerige openingszin: ‘Waar is toch in mijn land die trotsche hoop gebleven’. Gelukkig herstelt hij die faux pas door, ver voor de Tweede Wereldoorlog, laatdunkend over het nazisme te schrijven. (Toen Marja na de oorlog enkele letterkundigen had aangevallen op hun rol in de oorlog, werd dit ‘verleden’ van Marja weer opgerakeld door Hans van Straten en door W.F. Hermans.
    Na de HBS gaat Marja Nederlands studeren, maar na een jaar houdt hij er al gedesillusioneerd mee op, dankzij het totale gebrek aan belangstelling voor moderne letterkunde aan de faculteit. Hij wordt journalist.
    In de oorlog helpt hij bij het opzetten van een illegale reeks, waarin werk voorkomt van onder meer Gerrit Achterberg, Simon Vestdijk en Koos Schuur. Hij is niet echt betrokken bij het verzet. Een zeer ernstige darmontsteking zorgt ervoor dat hij ook niet door de Duitsers ingezet kan worden.
    Marja verdeelde de dichters in zijn essayistische en kritische werk altijd in twee groepen: de anekdotici en de lyrici, waarbij hij zichzelf tot de eerste groep schaarde.
    Als dichter is Marja bijna altijd te laat geweest. Hij sloot zich pas aan bij de ideeën rond het tijdschrift Forum op het moment dat er al een andere wind in poëzieland waaide. Hij moest niets hebben van de Vijftigers. In 1958 schreef hij: ‘het is in poëticis altijd boeiender nieuwe wijn in oude lederen zakken te doen, met kans op barsten, dan deze wijn, zonder zakken bij de hand te hebben, zo maar uit te gieten!’ (Tussen de gemaskerden) Pas in zijn laatste bundel Van de wieg tot het graf komt hij terug op dat oordeel. In die bundel staan gedichten zonder rijm, zonder vaste strofenbouw en met minimale interpunctie.
    Als het literaire publiek hem ergens van kent, dan zijn het zijn practical jokes. Wim Hazeu schreef in de jaren tachtig een bijlage van Vrij Nederland vol over deze poëet, wat later een boekje werd en dat heet veelzeggend: A. Marja, dichter en practical joker. Hoe hij Ab Visser eens een lange dagreis naar Zeeland liet maken voor een lezing, die toen hij daar aan kwam bemerkte dat er niemand was die op hem wachtte. Hoe hij de fanfare liet aanrukken om uitzendingen uit de studio van de jonge regionale omroep te overstemmen. Hoe hij taxi’s voor jan en alleman bestelde. De door hem bewonderde Achterberg zei al: ‘Je moet veel van Marja houden om van hem te kunnen houden.’
    Op 10 januari 1964 overleed hij: als dichter niet echt geliefd, als criticus niet echt gevreesd.

    Ik riep mijn moeder, maar zij was
    al lang gestorven en begraven,
    en buiten zag ik kind’ren draven
    door het besneeuwde voorjaarsgras,

    en ik wist, dat er nooit een kind
    naar haar zou heten, maar ik zag
    mij schrijvend aan het boek, waarin
    haar wezen zou zijn saamgebracht.

    Het is vergeefs: wie dag en nacht
    vergeefs met woorden heeft gewacht
    tot een daarvan weer zingen zou,

    beschrijft zijn moeder niet, maar lacht
    wat schamper om de vroeg’re rouw:
    zij blijkt hem vreemd, een dode vrouw

    · Stalen op zicht (1937)
    · Eenvoudig schilderij (1939)
    · Omneveld havenlicht (1939)
    · Snippers op de rivier (1941) roman
    · Zon en sneeuw (1942)
    · Waar ik ook ga (1945)
    · De keuze (1947)
    · Van mens tot mens. Gedichten 1935-1946 (1948)
    · Binnendijks/Buitendijks (1949) essays
    · Confidentieel (1952)
    · Traject (1955)
    · Voor de bijl (1955) bloemlezing polemische geschriften
    · Man van dag en nacht (1956)
    · Over de kling (1956) bloemlezing polemische geschriften
    · Reislust (1957)
    · Zich lekker voelen (1957)
    · Tussen de gemaskerden (1958) proza
    · Wat ik speelde (1959)
    · Nochtans een christen (1962)
    · Van de wieg tot het graf (1963)
    · Tussen Beerta en Parijs ? Nagelaten teksten (1986)

    Links:
    http://www.chroom.net/marja/marja2002kv.htm
    http://www.schrijversinfo.nl/marjaa.html

    Coen Peppelenbos

  • Jan Cremer Sr.

