• Guus Kuijer

    Ik wil niet altijd succes hebben, ik wil er niet aan wennen. (…) Ik wil niet de gevierde schrijver zijn; ik wil het spannend houden voor mezelf. 
    In: Schrijven (1980)

    Toen Guus Kuijer deze woorden sprak in 1980 had hij toch al enkele successen op zijn naam staan. Ondanks zijn blijkbare weerwil groeide deze lijst uit met nog vele titels en bekroningen. 

    Guus Kuijer (Amsterdam, 1942) groeide op in een streng godsdienstig gezin met zes kinderen. Op de lagere school ging het niet goed met hem: hij bleef maar liefst drie keer zitten. Zijn interesse ging meer uit naar muziek en vissen, dan naar leren. Om te kijken wat er aan hem mankeerde werd hij getest. Uitslag van die test: Guus wil niet volwassen worden. Zijn wanhopige ouders stuurden hem naar een internaat in Zutphen. ‘Dat waren twee afschuwelijke jaren,’ zou hij later over die periode zeggen. Daarna ging hij naar de Kweekschool en was van 1967 tot 1973 onderwijzer. Buiten de schooluren begon hij boeken voor volwassenen te schrijven. Omdat dat niet te combineren viel gaf hij zijn baan in het onderwijs op en werd in 1973 fulltime schrijver. 

    Hoewel Kuijer zoals gezegd in eerste instantie voor volwassenen schrijft, verwerft hij pas echte bekendheid met zijn kinderboeken, en dan met name die over ‘Madelief’. Zijn debuut Met de poppen gooien wordt meteen bekroond met een Gouden Griffel. Het werk van Guus Kuijer wordt als vernieuwend beschouwd. Dat heeft vooral te maken met het feit dat hij in zijn boeken altijd de kant van de kinderen kiest: hij geeft ze een stem en laat ze voor hun mening uitkomen. De verlangens, gevoelens en de rechten van kinderen staan centraal. Over zijn visie op kinderen en jeugdliteratuur schrijft hij later ook een essay, Het geminachte kind (1980).

    Hoe uiteenlopend zijn oeuvre ook is,  een belangrijk element komt in al zijn boeken terug: een kritische kijk op de maatschappij. Met zijn boeken wil Guus Kuijer laten zien hoe krankzinnig de wereld in elkaar zit. Hij schrijft veel over de minachting van de maatschappij tegenover alles en iedereen die zwakker is.

    In 1997 ontving Kuijper de Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur voor zijn gehele oeuvre.

    Proza
    1971 Rose, met de vrome wimpers (verhalen)
    1973 Het dochtertje van de wasvrouw
    1975 De man met de hamer
    1980 Wimpers (heruitgave van ‘Rose, met de vrome wimpers)
    1988 Izebel van Tyrus
    1989 De redder van Afrika
    1992 Het vogeltje van Amsterdam

    Essays
    1980 Het geminachte kind 
    1983 Crisis en kaalhoofdigheid

    Kinderboeken en bekroningen
    1975 Een gat in de grens
    1975 Met de poppen gooien Gouden Griffel
    1976 Grote mensen, daar kan je beter soep van koken Zilveren Griffel
    1977 Op je kop in de prullenbak 
    1978 Krassen in het tafelblad Gouden Griffel
    1978 Hoe Mieke Mom haar maffe moeder vindt 
    1979 Ik woonde in een leunstoel 
    1979 Een hoofd vol macaroni Vlag en Wimpel
    1980 De tranen knallen uit mijn kop Vlag en Wimpel
    1983 Het grote boek van Madelief 
    1983 Eend voor eend Zilveren Griffel
    1984 De zwarte stenen Vlag en Wimpel
    1986 De jonge prinsen Vlag en Wimpel
    1987 Tin Toeval en de kunst van het verdwalen Zilveren Griffel + getipt door de Nederlandse Kinderjury
    1987 Tin Toeval en het geheim van Tweebeens-eiland Zilveren Griffel
    1989 Tin Toeval en de kunst van Madelief 
    1990 Olle Vlag en Wimpel
    1993 Tin Toeval en de onderwereld 
    1996 De grote Tin Toeval 
    1999 Voor altijd samen, amen Gouden Griffel
    2000 Het is fijn om er te zijn 
    2000 Het geluk komt als de donder 
    2001 Met de wind mee naar de zee Zilveren Griffel
    2001 Ik ben Polleke hoor! (CPNB) Woutertje Pieterse Prijs
    2003 Polleke. Bevat: Voor altijd samen, amen; Het is fijn om er te zijn; Het geluk komt als de donder; Met de wind mee naar de zee; Ik ben Polleke hoor! 
    2004 Het boek van alle dingen 

