• Ingmar Heytze

    Ingmar Heytze werd geboren op 16 februari 1970 in Utrecht. Hij studeerde Algemene Letteren (afstudeerrichting Communicatiekunde) in zijn geboortestad en is de laatste jaren op vele literaire festivals te zien geweest: van Crossing Border (1997) en Lowlands (1997 en 1998) tot de Nacht van de Poëzie (1998, 1999 en 2003). Als gevolg van een tot op heden onbehandelbare reisangst treedt hij de laatste jaren vooral in en rond Utrecht op. Ingmar Heytze werkte als freelance journalist en columnist voor een grote hoeveelheid aan bladen, waaronder de Volkskrant, het Algemeen Dagblad, KIJK, Onze Taal en Avantgarde. Op dit moment schrijft hij elke week een column voor het Utrechts Nieuwsblad in de serie Kunstbroeders en publiceert hij elke maand een gedicht in Filosofie Magazine (Uit het ongerijmde). In het seizoen 1999-2000 was hij de eerste huisfilosoof van het Centraal Museum te Utrecht. In 2001 verschenen zijn verzamelde gedichten 1991-2001 in de bundel Alle goeds. De daaropvolgende bundel Het ging over rozen werd in 2002 gelanceerd met een historische publiciteitsstunt: de bundel werd in een oplage van 130.000 exemplaren integraal voorgepubliceerd als apart katern bij het Utrechts Nieuwsblad. In oktober 2003 verscheen Heytzes prozadebuut Ik ben er voor niemand, dat bestaat uit een kleine 200 miniaturen. Plannen voor 2004 zijn een toneelstuk voor de Utrechtse theatergroep Tweelicht, werktitel: De Nokia dialogen, een nieuwe dichtbundel met als werktitel Vertel nog eens over de wolven, een bundeling van de gedichtenserie Uit het ongerijmde voor Filosofie magazine en een uitgebreide editie van de Utrechtse gedichten.

    Zijn meest recente publicaties zijn de gedichtenbundel Schaduwboekhouding en Scooterdagboek. In dat laatste boek doet hij verslag van zijn poging van zijn reisangst af te komen door het veelvuldig berijden van zijn Vespa motorscooter.

    Bibliografie:
    Ik ben er voor niemand (Uitgeverij Podium, Amsterdam, oktober 2003)
    Het ging over rozen (Uitgeverij Podium, Amsterdam, november 2002)
    Alle goeds ? omnibus met de bundels De allesvrezer, Sta op en wankel en Aan de bruid (Uitgeverij
    Podium, Amsterdam, september 2001, herdruk november 2002)
    Aan de bruid (Uitgeverij Podium, Amsterdam, oktober 2000, herdruk maart 2001)
    Sta op en wankel*) (Uitgeverij Kwadraat, Utrecht, maart 1999, herdruk mei 1999)
    De allesvrezer*) (Uitgeverij Kwadraat, Utrecht, oktober 1997, herdruk oktober 1998)
    Alleen mijn kat applaudisseert*) (stichting LIFT, Amsterdam, 1989)
    Seks, de daad in 69 gedichten (oktober 2001, herdruk november 2002), Drugs, verslavende gedichten(april 2002) en Rock ‘n’ roll, klinkende gedichten (november 2002), poëziebloemlezingen incoproductie met Vrouwkje Tuinman voor Uitgeverij 521 te Amsterdam
    Hier heeft de oudste steen gelijk, Utrechts zomerdagboek 2001 (Uitgeverij De Prom, juni 2002)
    Het voordeel van de twijfel, huisfilosofisch dagboek (Centraal Museum, Utrecht, 2000)
    Utrechtse gedichten*) (selectie van zestien gedichten over Utrecht met prenten van Dick van Luijn,
    Erven J. Bijleveld, jaarwisseling 2001-2002)
    Tot nader order geen sterrenhemel*), foto/gedichtenboek met foto’s van Frans de Jonge,
    Museumnacht Utrecht, 2002
    Woordenspiegel*), foto/gedichtenboek met twaalf foto’s van Fred Prak, Hogeschool van Utrecht,
    december 1998.
    Verdomd interessant, maar gaat u verder, De taal van Wim T. Schippers*) in coproductie met
    Vrouwkje Tuinman (SDU Uitgevers, Den Haag, mei 2000, herdruk juni 2000, derde druk oktober
    2000)
    Schaduwboekhouding (Podium, Amsterdam 2005)
    Scooterdagboek (Podium, Amsterdam 2005)

  • Anita Desai

    Anita Desai werd in 1937 geboren in Mussoorie, India. Ze had een Bengaalse vader en een Duitse moeder. Haar opleiding volgde ze aan de universiteit van Delhi en in 1957 haalde ze haar diploma als Bachelor of Arts in de Engelse literatuur. Desai is onder andere lid van de ‘Royal Society of Literature’ in Londen en de ‘Academy of Arts and Letters’ in de V.S.
    Haar werk omvat korte verhalen, kinderboeken en acht romans. Twee daarvan stonden op de shortlist voor de Booker Prize: Clear Light of Day (1980) en In Custody (1984). Voor haar kinderboek The Village by the Sea (1982) ontving ze de Guardian Award en voor Fire in the Mountain de National Academy of Letters Award in 1978. Als romanschrijver debuteerde Desai in 1963 met The Peacock. Het boek werd in Engeland uitgegeven door Peter Owen, die gespecialiseerd is in literatuur uit de ‘Britse Gemenebest’ en van het Europese vasteland. Deze roman werd opgevolgd door Voices of the City in 1965, een kort verhaal over drie zussen: Amla, Nirode en Monisha. De eerste vrouw ziet de grote stad als een enorm monster, de tweede offert alles op voor haar carrière en de derde kan haar eigen leven niet verdragen in een oud en traditioneel huishouden in Calcutta.
    Verscheidene werken van de schrijfster gaan over spanningen tussen familieleden en de vervreemding van vrouwen uit de middenklasse van de maatschappij. In haar latere boeken worden ook thema’s behandeld als het Duits antisemitisme in Duitsland, het verval van tradities en het stereotiepe beeld van India dat in de Westerse wereld bestaat. Meestal zijn haar personages leden van de verengelste Indiase bourgeoisie en hebben zij huwelijksproblemen. Om te ontsnappen aan het saaie dagelijks leven doen zij vaak escapistische dingen. In Custody is een ironisch verhaal over literaire tradities en illusies in de academische wereld. Eén van de weinige romans van Desai die in het Nederlands vertaald zijn (zie onder Bibliografie), is Zwarte diamant (oorspr. titel Diamond Dust). In deze verhalenbundel belicht Anita Desai universele werelden: van India tot Canada en New England, van Cornwall tot Mexico komen boeiende personages tot leven. De hoofdrolspelers in deze vertellingen ondernemen een zoektocht en ontdekken plotseling dat ze over de schreef gaan of dat ze, tot hun eigen verbazing, zijn teruggekeerd op het punt waar ze begonnen zijn.
    Desai’s stijl in Zwarte diamant is indrukwekkend. Met humor, tact, charme en compassie beschrijft ze de levens van doodgewone mensen die zich in een volstrekt verwarrende wereld bevinden. Hun levens, verweven in cycli van hoop en teleurstelling, worden beheerst door de seizoenen of beperkt door conventies van gastvrijheid, vriendschap en familie, een thema dat reeds in haar eerdere werk (Voices of the City) voorkwam.

