• Vonne van der Meer 25 jaar schrijverschap

    In februari verscheen de nieuwe roman De vrouw met de sleutel, van Vonne van der Meer. Uitgeverij Contact viert hiermee gelijk het 25-jarig schrijverschap van Van der Meer. In deze vijfentwintig jaar heeft Vonne van der Meer een rijk oeuvre opgebouwd van romans, verhalenbundels en novelles. Met Eilandgasten brak ze in 1999 definitief door naar het grote publiek.

    Vonne van der Meer werd in 1952 als jongste van een gezin van drie kinderen in Eindhoven geboren. Liefde voor het lezen kreeg ze van huis uit mee. Op de middelbare school viel zij op door de kwaliteit van haar opstellen en slaagde voor het examen Nederlands met haar verhalen. Ze voltooide vervolgens de regieopleiding aan de Amsterdamse Theaterschool, publiceerde verhalen (Hollands Maandblad) en schreef voor toneel. In 1976 werd haar monoloog, De behandeling door toneelgroep Centrum op het repertoire genomen. Na eerst regieassistente te zijn geweest van Franz Marijnen bij het RO-theater, regisseerde ze vervolgens tien jaar bij uiteenlopende gezelschappen als, Baal – Centrum – De Haagse Comedie en het RO-theater. Haar toneelstuk: Weiger nooit een dans, ging in 1996 in premiere. In 1987 debuteerde ze met de verhalenbundel Het limonadegevoel en andere verhalen. Waarna ze om de twee jaar een roman, verhalenbundel of novelle publiceerde. Haar bekendste roman is: Eilandgasten (1999), een roman- in- verhalen. De overpeinzingen van de vakantiegasten worden met elkaar verbonden via het vakantiehuis op Vlieland, het gastenboek en de verhuurder van het huis, een oudere vrouw. “Soms zou ik willen dat ik dit huis niet alleen schoonhield, maar dat mijn armen de muren waren, mijn ogen de ramen. Dat ik kon zien en horen wat Duinroos meemaakt.”
    Net als haar generatiegenoten Hermine de Graaf, Tessa de Loo en Renate Dorrestein, schreef Van de Meer aanvankelijk vanuit vrouwelijke ik-figuren, zoals het jonge meisje Prikkebeen in Een warme rug (1987), dat de verliefdheid op een jonge man ziet stranden omdat haar eigen moeder hem verleidt. Ook De reis naar het kind uit 1989 heeft een vrouwelijke hoofdpersoon, Julia, die kinderloos is en daarom op zoek gaat naar een adoptiekind uit een ver land. In Zo is hij, is er voor het eerst een mannelijke hoofdpersoon en verteller: Lucas Vlieger, wiens leven uit balans raakt als hij een mysterieuze brief ontvangt. Vlieger krijgt langzamerhand het idee dat zijn leven wordt bepaald door een almachtig iets. Na deze roman zullen vooral mystiek, ethiek en religie een belangrijk thema worden. In de verhalenromans Eilandgasten en De avondboot, komen al deze thema’s bij elkaar: man – vrouw – kinderen – abortus – overspel – liefde – ziekte en levensbeëindiging.

    Eilandgasten en De avondboot werden in 2001 tot een trilogie afgerond met de verschijning van Laatste seizoen, waarin wederom het pension Duinroos centraal stond. Judith Janssen in de Volkskrant: “Duinroos is een cocon waaruit de gasten gelouterd tervoorschijn komen.” Elsbeth Etty zag in de verhalen in dit laatste deel van de eiland-cyclus “parafrases van bijbelverhalen, waarin gewone, aardige mensen worstelen met de geboden op een van de tien geboden.” Etty was minder onder de indruk van Laatste seizoen dan de eerste delen, “Van der Meers verhalen sprankelen niet meer en herbergen geen verrassingen. Er valt maar één keer te lachen. Over een zachtmoedige huismoeder die haar vakantie op Vlieland vult met waterverven wordt opgemerkt: `Als ze niet meer menstrueren gaan ze aquarelleren.’”

    Ondanks dat ze alleen voor haar debuutbundel in de prijzen viel, (Geertjan Lubberhuizenprijs) wordt ze meestal positief beoordeeld door de kritiek en heeft ze van meet af aan veel lezers gehad. Er wordt wel gezegd dat Van der Meers werk overeenkomsten heeft met het werk van een schrijver als Frans Kellendonk. Niet alleen vanwege de mystiek-religieuze belangstelling, maar vooral vanwege hun gedeelde visie op het schrijverschap. Schrijven is onderzoek, het stellen van een probleem en het analyseren daarvan tijdens het schrijven. “Al schrijvend leer ik mijn eigen gevoelens begrijpen. Ik schrijf niet iets van me af, maar naar me toe.”

    Over haar nieuwste roman De vrouw met de sleutel: Vrouw, 59 jaar, moederlijk voorkomen, brede heupen, prettige stem, komt u voor het slapen instoppen en voorlezen. Discr. verzek. Beslist geen seks. bedoel.

    Een vrouw blijft na de plotselinge dood van haar man berooid achter. Ze moet geld verdienen en plaatst een advertentie.
    Haar werk voert haar naar de slaapkamers van de meest uiteenlopende mensen: een elfjarig meisje, een stewardess, een veertigjarige werkloze man. Meer en meer raakt ze bij haar klanten betrokken.
    De vrouw met de sleutel gaat over onze onstilbare honger naar verhalen, en wat een verhaal in een leven teweegbrengt.

    Vanaf april zullen verschillende romans van Van der Meer gebundeld worden en als omnibus uitgegeven worden. Zie ook: www.uitgeverijcontact.nl

     

  • Klein portret van David van Reybrouck

    Klein portret van David van Reybrouck

    Zie ook:  Brands met boeken (VPRO tv), klik dan op de uitzending van 9 mei 2010.

    ,
  • Rimbaud de zoon

    Door Wil van Basten-Malipaard

    ”…o moeder die me niet leest  (…) vader die nooit met me zal praten”.

