• Peter Terrin

    Koorddanser boven veenbrand

    De Vlaamse auteur Peter Terrin (1968) heeft twee belangrijke eigenschappen die voor een schrijver van groot belang kunnen zijn: een morbide fantasie en een fijne penvoering. Zijn verhalen en romans beginnen met een klein gezelschap personages, en langzaam begint het te trekken, te zweten en te broeien tussen die mensen, met een fel uitslaande veenbrand als gevolg.Vaak is de hoofdpersoon iemand die met een ijzeren logica zijn eigen weg volgt. En die weg is niet de weg die de mensen om hem heen kunnen volgen.

    Zo raakt de hoofdpersoon van Terrins beste roman, Blanco, compleet paranoïde na een carjacking en de moord op zijn vrouw. Hij is vastbesloten zijn zoontje te beschermen tegen de grote, gemene en onhygiënische buitenwereld, maar zijn methodes en redenaties nemen groteske en gevaarlijke vormen aan. De lezer volgt de gedachtegang van de hoofdpersoon op de voet, en wordt zeer sluw meegesleept in zijn denktrant. Je bent geneigd een eind met de hoofdpersoon mee te denken, je kan je wel vinden in zijn daden, omdat zijn motieven zuiver zijn. Maar naarmate de zaak uit de klauwen begint te lopen, moet de lezer zelf zijn grens trekken. Dat hij zijn zoontje elke dag naar school brengt, is prima te begrijpen. Dat hij camera’s in diens kamer ophangt om hem 24 uur per dag in de gaten te kunnen houden, dat gaat te ver. Heel langzaam neemt Terrin je mee naar de waanzin.

    De roman Vrouwen en kinderen eerst gaat over een man die als tolk is toegevoegd aan een groep technici die ergens in een Oost-Europees aandoend land een grote machine moeten ontmantelen. Hij moet het contact met de lokale bevolking onderhouden en zorgen dat de technici ongestoord kunnen werken. Dat staat allemaal in zijn contract, dat hij beschouwt als zijn leidraad. Hij vat zijn taak uiterst serieus op, maar gaandeweg het boek merk je dat hij volslagen incompetent is. Hij ligt de hele dag te slapen aan het bureau van de fabrieksdirecteur, slaagt er niet in een fatsoenlijke lunch te regelen en de technici blijken zelf heel goed het contact met de bevolking te kunnen onderhouden. Met een werkelijk uit kwikzilver opgebouwde logica weet de hoofdpersoon alles voor zichzelf goed te kletsen, en hij is keer op keer oprecht verbaasd dat er iets anders loopt dan hij bedacht had. Het loop uiteindelijk natuurlijk verkeerd af, maar als lezer kom je niet te weten of er sprake is van een bewuste misdaad van de technici of een ‘foutje’, omdat je in het hoofd van de hoofdpersoon zit en die weet het simpelweg ook niet.

    Dat de fascinerende techniek van Terrin. Hij kan de lezer klemzetten in het hoofd van iemand die (waarschijnlijk) heel anders denkt dan de lezer. Dat is natuurlijk gevaarlijk spel, want als de auteur geen opperste controle heeft over zijn personages, gooit de lezer het boek terzijde met een binnensmonds gemompeld ‘ongeloofwaardig gelul.’ Terrin beheerst die kunst perfect. Hij schrijft als een koorddanser. Ook in zijn verhalen blijkt hij in zeer korte tijd een geloofwaardige gek neer te kunnen zetten en moet de lezer zich schrap zetten om niet mee te gaan met de gedachtegang van een man die bij de grachtenreiniging werkt en de moeite niet doet om langer dan een seconde te zoeken als zijn collega overboord valt en verdrinkt.

    Ik merkte bij mezelf dat ik me regelmatig moest herpakken: even krachtig het hoofd schudden en kritisch blijven, want anders zou ik rustig instemmend knikkend meegesleept worden in dubieuze kronkels en regelrechte misdaden goedpraten.

    In zekere zin zou je kunnen verdedigen dat Terrin een trucje uithaalt. Daar kan je tegenin brengen dat hij dat trucje wel meesterlijk beheerst. Elke roman, en bijna elk verhaal weet je zo genadeloos bij de lurven te grijpen, dat je je los moet scheuren van de tekst. De Nederlandse auteur Ton Rozeman schrijft ook zulke verhalen, kleine portretten van ontsporende mensen, maar hij slaagt er nooit in de finesse en de bijna perverse subtiliteit van Peter Terrin te evenaren.

    Bibliografie:

    De code, L.J. Veen 1998
    Kras, L.J. Veen 2001
    Blanco, De Arbeiderspers 2003
    Vrouwen en kinderen eerst. De ontmanteling van AT-289, De Arbeiderspers 2004
    De bijeneters. 7 variaties, De Arbeiderspers 2006

    Foto auteur: Stephen Vanfleteren

    Meer besprekingen van Peter Terrin op Literair Nederland:
    Boek van de Week: Blanco
    Boek van de Week: Vrouwen en kinderen eerst

    Patrick Bassant ? Literair Vlaanderen

  • Sándor Márai

    Sándor Márai was tot voor kort een volslagen onbekende schrijver in Nederland en de rest van Europa. Uitgevers zagen er jarenlang geen brood in om zijn boeken uit te geven. Boeken die eerder van hem in het Duits vertaald waren, werden genegeerd. Daar kwam pas verandering toen het boek Gloed in 1998 in het Italiaans vertaald werd en door de critici daar geprezen werd. Frankrijk had al eerder drie titels vertaald. In 1999 was Hongarije het ‘Schwerpunkt’ op de Frankfurter Buchmesse en opeens begon het boek te lopen. Na een lovende bespreking van de invloedrijke Duitse criticus Marcel Reich-Ranicki op de televisie werd de roman een bestseller.
    Ook in Nederland werd Gloed een bestseller. Binnen anderhalf jaar verschenen maar liefst 11 drukken. Uitgeverij De Wereldbibliotheek heeft inmiddels ook andere romans van Márai laten vertalen waaronder De erfenis van Eszter. In dat boek zijn opmerkelijk veel paralellen te vinden met Gloed. Ook hierin is sprake van een ontmoeting na vele jaren, ook hier is passie in het spel (tussen man en vrouw) en is er een andere vrouw bij betrokken. En ook hierin vindt je een vertrouwenwekkende oudere figuur die bij de familie hoort, zoals Nini in Gloed.
    Gloed was al eerder in het Nederlands vertaald. In 1942 verscheen De kaarsen branden op (de letterlijke vertaling). Tussen 1930 en 1952 werden zes titels vertaald. Erg succesvol waren de boeken niet.
    Sándor Márai heeft het huidige succes niet kunnen meemaken; hij pleegde zelfmoord in 1989.

    De op 11 april 1900 geboren Márai komt uit een burgerlijk, katholiek gezin. Zijn vader was advocaat in het Hongaarse stadje Kassa (nu Kosice in Slowakije). De familie van zijn vader komt oorspronkelijk uit Saksen. Als hij achttien is en Kassa wordt ingelijf bij Tsjecho-Slowakije vertrekt Márai naar de Weimarrepubliek om zich te bekwamen in de journalistiek. Via Leipzig, Berlijn en Frankfurt vestigt hij zich in 1923 samen met zijn vrouw Ilona (Lola) in Parijs waar hij artikelen levert voor de Frankfurter Zeitung.
    In 1928 gaat hij terug naar Boedapest. Met het autobiografische Bekentenissen van een burger krijgt hij enig succes. Het fascistische regime dat in de Tweede Wereldoorlog de dienst uit maakt in zijn vaderland laat hem vrijwel ongemoeid. Met de Duitse bezetting van Hongarije in 1944 duikt hij alsnog onder (zijn vrouw is joods). De bevrijding en daarna de overheersing van de Russen maakt hem sceptisch. In 1948 vlucht hij via Zwitserland, Italië en Canada naar de Verenigde Staten. In 1957 wordt hij Amerikaans staatsburger. Hij bleef in ballingschap in het Hongaars schrijven, maar succesvol was hij niet. Als zijn vrouw aan keelkanker is overleden wordt hij pessimistischer en somberder. Hij koopt een pistool. Als in de jaren daarna ook zijn aangenomen zoon overlijdt, heeft hij genoeg van het leven. Op 22 februari 1989 zet hij het pistool tegen zijn hoofd.

    Vertaald in het Nederlands
    – De gravin van Parma
    – De opstandigen
    – Land, land!…
    – Gloed
    – De erfenis van Eszter

    Onlangs verscheen een fotobiografie over hem:
    Ernõ Zeltner Sándor Márai – Een leven in beelden

    CP

  • Robin Ewald Raveles 1935 -1983, pseudoniem R. Dobru

    Door Sen Nandoe

    Robin Ewald Raveles werd op 29 maart 1935 te Paramaribo geboren. Tijdens zijn rechtenstudie raakte hij steeds meer geïnteresseerd in de nationalistische ideologie van Eddy Bruma en Wie Eegie Sani, een cultureel-nationalistische beweging die streefde naar een eigen natie met een eigen cultuur en die zich vooral beijverde voor de erkenning van het Sranan. Hij was medeoprichter van de Partij van de Nationalistische Republiek (PNR). Van 1973-1977 was Raveles namens de PNR lid van de Staten van Suriname. Na de coup van 1980 werd hij onderminister van Cultuur. Vervolgens werkte hij voor de Nationale Voorlichtingsdienst als lid van de ‘raad van toezicht’ die het functioneren van de pers controleerde. Hij overleed in Paramaribo op 17 november 1983.

    In 1965 debuteerde R. Dobru met Matapi, een bundel gedichten die overwegend in het Sranan geschreven waren. R. Dobru betekent: dubbele R, een verwijzing naar de initialen van zijn voor- en achternaam. Hij was één van de eerste schrijvers die de orale traditie van het Sranan doorbrak. Vreemd genoeg werd hij niet opgenomen in de Winkler Prins van de Nederlandse Letterkunde (1986).