    Bibliografie:

    ?          The Peacock, 1963
    ?          Voices in the City, 1965
    ?          Bye-Bye, Blackbird, 1971
    ?          The Peacock Garden, 1974
    ?          Where Shall We Go This Summer?, 1975
    ?          Cat on a Houseboat, 1976
    ?          Fire on the Mountain, 1977
    ?          Games at Twilight and Other Stories, 1978
    ?          Clear Light of Day, 1980
    ?          Village by the Sea, 1982
    ?          In Custody, 1984 ? verfilmd in 1993, regie: Ismail Merchant, hoofdrollen: Shashi Kapoor, Shabana Azmi, Om Puri, script: Anita Desai
    ?          Baumgartner’s Bombay, 1988 (Nederlandse titel: Ontheemd in Bombay, Uitgeverij BZZTÔH, 2001)

    ?          Journey to Ithaca, 1996
    ?          Fasting, Feasting, 1999
    ?          Diamond Dust, 2000 (Nederlandse titel: Zwarte diamant, Uitgeverij BZZTÔH 2001)
    ?          The Zigzag Way: A Novel, 2004

    MvdB

    Bronnen:

    ?          http://www.kirjasto.sci.fi/desai.htm
    ?          http://www.bzztoh.nl/Boek.aspx?boek=396
    ?          http://www.saja.org/anitadesai.html

  • Jan Siebelink

    Op 13 februari 1938 geboren te Velp, in de Hertogstraat 15. Na een jaar verhuisden zijn ouders naar Bergweg 17, waar vader Siebelink een kleine bloemisterij begonnen was. Jan groeide op in een godsdienstig ‘zwaar’ milieu. Zijn vader, na een hemels visioen, had zich aangesloten bij een streng orthodoxe groepering. Omdat hij de christelijke school te licht bevond, bezocht Jan de Openbare Lagere school 1, aan de Jan Luykenlaan. Kinderen uit dit protestantse middenstandsmilieu behoorden het verder te schoppen dan hun ouders. Via de ulo kwam hij op de kweekschool, werd onderwijzer in Laag-Soeren, en studeerde in zijn vrije tijd Franse taal- en letterkunde. Tijdens die studie kwam Siebelink in aanraking met de Franse auteur van Nederlandse afkomst J.-K. Huysmans. Zijn decadente roman A rebours maakte door zijn verblindende stijl, religieuze preoccupatie en verheerlijking van het kwaad een verpletterende indruk op hem. Hij heeft het boek vertaald onder de titel Tegen de keer. Op de avond van de dag dat hij de vertaling inleverde, schreef hij in de huiskamer van zijn moeder, op de plaats waar zijn vader was overleden, zijn eerste verhaal: ‘Witte chrysanten’. Daarin wordt op subtiele wijze door de zoon wraak genomen op de bloemenwinkelier die de vader had vernederd. Met vier andere verhalen vormde dit zijn debuut Nachtschade (1975). Het boek viel op omdat het door zijn zwartromantische motieven als verval, dood. religie, afstand nam van het anekdotische realisme dat toen in de Nederlandse letteren heerste. Voor zover Siebelink een bewuste bedoeling had, wilde hij een naadloze verbinding tot stand brengen tussen het Hollandse realisme en de Franse literatuur uit het 19e-eeuwse fin-de-siècle. Over Nachtschade schreef Jan Geurt Gaarlandt in Vrij Nederland: ‘Als er zoiets bestaat als een volmaakt verhaal, dan is dat “Witte Chrysanten” ’.

    In dat oerverhaal ‘Witte chrysanten’ zitten reeds alle motieven die hij later in zijn romans De herfst zal schitterend zijn (1980), En joeg de vossen door het staande koren (1982), De overkant van de rivier (1990), zal uitwerken. Geleidelijk aan werd duidelijk wat die steeds terugkerende motieven waren: de kwekerij die steeds meer het beeld zou worden van het verloren paradijs, het duistere geloof van de vader dat, hoe exact en liefdevol beschreven, nooit begrepen zal worden, het middelbaar onderwijs, de sociale rangorde in een ogenschijnlijk genivelleerde samenleving en bovenal de jeugdjaren in het land van herkomst: Velp en omstreken.
    In de loop der jaren behield hij van de decadente thematiek alleen de verfijnde waarneming en zijn gevoel voor een broeierige atmosfeer over. Het leven op een school staat al centraal in zijn eerste roman Een lust voor het oog (1977). 

    Jan Siebelinks belangstelling voor de Franse literatuur ging verder dan het Franse fin-de-siècle. In een tijd waarin de kennis van de Franse literatuur in Nederland tot een minimum daalde, voelde hij zich ‘ de laatste der Mohikanen om de Franse glorie overeind te houden’ . In diverse weekbladen (vooral Haagse Post, later HP/De Tijd) publiceerde hij met regelmaat over Franse schrijvers die hem aanspraken. Ze zijn verschenen in de bundels De reptielse geest en De prins van nachtelijk Parijs.

    Hoezeer hij zijn persoonlijk stempel heeft gedrukt op zijn onderwerp, is te zien in Pijn is genot (1992), waarin wielrenners als Erik Breukink en Johan van der Velde als devote avonturiers worden neergezet. Bijna een reeks zelfportretten.

    Vanaf zijn eerste boek heeft Siebelink altijd de wens gekoesterd om als mannelijk auteur een klassieke romanheldin te scheppen. De wereldreizen in zijn jongste jeugd gingen allemaal naar ‘de overkant van de rivier’, naar Lathum en Duiven, geboorteplaatsen van zijn ouders en voorouders. In De overkant van de rivier, die bijna een eeuw omspant, beschrijft hij het leven van een sterke vrouw, van Hanna Innemee. Zij, eenvoudig boerenmeisje, komt terecht in een situatie die het uiterste van haar vergt. Ze slaagt erin het hoofd boven water te houden. De criticus van de Haagse Post, Jaap Goedegebuure schreef: ‘Deze Hanna heeft weet van de “aaneenschakeling der dingen”. Dit is Siebelinks beste boek tot nu toe, met intens geschreven hoogtepunten’.(31 maart 1990).

    In de roman Vera maakt hij opnieuw een vrouw tot hoofdfiguur. Nu is het een Haagse, uit de gegoede middenklasse. Opnieuw een krachtige vrouw. Siebelink: Ik geloof dat de vrouw sterker is dan de man, dat zij een groter reservoir aan kracht bezit dan de man om de wereld aan te kunnnen. Ik denk ook, ? ik besef dat mijn bewering gewaagd is ? dat vooral mannelijke auteurs in staat zijn om onuitwisbare vrouwenfiguren te scheppen. In de literatuur zijn er vele voorbeelden: Madame Bovary van Flaubert, Eline Vere van Couperus, Ina Damman van Vestdijk. Waarom zouden mannen dat beter kunnen? Misschien omdat zij meer oog hebben voor het raadsel van de vrouw. Een vrouwelijk auteur wil haar heldin helemaal transparant maken. Een mannelijk auteur zal het raadsel heel willen laten.