     Bij toeval belandde deze korte ‘biografie’ van Pierre Michon (1945) over een deel van het turbulente leven van de jonggestorven Franse dichter Arthur Rimbaud (1854-1891) in de sublieme vertaling van Rokus Hofstede op mijn bureau. Vooral door de kwaadaardige eerste twee zinnen werd ik weer, exact zoals destijds in 1991 bij de eerste Franse uitgave, aangezet om verder te lezen.

    “Men zegt dat Vitalie Rimbaud, geboren Cuyf, een dochter van het platteland en een boosaardige vrouw, een vrouw die leed en boosaardig was, het leven schonk aan Arthur Rimbaud. Men weet niet of ze eerst vervloekte en pas daarna leed of dat ze haar lijden vervloekte en toen in die vervloeking volhardde; ofwel dat in haar geest vervloeking en lijden elkaar overlapten, aflosten, aanwakkerden onlosmakelijk met elkaar verbonden als de vingers van haar hand, die zo geïrriteerd waren geraakt door het contact met haar leven, haar zoon, haar levenden en haar doden dat ze ze tussen haar zwarte vingers vermorzelde.”

    Deze twee zinnen zeggen veel, zo niet alles over het begin van de carrière van Rimbaud als dichter.

    Michon suggereert dat zij de oorzaak is van Rimbauds niet aflatende opstandigheid, die hem als een wervelwind door de porseleinkast van de Franse letteren jaagt en hem na een literaire bliksemcarrière van vijf jaar en na veel omzwervingen uiteindelijk als wapenkoopman in het Afrikaanse Harrar, ver van alle verzen van de wereld, doet belanden.

     En deze twee zinnen tonen het fraaie en rijke proza van Michon waarvan de stijl in hoge mate doet denken aan de poëzie van Rimbaud. Wilde Rimbaud zoals Victor Hugo het vers in eigen persoon belichamen ‘le vers personellement’, zo lijkt het erop dat Michon door zijn werk dit ideaal eveneens voor zijn eigen proza nastreeft. Zijn taal is rijk, poëtisch, confronterend en soms verpletterend. Hij werkt met veel tegenstellingen, synoniemen, woordomwisselingen, metaforen. Lange zinnen. Veel prachtige stijlfiguren zijn in zijn werk moeiteloos te vinden.

    Voor de liefhebbers van literatuur is ook dit werk een juweeltje van vertelkunst. Niet voor niets is Pierre Michon in oktober 2009 onderscheiden met de Grand Prix du roman de l’Académie française voor zijn werk Les Onze waar hij vijftien lange jaren aan werkte.

     

    Michon heeft niet gekozen voor de traditionele biografie.  De vorm die hij kiest is uniek. Het perspectief wisselt voortdurend. Michon kruipt in de huid van de alleswetende schrijver die zich overigens bescheiden opstelt, of richt zich als verteller rechtstreeks tot de dichter of tot de lezer.

    Volgens de informatie op de achterflap bestaat het verrassende vertrekpunt voor deze biografie uit de weinige foto’s en portretten die van Rimbaud bewaard bleven. Helaas zijn in dit werk slechts twee van deze foto’s opgenomen, uitgebreid beschreven en becommentarieerd.

    Carjat_Arthur_Rimbaud_1872

    Foto 1: ‘Hij kijkt naar zijn model. Hij ziet dat de stropdas scheef zit; hij ziet de kleur ervan, die wij niet kennen. Het vest is rood of zwart, dat zal onduidelijk blijven, de foto is in zwart-wit. Hij bedenkt dat die stropdas straks rechtgetrokken moet worden ? of toch maar niet, deze jongeman is een dichter, het is goed dat de stropdas van dichters scheef zit.’ blz. 79. De ‘hij’ in dit citaat is de Parijse fotograaf Etienne Carjat die onsterfelijk is geworden door dit beeld van Rimbaud voor de eeuwigheid vast te leggen in een ovaal portret. Een soort aureool. Die ‘mandorla’ die tegenwoordig in de wereld bekender is dan de doek van de heilige Veronica, die betekenisvoller en leger is, die zeer verheven icoon waarop de stropdas voor eeuwig scheef zit, de stropdas waarvan we nooit zullen weten welke kleur hij had.  (…) het portret dat even zwaar weegt als het hele dichtwerk bij elkaar, of bijna’, zo schrijft Michon op blz. 88. De foto werd gemaakt in 1871! De begintijd van de fotografie.

     

    Henri_Fantin-Latour_005

     Foto 2 op de voorkant is een deel van het schilderij Le Coin de table. Het fabuleuze groepsportret van Verlaine en Rimbaud met zes andere, inmiddels vergeten dichters. Wij zien hier alleen hoofd en haardos van Rimbaud. De andere ‘foto’s’ die als basis dienden zijn geschreven portretten van de voor Rimbaud belangrijke personen in zijn (literaire) leven en komen min of meer chronologisch voor in de zeven hoofdstukken van het boek.

    Zijn vader, Frédéric Rimbaud, is kapitein bij het Franse leger en vaak uithuizig. Zijn moeder, Vitalie Cuyf, een boerendochter, voedt de (vier) kinderen met ijzeren hand op. Frédéric Rimbaud verlaat haar in 1860. De 22-jarige Georges Izambard, leraar op het Collège van Charleville stimuleert de vijftienjarige Rimbaud om zich op poëzie toe te leggen en leert hem alles over de alexandrijn (roede genoemd in de vertaling van Rokus Hofstede). Dan volgt Théodore de Banville wiens gedichten niemand meer leest maar die rond 1870 als mentor van de Franse dichters optrad.