    Bronnen:
    http://home.wanadoo.nl/richard.thiel/auteurs/gkuijer
    http://taallijnen.malmberg.nl/auteursdossiers
    http://www.geocities.com/Athens?ithaca/2249/kuijerguus.html

    ST

  • Albert Camus

    Albert Camus wordt in 1913 geboren in een arm gezin uit Mondovi, een kuststadje in de franse kolonie Algerije. Als hij 1 jaar oud is, komt zijn vader om in de Eerste Wereldoorlog. Hij wordt grootgebracht door zijn ongeletterde moeder. Hoewel Camus’ moeder weinig affectief is, bewonderd Camus zijn leven lang haar heroïsche inzet voor haar gezin, ze is een blijvende inspiratiebron voor hem.

    Het effect van de armoede waarin hij opgroeit, doet hem sympathiseren met de mensheid waar je bitterheid zou verwachten. Dit komt tot uitdrukking in zijn literaire werk en politiek activisme.

    Louis German, één van zijn leraren en overtuigd van zijn intelligentie, helpt hem aan een beurs om te kunnen studeren aan een goede universiteit. Camus heeft grote waardering voor Germain en draagt zijn Nobelprijs, die hij in 1957 won, aan hem op.

    Hij gaat in 1933 filosofie studeren aan de Universiteit van Algerije, en houdt het hoofd boven water door alles wat er maar te werken valt aan te nemen. Hij trouwt een jaar later met Simone Hié, een heroïneverslaafde die hij in 1936 verlaat en van wie hij 4 jaar later scheidt.

    Hij wordt in 1936 lid van de Communistische Partij, organiseert culturele activiteiten en leidt de theatergroep van de partij. In 1937 breekt hij met de partij, maar blijft werken voor het theater omdat hij sympathiseert met het politiek theater voor de arbeidersklasse. In datzelfde jaar komt zijn eerste essaybundel uit; l’ Envers et l’endroit.

    Omdat Camus niet in staat is zijn academische carrière voort te zetten, hij heeft gezondheidsproblemen, wordt hij journalist voor een linkse krant. Wanneer deze failliet gaat, vertrekt hij naar Parijs en vlak na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog naar Lyon. Hij wordt verliefd op Francine Faure, waarmee hij in 1940 in het huwelijk treedt. Dankzij invloedrijke vrienden is hij in staat om l’ Etranger en De Mythe van Sisyphus uit te brengen bij Gallimard in 1942. Beide werken veroorzaken flinke commotie in intellectuele (humanistische) kringen vanwege de gelatenheid van de hoofdpersonen met hun eigen lot.

    Na een door de oorlog gedwongen scheiding van Faure blijft Camus in Parijs. Hij gaat bij het Franse Verzet en wordt redacteur van Combat, een leidinggevende ondergrondse krant. Dit blijft hij tot het einde van de bezetting.

    Hij blijft romans en toneelstukken schrijven, en ontmoet o.a. André Gide en Jean Paul Sartre. In 1944 wordt hij herenigd met zijn vrouw. Combat groeit uit tot de grootste politieke krant van naoorlogs Frankrijk. In 1947 vertrekt Camus, het hoogtepunt is geweest en zijn ontwikkelende politieke opvattingen doen hem steeds verder verwijderd raken van waar hij ooit geloof voor had. Hij wordt vader van een tweeling en zijn toneelstuk Caligula wordt een groot succes, maar met zijn linkse vrienden botert het steeds minder. Er is sprake van politieke meningsverschillen en in 1952 komt het tot dramatische en openlijke breuk met Sartre.