    In Matapi staat zijn meest bekende gedicht: ‘Wan’, over één boom met zovele bladeren, waarbij het geen toeval is dat Pim de la Parra’s bekende speelfilm Wan Pipel heet, en ook in de echo van Bob Marley’s ‘One love’ de eenheidsgedachte weerklinkt die kenmerkend is voor ‘Wan’. Een indrukwekkende reeks publicaties volgde na Matapi; gemiddeld één per jaar. Van meet af aan was het duidelijk dat Dobru een doel voor ogen had: politieke bewustwording kweken bij het volk. Dit probeerde hij vooral te bereiken door zijn sociaal-bewogen gedichten waarin sociale misstanden aan de kaak werden gesteld.

    Armoe
    De hond gaat tekeer
    Het hert is dood
    Het geweer is afgegaan
    Waarom ben je bang
    Er is vlees.
    waarom huil je
    Het geweer liegt niet
    Het hert is dood
    Waarom ben je bang.

    (Nederlands)

    Pina

    Dagu krasi
    Diya dede
    Gon piki
    San y’ e frede
    Meti de.
    San y’ e krei
    Gon n’ e ley
    Diya dede
    San y’ e frede.

    (Sranan)

    De betrokkenheid die Dobru in dit gedicht toont, is kenmerkend voor de rest van zijn werk. Hij noemde zichzelf een revolutionair-nationalist en was dus een grote voorstaander van de onafhankelijkheid en later van de revolutie. Ook deze idealen zijn duidelijk te proeven in zijn werk, maar literatuur was voor Dobru een middel, nooit het doel. Daarom heeft zijn werk soms een wat boodschapperige toon, maar dat wat Dobru wilde bereiken, namelijk het volk bewust maken, heeft hij zeker bereikt. Vandaag de dag denkt iedereen aan Dobru als een grote nationalist, iemand die zich met hart en nieren heeft ingezet voor de identiteitsvorming van de Surinamer.

    Werk:
    Matapi (1965), Afoe Sensi (1966), Bos mi esesi I en II (1967), Wasoema (1967), Koenoe (1968), De plee (1968), Oema soso (1968), Na prasi foe Bigi Dorsi (toneel) 1969, Wan monki fri (1969), Bar poeroe (1970), Dertien galgen (1973), Boodschappen uit de zon (1982).

    Geraadpleegde literatuur: Michiel van Kempen, Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. De Geus, Breda, 2003.


    Sen Nandoe studeert aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL), in Suriname. Zij schrijft op deze website over Surinaamse literatuur.

  • Paul Claes

    Paul Claes als schrijver van de week? Dat is toch een overschatting van dit plekje op de site. Het werk van deze Vlaamse alleskunner is zo veelomvattend en zo complex dat het volstrekt onmogelijk is hem recht te doen met een behapbaar tekstje. Als we zijn wetenschappelijke werk (zoals een dissertatie over Hugo Claus) achterwege laten, blijven we nog zitten met de vertaler, de dichter, de essayist en de romancier.

    Als vertaler werkt hij alle kanten op. Hij vertaalde diverse auteurs naar het Nederlands, zoals James Joyce, Stéphane Mallarmé, Ezra Pound, Sappho en Arthur Rimbaud. In 1996 kreeg hij daarvoor de  Martinus Nijhoffprijs. Ook vertaalt hij Nederlandstalige gedichten in andere talen, met als mooiste voorbeeld zijn debuutbundel De Zonen van de Zon, waarin hij één sonnet van zichzelf vertaalt in het Engels, Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Grieks en Latijn.

    In zijn essays weet hij zijn beide specialismen, de klassieke en de moderne literatuur, erudiet samen te brengen. De Gulden Tak uit 2000 is het beste voorbeeld hiervan, met mooie essays over Rilke, Faverey, H.C. ten Berge en Hugo Claus. Zijn poëzie zou je uitgebeend en op klassieke leest geschoeid kunnen noemen, maar ook complex , of, zoals criticus Guus Middag vond, ‘erudiete rederijkerij.’ Het is maar hoeveel moeite je wilt steken in het lezen. 

    Mijn excuses voor het pijnlijke gemak waarmee ik vier van de vijf ambachten van Claes van zijn bibliografische palmares afsnijd. Dan nu verder met zijn romans.

     

    Zelf zegt Claes naar aanleiding van zijn debuut het volgende:

    ‘Mijn werk wordt een geschiedenis van de topoi, de figuren die samen een wereldbeeld vormen. Die topoi zijn niet alleen citaten en beelden, maar ook situaties, karakters, levenswijzen, manieren om de werkelijkheid te zien. Elke stijl is een ideologie, een wereld. … Alleen wie de clichés kent, kan vernieuwen. Rewriting, pastiche, vertaling, commentaar. De ultieme boodschap: de waanzin, de waan van de zin.’ (Het hart van de schorpioen p. 156)

    Dit gaat prima op voor zijn gehele oeuvre. Claes schrijft min of meer historische romans, De Sater, de eerste, speelt zich af in de Oudheid en de laatste in het heden. ‘min of meer historische romans’, noemde ik ze, want Claes’ werelden bestaan eerder uit taal, literatuur en citaten dan uit betrouwbare inkijkjes in vroeger tijden en zeden. En zijn roman over het heden, Lily, gaat óók over Lilith, de eerste vrouw van Adam.

     

    De Sater speelt met diverse uit de Oudheid bekende literaire werken, en vertelt het grappige, spannende verhaal van de verbannen Endymion en zijn tocht door Klein-Azië. Het is een de verbeelding aanzwengelende mengeling van love story, schelmenroman en initiatieverhaal.

     

    De Zoon van de Panter morrelt aan de christelijke traditie: het vertelt het apocriefe verhaal van het Evangelie van de Twaalf, de twaalf verschillende levensbeschrijvingen die Jezus’ apostelen van zijn leven geven.

     

    De Phoenix speelt zich eind vijftiende eeuw, tijdens de Renaissance, af. Hoofdpersoon is de filosoof/jurist/volbloed-Renaissance-man Pico della Mirandola. Claes vertelt zijn levensverhaal alsof het een detectiveverhaal is. Een originele kijk op historische feiten, doorspekt met verwijzingen naar schilderkunst.

     

    De Kameleon neemt ons mee naar de Verlichting, toen Charles d’Éon, als diplomaat, travestiet en spion door de pruikentijd reisde, tussen de verstarring van de achttiende eeuw en het doorbreken daarvan door de Franse Revolutie. Hetzelfde era dat door Thomas Rosenboom in zijn meesterwerk Gewassen vlees (1994) al zo levendig opgeroepen werd.

     

    Sfinx leidt ons door het Wenen in het vorige fin-de-sciècle, naar de ondergang van een aristocratische familie.

     

    Lily speelt zich af in het heden, en is een grappige pastiche op sentimentele damesromannetjes, dankzij de met afstand beschreven vreselijkheden die het arme kind in kwestie allemaal ondergaat. Tegelijk is er de bovengenoemde parallel met Lilith, de eerste vrouw van Adam die het waagde om tegen God in opstand te komen. Zij is de verpersoonlijking van alle kwaad, volgens de een, of juist de eerste feminist die zich door niemand knechten laat.

     

    Het hart van de Schorpioen is een quasi-autobiografische roman. Het is te beschouwen als een uitwerking van zijn glimpen, een soort dagboekaantekeningen waarin hij de wereld om zich heen opschrijft. Die wereld is onvermijdelijk voor een groot deel gevuld met literatuur, waardoor je een inkijkje krijgt in Claes dagelijks lezen, meer dan zijn leven. Hij moppert op de domheid om hem heen, noteert spitsvondige opmerkingen en geeft inzichten in zijn eigen werk die voor minder belezen lezers (en dat zijn we waarschijnlijk allemaal) bijdragen tot een beter begrip van de boeken.

     

    Claes werkt aan een oeuvre dat de hele geschiedenis van Europa lijkt te gaan beslaan. Als lezer dien je de moeite af en toe te doen om je door de verknoopte pastiches, verwijzingen en historische feiten heen te werken, maar een zeer zware belasting is dat zeker niet. Claes’ boeken zijn altijd vrolijk en bijna luchtig geschreven, waardoor je met volle teugen geniet van zijn betoverende werelden van literatuur en spel. Al de rest is mooi meegenomen.

     

     

    Proza van Paul Claes, alles verschenen bij De Bezige Bij:

     

    Het laatste boek (1994, verhalen)

    De Sater (1994, roman)

    De Zoon van de Panter (1996, roman)

    De Phoenix (1999, roman)

    De Kameleon (2001, roman)

    Het hart van de Schorpioen (2002, roman)

    De Lezer (2002, verzamelde romans)

    Lily (2003, roman)

    Sfinx (2004, roman)

  • Chin A Foeng

    Wanneer de rukwind komt …

    … zal er daarna een vernieuwing van mens en maatschappij tot stand kunnen komen? Deze vraag staat centraal in Jules Anthony Chin A Foengs lichtelijk socialistisch getinte dichtbundel Wanneer de rukwind komt, geschreven in 1971. Juanchi, zoals hij zichzelf noemde, werd op 20 februari 1944 in Paramaribo geboren. Na in Nederland een opleiding in tekenen, schilderen en pottenbaken te hebben gevolgd, keerde hij terug naar Suriname waar hij zeer actief is geweest op het gebied van de beeldende kunst. In 1972 ontving hij voor zijn werk de Gouverneur Currieprijs en behaalde in New York zijn master’s degree. Hij was ook voorzitter van het Nationaal Instituut voor Kunst en Kultuur en stond aan de wieg van de Academie voor Hoger Kunst- en Cultuuronderwijs (AHKCO). In dat kader heeft hij in 1978 Beeldende vorming op school geschreven. Hij overleed in 1983.