    Op 16-jarige leeftijd gaat Rimbaud naar Parijs, op uitnodiging van de door hem bewonderde dichter Paul Verlaine, die hij enkele gedichten toegestuurd heeft en die in hem een groot talent herkent. In werkelijkheid ontwikkelt zich een stormachtige homoseksuele relatie tussen Verlaine en Rimbaud. De eerste paardans wordt zeer beeldend beschreven op blz. 55. Michon geeft a.h.w. een ooggetuigenverslag van dat moment in de donkere kamer achter zonneblinden. ‘… , stuwden ze zich vast en terwijl ze aan die mast hingen, die niét de roede was, geschiedde het dat ze huiverden en een ogenblik weg waren van deze wereld, …’

    Het einde van de relatie met Verlaine en de publicatie van Une saison en enfer betekenen voor Rimbaud het afscheid van de literatuur/poëzie. Het boek eindigt hier ook. Rimbaud is dan weer terug bij zijn familie in Roche, in de Ardennen. Hij schrijft daarna nooit meer ook maar één vers.

    Michon beperkt zich uitsluitend tot het literaire leven van Rimbaud. Het genie Arthur Rimbaud.

    De vele omzwervingen na de breuk met Verlaine door Europa en Afrika blijven dus geheel onvermeld. Enkele jaren later, terug in Frankrijk vanwege zijn gezondheid, bezwijkt Rimbaud in een ziekenhuis in Marseille aan botkanker in zijn rechterbeen.

     

    Michon maakt duidelijk dat Rimbaud aanvankelijk de zoon is van al deze voor hem belangrijke personages. Hij is de leerling, maar hij maakt zich successievelijk ook weer los van hen. En hij wil zelf geen opvolger. Niemand mag in zijn voetsporen treden. Hij wordt zelf geen vader in de beide betekenissen van het woord. Hij geeft ‘zijn stekje’,  zoals Pierre Michon dat noemt, niet door. Op blz. 92 lezen we: ‘… dat hij misschien ophield met schrijven omdat hij niet de zoon van zijn werken kon worden, dat wil zeggen, er het vaderschap van kon aanvaarden. Hij vond het beneden zijn waardigheid de zoon van Le bateau ivre, van de Saison en van Enfance te zijn, zoals hij evenzeer had geweigerd de nakomeling te zijn van Izembard, Banville of Verlaine.’

     ‘Men zegt dat…’, is de steeds terugkerende beginformule die aangeeft dat Michon zich evenals alle anderen baseert op anekdotes, verhalen, vermoedens, interpretaties van feiten, enz.   Toch heeft hij een duidelijk merkbare, degelijke research verricht voor dit werk. Helaas worden zijn bronnen niet vermeld. De vertaler heeft enkele verhelderende aantekeningen bij de tekst gevoegd. Geen echte biografie dus, maar een persoonlijke, subjectieve interpretatie van Michon.   

    Ook gaat Michon er vanuit dat de lezers op de hoogte zijn van het werk en leven van Rimbaud. En dat is zeker een pré als je dat bent. Hij spreekt dan over ‘wij’. Al drijft hij een enkele keer wel de spot met historici ‘…want lezen, dat kan niemand ? behalve  misschien de mensen die denken dat het om cijferschrift gaat, en lezen die soms beter? Gewetenloze romaneske schurken zijn wij. Nee, we lezen niet, ik net zomin als alle anderen. …’  zegt hij op blz. 65, bescheiden met enige zelfspot.

     

    Voor mij was het herlezen van dit werk aanleiding om Rimbaud weer eens ‘uit de kast’ te halen. En het moet weer gezegd worden:  ‘Sommige werken zijn zo de moeite van het herlezen waard!’ 

     Le bateau ivre  en  Une saison en enfer  hadden nu een heel andere uitwerking op me dan destijds toen ik verplicht was vanwege mijn studie Franse Taal- en Letterkunde deze grondig te bestuderen als een soort ‘cijferschrift’….

     

     

    Auteur: Pierre Michon

    Oorspronkelijke titel: Rimbaud, le fils  (1991 Editions Gallimard)

    Verschenen bij: Uitgeverij G.A. van Oorschot (1998, 2e druk)
    Vertaling: Rokus Hofstede, Amsterdam

    Prijs: ingenaaid €12,-, gebonden € 18,-

  • Lijstjes en De welwillenden

    door Menno Hartman

    Op zoek naar mijn agenda waarin ik schrijf wat ik lees, omdat ik een verschrikkelijk geheugen heb realiseer ik me dat ik geen flauw benul heb waar mijn oude agenda is, het is 2 januari 2009.
    Hoe maak ik nu lijstjes? Nu missen mijn lijstjes al een primair element van wat in de lijstjescultuur zo van belang is: de weerslag van wat er in een jaar gepubliceerd is. Maar wie leest nu alleen recent werk?  Goed, mijn recentste boek is toch in 2008 in vertaling verschenen en dat hoef ik in mijn agenda niet na te gaan, want ik heb het nog niet uit: Jonathan Littell De Welwillenden. Mijn lijstje wordt daarmee nogal kort: een half boek.
    Wat kan je zeggen over een half boek? Een klein voordeel van mijn warrige lectuur, waarin voortdurend boeken door elkaar heen gelezen worden, is dat men niet snel om andermans woorden verlegen zit: ‘Van het uitvinden van buskruit tot aan het splitsen van atomen, van het schieten met kanonnen om de tegenstand van vijanden te breken naar het gooien van de atoombom op Hiroshima is maar een stap, zij het ook een reusachtige: men kan dat, met de dood in het hart, desnoods een logische ontwikkeling noemen. Ieder vernietigingswapen van vergelijkbare omvang zou vroeg of laat de onmogelijkheid van de oorlog aan de orde gesteld hebben, de noodzaak van verantwoordelijkheid en coëxistentie. Maar bij de gaskamers en slavenkampen ging het in wezen om iets heel anders: om het gewelddadig breken van het kristal om het verdelgen van de eeuwigheidsfactor x in het menselijk bewustzijn: daar werd door massale moord, los van oorlogvoering, maar met die oorlogvoering als dekmantel een precedent geschapen voor een onmenselijk gebruik van menselijke wezens, zicht geopend op een volstrekt andere inhumane wereld.’
    Hella S. Haasse schrijft dit in haar essay Sporen van geweld. Op zijn beurt een lijstje -hoe oneerbiedig dat ook klinkt- van verwerking van het thema oorlog in de Nederlandse literatuur van na WOII. Een sterk essay.