    Nederlands romanschrijver, schilder en graficus (Enschede 20.4.1940). Volgde aanvankelijk een opleiding tot kunstschilder in Arnhem, Den Haag en Parijs. Schreef vanaf 1961 reportages voor de Haagse Post. Kreeg op slag nationale en internationale bekendheid met de als ‘onverbiddelijke bestseller’ gepresenteerde autobiografie Ik Jan Cremer, waarmee hij in 1964 debuteerde. Het boek, dat moeilijk los te zien is van de mentaliteitsverandering die in het midden van de jaren zestig in de Nederlandse samenleving plaatsvond, werd vooral bij de opgroeiende generatie erg populair, maar stuitte bij ouderen op veel verzet vanwege de voor die tijd ongekende vrijmoedigheid op seksueel gebied, waarvoor Henry Miller onmiskenbaar als voorbeeld had gediend. Als geen ander begreep Jan Cremer dat het schandaal rond het boek kon worden uitgebuit. Hij zelf was vaak de motor achter een aantal mythen die rond de uitgave zijn ontstaan en dat bleef niet zonder resultaat waar het de verkoopcijfers betreft.

    Ik Jan Cremer is te beschouwen als een moderne schelmenroman. Het relaas van authentieke ervaringen die de auteur-hoofdpersoon tijdens zijn vele beroepen en omzwervingen heeft opgedaan, wordt afgewisseld met de meest fantastische en avontuurlijke verhalen, zonder dat daartussen een scheiding wordt aangebracht. In de belevenissen van de hoofdpersoon nemen seksualiteit en geweld een belangrijke plaats in, maar tevens wordt hij gekenmerkt door een wat naïeve dierenliefde en een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel. De onopgesmuktheid, vaart en spanning van zijn verteltrant heeft Cremer in zijn latere werk niet meer geëvenaard.

    In 1966 verscheen een vervolg onder de titel Ik Jan Cremer. Tweede boek. De controverse rond dit tweede boek komt onder meer tot uiting in de toekenning van de Prozaprijs 1967 van de gemeente Amsterdam: de jury was verdeeld en de uitreiking werd lange tijd uitgesteld.

    Vlak na het verschijnen van Ik Jan Cremer vertrok Cremer naar New York waar hij actief was als schrijver, kunstschilder, fotograaf en filmer. Vervolgens schreef hij vanuit Canada reisreportages, onder meer voor Avenue. Lange tijd verbleef Cremer in Zwitserland en Duitsland, waar hij rust zocht om aan zijn omvangrijke roman De Hunnen. Oorlog, Bevrijding, Vrede (3 dln, 1984) te werken. Persoonlijke oorlogservaringen worden hierin geplaatst tegen het bredere decor van de wereldgeschiedenis waarin alles zich lijkt te herhalen.

    Van 1976 tot 1983 verscheen de Jan Cremerkrant, waaruit de toenmalige populariteit van de auteur blijkt, zoals ook uit het feit dat in 1985 in Groningen een rock-opera in première ging die gebaseerd is op Ik Jan Cremer en die geregisseerd werd door Franz Marijnen.

    Cremer houdt zich de laatste jaren vooral bezig met zijn schilderwerk. In 1996 was er een overzichtstentoonstelling van zijn beeldend werk in Amstelveen.

