• Tien sterke vrouwen

    Honderd jaar tussen ontnuchtering en tegenbeeld
    Een koor van vrouwenstemmen

    Dagblad Trouw verwent haar boekenliefhebbers, want hun ‘Trouwbibliotheek’ is onlangs uitgebreid met de serie ‘Vrouwenstemmen’. De tien boeken die hierin verschenen zijn beslaan een periode van honderd jaar: tussen ‘De Ontnuchtering’ van Kate Chopin en ‘Tegenbeeld’ van Pat Barker zit precies een eeuw. Trouw heeft tien schrijfsters uit binnen- en buitenland geselecteerd, waarvan de meesten nog in leven zijn, die in hun werk de ‘vrouwelijke stem’ laten horen. ‘Tien sterke vrouwen die zich durfden uit te spreken en daarmee weerklank vonden bij zowel vrouwen als mannen,’ is op de website te lezen.

    Uiteraard zou de lijst aangevuld kunnen worden met een keur van andere indrukwekkende schrijfsters. Ellen Ombre bijvoorbeeld of Renate Dorrestein. Marilyn French of Benoîte Groult. Tja, er moeten nu eenmaal keuzes gemaakt worden en dat heeft Trouw prima gedaan.

    Sterk aan de keuze voor deze tien is, dat er ongelofelijk veel onderwerpen aan de orde komen die de afgelopen eeuw een belangrijke rol gespeeld hebben. Kolonialisme, vrouwenkiesrecht, beide wereldoorlogen, de seksuele revolutie, abortus, incest, echtscheidingen, het glazen plafond, immigratie, racisme, en (homo)erotiek, nagenoeg alle belangrijke thema’s passeren de revue. Daarnaast geeft de serie een mooi beeld van honderd jaar literaire ontwikkelingen. De 19e-eeuwse zinnen van Kate Chopin slepen ons mee naar Virginia Woolfs ‘stream of conciousness’ en via de fragmentarische compositie van Astrid Roemer komen we terecht bij de levendige stijl van Erica Jong.

    Carry van Bruggen overleed toen Fay Weldon twee jaar was en het is interessant hun boeken uit respectievelijk de eerste en tweede feministische golf: ‘Een coquette Vrouw’ en ‘Praxis’ naast elkaar te zetten.

    Allereerst valt de stijl op. Waar Van Bruggen lange zinnen en uitvoerige beschrijvingen bezigt, flitst Weldon door het verhaal heen. Zij schrijft vlot en kernachtig en sleept de lezer mee, terwijl Van Bruggen stilstaat bij diepzinnige gedachten en inhoudelijke discussies. Beiden beheersen hun eigen stijl zeer goed en schrijven sterke dialogen.

    Inhoudelijk zou je denken dat hoofdpersoon Praxis in de jaren zeventig meer haar ‘mannetje’ staat dan Ina (Een coquette Vrouw) aan het begin van de eeuw. Dat is niet helemaal waar. Beide vrouwen worden door hun mannelijke partners gestimuleerd te studeren of te werken, zolang het huishouden er maar niet onder lijdt. In felle discussies met haar Egbert durft Ina hem van repliek te dienen, terwijl Praxis haar schouders laat hangen en de vaatdoek maar weer oppakt na een ruzie met Willy of Ivor of Philip.

    Dit zegt waarschijnlijk alles over de auteurs. Carry van Bruggen heeft met Een coquette Vrouw een fel relaas over haar eigen huwelijk met en echtscheiding van de journalist Kees van Bruggen geschreven. Geen wonder dat het er soms hard aan toegaat. Fay Weldon neemt in al haar boeken de mannen op de hak, maar veegt ook de vloer aan met vrouwen die weigeren van hun fouten te leren. Feit blijft dat zowel Praxis als Ina worden gemangeld door de heersende mannennormen en beide doen er uiteindelijk alles aan om hun benauwde wereld te ontvluchten, zodat we ons terecht af kunnen vragen of er in voor vrouwen nou wel zoveel veranderd is in honderd jaar.

    Kortom: ‘Vrouwenstemmen’ is een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in de strijd tussen de seksen, de positie van vrouwen in de afgelopen eeuw, maar is ook voer voor literatuurliefhebbers.

    Hier volgt een overzicht in volgorde waarin de boeken in de serie gepubliceerd zijn.
    Marion BloemGeen gewoon Indisch Meisje (1983) Marion Bloem (1952) is psychologe en schrijfster. Ze heeft zowel wetenschappelijke artikelen als schoolboeken en jeugdromans op haar naam staan. Ook schreef ze enkele korte filmscenario’s. Indië is een van haar vaste thema’s.
    Virginia WoolfNaar de Vuurtoren (To the Lighthouse) 1927
    Virginia Woolf (1882 ?1941) was een Britse schrijfster en feministe. Tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog was Woolf een belangrijk persoon in het literaire leven van Londen. Ze was een lid van de Bloomsbury-groep. Haar boek ‘A Room of Ones Own’, vertaald als ‘Een Kamer voor Jezelf’, betekende veel voor de vrouwenliteratuur.
    Erica JongHet ritsloze Nummer (Fear of Flying) 1973
    Erica (Mann) Jong (1942) is een Amerikaanse schrijfster. Zij schreef aanvankelijk poëzie en is zich later gaan toeleggen op fictie en non-fictie. ‘Fear of Flying’ was haar romandebuut en de pers noemde haar naam vanaf dat moment in een adem met John Updike en Henry Miller. – Astrid RoemerOver de Gekte van een Vrouw 1982 Astrid Roemer (1947) komt uit Suriname en woont vanaf 1966 in Nederland. Haar thuisland, racisme en homo- en heteroseksualiteit behoren tot haar belangrijkste thema’s. Momenteel is ze actief in GroenLinks.
    Kate ChopinDe Ontnuchtering (The Awakening) 1899
    Kate Chopin (1851 – 1904) was een Amerikaanse schrijfster met een bewogen leven. Ze schreef korte verhalen en romans over liefde en seksualiteit. In het puriteinse Amerika werd ze daar aanvankelijk om verguisd.
    Fay WeldonPraxis 1978
    Fay Weldon (1931) is een feministische Engelse schrijfster. Haar boeken gaan vaak over vrouwen die door de patriarchale structuur van de samenleving in het nauw komen. Ze schrijft venijnig en vol humor. Haar boek The She-devil is verfilmd.
    Nathalie SarrauteKindertijd (Enfance) 1983 Nathalie Sarraute (1900-1999) was een Franse schrijfster van Russische origine. Zij is een van de grondlegsters van de ‘nouveau roman’: voorzichtig geformuleerd proza in de vorm van egodocumenten.
    Carry van BruggenEen coquette Vrouw 1915 Carry van Bruggen (1881 – 1932) was een Nederlandse schrijfster. Ze was een begaafd denker en auteur en haar essayistische werk Prometeus werd zeer gewaardeerd. Zij werd ook wel de Nederlandse Virginia Woolf genoemd.
    Elfriede JelinekDe Uitgeslotenen (Die Ausgesperrten) 1980
    Elfriede Jelinek (1946) is een Oostenrijkse schrijfster en schrijft voornamelijk romans en toneelstukken. Zij wordt gerekend tot de belangrijkste moderne Oostenrijkse schrijvers. In haar werk schuwt ze het geweld niet, maar humor zorgt voor evenwicht. Haar roman De Pianiste is verfilmd.
    Pat BarkerTegenbeeld (Double Vision) 2003 Pat Barker (1943) is een Engelse schrijfster en historica. Haar Regeneration trilogy, vertaald als De weg der Geesten, is wereldberoemd. Haar boeken gaan vaak over oorlog en geweld, vertelt op een serieuze en observerende toon. Meer informatie: http://boekrecensies.trouw.nl 

    Pauline van der Lans

  • Boeli Van Leeuwen

    Curacaose auteur Boeli van Leeuwen vijfentachtig jaar: ‘Niet kijken, maar zien’

    Wie gelooft in ‘het hogere’ van het establishment en van ‘hoogwaardigheidsbekleders’, zal hopelijk aan het denken gezet worden door het werk van de Curaçaose auteur Boeli van Leeuwen (1922).

    Zijn blik naar samenlevingen is altijd kritisch in zijn romans waarin dronkenlappen en zwervers favoriete personages zijn, alsmede witte Curaçaoënaars die zich ontheemd kunnen voelen in de zwarte samenleving van het eiland, maar er toch altijd weer terugkeren.

