• H.L. Wesseling

    H.L. Wesseling werd op 6 augustus 1937 ten ’s-Gravenhage geboren.
    Hij studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Leiden en promoveerde op 19 maart 1969 op het proefschrift: Soldaat en krijger. Franse opvattingen over leger en oorlog, 1905-1914. Geen toeval, Wesseling staat heel zijn leven al bekend als francofiel. Na het schrijven van zijn proefschrift verbleef Wesseling enige jaren aan de vermaarde Ecole Pratique des Hautes Etudes in Parijs, hij is lid van de Académie Française d’ Histoire d’Outre-Mer en schreef talloze boeken over de Franse cultuur en geschiedenis. Naast Frankrijk is de Europese expansie zijn grootste obsessie. Zijn bekendste boek is Verdeel en Heers: de deling van Afrika 1880-1914, een verpletterend leesbaar boek over die bizar rechte lijnen die ook nu nog in iedere atlas te vinden zijn.

    Wesseling heeft als docent een zeer groot aantal studenten opgeleid, van wie Z.K.H. de Prins van Oranje ongetwijfeld de bekendste is. Bij het grote publiek is hij echter vooral bekend van zijn vele essays, columns en beschouwingen, die soms in boekvorm, soms in landelijke dag- en weekbladen verschenen. Zijn Vele ideeën over Frankrijk werd als pocket uitgegeven en bereikte een groot lezerspubliek.

    Eind mei 2003 voegde Henk Wesseling een nieuwe publicatie toe aan zijn toch al omvangrijk wetenschappelijk oeuvre: Europa’s koloniale eeuw. De koloniale rijken in de negentiende eeuw, waarin de verovering, inbezitneming en exploitatie van de koloniale gebieden en de samenlevingen die er ontstonden centraal staat. Hij laat in dat boek zien hoe groot de invloed van de Europese landen in hun koloniën was.

    Wesseling nam in september 2002 afscheid van de Leidse universiteit, waaraan hij vanaf 1973 als hoogleraar Algemene Geschiedenis aan verbonden was. Willem Otterspeer noemde Wesselings schrijfstijl in de inleiding van De draagbare Wesseling ‘Engels’, hetgeen bijzonder mag worden geacht voor iemand die zich in zijn wetenschappelijke carrière met name met de Franse geschiedenis heeft beziggehouden. Zelf zegt hij over zijn inspiratie: ‘Tsja, wie of wat inspireert en fascineert mij nu eigenlijk op historisch gebied? Dat zijn geen vragen die ik mij dagelijks stel. En bovendien wisselen de antwoorden nogal eens. Ik ben niet geschiedenis gaan studeren omdat ik zoveel van geschiedenis houd of zo gek ben op oude dingen. Het was eerder een combinatie van factoren en het gevoel dat je met geschiedenis veel kanten uit kunt. Filosofie interesseerde mij in die tijd evenzeer en literatuur nog meer. Pas in een latere fase ben ik de geschiedenisstudie voorop gaan stellen, zodat andere dingen op het tweede plan kwamen. In de geschiedenis interesseren mij vooral tamelijk simpele vragen, die zijn het moeilijkst te beantwoorden.’

    Interview met Wesseling over zijn laatste boek en de Historikerstreit over de rol van Nederland in Indië: http://www.groene.nl/2003/0326/pv_wesseling.html

    Bijna complete bibliografie: http://www.kb.nl/kb/resources/frameset_kb.html?/kb/dossiers/wesseling/wesseling-lit4.html 

  • Midas Dekkers

    Midas Dekkers werd op 22 april 1946 te Haarlem geboren. Hij is in eerste instantie bioloog maar ? naar eigen zeggen ? oefent hij dat vak al schrijvende uit. Waar anderen een microscoop of een verrekijker nodig hebben, gebruikt hij de typemachine. Bij het schrijven komt er bij Dekkers geen computer aan te pas. ‘Door te schrijven op typemachines heb ik een kunstje geleerd: eerst nadenken en dan pas schrijven. Omdat ik nog met papier en carbon werk, is het niet eenvoudig fouten te corrigeren. Als je dan vijftien blaadjes hebt weggegooid, leer je wel eerst nadenken voordat je wat typt.’

    Op die typemachine verschenen eerst vooral boeken over dieren, zoals Lief Dier: over bestialiteit (1996) en Leve de dieren (1986). Dekkers is een uiterst verleidelijke auteur om te citeren, hij slingert zijn biologische visie middels krachtige oneliners de wereld in, zoals in Leve de dieren: ‘De tijden veranderen. Wat een geluk dat de natuur niet zo behoudend is als het natuurbehoud. De fauna floreert erbij. Nu wij nog.’ Of uit De kikvors en de flamingo (1998): ‘Terwijl vogelliefhebbers rouwen om de laatste ooievaar, rukken de reigers massaal op naar de steden. Ook vossen en reeën gedijen. Nu eens dankzij, dan weer ondanks de mens, passen dieren zich veelal sneller aan de moderne tijd aan dan mensen.’

    Tevens is Midas een kattenliefhebber in hart en nieren: ‘Een koe is een koe en een kip is een kip, maar de ene poes is lang de ander niet. Een poes is iemand. Zie je bij de meeste beesten wat het is ? een mus of een makreel ? bij een poes zie je wie: Minet of Zwartje, die leuke rooie of de kat van hiernaast. Daar kun je een portret van maken. Dat hebben veel schilders dan ook gedaan. Al zijn hun poezen allang dood, soms al duizenden jaren, toch zie je hoe lief die poezen waren of hoe mooi of hoe eng. Je ziet niet alleen de katten en de mensen van toen, maar vooral ook iets wat je eigenlijk niet kan zien: de liefde tussen die twee.’ (uit: Poes: de poezen verhalen, 2002)

    Na afwisselend in Haarlem, Amsterdam en de Betuwe gewoond te hebben, is Dekkers sinds 1997 even buiten Weesp beland. Het was toeval dat hij daar uiteindelijk neerstreek. In een Amsterdams café maakte een Weesper Dekkers er op attent dat het voormalige stadhuis te koop stond. Na een lezing in Diemen kon hij zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en nam hij eens een kijkje aan de Hoogstraat. Zijn eerste indruk was nog voorzichtig omdat hij het ‘kleine rottuintje’ zag, maar de nabijheid van café ’t Helletje, De Oorbel en De Natte Krant maakten een hoop goed. Dekkers is tenslotte een kasteleinszoon en gaat nergens wonen voordat hij de plaatselijke horeca heeft gecontroleerd.

    De Vergankelijkheid is het eerste boek dat hij in zijn nieuwe woning in Weesp schreef. Het is veel breder van opzet dan zijn vorige boeken en schakelt moeiteloos van een pleidooi voor lege plekken in de stad naar de vergankelijkheid van de mens zelf ? en de vele illusies die daarbij horen. Dekkers is sowieso iemand die op vaak grimmige, humorvolle en sarcastische wijze schijnbare zekerheden aan de kaak stelt. In zijn laatste boek De Larf richt hij zijn pijlen op ‘de rol van het kind in natuur en cultuur.’ Al sinds Ovidius zitten literatuur en volksverhalen vol met duivels en weerwolven. Toch ziet haast niemand in dat ook de mens in zijn leven een metamorfose ondergaat, namelijk van kind naar volwassene. Niemand beseft dat Homo sapiens, net als rups en vlinder, eigenlijk twee gedaanten heeft, maar iedereen gedraagt zich ernaar. Kinderen leven gescheiden van volwassenen in een eigen wereld van crèches, scholen en clubs, ze lezen hun eigen kinderboeken en bezoeken een eigen kinderboerderij. Tot ze in een explosie van popmuziek en pukkels verpoppen, in de puberteit.
    Veel volwassen mensen verlangen ? volgens Dekkers ? tegenwoordig terug naar de andere kant van de generatiekloof. In op de groei gekochte kleren en met een kleurig petje op skaten ze over de stoep, eten bij McDonald’s, of spelen met een bal. Thuis lezen ze niet Ovidius, maar Kuifje en Harry Potter. Het is een infantilisering die doet denken aan een vlinder die terugkruipt in zijn pophuid.