    Bibliografie 
    1964 Ik, Jan Cremer
    1966 Ik, Jan Cremer, tweede boek
    1969 Made in USA
    1969 The late late show & Oklahama Motel
    1976 Sneeuw, reportages
    1978 Jan Cremer's logboek
    1978 Het zwijgzame korps
    1980 Tropen
    1980 De avonturen van Jan Cremer, bevat: Sneeuw, Tropen, de billen van Jan Cremer, Kerstmis op de Bahama's.
    1984 De hunnen. Oorlog, Bevrijding, Vrede
    1999 De Venus van Montparnasse
    2005 Brieven 1956-1996  (verschijnt deze week)

    Bron: www.dbnl.org

  • Italo Calvino (1923-1985)

    Italo Calvino wordt geboren op 15 oktober 1923 in Santiago de Las Vegas, Cuba. Zijn beide ouders zijn op dat moment werkzaam als reizende botanisten. In 1925 verhuist het gezin  naar een landgoed in San Remo, aan de Italiaanse Riviera. Calvino brengt zijn kindertijd door tussen de tropische bomen en planten, maar raakt al snel geïnteresseerd in een ander soort vegetatie: die van het geschreven woord.

    In 1940 neemt Calvino, als gedwongen lid van de Jonge Fascisten, deel aan de Italiaanse bezetting van de Franse Riviera. Een jaar later begint hij aan zijn studie landbouwkunde aan de Universiteit van Turijn, waar zijn vader lesgaf als professor tropische agricultuur. Tijdens de Duitse bezetting in 1943 breekt hij zijn studie af en sluit zich aan bij het Italiaanse verzet om te strijden in de Ligurische Alpen als lid van de Garibaldi Brigades. Hier is het, zo schrijft Calvino later, dat hij de kunst van het vertellen leert kennen: bij de partizanen aan het kampvuur. In 1944 wordt hij lid van de Partido Comunista Italiano.

    Na de bevrijding keert Calvino terug naar Turijn. Hij besluit zijn studie landbouwkunde niet voort te zetten, maar zich te werpen op de studie literatuur. Twee jaar later studeert hij af met een verhandeling over Joseph Conrad. Hij levert bijdragen voor het weekblad Il Politecnico en de krant L’Unita en gaat al snel werken bij de uitgeverij Einaudi. Hier ontmoet hij Cesare Pavese en Elio Vittorini, twee neorealistische schrijvers die hem introduceren in de linkse politiek. De moeilijke liefdes, een bundeling korte verhalen passen in Calvino’s neorealistische periode. Ook de historicus Franco Venturi en de filosofen Norberto Bobbio en Felice Balbo gaan tot zijn vriendenkring behoren.

    In december 1946 schrijft hij, in slechts twintig dagen, zijn eerste roman, Het pad van de spinnennesten. Hierin verweeft Calvino elementen uit zijn jeugd bij de partizanen. Vanaf 1948 werkt hij mee aan het communistische weekblad Rinascita. In 1950 keert hij terug naar Einaudi en krijgt hij de verantwoordelijkheid over de literaire bijdragen in La Piccola Biblioteca Scientifica-Letteraria. Na het lezen van het werk van de Russische formalist Vladimir Propp raakt hij bijzonder geïntrigeerd door de morfologie van de volkse verhalentraditie. Tijdens de jaren 50 legt Calvino zich toe op het verzamelen van volkse vertellingen uit heel Italië. In 1956 publiceert hij zijn Italiaanse volkssprookjes.

    Die fascinatie voor het fantastische leidt in 1952 tot de publicatie van De gespleten burggraaf, het eerste deel van Calvino’s latere drieluik, Onze voorouders. In 1957 en 1959 verschijnen het tweede en derde deel, De baron in de bomen en De ridder die niet bestond. Figuren als de gespleten burggraaf Medardo van Terralba, de baron in de bomen Cosimo Piovasco van Rondò en de ridder die niet bestaat Agilulf Emus Bertrandinus van Guildivern en de Anderen van Corbentraz en Sura, ridder van Selympia Citerior en Fez, bestaan op zich als de creatie van een grootse verbeelding, maar worden door Calvino bij een terugblik op het drieluik ook geplaatst in de realiteit van de tijdsgeest. Die vermenging van het fantastische met politieke en andere werkelijkheden is tekenend voor zijn oeuvre.

