• Stefan Hertmans

    Hoewel Stefan Hertmans zichzelf aanvankelijk typeerde als een dichter en essayist, debuteerde hij in 1981 met de experimentele roman Ruimte, die onmiddellijk bekroond werd met twee debuutprijzen. Het vroege werk van Hertmans wordt ? net als Ruimte ? gekenmerkt door een experimenteel karakter en hoewel zijn latere werk gemakkelijker leesbaar wordt, blijft het experimenteren met woorden en beelden een belangrijk element van zijn werk. 

    Hertmans werd geboren in 31 maart 1951 in Gent en studeerde Germaanse talen aan de Universiteit van Gent. Sinds 1990 is hij docent kunstagogiek en tekstanalyse aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent. Sinds kort woont Hertmans in de buurt van Brussel.

    Hij publiceerde romans, verhalenbundels, scherpzinnige essays en een opmerkelijk aantal dichtbundels. Hertmans levert kritische bijdragen aan tal van periodieken zoals Nieuw Wereldtijdschrift, De Gids, De Groene Amsterdammer en De Morgen. 

    Tot zijn prozawerk behoort naast zij debuutroman Ruimte nog de verhalenbundel Gestolde wolken (1987), die werd bekroond met de Multatuliprijs. Het titelverhaal van De grenzen van woestijnen (1989) werd gepubliceerd in The Review of Contemporary Fiction in 1994. Met Naar Merelbeke (1994) schrijft Hertmans een ironische ‘autobiografische leugen’. Deze roman werd voor de Libris- en ECI-prijs genomineerd. Bart Vervaeck in De Morgen: ‘Naar Merelbeke is even fris en tintelend als champagne, beroezend en betoverend. Maar de roes heeft iets van het delirium, de betovering iets van een vloek. Het is die combinatie die de kracht uitmaakt van dit boek’.

    In 1995 sleepte Hertmans de Driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap (de vroegere Staatsprijs) in de wacht voor de gedichtenbundel Muziek voor de overtocht (1995). Dezelfde bundel werd tevens voor de VSB-poëzieprijs genomineerd. Eerder al kreeg de dichter naar aanleiding van Bezoekingen (1988) de Arkprijs van het Vrije Woord en de Interprovinciale Prijs voor Letterkunde (1989). De afgelopen jaren verschenen nog Het narrenschip (1990), Verwensingen (1991), Francesco’s paradox (1996) en Annunciaties (1997). 

    ‘Over actualiteit, kunst en kritiek’: zo luidt de ondertitel van Hertmans essaybundel Fuga’s en pimpelmezen van 1995. Nieuw Wereldtijdschrift over Fuga’s en pimpelmezen: ‘Stefan Hertmans is een niet ongevaarlijk essayist. (…) Daarbij is hij bedreven in het kijken in romans, het lezen in schilderijen, het navertellen van muziek, en bij dat alles in de nodige goddeloosheid om mythologieën te ontluisteren en te seksualiseren en over vandaag te laten gaan’.

    Zijn brede cultuurhistorische beschouwingen met een sterke semiotische en intertextuele inslag werden gebundeld in Oorverdovende steen (1988), Sneeuwdoosjes (1989). In Steden (1998), een bundeling reisverhalen ontmoet Hertmans grootheden uit de wereldliteratuur in Brussel, Amsterdam, Dresden, Triëst, Venetië, Wenen en Sydney. 

    Op  http://digitaalbrussel.vgc.be/webpages/bib/hob2000/hertmans.htm is een volledige bibliografie van het werk van Hertmans te vinden. 

    AMvdP

    Bronnen:
    http://digitaalbrussel.vgc.be/webpages/bib/hob2000/3auteurs.htm#stefan en http://www.kunstbus.nl/index.html?http://www.kunstbus.nl/verklaringen/stefan+hertmans.html

  • Geert A. van Oorschot

    Pseudoniemen: R.J.Peskens, Karel Blomkwist, Mozes Cohen, Kees Milot

    Ja, kijk es, ik heb nog nooit een bestseller uitgegeven. En nou wil ik de ene keer dat ik een bestseller uitgeef, die niet door een andere uitgever in de handel laten brengen.
    G.A. van Oorschot over Twee vorstinnen en een vorst

    Gerardus Adrianus van Oorschot wordt op 15 augustus 1909 in Vlissingen geboren in een ‘rood’ nest. In dit typische, vooroorlogse socialistenmilieu maakt hij al vroeg kennis met de literatuur. Na voltooiing van de HBS in Vlissingen, gaat hij in Rotterdam als bootwerker in de haven werken, omdat hij niet via een beurs wil studeren. Zijn links-radicale denkbeelden leveren hem bij elkaar zo’n tien maanden gevangenisstraf op wegens dienstweigering en belediging van minister-president Colijn en het bevriend staatshoofd Hitler. In de dichtbundel Gevangenis blikt hij terug op die periode. In 1934 gaat hij huis-aan-huis boeken verkopen, vanaf 1936 werkt hij als boekverkoper bij uitgeverij Stols  en later bij Querido. Na de oorlog, in augustus 1945 richt hij zijn eigen uitgeverij op, aan de Herengracht in Amsterdam, waar deze nog altijd gevestigd is. De uitgeverij komt voor Geert van Oorschot op de eerste plaats en hij bouwt er een belangrijk fonds op, met de beroemde Russische Bibliotheek, maar ook auteurs als Reve en Hermans, waarmee hij later gebrouilleerd raakt. Van Oorschot is een onconventionele, markante man, die evenveel vrienden als vijanden maakt. 

    Hij debuteert als dichter in de jaren dertig met socialistisch getinte verzen, die zonder succes blijven. In 1957 richt hij het literaire tijdschrift Tirade op (waarvan hij tot 1977 de enige redacteur is) en publiceert daarin voor het eerst onder het pseudoniem Peskens. Hoewel hij van tijd tot tijd gedichten blijft schrijven, beschouwt hij die zelf niet als poëzie, maar bestempeld ze als ‘versjes’. Misschien om die reden hanteert hij daarbij altijd een pseudoniem.

    Het is met name zijn verhalend proza waarmee Van Oorschot (c.q. Peskens) naam maakt. Blijft zijn debuut Uitgestelde vragen (verhalenbundel) nog onopgemerkt, met Twee vorstinnen en een vorst verovert de auteur definitief een plaats binnen de Nederlandse literatuur. Deze bundel autobiografische verhalen gaat over zijn jeugd en de dominante factor in zijn opvoeding: de moederfiguur. Mijn tante Coleta, dat kort hierop verschijnt, gaat verder op deze thematiek. Beide verhalen worden in 1981 verfilmd. Ondanks zijn typerende stijl (korte zinnen met plechtige, ouderwets aandoende woorden) heeft Van Oorschot voor zijn literaire werk nooit prijzen ontvangen.

    In zijn functie van uitgever is Van Oorschot ook een begenadigd brievenschrijver. Zijn correspondentie, zo’n 15.000 brieven, is ten dele postuum uitgegeven: Brieven van een uitgever (1995) en Hierbij de hele God in proef (brieven aan W.F.Hermans, 2003). De brieven geven blijk van de geweldige retorische capaciteiten van Van Oorschot, dus het is eeuwig zonde dat zijn memoires tijdens zijn leven uit de kofferbak van zijn auto werden gestolen en nooit meer zijn teruggevonden.

    Van Oorschot overlijdt op 18 december 1987.