    Onlangs kreeg Dekkers voor De larf de Eureka prijs voor de beste, op een breed publiek georiënteerde, wetenschappelijke bijdrage. De schrijver is wekelijks te horen in het radioprogramma Vroege Vogels, heeft een column in de Vara-gids en zal naar alle waarschijnlijkheid ook nog weer bij de Vara op televisie verschijnen. Tot slot nog één citaat, uit een fantastisch interview met Max Arian in de Groene Amsterdammer (in zijn geheel te vinden op: http://www.groene.nl/2001/0112/ma_dekkers.html):

    ‘De natuur is niets anders dan moord en doodslag, eten en gevreten worden. Van een leuk nestje met zeven koolmeesjes zijn er na een jaar zes op een afgrijselijke manier omgekomen. Van honderd dieren die worden geboren, komen er 99 op een afschuwelijke manier aan hun einde, niet netjes met een mooi elektrocutie-apparaat, of met een mesje dat snel de hals afsnijdt. En wat doen wij? We richten natuurreservaten in waar van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat gemoord en geplunderd wordt. In de bio-industrie wordt veel en veel minder geleden dan in Gods vrije natuur. Er is echter één belangrijk verschil. Voor de beesten in de stallen zijn wij verantwoordelijk en voor de dieren in het bos niet. Dat is ons dilemma, want nu zie je dat wij die verantwoordelijkheid helemaal niet aankunnen. Het is ons volstrekt boven ons hoofd gegroeid. Er waren vroeger ook epidemieën, maar die bleven meestal beperkt. Toen de bio-industrie is ontstaan, veranderde de rol van de dierenarts. Die smeert nu niet alleen meer twee keer per jaar ons poesje door, maar daarna gaat hij op grote laarzen en met grote spuiten in z’n four wheeldrive de boer op. De boer kan geen dag meer zonder dierenarts. Dat die beesten veel te dicht op elkaar zitten is alleen maar mogelijk met behulp van de spuiten van de dierenarts. Dankzij die half-technologie weten ze de ziektes aardig onder controle te houden tot er op een gegeven moment zoveel verzwakte en verfokte dieren bij elkaar zitten dat de bom barst, en dan kun je op het laatst niet nog meer dierenartsen met nog grotere spuiten op nog grotere laarzen in nog grotere landrovers laten aanrukken. Dan kun je niets anders meer doen dan de ziekte uit te laten razen.’

    Tuf mee met programmamaker Arjen Visser en Midas Dekkers op zijn boot over de Amstel en hoor hen praten over het verschil tussen de ‘werkelijke werkelijkheid’ en ‘de werkelijkheid in je hoofd’, over negentiendeeeuwse idealen, over de diersoort die ‘kind’ heet, over de bittere strijd tegen de teloorgang van de wereld, over alcohol, tabak en echte mannen:

    http://www.omroep.nl/rvu/index.html#@http://www.omroep.nl/rvu/berichten/2002/september/midas/welcome.html

     

  • Pieter Boskma

    Quest, de eerste officiële dichtbundel van Pieter Boskma (Leeuwarden, 9 mei 1956) verschijnt in 1987 bij de Haarlemse uitgeverij In de Knipscheer. Voordien is Boskma met zijn jong gestorven kunstbroeder Paul van der Steen (1950-1991) oprichter van Virus, een klein poëzietijdschrift dat bestaat van 1984 tot 1986 en waarvan in totaal zeven nummers verschijnen. Met Van der Steen publiceert Boskma in eigen beheer de bundel Virus Virus, met 24 gedichten en tekeningen van Nesrin en Olivia Ettema.

    Enkele jaren later is Boskma betrokken bij de Maximalen (1988-1989; zie onder). In de jaren negentig baart hij enig opzien door als jonge vrouw onder de naam Laura van der Galiën (Frankrijk, 1972) te ‘debuteren’ in de bloemlezing Aan ieder spijker een regel (samenstelling Serge van Duijnhoven, Prometheus, Amsterdam, 1995), met verzen die later in de bundel Zeventien (Prometheus, 1996) verschijnen.

    Sinds 2001 vormt hij samen met Gerrit Komrij, Menno Wigman, Onno Blom en Ilja Pfeijffer de redactie van het tijdschrift Awater, waarvan onlangs het vierde nummer verscheen.

    Zijn volgens velen vooralsnog meest indrukwekkende dichtwerk is de roman in verzen De aardse komedie (2002). Momenteel werkt hij aan zijn volgende dichtbundel, die in het najaar van 2003 onder de titel Herladen verschijnt. (Boskma, desgevraagd: ‘Het zal een stevige bundel zijn. Niet zozeer in omvang, maar in toon.’) Op vrijdag 13 juni 2003 wordt Niemand Thuis gepresenteerd, een nieuw boek met twaalf gedichten van Boskma en elf tekeningen van Pieter Bijwaard.

    Een citaat uit De aardse komedie (p.92):

    Het was nog geen ochtend, al kon dat liggen
    aan de wolkenlucht die laag en grijzig geel
    over bos en piste hing en wellicht de dageraad
    aan het oog onttrokken had. Het sneeuwde
    nog steeds. Als met tegenzin, zweefden
    grote, rafelige vlokken traag omlaag.
    Nu en dan schoot op een windvlaag
    een handvol weer omhoog, blijkbaar
    met zo’n krachtig heimwee naar

    de hemelen dat het de zwaartekracht
    trotseren kon, maar dan kwamen zij

    tot rust en dwarrelden toch neerwaarts,
    met een zuchtje leek het, maar dat kon
    verbeelding zijn, zoals alles eigenlijk.

    Dichtbundels

    Virus Virus (met Paul van der Steen), eigen beheer, Amsterdam, 1984.
    Quest, In de Knipscheer, Haarlem, 1987.
    De Messiaanse kust, In de Knipscheer, Haarlem, 1989.
    Tiara, In de Knipscheer, Amsterdam, 1991.
    Nerven in de vierkante tijd, met tekeningen van Pieter Bijwaard, 1991.
    Huis van jonge dagen, met tekeningen van Pieter Bijwaard, Plaatsmaken, Arnhem, 1994.
    Simpel heelal, In de Knipscheer, Amsterdam, 1995.
    – recensie door Rogi Wieg, Parool, 10-3-1995
    In de naam, Bert Bakker, Amsterdam, 1996.
    – recensie door Rogi Wieg, Parool, 22-11-1996
    Te midden van de tijden, Prometheus, Amsterdam, 1998.
    Het zingende doek & De Geheime Gedichten, Prometheus, Amsterdam, 1999.
    Yn Tongen (Friese vertaling van het gedicht ‘In tongen’ door Theun de Vries), Triona Pers, Houwerzijl, 2000.
    De aardse komedie. Een roman-gedicht, Prometheus, Amsterdam, 2002.

    Andere publicaties
    Een foto van God (novelle), In de Knipscheer, Haarlem, 1993.

