• Paul Mennes

    Schrijver van de week: Paul Mennes

    Van deze Vlaamse schrijver hebben we al een flinke tijd niets meer gehoord. Tijd om in kort bestek de balans op te maken van zijn werk tot nu toe, opdat we optimaal voorbereid zijn op de komst van zijn volgende boek.

    Paul Mennes (1967) debuteerde met een knal in 1994. Zijn roman Tox (1994) was een zeer humoristisch beeld van de Lost Generation, de Generatie-X, de patatgeneratie of hoe de nihilistische pubers toen ook genoemd werden.
    Hoofdpersoon Tox is een graatmager joch van 16 jaar dat zijn dagen vult met zappen, cocaïne snuiven, het schrijven van een zelfmoordhandleiding. ’s Avonds hangt hij rond in lugubere kroegen en ’s nachts heeft hij masochistische fantasieën over de Blonde Motorgod. De grote vijand van Tox en zijn vriend Orf is de Grote Vrolijke Supermarkt waar elk mens bezwijkt onder een perverse koopdrang.
    Deze jongens zijn emotioneel afgestompt, tonen geen dadendrang, hebben een ronduit naar gevoel voor humor (bijvoorbeeld het vermalen van glassplinters door de coke) en natuurlijk loopt het niet goed af. Als Orf sterft aan een overdosis, is de reactie van Tox symptomatisch: de toedracht interesseert hem geen bal, verdriet toont hij niet. Hij accepteert het gewoon.
    Het boek trok de aandacht omdat Mennes als een van de eersten een portret maakte van deze generatie, en vooral omdat hij een stuk beter schreef dan zijn Nederlandse collega’s als Giphart of Van Erkelens.
    De personages zijn onvriendelijke nihilisten, maar de manier waarop Mennes ze toont, is erg grappig. Zo denkt Tox over zijn moeder: ‘Wat ik voor mijn draagster voel, voelen anderen voor hun afwasmachine: het is erg handig zo’n ding in huis te hebben, maar op den duur worden zelfs de paar minuten die je eraan spendeert te veel.’ Liever hangt hij in een disco, waar op monotone industrialmuziek geoefend wordt op de favoriete dans, de Waar Is Mijn Contactlens.

    Een jaar later verscheen Soap. Qua stijl ligt dit boek in het verlengde van zijn voorganger. In dit boek wordt echter een beter uitgewerkt verhaal verteld, waarin Mennes de televisie een groeiende rol toebedeelt. Het verhaal is verteld als een soapserie, maar dan op de manier van de nineties: veel seks, veel moorden en af en toe de valse sentimenten die nu eenmaal inherent zijn aan een soap. De personages in het boek kunnen de realiteit alleen te vergelijken met wat men kent van soaps (die op hun beurt juist op die realiteit geënt zijn): ‘Het lijkt op wat op de mensen op de televisie voor elkaar schijnen te voelen.’ en ‘Het was anders dan hij zich had voorgesteld. Het was anders dan op de televisie.’

    In 1997 verscheen Web, een bundel verhalen. Meer van hetzelfde, maar dusdanig goed en grappig dat dat in de verste verte niet negatief bedoeld is. Sterker nog, in korte verhalen heeft de lezer meer ademruimte, wat het lezen intenser maakt.

    In 1999 verscheen in samenwerking met computerkunstenaar Eric Joris Kaufhaus, een schitterend uitgegeven boek dat zo groot is dat het niet in mijn boekenkast past. Kaufhaus is een bewerking van Dante’s Inferno. De hel is hier een warenhuis, en de tekst is een soort toneeltekst of filmscript. Joris heeft beeldcollages bij de tekst gemaakt, en het geheel is een geslaagde samenwerking tussen woord en beeld.

    Mennes kwam in 2001 met een nieuwe roman, Poes Poes Poes. Hij was de patatgeneratie voorbij, en concentreert deze roman volledig op de hijgerige media. In een gehucht strijken twee rivaliserende cameraploegen neer omdat juist daar de naderende eclips totaal zal zijn. Het dorp raakt in rep in roer, en bereidt zich handenwrijvend voor op de komst van duizenden toeristen. In dit dorp heeft iedereen een klap van de molenwiek gehad. Het boek is nog steeds geschreven in Mennes’ snelle stijl, maar veel trager dan ouder werk. De dialogen zijn serieuzer, de beschrijvingen omvatten meer dan een tijdsbeeld van jongelui. Gelukkig valt er nog genoeg te lachen: ‘Als je de televisie, tijdschriften en boeken van tegenwoordig geloofde, zaten er achter elke struik twee dozijn pedofielen en minstens drie volleybalteams seriemoordenaars.’
    Mennes thematiseert de mediatisering van de maatschappij, die steeds meer drijft op reclame (‘koopporno’) en hypes, en hij bekritiseert de macht van televisie en het journalistentuig.

    Als we de ontwikkeling van Mennes volgen, kunnen we dus een volwassen boek verwachten dat echt iets te zeggen heeft over onze maatschappij. Mennes zoekt de actualiteit altijd op, maar schrijft steeds beter en intelligenter.
    Me dunkt dat Mennes na 2001 genoeg heeft gezien om een belangrijk boek te schrijven. Zijn nieuwe roman, Kamermuziek geheten, staat op de website van zijn uitgever Nijgh & Van Ditmar aangekondigd voor 2004, maar ik heb het nog niet gezien. We wachten onrustig af…

    Bibliografie:

    Tox (1994) Nijgh & van Ditmar/Dedalus
    Soap (1995) Nijgh & van Ditmar/Dedalus
    Web (1997) Nijgh & van Ditmar
    (alledrie samen uitgebracht onder de naam Toast)
    Met Eric Joris: Kaufhaus (1999) Nijgh & van Ditmar
    Poes Poes Poes (2001) Nijgh & van Ditmar

