• Margriet de Moor

    De Nederlandse schrijfster Margriet de Moor werd in 1941 te Noordwijk geboren als Margaretha Maria Antonetta Neefjes. Zijn groeide op in een kinderrijk katholiek gezin. De Moor bezocht de ulo en de hbs en studeerde daarna piano en solozang aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Aan het einde van de zeventiger jaren studeerde zij kunstgeschiedenis en archeologie aan de universiteit van Amsterdam.
    Na haar huwelijk met Heppe de Moor nam Margriet de achternaam van haar man aan.

    In 1988 debuteerde Margriet de Moor met de verhalenbundel Op de rug gezien. Deze bundel werd genomineerd voor de AKO-literatuurprijs en won het Gouden Ezelsoor.
    Dubbelportret (1989) bevat drie novellen en was goed voor de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs.

    De eerste roman van Margriet de Moor, Eerst grijs dan wit dan blauw, verscheen in 1991 en werd een jaar later bekroond met de AKO-literatuurprijs. Na de dood van haar man, Heppe de Moor, verhuisde Margriet de Moor met haar twee dochters naar Bussum. Tegenwoordig woont ze in Amsterdam. Haar boeken zijn in velen talen vertaald en gelezen.

    Bibliografie:
    Op de rug gezien (1988, verhalen)
    Dubbelportret (1989, verhalen)
    Eerst grijs dan wit dan blauw (1991, roman)
    De virtuoos (1993, roman)
    Ik droom dus (1995, verhalen) 
    Hertog van Egypte (1996, roman)

    Zee-Binnen (1999, roman)
    Kreutzersonate (2001, roman)

    meer informatie over Margriet de Moor

     

  • Andreas Burnier

    Andreas Burnier, pseudoniem van Catherina Irma Dessaur, werd op 3 juli 1931 geboren in Den Haag. Ze was van liberaal-Joodse afkomst. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest ze lange tijd onderduiken, gescheiden van haar ouders. Die periode drukte een belangrijk stempel op haar leven.

    Burnier studeerde geneeskunde en filosofie in Amsterdam, maar maakte haar studie niet af. In de jaren vijftig trouwde ze met de uitgever J.H. Zeylmans van Emmichoven. Het huwelijk duurde tien jaar. Na haar scheiding ging ze weer studeren in Leiden. Ze promoveerde op de grondslagen van de criminologie bij de Leidse professor Nagel. Van 1971 tot en met 1989 was ze hoogleraar criminologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.
    In 1965 debuteerde Burnier met Een tevreden lach, een roman over een openlijk lesbische vrouw. Homoseksualiteit bleef ook later een belangrijke rol spelen in haar werk. Andere bekende romans van haar hand zijn Het jongensuur, De huilende libertijn en De literaire salon. Daarnaast schreef ze gedichten, verhalen en essays. Burnier ontving tal van literaire prijzen. Ook in Duitsland was zij succesvol; een deel van haar werk is in het Duits vertaald.

    Met haar strijdbare stellingname in maatschappelijke debatten over euthanasie, feminisme en homoseksualiteit oogstte ze zowel bewondering als kritiek.

    Andreas Burnier overleed in september 2002 aan een hersenbloeding in haar woonhuis te Amsterdam.

    Biografie(ën)
    G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse, De Nederlandse en Vlaamse auteurs. (1985)

    Werken
    Een tevreden lach (1965)
    De verschrikkingen van het noorden (1967)

    Het jongensuur (1969)
    De huilende libertijn (1970)
    Poëzie, jongens en het gezelschap van geleerde vrouwen (1974)
    De reis naar Kithira (1976)
    De zwembadmentaliteit (1979)
    Na de laatste keer (1981)
    De litteraire salon (1983)
    Essays 1968-1985 (1985)
    De trein naar Tarascon (1986)
    Gesprekken in de nacht (1987)
    Mystiek en magie in de litteratuur (1988)
    De achtste scheppingsdag (1990)
    Een wereld van verschil (1994)
    Gustav Meyrink, bewoner van twee werelden (1996)
    Manoeuvres (1996)
    De wereld is van glas (1997)
    Joods lezen (1997)

     

    Secundaire literatuur
    Lidy van Marissing, ‘Andreas Burnier | Schrijven om in leven te blijven’ In: 28 interviews (1971)
    Willem M. Roggeman, ‘Andreas Burnier’ In: Beroepsgeheim 2 (1977)
    Patrick De Rynck en Andries Welkenhuysen, De Oudheid in het Nederlands (1992)

     

     

  • Atte Jongstra

    Atte Jongstra werd geboren op 13 augustus 1956 in het Friese Terwispel, waar hij opgroeide terwijl zijn vader hoofd was van de Openbare Lagere School. Na zijn atheneumopleiding in Drachten, ging hij naar Amsterdam om aldaar aan het Instituut voor Neerlandistiek te gaan studeren. Dit duurde acht jaar.Tijdens zijn studie verdiepte hij zich naast Nederlands ook in de negentiende eeuw en heeft hij wegens een voorliefde voor Strindberg ook bijvakken in de Zweedse taal ? en letterkunde gedaan. Het schrijven kwam snel na de studie: ‘Ik kwam ? via de Echo en het Amsterdams Stadsblad ? als redacteur terecht bij het Boekbindblad, een vakblad voor boekbinders. Ik kwam toen op een passage over het binden van boeken in mensenhuid. Bij misdadigers die vroeger werden opgehangen of onthoofd, werd soms de geschiedenis van zijn misdaad in zijn eigen gelooide huid geschreven. Daar wilde ik over schrijven, maar zij zeiden dat ik dat niet kon doen, omdat veel abonnees en betrokkenen familie uit de kampen hadden. Het zou teveel shockeren omdat het bekend was dat de Nazi’s lampenkappen van hun slachtoffers maakten. Ik heb toen maar een verhaal geschreven over de problematiek van het schrijven over het schrijven op gelooide mensenhuid ? terwijl ik natuurlijk het verhaal over het schrijven als mensenhuid gewoon vertelde. Men was hier enthousiast over, ik kreeg een debuutprijs en ik was ineens schrijver; vroeger schreef ik wel eens verhaaltjes, maar daar heb ik niet veel mee gedaan.’