    Chin A Foeng was behalve kunstenaar, ook een idealist die een rotsvast geloof had in een beter Suriname. Hij geloofde in hard werken en was ervan overtuigd dat er een beter Suriname kán zijn, als de vele sociale problemen in het land zouden worden opgelost. De oplossing was voor hem het socialisme, hij is in de jaren zestig dan ook medeoprichter geweest van de Surinaamse Socialistische Unie. 

    in mijn heidense lach
    was ik vreemd
    voor mezelf
    herkende ik
    weelde
    die bloeide
    achter de tralies
    van mijn ontastbaar zijn
    monopolie
    beet zich vast
    en sleurde mij mee
    totdat ik
    ontwakend
    rode bloemen zag

    In Wanneer de rukwind komt maakt Chin A Foeng de lezer niet alleen deelgenoot  van zijn idealen en zijn liefde voor het vaderland, maar ook van de vele twijfels die hij had over de situatie in het land. Zijn poëzie is een illustratie van dat waar hij in geloofde: progressiviteit door strijd én volledige overgave. Groen en rood zijn dan ook de meest gebruikte kleuren in zijn gedichten. Groen dat staat voor hoopvolle verwachting en rood voor vooruitgang, de vernieuwing van mens en samenleving. 

    Geraadpleegde literatuur:
    –         Wanneer de rukwind komt, Juanchi. Paramaribo, Drukkerij Atlas, 1971. 
    –         Wortoe d’e tan abra. Bloemlezing uit de Surinaamse poëzie vanaf 1957, samengesteld en ingeleid door Shrinivasi. Paramaribo, Bureau Volkslektuur, 1979 (4de dr.).
    –         Michiel van Kempen, Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. Breda, De Geus, 2003.

    sn

    Sen Nandoe studeert MO-B Nederlands aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL), in Suriname. Zij leest graag en veel en schrijft op deze website over de Surinaamse literatuur.

  • André Manuel – Boem Deng Tjing

    Door Patrick Bassant 

    Het is boekenweek in Nederland. De periode waarin iedere fanatieke of passieve niet-lezer naar de boekhandel wordt gemanoeuvreerd om een boek te kopen, opdat ze er een boekje voor nop bij krijgen (dat de moeite van het lezen meestal niet waard is). Een larmoyante periode voor elke liefhebber van boeken, omdat je kostbare tijd in de winkel wordt afgesnoept door lieden die hopen genoeg boeken over rotstuinieren en spekkopen bijeen te kunnen scharrelen om maar vooral het gratis Gratis GRATIS!!! meesterwerk van Arthur Japin (met dank aan de Kollektieve Propaganda v/h Nederlandsche Boek) mee te pikken. Zo zijn wij Nederlanders.

    Of, zo zijn zíj Nederlanders. U en ik natuurlijk niet. U en ik zijn lézers (of Vlaming) en wij malen niet om gratis pulp. Sterker nog, wij vinden het leuker om het boekenweekgeschenk twee maanden later voor € 2,- te kopen om dat leuke ouwe kereltje met zijn achenebbisj boekhandeltje een beetje te steunen. Wij zijn trotse lezers die de aankomende dagen dus niet in de buurt van een boekwinkel komen, in de hoop Japin, Brown en Van Rooyen te mijden. Tja, licht elitaire trekjes kun je ons niet ontzeggen. En daar is niets mis mee. Laten we wel wezen, wie moet die andere 51 weken de boekhandel draaiende houden? Precies, ik wil maar zeggen.

    Voor ons is de boekenweek de uitgelezen kans om eens rustig te gaan zoeken in de stoffige hoekjes waar gewervelde bestsellers en ander gepantserd ongedierte niet durven komen.

    Maar we proberen wel in het thema van de boekenweek te blijven – dat moet namelijk van de website. Herinnert u zich nog dat er enkele jaren terug stemmen opgingen om Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur in de bek te splitsen? Jammer voor Bob dat die mondharmonica in de weg zat, maar het gaat nu even om het idee. Als het thema van de boekenweek ‘Boem Paukeslag/Literatuur en muziek’ is, dan is dit de plaats om een schrijver te omhelzen die eigenlijk tekstschrijver/muzikant, of eigenlijk cabaretier en eigenlijk geen échte schrijver is. (Een échte schrijver is per uitsluiting geen cabaretier of tekstschrijver, laat staan muzikant. Nee, ook Wim de Bie, Rick de Leeuw, Luc de Vos, Maarten van Roozendaal en Piet Hein Donner niet. Een échte schrijver, dat is wat anders. Daarover wellicht een andere keer meer.)

    André Manuel was zanger en multi-instrumentalist van de band Krang en is sinds het verscheiden van die groep solo gegaan. Krang was een van de leukste Nederlandse bands, die zich naast vakkundige muziek en zeer avontuurlijke optredens, vooral de moeite van het volgen waard was door de teksten:

    De bas is die van Mingus
    De gitaar van Perlemoer
    Het is het ritme van de duivel
    En je ruikt z’n ouwe moer
    Blaas driemaal het signaal
    Alle geesten uit de fles
    Het spook kwam op van links
    Met een toetertje vol Jazz

    (De Ketterse fanfare, 1997)

    Manuel heeft een gezond cynische blik op alles om hem heen, op alles waar een tekstschrijver mee te maken krijgt, en weet dat met kwikzilveren associaties te verwoorden in songteksten die de luisteraar bij de nekharen grijpen. Door de hink-stap-sprongmanier van vertellen krijgt Manuel veel voor elkaar: zowel het maken van liedteksten die perfect passen binnen de muziek, en het prikkelen van de luisteraar tot nadenken over wat er gezongen wordt. En dat gaat nu eens niet over het Vondelpark of de Zeeuwse kust, niet over Annabelle en niet over zijn vader, niet over gezellig en niet over heerlijk rustig, maar juist over de andere kant van Nederland, over de ongemakkelijke kanten van de samenleving, over (de moord op) Theo van Gogh, over terrorisme, over waanzin en natuurlijk ook over muziek.

    Wat zou muziek kunnen doen, als je nergens over zingt? ‘Klinkt als parels in de inkt/
    Zo goed alsof het duifje ringt/ Zo goed als of het zwijgen klinkt/ Maakt geen zak uit wat je zingt (Popster, 1998). Nee, ook popmuziek heeft wel degelijk iets te vertellen. Muziek (en dat wist Paul “Boem Paukeslag” van Ostaijen net zo goed als André “Boem deng Tjing” Manuel) is een volwassen kunstvorm en is dus zeer geschikt om meningen in te verwoorden, vragen te stellen en je ontzettend boos te maken. En er is genoeg om je boos te maken (ook al krijg je dat idee niet als je naar Lange Frans en Baas B. luistert), en dat is wat Manuel op intelligente manier in zijn liedteksten wil vertellen.

    Dit land z’n laatste benen
    Heeft z’n beste tijd gehad
    En al wat ons nog rest
    Dat is het graven van een gat
    De kranen moeten lopen
    Voor ’t gemene weltevree
    Trek de vinger uit de dijken
    Geef het land weer aan de zee

    Laat het water stijgen
    Alle lippen barstend droog
    Te plat de oppervlakkigheid
    Het peil moet weer omhoog

    Geen ark mag er getrokken
    En geen vlot wordt hier gebouwd
    Eert voor eens de hand die voedt
    Het water zo vertrouwd

    En zelf zal ik de laatste zijn
    Ik spied en vergewis
    Of iedereen daadwerkelijk
    Ook echt verzopen is (Vinger, 1998)

    Tijdens het lezen van deze teksten merk je al snel dat Manuel niet de zoveelste protestzanger à la ‘of ik al dan niet te min ben’, maar in z’n eentje een stormtroep tegen maatschappelijke desinteresse vormt (Hef ut glas en striek de vlagge/ op ons dode vaderland, Hef ut glas 2006). Voor rust en vrede moet je elders zijn. Nederland is een puinhoop en Manuel weet de zere plekken haarfijn te vinden.

    Naast vilein observator van Nederlandse Toestanden, is André Manuel ook zeker een taalliefhebber. Om mij volstrekt onbekende redenen zingt hij zijn laatste drie platen in het Twents. Tja, waarom? Manuel is zo goed dat ik zijn teksten desnoods uit het Neder-Kirgizisch zal trachten te vertalen, maar eigenlijk baal ik er wel een beetje van. Twents is niet volstrekt onbegrijpelijk (een beetje wel, hoor) maar fijn luisteren is anders. Ach, sektarisch als Twentenaren graag willen zijn, vinden ze het vast geen probleem als ik (uit Amsterdam) mij hoofdzakelijk beperkt tot de teksten in het Schoon-Nederlands…

    Taalliefhebber dus. Waarom is volgens mij Manuel de plaats van ‘Schrijver van de week’ waard? Omdat Manuel zich op een dichterlijke wijze bewust is van de woorden die hij gebruikt, omdat hij op een maniakale manier met schrijven en taal bezig is.

    Ik ben een zoon van het lied
    En een kind van het akkoord
    Ben een junkie van de taal
    En verslaafd aan het woord
    Pers het bloed uit m’n vingers
    Spuit m’n armen vol inkt
    Ik jaag de taal door m’n lichaam
    Totdat het lekker klinkt

    Ben een dief van de geest
    Ik leef met losse handen
    Ben een junkie die de taal
    Op z’n tong moet voelen branden
    Ik snuif me door de boeken
    En ik slik elk woord
    Ik hol achter de feiten aan
    Totdat ik heb gescoord

    (Junkie van de taal, 1998)

    Het is de volstrekt onvermijdbare manier waarop Manuel muziek en teksten tot één geheel weet te smeden, die maakt dat je hem ook daadwerkelijk gelooft. En geloven in literatuur, of in popmuziek (of afwasmiddel), dat is een zeer complexe procedure. Nee, ik geloof niet dat Manuel Nederland het liefst ziet verzuipen. Nee, de situatie is niet zo uitzichtloos als Manuel zingt. Nee, een kogel in het hoofd van De Gewone Nederlander of de Kale Messias brengt geen oplossing. Maar de urgentie waaruit hij zingt, maakt wel degelijk duidelijk dat het rusten op onze lauweren geen soelaas brengt. We moeten te allen tijde opletten wat er om ons
    heen gebeurt. En dat moeten we zelf doen. Dan kunnen we niemand vertrouwen. Niet de politicus die ons bezweert dat alles onder controle is en niet de rockzanger die zingt dat

    Van Bob Marley noar Da Vinci
    Via Pik Botha noar Sherrif Brown
    Dank wie ut gepeupel
    Veur hun grenzeloos vertrouwn
    Ak toch argens noar verlange
    Ist opt end van de rit
    De Blinde an ut roer
    En Eenoog an ut spit

    (Wit, 2006)

    In 2004 publiceerde uitgeverij Vassallucci André Manuels eerste roman, Het tragische einde van de Nederlanders zoals wij hem kennen.