    Beknopte bibliografie

    Poëzie
    De turfgravers (1930)
    Gevangenis (1932)
    Van Oudegeest tot revolutie (1935)

    Proza
    Uitgestelde vragen en andere verhalen (1964)
    Twee vorstinnen en een vorst (1975)
    Mijn tante Coleta (1976)
    De Vlissingse verhalen van R.J. Peskens (Twee vorstinnen en een vorst/Mijn tante Coleta/verspreide verhalen/ongebundeld werk)(1979)

    Brieven
    Brieven van een uitgever (1995)
    ‘Hierbij de hele God in proef’ (2003)

    Saskia Taggenbrock
    Gebruikte bron: www.geocities.com/Athens/Ithaca/2249/peskensrj.html

  • Marten Toonder

    Nederlandse lezers zullen het nauwelijks kunnen voorstellen, maar er is een tijd geweest dat Tom Poes en Ollie B. Bommel nog niet bestonden. De schepper van dit legendarische tweetal, de schrijver en tekenaar Marten Toonder, werd immers pas in 1912 in Rotterdam geboren. Toen hij achttien jaar was, nam zijn vader, die scheepskapitein was, hem mee naar Zuid-Amerika, waar Toonder een tekenaar ontmoette, die betrokken was geweest bij het maken van de films van Walt Disney. Deze tekenaar leerde Toonder de techniek van het vervaardigen van stripverhalen en tekenfilms, waarbij gewoonlijk uitgegaan wordt van constructiefiguren, opgebouwd uit cirkels en ovalen.

    Teruggekeerd in Nederland, werkte Toonder zeven jaar lang bij een tijdschriftenuitgeverij in Leiden. In die tijd begon hij een kleine, wollige poes te ontwerpen, die eerst eenvoudigweg De Poes heette en later de voornaam Tom kreeg, waarbij de naam van het bekende luchtige gebak als inspiratiebron zal hebben gediend. Na drie jaar verscheen het grotendeels uit cirkels opgetrokken dier voor het eerst in de openbaarheid, toen op 16 maart 1941 in de Telegraaf de eerste aflevering verscheen van de ‘Avonturen van Tom Poes’ met als ondertitel Tom Poes ontdekt het geheim der blauwe aarde. Opvallend was dat in dit avonturenverhaal de tekst onder de plaatjes was afgedrukt in tegenstelling tot het gebruikelijke stripverhaal. Toonders verhalen worden daarom meestal als beeldverhalen beschouwd.

    In dit eerste verhaal was Ollie B. Bommel nog niet ten tonele verschenen. Deze heer van stand, die later zo’n belangrijke rol in het werk van Toonder zal spelen, duikt pas op in het derde verhaal, waar verteld wordt: ‘En net toen Tom Poes zover was met zijn overpeinzingen, zag hij bij een bocht van de weg iemand lopen. Een vreemde figuur was het, met een geruite jas aan en een leren tasje aan een riem over zijn schouder. Wel, dacht Tom Poes, dat moet een vreemdeling zijn! Iemand, die zulke grote ruiten op zijn jas draagt woont hier niet in de buurt! Wat zou die vreemdeling hier zoeken? Daar moet ik meer van weten!’

    Ollie B. Bommel blijkt de zoon te zijn van een rijke oliebaron uit Amerika, die in de omgeving van het stadje Rommeldam in het slot Bommelstein woont. Hij is buitengewoon overtuigd van zijn eigen waardigheid, maar deze overtuiging wordt helaas niet gedeeld door de oude adel uit de buurt, vertegenwoordigd door de markies de Cantecler, die hem maar een vulgaire parvenu vindt.

    In de meer dan tienduizend afleveringen van het beeldverhaal, waarin Tom Poes en heer Bommel sindsdien als een onafscheidelijk duo zijn opgetreden, speelt heer Bommel meestal de rol van een sympathieke, goedwillige blunderaar, terwijl de koele, slimme Tom Poes hem steeds weer uit de meest penibele situaties moet zien te redden. De verhalen zelf hebben daarbij een duidelijke ontwikkeling doorgemaakt. Waren de vroegste Tom Poes-verhalen vooral voor kinderen bedoeld, later richtte Marten Toonder zich ook tot oudere lezers. De sprookjessfeer bleef daarbij bewaard, maar er was nu tegelijkertijd sprake van een persiflage op onze maatschappij, waarin allerlei modieuze verschijnselen gretig op de korrel werden genomen. Prachtig wist Toonder hierbij sommige woorden en uitdrukkingen, die in bepaalde milieus gangbaar zijn, in zijn dialogen te verwerken, terwijl hij ook nieuwe woorden zoals minkukel en denkraam aan onze taalschat toevoegde.

    Nadat zijn beeldverhalen een grote populariteit hadden bereikt, richtte Toonder een eigen studio op, waarna hijzelf in 1965 in Greystones in Ierland ging wonen. Zijn lezerskring groeide nog, toen zijn werk ook in boekvorm begon te verschijnen. Na de eerste verzameling van drie verhalen, die in 1967 onder de titel Als je begrijpt wat ik bedoel werd gepubliceerd, verschenen talloze bundels, waaronder Geld speelt geen rol (1968), Zoals mijn goede vader zei (1970), een groot denkraam (1972) en De geheimzinnige gaper (1977). Een bijzonder mooi uitgevoerde uitgave is Met uw welnemen (1973), waarin Toonders tekeningen, die in de krant altijd verkleind werden opgenomen, op ware grootte zijn afgedrukt.

    In 1986 bleek heer Bommel na een langdurige romance- plotseling in het huwelijk te zijn getreden met Doddeltje, waarna aan zijn avonturen een einde is gekomen.

    mn

    meer Toonder

  • Gerrit Krol

    ‘Wat is het, die innige tevredenheid in de volle trein als je na de vakantie je eigen station weer binnenrijdt, door de bekende binnenstad loopt met een weekendtas naar je huis, met je eigen spiegelbeeld in alle glazen, een pracht controle dat je bestaat en rechtop loopt in de stad die je liefde is, ja wat is het dat je smoorverliefd kunt zijn op een stad!’

    (uit: De rokken van Joy Scheepmaker, 1962)

    Gerrit Krol wordt 1 augustus 1934 in Groningen geboren. Zijn vader is docent Nederlands op de Mulo waardoor de literatuur thuis letterlijk voor het oprapen ligt. Na de middelbare school gaat Gerrit Krol wiskunde studeren om, zo zegt hij zelf, opzoek te gaan naar de universele waarheid. Reeds tijdens zijn studie gaat Krol werken als een van de eerste computerprogrammeurs bij Shell. In deze functie en later ook in zijn werk als systeemontwerper bij de NAM reist hij veel over de wereld en woont ook enige jaren in het buitenland. De invloed van het ontwerpen van systemen is onmiskenbaar in zijn literaire werk terug te vinden. Er is geen andere Nederlandse schrijver die zo veel exacte wetenschap in zijn literaire werk verwerkt als Gerrit Krol. Computers, logica en wiskundige formules zijn zaken die steeds weer terug keren.

    In 1961 debuteert Gerrit Krol met zijn gedichten in de tijdschriften Barbarber en Hollands Weekblad. Een jaar later verschijnt De rokken van Joy Scheepmaker, zijn eerste roman. Het is een roman in klassieke vorm over de liefde tussen de 22- jarige, net uit dienst gekomen Kraus Koster en het 16-jarige schoolmeisje Joy Scheepmaker. Deze traditionele schrijfwijze laat Krol vijf jaar later los. In 1967 verschijnt het Het gemillimeterde hoofd, een boek vol korte paragrafen, schema’s, formules en illustraties over, aldus de auteur, ‘het mechanisme van de taal, in het bijzonder van de wiskunde’. Techniek is volgens Krol de drager van schoonheid. “Mooi is iets dat in elkaar past.” Krol is er in zijn werk vooral op uit om het systeem dat naar zijn opvatting in de verschijnselen aanwezig is, bloot te leggen.