    In 1957 verlaat Calvino de Communistische Partij. Hij reist veel en bezoekt onder andere Rusland, de VS en Cuba, waar hij in 1964 de Argentijnse vertaalster Esther Judith Singer trouwt. Intussen is zijn Marcovaldo verschenen, het definitieve einde van zijn neorealistische periode. In 1965 publiceert hij Kosmi Komische verhalen, waarin hij ‘de spontane vorming van beelden en de doelgerichtheid van het redenerend denken met elkaar [wil] verenigen’. De hoofdpersoon, Qfwfq, is een altijd al aanwezige levensvorm die ‘getuige [blijkt] te zijn geweest van alles wat de theorieën over het ontstaan van het heelal veronderstellen’, maar die geschiedenis niet onproblematisch vertegenwoordigt.

    Twee jaar later verhuist Calvino naar Parijs, waar hij gedurende vijftien jaar, met tussenpozen, zal blijven terugkeren. Daar leert hij de literaire kringen Tel Quel en OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle) kennen en ontmoet hij schrijvers als Raymond Queneau, Georges Perec en Jacques Roubaud. Onder invloed van de écriture à contraintes roept hij op tot een literatuur die filosofie en wetenschap ademt, maar tegelijkertijd zijn afstand bewaart en theoretische abstracties en het schijnbaar concrete van de realiteit oplost. In de eerste helft van de jaren 70 verschijnen De onzichtbare steden en Het kasteel van de kruisende levenspaden. Over dat laatste boek schrijft hij zelf: ‘een boek dat een soort machine wil zijn voor de vermenigvuldiging van verhalen op basis van figuurlijke elementen met vele mogelijke betekenissen, zoals die van een spel tarotkaarten’. De onzichtbare steden is een boek dat zich op het complexe symbool van de stad concentreert, een symbool dat de schrijver ‘de meeste mogelijkheden heeft geboden om uitdrukking te geven aan de spanning tussen geometrische rationaliteit en wirwar van het menselijk bedrijf’. Marco Polo brengt hierin, uiterst miniem maar gedetailleerd, verslag uit aan Kublai Khan van zijn reizen naar tal van wereldsteden, plaatsen die in het echt niet bestaan.

    In 1979 brengt Calvino zijn hyper-roman Als op een winternacht een reiziger… uit. Hierin tracht hij ‘de essentie van de roman als zodanig weer te geven door die te concentreren in tien beginfragmenten van mogelijke romans, die op de meest diverse manieren een gemeenschappelijke kern tot ontwikkeling brengen, en die handelen binnen een raamwerk dat hen bepaalt en door hen bepaald wordt’. Een Lezer en een Lezeres volgen intrigerende verhaallijnen en komen zo terecht in een wijdvertakte vertelling die zich uitstrekt over gekende en ongekende literaturen.

    In 1983 schrijft hij nog Palomar, ‘een soort notitieschrift over minimale kennisproblemen, over manieren om relaties met de wereld tot stand te brengen, over beloning en frustratie in het hanteren van stilte en van taal.’ Meneer Palomar concentreert zich in zijn dagelijkse bestaan op geïsoleerde verschijnselen en bestudeert ze ‘tot in de kleinste details, met een hang naar precisie die grenst aan obsessie’.

    Op 19 september 1985 sterft Italo Calvino aan een hersenbloeding. Postuum verschijnt nog zijn Zes memo’s voor het volgende millennium, een erg intelligent, beeldrijk pleidooi voor een literatuur die zijn eigen voortbestaan kan garanderen. De voor dat soort literatuur zo nodige kenmerken lichtheid, snelheid, exactheid, zichtbaarheid en veelvoudigheid (het zesde, ‘consistentheid’, heeft hij nooit kunnen afmaken) worden steeds toegelicht aan de hand van voorbeelden uit de literaire traditie (ook zijn eigen werken) en moeten de literatuur van de toekomst gaan bepalen.

    Calvino’s oeuvre is groots in zijn opzet: de vermenging van het fantastische met het politieke, wetenschappelijke en later postmodernistisch meta narratieve geeft hem terecht een prominente plaats in de wereldliteratuur.