    Steden van water, liedjes van licht, 11 proza-gedichten over 11 Zuid-Hollandse steden (gedichten van Pieter Boskma; journalistieke impressies van Erik Lindner; foto’s van Mieke Bijleveld), Culturele Raad Zuid-Holland, 1995.

    Van gelijke duisternis – het verzameld werk van Paul van der Steen, samenstelling Pieter Boskma, Van Der Steenfonds/In de Knipscheer, Haarlem, 1996.

    Ik vind je zo lief en zo licht – bloemlezing uit de mooiste liefdesgedichten van Herman Gorter, samenstelling Pieter Boskma, Bert Bakker, Amsterdam, 1997.

    Over de Maximalen:

    De elfkoppige dichtersgroep ontstaat nadat Arthur Lava in 1988 de bloemlezing Maximaal (In de Knipscheer, Haarlem) samenstelt. De bloemlezing bevat gedichten van Pieter Boskma, Bart Brey, Koos Dalstra, René Huigen, Johan Joos, Tom Lanoye, K. Michel, F. Starik, René Stoute, Joost Zwagerman en Lava zelf. De presentatie van het boek op 24 mei 1988 is de enige gelegenheid waarbij alle elf de dichters bijeen zijn. Een kleine anderhalf jaar later is het volgens de meeste Maximalen wel weer genoeg geweest: op 29 september 1989 wordt de groep opgeheven.

    Pieter Boskma zelf over de Maximalen (geciteerd naar epibreren.com, 15-8-2002): ‘Waar ging het de Maximalen om, in een paar woorden? Tja. Ik denk dat Maximaal vooral een reactie was op het verstarde, ingedutte, hermetisch-academische poëzieklimaat van de jaren tachtig, dat gedomineerd werd door een hele generatie epigonen van Kouwenaar en Faverey, zoals T. van Deel en Wiel Kusters, die beiden dan ook furieus op Maximaal reageerden, wat nog leidde tot een heuse polemiek tussen Zwagerman en Kusters in de Volkskrant, die voor een belangrijk deel over mijn hoofd en werken werd uitgevochten, en royaal door Zwagerman werd gewonnen met een knock-out van Kusters, waar daarna niet veel meer van vernomen werd. Er was een grote behoefte om weer een warmbloedige poëzie te schrijven waarin het weer ging om het volledige leven zelf, in plaats van raadseltjes bakken over het stof op je tuinhek. Maximaal was voor mij vooral een pleidooi voor een lyriek uit het volle hart.’

     

    Thomas Möhlmann,

     

    met dank aan epibreren.com

     

     

     

     

  • Louis Paul Boon

    Louis Paul Boon (Aalst 15/03/12 – Erembodegem 10/05/79) is afkomstig uit een eenvoudig arbeidersgezin. Hij bezocht niet lang de school en ging als zestienjarige met vader Jef uit werken als pistoolschilder en als gevelschilder. ’s Avonds en in het weekend volgde hij lessen aan de Aalsterse Academie voor Schone Kunsten, maar door geldgebrek kon ook dit niet blijven duren. Moeder Stella hield een verfwinkeltje open om te helpen de eindjes aan elkaar te knopen.

    In 1936 huwt Lodewijk Paul Aalbrecht Boon Jeanette Charlotte De Wolf. Louis werkt voor zijn vader en later voor brouwerij Zeeberg. Jeanneke heeft een confectiezaakje. In 1939 wordt zoon Jo Clement Boon geboren.

    In 1944 verschijnt Abel Gholaerts. In 1946 verschijnen Vergeten straat en Mijn kleine oorlog. In 1953 De Kapellekensbaan en in 1956 Zomer te Ter-Muren. Pas in 1979 zullen deze twee werken, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, in een band verschijnen. De diptiek De Kapellekensbaan/Zomer te Ter-Muren wordt als het magnum opus van Boon beschouwd.

    Naast het zuiver literaire werk (het vroege werk verkoopt slecht), tracht Boon aan de kost te komen als journalist. Hij werkt achtereenvolgens voor de toenmalige

    De roode vaan (1945-1946, op aanraden van Albert Van Hoorick), Front (1946-1947, dankzij Aloïs Gerlo) en De Vlaamse Gids (1948). Boon begint stilaan te werken voor Vooruit als freelance medewerker en definitief van 1954-1972. Zijn dagelijkse Boontjes, zijn cursiefjes, zal hij blijven publiceren tot aan zijn dood. Tussendoor schreef Boon onder talloze pseudoniemen voor de meest gevarieerde kranten en tijdschriften zoals Parool, De Zweep, Zondagspost…

    Louis Paul Boon zal pas echt doorbreken in Nederland, dankzij Reinold Kuipers van De Arbeiderspers. In 1994 zal Jeroen Brouwers schrijven dat ‘Boon een standbeeld verdient op de grens tussen België en Nederland, maar met zijn kont naar Vlaanderen’.

    *De voorstad groeit, A. Manteau, Brussel, 1943.
    * Abel Gholaerts, A. Manteau, Brussel, 1944.
    * Vergeten straat, A. Manteau, Brussel, 1946.
    * Mijn kleine oorlog, A. Manteau, Brussel, 1946.
    Uitleenbibliotheek, Boekuil, Gent, 1949.
    Twee spoken, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1952.
    * De Kapellekensbaan, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1953.
    * De bende van Jan de Lichte, Het Laatste Nieuws, Brussel, 1953.
    * Menuet, Ontwikkeling/Nieuw Vlaams Tijdschrift, Kluisbossen, 1954.
    * Wapenbroeders, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1955.
    * De kleine Eva uit de Kromme Bijlstraat, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1956.
    * Niets gaat ten onder, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1956.
    * Zomer te Ter-Muren, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1956.
    * De paradijsvogel. Relaas van een amorele tijd, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1958.
    * Vaarwel krokodil of de prijslijst van het geluk, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1959.
    * De zoon van Jan de Lichte, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1961.
    * Blauwbaardje in wonderland en andere grimmige sprookjes voor verdorven kinderen, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1962.
    * Dag aan dag, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1963.
    * Het nieuwe onkruid, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1964.
    * Verzamelde reservaten, De Arbeiderspers/ABC-Boeken, Amsterdam, 1965.
    * Dorp in Vlaanderen, De Clauwaert, Leuven, 1966.
    * Wat een leven!, De Arbeiderspers/ABC-Boeken, Amsterdam, 1967.
    * 3 mensen tussen muren. Een roman in lino. Lowie, Em. Querido, Amsterdam 1969. (eerste druk: 1942).
    * 90 mensen. Bekende en minder bekende, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1970.
    * Pieter Daens of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht, De Arbeiderspers/Em. Querido, Amsterdam, 1971.
    Als het onkruid bloeit, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1972.
    * Mieke Maaike’s obscene jeugd, De Arbeiderspers, 1972.
    * Eten op zijn Vlaams, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1972.
    * Zomerdagdroom, De Arbeiderspers/Em. Qeurido, Amsterdam, 1973.
    * Blauwbaardje in de ruimte. Op schrift gesteld door Louis Paul Boon/In beeld gebracht door Jo Boon, Paris-Manteau, Amsterdam/Brussel, 1973.
    * De meisjes van Jesses, De Arbeiderspers/Em. Querido, Amsterdam, 1973.
    Davids jonge dagen, De Arbeiderspers/Em. Querido, Amsterdam, 1974.
    Verscheurd jeugdportret, De Arbeiderspers/Em. Querido, Amsterdam, 1975.
    * Memoires van de heer Daegeman, De Arbeiderspers/Em. Querido, Amsterdam, 1975.
    De zwarte hand of het anarchisme van de negentiende eeuw in het industriestadje Aalst, De Arbeiderspers/Em. Querido, Amsterdam, 1976.
    Het jaar 1901. Verhalen naar de politiearchieven der stad Aalst, De Arbeiderspers/Em. Querido, Amsterdam, 1977.
    Het Geuzenboek, De Arbeiderspers/Em. Querido, Amsterdam, 1979.
    * Verzamelde gedichten, De Arbeiderspers/Em. Querido, Amsterdam, 1979.
    * Eros en de eenzame man. Een droefgeestig en schandelijk pornoverhaal, De Arbeiderspers/Em. Querido, Amsterdam, 1980.
    * Het boek Jezebel, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent, 1999.