    Juist om deze stap gaat het in De welwillenden. Het boek tracht inzicht te verschaffen in de denkwereld van de daders: de ss-officieren die bijdroegen aan de massale vernietiging van de joden. In de introductie van het verhaal geeft de hoofdpersoon de kille rekensom weer die ook de auteur waarschijnlijk regelmatig maakte en waaruit een verwondering ontstond die om uitleg smeekte. Dr. Aue rekent de lezer voor dat er in de beschreven periode elke 4,6 seconde iemand het leven liet van ’41 tot ’45 in Rusland. Wanneer dat uitgerekend is dringt de vraag zich op hoe dat kon, de vraag naar de praktische uitvoering. Die rekensom maken, op het idee komen om dit uit te rekenen is in wezen al een verplaatsing in de logistieke realiteit van de inhumane actie. Een onmenselijk gebruik van menselijk wezens. En ook en vooral: het gewelddadig breken van het kristal, die al te fijne en zeer breekbare coëxistentie van mensen, dat wat na de Holocaust alleen nog maar als kristal te beschouwen is.

    Dit voorwoord van Dr. Aue is een heel sterke opening, cynisch, ontdaan van sentimentaliteit. Mijn indruk van de helft van dit boek is een beetje gekleurd door de enorme goed ontvangst van het boek. Door zo’n ontvangst verwacht je veel.  De cynische denker in de proloog is niet representatief voor de officier in de rest van het boek. Wat ik jammer vind is dat deze Aue een intellectueel moet zijn. Een muziekliefhebber, iemand die prachtige gesprekken met een bevriende Dr. kan voeren over de aard en afkomst der Kaukasische talen.Het heeft iets teveel van de psychopaat in ‘The Silence of the Lambs’, enge mensen moeten altijd belezen, intelligent, muziekminnend en seksueel problematisch zijn. Dat maakt het boek inderdaad wel zo boeiend, maar moet iets afdoen van de claim dat men de gedachtewereld van de daders zou leren kennen.
    Dr. Aue is een antisemiet vanuit een theoretisch beginsel, niet diep doorvoeld maar gekneed in de leer. Soldaten en legerleider die hij leert kennen in de Oekraïne die een evident wreed genoegen in hun bezigheden scheppen veracht hij. Nog, misschien moet ik nog zeggen, want de systematiek van Auschwitz is halverwege het boek nog niet volledig doorgevoerd en wat die machinale verontmenselijking van slachtoffers zowel als daders zal bewerkstelligen, ligt voor deze lezer nog in de kruitdampen verscholen.  Er wordt met deze Aue tenminste wel enig zicht geopend op de volstrekt inhumane aspecten van de beschreven wereld.
    Dr. Voss, de gesprekspartner van Aue in een van de Russische oorden waar Aue verblijft is een linguïst die op zeker moment zeer treffend de wetenschappelijke waan van de rassentheorie onder woorden brengt, Aue voelt dit en kan niet direct antwoorden maar belooft er later op terug te komen. Voss bekoopt dit met zijn leven.  Niet Aue, of iemand in het boek die de vrijdenker hoorde redeneren heeft Voss om zeep geholpen maar de auteur, die zich gerealiseerd moet hebben dat een zo’n helder betoog over de waanzin van de grondbeginselen van deze historische moordpartij, op 1/3 van het boek het verhaal resoluut klem zou zetten als erop terug gekomen zou moeten worden met Voss.
    Zo is er heus het een ander op te merken. Maar wat een boek, schreef in Nederland maar eens iemand zo’n boek. Blijk gevend van een obsessieve feitenkennis en de moed een groot thema aan te snijden.
    Een half boek op deze lijst, tenzij ik ergens in januari mijn agenda nog vind.

     

  • Artikel over roman Patrick Modiano

    Op de website van Tirade is zoals aangekondigd de ’topografische analyse’ door Manet van Montfrans van de roman In het café van de verloren jeugd van Patrick Modiano te lezen:

    ‘Halverwege de weg van het ware leven gingen we gehuld in een zwarte melancholie, die doorklonk in zoveel spottende en trieste woorden, in het café van de verloren jeugd.’ Aan dit citaat uit een film van Guy Debord ontleende Patrick Modiano de titel en het motto van zijn recent verschenen roman Dans le café de la jeunesse perdue.2 Het is een vrije variatie op de eerste drie verzen van de Divina Commedia: ‘Op het midden van onze levensweg bevond ik mij in een donker woud, omdat ik van de rechte weg was afgedwaald’. De danteske inslag van Debords film blijkt ook al uit de titel: In girum imus nocte et consumimur igni (Wij dolen rond in de nacht en worden door vuur verteerd).

    Debord (1931-1994) was een van de oprichters van de Internationale situationniste, een kleine politiek-artistieke beweging die zich tegen de opkomende consumptie- en mediamaatschappij keerde, en als wegbereider van mei ’68 optrad. Hij is vooral bekend om zijn kritische beschouwingen in La Société du spectacle (1967) en Commentaires sur la société du spectacle (1988), waarin hij de beeldcultuur als de nieuwe religie van het kapitalisme en de burger als willoze consumptieslaaf afschildert. De Internationale situationniste ontbond zichzelf in 1972. De film In girum … dateert uit 1978 en is een terugblik op de protestbewegingen uit de jaren zestig

    Lees hier verder.