    Toch verschijnt in 1985 zijn eerste publicatie in boekvorm. Ter gelegenheid van het 75 ? jarig jubileum van het Multatuli-Genootschap stelt hij een anthologie samen onder de titel: De multatulianen. 125 jaar Multatuli-verering en Multatuli-hulde. Vier jaar later verschijnt de eerder genoemde verhalenbundel De psychologie van de zwavel. En die literair prijs is de Geertjan Lubberhuizenprijs. Ook wordt dit debuut genomineerd voor de AKO-literatuurprijs. Nadien volgen nog vele titels, o.a. Cicerone (1992), Het huis M.: Memoires van een spreker (1993) en Disgenoten (1998). De romans passen in het 26-delige ‘modern geheugenlexicon’ waaraan de schrijver werkt. Naast prozaschrijver is Jongstra ook dichter, criticus en essayist. Voor zijn essaybundel Familieportret uit 1996 wordt hij bekroond met de J. Greshoffprijs.

    Atte Jongstra publiceert in diverse bladen (Het Parool, NRC Handelsblad, de Volkskrant, Vrij Nederland) en literaire tijdschriften (Bzzlletin, Dietsche Warande & Belfort, De Gids, Maatstaf), was redacteur van het literaire tijdschrift Optima, schreef jarenlang de rubriek ‘Afgeprijsd’ voor de Republiek der Letteren van Vrij Nederland, en tot voor kort wekelijks de bekende rubriek ‘Onderkast’ voor NRC Handelsblad, die gebundeld zijn in het boek De tak van Salzburg

    In de hoofdstad ? nog steeds zijn huidige woonplaats ? gaat Jongstra zich ook nog steeds te buiten aan zijn geliefde bezigheden: het snuffelen in tweedehandsboekenzaken, bibliotheken, archieven en letterengenootschappen. Behalve onder eigen naam publiceert Jongstra onder diverse pseudoniemen: Arno Breekveld, Agna Eygenraam, Maria Reinhoudt, Ds H.M. van Terwispel, J. Voordewind, Arno II van Brechelhain. En schrik niet als u ergens een overlijdensbericht van de schrijver aantreft: het betreft slechts een reclamestunt voor zijn nieuwe boek De tegenhanger, waarin hij zelf de fictieve hoofdrol speelt. 

    een tweetal gedichten van Jongstra: http://www.typ.nl/TYP03/art_and_power/jongstra/jongstra00.html

    column over de overeenkomst tussen Immanuel Kant en een biljartbal: http://www.denieuwe.nl/column/artikelen/AtteJongstra1.html

    interview door filosofie-studentenblad Cimedart: http://cf.hum.uva.nl/cimedart/archief/jongstra.txt

  • Mark Boog

    Wie hij is, wat hij gedaan heeft en wat hij doet, maakt Mark Boog zelf kort duidelijk op zijn eigen website:

    – werd in 1970 en in Utrecht geboren
    – is dichter en schrijver
    – gebruikt deze bladzijden als archief, proeftuin en vergeethoek
    – publiceerde in 2000 de dichtbundel Alsof er iets gebeurt bij uitgeverij Meulenhoff
    – ontving in 2001 voor Alsof er iets gebeurt de C. Buddingh’-prijs
    – deed in 2001 bij Meulenhoff de roman De vuistslag verschijnen
    – publiceerde in november 2002 bij uitgeverij Cossee de dichtbundel Zo helder zagen we het zelden
    – en tegelijkertijd, ook bij Cossee, de roman De warmte van het zelfbedrog
    – publiceerde verder gedichten in literaire tijdschriften, de meeste in De Gids en Hollands Maandblad
    – groet u

    Intussen kan aan dit kleine bi(bli)ografische overzicht ten minste één titel worden toegevoegd: Boogs nieuwste dichtbundel Luid overigens de noodklok, wederom uitgegeven door Cossee. Of deze bundel nu gisteren verscheen of morgen verschijnen zal, heb ik helaas niet kunnen achterhalen; bekend is al wel dat het ISBN-nummer ‘9059360338’ luidt en dat de bol.com prijs € 15,90 bedraagt. Luid overigens de noodklok is Boogs derde bundel sinds zijn debuut in 2000, waarover in het inmiddels opgeheven poëzietijdschrift Zanzibar werd geschreven:

    ‘Bijzonder secuur dagboek in gedichten, van een krachteloos, huisgebonden, verstikkend en fonkelend samenleven tot de avond of de ochtend erop volgt. Boog lijkt (…) de studie van ledigheid en zinloosheid tot weloverwogen levensdoel te hebben verheven, in een “streven naar een verlegen niets / dat breekbaar is als schoonheid”. Bijna ieder gedicht laat dezelfde tedere conclusie toe: “Deze dag had beter gebruikt kunnen worden. Glimlach”.’