    Patrick Bassant – Literair Vlaanderen

  • Elias Canetti

    Nee, dit stuk gaat niet over Canetti, maar over zijn grote voorloper: Georg Christoph Lichtenberg. Hij doceerde aan de universiteit van Göttingen. Een klein, gebocheld mannetje (zijn fysieke onvolkomenheden zouden hem steeds ernstiger opbreken naarmate hij ouder werd) die erg populair was onder zijn studenten. Hij was fysicus en zijn lessen trokken studenten uit heel Duitsland vanwege zijn onconventionele manier van lesgeven. Hegel noemde hem in een voetnoot in een van zijn onverteerbare werken "geen filosoof". En dat klopt. In het Duitsland van de achttiende eeuw en negentiende eeuw gold alleen diegene als filosoof die het gehele universum, met alle elementen daarin, onderbracht in een sluitend systeem. Een Duitse afwijking bij uitstek waar Lichtenberg zich alleen maar in spottende zin over uitliet. "Systeemdespotie" verweet hij de academische wereld. Hij geloofde niets, althans in wetenschappelijk zin, wat zich niet middels een experiment aan hem had geopenbaard. Nu wordt dat met de meer abstracte kant van de natuurkunde vrij ingewikkeld, maar voor hem was het experiment een van de belangrijkste instrumenten van zijn vakgebied. Dat lijkt vreemd, maar hij stond dar in het academische milieu van de achttiende eeuw tamelijk alleen in.

    Ondanks alle natuurkundige werken die hij heeft gepubliceerd en ondanks een aantal ontdekkingen waaraan zijn naam verbonden bleef, verbleekte de reputatie van Lichtenberg na zijn dood vrij snel. Je moet wel een heel grote natuurwet ontrafelen wil je naam in het collectief geheugen voortleven. Noem mij tien namen van bekende natuurkundigen. Bereken daarna hoeveel beroemde schrijvers je kent.

    Roem vergaarde Lichtenberg met een bijproduct van zijn academische werk, de door hem nooit uitgegeven kladboeken die hij van 1765 tot kort voor zijn dood in 1799 bijhield. Die boeken vormen een vat vol briljante observaties, ideeën en aforismen waarvan sommige, althans in Duitsland, spreekwoordelijk werden. Zoals deze: "Een boek is een spiegel; als een aap er in kijkt, kan er geen apostel uit naar buiten kijken."

    Na zijn dood werd een selectie uit zijn kladboeken uitgegeven, waarna die uitgave de hele negentiende en twintigste eeuw na zou klinken. En zo werd de man die door Hegel uitdrukkelijk buiten het domein van de filosofie werd geplaatst de lieveling van filosofen als Schopenhauer, Nietzsche en Bertrand Russel. Het fragmentarische karakter van Lichtenbergs werk sloot een stuk beter aan bij de postmoderne twintigste eeuw dan de starre systeemdenkers die zijn tijdgenoten waren. Een bewonderaar als de nobelprijswinnende schrijver Elias Canetti maakte van die losse vorm zelfs een nieuw literair genre. In het voorwoord dat Cyrille Offermans schreef bij een recente Nederlandse vertaling van Lichtenbergs brieven citeert hij Canetti: "Dat hij (Lichtenberg) niets kan afronden, dat hij niets tot een eind brengt, is zijn en ons geluk; zo heeft hij het rijkste boek van de wereldliteratuur geschreven."

    Her rijkste uit de wereldliteratuur zou ik niet durven zeggen (is het werk van Lichtenberg echt rijker dan dat van bijvoorbeeld Montaigne?), maar het bevat wel veel scherpzinnigheid, wijsheid en humor. Dat laatste is voor een achttiende eeuwse Duitser op zich al opmerkelijk.

    Voor wie Lichtenberg niet in het originele Duits kan lezen is het helaas behelpen. In 1987 verscheen weliswaar een selectie uit de kladboeken, onder de titel Donderslagen op muziek, maar dat boek lijkt intussen te zijn opgelost. Jammer. We zijn dus nu aangewezen op de vertaalde brieven van Lichtenberg, die nu in de onvolprezen serie Privé-domein van De Arbeiderspers zijn verschenen. Een mooie selectie, waarin we Lichtenberg persoonlijker leren kennen dan in zijn kladboeken, maar niettemin jammer dat zijn belangrijkste werk intussen is zoekgeraakt. Hier althans. Frankrijk, Italië, Engeland, het boek is er moeiteloos te krijgen. Daarom ben ik ook voor de overbevolking van Nederland; hoe groter ons taalgebied, hoe vertaalder de wereldliteratuur.

    Tot besluit dan maar wat voorbeelden, ook al doet een selectie van vier aforismen hem niet bepaald recht:

    "Ik denk dat als iemand iets in de lucht wil bouwen, het beter kastelen dan kaartenhuizen kunnen zijn."

    "Twijfel moet niet meer zijn dan waakzaamheid, anders kan hij gevaarlijk worden."

    "Zo zegt men dat iemand een ambt bekleedt, terwijl hij door het ambt bekleed wordt."

    "Scherpzinnigheid is een vergrootglas, humor een verkleinglas. Het laatste leidt niettemin naar het algemene."

  • Adriaan Morriën

    Adriaan Morriën (5 juni 1912 – 7 juni 2002)
    Dichter, schrijver, criticus, vertaler

    Roem, erkenning, aanzien ? ach, wat is dat waard. Het is leuk als iemand na je dood nog eens een boekje van je doorbladert, maar ‘voortleven in je werk’ is natuurlijk een fictie.
     