  • Ontmoeting met Jean Hatzfeld

    Op 2 december gaat Jean Hatzfeld in gesprek met Pieter van den Blink , ter gelegenheid van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van zijn roman De strategie van de antilopen (La stratégie des antilopes) Prix Médicis 2007: Derde deel van een trilogie die gewijd is aan de genocide in Rwanda waarin Jean Hatzveld, gerenommeerd journalist bij de krant Libération, verschillende getuigenissen heeft opgetekend.
    In het eerste deel (Dans le nu de la vie – 2000) ondervraagt Jean Hatzveld de slachtoffers, om
    vervolgens de daders aan het woord te laten in het tweede deel (Seizoen van de machetes – 2003).
    Als derde deel van dit boekwerk dat memoires en schrijfkunst samenbrengt beschrijft De strategie
    van de antilopen
    wat er gebeurde toen de Rwandese regering in 2003 de beslissing nam om
    tienduizenden Hutu’s te bevrijden in het kader van nationale verzoening. Het brengt een tragische
    tegenstrijdigheid voort: verzoening is noodzakelijk, maar ook onmogelijk.
    Jean Hatzfeld
    Jean Hatzfeld is in 1949 in Madagascar geboren en werd in de begintijd van Libération midden
    jaren70 journalist bij deze krant. In het begin was hij sportverslaggever, daarna wordt hij een
    gerenommeerd journalist en bericht hij over de oorlogen in het Midden-Oosten, Afrika en de
    Balkan. Aan de hand van zijn herinneringen van vijfentwintig jaar oorlogscorrespondent schrijft hij
    een essay, L’Air de la guerre (1994) en een aantal romans, waaronder La Guerre au bord du fleuve
    (1999) en La Ligne de flottaison (2005).
    In 1994 begeeft hij zich naar Rwanda om een reportage te maken over het bloedbad dat dit land
    uitvoert en besluit dan te stoppen als journalist om zich te richten op zijn onderzoek naar de
    genocide.

    Meer informatie www.maisondescartes.nl

    Dinsdag 2 December ? 20.00 uur In samenwerking met Uitgeverij De Bezige Bij
    Voertaal Frans
    Tarieven: 6/4,5/3,5 €

    Over Seizoen van de Machetes:

    In het voorjaar van 1994 vermoordden Rwandeze Hutu’s honderdduizenden van hun Tutsi-landgenoten. In deze slachtpartij was een kapmes, de machete, het meest gebruikte moordwapen. Kort na de genocide reisde oorlogsverslaggever Jean Hatzfeld naar het dorpje Nyamata. Hij voerde diepgaande gesprekken met een groepje daders om erachter te komen wat hen bezielde. Waarom grepen deze gewone, respectabele leraren, boeren en winkeliers op een kwade dag hun kapmessen om hun streekgenoten af te slachten? Hatzfeld stelde vele vragen en kreeg een fascinerend en ontluisterend inzicht in de psychologie van de daders. Seizoen van de machetes is een verhelderend document over de banaliteit van het kwaad. Susan Sontag schreef speciaal voor deze editie een voorwoord.

  • De magie van Murakami

    De Japanse schrijver Haruki Murakami (1949) wordt door miljoenen lezers bewonderd. Tim Krabbé is een van hen. Krabbé bekende in ‘De wereld draait door’ alle boeken van Murakami inmiddels twee keer gelezen te hebben. Wat is de magie van Murakami? Zijn werk staat ver af van het exotisme van bamboe en kersenbloesem, van kimono’s en geisha’s. Dit is het Japan van de grote kantoren, van het harde werken, ook ’s nachts, van conformisme en eenzaamheid, van de ochtend afwachten in parken en nachtrestaurants. Zijn personages zijn vaak dolende zielen, neergezet in filmische decors, met muziek als constante factor. Murakami is duidelijk beïnvloed door het westen. Ivo Smits – groot kenner van Japan ? onderzoekt welke plaats Murakami in de Japanse literaire traditie inneemt. Thomas van Aalten, Saskia de Coster, Herman Koch en Christine Otten getuigen van hun fascinatie voor Murakami. Auke Hulst heeft een publicatie van Murakami als inspiratiebron gebruikt voor een muzikale bijdrage. Ivo Smits gaat met drie Murakamianen rond de tafel zitten om de magie van Murakami te achterhalen: Lisa Doeland, Herman Koch en Christine Otten.

    Dinsdag 28 oktober, 20.00, in de Balie, Amsterdam.

    Informatie over de deelnemers: www.slaa.nl.

    Bekijk ook vooral: http://www.murakami.nl/

  • Claus, vertaler pur sang

    Claus, vertaler pur sang
    Begin dit jaar overleed Hugo Claus, vermaard als schrijver en als veelzijdig kunstenaar. Maar evengoed – of misschien: meer nog- is Claus een fabuleuze, soms ook mysterieuze vertaler. In vier bijdragen wordt geprobeerd te achterhalen wat het geheim is achter zijn teksten. Verder neemt Henri Bloemen de vertaalwetenschap flink de maat. Hij bespreekt een boek van Mona Baker en vraagt zich af of haar positie, die hij aanvecht, symptomatisch is voor de gehele vertaalwetenschap. Voorts, ter relativering en vermaak: metatalige reflectie en complottheorie, maar dan Vertaliaans en zuurstofarm.

    Filter
    Tijdschrift over vertalen
    jaargang 15, aflevering 3

  • Oerboek: Mensje van Keulen bij de SLAA

    Het eerste boek van een schrijver komt voor het lezerspubliek meestal uit de lucht vallen. Heeft de schrijver blanco papier voor zich neergelegd en is hij daarop zijn eerste roman gaan schrijven? Dat is een rooskleurige voorstelling van zaken. Talloze schrijvers beschikken over een ongepubliceerd manuscript waaruit het debuut of zelfs het hele oeuvre is voortgekomen: het oerboek.

    In de vroegste verhalen van Mensje van Keulen zijn al sporen van haar latere werk en stijl te vinden, dat gekenmerkt wordt door een rauw, onopgesmukt realisme. In De schriften wachten (uitgeverij Atlas, 2008) worden drie van deze vroege verhalen voor het eerst in boekvorm gepubliceerd. Daarnaast is haar debuut Bleekers zomer (1972) opgenomen. Mensje van Keulen blikt, ook aan de hand van beeldmateriaal, terug op de ontwikkeling van haar schrijverschap.