    Websites: www.booncentrum.be, www.lpboon.net

     

  • Oek de Jong

    Oek de Jong werd geboren in 1952, in Breda. Zijn volledige naam is Oebele Klaas Anne de Jong. Na zijn middelbare schooltijd, doorgebracht in Dokkum en Goes, ging De Jong kunstgeschiedenis studeren in Amsterdam. Hij brak deze studie na vijf jaar echter af om zich voltijds aan het schrijven te kunnen wijden. Hij was 25 toen hij debuteerde met de verhalenbundel De hemelvaart van Massimo. Dit debuut werd bekroond met de Reina Prinsen Geerligsprijs.

    Twee jaar later volgde de roman Opwaaiende zomerjurken. Het werd niet alleen jubelend ontvangen door de pers, maar ook een groot verkoopsucces, bij velen thuis zal dat grijze boek met die zwarte letters in de boekenkast hebben gestaan. De Jong werd samen met generatiegenoten als Frans Kellendonk, Doeschka Meijsing en Dirk Ayelt Kooiman bestempeld als één van de ‘academisten’: een term bedacht door literair criticus Aad Nuis. In een tijdperk dat maatschappijkritiek en betrokkenheid hoogtij vieren zetten de academisten zich af tegen het engagement in de literatuur. Zij zagen de werkelijkheid slechts als ruw materiaal om hun verbeelding op los te laten. Nuis bedacht de term omdat hij meende dat deze schrijvers de wijze van romananalyse zoals zij deze tijdens hun universitaire studie hadden geleerd, toepasten op hun eigen werk. Het literaire tijdschrift De Revisor (waaraan De Jong ook nog een tijd als redacteur verbonden is geweest) speelde een centrale rol in de vorming van deze stroming.

    De Jong was inderdaad net als Kellendonk en Meijsing een schrijver die meerduidig spel speelde met de lezer: hun boeken laten zich niet één op één met de werkelijkheid lezen en roepen dikwijls vragen op over de waarneming van de werkelijkheid. Door hun rijke verbeeldingskracht blijft er een hoop te raden en te interpreteren over, de ruimte tot analyse waar Nuis ongetwijfeld aan refereerde in zijn betoog over de academisten.

    Zes jaar na Opwaaiende zomerjurken verschijnt Cirkel in het gras. Deze roman gaat over de relatie tussen een Nederlandse journaliste en een Italiaanse kunsthistoricus en doet op diepgravende wijze onderzoek naar de liefde enerzijds en de westerse cultuur anderzijds.

    De Jong is geen snelle schrijver, ook gaan er aanhoudend geruchten over een writer’s block van enorme proporties. Zijn volgende werk laat in elk geval acht jaar op zich wachten: het zijn twee novellen, verzameld in een bundel De Inktvis genaamd, vier jaar later gevolgd door een bundeling essays: Een man die in de toekomst springt. Maar het wachten is natuurlijk op de grote nieuwe roman. Deze verschijnt uiteindelijk zeventien jaar na Cirkel in het gras, in 2002, het boek heette Hokwerda’s kind. Nu, ruim een halfjaar na verschijning, is het een groot verkoopsucces en ook de kritiek was overwegend positief. De Jong leek de gedoodverfde winnaar van de Libris Literatuurprijs 2003, maar verrassend genoeg ging deze naar Abdelkader

    Benali’s De Langverwachte.

    Het verhaal van Lin Hokwerda draait in de eerste plaats om liefdesgeschiedenissen, maar meer dan dat nog ziet De Jong er zelf een onderzoek naar de beschrijving van erotiek in. Hij vertelde een aantal weken geleden in het Parooltheater dat hij zich altijd zo verbaasde over de wijze waarop er in de literatuur met seks wordt omgegaan. Hij wilde zien hoever zijn mogelijkheden reikten om seksualiteit en liefde vanuit alle oogpunten in woorden te vangen.Zijn roman is daar het deels schokkende, deels opwindende maar zonder meer meeslepende relaas van geworden.

    Bibliografie:

    1977 De hemelvaart van Massimo
    1979 Opwaaiende zomerjurken
    1985 Cirkel in het gras
    1993 De inktvis
    1997 Een man die in de toekomst springt
    2002 Hokwerda’s kind

     

  • Simon, Vestdijk

    Op 17 oktober 1898 wordt Simon Vestdijk, één van de belangrijkste en invloedrijkste schrijvers van ons land, geboren te Harlingen. Al jong begint hij gedichten te schrijven. Na het H.B.S. gaat hij medicijnen studeren aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1925 het doctoraal examen aflegt. Twee jaar later verwerft hij het artsdiploma.

    In hetzelfde jaar, 1927, verhuist hij met zijn ouders naar Den Haag. Tot 1932 neemt hij verschillende artspraktijken waar. Tussendoor studeert hij filosofie en psychologie en legt hij zich tevens toe op de astrologie. Als scheepsarts maakt hij een korte reis en na een kort verblijf in Amsterdam vestigt hij zich in 1932 weer in Den Haag.

    In 1932 verscheen zijn poëziedebuut Verzen en, hoewel hij twijfelt tussen een loopbaan in de muziek of in de literatuur, kiest Vestdijk in 1933 definitief voor het schrijversschap. Zijn vriendschap met E. du Perron en Menno ter Braak leidt hem in de redactie van het tijdschrift Forum.

    In 1940 vestigt hij zich in Doorn, waar hij op 4 mei 1942 door de Duitse bezetter als gijzelaar wordt gearresteerd. Hij wordt tot 1 maart 1943 vastgehouden. Direct na de bevrijding neemt Vestdijk zijn oude redigerende en kritische functies weer op: hij werkt als literair criticus onder andere voor Podium en De Gids. Eind 1959 stopt hij definitief met het schrijven van literaire recesies. Wel verschijnt er nog een groot aantal muziekrecensies van zijn hand.

    Simon Vestdijk leidt een teruggetrokken leven en lijdt regelmatig aan zware depressies. Zijn poëzie kenmerkt zich door een sterke plastiek en zelf meent hij een ontwikkeling te kunnen aantonen van een zogenaamde parlando-poëzie naar een meer lyrische gekenmerkte poëzie. Een veel voorkomend thema in zijn proza is onder andere de spanning tussen de geest en stof. Vestdijk houdt zich veelvuldig bezig met de vraag naar de zin of zinvolheid van het leven. Zijn pogingen een antwoord te vinden op deze vraag leiden hem regelmatig op het terrein van de filosofie, het metafysische en het occulte. Indrukwekkend is de kennis van deze gebieden die Vestdijk tentoonstelt.