    De letters APPI in de titel van Gerrit Krols gelijknamige boek uit 1971 betekenen Automatic Poetry by Pointed Information. APPI is een computerprogramma om gedichten mee te maken. Krol beschrijft de werking en geeft voorbeelden, maar moet ten slotte concluderen dat de dichter onmisbaar is. ‘Een grap die mislukt is,’ noemde hij het jaren later in een interview.

    Vanaf midden jaren tachtig gaat Krol meer traditioneel opgebouwde boeken schrijven. Daarin ontbreken weliswaar de exacte wetenschappen niet, evenmin als de bespiegelingen over tijd en ruimte, over taalsystemen en over de werking van het menselijk brein, maar deze krijgen een plaats in werk met meer dramatische opbouw.Met deze nieuwe blik op het schrijven wordt ook oud werk afgestoft en opnieuw aangepakt en herschreven. Zo wordt  De weg naar Sacramento uit 1977 omgebouwd tot De weg naar Tuktoyaktuk (1987) en De ziekte van Middleton herschreven tot Middletons dood.

    Voor zijn werk heeft Gerrit Krol diverse literaire prijzen ontvangen, waaronder in 1986 de Constantijn Huygens-prijs voor zijn hele oeuvre. In 1996 werd zijn bundel De mechanica van het liegen (bewerkte teksten van lezingen over het verband tussen wetenschap – met name filosofie – en literatuur) bekroond met de Busken Huet-prijs. Als essayist baarde Krol vooral in 1990 opzien met zijn ‘bespiegeling over de doodstraf’ Voor wie kwaad wil, waarin hij stelling nam tegen het in alle gevallen afwijzen van de doodstraf.

    AV
    (foto: Kooos)

    Bibliografie:
    ·   De rokken van Roy Scheepmaker (roman, 1962)
    ·   Het gemillimeterde hoofd( roman, 1967)
    ·   De ziekte van Middleton (roman, 1969)
    ·   De laatste winter (roman, 1970)
    ·   APPI (essay, 1971)
    ·   De chauffeur verveelt zich (roman, 1973
    ·   In dienst van de ‘Koninklijke’ (roman, 1974)
    ·   Halte opgeheven (verhalen, 1976)
    ·   Polaroid (poëzie, 1976)
    ·   De weg naar Sacramento (roman, 1977)
    ·   Een Fries huilt niet (roman, 1980)
    ·   De man achter het raam (roman, 1982)
    ·   Scheve levens (roman, 1983)
    ·   Maurits en de feiten (roman, 1986)
    ·   Bijna voorjaar (columns, 1986)
    ·   De weg naar Tuktoyaktuk (roman/essay, 1987)
    ·   Een ongenode gast (novelle, 1988)
    ·   De Hagemeijertjes (roman, 1990)
    ·   Wat mooi is is moeilijk (essays, 1991
    ·   Oude foto’s (verhalen, 1992)
    ·   De reus van Afrika (reportages, 1992)
    ·   Omhelzingen (roman, 1993)
    ·   Okoka’s Wonderpark (roman, 1994)
    ·   De mechanica van het liegen (essays, 1995)
    ·   Middleton’s dood (roman, 1996)
    ·   60000 uur (autobiografie, 1998)
    ·   Missie Novgorod (novelle, 1999)
    ·   Geen man, want geen vrouw (poëzie, 2001
    ·   Krol en de Koninklijke (2001)
    ·   Krols keus (Een Fries huilt niet/De man achter het raam/ Wittgenstein in kleur/keuze uit de columns) (2001)’n Kleintje Krol (2001)
    ·   Een schaaknovelle (2002)

  • Patricia de Martelaere

    Misschien is dat geluk: verlangen wat je al hebt, alsof je het nog niet had, met de hevigheid van het tekort en de vreugde van bezit tegelijk. (Uit: Verrassingen)

    Patricia De Martelaere (België, 1957) studeerde wijsbegeerte in Leuven en promoveerde in 1984 op een proefschrift over het scepticisme van de Schotse filosoof David Hume. Momenteel is zij als hoogleraar verbonden aan de universiteiten van Brussel en Leuven. Zij publiceerde tot nu toe twee romans en vier essyabundels over filosofische, literaire en psychologische onderwerpen. 2002 debuteerde zij als dichter met de bundel Niets dat zegt.
    Met name haar essaybundels worden hoog aangeschreven. Minder bekend zijn haar romans, De staart, Littekens en De schilder en zijn model.
    In haar essays en romans doet Patricia de Martelaere als schrijfster voortdurend pogingen te spreken waarover de filosoof volgens Wittgenstein moet zwijgen: wat doet de mens op de wereld, wat kan de dieperliggende betekenis zijn van het menselijk bestaan, hoe betrouwbaar is de vertrouwdheid die wij voelen voor de werkelijkheid, wat is liefde, dood, het niets etcetera. Een van haar grootste kwaliteiten is dat ze het op het oog alledaagse een draai weet mee te geven die je heel anders naar de werkelijkheid doet kijken. Clichés en clichématige denkbeelden haalt ze onderuit en emoties en opvattingen die we altijd voor zoete koek slikten, zet ze in een heel ander daglicht. Angst en overgave zijn belangrijke thema’s in haar werk (zie ook het citaat onderaan).
    Gezien Wittgensteins opvatting dat uiteindelijk de poëzie geschikter is dan de filosofie om tegemoet te komen aan de behoefte van mensen aan een ruimere blik, is het niet verwonderlijk dat Patricia de Martelaere haar onderwerpen ook in gedichten aan de orde is gaan stellen. Haar poëzie is gecomprimeerd, stamelend, dreigend vaak ook. Ze schrijft gedichten waarin de taal tot in haar uiterste mogelijkheden benut wordt in een poging iets te zeggen over wat feitelijk onzegbaar is.

    Hij doet het weer (zo kijken).
    Ter plaatse, halverwege, naar hem
    toe, hoe niet bewegen, stoel van
    hout, houd dit begeren
    tegen, flesje van ether, stop
    erop of er
    vervliegt.

    Tussen de woorden kiert voortdurend het grote onbekende dat achter het ons vertrouwde ligt. Dat geldt niet alleen voor haar poëzie, maar ook voor haar essays en romans. De manier van kijken van De Martelaere verdiept het eigen denken.

    Water is welwillend en onmeedogend: het steunt je vanzelf en van nature, maar enkel op voorwaarde dat je ophoudt steun te zoeken. De reden waarom mensen verdrinken, in korte tijd en in volmaakt rimpelloos water, is precies omdat ze niet ophouden onbeheerst te bewegen en te zoeken naar vaste grond onder hun voeten. Alleen een reddingsboei kan hen redden, omdat ze niet kunnen zonder houvast. Maar op lange termijn, en wanneer het erom gaat zelf te leren zwemmen, wordt een reddingsboei een obstakel: wie weigert hem los te laten zal zich nooit door het water kunnen laten dragen.

    April is sinds enkele jaren de maand van de filosofie. Speciaal voor deze maand schreef Connie Palmen het essay Iets wat niet bloeden kan, in de boekhandel verkrijgbaar voor € 3,50.