    Een oerboek kan uit alle mogelijke materiaal bestaan. Mirjam Rotenstreich, mederedacteur van de reeks Oerboek, geeft tekst en uitleg over ‘de glanzende kiemcel’. Wanda Reisel, Helga Ruebsamen en Jan Siebelink vertellen hoe hun oerteksten eruit zien en lezen er (misschien) fragmenten uit voor.

    Tot besluit praat Maarten ’t Hart met Mensje van Keulen over haar oerboek De schriften wachten.
    Zondag 26 oktober, 15.00, in de Balie, Amsterdam.

    Informatie over de deelnemers: www.slaa.nl.

  • Sybren Polet centraal in nieuwe Parmentier

    Op donderdag 4 september jongstleden presenteerde literair tijdschrift Parmentier in de OBA in Amsterdam zijn nieuwste nummer. Dit nummer is gewijd aan een van Nederlands grootste schrijvers, Sybren Polet. Aanleiding is de heruitgave van Polets Lokienreeks door Uitgeverij Wereldbibliotheek. Bart Vervaeck en Arnoud van Adrichem stelden het dossier Lokiniade samen, waarin zij enkele Lokienkenners vroegen een nieuw venster op de cyclus te openen.

    Sybren Polet zelf opent het dossier met enkele literair-theoretische notities die interfereren met de Lokienreeks. August Hans den Boef treedt in debat met Polet door diens poëticale uitspraken te confronteren met onder meer Xpertise of De experts en het rode lampje. Paul de Wispelaere waagt zich aan een herlezing van De cirkelbewoners, en stelt vast dat de roman zoveel jaar na verschijnen nog steeds brandend actueel mag heten. Sven Vitse essayeert over het politieke engagement in het proza van Polet. Lukas De Vos behandelt de utopie in het werk van Polet aan de hand van het onzekerheidsprincipe van Heisenberg en de sciencefiction. Voorts onderzoekt Lars Bernaerts de constructie van het bewustzijn in Breekwater, Verboden tijd en Mannekino. Bart Vervaeck nam het (voorlopige) sluitstuk van de cyclus, de roman Bedenktijd, als uitgangspunt voor zijn essay over Lokiens empathie. Deze Lokiniade eindigt met een oorlogsverhaal van Agur Sevink dat reminiscenties oproept aan de onheilspellende passages uit De hoge hoed der historie.

    Buiten het dossier treft u een essay van Jan Baetens en Arnoud van Adrichem over de graphic novels van Dominique Goblet, een striptekenaar die zich, net als Sybren Polet, graag mag bewegen op de grensvlakken van verschillende disciplines.

    Voorts een in memoriam voor Kamiel Vanhole (1954-2008), geschreven door zijn vriend en collega-schrijver Leon Gommers. Vanholes werk loopt als een rode draad door de geschiedenis van Parmentier. Zijn veel te vroege dood heeft de huidige en voorgaande redactie(s) geschokt.

    De nieuwste Parmentier besluit met een lang, uiterst ritmisch gedicht van Lucas Hüsgen, ‘Keyser Söze (meteen denken)’, waarin enkele gebruikelijke verdachten langskomen – verdachten die misschien wel op de vlucht zijn voor een van Lokiens afsplitsingen, de listige detective en undercoveragent Perdox die meer avonturen schept dan misdaden oplost.

    Parmentier 17-3; Lokiniade

    Prijs: € 9,- / abonnement (4 nummers per jaar): € 25,-

    Voor bestellingen en meer informatie zie: www.literairtijdschriftparmentier.nl

  • Trefossa (1916-1975) – onomstreden en unaniem bewonderd

    Door Marieke Visser

    Dit artikel is een herplaatsing van een bijdrage die in 2005 te lezen was op deze site. Over de dichter Trefossa heeft Ida Does onlangs de schitterende ingetogen documentaire Mi a no mi, ik ben niet ik gemaakt. Onlangs was deze film in Suriname te zien als de openingsfilm van het Back Lot Film Festival.

    Trefossa, (pseudoniem van Henri Frans de Ziel) is een naam die onlosmakelijk verbonden is met met de Surinaamse taal én met het Surinaams volkslied: hij schreef het couplet in het Sranantongo en bewerkte het Nederlandse couplet. Een groot taalkunstenaar die zeer geliefd was – en is – bij álle Surinamers. Voorwaar een grote prestatie om zo onomstreden te zijn en zo unaniem bewonderd te worden in deze kleine gemeenschap die het nooit ergens over eens lijkt te kunnen zijn…

    Trefossa is de naam die Henri ‘Henny’ Frans de Ziel als pseudoniem gekozen zou hebben nadat een pasgeboren Saramaccaans bosnegermeisje in zijn aanwezigheid die naam meekreeg toen men ‘blind’ een reeks letters prikte. Of is de andere lezing over de oorsprong van ’s dichters naam geloofwaardiger; een verwijzing naar de nederige Tryfosa uit de bijbel en tevens naar het joods-Surinaams woord ‘treef’ dat duidt op ‘verboden voedsel’?

    Henny de Ziel werd in 1916 in Paramaribo geboren. Trefossa was in Suriname leerling-verpleger, hoofdonderwijzer, directeur-bibliothecaris, leraar en redacteur van diverse literaire tijdschriften. Tussentijds verbleef hij voor studie in Nederland, maar steeds keerde hij terug naar zijn geboorteland. Hij worstelde echter met zijn gezondheid en kwam in 1970, na een opname in het Academisch Ziekenhuis te Leiden, terecht in herstellingsoord Zonneduin te Bloemendaal. Daar ontmoette hij de toenmalige Zwitserse directrice Hulda Walser met wie hij in 1974 trouwde. Begin 1975 overleed hij.