    In 1933 schrijft Vestdijk een zeer omvangrijk boek Kind tussen vier vrouwen. Aangezien Vestdijk geen enkele uitgever bereid ziet deze roman uit te geven, bewerkt hij het manuscript en geeft een reeks romans uit op basis van dit oorspronkelijk manuscript. De reeks, met Anton Wachter in de hoofdrol, wordt pas in 1960 afgesloten met De laatste kans. Veel van zijn romanpersonages streven naar een een-zijn, maar vaak wordt dit streven tegengewerkt door een besef van vervreemding, dat de persoon dwingt terug te keren naar het hier en nu van een begrensd ik.

    In 1965 trouwt Vestdijk met Adriana Catharine Maria van der Hoeven. Samen krijgen zij twee kinderen, Dirk Simon en Annemieke. In 1971 overlijdt Simon Vestdijk te Utrecht.

    Tijdens zijn leven werd Vestdijk meerdere malen bekroond. Zo ontvangt hij onder andere de prozaprijs 1946 van de gemeente Amsterdam voor Pastorale 1943, de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre (1955) en in 1963 werd hij geridderd in de orde van de Nederlandse Leeuw.

    Bron: www.svestdijk.nl 

     

  • Hélène Nolthenius (1920-2000)

    Hélène Nolthenius werd op 9 april 1920 in Amsterdam geboren. Haar moeder was van huis uit katholiek, maar eentje van het nare soort, die borrels drinkt terwijl ze vast, maar wel gauw de fles verstopt als de pastoor binnenkomt. Haar vader kwam uit een antipapistisch milieu en was cellist in het Concertgebouworkest. Hij kon daar echter de druk niet aan en werd classicus. Het gezin woonde in de Helmersstraat in Amsterdam, op zolder, beneden woonden de ouders van Hélène’s moeder. Hélène had geen broertjes of zusjes en aangezien haar moeder op kantoor werkte was ze veel alleen. Dat vond ze heerlijk.

    Thuis was er altijd muziek. Hélène had op haar achtste pianoles wat ze verschrikkelijk vond. Zelf zingen daarentegen vond ze prachtig. Haar vader vond haar echter niet begaafd genoeg en afgezien van een paar gevangenisconcerten heeft ze dit nooit doorgezet. Ze kon nu eenmaal beter schrijven dan zingen vond ze later ook zelf. Maar al vroeg wilde ze Rooms worden. Hierin was ze geïnspireerd door haar tante in Indonesië, iemand die ze nog nooit gezien had behalve op foto’s. Mensen in haar omgeving zeiden dat zij op die tante leek. Zij was katholiek. Toen haar tante stierf arriveerde er in huize Nolthenius een doos met boeken en kleren. Die kleren trok Hélène aan en het eerste boek wat ze van haar tante las ging over het leven van Franciscus. Ze was meteen verkocht. Voor haar was het alles tegelijkertijd: Italië, de middeleeuwen, de kerk, God. Franciscus zelf werd haar buurman. Nadat ze in 1938 eindexamen had gedaan mocht ze naar Italië. Ze zag wat ze gelezen had en het werd menens.

    Terug in Nederland ging ze naar de franciscanen in Haarlem. Ze zat echter met een probleem. De kerk verklaart de bijbel voor geïnspireerd en vervolgens ontleent de kerk aan diezelfde bijbel haar eigen geïnspireerde leergezag. Dat was een cirkelredenering die Nolthenius dwars zat. Toch liet ze zich dopen en begon met het schrijven van religieuze versjes voor De Gemeenschap.

    In 1946 deed ze doctoraalexamen muziekwetenschap en ging bij de KRO op de muziekafdeling werken. Daar ontmoette ze haar latere man. In 1948 promoveerde ze op De oudste melodie van Italië, over de invloed van de franciscaanse beweging op de autochtone muziek van Italië. In 1951 verscheen Duecento, haar zwerftocht door Italië’s late middeleeuwen, gevolgd door Renaissance in mei (1956), over de stad Florence in de 14de eeuw, waarmee ze veel succes oogstte.

    In 1958 werd ze hoogleraar muziekgeschiedenis (van de Oudheid en de middeleeuwen tot 1400) aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Na de eerste vier jaar hoogleraarschap begon Nolthenius romans te schrijven. Addio Grimaldi (1953), Een ladder op de aarde (1966) en Buiten blijven (1966). Ook schreef ze drie historische detectives. Ze spelen – hoe kan het ook anders – in de 14e eeuw. De speurder is de Franciscaan Lapo Mosca bijgenaamd Duedonne, dichter en zanger van vrome én schuine poëzie. Zijn wederwaardigheden staan te lezen in Geen been om op te staan (1978) en Als de wolf de wolf vreet (1980), in 1989 samen heruitgegeven onder de titel Moord in Toscane. In 1991 voegde ze daar Babylon aan de Rhone aan toe, waarin Lapo Mosca naar het pauselijke ballingsoord Avignon trekt. De Mosca boeken zijn zowel in het Duits als in het Frans vertaald. Haar voor de AKO-prijs genomineerde Franciscus-studie Een man uit het dal van Spoleto: Franciscus tussen zijn tijdgenoten (1989) is daarnaast ook in het Italiaans verschenen.

    Nolthenius schreef ook nog muziekbiografieën voor de jeugd, hedendaagse detectives w.o. Weekend in Waldegg, verhalenbundels zoals Het Vliegend Haft en ‘gewone’ historische romans, waarvan Voortgeschopt als een steen (1999), over een tweederangs dichter uit de Hellenistische wereld, de meest recente is. Als de musicologe en romanschrijfster Wagenmaker figureert Hélène Nolthenius in deel II van Voskuils Bureau-serie, Vuile Handen.

    En haar geloof? In een interview met Huub Oosterhuis waaraan bovenstaande persoonlijke gegevens zijn ontleend zegt zij: ‘Geloven? Ik wantrouw geloof, het is onredelijk, het zijn sentimenten. Martin Buber beschrijft in zijn Chassidische vertellingen, hoe een gestorven rechtvaardige in een droom verschijnt aan zijn vriend en zegt: Von der Stunde seines Todes an gehe er an jedem Tag von Welt zu Welt. Je stijgt en stijgt; wat vandaag onbereikbaar is, heb je morgen alweer achter je gelaten. Dat is de enige hemel die ik me voor kan stellen.’

     

  • Rodaan Al Galidi

    Al Galidi (1971) vluchtte uit zijn geboorteland Irak en kwam in 1998 aan in Nederland. De jaren die daarop volgden, beschrijft hij bondig: ‘In 1998 was ik asielzoeker. In 1999 was ik volgens het ministerie van Justitie in de brief met mijn eerste negatief een leugenaar. In 2000 was ik een economische vluchteling, want het woord was in het land van korting geen politieke reden. In 2001 was ik uitgeprocedeerd’ (Dagboek van een ezel). In de tussentijd gaf hij in eigen beheer een dichtbundel uit, Groen, waaruit een gedicht in maart 2000 de El Hizrja-literatuurprijs won. In hetzelfde jaar verscheen zijn officiële debuut Voor de nachtegaal in het ei, dat sindsdien al enkele malen is herdrukt. In 2002 publiceerde hij zijn volgende dichtbundel De fiets, de vrouw en de liefde, die werd genomineerd voor de J.C. Bloemprijs.