    Bron: http://www.poetry.nl/

    Illustratieverantwoording: http://www.sijmen.nl/

    DdH

  • Marjolijn Februari

    Marjolijn Drenth, bij een breder publiek beter bekend onder haar pseudoniem M. Februari, werd op 23 februari 1963 geboren te Coevorden. Zelf omschrijft ze haar jeugd als ‘een jeugd met veel viool, veel opvoeding, veel taart en veel Lodeizen’.

    Drenth gaat naar school op aan het Utrechts Stedelijk Gymnasium en na het behalen van haar diploma begint ze in 1980 aan de Rijksuniversiteit Utrecht aan twee studies: filosofie en kunstgeschiedenis. In 1985 studeert ze af in de filosofie, een jaar later voltooit ze haar studie kunstgeschiedenis en begint ze aan haar derde studie, Nederlands Recht, die ze in 1990 voltooit. Na haar studie en enkele bijbaantjes werkt ze enkele jaren bij een organisatieadviesbureau.

    In 1989 verschijnt haar debuutroman, De zonen van het uitzicht. De roman wordt zeer goed ontvangen en wordt in 1990 bekroond met de Multatuliprijs. In 1991 wordt de schrijfster aangesteld bij de Faculteit Wijsbegeerte van de Katholieke Universiteit Brabant om een proefschrift voor te bereiden over de betekenis van het ethisch utilitarisme voor de welvaartseconomie.

    Haar proefschrift Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek: Amartya Sen en de onmogelijkheid van de Paretiaanse liberaal, dat in 2000 zowel onder haar eigen naam als onder haar pseudoniem verschijnt, is zeer bijzonder; literatuur en wetenschap komen erin samen en door de filosofische hoofdstukken heen loopt een roman.

    In Een pruik van paardenhaar vertelt M. Februari een achttiende-eeuwse liefdesgeschiedenis, in Over het lezen van een boek bespreekt Marjolijn Drenth een thema uit het werk van Amartya Sen, econoom en filosoof, wier werk onderscheiden werd met de Nobelprijs.

    Sinds 1991 is ze redacteur van het tijdschrift Filosofie & praktijk, waarin ze onder de naam Marjolijn Drenth von Februar publiceert. Ze publiceert ook columns in Wijsgerig perspectief op maatschappij en wetenschap en essays, verhalen en recensies in onder andere Vrij Nederland, Optima, Dietsche Warande & Belfort en NRC Handelsblad.

    Bibliografie
    De zonen van het uitzicht (1989, Querido)
    Quodlibet (1994, Querido)
    Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek (2000, Querido)
    Binnenkort verschijnt: Park welgelegen, notities over morele verwarring (Querido)

    Secundair
    Kraamer, Josje. ‘M. Februari’. In: Kritisch lexicon van de Moderne Nederlandstalige Literatuur. Red. Hugo Brems, Tom van Deel, Ad Zuiderent. Groningen: Martinus Nijhoff uitgevers. Band 3. Augustus 1992

    Bron: http://www.ned.univie.ac.at/lic/autor.asp?aut_id=4673

    AMvdP

  • Maarten 't Hart

    Maarten ‘t Hart werd op 25 november 1944 geboren te Maassluis. Met een jongere zus en een jongere broer is hij het oudste kind van het gezin. Zijn vader werkte aanvankelijk in een tuinderij,  maar later werd hij beheerder van het kerkhof en grafdelver bij de gemeente Maassluis. Het gezin ’t Hart is streng gereformeerd en in het werk van Maarten ‘t Hart zal het geloof en de strenge opvoeding die hieruit voortkwam een centrale rol spelen. 

    In 1962 gaat Maarten ‘t Hart biologie studeren in Leiden. Door zijn studie ontloopt hij ? voorlopig ? de militaire dienst. Tijdens zijn studie werkt hij twee jaar als biologieleraar en trouwt hij met Hanneke van Muyzenberg. 

    Na het behalen van de doctorsgraad werkt hij vanaf 1970 als etholoog aan dezelfde universiteit. Sinds 1980 is hij echter fulltime schrijver.

    Als hij alsnog in militaire dienst moet, schrijft Maarten ‘ t Hart in zijn vrije tijd de roman Stenen voor een ransuil, waarmee hij in 1971 onder het pseudoniem Martin Hart debuteert. 

    Sindsdien verschenen er vele romans en verhalen van zijn hand, veelal autobiografisch van aard. Het geloof, het ontsnappen aan een streng (gereformeerd) milieu en ‘het anders zijn’  zijn thema’s die zeer geregeld terugkomen.

    Hoewel hij bij een breed publiek zeer populair is, oordeelt de  kritiek niet altijd even positief over het werk van ’t Hart. Vaak wordt hem verweten dat hij zichzelf herhaalt. Maarten ’ t Hart heeft echter geen enkele moeite met de kritiek:  hij ziet zichzelf graag als ‘opstapje’ naar de literatuur. 

    Van 1993 tot en met 1994 presenteerde hij het literaire televisieprogramma Tussen dag en nacht, waar hij noodgedwongen (hij kreeg last van hartritmestoornissen) mee moest stoppen.

    Maarten ’t Hart woont en werkt in Warmond.


    Bibliografie:

    1971 Stenen voor een ransuil roman
    1973 Ik had een wapenbroeder roman
    1973 Ratten wetenschappelijke studie
    1975 Het vrome volk verhalen
    1976 De kritische afstand essays
    1976 Natuurlijke historie essays (met Midas Dekkers)
    1976 Avondwandeling verhaal
    1977 Mammoet op zondag verhalen
    1977 Laatste zomernacht novelle
    1978 De som van misverstanden essays
    1978 Een vlucht regenwulpen roman
    1978 De stekelbaars wetenschappelijke studie
    1978 A Study of a Short Term Behaviour Cycle proefschrift
    1978 De dorstige minnaar verhalen
    1979 Ongewenste zeereis essays en verhalen
    1979 De aansprekers roman
    1980 De droomkoningin roman
    1981 De zaterdagvliegers verhalen
    1982 De vrouw bestaat niet essays
    1982 Alle verhalen
    1983 De kroongetuige roman
    1983 Het eeuwige moment essays
    1984 De ortolaan Boekenweekgeschenk
    1984 Het roer kan nog zesmaal om autobiografie
    1985 De huismeester verhalen
    1986 De jacobsladder roman
    1987 De draagmoeder verhaal
    1987 Het uur tussen hond en wolf roman
    1988 De steile helling roman
    1989 De unster verhalen
    1990 Een dasspeld uit Toela essays
    1991 Onder de korenmaat roman
    1992 Een havik onder Delft essays
    1993 Het woeden der gehele wereld roman
    1996 Het gebergte. De tweeënvijftig romans van S. Vestdijk essays (met H. Br. Corstius)
    1996 De nakomer roman
    1997 Wie God verlaat heeft niets te vrezen. De Schrift betwist essays
    1999 Mijn vaderstad: een literaire wandeling door het Maassluis van Maarten ’t Hart
    1999 Een deerne in lokkend postuur: persoonlijke kroniek
    2000 Johann Sebastian Bach

    Literaire prijzen:

    Eervolle vermelding Reina Prinsen Geerligsprijs voor Stenen voor een ransuil.