    Van Leeuwen is een gedreven auteur die op zoek is naar het wezenlijke van de mens en van God. Op 10 oktober werd hij vijfentachtig jaar, ter gelegenheid waarvan hem door het Nederlandse Fonds voor de Letteren een ‘eregeld’ werd toegekend. Zijn werk bestaat uit vijf romans, een dichtbundel, een novelle en veel verhalen en beschouwingen. Zijn laatste roman is Het teken van Jona(1988).

    De grootvader van Boeli van Leeuwen kwam in 1887 naar Curaçao, waar hij na een lange carrière gezagvoerder van het eiland werd. Zijn vader was ambtenaar. Boeli ging al in 1936 naar Nederland om daar onderwijs te volgen. Hij maakte de Tweede Wereldoorlog mee met alle verschrikkingen. Hij studeerde rechten en werkte beurtelings in Nederland en Curaçao. In 1976 werd hij benoemd tot secretaris van het eilandgebied Curaçao, welke functie hij tot zijn pensioen in 1982 vervulde.

    Daarnaast is hij een van de vooraanstaande Nederlandstalige Caraïbische auteurs. De eerste roman van Boeli van Leeuwen, De rots der struikeling, verscheen in 1959. De hoofdpersoon is een onevenwichtige jongeman, blanke Curaçaoënaar, die vaak van woonplaats verwisselt en tenslotte stikt in een rivier in Venezuela, waar hij diamanten zoekt. Dit debuut is in 1961 bekroond met de Vijverbergprijs. Ook de twee volgende romans, Een vreemdeling op aarde (1962) en De eerste Adam (1966) gaan over displaced persons, rusteloze figuren. Uit de tweede creatieve periode van Van Leeuwen stammen de romans Schilden van leem (1985) en Het teken van Jona (1988). De laatste roman heb ik nu herlezen. Het verhaal gaat over een oudere Curaçaose man die, evenals zijn schepper, gepensioneerd bestuursfunctionaris en schrijver is. Hij zwerft graag door volksbuurten en verkeert met zwervers en armen.

    Door snel ingrijpen redt hij het leven van een rijke grootgrondbezitter uit een fictief Zuid-Amerikaans land. Deze macho in de bloei van zijn leven biedt zijn redder een reisje naar zijn land aan. Daar, in een zogenaamde heilstaat, komt hij erachter dat solidariteit met de armen zijn eigenlijke levensdoel is. Terug op Curaçao richt hij dan ook een feestmaal aan voor de armen met wie hij zich solidair voelt. Zelf zuipt hij zoveel op z’n feest dat hij in de bak terechtkomt, vanwege zijn status maar voor een nachtje.

    De roman zit vol bijbelse en literaire symboliek, zoals ook het andere werk van Van Leeuwen. ‘Kunst overwint de dood’ is een van zijn motto’s. Boeli van Leeuwen is een voorbeeld voor schrijvers uit de Caribische regio. Hij dramt niet over ‘westers’ en ‘van ons’, maar beschrijft de universele onvolkomenheid van mens en samenleving, waarin soms hoop gloort, met name inHet teken van Jona. De problematiek van de lichtkleurige Curaçaoënaar komt van binnen uit en is doorleefd. Altijd heeft hij invloed ondergaan van grote schrijvers uit de wereldliteratuur die voor hem een voorbeeld zijn: aanvankelijk van de Franse existentialisten Sartre en Camus en de Rus Dostojewski, later vooral van Zuid-Amerikanen met Márquez als favoriet.

    Ook de Amerikaanse prozaschrijver Melville speelt voor hem een belangrijke rol. Diens kapitein Ahab uit Moby Dick (1851) jaagde op een witte walvis. In Van Leeuwens Het teken van Jona is de walvis een sterk symbool volgens de christelijke traditie. De vis in het algemeen en de walvis in het bijzonder staat voor Jezus, die voor Van Leeuwen belangrijk is als mens.

    Boeli van Leeuwen is een Curaçaose profeet vol universele wijsheid. Zijn ogen kijken niet, maar zien, zoals het vrouwelijke personage Laila in Het teken van Jona de hoofdpersoon typeert, die veel weg heeft van de schrijver.

    Eerder verschenen in de Ware Tijd-Literair, op 20 oktober 2007. em Els Moor is hoofdredacteur van dWT-L, de literaire pagina van Surinames grootste dagblad de Ware Tijd. Zij is meer dan twintig jaar aan de kweekschool verbonden geweest. Voor het literatuuronderwijs werkte ze mee aan de methode Fa yu e tron leisibakru (Hoe je een leesgek wordt).

  • Doris Lessing – Verguisd, bewonderd en altijd geëngageerd

    Door Pauline van der Lans

    Doris Lessing (1919) heeft de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen, op 10 december 2007 wordt deze prestigieuze prijs in Stockholm uitgereikt.

    Doris Lessing is vooral beroemd geworden door haar roman The Golden Notebook, in Nederland vertaald als Het Gouden Boek. Als dit boek in 1962 in Amerika en Engeland verschijnt, breekt de hel los. De roman wordt omarmd door de vrouwenbeweging en verguisd door de gevestigde orde van literatoren. Het is een enorm complexe roman waarin Lessing gebruik maakt van verschillende technieken: een alwetende verteller, perspectiefwisselingen, alter ego’s, dagboekvorm en dromen. Hoewel veel lezers het als een uitdaging ervaren om te puzzelen, vinden veel recensenten het maar niks.

    Lessing heeft met Het Gouden Boek bewust een veelomvattende roman willen schrijven over de sociale en psychologische onrust van de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Zelf ervaart ze deze periode als uitermate vervreemdend en het boek wemelt dan ook van de maatschappelijke thema’s: Afrikaanse achtergronden en racisme, Koude Oorlog problematiek, de pre-stalinistische linkse politiek, het keurslijf waar vrouwen in gevangen zitten, de rol van het marxisme en communisme en de heksenjacht van de toenmalige president van de Verenigde Staten, Joseph McCarthy. Deze thema’s werken door naar het individu en zo brengt ze haar hoofdpersonen in contact met de volgende onderwerpen: psychoanalytische ontwikkelingen en de rol van dromen, vrouwelijke seksualiteit (clitorale en vaginale orgasmen), menstruatie en het hele spectrum van communicatie tussen vrouwen en mannen.

    In de herziene versie die in 1971 verschijnt, schrijft Doris Lessing een uitgebreid voorwoord, waarin ze de structuur toelicht en tevens ingaat op de ontvangst van de roman. Ze geeft aan dat ze niet van plan was een feministisch boek te schrijven. Ook pareert ze de negatieve meningen: de lezer moet echt verder, dieper lezen om de kern te pakken te krijgen. In 1963 verschijnt de verhalenbundel A Man and two Women. In het verhaal To Room Nineteen zijn de (onbedoelde) feministische invloeden van Het Gouden Boek te lezen. De wens van de hoofdpersoon om een eigen kamer te hebben, zodat ze kan ontsnappen aan het keurslijf van huismoeder zijn, verwijst sterk naar A Room of Ones Own van Virginia Woolf. Even een zijweggetje: in zijn boek The Hours (De Uren), verwijst schrijver Michael Cunningham niet alleen naar de roman Mrs. Dalloway van Virginia Woolf, maar ook naar het verhaal van Lessing. Eén van zijn hoofdpersonen huurt een hotelkamer en ja hoor, het is kamer 19.

    In veel van Lessings werk wordt gerefereerd aan haar Afrikaanse achtergrond. Ook de invloeden van het communisme zijn merkbaar. Al haar werk staat in het teken van grote maatschappelijke betrokkenheid en de lijst met literaire prijzen die ze gewonnen heeft is lang. Dit jaar wordt daar dan eindelijk de Nobelprijs voor Literatuur aan toegevoegd. Al sinds het verschijnen van Het Gouden Boek was ze een serieuze kandidaat. Naar verluid heeft ze de felbegeerde prijs nooit gewonnen, omdat ze zich later is gaan toeleggen op het schrijven van het in vele ogen onliteraire genre science fiction: The Canopus in Argos Series (1979, 1983).

    Om terug te keren tot het realistische genre, heeft ze enkele romans onder het pseudoniem Jane Somers gepubliceerd. Doris Lessing is nog steeds actief als schrijfster. In 2005 verscheen haar 55e titel: The Story of General Dann and Mara Daughter, Griot and the Snow Dog’.