    Hoe de dichter gebruik maakte van het Sranantongo, ermee jongleerde, dat heeft ongetwijfeld veel gedaan om het lingua franca van Suriname meer aanzien te geven en daarmee het gevoel van nationale eigenwaarde te vergroten. Soms maakte hij nieuwe woorden wanneer de woordenschat hem te klein werd. ‘Srefidensi’, de term die nu gebruikt wordt om Suriname’s onafhankelijke status mee aan te duiden, is daar een goed voorbeeld van. In de verzamelbundel Ala poewema foe Trefossa geeft de Nederlandse taalkundige Jan Voorhoeve in het Woord vooraf aan dat De Ziels debuutbundel ‘het culturele leven in Suriname aangrijpend gewijzigd heeft’ en ‘de creativiteit van talloze Surinaamse dichters vrij gemaakt’.

    In Michiel van Kempens Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur staat een verklarende passage over de titel van Trefossas debuutbundel. ‘Trotji is een begrip uit de kawinamuziek en betekent: aanhef of voorzang. In de kawina geldt het principe dat één zanger het thema aanheft en de andere zangers het herhalen, waardoor een wisselzang ontstaat.’ Zo bekeken is Trefossa dan een succesvol voorzanger geweest.

     

    Publicaties Trefossa:
    Trotji. 1957
    Ala poewema foe Trefossa. 1977

    Werk opgenomen in onder meer:
    De tijdschriften Onze Gids, Het Onderwijs, Foetoe-boi, De Westindiër, Suriname-Zending en Mutyama (1990)
    De verzamelbundels Wortoe d’e tan abra. Bloemlezing uit de Surinaamse poëzie vanaf 1957 (Paramaribo, 1971)
    kri, kra! Proza van Suriname (Paramaribo, 1972)
    Rebirth in words (Paramaribo, 1981)
    Sirito (Paramaribo, 1993)
    Spiegel van de Surinaamse poezie (1995)
    Mama Sranan (1999)

    Gedicht uit Spiegel van de Surinaamse poezie:

    moro de

    gi Lulu

    bonyo èn brudu nomo? moro de!
    a gers’ mi tap’ a baka isri trarki
    èn soso arki nomo mi kan arki;
    fu go, mi no man waka go wànpe.
    ma moru wortu de na tra lanpe!
    ke fa m’e angri f’ broko ala barki
    fu go na dorosei èn si den marki,
    tak’ furu teigo-san’ e wakt’ ete.
    bun set’ ensrefi f’bari swit’ kumara
    na den d’e bribi wan son-tamara,
    d’ e wakt’ a baka fara wan nyun frudu.
    na dorosei wawan mi mus’ fu feni?
    grantangi f’ di mi buba opo greni
    fu m’ si sa’ e brenki in’ mi eigi brudu.

    er is nog meer

    voor Loulou

    slechts beenderen en bloed? er is nog meer!
    ‘t is alsof ik achter ijz’ren tralies zit
    en enkel en alleen maar luist’ren kan;
    ergens heen gaan, kan ik niet.
    maar er zijn nog meer woorden aan andere havens!
    ach, hoe sterk verlang ik te breken alle balken
    om vrij te komen en de tekenen te zien,
    dat vele eeuw’ge dingen wachten nog.
    de welgestelden zijn gereed voor mooie wensen
    aan hen die geloven in een zonnige toekomst,
    die wachten na eb op een nieuwe vloed.
    moet ik slechts buiten mij iets kunnen vinden?
    ik zeg er dank voor, dat mijn huid de grendels wegschoof,
    dat ik kon zien wat schitterde in mijn eigen bloed.

     

     

  • Jeanette Winterson

    Op donderdag 13 december j.l. hield de Engelse schrijfster Jeanette Winterson de derde Belle van Zuylenlezing. Ter ere van de tweehonderdste sterfdag van de beroemde Utrechtse schrijfster Isabella Agneta Elisabeth van Tuyll van Serooskerken (1740-1805), bekend geworden onder het pseudoniem Belle van Zuylen, werd in 2005 het startsein gegeven voor dit jaarlijks terugkerend evenement. Hans Magnus Enzensberger en Nelleke Noordervliet gingen Winterson voor. Een mooie gelegenheid om eens aandacht aan deze indrukwekkende Engelse schrijfster te besteden.

    Jeanette Winterson heeft geen talent voor ondergeschiktheid
    De grillige Jeanette Winterson (1959) brak in 1985 in Engeland door met haar roman Oranges are not the only Fruit, in het Nederlands vertaald als Sinaasappels en Demonen. In het boek beschrijft zij hoe zij zich op jonge leeftijd ontworstelt aan de verstikkende invloed van het geloof. Op indringende wijze laat zij zien hoe haar hoofdpersoon zowel de literatuur als de vrouwenliefde ontdekt. Het boek, en later ook de verfilming (1990), deed vanwege gedurfde thema’s als opstand tegen religie en het openlijk praktiseren van homoseksualiteit veel stof opwaaien.
    Dit boek is voor een deel autobiografisch. Winterson is door haar ouders voor adoptie afgestaan en is door haar pleegouders volgens de strenge regels van de Pinkstergemeente opgevoed. Aanvankelijk deed ze vol vuur mee en als klein meisje schreef ze preken, die ze zelf op straat uitsprak. Toen ze aangaf dat ze lesbisch was, werd ze zodanig gestraft door de geloofsgemeenschap, dat ze op haar vijftiende van huis wegliep. In interviews geeft ze aan dat het preken haar nog altijd in het bloed zit: via haar boeken wil ze mensen graag een boodschap meegeven.