    De criticus Arjan Peters schreef in de Volkskrant (21 februari 1997) over Vera: ‘Op de laatste bladzij van zijn boek laat Siebelink haar achter op het terras van het Kijkduinse koffiehuis “Klein Seinpost”, waar je de zee kunt ruiken. Reis daarheen en je kunt haar zien zitten, een vrouw, een moeder van een kind, die al haar hele leven had ervaren dat haar aantrekkelijkheid vooral schuilt in haar onaanraakbaarheid. Die maakt haar mooi en tragisch (…) Jan Siebelink heeft een droomvrouw geschapen. Bijna 300 bladzijden lees je over haar en je hebt niet eens in de gaten dat hij kunst maakt. Maar je gelooft hem. Dat is de kunst.’

    Na Vera verschenen nog bij Meulenhoff o.a. Mijn leven met Tikker (1999) en Engelen van het Duister (2001). In die tijd is Siebelink verhuist naar uitgeverij De Bezige Bij, waar inmiddels een historische roman over Margaretha van Parma (Margaretha) (2002) en Eerlijke mannen op de fiets (2002) zijn verschenen. Met zijn laatste roman Knielen op een bed violen (2005) is Siebelink genomineerd voor zowel de NS Publieksprijs als de AKO Literatuurprijs.

    bron: http://www.jansiebelink.nl

  • Kristien Hemmerechts

    Kristien Hemmerechts werd in 1955 geboren te Brussel. Onlangs werd ze vijftig en dat wordt door uitgeverij Atlas groots gevierd. Veel van haar leverbare titels kun je voor 50% korting kopen. Ze studeerde Nederlandse en Engelse taal en literatuur in Brussel en Leuven. Na een specialiserende opleiding literatuurwetenschap in Amsterdam vestigde zij zich in Londen. Daar schreef zij haar eerste verhalen, in het Engels. 

    Na haar verblijf in Londen ging zij weer in Brussel wonen, waar zij assistente Engelse literatuur en Engelse taal werd aan de universiteit van Brussel. In 1986 voltooide zij haar doctoraat over het leven van de schrijfster Jean Rhys. In hetzelfde jaar werden haar Engelstalige debuutverhalen gepubliceerd in First Fiction series van Faber en Faber. Later werden deze verhalen door Geert van Istendael vertaald en opgenomen in de bundel Weerberichten (1988). Momenteel werkt Hemmerechts als docente Engelse literatuur aan de Brusselse universiteit. Sinds 1989 woont zij in Antwerpen. 

    In 1987 debuteerde Kristien Hemmerechts in het Nederlandse met de roman Een zuil van zout. Deze roman werd in manuscriptvorm bekroond en kreeg ook na publicatie lovende kritieken. Hemmerechts werd al snel een gevestigde naam in Nederland en Vlaanderen. Voor de verhalenbundels Weerberichten (1988) en ’s Nachts (1989) en de roman Brede heupen (1989) ontving Hemmerechts in 1990 de Driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse voor Proza Gemeenschap (de vroegere Belgische Staatsprijs). 

    Later verschenen de verhalenbundels Kerst en andere liefdesverhalen (1992), Lang geleden (1994), Kort, kort, lang (1996) en Amsterdam-retour (1995-1999), de romans Zonder grenzen (1991), Wit zand (1993), Veel vrouwen, af en toe een man (1995). Haar roman De tuin der onschuldigen (1999) werd genomineerd voor de longlist van de Gouden Uil. Tot haar recente romans behoren De kinderen van Arthur (2000), Een jaar als (g)een ander (2003) en De laatste keer (2004). 

    Ook als essayist krijgt Hemmerechts goede kritieken. Zo oogst ze veel bewondering met Taal zonder mij (1998), een (auto)biografisch essay over de Vlaamse dichter Herman de Coninck, de in 1997 overleden echtgenoot van Hemmerechts. 

    NEDERLANDSTALIGE TITELS

    1987, Een zuil van zout. Antwerpen: Houtekiet, roman.
    1988, Weerberichten. Antwerpen: Houtekiet, verhalen.
    1989, ’s Nachts. Antwerpen: Houtekiet, verhalen.
    1991, Zonder grenzen. Amsterdam: Arbeiderspers, roman.
    1989, Brede heupen, Amsterdam: Arbeiderspers, roman.
    1992, Kerst en andere liefdesverhalen. Amsterdam: Arbeiderspers, verhalen.
    1993, Wit zand. Amsterdam: Atlas, roman.
    1994, Lang geleden. Amsterdam: Atlas, verhalen.
    1995, Veel vrouwen, af en toe een man. Amsterdam: Atlas, roman.
    1995, Amsterdam-retour, Amsterdam: Atlas, reisverhalen.
    1996, Kort, kort, lang. Amsterdam: Atlas, verhalen.
    1996, Altijd met uw gezever, gij. Amsterdam: Atlas, essays
    1997, Margot en de engelen. Amsterdam: Atlas, roman.
    1998, Taal zonder mij, Amsterdam: Atlas, essay.
    1999, De tuin der onschuldigen, Amsterdam: Atlas, roman.
    2000, O, toen alles nog voorbij kon gaan, Beemster : Brokaat, essay
    2000, De kinderen van Arthur, Amsterdam: Atlas, roman.
    2001, Souvenir : verhalen, Amsterdam: Archipel, verhalen
    2001, Alle verhalen, Amsterdam: Atlas
    2002, Donderdagmiddag. Half vier, Amsterdam: Atlas, roman
    2002, Als je bij me weggaat… : de mooiste verhalen over relaties (samenst.), Amsterdam: 521
    2003, Hotel Terminus, Amsterdam : Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek
    2003, Een jaar als (g)een ander : dagboek: 5 februari 2001-15 februari 2002, Amsterdam: Atlas
    2004, De laatste keer, Amsterdam: Atlas, roman
    2005, De waar gebeurde geschiedenis van Victor en Clara Rooze, Atlas, Amsterdam, roman

    http://www.kubrussel.ac.be/onderwijs/personeel/hemmerechts/hemmerechts.htm

     AMvdP

     

     

  • N.M. Wijnberg

    'Over alle poëzie van Wijnberg hangt een waas van anonimiteit, van onaanwijsbaarheid zelfs, zijn verhalen zijn geschiedenissen zonder personages, aan zijn levenswijsheden lijken de bekende rationele of emotionele coördinaten te ontbreken. Hij is kortom een dichter die de lezer niet wil confronteren met een overbekende wereld' (Rob Schouten, Vrij Nederland, 8-10-1994). 