    Multatuli-prijs 1975 voor Het vrome volk.
    J. Greshoff-prijs 1978 voor De som van misverstande’.
    De Gouden Strop 1994 voor Het woeden der gehele wereld.
    Zweedse prijs voor de beste vertaalde misdaadroman 1994 voor Het woeden der gehele wereld.
    AMvdP

    Bron: http://www.schrijversnet.nl/ en http://www.geocities.com/Athens/Ithaca/2249/harttmaarten.html

  • Tessa de Loo

    Tessa de Loo, pseudoniem van Tineke Duyvené de Wit, is op 15 oktober 1946 als de oudste van het gezin te Bussum geboren. Haar vader was chemicus bij het farmaceutische bedrijf Organon en in zijn vrije tijd amateur-cellobouwer. Het gezin bleef enige tijd in het Gooi wonen, verhuisde toen naar Amsterdam en vervolgens naar Oss. Waar haar broer en zus werden geboren. In Brabant ging ze eerst naar het gymnasium en daarna naar de HBS. Op beide scholen haalde zij zulke slechte cijfers, dat zij tenslotte naar het Maaslandcollege werd gestuurd, waar zij in 1965 haar MMS-diploma haalde.
    Na de middelbare school studeerde ze Nederlands in Utrecht. Eigenlijk wilde zij naar de kunstacademie, maar haar ouders vonden dat geen goed idee: als kunstenaar zou zij een onzeker en armoedig bestaan tegemoet gaan. Tijdens haar studie trouwde ze met een bouwkundige en in 1971 werd haar zoon Joris geboren. De Loo stond nog enige tijd voor de klas als docent Nederlands en schreef tussendoor verhalen.

    In 1975 stuurt ze voor een wedstrijd in Vrij Nederland een verhaal in dat enthousiast wordt ontvangen. Een aantal jaren later is de scheidt ze van haar man en verhuist met haar zoon in 1980 naar het Groningse Pieterburen. Daar ontstaan de verhalen ‘De muziekles’ en ‘De meisjes van de suikerwerkfabriek’, die in 1983 gepubliceerd worden in het tijdschrift Maatstaf. Ze gebruikt dan voor het eerst haar pseudoniem Tessa de Loo. Over de oorsprong hiervan doen verschillende verhalen de ronde. Sommigen zeggen dat het gehucht Tesseloo in de Ardennen haar op het idee daarvoor bracht. Anderen zeggen dat Tessa is afgeleid van Texel en dat het bovendien van Theresia is afgeleid, wier naamdag op haar verjaardag 15 oktober valt. In ieder geval heette haar grootmoeder Van Loo.

    In 1983 verschijnt de verhalenbundel De meisjes van de suikerwerkfabriek. Ze ontvangt daarvoor het Gouden Ezelsoor voor het best verkochte debuut en het wordt bekroond met de Anton Wachterprijs voor beste debuut. In 1985 verhuist ze van Pieterburen naar Amsterdam. Een jaar later verschijnt haar eerste roman Meander, gebaseerd op de commune ‘Impuls’ die De Loo in 1979 in Pieterburen bezocht heeft. In 1987 schrijft ze het Boekenweekgeschenk Het rookoffer. De novelle, Het mirakel van de hond, verschijnt in 1988. Het jaar daarop verschijnt haar tweede roman, Isabelle, gebaseerd op een krantenbericht over de mysterieuze verdwijning van een Franse actrice, een jonge vrouw op vakantie bij haar ouders in de bergen in de provincie. De Franse kranten stonden vol speculaties over wat er met haar gebeurd kon zijn. Er werd een enorme zoekactie gehouden, zonder resultaat.

    Met de bij een breed publiek bekende roman De tweeling (1993) bereikt De Loo ongekend hoge oplagecijfers. Uitgangspunt in dit boek is de ontmoeting tussen twee bejaarde vrouwen, een Nederlandse en een Duitse, in het kuuroord van Spa. Ze vertellen elkaar hun levensverhalen maar weten aanvankelijk nog niet van elkaar dat ze een al in de kindertijd van elkaar gescheiden tweeling vormen. Op de achtergrond aanwezig is de Tweede Wereldoorlog, die de tweeling gescheiden heeft, en de voor de Duitse en de Nederlandse verschillende doorwerking van dit oorlogsverleden in het heden. De Loo ontvangt hiervoor de Publieksprijs voor het Nederlandse boek, maar de kritieken zijn niet erg juichend. Aan dit boek heeft De Loo drie jaar gewerkt, waarvan een half jaar bestond uit research. Van het Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael ontvangt zij bovendien de Otto von der Gablentz-prijs, voor haar objectieve informatievoorziening over de Bondsrepubliek Duitsland.

    Na de ‘zware onderneming’ die De tweeling voor haar was, heeft ze in Portugal, haar nieuwe woonplaats, gewerkt aan Een varken in het paleis (1998), dat gebaseerd is op brieven en dagboekfragmenten van Lord Byron. Hiervoor heeft ze in de herfst van 1996 dezelfde reis gemaakt die Byron in 1809 heeft gemaakt met zijn vriend Hobhouse, door Epiros en Zuid-Albanië.
    In 2000 verschijnt de roman Een bed in de hemel, waarin de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog een rol spelen. Opnieuw zijn de recensenten niet onverdeeld enthousiast maar daar laten de lezers zich inmiddels niet al te zeer door beïnvloeden.

     

    Lees een ongepubliceerd verhaal: http://www.ongebonden.nl/auteur/loo/index.html

    Haar eigen website: http://www.tessadeloo.nl/

     

  • Hubert Lampo

    Zouden er nog schrijvers zijn die magisch-realistische romans schrijven? Misschien, ergens weggestopt in een stadszolder of een provincievilla. Enkele decennia geleden was het een zeer gewild genre, waarmee schrijvers als Johan Daisne en Barend Roest Crollius en schilders als Carel Willink en Pyke Koch beroemd werden. Kampioen van deze fictiecategorie tussen werkelijkheid en mystiek was ongetwijfeld Hubert Lampo, die naast De komst van Joachim Stiller nog zo’n tachtig andere literaire werken schreven – waarvan overigens maar een deel met het stempel ‘magisch-realistisch’.

    Hubert Leon Lampo werd op 1 september 1920 geboren in een voorstad van Antwerpen – de stad die hij zou vereeuwigen in romans als Terugkeer naar Atlantis (1953) en Een geur van sandelhout (1976). Zijn vader werkte bij de posterijen, zijn moeder was een muzikaal begaafde onderwijzeres. Hij had een broer die tien jaar ouder was. Anders dan veel van zijn leeftijdsgenoten werd hij niet godsdienstig opgevoed: het gezin Lampo was vrijzinnig-socialistisch, Vlaams-gezind en bescheiden. Zijn vader had in zijn jeugd wetenschappelijke ambities gehad, maar had deze nooit kunnen invullen.

    In 1934 ging Lampo naar de Stedelijke Normaalschool in Antwerpen, waar hij vier jaar later het diploma ontving om daarna door te studeren voor leraar Lager Secundair Onderwijs. Eind jaren dertig ging hij lesgeven, maar hij moest in 1944 in dienst, waar hij een administratief baantje vervulde. Na de oorlog besloot hij niet verder te gaan met zijn onderwijscarrière, maar journalist te worden. Hij schreef voor diverse tijdschriften culturele schetsen en in 1946 werd hij redactiesecretaris van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, naast zijn werk als freelance journalist. In 1948 werd hij aangesteld als Rijksinspecteur bij de Dienst voor de Openbare Bibliotheken voor Oost-Vlaanderen, in 1964 werd hij gepromoveerd tot Hoofdinspecteur van de Openbare Bibliotheken.