    (interview in De Groene Amsterdammer, 29 januari 1997)
     Adriaan Morriën ontplooide veel literaire activiteiten: als dichter, schrijver, criticus en vertaler. Als geen ander drukte hij een stempel op de Nederlandse literatuur van na de Tweede Wereldoorlog. Zijn grote veelzijdigheid als auteur blijkt uit de honderden gedichten, duizenden recensies en tientallen vertalingen.
     Zijn eerste dichtbundel verscheen in 1939: Hartslag. De thematiek van deze bundel is typerend voor de rest van zijn werk: erotiek, de vrouw en de dood. Er volgden bij Van Oorschot nog veel dichtbundels, waaronder Luchtalarm (bij wat toen nog de verzetsuitgeverij De Bezige Bij was in 1945), Moeders en zonen en Oogappel. Bij uitgeverij G.A. van Oorschot verscheen in 1993 de bundel Verzamelde gedichten, die een mooi overzicht geeft van zijn werk.
     Ook als prozaschrijver verwierf Morriën bekendheid. Het meest bekend is Alissa en Adriënne, ‘een lofzang op het vaderschap’, dat in 1956 verscheen, en dat over zijn twee dochters gaat. Daarnaast verschenen er onder andere twee uitgaven in de reeks Privé-domein, Plantage Muidergracht en Ik heb nu weer de tijd, vol prachtig verwoorde en fijnzinnige observaties.
     Om in zijn levensonderhoud te voorzien schreef hij literaire kritieken voor diverse landelijke dagbladen (gebundeld in Brood op de plank), werkte als redacteur en adviseur bij uitgeverij G.A. van Oorschot en De Bezige Bij en bij enkele literaire tijdschriften. In die functie kwam hij bekend te staan als de ontdekker van schrijvers als Harry Mulisch, Gerard Reve en W.F. Hermans. Na een jarenlange vriendschap met Hermans raken de twee gebrouilleerd, wat tot uiting komt in de polemische geschriften De gruwelkamer van W.F. Hermans of Ik moet altijd gelijk hebben (Morriën) en Mandarijnen op zwavelzuur (Hermans).
     Als vertaler maakte Morriën vooral naam met Het verhaal van O van Pauline Réage en Les liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos.
     
    Een roman heeft Morriën nooit geschreven. Eigenlijk had hij niets met fictie. Zelf zei hij daarover: 
     De academische critici vinden mijn werk geen literatuur, omdat het niet bedacht is. Maar ik vind dat veel schrijvers het echte doel voorbij schieten. Zij zoeken het in de verte, in het gekunstelde. Ik zie toch bijna altijd de hand van de schrijver die alles manipuleert en karakters bedenkt die niet echt tot leven komen. […] het staat me tegen iets te verzinnen.[…] Ik put uit mijn herinnering en mijn ervaring. […] Ik beschrijf de dingen die ik zie en de mensen naar wie ik kijk in de metro en op straat. Ik verwonder of verheug me over een detail, een blik, een opmerking.
     
    (interview in De Groene Amsterdammer, 29 januari 1997)
     
    Morriën was een observator, iemand die genoot van kleine, dagelijkse dingen en daar in zijn miniaturen, zijn gedichten en zijn proza over schreef. Een volledige beschrijving van zijn werk is bijna ondoenlijk. Daarvoor moeten we nog even geduld hebben, er wordt gewerkt aan een biografie over zijn leven en werk door Rob Molin (verschijnt in 2005 bij uitgeverij De Arbeiderspers) 

    Bibliografie
     
    Hartslag (gedichten, Stols 1939)
     Landwind (gedichten, Stols 1942)
     Afscheid van Lida (novelle, Het Zwarte Schaap, 1944)
     Luchtalarm (gedichten, De Bezige Bij, 1945)
     Het vaderland (gedichten, De Bezige Bij, 1946)
     Een slordig mens (verhalen, G.A. van Oorschot, 1951)
     Vriendschap voor een boom (gedichten, Bezige Bij 1954)
     Een bijzonder mooi been (verhalen, Bezige Bij 1955)
     De gruwelkamer van W.F. Hermans, of Ik moet altijd gelijk hebben (Bezige Bij, 1955)
     Kijken naar de wolken (gedichten, De Bezige Bij, 1956)
     Alissa en Adrienne (De Bezige Bij, 1957)
     Concurreren met de sterren (literatuurbeschouwingen, Van Oorschot, 1959)
     Verzen van een vader (gedichten, De Bezige Bij, 1960)
     Moeders en zonen (gedichten, De Bezige Bij, 1962)
     Mens en engel (verhalen, Van Oorschot, 1964)
     Het gebruik van een wandspiegel (gedichten, Van Oorschot, 1968)
     Cryptogram (proza & gedichten, Van Oorschot, 1968)
     Waarom ik geen Dante-specialist ben geworden: (verhalen, Motion 1969 & ? zonder ondertitel ? De  Bezige Bij, 1973)
     Lasterpraat (gevarieerd proza, De Bezige Bij, 1975)
     Een mooi dik meisje zonder borsten (gedichten, Zonnebol, 1977)
     Avond in een tuin (gedichten, Van Oorschot, 1980)
     Oogappel (gedichten, Van Oorschot, 1986)
     Plantage Muidergracht (Privé-domein, Arbeiderspers, 1988)
     Het kalfje van de gnoe en andere miniaturen (Van Oorschot, 1992)
     Een toegevoegd zintuig (gedichten, Van Oorschot, 1992)
     De vinger van een dooie mof: verhalen, miniaturen, gedichten (Van Oorschot, 1995) 
    Ik heb nu weer de tijd (Privé Domein, Arbeiderspers, 1996)
     Brood op de plank: verzameld kritisch proza (2 dln, Van Oorschot, 1999)
     Lotus brieven: het verslag van een betovering (brievenbundel, Van Oorschot, 2001) 

    Uitgeverij G.A. van Oorschot publiceerde in 1961 en 1993 bundels Verzamelde Gedichten. Bij deze uitgeverij bestaan plannen om ook een bundel Verzamelde Verhalen te publiceren.

    Vertalingen
    Adriaan Morriën vertaalde onder meer werken van Albert Camus, Heinrich Böll, Sigmund Freud, Erich Kästner, Choderlos de Laclos (Les liaisons dangereuses), Guy de Maupassant en Pauline Réage (L’histoire d’O).

    Onderscheidingen
     De prijs van de Gruppe ’47 (1954)
     Martinus Nijhoffprijs (1962)
     Herman Gorterprijs (1988)

    In 2005 verscheen de biografie Lieve rebel, van Rob Molin bij de Arbeiderspers.