    Bronnen
    www.emory.edu
    www.kunstbus.nl
    authologies.free.fr

    Bibliografie
    Het pad van de spinnenesten (1947, Nederlandse vertaling 1993)
    En dan komt de raaf (1949, Nederlandse vertaling 1999)
    De moeilijke liefdes (1958; Nederlandse vertaling 1989)
    Onze voorouders (1960; Nederlandse vertaling 1986)
    De gespleten burggraaf
                De baron in de bomen
                De ridder die niet bestond
    Een dag op het stembureau (1963, Nederlandse vertaling 1994)
    Marcovaldo, of De seizoenen in de stad (1963, Nederlandse vertaling 1992)
    Kosmikomische verhalen (1965; Nederlandse vertaling 1983)
    De weg naar San Giovanni (1963-1977; Nederlandse vertaling 1992)
    De onzichtbare steden (1972, Nederlandse vertaling 1981)
    Het kasteel van de kruisende levenspaden (1973, Nederlandse vertaling 1982)
    Als op een winternacht een reiziger (1979, Nederlandse vertaling 1982)
    Palomar (1983; Nederlandse vertaling 1985)
    Zes memo’s voor het volgende millennium (1988, Nederlandse vertaling 1991)
    De betoverde tuin: de mooiste verhalen (1989, Nederlandse vertaling 1998)
    Waarom zou je de klassieken lezen (1991, Nederlandse vertaling 2003)

     

     

  • Marja Brouwers

    Marja Brouwers schreef talloze essays en artikelen over onderwerpen uiteenlopend van ‘Weinreb’ tot ‘Buffy the Vampire Slayer’ in o.a. HP/De Tijd en Vrij Nederland.
    Haar eerste roman Havinck (1984) was een groot succes. Het thema van de roman, het gebrek aan diepgang in relaties, wordt geïllustreerd door de zakelijk-ironische stijl waarin het boek geschreven is. Havinck, het verhaal van een advocaat en zijn dochter na de zelfmoord van de vrouw en moeder, werd in 1987 verfilmd door Frans Weisz.
    Brouwers’ volgende boek, de familiekroniek De Feniks heeft inhoudelijk veel overeenkomsten met haar debuut. Ook hier gaat het om het onvermogen van mensen om zich werkelijk te verdiepen in de wereld van een ander. Maar De Feniks heeft een complexere structuur dan Havinck, de drie generaties die in deze roman worden beschreven, hebben elk hun eigen vertelster, zodat er boeiende perspectiefwisselingen ontstaan.
    In 1989 verscheen de roman De Lichtjager, over een kunsthistoricus die, na een verblijf van vijftien jaar in de Verenigde Staten, terugkomt in Nederland. De directe aanleiding voor zijn terugkeer is de breuk met zijn tweede, Amerikaanse vrouw, maar de werkelijke reden ligt dieper. Ook hier wordt het verhaal verteld vanuit verschillende perspectieven en in verschillende stijlen. Thema in het boek is weer de onmogelijkheid van het slagen van een relatie tussen mensen (vooral wanneer hun filosofische ideeën afwijken). Het is het verhaal van een niet te ontwarren kluwen van leugen en bedrog, van haat tussen de geslachten.
    In haar meest recente roman (maart 2004) Casino verbeeldt Marja Brouwers op meesterlijke wijze de waan van het consumptietijdperk van het voorbije decennium, waarin economische en seksuele normen steeds verder verschuiven.

    Marja Brouwers werd met haar laatste boek Casino genomineerd voor de shortlist van de Libris Literatuurprijs. De winnaar van deze prijs zal op 2 mei 2005 bekendgemaakt worden.

    Bibliografie
    Havinck (1984)
    De Feniks, een familiekroniek (1985)
    De lichtjager (1990)
    Casino (2004)

    Met dank aan: www.debezigebij.nl

    ST
     

  • Willem Elsschot

    Willem Elsschot (Alfons de Ridder) werd geboren te Antwerpen op 7 mei 1882 als zoon van een bakker aan de Keyserlei. Hij vernoemde zichzelf toen hij ging schrijven naar de toen nog woeste landstreek gelegen tussen Herselt en Veerle, bekend onder de benaming ‘Elsschot’.