    Camus is niet in staat een compromis te vinden tussen zijn politieke opvattingen, zijn afkomst en de wereld om hem heen. De burgeroorlog in Algerije doet Camus steeds verder afdwalen van zijn oorspronkelijke existentialistische opvattingen. Lange tijd blijft het stil. Hij is door die innerlijke (politieke) onrust en problemen met Faure vanwege zijn vele escapades niet in staat tot schrijven, maar keert uiteindelijk terug in het theater door Dostojevski en Faulkner te bewerken. Hij brengt dan ook een bundel met oude essays uit en keert kort terug in de journalistiek, waar hij voor het tijdschrift ‘l Express alsnog zijn gedachten laat gaan over de Algerijnse situatie. Faure heeft hem dan verlaten.

    In 1956 publiceert hij De Val en in 1957 wordt hij bekroond met de Nobelprijs.

    Terwijl hij werkt aan een autobiografisch werk over zijn jeugd in Algerije komt hij om het leven bij een auto-ongeluk. Ironisch, voor wie zich herinnerd dat het Camus was die zei dat hij zich geen zinlozere dood kon voorstellen dan op de manier waarop hij zelf zijn einde vond.

    Bibliografie:

    1937 Keer en Tegenkeer (verhalen)
    1942 De Vreemdeling (roman)
    1942 De Mythe van Sisyphus (essay)
    1945 Caligula (theater)
    1947 De Pest (roman)
    1951 De Mens in Opstand (essays)
    1956 De Val (roman)
    1957 Koninkrijk en Ballingschap (verhalen)

  • Elly de Waard

    ‘Vaak neem ik mijn gedichten op de band op en beluister ze vervolgens. Dan hoor ik waar ik uit de maat ben. Ik heb het al eens eerder gezegd: dichters die hun eigen werk niet kunnen voordragen zijn geen goede dichters. Die hebben te weinig naar zichzelf geluisterd.’

    Bovenstaand citaat is afkomstig van Elly de Waard. Jarenlang schreef zij voor Vrij Nederland en de Volkskrant over popmuziek en gold als toonaangevend op dit gebied. Het is tegen deze achtergrond niet verwonderlijk dat ritme een zeer belangrijke rol speelt in haar werk. Maar haar gedichten worden bovenal gekenmerkt door een sterke lyriek en de liefde tussen vrouwen. 

    Elly de Waard werd op 8 september 1940 geboren te Bergen. Op achtendertig jarige leeftijd debuteerde zij als dichter met de bundel Afstand. Van meet af aan keerde zij zich in haar werk tegen de invloed van de Vijftigers en pleitte voor een vitalisering van de Nederlandse poëzie door er de agressiviteit en emotionaliteit van de popmuziek in door te laten klinken. Dickinson, Plath, Vasalis en Gerhardt rekent zij tot haar belangrijkste voorbeelden. 

    In 1981, met haar bundel Furie, vindt De Waard haar definitieve stem: gepassioneerde liefdeslyriek, zeer direct en met grote inzet geschreven. Vanaf deze bundel zal de vrouwenliefde een belangrijk thema in haar werk blijven. In haar vroegere werk worden de heftige gevoelsuitbarstingen in balans gehouden door een strakke vorm. In later werk weet zij deze strakke vorm enigszins los te laten. 

    In de jaren tachtig gaat De Waard zich actief inzetten in de vrouwenbeweging. Uit een poëzieworkshop voor vrouwen die zij op initiatief van de Stichting Amazone gaf, ontstond de groep ‘De Nieuwe Wilden’. In 1987 verscheen een bloemlezing van deze groep onder de titel De Nieuwe Wilden in de Poëzie. Elly de Waard was tevens betrokken bij de instelling van de Anna Bijns Prijs. Deze prijs onderscheidt tweejaarlijks een vrouwelijk geluid in de literatuur. 

    Elly de Waard woont momenteel midden in de duinen, in huis Vogelwater; een oud jagershuis waar Prins Hendrik nog kwam. De stilte werkt aanlokkelijk: niet alleen voor De Waard zelf, maar ook voor collegaschrijvers als Guus Vleugel, Joseph Brodsky en Renate Rubinstein. Zij hebben regelmatig gewerkt in het huis van De Waard. 