    ‘Je hebt geluk als je dichter in Nederland bent,’ schrijft Al Galidi in zijn Dagboek van een ezel: ‘Niemand leest je. Mijn eerste gedichtenbundel is alleen door een meisje van zeventien jaar oud van kaft tot kaft gelezen. Ze kon me precies vertellen wat ze wel en niet leuk vond. Anderen kochten het boek maar lazen het niet.’ Of het nu het resultaat is van deze evaluatie van het Nederlands dichterschap of de weerslag van zijn ervaringen met een gastland dat minder gastvrij bleek dan verwacht, vast staat in ieder geval dat Al Galidi na zijn eerste bundel hele andere gedichten is gaan schrijven. Wel nam hij nog acht gedichten uit Voor de nachtegaal in het ei mee naar De fiets, de vrouw en de liefde, maar de toon is in zijn tweede bundel radicaal veranderd: harder, cynischer, en tegelijk humoristischer. Een overeenkomst tussen beide bundels bestaat nog in de thematisering van de vreemdeling en het verblijf in Nederland. Maar in de eerste bundel is de dichter zachter, dromeriger en lyrischer: hij lijkt vooral zijn nieuwe omgeving af te tasten, waarbij hij soms stuit op iets dat steekt of ontroert, soms op iets dat het bezingen waard is. Die welwillend aftastende fase is in de tweede bundel duidelijk voorbij, zoals hij laat weten ‘Aan een Nederlandse vrouw’:

    Het is te laat
    om in mijn hart
    een nieuw begin te maken.

    Mijn enige hoop is nu
    de sonate van de stront te schrijven,
    de liefde met urine te besproeien,
    in het gezicht van de vrijheid te spugen
    en terug te gaan naar mijn vaderland.

     

    Desillusie en wrok worden soms aangelengd met humor, maar zelfs dan is het meestal slechts om te grimlachen, en gaandeweg maken de grapjes steeds meer plaats voor oprechte woede en wanhoop. De zestien gedichten in de laatste afdeling van de bundel, ‘Republiek van de rat’, vormen een indrukwekkende sociale parabel, waarin een rat ‘probeert van zijn nederige wereld een gedicht te maken.’

    Over de taal waarin Al Galidi zich gedwongen voelt te dichten, spreekt hij zich in zijn Dagboek van een ezel duidelijk uit: ‘Ik kwam in Nederland aan met lege handen. Alles wat ik had was de komkommer van de taal, die groeit in de zomer van mijn vaderland. Ik weet hoe belangrijk taal is, maar omdat ik hier niet naar school mocht, heb ik mijzelf het Nederlands aangeleerd.

    ‘Ik heb bij de Nederlandse taal asiel aangevraagd, maar ook zij gaf het mij niet. Nog niet. (…) De zomer van mijn vaderland verdween door de regen van Nederland, maar de komkommer van de taal groeit nog steeds in mijn hand.’

    Werk van Al Galidi:
    Voor de nachtegaal in het ei, gedichten, Bornmeer, Leeuwarden, 2000.
    De fiets, de vrouw en de liefde, gedichten, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2002.
    Dagboek van een ezel, columns, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2002.

    (noot: een deel van het hierboven geschrevene is overgenomen uit een stuk dat ik schreef voor het nieuwste nummer van de Poëziekrant, waarin ook meer te lezen is over Fouad Laroui en Shakila Azizzada, Thomas Mohlmann.)

  • Rascha Peper

    Er bestaat nog een foto van haar – genomen na de moord maar voordat zij mijn grootvader leerde kennen. Ongeveer 1915 dus. Rascha Peper zette in het titelverhaal van haar debuut De waterdame uit 1990 direct de toon voor een oeuvre waarin afwisseling (in karakters, stijl, plaats en tijd) troef is. Een constante factor is haar fascinatie voor ‘stille wateren en sluimerende hartstochten,’ zoals de jury van de AKO Literatuur Prijs het formuleerde toen zij in 1994 Rico’s vleugels voor deze prijs nomineerde.

    ‘Ik heb een hekel aan romans die zo vreselijk bedacht en geconstrueerd in elkaar zitten, aan die netwerken waarin lezers pas op de helft in de gaten krijgen wat er aan de hand is.’ Rascha Peper streeft ernaar boeken te schrijven die vooral boeien door een meeslepend verhaal en hecht minder aan literaire vormexperimenten. Haar romans zijn heerlijke leesboeken met een sterke plot, boeiende karakters en sfeervolle details. Haar thema’s ontleent ze vaak aan berichten uit de krant. Zoals de figuren in haar werk een gepassioneerde verzamelwoede hebben, zo verzamelt zij zelf krantenknipsels waarin ze een verhaal ziet. Deze werkwijze brengt met zich mee dat Peper geen autobiografisch schrijfster is wier werk voornamelijk te herleiden is tot zaken uit haar eigen leven. Het enige boek waarvoor dit niet zonder meer opgaat is Oesters.
    Rascha Peper (pseudoniem van Jenneke Strijland) werd op 1 januari 1949 in Driebergen geboren. Ze groeide op in een beschermd milieu, waarbij ze, vertelde ze in een interview in NRC Handelsblad, eigenlijk de godsdienst miste: ‘Ik was een ernstige zoeker naar verheven waarheden die ergens te vinden moesten zijn’. Ze studeerde Nederlands, met als hoofdvak Middelnederlandse literatuur, in de roerige jaren zestig toen literatuur in dienst van de revolutie van het proletariaat moest staan, en werkte enige tijd als lerares. In 1983 verhuisde ze naar Wenen vanwege het werk van haar partner die in dienst was van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar begon ze, omdat ze zich nogal ‘op zichzelf teruggeworpen’ voelde en omdat ze ernstig ziek werd, serieus werk te maken van het schrijven. In die tijd ontstond de eerste versie van Oesters. Na publicatie van haar eerste verhalen in Hollands Maandblad en Tirade, zette ze zich aan het herschrijven van deze roman omdat ze ‘in alle valkuilen van een beginnend schrijver was getuind’. Najaar 1999 verhuisde ze naar New York, waar haar man als diplomaat bij de VN-missie werkt. In 1999 verscheen ook haar roman Dooi.
    Binnenkort verschijnt de nieuwste roman van Rascha Peper, Wie scheep gaat, bij uitgeverij LJ Veen. 

    bron: www.biblioweb.nl

     

  • Nescio

    Hele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderduit te bomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschreven tegenwoordig. (Uit: Titaantjes)

    Jan Hendrik Frederik Grönloh (Frits) werd op 22 juni 1882 geboren te Amsterdam, Reguliersbreestraat 49, als oudste van twee zoons en twee dochters van een smid en zijn vrouw. Hij groeit op in Amsterdam-Oost, volgt daar onderwijs aan de HBS en aan de Openbare Handelsschool. In 1899 krijgt hij werk als jongste bediende op een kantoor in Hengelo, hij woont dan bij zijn tante Agatha Grönloh, in oktober van dat jaar keert hij weer terug naar Amsterdam.

    Behalve interesse voor het handelsvak, ontwikkelt Frits ook een grote liefde voor de literatuur. Hij leest o.a. Dickens, Dostojewski, Balzac, Van Eeden en Multatuli, voor wie hij een grote bewondering koesterde. In 1900 zendt Frits zijn eerste verhaal in ‘Mijn vriend en ik’. Het Geïllustreerd Stuiversblad, waar hij het naartoe zond, wijst het af. Daarop stuurt hij het naar De Echo. Wederom wordt hij niet gepubliceerd.

    De jaren daarop werkt hij bij verscheidene handelsbedrijven, in 1902 gaat Grönloh vanwege een nieuwe betrekking in Duitsland wonen. In 1904 keert hij weer terug naar Amsterdam en twee jaar later trouwt hij met Aagje Tiket, uit welk huwelijk vier kinderen worden geboren. Ze vestigen zich aan de Ringkade in Amsterdam-Oost, tegenwoordig de Transvaalkade genaamd.