    Ledigheid, zinloosheid en het streven naar niets bepalen ook in grote mate de inhoud van Boogs tweede bundel. Het zou voor sommigen daarom wat saai kunnen worden in huize Boog, maar het is blijkbaar de atmosfeer waarin de dichter zich (het liefst?) ophoudt. En waarin hij tot regels weet te komen die al het alledaagse, lege of middelmatige zowel vastleggen als overstijgen.  (Hiervan voorbeelden te over op de al genoemde website.) Juist om te zien hoe Boog zich in dat opzicht verder zal ontwikkelen, zullen velen met mij erg benieuwd zijn naar Luid overigens de noodklok.


    Poëzie:

    Luid overigens de noodklok (Cossee, 2003)
    Zo helder zagen we het zelden (Cossee, 2002)
    Alsof er iets gebeurt (Meulenhoff, 2000)

    Proza:
    De warmte van het zelfbedrog (Cossee, 2002)
    De vuistslag (Meulenhoff, 2001)


    Bespreking door Tsead Bruinja van Alsof er iets gebeurt:

    http://members.home.nl/poezierecensies/recensies/alsoferietsgebeurt.html

    Gesprek van Remco Ekkers met Mark Boog na het verschijnen van De vuistslag:
    http://www.poeziecentrum.be/pkrant/pk2602/inhoud02.htm

    Bespreking door Edwin Fagel van Zo helder zagen we het zelden:
    http://home.wanadoo.nl/ewouw/mark_boog.htm

    Bespreking door Ricco van Nierop van De warmte van het zelfbedrog:
    http://home.wanadoo.nl/ewouw/boog_mark.htm

    Website van Mark Boog:
    http://www.markboog.nl/

    Website met bewegend werk van Mark Boog, door ontwerper John van der Wens:
    http://www.poetryinmotion.nl/

    Thomas Mohlmann

  • Ed Hoornik

    Op 9 maart 1910 werd Ed Hoornik geboren in Den Haag. Op 1 maart 1970 overleed hij. Over het algemeen wordt Hoornik geschaard onder de zogenaamde Amsterdamse School, samen met Jac. van Hattum en Gerard den Brabander. Hij is vooral bekend door zijn wat langere, cyclische gedichten. Uit deze gedichten spreekt een beleving van een leven waarin alle gangbare onderscheidingen als dood-leven, verbeelder-verbeelde en slachtoffer-beul hun waarde hebben verloren.

    Voor de oorlog was Hoornik redacteur van de tijdschriften Werk (1939) en Criterium (1940-1942). In 1936 debuteerde hij met de dichtbundel Het Keerpunt. Tot 1942 was hij verbonden aan het Algemeen Handelsblad. In hetzelfde jaar werd hij, omdat hij mogelijk betrokken was bij illegale activiteiten, gevangen genomen door de Duitse bezetters en werd naar de concentratiekampen van Buchenwald en Dachau overgebracht. Hij bracht er drie jaar door. Na de oorlog ging het doodsmotief een prominente rol spelen in zijn werk

    Na de oorlog was hij onder andere redacteur van Vrij Nederland, Delta en De Gids. Buiten dichtwerk schreef Hoornik eveneens een aantal essays over andere dichters (onder wie Jan Greshoff) over de poëzie (Over en weer) en vier toneelstukken. In 1968 maakte hij zijn romandebuut met De Overlevende.

    Ed Hoornik was getrouwd met Mies Bouhuys, schrijfster van (kinder)boeken, toneel en gedichten. Het huwelijk van zijn dochter Eva (die net als haar vader schrijft), maakte hem de schoonvader van Bernlef. Tevens was hij de schoonvader van K. Schippers.


    Primaire bibliografie

    Drie op één perron (1938), met G. den Brabander en Jac. van Hattum
    J. Greshoff, dichter en moralist (1939)
    Een liefde (1941)
    Doodenherdenking in Dachau (1945)
    Verzamelde gedichten (1950)
    De man in de stad (1952)
    Momentopnamen (1954)
    Na jaren (1955)
    Achter de bergen (1955)
    De zeewolf (1955)
    Kaïns geslacht (1955)
    Het water (1959)
    De dubbelganger (1962)
    Over en weer (1962)

    Secundaire Literatuur:

    J. Starink, in Handel, Ned. Filologencongres (1964); S. Vestdijk, in Muiterij tegen het etmaal (19662); M.J.G. de Jong, in Twintig poëziekritieken (1967); Idem, in Van Bilderdijk tot Lucebert (1967); F. Auwera, in Schrijven of schieten (1969); M.J.G. de Jong, in Flierefluiters apostel (1970); Ed Hoornik-nummer van De Gids, 133 (1970); A. den Besten, in Dichten als daad (1973); Ed Hoornik. Schrijversprentenboek, 17 (1973); C.J.E. Dinaux, in Herzien bestek (1974); W. Ramaker, `Reis naar Dachau’, in Literama, 10 (1975-1976).

    AmvdP

    Bron: www.dbnl.nl
     

     

  • Tom Lanoye

    Hij was natuurlijk niet de eerste performancedichter in het Nederlands taalgebied, maar stond wel aan de wieg van de geboorte van een nieuwe generatie voordrachtskunstenaars: de Vlaamse schrijver Tom Lanoye. Behalve zijn manier van voordragen waren ook zijn brillen behoorlijke blikvangers.