    Werken
    Afstand (1978)
    Luwte (1979)
    Strofen (1983)
    Anna Bijns (1985)
    Een wildernis van verbindingen (1986)
    Sara (1987)
    Onvoltooiing (1988)
    Eenzang (1992)
    Eenzang twee (1993)
    Het zij (1995)
    Anderling (1998)
    Zestig (2000)
    Van cadmium lekken de bossen (2002)
    Als ik niet aan je denk of raak : een keuze uit de erotische gedichten (2002)
    De hemel van Toulouse (2004)

    Het werk van De Waard wordt uitgegeven door De Harmonie. 

    Meer over De Waard: http://www.vpro.nl/programma/ram/afleveringen/11479385/items/11727858/

    http://www.deharmonie.nl/auteur/auteurdetail.asp?id=47

    De informatie uit dit stuk is afkomstig van deze twee sites en het citaat is afkomstig van laatstgenoemde site. 

    AMvdP

  • Johan Daisne 1912 – 1978

    Johan Daisne staat bekend als degene die met werken als De trap van steen en wolken, De man die zijn haar kort liet knippen en De trein der traagheid de term magisch-realisme in de Nederlands(talige) literatuur introduceerde. Hij was ook econoom, slavist, filmkenner, leraar, redacteur en gedurende het grootste deel van zijn leven bibliothecaris. Maar vooral was hij een veelschrijver die alle genres beoefende: poëzie, essayïstiek, verhalend proza, toneel, filmkritieken- en scenario’s, journalistieke reportages en hoorspelen.

    Johan Daisne wordt als Herman Thiery geboren in Gent in 1912 in een onderwijzersgezin. Zijn vader was een aanhanger van Tolstojs leer en studeerde Russisch om de meester in het origineel te kunnen lezen. Naast een afbeelding van Christus hingen thuis de portretten van Tolstoj en andere Russische schrijvers aan de muur. Als kind leest Daisne naast spannende boeken (Buffalo Bill, Nick Carter, Gustave Aimard) ook meisjesboeken (Top Naeff, Tine van Berken): om boeken te kunnen kopen verkoopt hij Nederlandse en Franse opstellen aan zijn klasgenoten. De familie bezoekt de zondagse opera, waar Daisne zich doorgaans verveelt. Hij ziet meer in avontuurlijke films als The mark of Zorro en schrijft daar stukjes over (‘filmatiekjes’). Vooral de vragen of de held goed of slecht en het verhaal waar gebeurd is, houden hem daarin bezig. Hij verzamelt van alles wat op film betrekking heeft, knipsels, foto’s en affiches.

    Daisne is een ijverig baasje. Op school – hij doet atheneum – is hij steeds nummer één van de klas. Hij is blijkbaar zo ijverig dat hij tegen het eind van zijn schooltijd overwerkt raakt en er een half jaar tussenuit moet. In die periode werkt hij als jongste bediende in een textielfabriek en bereidt zich voor op het toelatingsexamen voor de universiteit.

    Van 1930 tot 1935 studeert Daisne naast economie ook talen (Russisch, Tsjechisch, Spaans, Bantoe en Zweeds) in Gent. Na zijn afstuderen gaat hij in dienst. Hij gebruikt de twee jaar van zijn dienstplicht goed door aan zijn proefschrift (over wijsgerige waarden in de economie) te werken. Zijn afleiding: de wekelijkse bioscoop in Antwerpen op zondagavond. In 1936 promoveert hij.

    In kranten en tijdschriften verschijnen in die tijd al romantisch getinte verzen van zijn eigen hand naast vertalingen uit het Russisch (Poesjkin), onder het pseudoniem Johan Daisne. Zijn pseudoniem leidde hij af van het Franse departement Aisne, de geboorteplaats van Jean de Chateau-Thiery, een adellijke voorvader van zijn vaders kant.

    Een studiereis naar de USSR als secretaris-tolk van Nobelprijswinnaar Jules Bordet levert de reportage Stof op het Kremlin (1935) op. Eind 1935 verschijnt Daisnes eerste bundel Verzen.