    Doris Lessing (Doris May Taylor) werd in 1919 in Perzië, het huidige Iran, uit Engelse ouders geboren. Ze bracht daar haar jeugd door, tot het moment dat ze met haar familie verhuisde naar Rhodesië (Zimbabwe). Ze zat tot haar vijftiende op school en hield het toen voor gezien. Ze heeft verschillende banen gehad, maar haar hart lag bij het schrijven. In 1949 verhuisde ze naar Engeland, waar een jaar later haar veelbesproken debuut The Grass is Singing verscheen. Zij wordt terecht gezien als een van de grootste naoorlogse schrijvers. Haar oeuvre is veelomvattend en de vijfdelige semi-autobiografische romancyclus The Children of Violence (1952-1969) wordt als haar meest substantiële werk gezien. Doris Lessing is twee keer getrouwd geweest en heeft drie kinderen. Ze is 87 jaar oud en woont in Noord-Londen.

    Hopelijk is het winnen van de Nobelprijs een goede reden om aan haar werk te beginnen, of het te herlezen. Met name Het Gouden Boek is nog schokkend actueel. Maar laten we vanavond eerst een fles goede wijn ontkurken om te toosten op deze grande dame van de literatuur. Hulde.

     

    De romans van Doris Lessing zijn in het Nederlands vertaald en worden uitgegeven door uitgeverij Prometeus/Bert Bakker.

     

     

  • Schrijvers over de slavernij

    Boeken over slavernij uit verleden en heden: een opfrisser voor leerkrachten
    Boeken over de slavernij vormen interessant materiaal voor zelfstandig onderzoek naar het verleden door studenten van beroepsopleidingen en leerlingen van scholen, iedere groep op zijn eigen niveau. Daarom volgt hieronder een selectie uit beeldend en literair werk over de slavernij uit verschillende tijdperken. Bij deze selectie ligt de nadruk op de Surinaamse invalshoek. We hebben ons voornamelijk gebaseerd op twee bronnen. Eveline Bakker e.a.: Geschiedenis van Suriname. Van stam tot staat (1993). Dit boek bevat zelfs een apart hoofdstuk: ‘Verschillende beelden van de slavernij' (p. 58-60). Uiteraard hebben we ook Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur geraadpleegd, het naslagwerk van Michiel van Kempen.

    Hoe keek men in de tijd zelf?
    Er bestaat beeldend en geschreven materiaal uit de tijd van de slavernij. Hierin krijgen we de visie van niet-slaven, buitenlanders in Suriname. John Gabriël Stedman maakte in de 18de eeuw deel uit van een legereenheid die vanuit de Republiek naar Suriname gestuurd was om de marrons te bestrijden. Hij tekende en beschreef onder andere wrede martelingen. Zijn liefde voor de slavin Joanna bevestigt zijn voor die tijd ambivalente houding ten aanzien van de slavernij.
    Uit de 19de eeuw is Willem Eduard Winkels belangrijk. Hij ging in 1839 naar Suriname en vond emplooi als blankofficier. Al gauw begon hij zijn belevenissen vast te leggen door te tekenen, te schilderen en te schrijven. Een principieel tegenstander van de slavernij was hij, evenals Stedman, niet. Hij had wel bezwaren tegen de behandeling van de slaven. Uit 1840 is zijn satirische boekje De tooverlantaarn van Mr Furet. 21e glaasje. De blankofficier. Het boekje is nooit uitgegeven, maar het manuscript met een serie van 18 ovale tekeningen wordt bewaard in het archief van het Surinaams Museum in Paramaribo, Suriname. In 1994 werd het materiaal tentoongesteld, inclusief de presentatie van ‘De Tooverlantaarn’. Ook werd een editie van ‘Mededelingen van het Surinaams Museum’ (no. 53, juni 1994) aan dit beeldende en humoristische werk gewijd.

    De verlichting
    Binnen de Europese verlichting verscheen er nogal wat werk dat de slavernij als onderwerp heeft. Dat heeft natuurlijk te maken met het beginnend denken over vrijheid (en gelijkheid en broederschap) vanuit Frankrijk. In Engeland heeft Aphra Behn (1640-1689) blijvende bekendheid gekregen door haar Oroonoko, or the royal slave (1688), het tragische en romantische verhaal over de verboden liefde tussen Afrikaanse prins Oroonoko en zijn geliefde Imoindre. Los van elkaar worden ze als slaaf verkocht. Ze ontmoeten elkaar weer in slavernij in Suriname. Door Albert Helman werd het verhaal vertaald in het Nederlands onder de titel: Oroenoko of de koninklijke slaaf (1983). En dan Candide ou l’optimisme (1759) van de Franse verlichtingsfilosoof Voltaire, ook vertaald in het Nederlands. Hij richtte zich in zijn geschriften tegen starre dogma’s en voor het gezond verstand, voor grotere verdraagzaamheid en tegen de wreedheden die in naam van de religie werden begaan. Candide is een satire op de gedachte van de filosoof Leibnitz dat ‘onze wereld de beste der werelden is’. Ook de slavernij in Suriname krijgt een behoorlijke veeg uit de pan in de ontmoeting tussen Candide en de mismaakte suikerslaaf: ‘Hoe duur was de suiker’!

    Orale traditie
    Wat deden de slaven zelf? Zij hadden hun orale vertellingen voor op de ‘bakadyari’ (op het achtererf). Anansi de spin was (en is) een echte identificatiefiguur, die iedere vorm van verzet tegen de meester verbeeldt. De slavernijverhalen van de Srananverteller Alex de Drie zijn vertaald en uitgegeven door Trudi Guda. Zij heeft, als Trudi Martinus-Guda, in 2005 ook een belangrijk stuk slavencultuur in beeld gebracht met haar rijk geïllustreerde boek: Drie eeuwen banya. De geschiedenis van een Surinaamse slavendans.

    Romans
    Vanaf de 19de eeuw verschijnen er romans over de slavernij. Bekend is pater Rikken die Codyo de brandstichter (1902) en Ma Kankantrie (1905) als feuilletons liet verschijnen in ‘De Surinamer’. Het wordt hoog tijd dat deze romans op een eigentijdse manier uitgegeven worden.
    Albert Helman publiceerde in 1931 zijn nog steeds veelgelezen roman De stille plantage, die hij in 1952 bewerkte tot De laaiende stilte. In 1934 verscheen Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, dat in 1990 door uitgeverij Contact heruitgegeven werd. Beide werken klagen de onmenselijkheid van de slavernij aan en roepen op tot solidariteit. Helaas is dat nog steeds actueel.
    Prachtig is de novelle Tata Colin (1982) van Ruud Mungro over de Coroniaans slaaf-held, een verhaal dat een mythische dimensie krijgt.

    Onze tijd
    Cynthia Mc Leod is heden ten dage degene die voor een groot publiek de geschiedenis, inclusief de slavernij, tot leven roept. Hoe duur was de suiker was haar meteen inslaande debuut. Maar ook Vaarwel Merodia (1994) en De vrije negerin Elisabeth, gevangene van kleur geven beelden van de slavernij die tot discussie kunnen leiden. In 2002 verscheen een boek van haar en de Antilliaan Carel de Haseth, Slavernij en de Memorie, met achtergrondinformatie en een verhaal. Ook Ter dood veroordeeld (2000) van John de Bye is interessant, omdat de slavernij een rol speel vanuit de Joodse planters.

    Voor de jeugd
    Voor de hogere klassen van de lagere school en lagere mulo zijn er jeugdboeken waarin de slavernij een rol speelt: Veren voor de piai (1992) van Ismene Krishnadath, dat speelt in de 17de eeuw tussen inheemsen, slaven en meesters. De vervlechting tussen realiteit en fantasie maakt het tot een bijzonder boek. Ook Sisa van Joyce Pool ( Nederlandse met Surinaamse moeder) is zo geschreven dat jongeren er zich mee kunnen identificeren. Het speelt in de chaotische tijd dat Frankrijk Suriname binnenviel, in de 18de eeuw.

    Dvd’s
    Er is een dvd over de stadswandelingen en plantageboottochten onder leiding van Cynthia Mc Leod. Mooi materiaal, omdat jongeren van nu participeren. En recent is de mooie film van Diego Pos op dvd ‘Ongewisse tijd’, over zijn zoektocht naar zijn joodse voorvaderen in de slaventijd.