    De in 1958 geboren Lanoye bleek nog meer dan een begenadigd performer een begaafd romancier te zijn. Uiteindelijk zou zijn poëzieproductie beperkt blijven tot vier bundels.
    In eerste instantie schreef hij vrij autobiografisch getinte boeken, waaronder Een slagerszoon met een brilletje en Kartonnen dozen. Met name het laatste boek toonde aan dat Lanoye een grote sensibiliteit aan de dag weet te leggen en met een ragfijne stijl een wereld aan gevoelens op kan roepen. Hij schrijft meer dan andere Nederlandstalige schrijvers, maar net als veel van zijn landgenoten, secuur en bloemrijk Nederlands, stilistisch is hij een klasse apart.

    Lanoye bestendigde zijn literaire reputatie met de alomgeprezen ‘Monstertrilogie’, waarin opgenomen de romans Het goddelijke monster, Zwarte tranen en Boze tongen. Met dit laatste boek won hij dit jaar zowel de Gouden Uil jury- als de publieksprijs. Lanoye legt in deze trilogie op schrijnende wijze het België van na de affaire Dutrouw bloot. De schandalen, de corruptie etc. hangt hij op aan de kapstok van de rijke en machtige familie Deschryver. Hij laat zijn vaderland op genadeloze wijze met de billen bloot gaan en dat alles in een stijl die zowel scherp als zwoel is.

    Naast romancier en dichter profileert Lanoye zich tevens als toneelschrijver. Zijn bewerking van Shakespeares koningsdrama, Ten oorlog genaamd, is wellicht zijn bekendste werk. Daarnaast heeft hij werk van Euripides bewerkt en oorspronkelijke stukken geschreven.

    Hoewel hij op poëtisch gebied al lange tijd niks meer van zich had laten horen, revancheerde hij zich dit jaar indrukwekkend met het prachtig vormgegeven Niemands Land, een bewerking van de zogenaamde War Poets, dichters die schreven over de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog.

    Humor is een in het oog lopend stijlkenmerk bij Lanoye, maar hij gebruikt dit minder hardhandig dan zijn landgenoot Herman Brusselmans. Lanoye integreert de humor meer als tragi-komisch instrument in zijn verhalen. Langzaam maar zeker laat hij zich gelden als een van de grotere schrijvers van dit moment.

    Werk van Tom Lanoye:

    Poëzie:
    In de piste (’84)
    Bagger (’84)
    Hanestaart (’90)
    Niemands Land (’02)

    Proza:
    Een slagerszoon met een brilletje (’85)
    Alles moet weg (’88)
    Kartonnen dozen (’91)
    Spek en bonen (’94)
    Het goddelijke monster (’97)
    Zwarte tranen (’99)
    Boze tongen (’02)
    Kritieken:
    Het cirkus van de slechte smaak (’86)
    Vroeger was ik beter (’89)
    Doén! (’92)
    Maten en gewichten (’94)
    Gespleten & bescheten (’89)
    Tekst & uitleg/Woorden met vleugels (’01)

    Toneel:
    De Canadese muur (’89) (met H. Brusselmans)
    Komieken (naar Comedians van T. Griffiths) (’91)
    De schoonheid van een total loss (bundelt 3 stukken: Blankenberge/Bij Jules en Alice/Celibaat (’93)
    Onweer in de tropen (’94)
    Ten oorlog (naar The Wars of the Roses van Shakespeare) (’97)
    Mamma Medea (naar Euripides en Apollonios van Rhodos) (’01)

    Cd: The very best of the artist formerly known as a young man (’99)

    Video: Gespleten en bescheten (’98)

    Secundair:
    Naamloze vennootschap L.A.N.O.Y.E., diverse essays over de auteur en zijn werk(wijze), samengesteld door journalist Bart Vanegeren (’98)

    Gebruikte bronnen: www.lanoye.be.

    DdH

  • Cola Debrot

    Cola Debrot (1902-1981) werd geboren als Nicolaas Debrot op het Antilliaanse eiland Bonaire in 1902. In 1904 verhuisde het gezin naar Curaçao. Op zijn veertiende kwam Debrot naar Nederland. Hij studeerde rechten en medicijnen in Utrecht en Amsterdam en werkte als arts, eerst in Amsterdam, later op Curaçao.

    Cola Debrot reisde veel. In Parijs leerde hij de Amerikaanse danseres Estelle Reed kennen. Na het huwelijk woonde het echtpaar tot 1935 afwisselend in Amerika en Europa.
    Na de Tweede Wereldoorlog begon Debrot aan een politieke loopbaan, die uitmondde in zijn functie van gouverneur van de Nederlandse Antillen van 1962 tot 1970. Cola Debrot schreef, behalve zijn literaire werk, ook veel artikelen voor kranten en tijdschriften over de Antilliaanse cultuur en literatuur. De laatste jaren van zijn leven bracht Debrot door in het Rosa Spierhuis in Laren, een huis voor bejaarde kunstenaars en wetenschappers. Hij overleed in 1981.

    Debrot debuteerde in 1935 met de novelle Mijn zuster de negerin. Het verhaal, waarin de tegenstelling tussen blank en zwart centraal staat, werd in 1980 verfilmd. Het oeuvre van Cola Debrot is niet erg omvangrijk. Eén grote roman heeft hij op zijn naam staan, Bewolkt bestaan uit 1948. Het is een complex en veelomvattend boek. De roman laat op het eerste gezicht een verwarrende indruk achter, omdat er hallucinaties en dagboekervaringen door het verhaal heen zijn geweven. De chronologie wordt pas na meerdere keren lezen duidelijk. Bewolkt bestaan beschrijft de problematiek van de Caribische mengcultuur en de zoektocht naar eenheid daarin..