    Na zijn diensttijd werkt hij even als surveillant bij het atheneum in Gent en daarna bij de Landsbond der Bouwbedrijven, als adjunct-directeur. Daarnaast werkt hij als leraar Duits aan de meisjeskweekschool in Gent en docent Nederlands aan het Instituut voor Sociale Studie in Brussel.

    In 1939 wordt hij opgeroepen voor actieve dienst. De oorlog maakt hij mee in België en later in Frankrijk, waar hij het verhaal Aurora (1940) schrijft. Tegen het einde van de bezetting duikt hij onder.

    Hij trouwt in 1944 met Polly van Dyck. Hun eerste kind, een dochtertje, overlijdt kort na de geboorte. Deze gebeurtenis tekent Daisne voor de rest van zijn leven. Hij wijdt een verzenbundel Ikonakind (1946) aan zijn overleden kind. Het jaar daarop krijgt het echtpaar een zoontje, maar het huwelijk strandt toch. Daisne hertrouwt in 1957 met Marthe Kinaupenne.

    Na de bevrijding wordt hij hoofdbibliothecaris van de Gentse stadsbibliotheek en blijft daarnaast lesgeven. Hij schrijft reportages naar aanleiding van bezoeken aan na-oorlogs Nederland (De Hollandse reis, 1947) en Duitsland (Reisebilder, 1948) en het Poolse vredescongres in Wroclaw (De vrede van Wroclaw, 1948), waar hij onder meer Ehrenburg, Fadeev, Picasso, en Julian Huxley ontmoet.

    Al die tijd blijft Daisne schrijven: naast zijn werk en gedurende de oorlog. In 1939 verschijnt voor het eerst verhalend proza van zijn hand, een novelle: Gojim. Zijn eerste roman De trap van steen en wolken verschijnt in 1942. Het werk baart opzien doordat het zich beweegt op de grens van droom en werkelijkheid, waarmee het afwijkt van wat op dat moment gangbaar is. Daisne geeft het de term magisch-realistisch mee en werkt dit (overigens niet nieuwe) begrip later uit in Letterkunde en Magie (1958). Als buitenlandse voorbeelden van dit genre noemde hij The picture of Dorian Gray (1891) en The strange case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde (1886).

    Naast reportages schrijft hij hoorspelen, filmscenario’s en enkele toneelstukken. Voor Het zwaard van Tristan, deel II van zijn toneeltrilogie De liefde is een schepping van vergoding krijgt hij in 1946 de driejaarlijkse staatsprijs. Hij is medeoprichter van het poëzietijdschrift Klaver(en)drie en redacteur van Werk en Nieuw Vlaams Tijdschrift. Verder schrijft hij maandelijkse filmkritieken voor Periscoop en bekleedt een bestuursfunctie bij het Koninklijk Belgisch Filmarchief.

    Eind 1947 verschijnt zijn bekendste roman De man die zijn haar kort liet knippen, de biecht van de gekwelde ex-leraar Miereveld die zijn vroegere leerlinge Fran doodt (of meent gedood te hebben). Het boek wordt in 1951 bekroond met de A. Beernaertprijs van de Koninklijke Vlaamse Academie en in 1965 verfilmd door André Delvaux.

    Ook de novelle De trein der traagheid (1950), door sommigen gezien als Daisnes beste werk, wordt door Delvaux verfilmd. In De trein der traagheid bevindt de verteller, een leraar, zich tot zijn bevreemding in een trein vol slapende mensen. De enige andere niet-slapers in de trein zijn een student en een professor. De trein stopt en de student stapt uit. De verteller en de professor volgen. De sfeer in het verhaal wordt steeds beklemmender tot de ontknoping, wanneer blijkt dat de trein een ongeluk heeft gehad en de drie zich in het gebied tussen leven en dood bevonden.

    In 1951 wordt Daisne zwaar ziek. Hij heeft zich opnieuw overwerkt. Het overlijden van zijn vader draagt bij aan zijn depressie.