    Els Moor

    Els Moor is hoofdredacteur van ‘dWT-L’, de literaire pagina van Surinames grootste dagblad de Ware Tijd. Zij is meer dan twintig jaar aan de kweekschool verbonden geweest. Voor het literatuuronderwijs werkte ze mee aan de methode Fa yu e tron leisibakru(Hoe je een leesgek wordt). Deze bespreking is eerder gepubliceerd in ‘dWT-L’.

  • Gilliams, Maurice

    1900-1982

    Voor iemand met zijn literaire reputatie is hij snel in de vergetelheid geraakt. Maurice Gilliams werd onderscheiden met de Grote Prijs der Nederlandse Letteren, hem in 1980 door Koningin Beatrix uitgereikt in het Paleis op de Dam, werd door Koning Boudewijn in de adelstand verheven, kreeg in 1970 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre en zijn werk werd door zijn eerste biograaf, goede vriend en schrijver Pierre H. Dubois gerekend ‘tot het meest superieure dat de Nederlandse letteren van de twintigste eeuw heeft opgeleverd’. Je zou derhalve zeggen dat de boeken van Gilliams herdruk op herdruk hebben beleefd en door iedereen met enige interesse in die Nederlandse letteren zijn stukgelezen, maar dat is niet het geval. Zijn bekendste werk, Elias of het gevecht met de nachtegalen, is wat je noemt een geheimtip, een boek dat je gelijkgestemden aanbeveelt, maar nooit een plaats op welke ranglijst dan ook zal veroveren.

    Gilliams is dan ook niet bepaald een publieksauteur. ‘Nooit is het mij erom te doen geweest in de literaire actualiteit aanwezigheid af te dwingen’, in zijn eigen woorden. Het is hem nooit te doen geweest om erkenning. Hij heeft geschreven voor zichzelf, om zichzelf vorm te geven misschien, om zin te geven aan een verleden dat anders nog ongrijpbaarder was geweest, misschien uit de onuitroeibare behoefte zichzelf te duiden, maar in ieder geval niet om een publiek te behagen. Het schrijven had een zeer particuliere functie voor hem, kennelijk, en wij als lezers mochten zo nu en dan toekijken, als hij dat wat hij schreef tenminste niet prijsgaf aan de vlammen. In een brief aan Pierre H. Dubois schrijft hij: ‘De harmonie waar ik behoefte aan heb laat zich niet vinden. In vele van die steeds weergekeerde, moeilijke momenten heb ik er geen zonde van gemaakt vroeger en later werk de kachel in te stoppen’.

     Je zou kunnen zeggen dat Gilliams een heel leven lang strijd heeft gevoerd met het vinden van de juiste vorm. Als hij die had gevonden, dan was hij stellig tot een soort Vlaamse Proust uitgegroeid: al zijn prozaboeken maken uiteindelijk deel uit van één en hetzelfde werk, van Elias of het gevecht met de nachtegalen tot Gregoria of een huwelijk op Elseneur. Uiteindelijk was al het prozawerk nauw met elkaar verwant, maar Gilliams vond nooit die ultieme vorm waar hij zo naar zocht en verbrandde keer of keer de teksten waar hij niet tevreden over was: ‘Tijdens een zware depressie heb ik een hoop werk uit vele jaren vernietigd; twee grote plasticzakken vol (…) Gregoria is toevallig aan de vernietiging ontsnapt’, schrijft Gilliams in 1980, vlak voor zijn dood, aan zijn goede vriend Dubois.

     Gregoria of een huwelijk op Elseneur is het laatste boek dat van Gilliams verscheen, in 1991, bijna tien jaar na zijn dood. ‘Een essayistisch roman-gedicht over de misère in mijn eerste huwelijk’. Het is de best denkbare omschrijving. In bijna vierhonderd Proustiaans gevoelige bladzijden doet Gillams verslag van een mislukt huwelijk. Hij was al in de jaren dertig begonnen met schrijven aan het boek en had het een leven lang bijgeschaafd. Toen hij stierf werkte hij aan de achtste versie, nog steeds onzeker over de vraag of het nu wel of niet gepubliceerd moest worden.

     Maar ook al wordt zijn laatste boek goed ontvangen, het zal nooit de reputatie krijgen van Elias of het gevecht met de nachtegalen. Dat blijft Gilliams onbetwiste meesterwerk. In dat boek gebeurt hoegenaamd niets. Elias beschrijft hoe hij zijn dagen slijt op een kasteeltje waar hij samen met twee tantes en zijn neef Aloysius woont, met wie hij papieren bootjes vouwt en op het water laat afdrijven. Toegegeven, er gebeurt in het boek wel iets meer dan dat, maar duidelijk is dat het niet de handelingen zijn die het zo meesterlijk maken. Het meesterlijke zit in de nergens expliciet benoemde bewondering, ja misschien zelfs verliefdheid die Elias voelt voor zijn neefje Aloysius, maar vooral ook in hoe overtuigend Gilliams het jongetje van binnenuit beschrijft. Thomas van den Bergh verwoordde het een paar jaar geleden alsvolgt: ‘Het verhaal wordt vanuit het perspectief van de kleine jongen verteld, en omdat die zo rijk is aan gevoelens, is ook zijn perceptie van de werkelijkheid steeds vol van emotie en zintuigelijke ervaringen’.

     Het grote werk is er nooit gekomen, heeft nooit de gewenste vorm gekregen, maar we hebben wel een paar prachtige brokstukken overgehouden. Bovendien heeft Gilliams heel veel gedichten nagelaten. Uiteindelijk was hij een dichter. Zijn proza bewees dat des te meer. Over zijn poëzie zei hij: ‘Ik houd van poëzie waarvan de dichter de sleutel in het graf meedraagt, die een "uitstraling" op mij doet gevoelen, gelijk ertsen in de grond.’ Dubois laat op die woorden de opmerking volgen dat het werk van Gilliams een rijk gebergte is dat voorlopig nog niet ontgonnen is. Dat moge in ieder geval blijken uit de hernieuwde biografische interesse die er voor hem is: uitgeefster Annette Portegies (tot voort kort Meulenhoff, nu Querido) schrijft een biografie over hem. Uit haar onderzoek tot nu toe blijkt niet alleen zijn werk nog vol onopgeloste raadsels, ook in zijn persoonlijk leven valt nog veel nieuws te ontdekken: Portegies kwam erachter dat Gilliams een geheime liefde had en dat uit die verbintenis een zoon is voortgekomen. Misschien voorzien dat soort biografische details in een andere dan een literaire behoefte, maar daar staat weer tegenover dat werk en leven nauw met elkaar verbonden zijn: voor wie graag de sleutel van zijn poëzie meeneemt in het graf, zal het ook geen probleem zijn een buitenechtelijk kind te verzwijgen. Hoe dan ook, de literatuur vaart wel bij die houding; voor de literatuur kan niet genoeg verborgen blijven.

  • Cándani – talent, ambitie en verhaalstof

    Het eerste dat ik van Cándani heb gelezen – ik was toen een 15-jarige puber met weinig affiniteit voor literatuur – is Relaas voor S., een verhaal uit de verhalenbundel Sirito, samengesteld door Michiel van Kempen en Jan Bongers. Dat verhaal is me bijgebleven omdat er zoveel droefheid in zat, zoveel melancholie, dat ik me toen al afvroeg wie de persoon is die zich verschuilt achter het pseudoniem Cándani.Nu weet ik dat zij Ashakoemarie Radjkoemar heet en dat Relaas voor S sterk autobiografisch is. Zij werd geboren op 8 maart 1965 in het district Suriname en heeft gedurende niet al te lange tijd literatuurwetenschappen gestudeerd aan de Academie voor Hoger Kunst- en Cultuuronderwijs. In 1990 debuteerde zij met Ghungru tut gail/ De rinkelband is gebroken, een bundel waarin duidelijk werd dat Cándani bezig was af te rekenen met geesten uit het verleden. Een verleden dat zich kenmerkt door verdriet, eenzaamheid en vooral de zoektocht naar een eigen ik.

    ‘Weggegooid in deze ruimte
    tastend naar een leven om te leven
    als stond er een ruit tussenin
    welfde ik in de jaren
    de jaren welfden in mij
    ademen moest ik bij iedere ademstoot
    om niet te ontbreken in mijn eigen lichaam
    waarheen het leven ging
    ging ik trouw mee
    Soms me verslapend vertrok mijn schaduw
    en ik ging achter de schaduw aan
    Zo verging de cyclus van het leven
    en ik vergat te leven.’