    Het boek draait om een programma van SBS6, waarin de laatste Nederlander via een democratisch proces van stemmen per SMS een nekschot krijgt. Grote maatschappelijke scherprechters als Midas Dekkers, Theo van Gogh en Prins Bernhard zitten in de jury. In dit boek is het hoofdzakelijk de cabaretier Manuel die het woord voert. De vileine observaties, de tot het bittere einde doorgevoerde redeneringen en de rake klappen die de lezer in het gezicht krijgt: er valt genoeg te lachen in het boek, er valt ook meer dan genoeg denkstof uit te halen, maar een goed boek is het niet. Omdat het de opbouw slordig is, omdat de stijlbeheersing matig is, omdat het overduidelijk een samenraapsel van stukken cabaret, columns en overpeinzingen is, samengehouden door een rood draadje van verwaarloosbare spankracht.

    Manuel zit duidelijk beter in zijn vel als hij een liedtekst maakt.

    – tussen grote aanhalingstekens-openen: En, zoals ondertussen het handelsmerk van uitgeverij Vassallucci begint te worden, wemelt het boek van de fouten. Enkele voorbeelden: ‘De hoeveelheid hagelslag die … beland’, p. 28, ‘Auschwitsz’, p. 44 ‘but I just feel like Jezus’ son’, p. 64, ‘oranje-parafinalia’ p. 67, ‘de geur van verschroeit vlees’ p. 83, ‘We hebben Irak bevrijdt! Waarvan hebben we Irak bevrijdt?’ p. 92, ‘Lary King’ p. 104, ‘Rooseveld’ p. 108, ‘Wat er aan de elektronische muziek niet deugd is wat er aan de metronoom niet deugd.’ p. 175.

    Begrijp me goed: ik heb al eerder gemerkt dat André Manuel een tamelijk problematische omgang heeft met de regels van de Nederlandse spelling en werkwoordsvervoeging. Maar het is de taak van een uitgeverij om die flagrante fouten te verbeteren. De tekstredactie van Vassallucci is schandalig en verwijtbaar volstrekd incompetend. Dit uiteraard geheel terzijde. – aanhalingstekens-sluiten.

    Ik heb hier niet kunnen beschrijven hoe de muziek van Krang of van Manuel solo klinkt. Daarvoor zult u de cd’s op moeten zoeken. Nog een stukje tekst als afsluiting:

    Schiet me maar de ruimte in
    Ik heb het hier nu wel gezien
    Genoeg van al en iedereen
    Ik wil een bol voor mij alleen
    Waar mag niemand weten
    Het zal van mij zijn
    En de bol moet Krang gaan heten

    (…) Maar na verloop van eeuwen
    Zal ik me stierlijk gaan vervelen
    Niemand die me tegenpraat
    De vrede die me tegenstaat
    Ik honger naar de andere kant
    Een slagveld in dit brave land

    Dus neem ik groot een fors besluit
    En nodig ik de mensen uit
    Ik ben niet gek ik ben niet bang
    Ik wil onrust in mijn wereld Krang
    Fuck de wieg op naar het graf
    Stuur een vijand op me af
    He hallo wat leuk val binnen
    Laat de oorlogen beginnen

    (Krang, 1997)

     

     

    André Manuel, Het tragische einde van de Nederlanders zoals wij hem kennen, Amterdam Vassallucci 2004
    André Manuel, Allene, Silvox 143.

    Allebei verkrijgbaar via www.maneman.nl, ook voor data van optredens &c.

     

  • Saskia De Coster

    De ezel van Kathmandu

    Een interview met Saskia de Coster

    Onlangs publiceerde Saskia de Coster (1976) haar derde roman, Eeuwige roem. Volgens haar uitgever: de grote doorbraak. Volgens de feiten: Eeuwige roem is al aan een tweede druk toe. En dat is zeer verdiend.

    Saskia de Coster debuteerde in 2002 als romanschrijver met
    Vrije val. Twee jaar later bracht ze Jeuk uit, een al even zinnelijk uitdagend boek met (op het eerste gezicht) buitenmenselijke personages en gebeurtenissen; ware geestesconstructies met onderbouw. Eeuwige roem bezit evenzeer die krachtig beeldende figuren, maar vangt realistischer aan: Katrien Ongena, een succesvolle advocate, wordt zwanger. Zij en haar man, de al even succesvolle Pieter Smit, leiden tot dan toe een mooi en glad bestaan met hun dochter Laura en de hond Prins. De komst van baby Babs maakt geleidelijk aan een einde aan die gelukkige rimpelloosheid. Babs, een pracht van een kind, blijkt een kleine godheid te zijn: ze is alles, ziet alles en weet alles – dacht ze zelf – en is op tweejarige leeftijd al even lucide als de eerste de beste emeritus levenswijsheid. Haar complexe en doorwrochte gedachten brengen haar tot het schrijven van het Boek vol Wijsheid. In de chaos van hoofd, luiers en familie krijgt ze voor dat schrijven de hulp van een wijze en ordelijke tulp op de vensterbank.
    Naast Babs volgt Eeuwige roem – parallel – de lotgevallen van Julie, een meisje dat er plots gewoon is, en in de club Aspro wordt opgevangen door de wondermooie Olivia Vansteen en haar dichter-vriend Jupiter. Julie belandt al snel in een gesticht en later in een jeugdgevangenis, trekt als vijftienjarige naar Japan om daar in een kooi op het erepodium van een nachtclub te verzeilen en in alle stilte het beste van zichzelf te geven. Alle ogen op haar gericht, het soort aandacht dat eenzaamheid verdrijft.

    Geen betere reden voor een afspraak in de Kruidtuin van Brussel en een gesprek over rare mensen, ezels en explosieve holen, graffitikunstenaars, identiteiten, chaos en orde, mannen en natuurlijk Pepsi Max.

    We beginnen graag met een citaat: ‘Julie was eigenlijk een onhandelbaar kreng, maar wij kicken daar nogal op.’ Ook in je ander werk komt bijna geen normaal personage voor. Vanwaar jouw interesse in krengen en vreemde figuren?

    Ik heb nu nochtans geprobeerd om het realistischer te houden…

    Een voorbeeld dan: Greta, de zevenduizendachttienjarige schoonmaakster van de familie Smit-Ongena?

    Er zijn toch mensen, bijvoorbeeld in je hoofd, van wie je niet weet hoe oud ze zijn?
    Die lopen voorbij, als een soort achtergronddecor, er komen schimmen voorbij van mensen die bestaan, en eeuwig bestaan lijken te hebben. Ze doorsnijden levens, zijn altijd aanwezig en hebben geen echte leeftijd. Dat kan net zo goed een kantoorklerk van vijfentwintig jaar zijn. Greta wordt gedurende het boek niet ouder, ze is eigenlijk helemaal versteend, verstard tot een klomp die alle ervaringen van de wereldgeschiedenis in zich heeft opgeslorpt. Van daaruit kan ze projecteren naar de toekomst, zoals Cassandra kan ze zien wat er gaat gebeuren.
    Maar je vroeg iets over abnormale mensen?

    Zoals de schildpad die een kopje suiker komt halen bij haar zusje, twee straten verderop?

    Zo raar is dat niet. De werkelijkheid is veel meer dan ‘gewoon’ een tafel. Ik neem een realistische situatie en plooi die open. Alsof overal een camera in zit. Als je een camera in een tafel zou plaatsen, krijg je toch een perspectief dat iets tot leven wekt? Dat is eigenlijk een vrij filmische techniek.

    Zoals de kogel die door de stad vliegt en waarop ook een cameraatje bevestigd is? Die kogel die na een pauze een tweede slachtoffer maakt.

    Kogels moeten soms rusten. Misschien zijn er op de hele wereld maar vijf kogels. Die zijn zeer ijverig en doen hun best in allerlei verschillende tijdslagen die zo gemonteerd zijn dat het wel klopt.

    Het gekke is dat die kogel eigenlijk realistischer overkomt dan Agent Rik, die achter de kogel aanrent.

    Ja, dat is het. Het zogezegd fictionele is veel realistischer dan het dagdagelijkse. Die zogenaamd abnormale mensen zijn eigenlijk redelijk doorsnee. Sommige zijn zelfs clichés: de rocker die zijn vrouw tot moes klopt, of Julie die van het ene ongeluk in het andere valt: de belachelijke tragiek van schoonheid.

    Je spreekt daar over realiteit en verbeelding. Die tweedeling komt ook ter sprake op het moment dat Babs haar eerste schooldagen beleeft, en ze tot haar afgrijzen vaststelt dat ze haar identiteit als een jas moet afleggen om in een soort niemand te veranderen.

    Als baby dacht ik: oké, ik ben God. Dat is dan een autobiografisch element. (lacht) Alle mogelijkheden in je hebben, alles doorzien, alles weten. Het is gewoon een kwestie van alles even op te schrijven. Dat wordt natuurlijk afgekalfd, maar het komt eropaan om invloeden op te doen en zelf te selecteren. Wat veel gebeurt, is dat karakters helemaal afglijden of uitgehold worden door in een maatschappij terecht te komen en daar alles los te laten. Zo wek je volgens mij heel veel angsten op. Die gewone maatschappij bestaat uit uitgeholde personen die zo sterk op elkaar moeten leunen dat, als er een vreemd element binnendringt, het hele systeem in duigen valt. Dan is er paniek: wat moeten we nu nog geloven? Wat is de echte waarheid?

    In haar Boek vol Wijsheid promoot Babs eigenlijk de verbeelding, ze voelt zich echt tekortgedaan op die school. Maar op een bepaald moment – en dat vonden we heel frappant – wordt de vraag gesteld: ‘brengt orde gemoedsrust?’. Die vraag staat in een schril contrast met het woord ‘kakafonie’ dat Babs op de rug van haar vriendje, de Koreaanse adoptiejongen Kim, tekent. Is dat symbolisch? Heeft verbeelding kakafonie nodig? Of is orde een even grote vereiste?