    Al voor de oorlog begon hij te schrijven, en in 1940 werd een Middeleeuwse Kerstlegende van zijn hand gepubliceerd in het tijdschrift Vormen. In 1945 verscheen zijn eerste roman, Hélène Defraye, een psychologisch-realistische roman over een vrouw die moet kiezen tussen haar man of zijn vader, waarvoor hij in 1947 de Prijs van de Provincie Antwerpen kreeg. Dit was het begin van een uitgebreid oeuvre die volgens Lampo zelf in vijf categorieën kan worden ingedeeld: non-fictie en essaybundels (De zwanen van Stonehenge 1962), psychologisch-realistische romans (De ruiter op de wolken, 1948), historische werken (De duivel en de maagd, 1955), historisch-fantastische verhalen (De belofte aan Rachel, 1952) en magisch-realistische boeken. De laatste categorie is de grootste en bestaat uit werken als Terugkeer naar Atlantis (1953) en Een geur van sandelhout (1976).

    Verreweg het bekendste magisch-realistische boek van Lampo is de roman De komst van Joachim Stiller die in 1959 verscheen en hem onmiddellijk veel succes en prestige bracht – zozeer zelfs dat Lampo lange tijd in de jaren zestig het mikpunt werd voor jonge revolutionaire literatoren die hem voor het literaire establishment hielden. De komst van Joachim Stiller beschrijft enkele maanden uit het leven van de vrijgezelle journalist Freek Groenevelt die een simpel artikeltje schrijft over een opgebroken Antwerpse weg en zo in contact komt met een doodsbenauwde wethouder Publieke Werken die hem vertelt dat er geheimzinnige, beangstigende dingen gebeuren. Als Groenevelt ook nog een brief ontvangt die anderhalf jaar vóór zijn geboorte is gepost, raakt het verhaal in een stroomversnelling. De briefschrijver blijkt Joachim Stiller te heten en kondigt allerlei gebeurtenissen aan. Ook Keldermans krijgt brieven van Stiller, evenals de lerares Marijnissen. Steeds meer personen raken verwikkeld in het verhalenweb van deze geheimzinnige figuur en als Stiller dan eindelijk op het Zuiderstation verschijnt, wordt hij door een legerwagen doodgereden. Stiller wordt opgebaard, maar drie dagen later is zijn lijk verdwenen – de verschillende personen totaal veranderd achter zich latend.

    Vanwege dit boek werd Lampo in 1961 laureaat van het Referendum der Vlaamse Letterkunde en kreeg hij de Staatsprijs voor het verhalend proza. Ook andere prijzen vielen hem ten deel, maar de belangrijkste lof kwam van de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels, die hem als eerste Vlaming vroeg om een novelle voor de boekenweek te schrijven – dat werd De goden moeten hun getal hebben (1969). In eigen land kreeg hij ook veel tegenwerking – zeker van de literaire kritiek. “Zij zijn vervolgens in gesloten geledingen tegen mij tekeergegaan, in de hoop mij het zwijgen op te leggen. Maar hoe meer zij met hun grote smoelen lawaai maakten, des te meer ik heb geschreven. En het publiek is mij gevolgd,” zegt Lampo in een interview met Trouw.

    Lampo is ongetwijfeld de belangrijkste pleitbezorger van het magisch realisme geweest, hoewel Johan Daisne de eer toekomt als ‘ontdekker’ van het genre. Er zijn ook grote verschillen tussen de twee Belgische schrijvers: Lampo’s magisch realisme is psychologisch van aard, terwijl Daisne zich meer op filosofische vraagstukken richtte. Lampo beschouwde het magisch realisme als een levenshouding, waarbij hij steunde op de theorieën van Carl Gustav Jung met zijn archetypen en collectief-onderbewuste ideeën. Ook in het schrijfproces zelf liet Lampo zich inspireren door het magisch realisme. Hij zocht voortdurend naar creatieve golven die een roman in een onverwachte richting zouden duwen en tevens diepere lagen van zijn eigen persoonlijkheid zouden aanboren. Veel van Lampo’s romans beginnen dan ook met een schijnbaar eenvoudige realistische scène, zoals de opengebroken straat in De komst van Joachim Stiller. Vervolgens komen meestal drie belangrijke thema’s aan bod: de stad Antwerpen (en een hieraan gelijkende parallelle stad in een andere wereld), de zoektocht naar een ideale vrouw (Don Juan en de laatste nimf, 1946) én een ideale wereld zoals Atlantis, het bijbelse Egypte of het vooroorlogse Europa. Zijn literaire techniek bestaat er vervolgens uit om het reële te verbinden met het mystieke, surrealistische of fantastische door middel van verstoringen op het niveau van tijd of plaats: de hoofdpersonen zijn hier al eens geweest (déjà vu) of er gebeuren dingen op twee plaatsen tegelijk.

    Met romans als Hermione betrapt (1963), De heks en de archeoloog (1967) en het autobiografische De draad van Ariadne (1967) schrijft Lampo zich in de jaren zestig naar de voorhoede van de Vlaamse en Nederlandse literatuur. Legioenen scholieren zetten zijn boeken op hun leeslijst. Hij krijgt de ene prijs na de andere en ondanks de tegenwerking van jaloerse collega’s wordt hij een schrijver met gezag, zeker als hij in 1983 de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies krijgt voor zijn gehele oeuvre. Naarmate de jaren tachtig voortschrijden lijkt de tijdgeest zich echter tegen hem te keren en beginnen het ironisch-realisme en het onverhulde autobiografische de overhand te krijgen in de Nederlandstalige literatuur. In 1983 begint Meulenhoff zijn romans gebundeld te herdrukken, te beginnen met De Antwerpse romans, hoewel Lampo nog driftig doorschrijft met romans als De elfenkoningin uit 1989 en De geheime academie uit 1994. Dat zijn oudere boeken nog steeds herdrukt worden, is een teken aan de wand: Lampo heeft iets in de Nederlandse lezer geraakt. “Ik ben ervan overtuigd dat mijn werk waardevol is. Anders zou ik niet zoveel lezers, vooral in Nederland, achter me hebben. Een fantastisch publiek trouwens. Het beste van de wereld. Het staat open voor wat ik maak. Mijn relatie met het publiek is totaal in tegenspraak met wat men uit de media zou kunnen concluderen.”

    Dit is een ingekorte versie. De gehele tekst is te vinden op www.boekenwereld.com, auteur: Lampo.

    Bezoek het genootschap

     

    mn

  • Lévi Weemoedt

    Hoewel de pers weinig belangstelling lijkt te hebben voor zijn werk, is Lévi Weemoedt bij een zeer breed publiek enorm populair. Met zijn zelfspot, melancholie en zwarte kijk op het leven heeft hij een vaste schare fans om zich heen weten te verzamelen.
    Lévi Weemoedt is het pseudoniem van de in oktober 1948 geboren Isaäk van Wijk. Zijn vader was werkzaam in een olieopslagbedrijf en schreef in zijn vrije tijd gedichten. Na het gymnasium te hebben voltooid ging Weemoedt Nederlands studeren in Leiden.

    Na zijn opleiding was Weemoedt van 1971 tot 1883 leraar Nederlands op een scholengemeenschap in Vlaanderen. Hij is gestopt met lesgeven omdat ‘te veel goeie bedoelingen en moeite  onder gaan in sleur en banaliteiten’.
    Van 1976 tot 1979 was Lévi Weemoedt redacteur van het Amsterdamse studententijdschrift Propria Cures. Tevens werkte hij in deze periode mee aan verschillende radio- en televisieprogramma’s en trad hij negen jaar lang op met Hans Dorrestein en de Buitenband met een repertoire van liedjes en gedichten.