    Met haar debuutbundel zette Cándani de toon aan voor haar verdere werk. Vanwaar je dacht te vertrekken sta je geplant, uitgekomen in 1993 en Zal ik terugkeren als je bruid(1999) hebben als belangrijkste motieven heimwee en eenzaamheid. Met Een zoetwaterlied (2000) geeft zij een andere dimensie aan het leven van de Hindostaanse immigrant die zich gevestigd heeft in het rijstdistrict Nickerie. In 2001 verschijnt haar debuutroman Oude onbekenden en in 2002 de bundel Ghar ghar ke khel/ Het spel van huisje huisje en de roman Huis van as.

    Hella Haase zei dat Cándani het talent, de ambitie én de verhaalstof heeft om een van de groten van de Surinaamse literatuur te worden. Ik denk dat Cándani nog iets heeft dat haar als opmerkelijk typeert: ze is genuine. Haar poëzie, dat voor een groot deel in het Sarnami is geschreven, is ook herkenbaar, en dan niet alleen voor vrouwen uit de Hindostaanse samenleving, maar voor een ieder die weet wat het is om verdriet te hebben. Pijn en verdriet zijn universele gevoelens die iedereen herkent als je die tegenkomt, maar Cándani verbeeldt ze op zo’n bijzondere manier dat je dat gevoel niet alleen herkent, maar ook daadwerkelijk voelt.

    Geraadpleegde literatuur: Spiegel van de Surinaamse poëzie. Samengesteld door Michiel van Kempen. Amsterdam: Meulenhoff, 1995.


    Sen Nandoe studeert aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL), in Suriname. Zij leest graag en veel en schrijft op deze website over de Surinaamse literatuur.

     

  • Thea Doelwijt ‘Suriname blijft mijn inspiratie’

    ‘Ik weet écht niet meer wat ik allemaal gedaan heb!’ Thea Doelwijt (1938, Den Helder) is een Surinaamse schrijfster/theatermaakster die haar sporen meer dan verdiend heeft, zowel in de literatuur als in de theaterwereld. Tegenwoordig geniet ze grote bekendheid vanwege de jeugdboeken die de laatste jaren verschenen: O sekoer! Help! en Stop je hoofd niet in een spinnenweb. In Suriname is het vooral haar theater- en cabaretwerk, waar haar naam mee geassociëerd wordt. Met name de vele theaterproducties van het Doe-theater roepen warme herinneringen op. Populaire bloemlezingen die Doelwijt in de jaren zeventig samenstelde worden vandaag de dag nog steeds gebruikt: Kri! Kra! Proza van Suriname (1972), Geen geraas of getier (1974) en Rebirth in Words (1981).

    Theadora Christina Doelwijt is de dochter van een Nederlandse moeder en een Surinaamse vader. Ze vertrok in 1961 naar Suriname om te werken als journalist voor onder meer dagblad Suriname. Zij was redactielid van het literair tijdschrift Moetete (1968-1969). Doelwijt schreef twee boeken voor volwassenen die nog altijd geliefd zijn bij de Surinaamse lezers: de novelle Wajono (1969) en de thriller Toen Mathilde niet wilde … (1972). Het eerste boek beschrijft de problematische ontmoeting tussen de stille wereld van het ongerepte binnenland en de chaotische wereld van de drukke stad. In de jaren zeventig en tachtig schreef Doelwijt een groot aantal toneelstukken, musicals en cabaretteksten, vooral voor het Doe-theater, onder meer Land te koop (1973). Ook in de afgelopen jaren was Thea betrokken bij theaterproducties, zoals Na Gowtu Du en Na Diamanti Du.

    Sinds december 1983 woont Thea in Amsterdam. Ze keert regelmatig terug naar Suriname. ‘Ik schrijf altijd weer over Suriname. Ik heb nooit voor Nederland gekozen. Nooit over, noch voor Nederland geschreven. Suriname blijft mijn inspiratie.’
    Thea Doelwijt is niet vast te pinnen op één bezigheid. Zo werkte ze mee aan een project van Berith Danse: ‘Het slavernijmoment, een soort woordspeling naar aanleiding van het ‘Slavernijmonument’. Berith Danse wilde iets met het thema slavernij doen, ze had ook contact met Afrikaanse dansers. Ik heb iets geschreven over Misi Bethania, geïnspireerd door mijn grootmoeder.’

    Samen met Norine Baarn, Irene Baarn en nog een aantal andere vrouwen maakte Thea een stuk dat opgevoerd werd in Amsterdam. Later is het herhaald in Zeeland, met Zeeuwse Surinamers als acteurs. Berith Danse zou het stuk graag naar Suriname brengen. De speellocatie is een belangrijk onderdeel van de voorstelling, het stuk speelt zich af op verschillende plekken.

    In 1974 ontving Thea Doelwijt de Gouverneur Currieprijs. In 1989 kreeg zij een Award voor haar verdiensten voor de Surinaamse cultuur. Sinds 1998 is ze lid van de Maatschappij der Nederlands Letterkunde.

     

     

  • Colette, een begaafde ‘Vagabonde’

    Colette overleed 52 jaar geleden maar haar naam duikt steeds weer op. De Franse schrijfster Sidonie-Gabriëlle Colette (1873 – 1954) was bij leven slechts bekend met haar achternaam.

    In 2003 verscheen er een film over haar leven met als saillant detail dat actrice Marie Trintignant kort na het afronden van de opnames door haar geliefde vermoord werd. Hoe tragisch ook, het bracht de film extra publiciteit en Colette kreeg meer aandacht dan verwacht. Nederland bleef niet achter. Onlangs zijn er twee vertalingen uitgegeven en de actrice Josée Ruiter is tot eind maart 2007 op tournee met de monoloog Colette.

    Er is veel bekend over leven het leven van Colette. Haar rustige jeugd op het platteland, de sterke band met haar moeder Sido en de turbulentie die vanaf haar twintigste door haar leven giert. Ze trouwt met de vijftien jaar oudere schrijver, musicus en playboy Henri Gauthier-Villars (‘Monsieur Willy’). Ze zet de eerste stappen in de wereld van bohémiens en artiesten en begint met schrijven. Onder de naam Willy Colette publiceert ze in drie jaar tijd vier romans over het schoolmeisje ‘Claudine’.

    De Claudine-serie bestaat uit vier delen en handelt over de onbetamelijke avonturen van deze opgroeiende tiener en adolescent. De titels doen nu wat suffig aan: Claudine à l’école, Claudine à Paris, Claudine en ménage en Claudine s’en va. Het wordt een enorm succes in Frankrijk en de merchandising is niet van de lucht: een kledinglijn, zeep, parfum en zelfs een ‘Claudine’-musical. Het verhaal gaat dat Villars zijn vrouw flink onder de knoet had en zelfs opsloot om haar tot schrijven te dwingen.

    n 1906 verlaat Colette Villars, en start ze een theatercarrière waar ze haar borsten ontbloot en copulatiepantomimes ten beste geeft. Ze heeft relaties met mannen en vrouwen van alle leeftijden en met name haar lesbische relatie met Marquise de Belbeuf (‘Missy’) haalt de schandaalpers. In het boek La Vagabonde (De Zwerfster) uit 1910 doet ze verslag van deze periode.

    In 1912 trouwt ze met Henri de Jouvenel des Ursins, de uitgever van de Franse krant ‘Le Matin’, en na hun scheiding kiest ze in 1935 voor de zestien jaar jongere Maurice Goudeket. Deze laatste schreef een aandoenlijk boekje over hun leven samen.

    Uit het huwelijk met Jouvenel wordt tot Colettes grote schrik een dochter geboren. Kinderen! Wat moet je daar nou mee? Ze wil niets met Colette Jouvenel, ook wel Bel-Gazou genoemd, te maken hebben. De moeder-dochterrelatie is complex en wordt prachtig neergezet in de monoloog door Josée de Ruiter.

    In de jaren twintig stijgt haar succes naar grote hoogten. Ze bevindt zich in de kringen rond de kunstenaar Jean Cocteau, met wie ze een goede vriendschap ontwikkelt, en laat zich inspireren door moderne poëzie en schilderkunst. Ze stort zich weer op het schrijven en haar boeken vliegen de winkels uit. Haar manier van schrijven is speels en lyrisch en ze weet fictie en werkelijkheid goed met elkaar te vermengen. In de novelle Het Zieke Kind laat ze hallucinaties vloeiend afwisselen met het leven van alledag. Ook haalt ze (voor die tijd) gedurfde trucs uit.