    ‘De stenen Goden’
    In haar nieuwste roman De stenen Goden, kan de lezer daar niet omheen. In dit grillige verhaal jaagt ze ons schrik aan met een rampscenario. Als we doorgaan zoals we nu doen, gaat onze planeet binnen no time naar de gallemiezen door een te grote CO2-uitstoot en smeltende ijskappen. Gelukkig krijgen we een nieuwe kans op een vruchtbare en onontgonnen verse aardbol, Planet Blue, maar het duurt niet lang of we gaan weer in de fout. Via originele vondsten schetst ze een wereld die niet ver afstaat van de huidige. Oudere vrouwen laten zich genetisch fixeren tot de ideale leeftijd van 24 jaar, mannen blijven achterin de veertig. Eenpersoonsautootjes rijden op zonne-energie en de mensheid wordt ondersteund door zogenaamde robo-sapiens: vriendelijke mensachtige wezens met een onuitputtelijke kennis. We hoeven zelf helemaal nergens meer over na te denken.
    Haar boodschap blijft desalniettemin dat mensen weigeren te leren van hun fouten, want ook Planet Blue is geen lang leven beschoren. Winterson blijft hoopvol, want er wordt weer een nieuwe planeet gevonden, maar of het zo eeuwig door kan blijven gaan? Hoofdpersonen Billy en Spike reizen van de achttiende-eeuwse ontdekkingsreiziger Captain Cook via Paaseiland tot onnoembaar ver in de toekomst, om dit te onderzoeken. Zoals we inmiddels van Jeanette Winterson gewend zijn, zijn haar hoofdpersonen geslachtsloos en wisselen ze halverwege het verhaal van sekse.

    Man-vrouwverhoudingen
    Ook in haar eerdere werk speelt ze met genderrollen. Op de cover van Op het Lichaam geschreven staat een persoon van onbekende origine. In Passie en Kersen kruisen maakt ze de vrouwelijke personages heldhaftig en de mannen zachtaardig. Om het allemaal nog ondoorzichtiger te maken zijn veel van haar personages androgyn met een voorliefde voor travestie. Hoewel haar boeken daardoor niet erg toegankelijk zijn, is het lezen ervan een feest voor de ruimhartigen met een open geest en levert het voer op voor intellectuelen die zich graag buigen over het actuele thema ‘diversiteit’.
    Winterson ziet het onbestemd laten van de sekse als literair experiment en is geïnteresseerd in de gevolgen van het weglaten van het voornaamwoord. Daarbij wil ze de lezer een boodschap meegeven: zie wat er gebeurt als je je vooroordelen onder ogen komt. Zie wat er gebeurt als je niet kunt traceren wie de man of de vrouw in het verhaal is. Zie welke gevolgen dat heeft voor het verhaal, maar ook voor je eigen beleving en interpretatie.

    ‘Kletscultuur’ in de literatuur

    Jeanette Winterson ziet het als haar taak om de wereld zo nu en dan te bevrijden van de ‘kletscultuur’. Door al het platte vermaak op de televisie en in andere media zijn grote woorden als ‘passie’ en ‘liefde’ van hun betekenis beroofd. Door verhalen te vertellen wil zij ze weer nieuw leven inblazen. Het magisch-realisme is haar gereedschap bij uitstek. Hoofdpersoon Villanelle in Passie loopt rond met een lege borst omdat ze haar hart verloren heeft en na een lange zoektocht vindt ze hem, kloppend en wel in zachte doeken gewikkeld, terug. Verder schuwt ze de clichés in liefdesverhalen niet. Ze neemt ze alleen niet serieus, maar speelt ermee. In Op het Lichaam geschreven zit een leukemieverhaallijn waar Erich Segal met zijn Love Story nog een puntje aan kan zuigen.
    Niet alleen de media zijn schuldig aan de ‘kletscultuur’, haar vakbroeders en zusters kunnen er ook wat van. Winterson heeft geen goed woord over voor het literaire klimaat in haar thuisland. In Opzij (nummer 1, januari 1993) zegt ze: ‘Schrijvers van nu zijn dode mensen die met dode stemmen spreken over triviale onderwerpen. Ik verveel me dood. Het oppervlakkige viert hoogtij.’ In veertien jaar kan veel veranderen, dus wellicht denkt ze er nu anders over, maar de stemming is grimmig.
    Deze vijandige sfeer openbaart zich vooral in de polemieken tussen haar en collega Doris Lessing. Waar de grand old lady of literature en Nobelprijswinnares haar misnoegen uitspreekt over de nieuwe tijd met al zijn kwalijke gevolgen van internet, huldigt Winterson juist de dynamiek van de nieuwste technologieën. Ook over het feminisme liggen ze in de clinch. Volgens Lessing is het in onze welvarende wereld afgelopen met de vrouwenstrijd, Winterson daarentegen noemt niets eindig en ziet nog volop kansen voor de vrouwenbeweging.

    Alleen de liefde telt
    Het belangrijkste gegeven in de literatuur van Jeanette Winterson is de liefde. Zij noemt de liefde het enige dat in een mensenleven compleet en eeuwig is. Liefde houdt iedereen bezig. Mode, cultuur, geaardheid, klasse en politieke richting, niets doet er verder toe als het over de liefde gaat.
    In haar lezing op 13 december j.l., met als avontuurlijke titel The Cup, the Knife, the Coat, the Remedy, sprak zij over schijndemocratie en discutabele keuzevrijheid, want hoe vrij zijn die keuzes als je de hele dag ongevraagd de X-factor en Victoria Beckham op de televisie voorbij ziet komen? Ook stond ze uitgebreid stil bij de onmisbare rol van kunst voor een menswaardig bestaan.
    Voor de Belle van Zuylenlezing had geen betere gastspreker gevraagd kunnen worden. De beroemde uitspraak van de Utrechtse gaat ook op voor Jeanette Winterson: ‘Ik heb geen talent voor ondergeschiktheid.’
    De romans van Jeanette Winterson worden uitgegeven bij Uitgeverij Contact. Haar eigen website is zeer de moeite waard: www.jeanettewinterson.com
    De tekst van haar Belle van Zuylenlezing is te downloaden op:http://vredevanutrecht.com

    Pauline van der Lans