    Ja en nee, ik denk dat het allebei nodig is. Vanuit de totale chaos omhoog kruipen is extreem moeilijk. Ik denk dat je sowieso een set persoonlijke regels nodig hebt of één waarheid, dé Waarheid, een eigen soort bijbel. Er is gewoon nood aan een bijbel, dat is wel duidelijk. Waarom? Om die als leidraad te gebruiken, of juist tegen te spreken. In fictie heb je gewoon extremen nodig, en in het echte leven ook, denk ik. (lacht)
    Het loopt dan niet goed af, maar dat is niet erg, want er moet altijd een motor zijn, een soort transformatie. Je kunt vragen: wat is er autobiografisch en wat niet? Er zijn altijd ervaringen die je ergens opschrijft, en dat is dan helemaal niet gericht op details als ‘daar drink ik een glas water’, of ‘op dat moment had ik dat lief’, maar juist op het moment waarop je ervaringen om kan buigen en om kan vormen, en dat kunst of literatuur verder kunnen gaan. Er is nood aan vernieuwing.
    Dat autobiografisch geschrijf dat slechts één dimensie weergeeft, dat gewoon de directe gevoelens, de stoelgang of de bedavonturen van weet-ik-veel-wie weergeeft, goed, dat lees ik wel graag op de wc, maar op mij heeft dat geen transformatieve kracht. Dat valt onmiddellijk plat op z’n gezicht, dan is het weg. In dit boek vind ikzelf dat het einde het begin is, omdat het daar van start gaat in een hiernamaals.

    Er zijn meer bepalende figuren in je boek. Naast de wij, die niet echt ingrijpen, en de tulp die Babs de houvast en orde aanreikt die ze nodig heeft om haar Boek vol Wijsheid te schrijven, heb je de fascinerende S., die tegelijkertijd de
    graffitikunstenaar is die de boodschap ‘Julie uit u’ achterlaat, die de stichter is van de Sterfelijken, een groepering die zich keert tegen de overouderdom en de groeiende onsterfelijkheid, en in Nepal de natte aars van een ezel op wil blazen als terroristische daad, en ten slotte ook de schutter is die de ene kogel afvuurt die zowel Michael – Julies vriend – als Ruben – Babs vriend – treft.

    Die S. die zo vaak voor keerpunten zorgt, ben jij dat? Is het de S. van Schrijver? De schrijver die effectief in staat is haar personages een bepaalde richting in te duwen?

    Dat vind ik een goede opmerking… Ja, je moet altijd het evenwicht zoeken tussen aan- en afwezigheid. Je kunt als schrijver niet helemaal in het niets verdwijnen, je moet je tegenover je personages nederig en slaafs opstellen om ze helemaal te volgen. Dat vind ik het moeilijke aan het schrijven, als je denkt: ‘dit is nu mijn plan, structuur, stramien’ en dat dat plan omgegooid wordt door de personages die het een andere kant op stuwen. Inderdaad, ergens zit er een hand van de schrijver achter die gaat frutselen en de touwtjes weer naar zich toehaalt en zegt: ‘nu doen we iets anders’. Dat is het ontplofbare van de werkelijkheid. De werkelijkheid vind ik juist zo interessant omdat je haar kan opblazen en injecteren met iets, waardoor er meer komt.

    Er zijn ook andere referenties aan het schrijverschap. Op pagina’s 136-138 staat telkens maar 1 woord (GEEN/ GEDULD/ HEEFT). Het gaat daar over Babs en haar Boek vol Wijsheid: ze heeft tal van ideeën, maar schrijft ze niet op omdat ze niet het geduld heeft om ze leesbaar te maken. Is dat een soort reflectie van jouw manier van schrijven?

    Nee, dat is de gefrustreerde schrijver, of de slechte schrijver. Eigenlijk iedereen die zich ingesteld heeft op de gedachte ‘ik heb heel interessante ideeën en vroeger op school heb ik echt wel heel goeie dingen geschreven, en nu ik 50 ben en niet meer weet wat ik moet doen, mijn kinderen zijn het huis uit, misschien moet ik maar eens wat gaan schrijven’ en dan tot de vaststelling komen dat vijf seconden concentratie om het ultieme op papier te knallen niet werkt. Ze merken dan dat ze het geduld niet hebben om het te doen. Volgens mij is schrijven ook gewoon de wil om het te doen, om ermee bezig te zijn.

    In je interview met Joël de Ceulaer in de Knack Boekenspecial van 5 april jl. zeg je dat je echt móet schrijven, dat het een echte noodzaak is…

    Ja, dat is god die mij dwingt. Ik word onbehaaglijk bij het idee dat ik niks zou maken.

    De moeder van Babs, Katrien Ongena, komt in het eerste hoofdstuk over als de perfecte vrouw, de perfecte moeder, maar haar is niet echt een gelukkig leven beschoren.

    Ja, het begin heeft eigenlijk de sfeer van ‘wat een paradijs’ en ‘wat een verrukking in het bestaan’, zo overdreven dat het gedoemd is te mislukken, dat er een twijfel binnensluipt: kan dit wel volgehouden worden? Kan dit zo verder?
    Katrien Ongena faalt omdat ze enerzijds niet durft te rouwen, omdat ze niet durft te zeggen: kijk, ik heb dit en dat verloren en nu sta ik eigenlijk nergens. Als dat rouwen tegengehouden wordt, vormt dat een enorme blokkade, dan kan er niets gebeuren, en dan is verzuipen in een badkuip nog wel een goede optie.

    Het vreemde is dat Babs in het begin nog wordt geportretteerd als een bijna buitenaards perfect kind, maar ze heeft niet de motivatie om haar moeder vooruit te helpen, terwijl je van een perfect kind verwacht dat het respect heeft voor haar ouders, en meer van die geboden?

    Babs promoot eigenlijk een soort hyperindividualisme, ze bouwt zichzelf uit, maakt vertakkingen, vergroot die en houdt ze in stand; ze blikt niet terug in de zin van: ik moet mijn voorvaderen helpen. Dat zit wel sterk in het thema van de terugblik of de vooruitblik: ze weigert verantwoordelijkheid op te nemen voor een verleden dat eigenlijk niet van haar is. Dat is ook het implosieve en incestueuze van families: kinderen die altijd plichten hebben tegenover de ouders; dat is wat Babs veracht.

    Babs is meer iemand waar anderen in bewondering naar kunnen kijken, maar die eigenlijk geheel op zichzelf staat, ze heeft niemand nodig. Want vanaf het moment dat ze iemand nodig heeft, wordt ze niemand, of zoals iedereen. Hooguit trekt ze veel met haar zusje Laura op, die haar ook na haar dood blijft bezoeken. Dat is ook een bijzonder personage: dood en springlevend.

    Laura had evengoed niet kunnen bestaan. Het is gewoon iemand die je altijd blijft achtervolgen, een soort eeuwige begeleider. En of die nu dood of levend is, dat maakt niet veel uit. Ik vind het ook vreemd dat de dood een breuklijn zou zijn. Dat is zo cynisch gegroeid: dit is nu het grote eindpunt. Ik vind het wel redelijk spannend om te weten dat er nog een dood komt! Geweldig! Ik kijk daar zelf wel naar uit, omdat ik weet dat er dan nog heel veel komt, of: dan komt het echt.

    En bij jou is de dood niet de situatie die een tien op je universele pijnschaal verdient? ‘Nul is een massage, bij tien worden oogbollen en geslacht simultaan door zwavelzuur traag weggevreten terwijl vijftien heksachtige, harige vrouwen met rietjes door de huid proberen te prikken om de organen uit de zak van het lichaam te zuigen op de maten van luide countrymuziek’?

    Dat kan de dood wel zijn, maar je moet de dood verdienen. Het lijkt me eigenlijk wel kicken… (gniffelt)

    Als toeschouwer misschien…

    De Coster neemt een strategische slok thee en zwijgt. Wij nemen de draad weer op bij geld, roem en alwetendheid. Er wordt in Eeuwige roem veel en nadrukkelijk Pepsi Max gedronken (‘Don’t worry, there’s no sugar’). Hoeveel heeft Pepsi je betaald voor deze reclame?

    Die gaan mij levenslang Pepsi Max geven. Ik ga dat intraveneus toegediend krijgen.
    Het is een godendrank, moderne nectar! De motor van mijn bestaan, eigenlijk. Coca-Cola light is gewoon onnozel. Vooral die met die citroensmaak. Geen goed idee.

    Het boek lijkt volledig te worden verteld door de ‘wij’. Allerlei mysterieuze personages, misschien geen personen, die overal bij lijken te kunnen zijn, maar dat toch niet doen. In het begin krijg je het idee dat die ‘wij’ absoluut en alwetend zijn, maar dat brokkelt stilaan af, er vallen bewust gaten. De ‘wij’ zeggen op welbepaalde momenten: hier volgen we niet. Waarom?

    Dat heeft te maken met het cliché van de alwetende verteller uit vorige eeuwen, de verteller die alles gaat poneren en beweren, een soort Grieks koor dat commentaar levert. Er zit nu een lichte vorm van ironie in misschien, het zijn een soort camera’s die alles kunnen registreren, maar soms uitgeschakeld worden en die selectief zijn in hun alwetendheid. Alles wordt nu geregistreerd: de CIA weet dat wij nu hier zitten en wat wij over een suikerklontje hebben gezegd. De vraag is: is dat belangrijke informatie? Zijn wij nu een terroristische aanslag aan het voorbereiden of zijn wij gewoon over letteren bezig?

    Ter bevestiging van dat laatste, en na het spotten van camera’s, microfoons en bizar onopvallende lui met zonnebrillen en gaten in hun krant, besluiten we kortstondig alle aandacht van Staatsveiligheid af te leiden.