    In haar beroemdste boek Chèrie (1920) stoeit ze met stereotypen en genderrollen.
    Al haar fictie wordt bevolkt door personages die zich aan de buitenranden van de maatschappij bevinden: homoseksuelen, biseksuelen, gigolo’s, courtisanes, prostituees en artiesten. Waar ze vooral om geroemd wordt, is het feit dat ze zich goed weet te verplaatsen in het liefdesleven van vrouwen. Haar scherpe en rake karakterschetsen worden alom geprezen. Terugkerende thema’s in haar werk zijn: liefde, de natuur, seks, eten en dieren, met in het bijzonder poezen.

    Later in de twintiger jaren legt ze zich toe op autobiografisch werk en schrijft ze met een aan verheerlijking grenzende liefde over haar kinderjaren op het Franse platteland. In Het Huis van mijn Moeder (1922) en Sido (1930) staat Colettes vroegere gezinsleven centraal en schrijft ze beeldend over haar ouders, haar zus en haar twee broers, maar ook over haar innig geliefde tuin en de ronddolende dieren. Door haar rol in society-kringen, maar vooral op grond van haar prachtige romans, wordt ze in 1927 Frankrijks belangrijkste vrouwelijke auteur genoemd.

    Colette blijft maar schrijven en de lijst met romans wordt langer en langer. Mede door de veranderende tijdgeest nemen de schandalen af en is ze een auteur met aanzien. Tijdens de eerste Wereld Oorlog is ze journaliste aan het front. In 1953 wordt ze tot grootofficier benoemd in het Légion d’Honneur. Ook wint ze veel literaire prijzen en verkeert ze in dezelfde kringen als de beroemde Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein (1874 – 1946). Een aantal van haar boeken wordt omgewerkt tot toneelstuk of musical.

    Ook in Nederland heeft Colette haar sporen nagelaten. Niet alleen werden haar boeken vertaald, ze inspireerde ook haar collega en tijdgenoot Carry van Bruggen (1881 – 1932). In haar roman Eva (1927) speelt Claudine (het schoolmeisje uit de reeks van Colette) een grote rol. Niet alleen leest en citeert Eva Claudine à ménage, maar er zijn ook inhoudelijke raakvlakken te vinden. Zo onderzoeken beide protagonisten hun seksuele voorkeur en gaan ze liefdesrelaties aan met seksegenoten.

    Dat het boek Eva er is, is misschien wel dankzij Colette, en is de eerste Nederlandse roman met een biseksuele hoofdpersoon. Ook de vertelperspectieven in beide romans komen overeen: een alwetende verteller die de gedachten en gevoelens van de vrouwelijke hoofdpersonen beschrijft. De Claudine-serie is in het Nederlands vertaald, maar niet meer verkrijgbaar in de boekhandel.

    In 1950 verschijnt haar verzameld werk in vijftien banden en de laatste jaren leidt Colette een rustig leven met haar Maurice in het Parijse Palais Royal. Tussen haar en haar dochter Bel-Gazou is het gelukkig goed gekomen. In 1954 overlijdt ze op 81 jarige leeftijd en krijgt als eerste vrouw in de Franse geschiedenis een staatsbegrafenis.

    Hoe is het mooier af te sluiten dan met een fragment uit het gedicht ‘Père Lachaise, oktober’ van de Nederlandse dichteres Esther Blom. Ook in de eenentwintigste eeuw weet Colette haar vakbroeders en zusters nog steeds te inspireren.
    Ik zoek het graf van Colette
    die oud werd en mooi bleef
    en van het leven wist. Een poes loopt
    voor me uit, alsof ze er hoort.’

     

     

  • Lodewijk Van Deyssel

    De schrijversloopbaan van Lodewijk van Deyssel (pseudoniem van Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm, 1864-1952) eindigde eigenlijk pas in september 2006, toen Harry G.M. Prick overleed. In de halve eeuw na Van Deyssels dood, zorgde Prick ervoor dat er meer boeken met ongepubliceerde stukken, 
    tijdschriftartikelen, briefwisselingen en herziene herdrukken van deze Tachtiger verschenen, dan van menige levende schrijver. Daarnaast vereeuwigde hij Van Deyssel in een monumentale biografie, die twee dikke boekdelen van samen 2500 pagina’s beslaat.  

    In deel één, ‘In De Zekerheid Van Eigen Heerlijkheid’, volgt de lezer het opgroeien van een rebels wonderkind. Als zoon van de katholieke schrijver en uitgever Jozef Alberdingk Thijm kreeg hij als 16 jarige al de kans om te debuteren in pa’s tijdschrift Dietsche Warande, onder het pseudoniem Lod.
    Van Deyssel, met een artikel van 34 pagina’s over ‘De eer der Fransche Meesters’. In de rest van zijn tienerjaren publiceerde hij stapels ophefmakende en baanbrekende bijdragen over ondermeer toneel en Franse literatuur in toonaangevende tijdschriften als De Amsterdammer. Midden jaren
    ’80 vond hij aansluiting bij andere literair-revolutionaire jongeren en werd medewerker van De Nieuwe Gids, de spreekbuis van de Tachtigers. Daar krijgt deze gedetailleerde biografie een extra waarde: Via het netwerk van Van Deyssel tekent Prick de sfeer onder schrijvers, schilders en politici in Amsterdam en het Gooi, bij wie een Nieuwe Tijd broeide. Zo geeft Prick een onovertroffen inkijk in de Nederlandse cultuur tijdens het 19de-eeuwse fin de siècle, een tijdperk waarover hij zijn onbegrensde eruditie bewijst, op bladzijdes die per stuk meer noten bevatten dan de modale hazelaar in de herfst. De wonderlijke literaire prestatie van Prick is, dat hij er in slaagt om constant een overdosis informatie te geven, terwijl de
    biografie toch steeds verslavend soepel leesbaar blijft.

    Van Deyssel bereikte zijn artistieke hoogtepunt met zijn literaire kritieken rond 1890. Daarin verhief hij schelden tot kunst: Om zijn superioriteit ten opzichte van vroegere generaties te bewijzen, vond hij het stilistisch formuleren van die scheldkanonnades belangrijker dan het feitelijk argumenteren tegen al die minderwaardige boeken en auteurs die aan hem ten prooi vielen. Met dit literaire Shock & Awe-bombardement in dienst van de generatie van Tachtig, ploegde hij het Nederlandse literaire landschap om en besproeide het met een bloedbad van letterkundige reputaties.

    De Tachtigers hadden zichzelf aangekondigd als een bij voorbaat legendarische stroming, die in de wereldliteratuur als het ware slechts te vergelijken was met de Griekse Klassieken. Daarbij had Willem Kloos de grootste dichter en Van Deyssel de keizer van het proza moeten worden. Na de scheldkritieken van Van Deyssel en de meer beargumenteerde, maar nauwelijks minder harde kritieken van Kloos, werd het hoog tijd om zichzelf te bewijzen. Dit werd een pijnlijk breekpunt.

    Kloos had zijn dichterschap te diep ondergedompeld in alcohol. Als iemand een boek over Kloos’ leven in de laatste jaren van de 19de eeuw zou publiceren, dan zou dat perfecte propaganda zijn voor een campagne onder het motto: ‘drank maakt meer kapot dan je lief is’. Na een reeks deliriums zouden zijn geestelijke vermogens, af te lezen aan het vele onleesbare werk dat hij daarna publiceerde, nooit meer helemaal in orde komen.

    Ook Van Deyssel bleek tijdens de revolutie van Tachtig zijn belangrijkste geestelijke munitie al te hebben verschoten. Zijn eigen kunstwerken zouden nooit z’n kritieken overtreffen. Hoewel hij nog maar weinig publiceerde, zou hij de rest van z’n leven heel veel blijven schrijven. Zo vond Prick in zijn nalatenschap talloze dagboeken, waarin Van Deyssel gedetailleerd verslag deed van bijvoorbeeld zijn strijd tegen zijn masturbatieverslaving, of tegen de vliegen in zijn werkkamer. Van Deyssel werkte met die aantekeningen aan een handleiding voor zijn eigen leven, om ooit weer in de juiste stemming te komen om een meesterwerk af te leveren. Hij zou hier nooit in slagen. Daarom bestaat deel twee van de biografie,
    ‘Een Vreemdeling Op De Wegen’, vooral uit verhalen over het voortsukkelen van het voormalige wonderkind. Geheel in de geest van Van Deyssel verliest Prick zich in dit boek vaak in eindeloze uitweidingen over details. Toch fascineert ook dit deel van het levensverhaal mateloos. Al was het maar omdat de dandy-in-het-kwadraat Van Deyssel als mens al zo’n opzienbarend fenomeen was, dat zelfs als hij nooit een zin op papier had geschreven, hij al een levend kunstwerk was geweest en een biografie waard.