    Nachoem M. Wijnberg (1961, Amsterdam), hoogleraar Industriële Economie en Organisatie aan de Universiteit van Groningen, debuteerde in 1989 als dichter met De simulatie van de schepping in de reeks ‘De windroos’. Daarna verschenen er met regelmaat bundels van zijn hand en in 2003 verscheen Uit 7, een bloemlezing uit zijn eerdere werk, zeven dichtbundels. In 1997 ontving Wijnberg de Herman Gorter-Prijs voor Geschenken en Gerrit Komrij nam maar liefst zes gedichten van de dichter op in zijn bloemlezing Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw (herziene uitgave, 2004). In 2004 ontving hij de Paul Snoek Poëzieprijs voor zijn bundel Vogels.  

    Het werk van Wijnberg is in de loop der jaren steeds abstracter geworden en is doorspekt met verwijzingen naar de joodse religie, mythologie, filosofen, beeldend kunstenaars en dichters. Zo bevat zijn laatste bundel, Eerst dit dan dat (2004, Contact) veel gedichten die verwijzen naar Chinese dichters. 

    SU DONGPO

    Een gedicht moet over iets gaan; anders kan iemand niet zeggen
    of het gedicht overbodig is als hij kan zijn waar het gedicht over gaat.

    Wat hij kan zeggen, wat in zijn hart is: een gedicht als het een groter is dan het ander,
    teleurgesteld als het geen goed gedicht is.

    Een ander kan de woorden die te groot en te klein zijn
    vergeten als ballen die hij kort na elkaar hoog in de lucht gegooid heeft,

    maar neem hem zijn gedichten af en wat houdt hij over?
    Hij wil nog meer gedichten schrijven, genoeg om de halve wereld te vullen.

    © Nachoem M. Wijnberg, 2004
    Uit Eerst dit dan dat, Contact, 2004

    Meer voorbeelden van het werk van Nachoem M. Wijnberg zijn hier te vinden, net als een volledige bibliografie en meer achtergrondinformatie.

    Foto: Ronald Hoeben. Overgenomen van www.kb.nl

  • Sandor Márai

    Sándor Márai was tot voor enkele jaren een volslagen onbekende schrijver in Nederland en de rest van Europa. Uitgevers zagen er jarenlang geen brood in om zijn boeken uit te geven. Boeken die eerder van hem in het Duits vertaald waren, werden genegeerd. Daar kwam pas verandering toen het boek Gloed in 1998 in het Italiaans vertaald werd en door de critici daar geprezen werd. Frankrijk had al eerder drie titels vertaald. In 1999 was Hongarije het ‘Schwerpunkt’ op de Frankfurter Buchmesse en opeens begon het boek te lopen. Na een lovende bespreking van de invloedrijke Duitse criticus Marcel Reich-Ranicki op de televisie werd de roman een bestseller.
    Ook in Nederland werd Gloed een bestseller. Binnen anderhalf jaar verschenen maar liefst 11 drukken. Uitgeverij De Wereldbibliotheek heeft inmiddels ook een andere roman van Márai laten vertalen: De erfenis van Eszter. In dat boek zijn opmerkelijk veel paralellen te vinden met Gloed. Ook hierin is sprake van een ontmoeting na vele jaren, ook hier is passie in het spel (tussen man en vrouw) en is er een andere vrouw bij betrokken. En ook hierin vindt je een vertrouwenwekkende oudere figuur die bij de familie hoort, zoals Nini in Gloed.
    Sándor Márai heeft het huidige succes niet kunnen meemaken; hij pleegde zelfmoord in 1989.

    De op 11 april 1900 geboren Márai komt uit een burgerlijk, katholiek gezin. Zijn vader was advocaat in het Hongaarse stadje Kassa (nu Kosice in Slowakije). De familie van zijn vader komt oorspronkelijk uit Saksen. Als hij achttien is en Kassa wordt ingelijf bij Tsjecho-Slowakije vertrekt Márai naar de Weimarrepubliek om zich te bekwamen in de journalistiek. Via Leipzig, Berlijn en Frankfurt vestigt hij zich in 1923 samen met zijn vrouw Ilona (Lola) in Parijs waar hij artikelen levert voor de Frankfurter Zeitung.
    In 1928 gaat hij terug naar Boedapest. Met het autobiografische Bekentenissen van een burger krijgt hij enig succes. Het fascistische regime dat in de Tweede Wereldoorlog de dienst uit maakt in zijn vaderland laat hem vrijwel ongemoeid. Met de Duitse bezetting van Hongarije in 1944 duikt hij alsnog onder (zijn vrouw is joods). De bevrijding en daarna de overheersing van de Russen maakt hem sceptisch. In 1948 vlucht hij via Zwitserland, Italië en Canada naar de Verenigde Staten. In 1957 wordt hij Amerikaans staatsburger. Hij bleef in ballingschap in het Hongaars schrijven, maar succesvol was hij niet. Als zijn vrouw aan keelkanker is overleden wordt hij pessimistischer en somberder. Hij koopt een pistool. Als in de jaren daarna ook zijn aangenomen zoon overlijdt, heeft hij genoeg van het leven. Op 22 februari 1989 zet hij het pistool tegen zijn hoofd. 

    In het Nederlands vertaald:
    Gloed
    De erfenis van Eszter
    Land, Land!
    De opstandigen
    De gravin van Parma
    Kentering van een huwelijk

  • Tommy Wieringa

    Tommy Wieringa (Goor, 1967) debuteerde in 1995 met de roman Dormantique's manco. Zijn tweede roman Amok verscheen in 1997. In april 2002 verscheen zijn derde roman Alles over Tristan bij De Bezige Bij. In januari 2005 volgde Joe Speedboot, eveneens bij De Bezige Bij.

    Wieringa was mede-oprichter en redacteur van het literaire periodiek Vrijstaat Austerlitz. In de muziekgroep Donskoy experimenteerde hij met poëzie en muziek. In het voorjaar van 1998 verscheen van Donskoy de eerste en tevens laatste cd, Beatnik glorie. Voor de VPRO schreef hij het scenario voor de korte film Laatste wolf, uit de serie 'Goede daden bij daglicht'.
    Wieringa is een veelgevraagd podiumspreker en kan zowel op kleine podia als in theaterzalen goed uit de voeten. Hij trad onder meer op tijdens de festivals Crossing Border, Winterschrift, Double Talk, De Nachten (Antwerpen) en Lowlands.
    Hij werd net als Rutger Kopland, Marc Reugebrink, Hannie Rouweler en die lang vergeten dichter wiens naam wij u zullen besparen geboren in het Twentse Goor. Hij studeerde Geschiedenis te Groningen en later journalistiek te Utrecht. En hij heeft ondermeer als aanstekerverkoper en als lokettist bij de spoorwegen gewerkt.

    Van Vrijstaat Austerlitz verschenen vier nummers op papier (1997-1999); het vijfde nummer is als internettijdschrift verschenen in 2001. Reisverhalen van zijn hand verschenen in onder andere De Volkskrant en Rails. Gedichten van zijn hand verschenen eerder in o.a. De Rottend Staal Nieuwsbrief, Rottend Staal Online, De Opkamer en in enkele bloemlezingen. Hij schreef hoorspelen voor KRO-Radio en publiceert een wekelijkse column in het dagblad Spits!. Ook schreef hij journalistieke artikelen voor Vrij Nederland.

    bron: www.epibreren.com
    Zie ook: https://litned.hollands-spoor.com/web/forum/Post.aspx?TID=1023&Itemclicked=Onderwerp

  • Jeroen Olyslaegers

    De in 1967 geboren Jeroen Olyslaegers is een waar mediabeest, cultuurvreter en actualiteitskenner. Naast auteur van proza is hij toneelschrijver, columnist op Internet en radio, multimediavoorstander en in het verleden was hij literair programmeur, redacteur van het tijdschrift AS- Andere Sinema en filmrecensent voor de Humo.