    Samen met vrienden van de zangvereniging waar hij verplicht door zijn ouders lid van was geworden, richt hij de Vereeniging Gemeenschappelijk Grondbezit op, bij deze Vereniging hoort het weekblad De Pionier, waarin Grönlohs eerste publicatie, een ingezonden brief verschijnt. Hij betoonde zich in die tijd iemand die zeer maatschappelijk betrokken was en sterk beïnvloed werd door het socialisme.

    In 1910 stuurt hij een eerste versie van het verhaal De Uitvreter op naar het tijdschrift Nederland. Wederom wordt hij niet gepubliceerd. Wanneer hij een uitgebreidere en verbeterde versie naar De Gids stuurt, besluit dit tijdschrift hem wél te publiceren. Het wordt opgenomen in het januarinummer van 1911.

    In maart 1914 stuurt hij vervolgens De Titaantjes op naar hetzelfde tijdschrift. De redactie besluit na rijp beraad echter dit verhaal niet op te nemen. Daarop wendt de auteur zich tot het tijdschrift Groot-Nederland, dat het wel opneemt.

    In de periode 1915-1917 probeert Nescio zijn twee novellen in een boekuitgave gepubliceerd te krijgen, maar dit plan wordt door zowel De Wereldbibliotheek, Uitgever C.A,J. Van Dishoeck en Uitgever S.L. van Looy afgewezen. De Firma W.L.&J. Brusse houdt hem een tijdje aan het lijntje, maar dat is dan ook alles.

    In de zomer van 1917 schrijft Nescio Dichtertje en probeert dit wederom bij Groot Nederland te slijten.

    Uiteindelijk verschijnt in 1918 de novellenbundel Dichtertje-De Uitvreter-Titaantjes bij uitgever-kunsthandelaar J.H. de Bois te Haarlem.

    Nescio kampt door de jaren heen met gezondheidsproblemen, al in 1914 wordt hij opgenomen in een rusthuis omdat hij ernstig overspannen is. In 1918 belandt hij met een gecompliceerde longontsteking in het ziekenhuis. Daarna verhuist hij met zijn gezin naar Amsterdam over het IJ en vervolgens naar de Middenweg 166. In juli 1926 wordt hij benoemd tot directeur van de Holland-Bombay Trading Company. Helaas raakt hij reeds 1927 ernstig overspannen.

    Pas in 1935 komt Nescio weer met een nieuw verhaal, Mene Tekel genaamd. Het verschijnt in het septembernummer van De Stem. Het verhaal daarop ‘Een Lange Dag’ verschijnt in Kristal. Letterkundige Productie 1935.

    De oorlog begint enkele jaren later en Nescio moet zijn werkzaamheden bij zijn bedrijf stopzetten. In 1942 schrijft hij de novelle Insula Dei, dat pas in 1960 in het decembernummer van Tirade verschijnt. Daarvoor is Nescio al gepensioneerd en opgenomen geweest in het ziekenhuis vanwege trombose in de hersenen. De bloemlezing uit eigen werk Boven het dal die Nescio enige jaren daarvoor had samengesteld is het laatste dat van hem verschijnt, op 25 juli 1961 overlijdt Nescio in ziekenhuis Zonnestraal te Hilversum. Zijn werk, hoe bescheiden van omvang ook, heeft tot nu toe alle grillen van de tijd overleeft en het lichtvoetige maar ook ontroerende proza van Nescio kent vele bewonderaars. Titaantjes en Dichtertje zijn onlangs heruitgegeven in een prachtige editie met tekeningen van Joost Swarte.

    Bibliografie:

    • 1918 Dichtertje. De uitvreter. Titaantjes. 1e druk. J.H. de Bois, Haarlem, 1918 (april).
    • 1946 Mene Tekel bundel]. 1e druk. De Bezige Bij, Amsterdam, 1946 (december).
    • 1956 De uitvreter. Titaantjes. Dichtertje. Mene Tekel. 4e druk. Nijgh & Van Ditmar N.V., ‘s-Gravenhage, 1956 (juni).
    • 1961 Boven het dal en andere verhalen. 1e druk. G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1961 (mei).
    • 1962 ‘Heimwee’ en andere fragmenten. 1e druk. G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1962
    • 1969 Insula Dei. 1e druk. Em. Querido en Wolters-Noordhoff, Amsterdam – Groningen, 1969 (september).
    • 1987 Een lange dag. Nijgh & Van Ditmar N.V., ‘s-Gravenhage, 1987
    • 1996 Verzameld werk set in cassette. Nijgh & Van Ditmar / G.A. van Oorschot, Amsterdam, 
    • 1996Opmerkingen: Bezorgd door Lieneke Frerichs.
    • 1996 Verzameld werk set. Nijgh & Van Ditmar / G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1996
    • Opmerkingen: Verzameld proza ; Natuurdagboek. Bezorgd door Lieneke Frerichs.
    • 1996 Natuurdagboek. Nijgh & Van Ditmar / G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1996
    • 1996 Verzameld proza. Nijgh & Van Ditmar / G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1996

     

  • Cornelis Bastiaan Vaandrager

    ‘Ik loop op straat en ik hoor een jongen roepen tegen een voorbijgaande moeder en dochter: “Hee moeder, als je je dochter verloot, krijg ik dan een lootje?” Dit isoleer ik en zet ik tussen aanhalingstekens.’ Het werk van de Rotterdamse schrijver C.B. Vaandrager kenmerkt zich door de weergave van de werkelijkheid zonder enige vorm van commentaar, het zogenaamde Nieuwe Realisme.

    Op 26 augustus 1935 wordt Cornelis Bastiaan Vaandrager geboren op de Pretorialaan te Rotterdam-Zuid. Als enig kind van Kees en Jannie Vaandrager beleeft hij een rustige jeugd in een periode van wederopbouw.

    Tijdens zijn studietijd aan het Charlois Lyceum ontwikkelt de jonge Vaandrager een liefde voor de literatuur. Het lezen van De Avonden ervaart hij als een openbaring en vanaf zijn vijftiende is hij een gulzige lezer die door de jaren heen een uitgebereide collectie opbouwt van Homerus.

    Buiten de literatuur is Vaandrager ook erg geïnteresseerd in jazz. In 1952 ontmoet hij saxofonist Hans Sleutelaar. De twee blijken veel gemeen te hebben (dezelfde leeftijd, liefde voor literatuur en jazz) en er ontstaat een innige vriedschap. Beide zijn bovendien redacteur van een schoolkrant en gaan elkaars werk publiceren: Vaandrager schrijft korte verhalen en Sleutelaar gedichten.

    Met zijn gymnasiumdiploma op zak, gaat Vaandrager naar de School voor Taal- en Letterkunde in Den Haag, maar al snel merkt hij dat hij zich daar niet thuis voelt. Samen met Hans Sleutelaar wordt hij aangenomen bij Lintas, het officiële reclamebureau van Unilever. Met het schrijven van reclameteksten voor onder meer margarine en wasmiddelen leren ze de principes van het doelgericht en ecomomisch schrijven. In hun latere werk is nog veel van deze ‘basis’ terug te vinden.

    Samen met Sleutelaar richt hij in 1955 het tijdschrift Proefschrift, maandblad van de nieuwe generatie op. Een jaar later wordt dit tijdschrift opgeheven en treden Vaandrager en Sleutelaar toe bij de redactie van Gard Sivik. In dit tijdschrift gaat Vaandrager zijn eerste gedichten publiceren, die gekenmerkt worden door een sterke objectiviteit.