    Het valt ons op dat de meeste mannen in dit boek niet bepaald sympathiek zijn. Ruben, Babs’ geliefde en leider van de Sterfelijken, is net als Michael, Julies geliefde en populair rockmuzikant, iemand met losse handjes. Julies ‘vader’ verlaat haar, een man die ze ontmoet tijdens een van haar v
    ele nachtbraakpartijen zorgt ervoor dat ze in Japan in de prostitutie terechtkomt.

    Nu moet ik zo’n statement maken, als ‘alle mannen zijn slecht’, maar misschien heb je ook opgemerkt dat de vrouwen in dit boek gecensureerd worden, of zichzelf censureren. Ook zij zijn bedriegsters. Julie is eigenlijk een grotere bedriegster dan de rocker Michael, maar ze zegt dat gewoon niet. Ze heeft nogal de neiging alles te projecteren, en de prenten die op welbepaalde plaatsen voorkomen en die sterk mannelijk zijn, gaan dat tegen. Ik heb juist de clichés van vrouwen zo dik aangezet, om te tonen hoe idioot en belachelijk dat zelfbeklag van vrouwen is: ‘oh, ik word mishandeld, help mij, ik ben een weerloze vrouw’. Ik geloof daar helemaal niet in.
    Die clichés van de mannelijke structuur van de maatschappij, vrouwen vinden daar uiteindelijk wel hun weg in, of ze kunnen zich daar heel gemakkelijk in bewegen, omdat ze aan van alles kunnen ontsnappen. Ik geloof ook helemaal niet in de tweedeling van mannen zijn zus en vrouwen zijn zo. Ik ken mijn eigen mannelijkheid of vrouwelijkheid ook niet. Daarom ook de verglijdende seksuele geaardheid in dit boek. Wie is er hetero? Bij vrouwen is het totaal onduidelijk. Alle vrouwen zijn bi, op z’n minst. Dan kan je je wel afvragen wat het mannelijke of het vrouwelijke element is, maar alles loopt door elkaar. 

    Maar tegelijkertijd lijkt het alsof je dat bij mannen wel expliciteert, en het bij vrouwen aan de lezer overlaat…

    Op sommige momenten wordt dat, hoop ik, toch wel onderuitgehaald. Als Julie bijvoorbeeld een huurmoordenaar inhuurt, dat zijn van die slinkse smerige technieken die vrouwen eigen zijn. Wat ik dan wel een rol heb laten spelen, is het feit dat het boek zogezegd door een vrouw geschreven is, zo zal het dan ook worden gelezen. Daar ben ik dan van uitgegaan, om die vrouwen zogezegd op te hemelen. Een slimme lezer zal dat doorzien en zeggen: ‘Wacht even, dat klopt niet.’

    De personages die het meest aan zelfbeklag doen, zijn gek genoeg Katrien Ongena en de moeder van Greta, die Greta een hele nacht wakker houdt om zichzelf en haar eenzaamheid te beklagen, en niet Julie en Babs, die eigenlijk veel meer beklagenswaardige dingen meemaken. Zij lijken een soort apathie te bezitten tegenover die gebeurtenissen. Het lijkt of ze te beklagen zijn, maar tegelijkertijd zetten ze zich er heel snel over.

    Ik vind zelfbeklag één van de meest walgelijke dingen, als dat gerekt wordt in de tijd. Een rouwproces is voor mij gewoon: ‘haren afscheren’ en ‘kleren kapotscheuren’. Zo hoort dat. En niet een soort sluimerende rouw die rottigheid met zich meebrengt en mensen totaal aantast in hun hele doen en denken. Dat leidt tot anomalieën, ook op maatschappelijk vlak: een soort uitgestelde rouw, het niet kunnen omgaan met een bepaald verleden. Een wonde moet helemaal worden blootgelegd, opdat die kan ademen en helen.
    Je moet niet heel voorzichtig dingen aanbrengen. Ik geloof daar niet in. Zelfbeklag is ook weer zo’n vorm van implosie, een houvast zoeken en eigenlijk terugkeren naar een toestand van misère, van zinken tot de bodem van de oceaan.

    Je geeft ergens een soort schets van de samenleving: ‘Voor de eerste keer had Julie het gevoel dat ze iets begreep van het land en zijn bewoners; de bange mensen die als kameleons wegschieten voor haar voeten, de oude mensen met hun harten van gesponnen suiker en hun monden vol valse tanden, de eerbare burgers die rondlopen alsof ze hun hart onder de ene arm, de afscheidsbrief voor hun geliefde onder de andere arm en een explosievengordel op hun buik dragen; zo triestig lijken ze, zo ernstig. Levens slepend als een eeuwige motregen.’
    Vind je het belangrijk zo’n beeld mee te geven? De doffe wereld? Of is het meer het cliché van iemand die door een verblijf in Nepal zichzelf en de wereld opeens helder ziet?

    Ach, die zelfkennis… Julie gaat wel naar Nepal, maar hangt gewoon in hotels, ze zoekt een goeroe die ook niet veel voorstelt. Nee, zo’n beschrijving van een land vind ik wel belangrijk. Het is meer dan een sfeer. Een algemene mindset van een maatschappij, het slepende, het voortgaan, niet tegen beter weten in, maar heel passief, in een soort amoebetoestand. En als er dan in geprikt of gepord wordt, dan beweegt dat wel, maar verder gebeurt er weinig…

    Is dat dan een pleidooi voor de verbeelding?

    Verbeelding aan de macht: ik vind dat zo vreselijk klinken, jakkes. Ik denk nooit: ik ga eens even lekker liggen fantaseren en opgaan in mijn droompjes. Dan word je helemaal psychotisch! Je kan niet de hele dag drugs gebruiken en besluiten: oké, nu zit ik in de verbeelding. Ik vind dat literatuur idealiter betekent: een denkbeeldige steen in een echte vijver gooien en er dan voor zorgen dat er iets beweegt in die vijver, dat er iets gebeurt. Dus ja, mijn boek is wel een pleidooi voor de juiste verbeelding.

    Wat dan volgt is ruis, slechts voor enkele oren bestemd. Iets over (de)hydratatie en vloeistoffen, Pepsi Max, roestige binnenkanten, slijmen, en Pepsi Max. Later die avond worden we er door de personages Michael/Ruben en Julie/Babs mee om onze oren geslagen. Een explosief goedje, die eeuwige roem vermengd met Pepsi.

    – Balk –

    Patrick Bassant
    Kurt Snoekx

    7 april 2006 | Botanique, Brussel

    Twee weken geleden plaatste Literairnederland.nl een voorpublicatie uit Eeuwige roem: klik hier.

    Boeken van Saskia de Coster:
    Eeuwige roem. Prometheus, Amsterdam, 2006.
    Jeuk. Bert Bakker, Amsterdam, 2004.
    Vrije val. Bert Bakker, Amsterdam, 2002.

    Foto Saskia de Coster: Rob Stevens

     

  • F. Bordewijk

    'Iemand, die zo de beknoptheid weet uit te buiten, heeft recht op beknoptheid. Hij onderscheidt zich soortelijk van degenen die het korte beoefenen, omdat zij aan het lange nog niet eens toe zijn.'
    (Menno ter Braak over Bordewijk, Het Vaderland, 27-01-1935).

    Dat moet een beetje de leidende gedachte zijn geweest, dit recht op beknoptheid bij alles wat het internet te bieden heeft over deze grote schrijver. Neem Literair Nederland, (hand in eigen boezem):

    'Wordt geboren in Amsterdam, verhuist op zijn tiende naar Den Haag.
    Studeert rechten in Leiden, wordt in 1913 advocaat. Hij begint op een groot advocatenkantoor in Rotterdam (zie Karakter).
    Debuteert in 1916 als dichter met de bundel Paddestoelen, onder het pseudoniem Ton Ven.
    Debuteert in 1919 als prozaschrijver met zijn eerste bundel Fantastische Vertellingen.
    Hij vestigt zijn naam met de korte romans Blokken, Knorrende beesten en Bint.
    Zijn meest populaire werk is Karakter. In de Fantastische Vertellingen is er sprake van invloed van E.A. Poe.
    In zijn latere werk wordt zijn proza gekenmerkt door korte zinnen en een bijtende stijl. Een grote rol spelen 'de stad' en zijn architectuur. Hij wordt beschouwd als een van de grootste vertegenwoordigers van de nieuwe zakelijkheid.'

    Zo, kort door de bocht. Maar wie is Bordewijk? Elly Kamp schrijft een biografie, meldt het Biografie Bulletin. Van Literair Nederland, ter compensatie een lezerservaring:

    In het boekje Arenlezing uit de korenharp (Bezige Bij, 1955) worden verhaaltjes uit de twee delen de Korenharp gebloemleesd die daarvoor verschenen. Hieruit: Visioen van het Hiernamaals:

    ‘De lucht is van leem, het licht is van mist, het gegalvaniseerd viaduct staat zo frêle, ontstoffelijkt, zo onbereikbaar.
    Daar dendert het hart van de nacht van een stalen ritmiek, zoals ’t hart van het mensenkind dendert van bloed, tikke-tik, tikke-tik.
    Nu janken de remmen als honden die ’t wiel overrijdt en de trein stopt nog juist waar de ijzerconstructie zich oplost in niets. Een staaltrap van spinrag met duizenden spijlen schiet weg in een prinselijke boog van ’t perron naar omhoog, – en omlaag.
    En met een ontzettende lenigheid, borstelbehaard, komen langs deze treden de zware primaten en superprimaten getuimeld, de spieren gevoelig, gehoorzaam, de sprongen geluidloos, versmadend de ijzeren draad van de leuning, zij zwarten elastisch bekussend met vlees en met vet en de kuitspieren ballen van balpootkasten, de borstvlakten kussens van kussenkasten, zij zwarten alom met de stekels van ’t haarkleed begroeid.
    En daarna, met onzekere gang, met het blinde getast van een hand, wankelmoedig en steunende wrak op de ijzige draad schuiven mensen ja mensen dan, menslijke wezens in onbeschermd naakt naar omlaag, en ’t gedierte achterna. In de trein aan het zenit onzichtbaar geworden in de damp klopt een klein organisme, een laatst mechanisme nog voort, tikke-tik, tikke-tik en de laatste lantaarn wordt beblust.
    In een kudde bijeen staan op ’t stevige platvorm van zwart nu de beesten en mensen alleen, de trein die is heen, en dan valt er een nacht.’