    Maar laten wij ons voor deze site richten op zijn literair werk. In 1994 debuteerde hij met een korte roman getiteld ‘Navel. Theorema’ bij uitgeverij Kritak. De roman is geschreven in een flitsend idioom, met veel verwijzingen naar de beeldtaal van films en video, specifiek de Italiaanse film van Felini en Pasolini. De hoofdpersoon Gabriël wordt achtervolgd door een naar mannetje dat zijn leven over wil nemen. Gabriël heeft als student gespeeld in een remake van Pasolini’s passieverhaal, en de stalker tracht deze film opnieuw te maken, waarin hij de rol van Gabriël (als Jezus) wil perfectioneren. Daarnaast heeft hij al bijna alles gedaan om Gabriëls bestaan uit te wissen, of over te nemen, variërend van het vernoemen van zijn eigen zoon naar Gabriël tot het slikken van zijn zaad. Bij vlagen is het een erg leuk boek, en bij andere vlagen tamelijk vermoeiend omdat het woeste camerabewegingen in taal probeert te vatten en zo geheimzinnig associatief doet.

    In 1996 verscheen de verhalenbundel ‘Il faut manger’ bij Houtekiet/de Prom. Als schrijver van korte verhalen is Olyslaegers op z’n best. De verhalen in deze bundel, maar net zo goed de verhalen die her en der op Internet te vinden zijn, gaan over jonge hippe mensen, ‘Zeitgeistjunkies’ die van housefeest naar theater hoppen, en zijn volgestopt met seks, drugs & rock ’n roll. Een groep gevaarlijke zombies die een warenhuis belegeren blijkt alleen te bestaan in het hoofd van de paddestoelenetende hoofdpersoon, die aan het eind van het verhaal gewoon van de bijna verlaten dansvloer van een illegaal feest wordt geveegd. Rare kunstenaars, mislukte soapsterren en ander niet al te optimistisch volk moppert en danst door de verhalen. En ondanks het realistische beeld dat Olyslaegers van de nihilistische jaren negentig oproept, krijg je als lezer toch niet het idee met een volkomen ‘lost generation’ van doen te hebben; bijna altijd gloort er een sprankje hoop uit de woorden en daden van deze Nixers. Je zou de neiging hebben Olyslaegers te vergelijken met enkele Nederlandse auteurs die er een hoop lol in hadden feestende leeghoofden te portretteren (Giphart, Van Erkelens, dat slag), maar dan zou je Olyslaegers tekort doen. Daar is hij als schrijver te slim en te goed voor.

    Olyslaegers’ vooralsnog meest recente roman verscheen in 1999 bij Prometheus, en draagt de van Louis Paul Boon geleende titel ‘Open gelijk een mond.’ Zoals L.P. Boon trachtte met links engagement te vechten voor de onderdrukten, zo gebeurt dat heden ten dage niet meer. Maar bij Olyslaegers is wel degelijk een grote betrokkenheid bij de wereld buiten de schrijverskamer te merken. Het boek speelt zich af in de turbulente periode dat Marc Dutroux en zijn misdaden heel België in rep en roer brachten. Olyslaegers beschrijft een als dwaze koploze kippen rondrennend volk, dat o zo graag ‘iets’ wil doen met deze gebeurtenissen. Dat ‘iets’ kan het organiseren van een benefietfeest zijn, het maken van een theaterstuk, het oproepen tot stille marsen of het schrijven van een boek. Het boek is een zeer grappig verslag van een dolle samenleving die zijn angsten van zich af wil werpen, maar daar keer op keer in faalt. Onderzoeksjournalisten zijn corrupte klootzakken en de mannen die het hardst om reinheid roepen, hebben de stront nog niet achter hun oren gewassen. En aan de andere kant is het ook een schrijnend portret van goede bedoelingen en totale verrotting. Ook een personage dat de naam ‘Jeroen Olyslaegers’ draagt, met het toepasselijke beroep uitzendkracht, blijkt deel uit te maken van ‘het kluwen’ en is ook ‘schuldig’ in deze roman die als een trein doordenderend op zoek is naar ware schuldigen, en niemand in het bijzonder vindt, maar wel iedereen passeert. Iedereen wil wat zeggen over ‘het riool’, maar iedereen faalt.

    Wanneer het volgende boek van Olyslaegers verschijnt, is onbekend. Tot die tijd meoten we het doen met theatermateriaal en zijn op Internet verschijnende columns, zoals op www.battl.nl of van http://www.klara.be/html/columns/archief.html

    Patrick Bassant ? Literair Vlaanderen

  • Connie Palmen

    ‘Ik heb een oprechte, nare arrogantie in mijn werk; in het dagelijks leven voel ik me nooit beter dan wie ook en ben ik net zo onzeker als iedereen.’ (Bron: http://www.ncrv.nl/)

    Connie Palmen is voor sommige mensen de meest overschatte, voor andere de meest onderschatte Nederlandse auteur. Hoe je ook tegenover Palmen staat, een ieder moet toegeven dat ze niet meer weg te denken is uit de Nederlandse literatuur.

    Op 25 november 1955 wordt Connie Palmen geboren te St Odiliënberg, een dorpje in de buurt van Roermond. Al op jonge leeftijd is ze zeer geïnteresseerd in religie en geeft ze aan non te willen worden. Als ze echter op iets oudere leeftijd een boek van Jean-Paul Sartre over het existentialisme lees, wordt de toonaangevende rol van God in haar leven overgenomen door de filosofie, met name door de filosofen Sartre en Foucault.

    Op 22 jarige leeftijd vertrekt Palmen naar Amsterdam om Nederlands te studeren. Iets later begint ze ook aan de studie filosofie. In 1986 studeert ze cum laude af met een scriptie over In Nederland van Cees Nooteboom. Ook haar filosofie studie rondt ze met succes af. In 1988 studeert ze af met een scriptie die handelt over de relatie tussen filosofie en literatuur en met name over de onmacht van de taal om de werkelijkheid uit te drukken. In 1992 publiceert ze deze scriptie onder de titel Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates.

    In 1991 verschijnt De wetten, de debuutroman van de inmiddels zesendertigjarige Palmen. Deze roman, die duidelijk geïnspireerd is door het verhaal van Marieke van Nieumeghen, vertelt over de filosofiestudente Maria Deniet die in zeven jaar, met zeven verschillende mannen veel leert over zichzelf, het leven en de wereld.