    Naast gedichten en verhalen schreef Debrot romans, essays en toneelteksten.

    Bibiliografie

    1935 Mijn zuster de negerin novelle
    1945 Bekentenis in Toledo gedichten
    1945 Navrante zomer gedichten
    1946 Bid voor Camille Willocq novelle
    1948 Bewolkt bestaan roman
    1952 De Afwezigen gedichten
    1963 Dagboekbladen uit Genève
    1976 Tussen de grijze lijnen gedichten

    bronnen:
    http://www.ongebonden.nl/auteur/debrot/mainw.html
    http://www.absofacts.com/literatuur/data/debrotcola.shtml

  • Karel van het Reve

    Wij schrijven het jaar onzes Heren
    2000, maar moeten veel leren:
    De meerderheid
    Verbeuzelt zijn tijd
    Met vruchteloos redeneren. 

    ‘Nét niet gehaald! Godverdomme, Karel, en dat in een tijd van oprukkend obscurantisme, waarin wij jouw scepsis en verstand beter dan ooit hadden kunnen gebruiken!’, aldus Martin van Amerongen in De Groene Amsterdammer van 6 oktober 1999, ruim een half jaar na het overlijden van Van het Reve.

    Karel van het Reve werd geboren op 19 mei 1921 in Amsterdam en is de zoon van de communistische journalist en schrijver Gerardus Johannes Marinus van het Reve (1892-1975) en Janetta Jacoba Doornbusch (1892-1959) en de oudere broer van Gerard Reve. Hij werd vernoemd naar Karl Liebknecht (en die op zijn beurt weer naar Karl Marx). Hij ging naar het Vossiusgymnasium in Amsterdam en was ‘pionier’, wat betekende dat je lid was van een communistische jeugdbeweging. Na de voltooiing van het gymnasium gaat Karel in 1939 sociografie studeren. Dit blijkt al snel niets voor hem te zijn en hij gaat dan ‘wilde colleges’ volgen bij diverse professoren. Tijdens de oorlog gaan deze (illegale) colleges gewoon door en tijdens een van zijn omzwervingen komt van het Reve bij Bruno Becker terecht, die Slavistiek doceert. Hij besluit om Slavische talen in Amsterdam te studeren. 

    Van het Reve was een zorgvuldig en slim stilist, maar – anders dan zijn broer Gerard ? geen  kunstenaar, ook al kondigde De Volkskrant in augustus 2001 de kersverse herdruk-in-één-band aan van Karel van het Reves twee romans, Twee minuten stilte en Nacht op de kale berg. Van het Reve heeft na deze vroege werken (1959 en 1961) inderdaad geen literatuur meer geschreven, maar wel non-fictie ? met name essayistisch werk over leven en literatuur aan gene zijde van het IJzeren Gordijn. Maar eigenlijk kon hij over zowat ieder onderwerp zijn heldere licht laten schijnen. Zijn heftige tegenreactie op zijn streng-communistische opvoeding (lees Het geloof der kameraden, 1969) heeft hem niet in de armen gedreven van een andere ideologie of geloof, integendeel. Hij is altijd wars geweest van ‘onzin’ en mocht daar graag een essay of column tegen in het geweer brengen. Liefst met humor, zoals in Achteraf (1999). ‘Als Igor Cornellissen en ik met elkaar telefoneren ? dat gebeurt een keer of drie per jaar ? dan roep ik soms “vuile trotskist!” tegen hem, en dan roept hij uit Zwolle terug “smerige stalinist!” Dat komt zo: Igor hoorde vroeger bij Trotski’s “Vierde Internationale”, terwijl ik een telg ben uit een vroom communistisch gezin. Igor geloofde in Lenin en Trotski, ik geloofde in Lenin en Stalin. Allebei geloofden we in Marx en Engels. Allebei zijn we van ons geloof gevallen, ik eerder, hij later. Maar door de telefoon gebruiken we nog graag oude woorden, zoals “vijand van het internationale wereldproletariaat” of “handlanger van het fascisme”.’ 

    Karel promoveerde in 1954 op Goed en schoon in de sowjetcritiek, verbleef in 1967-1968 in Moskou als correspondent van Het Parool en begreep al vrij snel dat het ‘geloof der kameraden’ niet zijn geloof was. De verschrikkingen van het stalinisme hebben Van het Reve echter niet afgebracht van zijn liefde voor de Russische literatuur. Van 1957 tot 1983 was hij hoogleraar Slavische letterkunde in Leiden. Zijn vertaalwerk (onder andere veel Toergenjev) werd bekroond met de Martinus Nijhoffprijs en een flink deel van zijn bibliografie is gewijd aan de Russische literatuur. Neem bijvoorbeeld Rusland voor beginners of Geschiedenis van de Russische literatuur ? niet het enige in Nederland verschenen overzicht in zijn soort, maar wel vérreweg het best geschreven en aangenaamst leesbare. Niet voor niets wordt Van het Reve door velen beschouwd als Nederlands beste non-fictieschrijver. Het feit dat hem in 1981 de P.C. Hooftprijs is toegekend voor zijn gehele oeuvre is wel een indicatie van de kwaliteit van zijn werk ? literair of niet. In 1970 kreeg hij de Lucas Ooms-prijs voor journalistieke werk, dat ook onlosmakelijk verbonden was met het hoofdthema in zijn werk: Rusland. Verder wist hij de gehele literatuurwetenschap tegen zich te krijgen door zijn Huizinga-lezing ‘Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid’, dat opgenomen is in Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes uit 1979 en in kernachtige vorm zijn weerslag vindt in de onverwoestbare inleiding bij de Geschiedenis van de Russische literatuur.