    Zelf zat hij in veel literaire jury’s, onder meer voor de P.C. Hooftprijs.

    Meer informatie over Adriaan Morriën: http://home.tiscali.nl/sylvester/morbio.htm
     
    ST

     

  • Bart Moeyaert

    'Met Bart Moeyaert als stadsdichter laat de stad een nieuw geluid aan bod komen. Hij wordt in Vlaanderen reeds door een breed publiek gedragen en is zowel bij jong als oud populair. Bart Moeyaert is één van Vlaanderens meest bekende en gelauwerde auteurs. Zijn werk is reeds in verschillende talen uitgegeven. Hij is thuis in meerdere genres (romans, theater en poëzie) en slaat bruggen naar muziek, podiumkunsten en multimedia. Moeyaert is erg vertrouwd met de stad. Hij woont in hartje Antwerpen en geeft les aan de afdeling woord van het conservatorium. Hij was al meerdere malen artistiek actief in HetPaleis en cultuurcentrum De Kern (Wilrijk).' Aldus de commissie die Bart Moeyaert voordroeg als nieuwe stadsdichter van Antwerpen, een titel die hij vanaf 26 januari 2006 twee jaar officieel mag dragen. 

    Bart Moeyaert werd geboren op 9 juni 1964 in Brugge. Hij werd vernoemd naar het personage Bartje van Anne de Vries en debuteerde op negentienjarige leeftijd zelf als schrijver. Moeyaert is een veelschrijver, niet alleen verschenen er kinderboeken van zijn hand, hij schreef ook romans voor volwassenen, toneelteksten, scenario’s, gedichten en essays over design.  Het werk van Moeyaert is onder andere te verkrijgen in het Zweeds, Noors, Duits en Japans.

    Hier geen uitgebreide biografie van Bart Moeyaert, daarvoor kun je beter gaan naar zijn eigen website, waar je ook een bibliografie, een quiz, fragmenten uit zijn romans, nieuwtjes, zijn eigen voorkeuren en interviews vind: www.bartmoeyaert.com

    Foto © Andy Huysmans

  • Ida Gerhardt

    Op 11 mei 1905 wordt in de Haarstraat in Gorichem Ida Gerhardt geboren. Vanuit deze plaats verhuist het gezin Gerhardt naar Rotterdam, waar Ida naar het Erasmusgymnasium gaat. Daar wordt zij in de klassieke talen onderwezen door de dichter J.H. Leopold, die sindsdien haar grote voorbeeld en leermeester is.
    Gerhardt gaat zelf klassieke talen studeren, in Leiden en Utrecht, en wordt lerares klassieke talen in achtereenvolgens Groningen, Kampen en aan De Werkplaats van Kees Boeke.
    In 1942 promoveert zij op een gedeeltelijke vertaling van Lucretius' De rerum natura. Later publiceert zij een vertaling van de Georgica van Vergilius, en samen met haar levensgezellin Marie van der Zeyde de psalmen, waarvoor ze speciaal Hebreeuws leerde. In 1968 krijgt ze de Martinus Nijhoff Prijs voor haar vertalingen.
    Als dichter debuteert zij in 1940 met de bundel Kosmos. Bekendheid verwerft ze echter pas met haar tweede bundel Het Veerhuis, die haar de Van der Hoogtprijs oplevert. Ze publiceert in totaal zestien dichtbundels, waarvan De Adelaarsvarens in 1988 de laatste is. Na tal van andere literaire prijzen krijgt ze in 1980 de P.C. Hooftprijs voor haar gehele oeuvre.
    Het werk van Gerhardt wordt gekenmerkt door een klassieke, strenge toon. In haar eerste dichtbundels speelt het Hollandse landschap een grote rol. In haar latere werk voegt zij daar als thema's aan toe angst en verbondenheid, religie, en het dichten zelf. Tot haar beroemdste gedichten behoren 'Onder de brandaris' en 'Het carillon', dat met de veelvuldig geciteerde regels eindigt: 'Nooit heb ik wat ons werd ontnomen/ zo bitter, bitter liefgehad.’
     
    Werken:
    Het levend monogram (zj.)
    Kosmos (1940)
    De natuur en haar vormen (De rerum natura) (1942)
    Het veerhuis (1945)
    Buiten schot (1947)
    Bij de jaarwende (1948)
    Kwatrijnen in opdracht (1949)
    Vergilius' Het boerenbedrijf (Georgica) (1949)
    Sonnetten van een leraar (1951)
    De argelozen (1956)
    De hovenier (1961)
    De slechtvalk (1966)
    De ravenveer (1970)
    Twee uur: de klokken antwoordden elkaar (1971)
    Vijf vuurstenen (1974)
    Het sterreschip (1979)
    Dolen en dromen (1980)
    De zomen van het licht (1983)
    De adelaarsvarens (1988)
    Hoefprent van Pegasus (1996)
    Gebroken lied: een vriendschap met Ida Gerhardt (1999)
    Verzamelde gedichten (3 dln.) (1999)
    Zeven maal om de aarde te gaan (2001)

    Uitgaven:
    Vroege verzen (1978)
    Nu ik hier iets zeggen mag (1980)
    Verzamelde gedichten (1980)
    Courage! (2005)
     
    bronnen: www.stapel.org, www.dbnl.org
     

  • Koen Peeters

    Schrijver van de week: Koen Peeters (1959)
     

    Afgelopen zaterdagmiddag was in het Brusselse Kaaitheater de presentatie van Koen Peeters’ eerste dichtbundel: fijne motoriek. Als prozaschrijver debuteerde hij al veel eerder: in 1988 met de roman Conversaties met K.
     