    Twee weken na het verschijnen van De wetten is Palmen te gast in het radioprogramma Een uur Ischa, van Ischa Meijer. Deze ontmoeting zal haar leven veranderen. Niet alleen krijgt ze een intense relatie met Ischa Meijer, in 1995 overlijdt hij en drie jaar na zijn dood verschijnt I.M., een boek dat handelt over hun relatie, zijn dood en haar verwerkingsproces. De kritieken van I.M. zijn, zoals gezegd, van vernietigend tot uitermate bewonderend. Zo schreef Hans Warren over I.M. dat hij onder de indruk was van de ‘nietsontziende eerlijkheid’ van de auteur, terwijl Tom van Deel spreek van ‘voer voor voyeurs’.

    De roman die aan I.M. voorafging, De vriendschap, werd overwegend positief ontvangen en werd bekroond met de AKO Literatuurprijs 1995 en verschillende publieksprijzen, zoals de Trouw Publieksprijs voor het Nederlandse boek 1996 en Humo’s Bladwijzer 1996.

    De meest recente roman van Palmen verscheen eind augustus 2002 en is getiteld Geheel de uwe. De hoofdpersoon van deze roman vertoont opvallend veel overeenkomsten met Ischa Meijer; van zijn voorliefde voor hoeren tot de manier waarop hij sterft. De kritieken op Geheel de uwe waren overwegend  negatief, sommige ronduit vernietigend. Zo werd het boek een ‘egomane droomwens’ en ‘een zoetsappig keukenmeiderige soap’ genoemd. Connie Palmen blijft voor (sommige) recensenten een probleemgeval binnen de Nederlandse literatuur.

    Het werk van Connie Palmen wordt uitgegeven bij Prometheus. Buiten de in dit stuk genoemde romans verscheen in 1999 De erfenis, het boekenweek geschenk van dat jaar.

    AMvdP

  • Surinaamse auteur Ronald Julen bij Winternachtenfestival 2005

    Hoe je gestold bent, hoe je in elkaar zit
    In het voorjaar van 2005 reisde de Surinaamse dichter/schrijver Ronald Julen (1947) naar Nederland om deel te nemen aan het Winternachtenfestival. Een bekende Nederlandse auteur sprak hem daar aan en zei: ‘Wie ben jij, ik ken jou niet, ik lees nergens iets over je!’ Waarop Julen antwoordde dat hij niet aan de weg timmert en het niet belangrijk vindt of men hem kent of niet. De collega wiens naam hij niet prijs wenst te geven was verbouwereerd over zo’n bescheiden houding. Het typeert Ronald Julen die zijn dichtbundels in eigen beheer uitgeeft en voor wie schrijven vele malen belangrijker is dan gelezen worden. In het dagelijks leven is Ronald Julen Directeur bij het Ministerie van Defensie in Suriname.

    Bijna een godheid

    De poëzie van Julen raakt de kern van zijn niet te realiseren dromen en idealen. Alle gedichten, in het Nederlands, Sranan en het Engels, zijn geschreven rond één thema: de onbereikbare geliefde. ‘Veelal voer ik een geliefde ten tonele: Ed, spreek uit als ‘Eed’, zoals in Edith. Op de mulo-school correspondeerde ik met een meisje uit Oost-Duitsland, Edith, ongeveer een half jaar, daarna verdween ze uit mijn leven. Hoe zij dingen schreef… Het was een heel wijsgerige manier van schrijven. Ik ging Ed optrekken tot ze bijna een godheid was; een betere ik van haar maken. Pas met die Ed-figuur kan ik het beste van mij bereiken; zij maakt mij tot een geïntegreerde persoonlijkheid.’

    Levensadem

    De dichter: ‘De ontmoetingen, versmeltingen, met de geliefde vinden altijd plaats in een grensgebied, of daarbuiten. Daar waar de bergen zijn, daar is ook Ed. Daar staat het droombed, waarin geweldige seks bedreven wordt waarbij het regelmatig voorkomt dat de ik-figuur of Ed sterft, waarbij de dood echter ook telkens iets nieuws achterlaat… Ze ontglipt me steeds, of er zijn geen getuigen. Dan weer wil ze me in de steek laten. Buiten de grens kan ik zonder Ed niet ademen. Dan zuig ik haar levensadem in, en ben ik eufoor.’ Literatuurwetenschapper Michiel van Kempen ziet Ed nu eens als levensbrengster, dan weer als degene die alle kracht weg zuigt. Bewust heeft de dichter gekozen voor een afwijking van de normale vorm: hij gebruikt geen hoofdletters, geen interpunctie, en breekt soms woorden (en regels) op een geheel eigen wijze af.

    Botsingen

    Wanneer Julen schrijft raakt hij letterlijk begeesterd. ‘Het is vergelijkbaar met een winti (een geest, mv) die in je vaart, en waar je niet altijd controle over hebt.’ De jij-vorm is een vorm die de dichter steeds gebruikt in gesprek, net alsof hij zich daardoor toch niet helemaal blootgeeft. Het veelvuldig jij-gebruik bouwt een zekere afstand in. Toch vindt hij het zeer belangrijk te weten wie hij is. ‘Ik probeer een identiteit vast te stellen. Dat is een heel bewuste keus geweest na mijn eerste bundel. Vanaf het begin is dat een vast thema in mijn werk: de vervolmaking van de identiteit: weten wie je bent, het beste doen wat je kan. De bedoeling is om een weg te vinden, om wat in mij leeft er uit te laten. Het is veel meer dan alleen schrijven. Het is hoe je gestold bent, hoe je in elkaar zit’, verduidelijkt Julen.

    Iets raars

    Al op de mulo-school begon de dichter in Julen te ontwaken. ‘Ik voelde: er zit iets raars in me. Het was een totaal nieuwe wereld voor me. Ik ben van het platteland, Nickerie, kom uit een groot, arm gezin. Over de dammen liepen we naar school, daar waste je je voeten en deed je je schoenen aan. Er was geen electriciteit, tractoren kan ik me niet herinneren. Het waren de dagen van ossen en kapmessen. Inzaaien gebeurde met de hand. Toen ik tien was overleed mijn moeder. Het gezin viel uit elkaar. Ik kwam terecht bij een familie in de stad. Daar werd gelezen, véél gelezen. En zo begon het: door het lezen begon ik te schrijven.’ Gedurende de Kweekschool-periode begon de jonge Julen te schrijven als An, in de schoolkrant. ‘Je durfde niet als jezelf, zeker niet als jongen! Onderling stonden we dan te praten: “Wie is dat meisje, ze kan goed schrijven hoor! Ik wil haar best wel leren kennen!’ Ook ik deed mee, durfde niet voor mijn geheim uit te komen.’ In 1980 begon hij te schrijven onder zijn eigen naam. Zijn debuutbundel ontmoeting in het duister verscheen in eigen beheer, evenals de latere uitgaves. Ook is er werk van hem opgenomen in enkele verzamelwerken.

    Weggecijferd

    Zijn korte verhalen gaan meestal over marginale personages. Mensen die een eigen persoonlijkheid hebben, maar waar aan voorbij gegaan wordt. Wanneer ik vraag naar zijn voorliefde voor dergelijke figuren, antwoordt hij: ‘Vooral in de korte verhalen zal je veel herkennen van mijn eigen leven. Er zijn veel situaties geweest, vroeger, waarbij ik ben weggecijferd. Ook in het hier en nu zie ik vaak hooggeplaatsten voorbij gaan aan de kleine man. Ik probeer ook te kijken naar de kleine mensen, met hun kleine behoeften. Niet over hun heenkijken, maar juist hun bijzonderheden zoeken.’