    Van Deyssel werd, net als Kloos, in latere jaren volop geëerd en gevierd voor zijn rol in de revolutie van Tachtig, door allerlei aanbidders. Die vergaten in hun lofredes voor het gemak, dat beiden hun literaire belofte, waarvoor ze die revolutie begonnen waren, daarna eigenlijk nooit waar hadden gemaakt.
    Die overschatting tijdens hun leven, heeft postuum hun reputaties zwaar beschadigd. Als ze later nog herinnerd werden, dan was dit meestal slechts als stof voor parodie. Hoewel dit een logische reactie was op hun verprutste talent en zelfoverschatting, was het feitelijk onrechtvaardig: Hoe weinig Nederlandse schrijvers kunnen immers werk voorleggen, dat het meesterlijke niveau van het jeugdwerk van Kloos en Van Deyssel evenaart?

    Gelukkig had Van Deyssel zijn nalatenschap zo geregisseerd, dat in de loop der jaren een advocaat voor hem opgroeide, die voldoende tegengif in het literaire debat kon brengen, om zijn reputatie alsnog te rehabiliteren. In de jaren ’40, toen hij de laatste overlevende Tachtiger was, had Van Deyssel namelijk de pas 18 jarige Harry G.M. Prick benoemd tot zijn toekomstige biograaf. Na Van Deyssel’s overlijden kwam Prick in het bezit van een gigantische literaire goudmijn: talloze kisten vol met beschreven papier,
    die het geheime schaduw-oeuvre van Van Deyssel bleken te vormen. Het was Pricks bron voor de postume Van Deyssel-publicaties, maar ook voor talloze artikelen over hem, voor een proefschrift waarmee hij cum laude promoveerde en bovenal natuurlijk voor zijn monumentale tweedelige biografie. De ironie hiervan is, dat de grootste stilist uit de Nederlandstalige literatuur, meer dan dankzij z’n eigen boeken, voort zal
    leven in een verhaal dat hij niet zelf heeft opgetekend: Zijn levensverhaal. Dat lot had hij waarschijnlijk zonder Prick ook gehad, maar dan op een iets minder eervolle manier, namelijk in Vincent Haman, de parodistische sleutelroman die Willem Paap over hem schreef. Dat boek is nog altijd bruikbaar als een hilarische inleiding voor iedereen die durft te twijfelen, of het fenomeen Lodewijk Van Deyssel wel interessant genoeg is om 2500 pagina’s biografie over te lezen. Het antwoord kan volgens mij voor iedereen die van Nederlandse literatuur houdt en interesse heeft in de Tachtigers of het Fin de Siècle, alleen maar luiden: JA!

    In de zekerheid van eigen heerlijkheid – Het leven van Lodewijk van Deyssel
    tot 1890

    Harry G.M. Prick
    Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep
    ISBN 9025341934

    Een vreemdeling op de wegen – Het leven van Lodewijk van Deyssel vanaf 1890

    Harry G.M. Prick
    Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep
    ISBN: 902534187X

    Rob de Haan

  • Tom Lanoye

    Tom Lanoye, auteur van de week. Een man die hier elk jaar wel een update kan gebruiken. Onlangs publiceerde hij zijn langverwachte nieuwe roman, Het derde huwelijk. In afwachting van de onontkoombare bespreking daarvan dissen we alvast het onderstaande nog eens op uit het archief (artikel van Daphne de Heer, 2003).

    Lanoyes laatste roman dateert van 2002. Niet dat de man intussen heeft stilgezeten; vorig jaar publiceerde hij nog zijn Stadsgedichten, en de verzamelaar De meeste gedichten; en schreef hij voor het theater Fort Europa en dit jaar nog Mefisto for ever, dat op 13 oktober in première gaat in de Bourla-schouwburg in Antwerpen en tot december in België en Nederland te zien zal zijn (www.toneelhuis.be).

    Hij was natuurlijk niet de eerste performancedichter in het Nederlands taalgebied, maar stond wel aan de wieg van de geboorte van een nieuwe generatie voordrachtskunstenaars: de Vlaamse schrijver Tom Lanoye. Behalve zijn manier van voordragen waren ook zijn brillen behoorlijke blikvangers.

    De in 1958 geboren Lanoye bleek nog meer dan een begenadigd performer een begaafd romancier te zijn.
    In eerste instantie schreef hij vrij autobiografisch getinte boeken, waaronder Een slagerszoon met een brilletje en Kartonnen dozen. Met name dat laatste boek toonde aan dat Lanoye een grote sensibiliteit aan de dag weet te leggen en met een ragfijne stijl een wereld aan gevoelens op kan roepen. Hij schrijft meer dan andere Nederlandstalige schrijvers, maar net als veel van zijn landgenoten, secuur en bloemrijk Nederlands; stilistisch is hij een klasse apart.

    Lanoye bestendigde zijn literaire reputatie met de alomgeprezen ‘Monstertrilogie’, waarin opgenomen de romans Het goddelijke monster, Zwarte tranen en Boze tongen. Met dit laatste boek won hij in 2003 zowel de Gouden Uil jury- als de publieksprijs. Lanoye legt in deze trilogie op schrijnende wijze het België van na de affaire-Dutroux bloot. De schandalen, de corruptie etc. hangt hij op aan de kapstok van de rijke en machtige familie Deschryver. Hij laat zijn vaderland op genadeloze wijze met de billen bloot gaan en dat alles in een stijl die zowel scherp als zwoel is.

    Naast romancier en dichter profileert Lanoye zich tevens als toneelschrijver. Zijn bewerking van Shakespeares koningsdrama, Ten oorlog genaamd, is wellicht zijn bekendste werk. Daarnaast heeft hij werk van Euripides bewerkt en oorspronkelijke stukken geschreven.

    Hoewel hij op poëtisch gebied al lange tijd niks meer van zich had laten horen, revancheerde hij zich dit jaar indrukwekkend met het prachtig vormgegeven Niemands Land, een bewerking van de zogenaamde War Poets, dichters die schreven over de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog.

    Humor is een in het oog lopend stijlkenmerk bij Lanoye, maar hij gebruikt dit minder hardhandig dan zijn landgenoot Herman Brusselmans. Lanoye integreert de humor meer als tragi-komisch instrument in zijn verhalen. Langzaam maar zeker laat hij zich gelden als een van de grotere schrijvers van dit moment.

    Werk van Tom Lanoye:

    Poëzie:
    In de piste (1984)
    Bagger (1984)
    Hanestaart (1990)
    Niemands Land (2002)
    Overkant (2004)
    Stadsgedichten (2005)
    De meeste gedichten (2005)

    Proza:
    Een slagerszoon met een brilletje (1985)
    Alles moet weg (1988)
    Kartonnen dozen (1991)
    Spek en bonen (1994)
    Het goddelijke monster (1997)
    Zwarte tranen (1999)
    Boze tongen (2002)
    Het derde huwelijk (2006)

    Kritieken:
    Het cirkus van de slechte smaak (1986)
    Vroeger was ik beter (1989)
    Doén! (1992)
    Maten en gewichten (1994)
    Gespleten & bescheten (1989)
    Tekst & uitleg/Woorden met vleugels (2001)
    Het vroegste vitriool (2004)
    Vitriool voor gevorderden (2004)

    Toneel:
    De Canadese muur (met H. Brusselmans) (1989)
    Komieken (1991)
    De schoonheid van een total loss (Blankenberge/Bij Jules en Alice/Celibaat) (1993)
    Onweer in de tropen (1994)
    Ten oorlog (1997)
    Mamma Medea (2001)
    De Jossen (2004)
    Diplodocus Deks (2004)
    Fort Europa (2005)
    Mefisto for ever (2006)

    Cd: The very best of the artist formerly known as a young man (1999)

    Video: Gespleten en bescheten (1998)

    Secundair:
    Naamloze vennootschap L.A.N.O.Y.E., diverse essays over de auteur en zijn werk(wijze), samengesteld door journalist Bart Vanegeren (’98)

    Gebruikte bronnen: www.lanoye.be.