    Het schrijven heeft in de loop der jaren meer en meer een genezingsaspect voor Daisne gekregen. Over Lago Maggiore (1957), de eerste roman die hij na zijn depressie schrijft, zegt hij in een interview: “Ik, die in De man die zijn haar kort liet knippen een mens in de vreselijkste ellende – die van de ziel – om het leven liet komen, heb thans geprobeerd zulk een mens te redden door hem een uitweg te wijzen, die liever niet de afgrond, maar over een louterend bergmeer voert”.

    Daisnes latere werk is sterk autobiografisch getint, zoals De neusvleugel der muze (1959), waarin zijn liefde voor film een grote rol speelt, en Hoe schoon was mijn school (1961), waarin hij herinneringen uit zijn lerarentijd ophaalt.

    Daisnes werk wordt meermalen bekroond. In 1967 ontvangt hij de internationale Kogge-Preis (Duitsland) voor zijn hele oeuvre. In 1978 voltooit hij zijn levenswerk, het Filmografisch lexicon der wereldliteratuur. Hij sterft op 9 augustus van hetzelfde jaar.

    Bronnen:
    Johan Daisne (Profielreeks), Manteau
    Johan Daisne, Bernard Kemp

     

    KP

     

  • J. W. F. Werumeus Buning 1891-1958, culinair dichter

    Dichter, schrijver en vertaler Johan Willem Frederik Buning werd op 4 mei 1891 geboren aan de Hoofdstraat A 193 in Velp. De familie Buning kreeg kort na zijn geboorte het recht om de familienaam te veranderen in het beter bij hun status behorende Werumeus Buning. Na zijn eindexamen HBS 1911 ging Werumeus Buning naar Amsterdam om te studeren voor het notariaat net als zijn vader. Dit mislukte waarop hij besloot journalist te worden. Hij kwam als redacteur bij De Telegraaf en later bij Elseviers weekblad. Naast kunst- en cultuurrecensies (ballet) hield hij zich vooral bezig met het onderwerp waar de meeste mensen hem nu nog van kennen: koken.

    In zijn jonge jaren hield Werumeus Buning al van een goede maaltijd. Als student gaf hij voor zijn maaltijd een veelvoud van de 2 gulden en 50 cent uit die zijn moeder voldoende achtte. Op de vraag wat de aanleiding van zijn aandacht voor de kookkunst was, antwoordde hij: Mijn vrouw kan niet koken. Hij was niet alleen een lekkerbek, hij hield ook hartstochtelijk van het koken zelf. ‘Een maaltijd klaarmaken is meer dan genieten van wat anderen op tafel zetten.’
    Die anderen waren het daar niet mee eens. Deze anti-culinairen waar Weremeus Buning waren zijn collega-dichters die meenden dat een man die een poëziebundel als In Memoriam (1928) (over de dood van zijn geliefde) schreef zich niet diende bezig te houden met keukenmeidengedoe: dat kon de waardigheid van de poëzie niet verdragen.
    Over zijn rol in de Tweede Wereldoorlog zijn de meningen verdeeld. Zeker is dat hij lid was van de Kultuurkamer, de organisatie die door de Duitse bezetter in 1942 was opgericht en waar iedereen die iets wilde publiceren lid van moest zijn. Het leverde hem na de oorlog een publiceerverbod van 1 jaar op.

    Daarvoor – in 1939 – verscheen voor het eerst een bundeling van zijn culinaria: 100 avonturen met een pollepel, nog steeds een van de schoonste Nederlandse kookboeken. Waarom?

    Hier ligt de man, -zoo wordt verteld
    Die knoflook heeft in eer hersteld
    En in land, literatuur en huis
    Weer aardsche geur gaf aan ‘t fornuis

    (J.W.F. Werumeus Bunings grafdicht)

    Tot slot een recept voor alle fijnproevers en levenskunstenaars:

    “De geheimen van de fritten
    Snijd de geschilde en gewassen aardappels aan staafjes van de vereiste maat en omvang, en zet deze niet te kort in koud water, dat zij melkachtig maken. Ververs het water tot het helder blijft, haal ze er daarna uit, laat ze uitlekken, en droog ze zeer zorgvuldig. Dit zeer zorgvuldige afdrogen met een doek is noodzakelijk en het eerste geheim van de fritterij.
    Laat ze nu bij niet te grote hoeveelheden in de tamelijk hete frituur glijden, en schep ze eruit als ze mooi lichtgoudgeel zijn geworden. Laat ze uitlekken terwijl ge een tweede partijtje bewerkt, en ga zo voort. Laat ze enige tijd zo staan!
    Laat nu het vuur onder de frituur feller branden, tot de lichtblauwe damp eraf slaat en doe de fritten er nogmaals in, korte tijd, tot ze nog goudachtiger zijn, en brosser. Deze tweede bewerking is het tweede geheim van de fritten. Doet ge het anders, dan blijven ze slap.
    Laat nogmaals uitlekken, zout terdege, en serveer. Dit recept is afkomstig van de beste Antwerpse frittenkraam.

    N.B. Zeg uw groenteboer dat ge aardappels wilt om fritten te maken. De ene aardappel is daar geschikter voor dan de andere.”

    uit: Buitenlandse gerechten voor fijnproevers

    Naast kookboekdichter vertaalde J.W.F. Werumeus Buning onder meer werk van Shakespeare, Garcia Lorca, Melville, Hemingway en Dreiser. Zijn vertaling van Cervantes’ Don Quichote, waarbij C.F.A. van Dam de filoloog was en J.W.F. het kunstwerk ‘na dichtte’, geldt nog steeds als een van de meest getrouwe.

    (MN)

     

  • Maria Barnas

    ‘Een eigenzinnige stijl is de kracht van Maria Barnas,’ kopte Piet Gerbrandy al in oktober vorig jaar in de Volkskrant, toen hij haar poëziedebuut Twee zonnen besprak. Ruim acht maanden later, tijdens het 35e Poetry International Festival in Rotterdam, bleek dat deze stijl haar de belangrijkste jaarlijkse literaire prijs voor debuterende dichters opleverde: niet Joep Kuiper, Bas Belleman of Saskia de Jong, maar Maria Barnas mocht de C. Buddingh’-prijs in ontvangst nemen.

    Voor sommigen kwam de bekroning van Twee zonnen, die eerder al genomineerd werd voor de Jo Peters Poëzieprijs, enigszins als een verrassing. ‘Maria Barnas is ongetwijfeld een heel erg lieve vrouw, dat lees je aan al haar gedichten af. Helaas is poëzie eerder gebaat bij de listen en lagen van een verleidelijk secreet,’ oordeelde Ilja L. Pfeijffer in een beschouwing in NRC Handelsblad, voorafgaand aan de uitreiking van de C. Buddingh’-prijs. Zijn uitgesproken favoriet was Joep Kuiper, naar wie eigenlijk ook Gerbrandy’s voorkeur uitging. Wel oordeelde die aanzienlijk positiever over de poëzie van Barnas: ‘Haar gebeeldhouwde zinnen verraden een sterke persoonlijkheid en een groot vakmanschap.’

    Barnas werd op 28 augustus 1973 geboren in Hoorn. Haar door Gerbrandy geroemde vakmanschap beperkt zich niet tot gedichten, want voordat ze haar eerste dichtbundel uitbracht, maakte ze al naam als kunstenaar en schrijver. Toch beschouwt Barnas de poëzie als de basis van alles wat ze doet, zoals ze eens in een interview met Iris Pronk in Trouw vertelde: pas als zij iets in een gedicht kan ‘oplossen’, zoekt zij naar een andere vorm.

    Zowel in haar poëzie als in haar proza (de romans Engelen van ijs en De baadster) blijken het vooral relationele en existentiële vraagstukken te zijn, die om een oplossing vragen. In elk van de drie werken betreedt de lezer de wereld van een jonge vrouw, worstelend om een betrouwbaar beeld van zichzelf, haar leven, haar omgeving en geliefdes te krijgen. Of hij dit opzich opzienbarende materie vindt, moet iedere lezer natuurlijk voor zichzelf bepalen; voor mij maken vooral de originaliteit van haar waarnemingen en de scherpte van haar formuleringen het werk van Barnas bijzonder.