    Zijn moeder kwam uit de Antwerpse Kempen en was een gevoelige vrouw, een eigenschap die de zoon ongetwijfeld heeft overgeërfd, alhoewel zijn latere carrière in de zakenwereld doet vermoeden dat hij ook veel had meegekregen van de handelsgeest van zijn vader. Elsschot studeerde te Antwerpen aan het atheneum, maar voltooide zijn middelbare school niet. Hij verliet het atheneum en nam allerhande baantjes aan om in zijn levensonderhoud te voorzien. Reeds in zijn atheneumtijd vatte hij een liefde op voor de literatuur en de Vlaamse Beweging. Met enkele vrienden richtte hij een letterkundige kring op. In 1900 maakte hij samen met o.a. Lode Baekelmans en Herman Teirlinck deel uit van de redactie van het tijdschrift Alvoorder. In dit tijdschrift debuteerde Elsschot met zijn eerste gedichten die echter nooit (ook later niet toen hij bekend was) gebundeld werden.

    Op aandringen  van zijn broer ging hij in 1901 opnieuw studeren aan de Antwerpse Handelshogeschool. Drie jaar later was hij licentiaat in de handels- en consulaire wetenschappen. Hij nam actief deel aan het studentenleven en componeerde verschillende studentenliederen. Na zijn studies werkte hij eerst op kantoren te Parijs, Rotterdam en Brussel, tot hij zich in 1914 in Antwerpen vestigde. Ondertussen was hij gehuwd en vader geworden van vier kinderen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij secretaris bij het Provinciaal Oorlogsbureau van het Nationaal Comité voor Hulp en Voeding. Na de oorlog begon hij een reclamebureau, dat hij leidde tot aan zijn dood.

    In Parijs en Rotterdam gingn hij verder met het schrijven van gedichten die later werden gebundeld tot Verzen van vroeger. Zijn eerste roman verschijnt in 1913: Villa des Roses, gevolgd door Een ontgoocheling in 1921 en De Verlossing. Het zijn semi-naturalistische werken. In zijn latere werken Lijmen (1924), Kaas (1933), Tsjip (1934), Het been (1938), De leeuwentemmer (1940), Het tankschip (1942), Het dwaallicht (1946), ontwikkelt de schrijver meestal een ik-figuur, een soort alter ego, waarvan hij de lotgevallen met een niet aflatend cynisme, en soms op absurde wijze beschrijft.

    Willem Elsschot overleed te Antwerpen op 31 mei 1960. Zijn vrouw overleed één dag later. Zij werden begraven in hetzelfde graf dat zich bevindt op het kerkhof Schoonselhof te Antwerpen (zie afbeelding). De schrijver kreeg postuum de Staatsprijs voor literatuur.

    Het oeuvre van Elsschot, alhoewel niet omvangrijk, is van een ongekende waarde in de Nederlandstalige literatuur. Zijn stijl is uniek en tragi-komisch. Elke zin veroorzaakt een grimas op het gezicht, zo loepzuiver is het geschreven. Athenaeum-Polak en Van Gennep is twee jaar geleden begonnen met de originele heruitgave van Elsschots complete werk. Prachtige boekjes, grandioos verzorgd. Kaas, Tsjip en De Leeuwentemmer zijn vorige week verschenen.

    Voor meer informatie, bezoek de website van het Willem Elsschot genootschap: http://www.weg.be
     

    Bibliografie : 

    * Villa des roses (1913)
    * Een ontgoocheling (1921)
    * De verlossing (1921)
    * Lijmen (1924)
    * Kaas (1933)
    * Tsjip (1934)
    * Verzen van vroeger (1934, gedichten)
    * Pensioen (1937)
    * Het been (1938)
    * De leeuwentemmer (1940)
    * Het tankschip (1942)
    * Het dwaallicht (1946)
    * Verzameld werk (1957)
    * Vierspan (1962)
    * De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij : citaten en ongebundelde teksten (1975)
    * Zwijgen kan niet verbeterd worden : ongebundelde teksten (1979)

    (Voor dit stuk is gebruik gemaakt van informatie afkomstig van http://users.pandora.be/louis.jacobs/Elsschot.htm

    DdH