    Een visionair, deze schrijver, een dichter bovendien, in proza. Kan Vestdijk – een groot Bordewijk lezer – het verhaal hebben gelezen voordat hij De kellner en de levenden schreef? Het werk van Bordewijk is zo redeloos vol van een ‘instrumentarium van grillen’ (Vestdijk) dat het onmogelijk is je te vervelen. Alleen wachten we al zo lang met smart op de biografie…

    En tot die tijd staat er een heel mooi verhaal van zijn weduwe Jo. Bordewijk-Roepman in het boekje Over F. Bordewijk, een karakteristiek van zijn schrijversarbeid door Pierre H. Dubois aangevuld met een levensschets en een beknopte bibliografie van Dubois.

    Een Bibliografie in sterkste titels, met wat overlap hier en daar.

    * Fantastische vertellingen I (1919)
    * Fantastische vertellingen II (1923)
    * Fantastische vertellingen III (1924)
    * Blokken (1931)
    * Knorrende beesten (1933)
    * Bint, Roman van een zender (1934)
    * Rood paleis. Ondergang van een eeuw (1936)
    * De wingerdrank (1937)
    * Keizerrijk (1937)
    * Karakter (1938)
    * De korenharp (1940)
    * Het gele huis (
    met o.a. A.H. Mulder, H. van Eyk, J. Last) (1940)
    * Appollyon (1941)
    * Veuve Vesuvius (1946)
    * Bij gaslicht (verhalen) (1947)
    * Noorderlicht (1948)
    * Het eiberschild (verhalen) (1949)
    * Nachtelijk paardengetrappel (bloemlezing) (1949) (
    oei, dat is een goed verhaal, het titelverhaal!) * Vertellingen van generzijds (verhalen) (1950)
    * Studiën in volkstructuur (verhalen) (1951)
    * De doopvont (1952)
    * Onderweg naar de Beacons (verhalen) (1955)
    * Arenlezing uit De korenharp (bloemlezing) (1955)
    * Halte Noordstad (1956)
    * Tien verhalen (1956)
    * De aktentas (verhalen) (1958)
    * De zigeuners (verhalen) (1959)
    * Centrum van stilte (verhalen) (1960)
    * Tijding van ver (1961)
    * Lente (verhalen) (1964)
    * Het Keizerrijk (1965)
    * Dreverhaven en Katadreuffe (
    novelle geschreven in 1928, voor het eerst uitgegeven in 1981 door P.H. Dubois)
    * Kelders en paleizen (door P.H. Dubois) (1982)
    * De fruitkar (
    met inleiding van W.F. Hermans) (1984)
    * Huis te huur. Elf surrealistische verhalen (1999)

  • L.H. Wiener

    Een stilist met een verhaal

    Er zijn schrijvers die je bewondert vanwege de stijl, er zijn schrijvers die je bewondert vanwege de toon en er zijn schrijvers die je bewondert vanwege de inhoud van hun boeken. In sommige gevallen geldt die bewondering al deze aspecten. Bij Nestor van L.H. Wiener kun je alleen maar verwonderd toekijken. Hij mengt autobiografie en fictie door elkaar, treedt als schrijver naar voren in de roman, maar creëert ook een schrijvend alter-ego Van Gigh, zodat je altijd op je hoede moet blijven als lezer.
    De roman is meerlagig. Het begin is verhalend. Een (autobiografisch, maar dat is lastig vast te stellen in deze roman) verhaal over de jeugd van Ezra Berger die een uil vangt. Na enkele bladzijden wordt die prachtige openingsscène ruw verstoord door andere verhaallijnen, onder meer door brieven aan Xandra Schutte, toen nog werkzaam bij Vrij Nederland. De auteur wisselt plotseling van toon en dat is een fascinerende leeservaring. De roman kreeg terecht de F. Bordewijk-prijs. Uit het juryrapport: "De schrijver L.H. Wiener treedt ook op in Nestor, namelijk als de verteller die over Van Gigch schrijft. Zo zijn er dus drie figuren: Wiener schrijft over Van Gigch, die op zijn beurt over Ezra schrijft. Er zit dan ook veel diepgang in deze roman. Ontroerende passages worden afgewisseld met bijtend cynisme, verhalen worden gelardeerd met brieven en essays. Een uiterst verzorgde vorm en stijl gaan hier hand in hand met een doorleefd verhaal, en dat beantwoordt aan het credo van Van Gigch: ‘Het enige waar het in de literatuur om gaat is de stijl en de authenticiteit.' Wat er stáát is waar, althans als het er goed staat, en níét waar als het er slecht staat.’ Volgens de jury van de Jan Campert-stichting is alles wat er in dit boek staat wáár, omdat het dankzij de stijl de indruk geeft van een volkomen authenticiteit."
    Twee weken geleden verscheen het vervolg op de prijswinnende roman, De verering van Quirina T. Afgaande op de eerste recensies is het wederom een prachtig boek.
    Het succes is L.H. Wiener niet echt komen aanwaaien, want meer dan dertig jaar gold hij als een 'Geheimtip' voor de echte kenners van literatuur. Dat is mooi, maar een schrijver wil vooral gelezen worden. Je moet over een ongelooflijk doorzetingsvermopgen beschikken om door te blijven gaan terwijl de verkoopcijfers toch enigszins tegenvallen. Wiener had een vaste schare fans, die zijn verhalen altijd kocht, maar de doorbraak naar het grote publiek kwam pas met Nestor.
    Wie begint met die roman en dan terugwaarts leest in het oeuvre van Wiener, en dat is goed mogelijk nu zijn verhalen herdrukt zijn, ontdekt bovendien iets extra's: veel verhalen verwijzen naar elkaar. Elementen in het ene verhaal duiken weer op in een ander. Zelfs personages, al dan niet uit het echte leven, komen terug. Dat maakt de ontdekkingsreis door het gehele werk, ook als die in a-chronologische volgorde gebeurd tot een literair spannend avontuur.

    Seizoenarbeid (1967)
    Zwarte vrijdag (1967)
    Duivels jagen (1968)
    Man met ervaring (1973)
    Bomen die te mooi zijn moeten worden omgezaagd (1980)
    Misantropie voor gevorderden (1983)
    Naamloze meisjes (1984)
    Wegens mensenkennis gesloten (1988)
    Misantropenjaren (1990)
    De langste adem (1993)
    Ochtendwandeling (1996)
    Niet aaien (1997)
    Allemaal licht en warmte (1999)
    Nestor (2003) (F. Bordewijk-prijs)
    Een handdruk en een vuist (2003)
    De verhalen 1 (2003)
    De verhalen 2 (2004)
    De verering van Quirina T. (2006)
    Sites:

    Veel optredens voor de VPRO-radio vind je hier
    Het complete juryrapport van de Bordewijk-prijs alsmede het dankwoord van Wiener vind je hier

    CP

  • Menno Wigman

    Menno Wigman (10 oktober 1966, Beverwijk) groeide op in Santport en verhuisde naar Amsterdam om daar Nederlandse taal en letterkunde te studeren aan de Vrije Universiteit. Vanaf 1984 gaat hij zich profileren als dichter: hij publiceert in eigen beheer de dichtbundel Van zaad tot as en heeft zijn eerste optredens als dichter. Pas 13 jaar later debuteert hij in het officiële circuit met de bundel ’s Zomers stinken alle steden, een jaar eerder was zijn vertaling van Bloemen van het kwaad van Baudelaire verschenen. De bundel ’s Zomers stinken alle steden werd door de critici unaniem goed ontvangen en er verscheen al snel een tweede druk. In 2001 ontving Wigman voor zijn tweede bundel, Zwart als kaviaar, de Jan Campertprijs en werd hij genomineerd voor de Hugues C. Pernath-prijs. Drie jaar later, in oktober 2004 verscheen zijn derde bundel, Dit is mijn dag. Dit jaar schreef Wigman het gedichtendagbundeltje De wereld bij avond.

    Menno Wigman wordt gezien als een exponent van de jonge, nieuw romantiek. Beïnvloed door de  decadente dichters van het fin de siècle zijn zijn gedichten  doorspekt met melancholie, muziek en liefde. Niet alleen de kritiek is zeer enthousiast over de kwaliteiten van Wigman, ook mededichters laten zich regelmatig zeer  positief over hem uit. Zo noemde Ingmar Heytze Wigman in Passionate ‘de beste dichter van onze generatie’ en Komrij nam in de 2004-editie van zijn bloemlezing uit de Nederlandse poëzie zeven gedichten van Menno Wigman op.

    Over het algemeen prijst men zijn dichttechniek en zijn grote kennis van zaken. Arie van den Berg over het gedicht ‘Onder de tandarts’ (uit Zwart als kaviaar): ‘Het ritme lijkt op de voet geteld, er is voortdurend een suggestie van rijm (maar een schema ontbreekt), de enjambementen zijn gedurfd maar onderbreken nergens de parlando toonzetting. Het eerste couplet eindigt in een fraaie aanzet tot een Homerische vergelijking die in de eerste regel na het wit al gesmoord wordt in het contrabeeld van het tandheelkundig werk. En dan zwijgen we nog over de inhoud. Dit is een superieur gedicht’.

    Een bibliografie van het werk van Wigman, zijn eigen bundels en vertalingen is hier te vinden.

    Bron: www.kb.nl/dichters
    Donderdag 2 maart is Menno Wigman te gast in VADEM, een initiatief van de jonge dichters Jan-Willem Anker, Tsead Bruinja en Thomas Möhlmann. In wisselende rolverdeling nemen zij de presentatie en uitvoering van de avonden voor hun rekening. VADEM wil tegemoet komen aan de belangstelling voor goed geïnformeerde en inhoudelijke gesprekken met hedendaagse dichters.

    Bezoek de site van Menno Wigman.