    Koen Peeters is het soort schrijver dat rustig voort werkt aan een uitdijend oeuvre. Het zijn geen spraakmakende boeken, maar stuk voor stuk fijn geconstrueerde pareltjes. In zijn oudste boeken toont hij zich een verzamelaar, een encyclopedist die een grote collectie aan weetjes verwerkt in zijn verhalen. Tekenend hiervoor is de Franse postbode Cheval, die in zijn vrije tijd een kasteel bouwde van de steentjes en het afval dat hij op zijn postronde vond. Peeters doet ongeveer hetzelfde, met dien verstande dat zijn kastelen boeken worden (niet te verwarren met kasteelromannetjes, trouwens). Het lezen van die boeken leert je ontzettend veel over kleine dingetjes: de okapi, buitenwijken van Brussel, Internet Relay Chat (zo heette MSN’en in 1996 nog), mail-art, Kuifje enzovoort. En vooral over België: België is volgens Peeters wat je krijgt als je Kuifje, James Ensor, Brussel, René Magritte, Koning Boudewijn, Côte d’Or, Jacques Brel, Marc Dutroux, Louis Paul Boon, Eddy Merckx, de Witte Mars, Paul van Ostaijen, Zwart-geel-rood en Marcel Broodthaers door een magisch-realistische vleesmolen duwt – een veelkleurig rommeltje. 

    Koen Peeters’ literaire blik lijkt met elke roman weidser te worden. Kort door de bocht geformuleerd klimt hij zijn eigen kelders uit om Brussel en België te aanschouwen. De milde ironische toon van vroeger lijkt wat scherper te worden en ook zijn onderwerpskeuze is veranderd. Op de verhalen over filatelie, Congo en de oude koning Boudewijn, zoals die te vinden zijn in zijn eerste boeken, volgen verhalen over internet, Sarajevo, het België na Marc Dutroux en New Age. Het is niet ernstig, mon amour (1996), een moderne variant op Nescio’s Titaantjes,  is bij tijd en wijle zelfs tamelijk grimmig. Niet erg grimmig – zo is Peeters niet.
     
    Acacialaan (2001) gaat over de toestand in België rond de zaak-Dutroux, en ook over twee dode schrijvers: Louis Paul Boon en Maurice Gilliams. ‘Gilliams en Louis Paul Boon beschouw ik als de twee (sterk contrasterende) referentieassen van het Vlaams proza van nu’ stelde Daniël Robberechts in 1978 vast. Waar Gilliams zich een aristocratische jeugd toedichtte en het liefst in zijn eigen hoofd woonde, is Boontje altijd trots geweest op zijn arbeidersmilieu en trachtte hij zich de wereld in te schrijven middels een radicaal engagement. Met die twee gidsen door het België van het fin-de-millennaire te reizen, levert de zoveelste interessante tocht van wandelaar en verzamelaar Peeters op.
     

    Patrick Bassant – Literair Vlaanderen

     

     
     

     

  • Willem Frederik Hermans

    De Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans (1921-1995) werd geboren in Amsterdam. Hij was het jongste kind van een onderwijzersechtpaar. Hermans bezocht het Barlaeusgymnasium in de hoofdstad en studeerde daarna sociografie aan de Universiteit van Amsterdam. Een jaar later, in 1941, koos hij voor fysische geografie.

    Willem Frederik Hermans debuteerde in 1944 met de gedichtenbundel Kussen door een rag van woorden. In 1947 verscheen zijn eerste roman Conserve. Meer succes had hij met De tranen der acacia’s, waarin de oorlog centraal stond. Het thema oorlog zou ook later nog in veel romans opduiken. Zijn beroemdheid werd dankzij het door de katholieke kerk aangezwengelde proces tegen de voorpublicaties van Ik heb altijd gelijk (1951) aanzienlijk vergroot.

    In 1958 werd Hermans benoemd tot lector aan de universiteit in Groningen. Hermans zou tot het begin van de jaren zeventig aan de universiteit verbonden blijven. Na een conflict nam hij in 1973 ontslag en vestigde zich in Parijs, waar hij tot het begin van de jaren negentig bleef wonen. Onder professoren (1975) en Uit talloos veel miljoenen (1981) spelen zich af in de universitaire wereld.
    Conflicten ging Hermans niet uit de weg. Interessante voorbeelden hiervan zijn te vinden in Mandarijnen op zwavelzuur en de essaybundels. In de jaren tachtig werd zijn bezoek aan Zuid-Afrika, waartegen een culturele boycot was ingesteld, door velen, en met name de stad Amsterdam, bekritiseerd.

    In 1993 werd zijn novelle In de mist van het schimmenrijk uitgegeven als boekenweekgeschenk.
    Naast gedichten, verhalen, novelles en romans schreef Hermans essays en een biografie over Mutatuli.

    Hermans was een tegenstander van literaire prijzen en weigerde de Prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945, de Vijverbergprijs en de P.C. Hooftprijs. In 1977 aanvaardde hij wel de Grote Prijs der Nederlandse Letteren. In 1990 werd door de universiteit van Luik een eredoctoraat letteren en wijsbegeerte aan Hermans toegekend.

    Andere belangrijke werken van Willem Frederik Hermans zijn: Het behouden huis (1951), Paranoia (1953), De donkere kamer van Damocles (1958), Het sadistisch universum (1964), Nooit meer slapen (1966), Herinnneringen aan een engelbewaarder (1971), Boze brieven van Bijkaart (1977), Houten leeuwen en leeuwen van goud (1979), Homme’s hoest (1980), Geyerstein’s dynamiek (1982), Klaas kwam niet (1983) en Au pair (1992).

    Dit artikel komt uit: Nederlandse Literatuur 1900-2000 (deel 1)

  • Ad Zuiderent

    De Nederlands dichter en leterkundige Ad (Adriaan Teunis) Zuiderent (’s-Gravendeel, 28 mei 1944) studeerde Nederlands Taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

    Van 1969 tot 1975 was hij docent Nederlands aan de Christelijke Scholengemeenschap Buitenveldert, de volgende vier jaar gaf hij Moderne Nederlandse Letterkunde en Vakdidactiek aan de Lerarenopleiding VL-VU, Amsterdam en van 1976 tot en met 1978 doceerde Zuiderent Poëzieanalyse aan de opleiding Nederlands MO-A van het Nutsseminarium, Amsterdam. 