    Voor Ronald Julen staat schrijven gelijk aan zelfbevrijding. ‘Er is iets wat jou er toe beweegt, fu bar’ en puru (om het uit te schreeuwen, mv), en dan, als je dat doet, dan voel je je prettig. Als je eet, en je hebt maar een heel klein stukje vlees, dan bewaar je dat tot het allerlaatst. Je neemt het in je mond, je zuigt eraan, en pas bij de laatste hap slik je het door. Zo is het ook met schrijven. Dit is hét, dit is ultimo, ik móet dat gewoon doen. Ik hoef niet te volleyballen.’ Julens gezicht kijkt bijna vies bij de gedachte. En licht daarna weer op als hij besluit: ‘Nee, als ik maar kan schrijven…’

    Gedicht uit als de tijd stilstaat

    ik droomde
    vannacht
    van je
    ed
    in een land
    zonder grenzen
    een droom
    die begon
    met een wilde
    omhelzing
    in een tijd
    loos uur
    ik droomde
    van je
    godin
    je kwam
    als een
    wervel
    wind
    en blies mij
    leven in
    je sprong
    zomaar
    van over de
    grens
    in dit land
    zonder begin
    zonder einde
    ik droomde
    van je
    vannacht
    ed

     

    Gedichten van Ronald Julen zijn verschenen in verschillende bloemlezingen, waaronder de Spiegel van de Surinaamse poëzie (1995) en Mama Sranan (1999). In 2003 publiceerde hij in eigen beheer de dichtbundel Als de tijd stilstaat

     

    Foto: Serge Ligtenberg

    What do you want to do ?

    New mail

  • Heere Heeresma

    Over het leven van Simon Heere Heeresma weten wij eigenlijk weinig. De schrijver zelf hult zich het liefst in nevelen.  Toch weten we dat zijn grootvader van vaderszijde kapitein van een zeeklipper was en grootvader van moederszijde reder en dat Heere op 9 maart 1932 als zoon van Heere Heeresma en Hendrika van der Zwan in het huis aan de Speerstraat 5 in Amsterdam-Zuid in een zeer christelijk gezin werd geboren.
    Zijn vader, die overleed toen Heere 12 jaar was, stond bekend als een eigenzinnig theoloog en godsdienstleraar met een eigen tijdschrift (De Flambouw, 1932-1941). In het gezin worden nog twee zonen geboren, te weten Marcus (1936) en Faber (1939), die beide als schrijver respectievelijk schrijver en etser bekend werden.
    Heere ging enige jaren naar de HBS en had daarna aan een groot aantal baantjes zoals leerling-typograaf bij De Bussy (Amsterdam), ‘duizendpoot’ in een kruideniersbedrijf, loopjongen bij de N.V. Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek (Amsterdam), vertegenwoordiger bij E.G. Bouwer’s Handelsvereeniging (Amsterdam), verkoper bij Meijer’s lederwaren, leder en fournituren (Amsterdam). Hij werd afgekeurd voor militaire dienst wegens algehele psychische instabiliteit. Zijn kijk op de wereld botst met de opvattingen van de meeste mensen om hem heen. Nadat zijn oom, die voogd over hem is, overlijdt wordt hij anderhalf jaar in een internaat in Wapenveld (bij Zwolle) geplaatst. Op 21-jarige leeftijd stapt hij als zelfstandig jongeman de maatschappij in.
    In 1954 debuteert Heere met de dichtbundel Kinderkamer. Hij woont en werkt dan afwisselend in Amsterdam en Den Haag. Dochter Marijne wordt in 1957 geboren maar over haar en haar moeder ontbreken nadere gegevens.
    Als copywriter is Heere uiteindelijk wel succesvol maar dit valt voor hem niet te combineren met zijn werk als auteur.
    Heere is inmiddels freelancer als in december 1961 zoon Heere jr. wordt geboren uit zijn huwelijk met Louise Cornets de Groot. Hij zet in 1963 definitief een punt achter zijn werknemersbestaan en begint voor zichzelf als literair auteur. In die tijd zweert hij de alcohol af, naar eigen zeggen omdat hij van nature een alcoholist is en vele malen ter ontnuchtering ingesloten is geweest en zelfs een ontwenningskliniek heeft bezocht.
    Naast zijn werk als recensent voor Elsevier begint Heere met het schrijven van verhalen en romans zoals Bevind van zaken en Een dagje naar het strand, welke beide verschijnen in 1962. Om verder in zijn onderhoud te kunnen voorzien schrijft hij diverse zogenaamde realistische romans en pornoverhalen, die hij zelf genrepersiflages noemt. Hij gebruikt daarvoor de pseudoniemen Johannes de Back, Ben Bulla, Rochus Brandera en Horst Liederer. Vanaf 1982 zijn deze boeken opnieuw uitgegeven onder zijn echte naam.
    Als eenling treedt Heere in 1969 toe tot de redactie van het literair magazine Soma, als man van de ‘Akties en Attrakties’, een literaire functie die zijn bedoelingen in de wereld van het boek pregnant weergeeft: ‘weg met de Wichtigmacherei’. Zijn naam onder het Manifest voor de jaren zeventig (1970) is logisch. Ook daar was het doel brede lagen van de bevolking met literatuur te bereiken.
    Heere haalde zijn zoon van school uit protest tegen het onderwijsklimaat en was actief als bewoner van het juist uit de grond gestampte Bijlmermeer. In de jaren zeventig was Heere initiator dan wel zeer betrokken bij acties op het gebied van schrijversbelangen. Hij was gastredacteur van Propria Cures en had een column in de Haagse Post. Naast het schrijven start Heere een winkel in wasmachines e.d. in Enschede. In korte tijd heeft hij een viertal zaken, die hij echter in 1977 van de hand doet. In 1973 verhuist hij naar Les Combes Basses in de Franse Ardèche. Hij bleef ondertussen ook publiceren en de redacties van de schrijvende media bestoken met ingezonden brieven, waaruit zijn betrokkenheid bij het maatschappelijk leven blijkt.
    Vanaf 1979 komen opvallend veel verzamelde publicaties uit: verhalen, poëzie, spy-specials en interviews. In de pers verschijnen berichten over de zakenman Heeresma met een keten van wasserettes onder de naam Monsieur Laundry tussen Cap d’Agde en Menton aan de Franse Rivièra en een peepshow in Parijs.
    Heeresma ondermijnt in zijn werk de zekerheden van de mensen en relativeert de problemen zodat hij de lezer dwingt een eigen nieuwe keuze te bepalen. Vooral de burgermansmoraal wordt te kijk gezet. Hij doet dit vaak in een plechtige, ouderwetse stijl met gebruikmaking van uitdrukkingen in de spreektaal en een bepaalde overdrijving (hyperbool) om de zekerheden van de brave burgers te ondermijnen. Dit heeft een ironisch effect. Hij wil zijn lezers een spiegel voorhouden.
    Van 1993 tot 2003 verzorgde Heere wekelijks op de vrijdagavonden de weeksluiting van het radioprogramma De avonden van de VPRO. Hij las tijdens deze uitzendingen voor uit eigen werk.