  • Stefan Brijs

    Stefan Brijs werd geboren op 29 december 1969 in Genk (Belgisch-Limburg), waar hij ook jarenlang woonde en naar school ging. In 1990 studeerde hij af als onderwijzer en begon als opvoeder aan zijn vroegere middelbare school te werken. Van 1994 tot 1997 woonde hij in Zonhoven, daarna vestigde hij zich opnieuw in Genk.
    Sinds 1999 schrijft Stefan Brijs voltijds ? hij had op dat ogenblik drie boeken gepubliceerd en verscheidene essays en recensies geschreven voor de boekenbijlagen van De Morgen en De Standaard. Begin 2003 verruilde hij Genk voor Koningshooikt, een deelgemeente van Lier.

    Stefan Brijs debuteerde bij uitgeverij Atlas (Amsterdam) met De verwording, een magisch-realistische roman die opviel door zijn barokke taal. Een recensent noemde hem toen ‘een groot talent’ en ‘de hoop van de Vlaamse letteren’.
    Na zijn debuut zwierf Brijs over Vlaamse begraafplaatsen, op zoek naar de resten van zijn literaire voorgangers, onder wie Gustaaf Vermeersch, Richard Minne, Maurice Gilliams en Karel van de Woestijne. Zijn queesten beschreef hij in Kruistochten, dat in 1998 verscheen. Deze essays kregen een vervolg in de krant De Standaard, waarvoor hij De vergeethoek maakte, een serie literaire portretten van vergeten Vlaamse schrijvers die in maart 2003 werden gebundeld.
    In 2000 verscheen Arend, een aangrijpende roman over een misvormde jongen, die op zoek is naar zichzelf, naar begrip en naar liefde en ervan droomt om ooit te kunnen vliegen. Het boek kreeg zowel in Vlaanderen als in Nederland veel lof toegezwaaid. In Het Belang van Limburg werd het ‘een sterke en ontroerende roman’ genoemd, in Knack ‘een literaire prestatie die er mag zijn’. De Volkskrant had het over ‘een wonderschone roman’ en HP/De Tijd over ‘een nieuwe literaire sensatie’.
    In de zomer van 2001 was er de publicatie van Villa Keetje Tippel, die veel stof deed opwaaien. In deze monografie wordt de geschiedenis verteld van de schrijfster Neel Doff en haar (intussen gesloopte) villa in Genk, die zij van 1908 tot 1939 elke zomer betrok en die haar inspireerde tot verscheidene werken. Tegelijk verwerkte Stefan Brijs in dit boek ook de geschiedenis van zijn eigen geboorte- en woonplaats Genk, een schilderachtig boerendorpje in de Kempen dat in honderd jaar tijd uitgroeide tot het industriële kunsthart van Belgisch-Limburg.
    In de winter van 2001 verscheen Twee levens, een novelle die net als Arend in Vlaanderen en Nederland erg positief werd ontvangen. De Morgen had het over ‘een beklemmend kerstavondrelaas’, in het Parool werd de novelle aangeprezen als ‘een overtuigend verhaal. Heel mooi’ en het Algemeen Dagblad schreef dat het ‘een pracht van een kerstnovelle’ was.
    In oktober 2005 verscheen zijn nieuwe roman: De engelenmaker, waarvan de vertaalrechten inmiddels aan Amerika, Engeland, Duitsland, Spanje, Italië en Griekenland zijn verkocht. Het boek werd bekroond met de Gouden Uil Prijs van de Lezer 2006 en werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.
    Momenteel werkt Stefan Brijs in opdracht van de stad Turnhout en het Cultuurcentum De Warande aan Korrels in Gods grote zandbak, een essaybundel over de schrijvers van Turnhout, onder wie Jan Renier Snieders, Emiel Fleerackers, Jozef Simons en Ward Hermans. Het boek zal verschijnen in oktober 2006.

    Bron: www.stefanbrijs.be

  • Willem Frederik Hermans

    Soms keren schrijvers na jaren van afwezigheid ineens weer terug op je pad. Neem nou W.F. Hermans (Geboren 1 september 1921 te Amsterdam, gestorven 27 april 1995 te Utrecht). Tot drie weken geleden behoorden zijn boeken voor mij definitief toe aan een voltooid verleden tijd. De zuurgraad van z’n
    essays en de voortdurende staat van verongelijktheid waarin de grote romancier op latere leeftijd verkeerde waren me ernstig tegen gaan staan en bovendien was ik op z’n centrale thema (de mens zoekt vergeefs houvast in een chaotisch en sadistisch universum) toch enigszins uitgekeken geraakt.
    Natuurlijk, in dit universum kunnen we ons aan niets vastklampen, en inderdaad, als je in een hogere macht gelooft (helaas kan ik niet in hogere machten geloven en dus helaas ook niet in een sadistisch universum) dan moet die macht behept zijn met een tamelijk sadistische natuur, maar ik hoefde dat alles niet meer van Hermans te vernemen. Die karige, soms zelfs horkerige stijl, die carrousel van stokpaarden die hij ronde na ronde bleef berijden, ik had er ineens genoeg van.

    En zo verdwijnt een schrijver die je een tijd hebt bewonderd langzaam naar de achtergrond. Tot het literaire tijdschrift waar je voor werkt een themanummer gaat samenstellen over roken en literatuur, en je op een borrel van datzelfde literair tijdschrift de vrouw ontmoet die Nooit meer slapen in het Engels heeft vertaald. Allereerst dat roken: ondanks de consumptie van drie pakken Gauloises per dag heeft Hermans zich daar nooit over uitgelaten in essayistische zin. Ja, er is het titelverhaal uit de bundel De laatste roker. Dat gaat inderdaad over roken. En ja, als je alle sigaretten die in het werk van Hermans zijn opgestoken achter elkaar zou leggen, dan kom je van hier tot Brussel en terug, ook waar. Maar een mooi essay over eigen en andermans roken schreef hij nooit. Jammer. Ik had van hem graag een dwars rookessay gelezen. Helaas heeft m’n zoektocht niets bruikbaars opgeleverd.

    En dan nu Nooit meer slapen: Ina (je kan het slechter met je achternaam treffen) Rilke maakte een Engelse vertaling van dat boek, dat samen met De donkere kamer van Damokles tot z’n beste werk wordt gerekend. Ina had gaandeweg nogal een hekel gekregen aan de roman. Wie gaat vertalen leest geen boek meer, maar demonteert de bouwstenen waaruit dat boek bestaat: de zinnen. En die zinnen zijn bij Hermans niet bepaald interessant. Droog, stijf Nederlands in staccato. Na dat gesprek moest ik Nooit meer slapen wel gaan lezen. Geen keus. Nou Ina had gelijk. Inderdaad, de taal van Hermans is die van een boekhouder.
    Sommige zinnen zijn gewoonweg lelijk. Dialogen zijn stroef. Beelden zelden treffend. Toon mij één mooie zin uit Nooit meer slapen en u krijgt van mij een jaarabonnement op De Tweede Ronde cadeau.
    Maar toch: ook al zijn de bouwstenen niet van de fraaiste soort, het gebouw dat Hermans er mee heeft opgetrokken is prachtig! Nooit meer slapen is wel degelijk een zeer goed boek, ook al heeft dat nauwelijks iets met de stijl van doen. Waarom? Herleest u het zelf eens zou ik zeggen. Ik deed het met plezier.

    Weer op het spoor van Hermans gebracht kwam ik ook veel interviews tegen. Mijn God, het moet een helse missie geweest zijn om die man te interviewen. Degenen die pogingen gewaagd hebben zijn niet te benijden. Dat het ontbreken van kennis over het een of ander genadeloos wordt afgestraft zij hem vergeven, maar die eindeloze tirades tegen vakbroeders en tegen ons deugdzame vaderland beginnen toch snel de keel uit te hangen. Opvallend daarbij is vooral dat Hermans tot in elke vezel de Nederland is die hijzelf zo vervloekt. Kleingeestig, horkerig, drammerig, gelijkhebberig. Die observatie bleek ik gelukkig te delen met iemand anders, die dat veel beter verwoordde: “Hij is – in tegenstelling tot de schijn – een echte Hollander. Daarmee bedoel ik dat hij opgesloten zit in een boerenhoeve met blaffende honden, en zelfs met een windbuks op de hooizolder. Zo is hij met grote drift in de weer zijn particuliere stukje grond te verdedigen. Hollandser kan het niet, lijkt me.” Woorden van die andere Hollandse zuurpruim: Komrij.