    In 1979 trad hij in dienst bij de Vrije Universiteit, Amsterdam als universitair docent Nieuwe Nederlandse Letterkunde aan de Vrije Universiteit. Hij is nog steeds aan deze universiteit verbonden. In 1989 promoveerde hij aan de VU  tot doctor in de letteren op het proefschrift Een dartele geest, Aspecten van 'De chauffeur verveelt zich' en ander werk van Gerrit Krol.

    Zuiderent is naast letterkundige tevens dichter. Sinds 1966 publiceerde hij gedichten in literaire tijdschiften, zoals Merlyn, Raster, Soma, Maatstaf, De Revisor, Tirade, Nieuw Wereldtijdschrift. In 1968 debuteerde hij met de bundel Met de apocalytpische mocassins van Michel de Nostredame op reis door Nederland, waarin hij de door hem beleefde watersnoodramp van 1953 door middel van montagetechnieken in apocalyptische beelden bezweert.

    Zowel in zijn deze eerste bundel als in De afstand tot de aarde (1974) is Zuiderent bewust bezig de chaotische werkelijkheid te herscheppen in een nieuw universum, daarbij opnieuw experimenterend met de taal en toont zijn poëzie verwantschap met dichters als Lucebert en Ten Berge. In zijn derde bundel, Geheugen voor landschap (1979), vindt hij meer aansluiting bij dichters als Nijhoff, Bloem en Nescio.

    Voor zijn bundel Natuurlijk evenwicht (1984) ontving Zuiderent de Jan Campertprijs. Zuiedrent recenseerde proza voor het dagblad Trouw (1968-1976) en poëzie voor resp. het weekblad De Tijd (1980-1990) en het dagblad Trouw (1990-1992). Hij werkte incidenteel ook mee aan de dag- en weekbladen NRC Handelsblad, de Volkskrant, Vrij Nederland en De Nieuwe Linie.

    Momenteel is Ad Zuiderent werkzaam als universitair docent Nieuwe Nederlandse Letterkunde aan de Vrije Universiteit, Amsterdam. 

    Op deze persoonlijke webpagina van Ad Zuiderent vindt u een uitvoerige bibliografie van zowel zijn wetenschappelijk werk als zijn dichtbundels.

    portret Ad Zuiderent, © Chris van Houts

  • Trefossa

    Trefossa: onomstreden en unaniem bewonderd

    Trefossa (1916-1975), een naam die onlosmakelijk verbonden is met met de Surinaamse taal én met het Surinaams volkslied: hij schreef het couplet in het Sranantongo en bewerkte het Nederlandse couplet. Een groot taalkunstenaar die zeer geliefd was ? en is ? bij álle Surinamers. Voorwaar een grote prestatie om zo onomstreden te zijn en zo unaniem bewonderd te worden in deze kleine gemeenschap die het nooit ergens over eens lijkt te kunnen zijn…

    Trefossa is de naam die Henri ‘Henny’ Frans de Ziel als pseudoniem gekozen zou hebben nadat een pasgeboren Saramaccaans bosnegermeisje in zijn aanwezigheid die naam meekreeg toen men ‘blind’ een reeks letters uitkoos. Of is de andere lezing over de oorsprong van de naam van de dichter geloofwaardiger: een verwijzing naar de nederige Tryfosa uit de bijbel en tevens naar het joods-Surinaams woord ‘treef’ dat duidt op ‘verboden voedsel’?

    Henny de Ziel werd in 1916 in Paramaribo geboren. Trefossa was in Suriname leerling-verpleger, hoofdonderwijzer, directeur-bibliothecaris, leraar en redacteur van diverse literaire tijdschriften. Tussentijds verbleef hij voor zijn studie in Nederland, maar steeds keerde hij terug naar zijn geboorteland. Hij worstelde echter met zijn gezondheid en kwam in 1970, na een opname in het Academisch Ziekenhuis te Leiden, terecht in herstellingsoord Zonneduin te Bloemendaal. Daar ontmoette hij de toenmalige Zwitserse directrice Hulda Walser met wie hij in 1974 trouwde. Begin 1975 overleed hij.

    Hoe de dichter gebruikmaakte van het Sranantongo, ermee jongleerde, heeft ongetwijfeld veel goeds gedaan om het lingua franca van Suriname meer aanzien te geven en daarmee het gevoel van nationale eigenwaarde te vergroten. Soms maakte hij nieuwe woorden wanneer de woordenschat hem te klein werd. ‘Srefidensi’, de term die nu gebruikt wordt om Surinames onafhankelijke status mee aan te duiden, is daar een  goed voorbeeld van. In de verzamelbundel Ala poewema foe Trefossa geeft de Nederlandse taalkundige Jan Voorhoeve in het Woord vooraf aan dat De Ziels debuutbundel ‘het culturele leven in Suriname aangrijpend gewijzigd heeft’ en ‘de creativiteit van talloze Surinaamse dichters vrij gemaakt’.

    In Michiel van Kempens Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur staat een verklarende passage over de titel van Trefossas debuutbundel. ‘Trotji is een begrip uit de kawinamuziek en betekent: aanhef of voorzang. In de kawina geldt het principe dat één zanger het thema aanheft en de andere zangers het herhalen, waardoor een wisselzang ontstaat.’ Zo bekeken is Trefossa dan een succesvol voorzanger geweest.  

    mv
    mariekevisser@tabiki.com

    Publicaties Trefossa:
    Trotji. 1957.
    Ala poewema foe Trefossa. 1977.

    Werk opgenomen in onder meer:
    De tijdschriften Onze Gids, Het Onderwijs, Foetoe-boi, De Westindiër, Suriname-Zending en Mutyama (1990) .
    De verzamelbundels Wortoe d’e tan abra. Bloemlezing uit de Surinaamse poëzie vanaf 1957 (Paramaribo, 1971), kri, kra! Proza van Suriname (Paramaribo, 1972), Rebirth in words (Paramaribo, 1981), Sirito (Paramaribo, 1993), Spiegel van de Surinaamse poezie (1995) en Mama Sranan (1999).