     

    Locatie: Café De Doffer, Runstraat 12-14, Amsterdam
    Aanvang: 20.00 uur
    Toegang: gratis, maar uitsluitend na aanmelding op
    info athenaeum.nl.

  • Kees 't Hart

    Kees ’t Hart (Den Haag, 12 juli 1944) is schrijver, dichter, recensent. Deze week komt zijn nieuwste roman uit. Een portret van deze veelzijdige en eigenzinnige schrijver in zes citaten.

    Ik vond het altijd enge trutten, maar dat is nu voorbij. (…) Ik heb veel gevoel voor ze gekregen, echt warm, sentimenteel gevoel. Wat een eigenwijze vrouwen, wat een leuke lui.
    Over Betje Wolff en Aagje Deken, romanpersonages in Ter navolging, Trouw, interview door Iris Pronk, 2004

    Net als Vincent [personage in Ter navolging, cp] was ’t Hart in Frankrijk vooral op zoek naar feitjes die zijn louche theorie over de dames konden staven. Waar of niet waar, dat deed er niet toe. Schitterend vindt hij het dan ook dat hij onder een nogal vreemde naam in het bibliotheeksysteem werd geregistreerd. “Ze keken in mijn paspoort toen ik me inschreef. Later zag ik dat ik als ’s Gravenhage Kees door het leven ging.” Bulderend: “prachtig toch, die mystificatie?”
    Interview door Kirsten van Santen in de Leeuwarder Courant, 2004

    Ik wil haar tekstschrijver ook zijn. Lach maar even hoor, dat mag, maar ik ben daar heel serieus in. Het is mystiek. Ik heb haar platen. De bewijzen liggen hier in huis. Corry kan niets zingen wat zij niet meent en voelt. Dat merk je als je naar haar luistert.
    Over de voorliefde voor Corry Konings, interview door Arjan Peters in De Volkskrant, 1999.

    De fotograaf staart verrukt naar vogelhuisjes, blijft daar even staan en raakt ons dus direct kwijt. ’t Hart wurmt zich tussen twee overvolle stellingen met allerhande doosjes en stapeltjes door en kijkt steeds gelukkiger. Hij wijst op allerlei voorwerpen: sleetjes, bladervegers, hooivorken, een gemuteerde schop. Nou? Is dit niet wat zijn gedicht beloofde? ‘Ik las het gedicht meer als een hellevaart naar een gewelf waar je niet meer uitkomt,’ zeg ik. ‘O,’ reageert ’t Hart. ‘Een hel? Vind je het hier een hel?’ ‘Nee, in dat gedicht, bedoel ik.’ ‘Ja als je zo begint.’
    De auteur leidt een verbijsterde Jeroen Vullings en een fotograaf rond in de winkel van Auke Rauwerda, Vrij Nederland, 2000.

    ‘Als je een idee hebt en het is een goed idee dan moet je maar even doorschrijven, ook al deugen de zinnen nog niet. Op een dag heb ik al die schaamtes over slechte zinnen van me afgezet en schreef ik drie weken lang drie bladzijden per dag. Binnen die rotzooi bleek zich toen weldegelijk een verhaal te bevinden. Daarna maak ik pas een tweede versie en gaat alle troep eruit: klopt de toon, is het geouwehoer niet te dol?’
    Interview door Christiaan Weijts in Mare, 2003.

    Die terminologie is al verkeerd. De achttiende eeuw, wat is dat? Iedereen denkt aan de Verlichting, pruiken, Nederlanders die Frans praten. Het zijn allemaal clichés. In Vitrines staat het verhaal Rousseau met een parodie over het spreken over historische verschijnselen. Daar zegt men: de achttiende eeuw was een eeuw waarin men over de zeventiende eeuw nog even nasprak. Absurde zinnen. De achttiende eeuw is een constructie. In mijn werk komt dat voortdurend voor: de strijd tegen deze constructies. Ik ben ertegen!
    Antwoord op de vraag: De fascinatie voor de achttiende eeuw heb je al heel lang. Tzum, 2004.

    1988 – Vitrines
    1989 – Land van genade
    1990 – De neus van Pinokkio
    1992 – Zwembad
    1996 – Blauw Curaçao
    1998 – Kinderen die leren lezen (poëzie)
    1998 – Overlezen
    1999 – De revue
    2001 – Het mooiste leven… (over S.V. Heerenveen, real-lifedocumentaire)
    2002 – De ziekte van de bewondering (essays)
    2004 – Ter navolging
    2005 – Grasbladen (redactie samen met Jacob Groot, vertaling van diverse auteurs van Walt Whitman – Leaves of Grass (1855)
    2006 – De krokodil van Manhattan

    Een interview met de auteur over zijn nieuwste boek is te beluisteren op de site van Opium, zondag 19 februari.

  • Jaap Scholten

    Jaap Frederik Scholten (Enschede, 1963) is de vierde van vijf zonen die door moeder alleen werden grootgebracht. Behalve een studie binnen het kader van een filosofie keuzevak naar de invloed van Tolstoi op Wittgenstein, wees niets op een literaire toekomst. Door pech – een onder de auto uitgevallen cardanas – in de Algerijnse woestijn, 600 kilometer ten noorden van de dichtstbijzijnde stad Insalah, ontdekte hij de magie van het geschreven woord. Na drie dagen kwam een vrachtautochauffeur langs die na één blik op Scholten concludeerde; ‘Et ça, c’est le philosophe?’

    Niet lang daarna schreef Scholten in een kloostercel nabij Barcelona het script voor Beauville, een lange korte film over een oude man die voor hij sterft zijn zoutwaterschildpadjes naar zee wil brengen. In 1995 werd het scenario in Los Angeles verfilmd door de Belgische regisseur Rudolf Mesdag met in de hoofdrollen Julien Schoenaerts en Marianne Sagebrecht. Scholten sloot zich hierop van de wereld af in de Dordtse Biesbos. Daar probeerde hij proza te schrijven, wat helaas op niets uitdraaide. Hij knapte onderwijl  een oude – uitsluitend per boot bereikbare – kooikerswoning – zonder elektriciteit of stromend water – op en werd na drie maanden horendol van het witte papier en vooral van het oeverloze gekwetter van eenden. Hij ging werken in de drukkerij van Schiphol en woonde aan de Bloemgracht waar hij ’s nachts korte verhalen in briefvorm schreef, die hij naar uitgever Thomas Rap stuurde.

    Verhalen in briefvorm

    Na enkele maanden zei Rap: ‘We gaan een boek maken.’  Dat werd Bavianehaar & Chipolatapudding (1990).
    Na veel omzwervingen, vooral door Oost-Europa, werkte Scholten vijf jaar lang full-time in reclame en uitgeverij. Onderwijl schreef hij ’s avonds en ’s nachts de roman Tachtig en het toneelstuk Caravangeluk. Na het succes van Tachtig en een lucratief aanbod van een filmmaatschappij nam hij ontslag.
    Sindsdien kwam er nog maar weinig uit zijn vingers. Het volledige schrijverschap verlamde hem of hij hield zich met andere zaken bezig.

    De laatste tijd komt daar verandering in; hij schreef een televisiefilm, Wodan! (regie Norbert ter Hall) voor de KRO in de serie ‘De zeven deugden’. Daarnaast verscheen de roman Morgenster (longlist AKO literatuurprijs). Scholten werkt momenteel aan de korte film Mercedes (regie Mark de Cloe), aan een speelfilm met de werktitel Luna (regie Jean van der Velde) en aan de novelle Als één van de honden jarig is.
    In april/mei 2001 verscheen Reisverhalen en bedevaartstochten, met daarin de herbegrafenis van de laatste tsaar in Sint Petersburg; een zoektocht naar de Hongaarse bloedgravin Erszébet Bathory; een bezoek aan Paul Bowles in Tanger kort voor diens dood; Pepín Bello en de Residencia de Estudiantes in Madrid en een bedevaartstocht naar J.D. Salinger in Cornish, New Hampshire.

    Bijzonderheden: Scholten studeerde industriële vormgeving in Delft, grafische vormgeving en reclame in Rotterdam. Hij richtte een meubelwerkplaats op, ontwierp affiches, werd tweede met de jeugdkampioenschappen Tae Kwondo, trok door de Sahara, werkte als barkeeper en als tankercleaner. Na het afronden van zijn studies werkte hij als art-director bij een groot Amerikaans reclamebureau maar werd ontslagen wegens het beledigen van de directeur. Op het moment woont hij met zijn gezin in Hongarije.

    Citaat: ‘Ik heb een voorliefde voor mensen die tegen de stroom ingaan. Ik houd van die romantiek, ben iemand van heldenverering en bedevaartsoorden.’ (HP/De Tijd, 5-1-1996)

     

    Bibliografie:
    Bavianehaar & Chipolatapudding (korte verhalen,1990 )
    Tachtig (autobiografische roman, 1996)
    Zelda – vertel me hoe te leven (novelle, 1996)
    Morgenster (roman, 2000)
    Reisavonturen en bedevaartstochten (reisverhalen, 2001)
    De wet van Spengler, (autobiografische roman, 2008)
    Heer & Meester. Berichten uit de voormalige dubbelmonarchie, (non-fictie, 2008)
    De avonturen van Jaap Scholten. Van Oldenzaal tot Ouaguadougou, verhalen 2010 (verscheen eerder als Bavianehaar & Chipolatapudding, 1990)
    Kameraad Baron. Een reis door de verdwijnende wereld van de Transsylvaanse aristocratie, (non-fictie, 2010)
    Horizon City, 2014 (familiekroniek, onder meer over zijn tante Ankie Stork)
    Suikerbastaard, 2020

    Prijzen:
    1995: Longlist AKO Literatuurprijs voor Tachtig
    2000: Longlist AKO Literatuurprijs voor Morgenster
    2009: ‘selexyz uitgelezen keuze’ voor De wet van Spengler
    2011: Shortlist Bob den Uyl-prijs voor Kameraad Baron
    2011: Libris Geschiedenis Prijs voor Kameraad Baron
    2014: Overijssels Boek van het Jaar 2014 voor Horizon City,

     

    Bron: Schrijversnet / Wikipedia