    Naast zijn andere werkzaamheden schrijft Weemoedt gedichten. Ook heeft hij enkel verhalenbundels, een roman, en een novelle gepubliceerd. Weemoedt schrijft, naar eigen zeggen ‘voor eigen genoegen en vermaak’ en om ‘na alle depressies en treurigheid zijn eigen somberheid te bespotten’.

    Zijn poëzie en proza werd onder andere gepubliceerd in de Volkskrant, Avenue en Elle.
    Zijn debuut Geduldig Lijden verscheen in 1977 bij Thomas Rap. Het werk van Lévi Weemoedt is sterk autobiografisch te noemen en wordt gekenmerkt door de altijd aanwezige melancholie en doodsdrift. In zijn verzen steekt hij echter eerder op een milde dan op een wrange manier de draak met zichzelf en anderen. De vorm van zijn poëzie is traditioneel te noemen: Weemoedt schrijft voornamelijk sonnetten en bedient zich van een klassiek metrum en rijmpatroon.

    In 2018 viert Lévi Weemoedts zijn 70ste verjaardag, ter gelegenheid daarvan stelde Özcan Akyol, die een bewonderaar is van Weemoedt,  een bloemlezing samen van zijn werk.

     

    Bibliografie

    • Geduldig Lijden (gedichten, 1977)
    • Geen bloemen (gedichten, 1978)
    • Van dansen en zingen & treuriger dingen (gedichten, 1980)
    • Bedroefd maar dankbaar (gedichten, 1980)
    • Zand erover (gedichten, 1981)
    • Van harte beterschap (gedichten, 1982)
    • Treurpiet (gedichten, 1982)
    • Een treurige afdronk (verhalen, 1983)
    • De zachte stal (gedichten, 1984)
    • Daar komt de bruid… Over trouwen en andere sprookjes (verhalen, 1985)
    • Weemoedt en vrede (gedichten, 1985)
    • De ziekte van Lodesteijn (roman, 1986)
    • Liedjes van welzijn, volksgezondheid & cultuur (gedichten, 1987)
    • Liefdewerk oud papier (verhalen, 1987)
    • Acte van verlating (verhalen, 1988)
    • Een treurige afdronk (gedichten, 1990)
    • De nadagen van Lodesteijn (novelle, 1990)
    • Halte tranendal (verhalen, 1991)
    • Ken uw klassieken! (verhalen en gedichten, 1992)
    • Overal wat (verhalen, 1995)
    • Zondagskind (verhalen, 1996)
    • Oratio pro Assen (toespraak, 1996) – t.g.v. de heropening van het Drents Museum op 30 november 1996
    • Ons soort mensen (verhalen, 1999)
    • Rijk verleden (gedichten, 1999)
    • Vanaf de dag dat ik mensen zag (2007)
    • Met enige vertraging (2014)
    • Pessimisme kun je leren! De mooiste versjes uitgekozen door Özcan Akyol (2018)

     

    Bron: http://www.boekenwereld.nl/

     

  • Geert van Istendael

    “Ik bemin België om zijn kleine corruptie, zijn regelingetjes, zijn plantrekkerij, het omzeilen van wetten, het profiteren van al wat macht heeft. Ik haat België omdat je er niets kunt regelen zonder vriendendiensten, omdat alles er krom geïntrigeerd en met de mantel der macht bedekt wordt.”

    Europa, 2092. Er loopt een bobbelende grens kriskras door het continent. Geen koffielijn van Michael Zeeman (‘Europa eindigt waar je prut in de koffie vindt’) maar een betaal- nietbetaal grens. Arm en rijk. De ene kant wil niet meer betalen voor de kosten van de andere. Een journalist reist in De zwarte steen van Geert van Istendael door dit continent: van het Europese Richtlijngebied naar de Vrije Economische Zones. Een barre en tegelijk sprookjesachtige tocht, neergepend in brakende bijwoorden.

    Geert van Istendael groeit op in een uitgesproken katholiek, internationaal gericht en erudiet milieu. Zijn vader is algemeen secretaris van het Internationaal Christelijk Vakverbond en van 1947 tot 1953 verblijft het gezin in Utrecht. Van Istendael studeert sociologie en wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit Leuven en werkt nadien als wetenschappelijk onderzoeker op het gebied van de ruimtelijke ordening voor het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. In 1978 wordt hij journalist en nieuwslezer bij de Belgische Radio en Televisie. Daar profileert hij zich vooral als kenner van de Belgische en Duitse geschiedenis en politiek. Hij debuteert in 1978 met Bomen wijzen niet maar wuiven

    Grote bekendheid kreeg Van Istendael als auteur van goed gedocumenteerde en niet het minst voor buitenlanders leerzame boeken over België en Brussel. In zijn veelgelezen boek Het Belgisch labyrint of De schoonheid der wanstaltigheid (1989) analyseert de schrijver op onovertroffen manier zijn geboorteland. Zoals de Franse symbolist Baudelaire ruim een eeuw geleden in de wanstaltigheid van België schoonheid vond, zo ziet Van Istendael de tragische grandeur van zijn Arm Brussel. Hij noemt het een stad zonder meerderheden en omwille van haar openheid en meertaligheid een stad die al veel moderner is dan Berlijn of Parijs. Hij heeft het voor ketjes en zinnekes, voor Het geduld van de dingen tegenover het dolgedraaide vooruitgangsdenken. Na een eeuw van migraties en cultuurmix bemint hij de onzuiverheid en de ontwrichtende werking van Brussel in het zelfgenoegzame Vlaanderen. Voor Geert van Istendael is Brussel daarom de stad van de toekomst, niet als stad van de eurocraten, maar als forum voor wereldverbetering. 

    Ook in Bekentenissen van een reactionair (1994), Anders is niet beter (1997) en Nieuwe uitbarstingen (1999) legt de essayist een grote polemische gedrevenheid aan de dag. Ook in deze boeken schrijft de democratische reactionair zijn woede van zich af, woede om de koterijen en kloterijen die in het licht absurde België onuitroeibaar blijken te zijn. Polemisch in zijn essays, idealistisch in zijn ecologisch Heggeland-sprookje, symbolisch in zijn leerdichten en anti-pastorales; Zijn werk is een staalkaart van oprispingen, historische feiten, visie, zelfportret en duiding.

    “Ik bemin België omdat het bestaat. Ik haat België omdat het bestaat.”
    Brussel, België, Europa. Voor diegenen die de mythologische geschiedenis van het toekomstige Europa willen lezen, is er nu De zwarte steen.

    (Meer paradoxale aforismes van de schrijver afkomstig uit het Belgisch Labyrinth: http://www.xs4all.nl/~wzweers/dossiers/belgie/index.html?artikelen/istendael.html

    Een beschouwing door van Istendael over soldaat Svejk: http://www.radio1.be/programma/gulliver/series/Svejk.htm

     

     
     

  • Thomas van Aalten

    ‘Hopeloos is het natuurlijk wel. Werd ik in het weinig flatteuze jaar 2000 geportretteerd door de Nieuwe Revu als “smaakmaker” omtrent mijn bezigheden op het artistieke vlak, in januari 2004 komt nu de Avantgarde op de proppen met een serie portretten over “mensen die het gaan maken” en ja hoor, Van Aalten mag zich weer scharen tussen de beginnelingen en nieuwkomers.’