    Gedicht uit Spiegel van de Surinaamse poezie. 1995.

    moro de gi Lulu

    bonyo èn brudu nomo? moro de!
    a gers’ mi tap’ a baka isri trarki
    èn soso arki nomo mi kan arki;
    fu go, mi no man waka go wànpe.

    ma moru wortu de na tra lanpe!
    ke fa m’e angri f’ broko ala barki
    fu go na dorosei èn si den marki,
    tak’ furu teigo-san’ e wakt’ ete.

    bun set’ ensrefi f’bari swit’ kumara
    na den d’e bribi wan son-tamara,
    d’ e wakt’ a baka fara wan nyun frudu.

    na dorosei wawan mi mus’ fu feni?
    grantangi f’ di mi buba opo greni
    fu m’ si sa’ e brenki in’ mi eigi brudu.

     
    er is nog meer
    voor Loulou

    slechts beenderen en bloed? er is nog meer!
    ‘t is alsof ik achter ijz’ren tralies zit
    en enkel en alleen maar luist’ren kan;
    ergens heen gaan, kan ik niet.

    maar er zijn nog meer woorden aan andere havens!
    ach, hoe sterk verlang ik te breken alle balken
    om vrij te komen en de tekenen te zien,
    dat vele eeuw’ge dingen wachten nog.

    de welgestelden zijn gereed voor mooie wensen
    aan hen die geloven in een zonnige toekomst,
    die wachten na eb op een nieuwe vloed.

    moet ik slechts buiten mij iets kunnen vinden?
    ik zeg er dank voor, dat mijn huid de grendels wegschoof,
    dat ik kon zien wat schitterde in mijn eigen bloed.

     

     

     

  • Esther Gerritsen

    Esther Gerritsen (1972) studeerde in 1995 af aan de nieuwe studierichting Dramaschrijven en Literaire vorming van de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht.
    Nadat Esther Gerritsen afstudeerde aan de HKU komt haar carrière in een stroomversnelling. Niet alleen schrijft ze tal van theaterteksten voor gezelschappen als: Huis aan de Amstel, ’t Syndicaat, Toneelgroep Amsterdam en theaterwerkplaats Het Gasthuis, ze zet ook haar eerste schreden op het literaire pad/ Ze publiceert in het tijdschrift Zoetermeer een viertal verhalen en gaat voor Rails schrijven. In 2000 debuteert ze bij uitgeverij De Geus met de verhalenbundel Bevoorrecht Bewustzijn. In september 2001 ontvangt zij het Charlotte-Köhlerstipendium, een jaarlijks stipendium dat bestemd is voor een veelbelovend beginnend toneelschrijver. In oktober 2002 verschijnt haar roman Tussen Een Persoon. Tussen Een Persoon is een intrigerende monoloog van een vrouw die wil dat het leven stopt op het hoogtepunt, en daartoe haar vriend opsluit op zolder. In haar eerste roman laveert Gerritsen behendig tussen wanhoop, waanzin en vervreemding ? elementen die ook in haar proza- en toneelwerk prominent aanwezig zijn. In 2004 verschijnt Toneel, een gebundelde verzameling van haar toneelteksten die zich prima zelfstandig laten lezen. Onlangs verscheen Normale dagen, haar tweede roman die handelt over een dramaturge, Lucie, die net begonnen is aan haar eerste toneelstuk, dat handelt over de beruchte Amerikaanse terrorist Timothy McVeigh. Deze op verbeelding en mythe berustende verre werkelijkheid wordt afgewisseld met de alledagelijkse werkelijkheid waarin haar grootvader op sterven ligt. In al haar boeken tast Gerritsen de grenzen van het cerebrale af en toont zij de schrijver een strikt particuliere innerlijke wereld waarin waanzin en vervreemding continu op de loer liggen. In interviews betoont Gerritsen zich een vermoeiende maar fascinerende vrouw die zichzelf tot het uiterste ingraaft in haar eigen denkwereld.

    DdH

  • Frida Vogels

    Auteurs

    Frida Vogels is wellicht niet de meest gelukkige keuze in een rubriek als Auteur  van de week. Een dergelijke rubriek impliceert immers toch dat de lezer een uitgebreide biografie van de betreffende auteur te lezen krijgt en als het even mogelijk is ook nog wat gewaagde of illustratieve uitspraken. Frida Vogels weigert echter ieder publiek optreden en ieder publicatie van haar afbeelding. Er zijn dan ook niet heel veel biografische gegevens van haar bekend, maar aan haar literaire reputatie wordt sinds haar debuut niet meer getwijfeld.

    Frida Vogels werd op 9 januari 1930 geboren in Bussum en debuteerde pas op tweeënzestig jarige leeftijd als schrijfster. Vogels schreef veertig jaar aan haar levenswerk, dat een poging is om een mensenleven sluitend te beschrijven. In 1992 verschenen de eerste twee delen Kanker en De naakte waarheid, boek I van De harde kern. Een jaar later verscheen Met z’n drieen en haar magnum opus werd in 1994 afgesloten met Gedichten.  In 1994 ontving Vogels de Librisliteratuurprijs voor De harde kern II.

    In De harde kern probeert Vogels een mensenleven samenhangend te beschrijven, al levend, van buiten naar binnen en met toenemende diepgang. Gedichten, het slotdeel bestaat uit gedichten die in de loop van het beschreven leven zijn ontstaan: formules en beelden waarin het inzicht van een ogenblik is vastgelegd, zonder onderling verband, maar met een voor proza onbereikbare helderheid en kracht.

    Dit jaar werd begonnen met het uitgeven van het dagboek van Frida Vogels. Dit dagboek, dat zestien delen zal gaan beslaan, volgt hetzelfde leven als in De harde kern op de voet. Vogels bewerkte haar dagboeken tot een leesbare tekst en gaf het typoscript in bewaring bij haar uitgevers. Het is op hun verzoek dat er nu een begin is gemaakt aan de publicatie ervan.