    Bronnen

    Kritisch Literatuur Lexikon (1984)
    – J. van Bergen/H.A. Poolland, Literama modern, Walva-boek, Apeldoorn (z.j.)
    – Kees Jägers, ‘Heere Heeresma stapte drie jaar rond met plastic zakjes om lekkende schoenen’, Het Binnenhof (1983)
    – Henk Reurslag, De wereld van Heere Heeresma, De Prom, Baarn (1990)

    Bibliografie:

    1954 Kinderkamer, verzen
    1962 Bevind van Zaken, acht novellen
    1962 Een dagje naar het strand, roman
    1963 De vis, een allegorie
    1965 Juweeltjes van waterverf, verhaal
    1967 De verloedering van de Swieps, filmscenario
    1968 Geef die mok eens door, Jet!, verhaal
    1968 Werk van Heere Heeresma, een aardigheidje
    1969 Teneinde in Dublin, een dodelijke achtervolging
    1969 Hip hip hip voor de antikrist
    1972 Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp of over het leven, streven en sneven van een gewone hollandse jongen, zedenschets
    1973 Zwaamoedige verhalen voor bij de centrale verwarming, verhalen
    1973 Hallo hallo…bent U daar, Plotsky? Een spy-special
    1974 Vader vertelt
    1974 Deze verzen en gedichten die poezie ook, verzamelde lyriek
    1974 De sterke verhalen, verhalen
    1975 Mijmeringen naast mijn naaimachine. Over leed in het algemeen en de wat rijpere vrouw in het bijzonder, verhalen
    1975 Een aanranding in het Vondelpark, verhaal
    1976 Waar het fruit valt, valt het nergens, verhalen
    1977 Enige portretten van een mopperkont, verhalen
    1978 Heeresma Helemaal, alle verhalen
    1979 Eens en nooit weer…, verzamelde gedichten
    1982 Beuk en degel, verhalen
    1982 Een hete ijssalon en andere écht erotische verhalen, verhalen
    1982 Een vete met Fernand Auwera, verhalen
    1983 Femine, verhalen
    1983 Autobiografisch I, verhalen
    1983 Autobiografisch II, verhalen
    1983 Met de voet, angels en klemmen, verhalen
    1984 Gelukkige paren, verhalen
    1984 Hoge noot, verhalen
    1985 Kleppen en ventielen, verhalen
    1986 Spreekt met Winter en ’t komt in orde, verhalen
    1987 Geschoren schaamte, verhaal
    1989 Eén robuste buste, verhaal
    1989 Zingend langs de straten, verhalen
    1990 Juichend langs de einder, verhaal
    1991 Zingend langs de deuren, verhalen
    1992 Damesverband, zijn mooiste vrouwenverhalen
    1992 Beuken en Eikels, zijn mooiste mannenverhalen
    1992 Dronken deuren: uit een verzopen verleden, dagboek en foto’s
    1996 Sprookjes voor het sterven gaan
    1996 Zacht gelag: spaekersproza
    1997 Helemaal Heeresma, verzamelde romans

  • Ian McEwan

    McAbre is de bijnaam van Ian McEwan, geboren in 1948 in Aldershot, Kent. Hij woont nu in Oxford met zijn tweede vrouw en zijn twee kinderen uit zijn eerste huwelijk.
    En zijn inderdaad vaak macabere verhalen roepen bewondering en afkeer op. Al vanaf zijn eerste verhalenbundel De laatste dag van de zomer (1975) tot aan zijn laatste boek Zaterdag (2005) komen er absurde en gewelddadige passages voor. Zijn latere werkt kenmerkt zich meer door een literaire aanpak, waarin spelletjes met de lezer worden gespeeld.
    Gingen zijn eerste boeken vaak over macht en machtsmisbruik, waarin kinderen een hoofdrol speelden, later hebben zijn boek vaak een maatschappelijke insteek. In Amsterdam (1998) gebruikt McEwan het thema euthanasie; in de roman Eeuwige liefde (1997) belichtte hij het probleem van stalking. Geroemd wordt zijn originele insteek bij dit soort thema’s.
    Ian McEwan houdt van Amsterdam. Hij komt er vaak en aan zijn vrienden – de uitgever en diens vrouw –  Jaco en Elisabeth Groot heeft hij de roman Amsterdam opgedragen. Hij houdt ook van de natuur, vooral van de Chiltern Hills in zijn omgeving. Die voorliefde zien we terug komen in veel van zijn boeken. Toch houdt hij er niet van om een verbinding te leggen tussen zijn leven en zijn beken. ‘Ik ben een van die schrijvers die de voorkeur geeft aan bedenksels boven herinneringen.’ zei hij ooit in interview in de Volkskrant.
    De vijftigjarige McEwan won in 1998 met Amsterdam de meest prestigieuze en elk jaar meest omstreden Engelse literatuurprijs: de Booker Prize. Ook deze keer was er veel rumoer rond de prijs. Velen vonden Amsterdam niet het beste boek en zeker niet het beste boek dat McEwan ooit had geschreven. Critici verwachtten dat hij met Boetekleed opnieuw de prijs zou winnen omdat algemeen iedereen dit werk stukken beter vond. Maar in dat jaar won Peter Carey.
    In een interview met De Volkskrant over Boetekleed zegt McEwan geïntrigeerd te zijn door het begrip schuld. 'Schuld is volgens cognitief psychologen een vorm van zelfregulering. Ik vind dat heel interessant. Boosheid, walging en verontwaardiging gebruiken we om het gedrag van anderen te sturen. Met schuld controleren we onszelf, omdat we sociale dieren zijn.'
    Zijn laatste boek Zaterdag heeft opnieuw een politieke lading. De hoofdpersoon worstelt met actuele vragen naar aanleiding van de aanslag op de Twin Towers en de inval in Irak.  Zoals gewoonlijk bij McEwan worden die vragen geïntegreerd in een psychologisch verhaal. ‘Als ik mijn lezers slapeloze nachten bezorg omdat ze een boek van mij lezen, ben ik gelukkig,’ zei McEwan in een vraaggesprek met NRC Handelsblad. Je bent dus gewaarschuwd.

    First Love, Last Rites, 1975, De laatste dag van de zomer, verhalen
    In Between the Sheets, 1978, Tussen de lakens, verhalen
    The Cement Garden, 1978, De cementen tuin, roman (verfilmd)
    The comfort of strangers, 1981, De troost van vreemden, roman
    The Child in Time, 1985, Het kind in de tijd, roman
    Black Dogs, 1992, Zwarte honden, roman
    The Daydreamer, 1994, De dagdromer, jeugdroman
    Enduring love, 1997, Ziek van liefde, roman
    Atonement, 2001, Boetekleed, roman
    Saturday, 2005, Saturday, roman

    Homepage: http://www.ianmcewan.com/

    Coen Peppelenbos