    Karel van het Reve leed de laatste jaren aan de ziekte van Parkinson en aan dementie en stierf op 4 maart 1999. Op het eind van de bundel Luisteraars! schreef hij: ‘Koningin Beatrix regeert ons met milde, doch vaste hand. Omdat ik zo lang voor de Wereldomroep gewerkt heb, heeft zij mij een paar dagen geleden benoemd tot ridder in de orde van de Nederlandse leeuw. Dank u. De ridderorde zit in een doosje, met een papiertje erbij waarop gedrukt staat dat ik deze versierselen aan de Nederlandse staat terug moet geven als ik dood ben. Ik hoop maar dat ik dat niet vergeet. Vaarwel. Het ga u goed, waar ook ter wereld.’ 

    Onlangs werd bekend dat het Het Constantijn Huygens Instituut (CHI) geen wetenschappelijke editie van het volledige werk van Karel van het Reve zal financieren. Moge de woorden van van Amerongen hen nog lang najagen.

  • Multatuli

    Over leven en werken van de grote negentiende eeuwse schrijver Multatuli (Eduard Douwes Dekker; 1820-1887) raakt men terecht niet uitgeschreven. In september 2002 voegde neerlandicus Dik van der Meulen een belangrijk boek aan de bestaande Multatuli-literatuur toe. Diens Multatuli. Leven en werk van Eduard Douwes Dekker 1820-1887 geldt als de eerste complete biografie, onder meer omdat Van der Meulen als eerste biograaf over Multatuli’s Volledige Werken kon beschikken.

    Onlangs werd bekendgemaakt dat de nieuwe biografie, die al veel besproken en verkocht werd, een van de zes genomineerde boeken voor de AKO-literatuurprijs 2003 is. ‘De belangstelling voor het leven van Neêrlands meest omstreden schrijver is blijkbaar nog steeds groot,’ schrijft men dan ook op de schitterende website van het Multatuli Museum, om te vervolgen: ‘Van der Meulen was vooralsnog de laatste biograaf in een lange rij van geleerden (bijv. Julius Pée), journalisten (bijv. J. de Gruyter, J. Saks), schrijvers (bijv. Du Perron, Hermans) en dilettanten (bijv. Spohr, Meerkerk) die een poging deden Multatuli’s leven en werk in een artikel of boek samen te vatten.’

    Tot maart 2004 huisvest het Multatuli Museum te Amsterdam de tentoonstelling “…laat de biografen me maar met rust laten. Men weet zeer weinig van me.” Multatuli’s biografen. Deze tentoonstellingstitel ter harte nemend, verwijs ik u voor meer informatie over de schepper van niet alleen de Max Havelaar, maar onder meer ook de Minnebrieven, Millioenenstudieën en zeven bundels Ideeën door naar de bovengenoemde website:

    www.multatuli-museum.nl

  • Hans Tentije

    Oh, als ik iets af heb ben ik altijd diep tevreden. Als het echt goed is, goed in elkaar zit, hecht dichtgetimmerd is, ja, dan ben ik tevreden en kort daarna lees ik het nog heel vaak door. Later zie ik het niet zo vaak meer. Maar ik denk nóóit: dit onthult mijn hele kijk op het leven. Het is nooit meer dan een aspect ervan. 

    Bovenstaand citaat komt uit de mond van Hans Tentije, niet de bekendste dichter van Nederland, maar enkele van zijn bundels zijn inmiddels al moderne klassiekers geworden. Het werk van Tentije wordt voornamelijk gekenmerkt door een sterk beeldend en anekdotisch karakter.

    Hans Tentije wordt op 23 december 1944 geboren te Beverwijk onder de naam Johann Krämer. Hij groeit op in Wijk aan Zee en leest al vroeg poëzie van Slauerhoff, Achterberg en de Vijftigers. Na zijn opleiding wordt hij leraar Nederlands en richt zich op een schrijverscarrière.

    Aanvankelijk lijkt het erop of Tentije een prozaïst wordt: in 1970 publiceert hij enkele romanfragmenten in De Gids. Vijf jaar later echter, als de roman voltooid is, geeft Tentije aan dat deze zo experimenteel is van karakter dat hij de enige is die hem kan lezen. De roman blijft dan ook ongepubliceerd.

    In 1975 debuteert Tentije met de poëziebundel Alles is er en andere gedichten. De bundel is sterk anekdotisch en beeldend van karakter en getuigt van een sterke politieke betrokkenheid. Alles is er en andere gedichten wordt zeer goed ontvangen en wordt bekroond met zowel de Van der Hoogtprijs als de Herman Gorterprijs.

    De tweede bundel van Tentije, Wat ze zei en andere gedichten (1978), was lyrischer en minder vertellend en beschrijvend. Als hoofdthema van deze bundel kan herinneren en het voorbijgaan van de tijd genoemd worden. Ook deze bundel werd goed ontvangen in de pers.

    De volgende bundels echter, waaronder Nachtwit (1982) en Schemeringen (1987) worden een stuk minder goed ontvangen. De humoristische ondertoon van de vorige bundels maakt plaats voor een meer melancholische inslag. Tentije stelt zich als dichter afstandelijker op: als commentator en beschouwer.