    De pers over dagboek 1954-1957:

    ‘Haar dagboeknotities geven blijk van een opmerkzame, kritische geest die onvermoeibaar doende is om tot een essentie door te dringen, de vinger op de zere plek te leggen, een nog preciezer en scherper oordeel te vellen over de wereld, zichzelf en de anderen. Haar taalgebruik is nooit onpersoonlijk, maar wel prettig afstandelijk, laconiek vaak ook en doet tijdloos aan, op het veelvuldige gebruik van ‘mieters’ na.’ NRC Handelsblad.

    ‘Het unieke van deze literaie documenten is er niet in gelegen dat de hoogstpersoonlijke worstelingen centraal staan, maar dat ze door de schrijfster genadeloos worden ontleed.’ De Volkskrant.

    Frida Vogels woont in Bologna en vertaalde werk van o.a. Primo Levi, Salvatore Satta en Pavese.

    Het werk van Frida Vogels wordt uitgegeven door Van Oorschot. Voor dit stuk is gebruikt gemaakt van informatie van de website http://www.vanoorschot.nl/, waar tevens meer achtergrondinformatie over de auteur en een volledige bibliografie is te vinden. 

  • Edward van de Vendel

    Wie de website van de schrijver van het kinderboekenweekgeschenk van dit jaar aanklikt, verbaast zich over de enorme productie van deze auteur. Het geschenk Wat rijmt er op puree? is het vierde boek van Edward van de Vendel dit jaar en er staat er nog één op het programma. Voor volgend jaar staan er alweer drie titels gepland: het langverwachte vervolg De dagen van de Bluegrassliefde, een poëziebundel en een prentenboek. Het is duidelijk dat Van de Vendel niet stilzit.

    Betrap me is het eerste boek van Van de Vendel, een bundel met kinderpoëzie (al het literaire werk tot 12 jaar krijgt het voorvoegsel kinder-, het werk van 12 tot 18 jaar jeugd-). Twee jaar later verschijnt nog een poëziebundel, maar in hetzelfde jaar breekt Van de Vendel ook door als prozaïst met een hervertelling van Vondels Gysbrecht van Aemstel, Gijsbrecht. Dat boek krijgt veel aandacht wint een Gouden Zoen en vanaf dat moment is de naam van de schrijver gevestigd. Prentenboeken, kinderboeken, jeugdboeken, poëzie voor kinderen, jeugd en volwassenen: de stroom houdt gelukkig niet op. De hoogste waardering ontvangt krijgt het boek Superguppie dat bekroond wordt met de Woutertje Pieterse Prijs 2004.
    Van de Vendel begon zijn carrière voor de klas, als onderwijzer op de basisschool. Hij kent de wereld van kinderen en jongeren goed. In de Lemniscaatkrant zegt hij over het gebruik van moderne communicatiemiddelen in zijn kinderboekenweekgeschenk: ‘Ik vind het eerder opmerkelijk als personages in boeken niet e-mailen. Een boek zonder mobieltjes klopt ook niet. Iedereen heeft tegenwoordig een mobieltje. Dan moet je die toch terugvinden in een boek. En ik msn zelf ook. Zo moeilijk is dat niet.’
    Op zijn echte website legt hij geduldig aan kinderen uit wat hij met zijn boeken bedoelt. Als Renske vraagt wat de term ‘bluegrassliefde’ precies is (‘Is dat een officiële term voor de liefde tussen twee jongens?’), krijgt ze vriendelijk uitleg van de auteur. Er klinkt respect in door voor de ernst en de bereidheid waarmee kinderen en jongeren zijn boeken lezen. En respect is ook een van de thema’s in het geschenk. Je hebt nog tot zaterdag de 15e de tijd om het te krijgen.
    Bibliografie:
    Betrap me 1996, Querido, Amsterdam. Poëzie 10+
    Bijna alle sleutels 1998, Querido, Amsterdam. Poëzie 12+
    Gijsbrecht 1998, Querido, Amsterdam. 12+.
    Jaap deelt klappen uit 1999, Querido, Amsterdam. 6+
    De dagen van de bluegrassliefde 1999, Querido, Amsterdam. 14+
    Aanhalingstekens 2000, Querido, Amsterdam. Poëzie.
    Dom Konijn 2000, Querido, Amsterdam. Prentenboek.
    Wat ik vergat 2001, Querido, Amsterdam. 11+
    Pup en Kit 2002, De Eenhoorn, Wielsbeke. 6+
    Slik gerust een krijtje in – alles over de basisschool. 2002, Querido, Amsterdam. Non-fictie 11+
    Resus 2003, Querido, Amsterdam. Prentenboek.
    Superguppie 2003, Querido, Amsterdam. Poëzie 6+
    Rood Rood Roodkapje 2003, De Eenhoorn, Wielsbeke. Prentenboek.
    Het woei 2003, De Eenhoorn, Wielsbeke. Prentenboek
    Zootje was hier 2004, De Eenhoorn, Wielsbeke. 8+
    Prins Nul 2004, Zwijsen, Tilburg. 7+
    Anna Maria Sofia en de kleine Cor 2004, Querido, Amsterdam. Prentenboek
    Gloeiende voeten 2004, Querido, Amsterdam. 10+
    Lied voor een girafje 2004, De Eenhoorn, Wielsbeke. Geschenkboekje
    De lol 2004, Zwijsen, Tilburg. 6+
    Superguppie krijgt kleintjes 2005, Querido, Amsterdam. poëzie 6+
    Gooi dit boek maar uit het raam 2005, Zwijsen, Tilburg. 7+
    Kleinvader 2005, Querido, Amsterdam. Prentenboek
    Van de jongen die een eikenhouten stoeltje at 2005, De Eenhoorn, Wielsbeke.
    Prentenboek
    Voor jou, voor wie anders? 2005, Lemniscaat, Rotterdam. Prentenboek
    Wat rijmt er op puree? 2005 CPNB kinderboekenweekgeschenk.
    http://www.edwardvandevendel.com/
    http://www.kinderboekenweek.nl/kbw/2005/
    CP