    In 1960 verschijnt zijn debuutroman Leve Joop Massaker, in 1961 gevolgd door zijn poëziedebuut Met andere ogen. Beide debuten worden overwegend positief ontvangen. Vaandrager neemt in deze periode intensief deel aan het Rotterdamse literaire en artistieke leven. Hij wil het leven leiden van een bohémien: hij experimenteert met drugs en identificeert zich met helden uit de literatuur en jazz, zoals William Burroughs en Miles Davis.

    De gedichten van Vaandrager worden steeds objectiever en bestaan vaak uit slechts enkele regels. Veel van zijn gedichten zijn gebaseerd op zogenaamde ready-mades: onbewerkte teksten uit de werkelijkheid. Deze teksten vindt Vaandrager bijvoorbeeld in reclamefolders, openbare toiletten en spoorboekjes.

    Binnen de Gard Sivik-goep ontstaan, mede door de excentriciteit en het overmatige drugsgebruik van Vaandrager, spanningen en in 1964 verschijnt het laatste nummer en gaan de redactieleden hun eigen weg.

    Vaandrager heeft zijn drugsgebruik steeds minder onder controle en van schrijven komt weinig meer terrecht. Toch verschijnt er in 1971 een nieuwe roman van zijn hand: De reus van Rotterdam. Voor Vaandrager draait dit uit op een grote teleurstelling: hij had gehoopt op een beststeller en een uitgebreide reclamecampagne, maar ondanks de positieve ontvangst blijft dit uit.

    De jaren zeventig zijn moeilijk voor de auteur. Door zijn drugsgebruik krijgt hij last van psychoses en moet hij herhaaldelijk worden opgenomen in een psychiatrische kliniek. Op speed schrijft hij een nieuw prozaboek: De hef, een grimmig en niemand (ook Vaandrager zelf niet) ontzienend boek. De hef treft hetzelfde lot als De reus van Rotterdam: goede kritieken, maar lage verkoopcijfers. Vaandrager zwerft door de stad, wordt opnieuw opgenomen en doet twee zelfmoordpogingen.

    De jaren tachtig beginnen veelbelovend: In 1981 krijgt Vaandrager de Anna Blaman-prijs uitgereikt. De prijs (10.000 gulden) is bedoeld als stimulans, maar Vaandrager is totaal apathisch geworden en hangt voornamelijk thuis voor de televisie. Het duurt nog tot 1986 voordat hij weer iets publiceert.

    De laatste jaren van zijn leven leidt Vaandrager een min of meer zwervend bestaan. Kenmerkend voor deze jaren is de stoïcijnse volharding die hij ten opzichte van het schrijven ontwikkelt. Bij gebrek aan papier of een typemachine schrijft hij desnoods op kalenders en bierviltjes. Lichamelijk takelt hij snel af. Hij eet slecht en leeft voornamelijk op speed. Op 18 maart 1992 overlijdt hij in het Dijkzigt ziekenhuis aan een longontsteking, ontstaan door uitputting en algehele verwaarlozing.

    Bibliografie

    Leve Joop Massaker, 1960, De Arbeiderspers; Met andere ogen, 1961, Gard Sivik-reeks; De avonturen van Cornelis Bastiaan Vaandrager 1, 1963, Nijgh & Van Ditmar; Gedichten, 1967, De Bezige Bij; De reus van Rotterdam, 1971, De Bezige Bij; Martin, waarom hebben de giraffe…, 1973, De Bezige Bij; De Hef, 1975, De Bezige Bij; Vaandrager’s totale poëzie, 1981, De Bezige Bij; Zij het gehavend, 1986, Bébert (beperkte oplage); Metalon, 1987, De Bezige Bij; Sampleton, 1990, De Bezige Bij

    Anne-Marie van der Poel

     

  • Geert Mak

    Geert Mak werd geboren op 4 december 1946 als zevende, en jongste kind van de familie. Zijn ouders waren toen al bijna vijftig.Hij groeide op als zoon van een gereformeerd predikant in Friesland, studeerde staatsrecht en rechtssociologie aan de Universiteit van Amsterdam en doceerde van 1973 tot 1975 staatsrecht en vreemdelingenrecht aan de Universiteit van Utrecht. Daarna koos hij voor de journalistiek. Van 1975 tot 1985 was Mak redacteur van de Groene Amsterdammer, waar hij zich al snel specialiseerde in minderheden, jongeren bewegingen en grootstedelijke problematiek. Na deze periode werkte hij voor NRC Handelsblad -onder meer als redacteur Amsterdam- en voor de VPRO radio. Voor deze omroep maakte hij een groot aantal reisreportages.

    De laatste jaren is Mak voornamelijk werkzaam als publicist en schrijver. Van zijn hand verscheen een groot aantal boeken over politiek, journalistiek en de stad Amsterdam, waaronder, De Engel van Amsterdam, Een kleine geschiedenis van Amsterdam, Het Stadspaleis en Hoe God verdween uit Jorwerd, de geschiedenis van een Nederlands dorp in de twintigste eeuw. In1998 schreef Mak het boekenweekessay Het ontsnapte land.

    Geert Mak wordt wel de volksjournalist van Nederland genoemd, zoals Gerard Reve onze volksschrijver is en Lou de Jong onze volkshistoricus. In 1999 nam zijn carrière een immense vlucht met De eeuw van mijn vader. Voor diegene die bovenstaande biografie belachelijk beknopt vonden is in dit boek 523 pagina’s lang een uiterst treffende beschrijving te vinden van de familie van Mak en de eeuw waarin ze opgroeiden. Het boek koppelt de nationale en internationale geschiedenis aan de gebeurtenissen in de familie. Zo komt de geschiedenis letterlijk tot leven.

    Het tegendeel van deze roman zijn de twee boeken die Mak samen met René van Stipriaan samenstelden. Ooggetuigen van de vaderlandse geschiedenis en Ooggetuigen van de wereldgeschiedenis. Hierin spreekt niet Mak, maar voeren allerlei bekende en onbekende mensen die toevallig of minder toevallig ter plekke waren toen er een historische gebeurtenis plaatsvond het woord. Vaak is dit in de vorm van embedded media avant la lettre, zoals Xenophon bij de Grieken, maar vaak gaat het ook om unieke documenten. Zoals het verslag van de gezant van de kalief van Bagdad die in 922 ergens aan de Wolga getuige was van de traditionele begrafenis van een Vikinghoofdman, compleet met vuur, offers, sterke drank, maagden en het in stukken snijden van ossen, ezels, kippen en diezelfde maagden.

    In juli 2000 benoemde de UvA de schrijver tot hoogleraar op het terrein van grootstedelijke problematiek, de zogeheten Wibaut-leerstoel. De benoeming was voor een periode van vijf jaar, twee dagen per week. Mak heeft echter onlangs aangegeven dat hij zijn tijd wil steken in een nieuw boek. Waarschijnlijk is dat boek In Europa. Voor NRC-Handelsblad reisde Mak in 1999 een jaar lang door dit continent. Het leverde fantastische korte stukjes op de voorpagina van de krant op. Nadat Mak in 2000 in het maandblad M een afsluitend essay schreef over deze reis, is er weinig meer van dit project vernomen. Tot vorige week, toen in zijn geliefde Groene Amsterdammer (Mak schonk in 2002 de IJ-prijs en het daarbijbehorende geldbedrag aan de krant) een voorpublicatie verscheen van In Europa. Verwacht wordt dat dit boek eind 2003/ begin 2004 zal verschijnen.