    In 1990 debuteert hij toch nog als prozaïst met zijn roman De innerlijke bioscoop. De bundel krijgt enkele positieve besprekingen, maar wordt verder weinig opgemerkt. Tentije blijft toch hoofdzakelijk een dichter. In 1994 verscheen er, buiten de bloemlezing Drenkplaatsen: gedichten 1975-1987, ook de bundel Van liefde en sterfte. Rogi Wieg in Het Parool over Van liefde en sterfte: ‘Dit is poëzie. Poëzie van de hoogste orde: transparant, raadselachtig, teder, formeel uitzonderlijk, ingenieus gecomponeerd en muzikaal.’

    In de voorlaatste bundel van Tentije, Verloren speelgoed (2001), keert het verhalende, epische karakter van zijn gedichten weer terug, wat ook in zijn meest recente bundel Wat het licht doet (2003) het geval is. Piet Gerbrandy op 28 februari 2003 in De Volkskrant:

    Als er één Nederlandstalige dichter is die in staat zou zijn een episch gedicht van grote omvang te schrijven, is het Tentije. Als weinig anderen verstaat hij de kunst een verhaal te vertellen dat raadselachtig blijft zonder vaag te zijn, in een taal met diepgang die toch niet te veel van de concentratie van de lezer vraagt. De poëzie van Tentije is niet moeilijk, maar ook verre van oppervlakkig. Zijn gedichten stromen kalm voort als de rivieren die hem inspireren.

     

    Het werk van Hans Tentije wordt uitgegeven bij De Harmonie.
    Bronnen: http://www.boekenwereld.com/ & http://www.volkskrant.nl/

     

  • H.J.A. Hofland

    Bomaanslag op een VN-gebouw? Problemen binnen de Britse regering? Een nieuw Vietnam in Irak? Wie de toestand in de wereld te verwarrend vindt kan altijd te rade gaan bij de inmiddels 76-jarige H.J.A. Hofland, de Grote Samenvatter. Niet vaak op een oorspronkelijke gedachte te betrappen, wel immer nuchter, analytisch en objectief. Of, zoals Sjoerd de Jong het stelt in de inleiding van Hoflands overzichtswerk Op zoek naar de pool: ‘H.J.A. Hofland kan kijken als weinig anderen. Niet in de comsumentistische zin van lodderig onderuit hangen, zoals bij televisiekijken, of de kapitalistische van hebberig naar voren leunen, zoals je naar etalages kijkt, en ook niet, hoewel dat enigszins in de buurt komt, van aristocratisch naar achteren buigen, zoals bij het kijken naar kunst. Het lijkt meer op het uitgebalanceerde en geconcentreerde scherpstellen van een fotograaf, een microbioloog, of een antropoloog in het veld.’ 

    Hendrik Johannes Adrianus Hofland, journalist, essayist en romancier, werd in 1927 te Rotterdam geboren. Hoewel zijn autobiografische credo sinds lange tijd luidt: ‘Wenst geen biografische gegevens te verstrekken’ zijn hier en daar een aantal aardige biografische schetsen over hem te vinden. Als schrijver is hij een veelvraat. Naast ‘grote’ onderwerpen als kunst, politiek en wetenschap schrijft hij ? onder het pseudoniem S. Montag ? ook graag over de ‘fenomenologie van het alledaagse leven’, over het afwassen en de functie van het afdruiprekje, over honden en hondenpoep of over de beste manier om een speelgoedbootje in elkaar te zetten (Rederij Hofland). In dat laatste is hij zeer zeker oorspronkelijk.   

    Hij groeide op in een ‘intellectueel milieu’. Zelf zegt hij dat zijn ouders eigenlijk nooit echt in hem geïnteresseerd waren, maar dat hij dit positief heeft ervaren. Hij vond het juist prettig dat zijn ouders hem met rust lieten en heeft louter goede herinneringen aan zijn jeugd. Merkwaardig genoeg denkt hij aan die oorlogsjaren met de meeste weemoed terug. Door de extreme omstandigheden verdween de discipline uit het dagelijks leven. De tiener Hofland ervaarde dit als een spannende vorm van anarchie. Vlak na de oorlog studeerde hij op Nijenrode en tevens politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1948 ging hij in militaire dienst en in 1953 belandde hij bij het Algemeen Handelsblad. Hij zou het bij deze krant tot hoofdredacteur schoppen.

    Behalve een literaire prijs voor zijn romans (Nacht over Alicante, De alibicentrale: een sprookje voor bedriegers) heeft Hofland voor zijn journalistieke bijdragen zo’n beetje alle eerbewijzen gekregen die bij iemand van zijn statuur passen. In 1992 kreeg hij de ‘Audax columnistenprijs’, in 1996 ontving hij van de uitgeversbond KNUB de ‘Gouden Ganzenveer’ en in 1999 werd hij door zijn collega’s uitgeroepen tot ‘De journalist van de eeuw’ ?  de ‘Johan Cruijff onder zijn vakgenoten’. Begin 2001 ontving hij het eredoctoraat van de Universiteit van Maastricht, vanwege het feit dat hij op ‘exemplarische wijze’ gestalte heeft gegeven aan ‘het ideaal van een heldere, kritische reflectie op maatschappij, wetenschap en kunst’. 

    Radio- interview met Martin Simek: interview.

    Biografische schets van generatiegenoot Martin van Amerongen: schets.