    Aldus Thomas van Aalten (Huissen, 26 september 1978) in een bericht op zijn eigen website, getekend Amsterdam 6 november 2003. In het genoemde jaar 2000 verscheen zijn debuutroman Sneeuwbeeld bij Uitgeverij Podium, een jaar later gevolgd door Tupelo. Beide boeken zijn zeer wisselend ontvangen, waarbij het in grote lijnen neerkomt op harde afwijzingen door meer gevestigde literaire beoordelaars en gespreide armen van jonger en/of meer subliterair publiek.

    Het is, juist om de gebezigde taal, waarschijnlijk beter Van Aalten zelf over zijn werk aan het woord te laten. Op zijn website schrijft hij: ‘Een van de belangrijkste thema’s in het werk van Thomas van Aalten is het degenereren van de mensheid in de huidige tijd, meestal gegoten in een donkere, sfeervolle en soms absurde stijlvorm. Al het werk van Van Aalten, of het nu de muziek, de scenario’s of het proza is, valt onder de noemer “onbehaaglijk”. Beïnvloed door verschillende aspecten van meerdere kunstdisciplines; de hysterische electrorock van Thom Revolver kan als soundtrack dienen voor apocalyptische trashy new-wave sci-fi-films, de romans bevatten beklemmende filmscènes in geschreven woord. Van Aalten is hevig geïnspireerd door diverse grootheden; via Nick Cave naar Don Delillo, overstappen bij Bolland en Bolland, daar de snelste route langs David Lynch, Simon LeBon (Duran Duran) en dan, als eindhalte voor Van Aalten’s diabolische deathtrip: uw televisie en uw psychische manco’s.’

    Het hoogtepunt van zijn ‘deathtrip’ wordt volgens Van Aalten zelf bereikt door zijn nieuwste roman: Sluit Deuren en Ramen, in mei 2003 verschenen bij Ambo/Anthos. Ook naar aanleiding van dit boek zullen verschillende lezers sterk uiteenlopende antwoorden willen geven op de verzuchte vraag die Van Aalten laat volgen op zijn webnotitie van 6 november: ‘komt er een dag dat ik door mag gaan als veteraan, als de connaisseur, de alwetende, de professional? (…) In mijn angstdromen ben ik het soort figuur dat het eeuwig “gaat maken”, maar het nooit daadwerkelijk maakt.’

    Romans van Thomas van Aalten:

    Sneeuwbeeld (Podium, 2000)
    Tupelo (Podium, 2001)
    Sluit deuren en ramen (Ambo/Anthos, 2003)

    Van 1999 tot en met 2001 maakte Van Aalten televisie voor de VPRO (Waskracht!) en in november 2001 werd de televisiefilm ‘Dum Dum Boys’ uitgezonden, waarvoor Van Aalten het scenario schreef. In opdracht van de Amsterdamse televisiezender P.A.R.K.-tv schreef Van Aalten tevens het verhaal ‘Costa del Satan’, te downloaden op: http://www.park.nl/newsmaker/public/shownews.php3?tussenvoegsel=&keuze=nieuwspagina

    Van Aaltens muzikale alter ego Thom Revolver bracht in juni 2001 het debuutalbum ‘Unholy Gods’ uit; naar verluid verschijnt op korte termijn een nieuw album, onder de titel ‘One of the Boys’, zie: http://www.thomrevolver.com/

    Vrouwkje Tuinman, voor Trajectum, over Thom Revolver: http://www.trajectum.hvu.nl/column_contact.html

    Recensie (23-06-2000) van Sneeuwbeeld, door Coen Peppelenbos in de Leeuwarder Courant: http://home.concepts-ict.nl/~coenp/aalten.htm

    Recensie (20-05-2001) van Tupelo, door Erwin van Wouw in De recensent: http://users.raketnet.nl/derecensent/thomasvanaalten.htm

    Recensie (26-05-2003) van Sluit deuren en ramen, door Omar Muñoz-Cremers in De Subjectivisten: http://www.subjectivisten.org/archives/000573.php

    Nog een link, naar aanleiding van Sluit deuren en ramen: http://www.omroep.nl/nps/flyer/welcome.html?lifestyle/boekrecensie_aalten.html~contentframe

    En tenslotte natuurlijk Van Aaltens eigen website, waarvan ook de foto afkomstig is: http://www.thomasvanaalten.nl/

     
    tm

    (van nijlen zit hieronder)

    De eenzame

    Een grijze middag in ’t begin van mei,
    een klein café ‘Au Voyageur’ geheten,
    in wolken rook rijdt soms een trein voorbij…
    Wat doe ik hier? De hemel mag het weten.

    Van de oude dromen, die ik dacht vergeten,
    voel ik de vleugelslag opeens nabij;
    reeds deze morgen wist ik mij bezeten,
    is het de lente, of ligt de schuld aan mij?

    Sedert de tijd dat ‘k lezen kan en schrijven
    kon ik nooit rustig in een kamer blijven.
    Nú ben ‘k alleen maar thuis in de natuur

    of in een koffiehuis. Ik kan niet leven
    met vaders, moeders, zusters, nichten, neven,
    soms met een vriend, en voor een enkel uur.

    Een dichter die altijd een beetje wegvalt in de schaduw van J.C. Bloem, zo zou je Jan van Nijlen (1884-1965) kort en bondig kunnen omschrijven. Deze Vlaamse dichter, die in 1906 debuteerde met de bundel Verzen, kreeg aanvankelijk niet de aandacht die hij verdiende. Zijn eerste bundels werden nauwelijks opgepikt door de literaire kritiek van die tijd. Zijn gedichten trokken meer aandacht toen de Forum-generatie (waarin Menno ter Braak, E. du Perron en Jan Gresshoff een voorname rol speelden) zijn werk herontdekte en enkele uitgebreide beschouwingen aan hem wijdde. De uitgave van zijn Verzamelde Gedichten, in 1948, kwam daardoor precies op het juiste moment.

    Van Nijlens werk kenmerkt zich door een groot gevoel voor de natuur, soms zou je zijn gedichten zelfs ronduit spiritueel kunnen noemen. Maar wat vooral zo aanspreekt, ook nu nog, is de grote deemoedigheid waarmee hij kon schrijven over de vergankelijkheid der dingen, en de weemoed die een mens voelt bij een toenemende vereenzaming. Hij grijpt vaak terug naar het simpele geluksgevoel dat men ervoer toen men kind was. Net als Bloem brengt hij soms een grimmige ironie aan in zijn poëzie, wanneer de situatie of het gevoel hem te machtig wordt. Mede hierdoor werd hem soms verweten dat Van Nijlens werk niet aangrijpend genoeg zou zijn; dat hij te veel afstand creëerde tussen hemzelf en zijn gevoel. Marnix Gijsen verweet hem dat zijn werk ‘luister en diepere dramatische bewogenheid’ misten. Dit is niet helemaal terecht. Juist door de beheersing van de taal en de weloverwogenheid waarmee hij zijn indrukken verwoordt, krijgt zijn werk iets aangrijpends. In de koelogende observatie zit vaak meer leed verborgen dan in de overdadig gebrachte doorvoeling van een emotie.

    Den zomernacht die hen zo diep ontroert
    zal hij wellicht, zij nimmermeer vergeten;
    hij was als zij: verwonderd en vervoerd,
    zij niet als hij: gepijnigd en verbeten.

    (uit: Gescheiden, 1934)

    Van Nijlens beste werk kan zich zonder meten met dat van J.C. Bloem, al is bij Van Nijlen het gemis en de leegte die daaruit voortvloeit prangender aanwezig. Mooie poëzie voor de net begonnen winter.

    Jan van Nijlen, Verzamelde Gedichten. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 1979.

    Daphne de Heer