    Volledige biografie

  • Christine Otten

    Christine Otten is geboren op 13 november 1961 in Deventer. Al haar grootouders kwamen daar vandaan. Arbeiders waren het, al had haar grootvader van moeders kant, Gradus Kleintje, een poosje een eigen kroeg in het Middeleeuwse bergkwartier in het centrum van de stad. Haar grootmoeder, overtuigd anarchiste en geheelonthoudster, trouwde zo het café in. Otten heeft altijd een sterke band met deze mensen gevoeld. Haar grootvader was een worstelaar en acrobaat in zijn vrije tijd en trad soms op op de Deventer kermis. Haar grootmoeder speelde viool en trad in de buurt op om geld op te halen voor dienstweigeraars. Het waren rebelse en onconventionele mensen. In de oorlog overviel haar opa, samen met anderen, voedseldepots. Zijn dochter, Christine’s moeder, werkte in een elastiekfabriek, maar in haar vrije tijd speelde ze toneel en was daar tamelijk succesvol in. Ze gaf haar acteerambities op toen ze kinderen kreeg.

    Christine’s vader had een grote liefde voor taal en literatuur. Hij was boekhouder, maar werd vrij jong ziek. Hij leed aan angsten en depressies en dat had een grote invloed op het gezin.
    Christines jeugd was doortrokken van muziek. Wanneer haar vader redelijk goed te spreken was, draaide hij operetteplaten – die ze vreselijk vond. Maar haar broer bracht haar in contact met ongeveer ieder genre muziek: van hardrock, tot symfonische rock en blues, country and western en punk en underground. Dat laatste genre zou een rode draad in haar latere leven worden. De muziek van de Velvet Underground (met Lou Reed en John Cale) drukte een belangrijk stempel op haar leven. Niet alleen de muziek, maar de hele levensstijl die erbij hoorde: een onaangepaste houding, druggebruik en recalcitrantie. In het eerste verhaal van Engel heeft Christine dat ook beschreven.

    Op haar achttiende verhuisde Christine naar Utrecht, waar ze geschiedenis ging studeren. Al snel ontdekte ze dat ze wilde schrijven en twee jaar later ging ze naar de School voor Journalistiek. Ze werkte als journalist voor de Groene Amsterdammer en voor Vrij Nederland. Na een paar jaar op topniveau gewerkt te hebben (ze schreef over politiek, economie), interviewde ze Pete Townsend van The Who in Londen en ging mee op interview met ministers, stortte Christine geheel in. Ze was vijfentwintig.

    ‘Ik was burnout. Een geluk, zeg ik nu. Omdat ik in de periode die volgde goed kon bedenken wat ik werkelijk wilde, wat mij dreef. Ik was ziek geworden van dat gejaag op nieuws. Schrijven wilde ik, mooi schrijven, verhalen. Kon mij die actualiteit wat schelen. Maar dat kan natuurlijk niet als je journalist bent. Pas veel later, toen ik voor het Cultureel Supplement van NRC-Handelsblad over muziek ging schrijven, en artiesten als Nick Cave, John Cale, The Last Poets, The Anonymous Mis van Postmen mocht interviewen, ervaarde ik dat journalistiek en literatuur niet elkaars vijanden hoeven te zijn’.

    Ze begon voorzichtig proza te schrijven. Het was eind jaren tachtig, begin jaren negentig. Het zou nog vijf jaar duren voor haar debuut Blauw Metaal uitkwam. In de tussentijd zette ze samen met Aukje Holtrop het jongerenweekblad Primeur op. In 1998 verscheen Lente van Glas, een roman over en jonge vrouw die een obsessieve belangstelling voor muziek heeft. Muziek is, naast literatuur en poëzie, Christines grootste inspiratiebron. ‘Ik heb altijd een soort onmacht gevoeld tegenover mijn eigen liefde voor muziek. Dat komt door de sterke emoties en associaties die muziek teweeg kan brengen; op de een of andere manier zou ik dat effect met mijn werk willen bewerkstelligen, op een literaire manier.’ Daarover gaat onder andere de verhalen in haar bundel Engel en andere muziekverhalen (2000)

    Momenteel werkt Christine Otten aan een roman over de legendarische Afro-Amerikaanse dichters/ rappers The Last Poets. Een literaire kroniek gebaseerd op hun turbulente levens en op hun gedichten en muziek. Overigens liet Christine zich door The Last Poets inspireren tot haar eigen muzikale en literaire performance Mijn woorden zijn muziek, die zij met groot succes uitvoert op middelbare scholen. Zij laat zich hierbij begeleiden door een percussionist, en legt een verband tussen (wereld)literatuur, poëzie en rap.

    Werken van Christine Otten (http://www.christineotten.nl/)

    ‘Waiting for Jack’
    kort verhaal over een mijnwerkersdorp in Yorkshire. Verschenen in het tijdschrift Atlas, uitgeverij Atlas, Amsterdam 1994
    ISBN 90 254 0561 4

    Blauw Metaal
    Roman, Uitgeverij Atlas, 1995, paperback, 176 blz.
    ISBN 90 254 1451 6

    Lente van Glas
    Roman, Uitgeverij Atlas, 1998, Gebonden 192 blz. met cd
    ISBN 90 450 0111 X

    Engel en andere muziekverhalen
    Roman, Uitgeverij Atlas, 2000, paperback 200 blz.
    ISBN 90 450 0199 3

    Ask the Angels
    kort verhaal, verschenen in Lust en Gratie nr. 65, augustus 2000
    Autobiografisch verhaal over mijn liefde voor de muziek van Patti Smith en Nico en een analyse van het doodsverlangen en seksualiteit in de muziek van beide dames.

    (Laatst bij gewerkt 2003)