    Barnas studeerde aan de Rietveld Academie en de Rijksacademie in Amsterdam. Aan de Rietveld is zij momenteel docent in afdeling Schrijven. Als beeldend kunstenaar exposeert zij internationaal en van haar schrijvershand verschenen naast twee romans ook een toneelstuk (De dood en de honden, voor de Gentse theatergroep Victoria) en een hoorspel (MaxA/B, voor Catalogue). Bovendien schrijft ze poëziebesprekingen, tweewekelijks voor de Groene Amsterdammer en minder frequent voor poëzietijdschrift Awater.

    Van Barnas verschenen:
    Engelen van ijs (roman, de Arbeiderspers, Amsterdam, 1997)
    De baadster (roman, de Arbeiderspers, Amsterdam, 2000)
    Twee zonnen (dichtbundel, de Arbeiderspers, Amsterdam 2003)

    Gedichten van Barnas staan opgenomen in de bloemlezingen Aan iedere spijker een regel (Prometheus, 1995), Double Talk (Arbeiderspers, 1997), Vanuit de lucht (Passage, 2001), en Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19e tot en met de 21e eeuw in 2000 en enige gedichten (Bert Bakker, 2004). Ook publiceerde ze gedichten in literaire tijdschriften als Tirade, Maatstaf en Bunker Hill.

    Beeldend werk van Barnas was te zien bij de galerie Fons Welters in Amsterdam, galerie Du Jour in Parijs, en Buro Friedrich in Berlijn. In het Diemerpark bracht ze het kunstwerk ‘De ontmoeting’ aan: teksten over gif en liefde verspreid over 103 putdeksels op de Diemerzeedijk, een oude gifstortplaats aan de rand van Amsterdam.

    Barnas dichtend:
    www.epibreren.com/rs/rs_frame.html?barnas.html
    Barnas beeldend: www.galeries.nl/mnkunstenaar.asp?artistnr=3483&vane=&em=&sessionti=630517822
    Audio Barnas: www.vpro.nl/boeken/index.shtml?3141869+5025064+10764655#people

    Thomas Möhlmann

  • Anna Blaman

    Johanna Petronella Vrugt werd op 31 januari 1905 geboren in een huis aan het Vredenoordplein te Rotterdam. In haar schooljaren werd zij soms Jo genoemd; in haar vroege jeugd heette zij, zoals later weer, Anna. Hoewel haar pseudoniem Blaman pas dateert uit de tijd waarin zij met A. A. M. Stols over de mogelijke uitgave van een dichtbundel correspondeerde (1938/1939), zullen wij haar in dit levensbericht noemen bij de naam, waaronder zij bekend is geworden.Anna Blamans vader was Pieter Jacob Vrugt. Hij werd geboren op 28 juli 1872 te ‘s-Hertogenbosch. Nadat op 13 mei 1904 zijn kinderloos huwelijk met Helena Elizabeth Krijger door echtscheiding was ontbonden, trouwde hij op 17 augustus 1904 met Johanna Karolina Wessels, bij wie hij drie kinderen verwekte.
    Johanna Karolina Wessels werd op 11 september 1885 te Rotterdam geboren. Toen zij Pieter Jacob Vrugt huwde, had zij al een kind van hem. Uit hun huwelijk werd, behalve de latere schrijfster, nog een dochter geboren: Jacoba Cornelia Vrugt, Anna Blamans jongere zuster.
    Pieter Jacob Vrugt was fietsenmaker, -handelaar en -verhuurder, een beroep waarin het hem voor de wind ging. Hij kon zijn gezin vier fietsenzaken nalaten, toen hij al op vierenveertigjarige leeftijd aan een hartaandoening overleed. Hij was een warmbloedige man, die van vrouwen en muziek hield. De kleine Anna haatte hem, omdat hij wreed was tegenover dieren en omdat hij haar ? een kind van zwakke constitutie ? hardhandig tot een flink meisje probeerde op te voeden.
    Anna Blamans moeder was een zachtaardige vrouw, die nuchter was en levenswijs: de toevlucht van haar gevoelig en introvert dochtertje, dat zij zonder veel woorden de extra aandacht schonk, die het nodig had. Zij hield van lezen, een hobby waarvoor zij haar huishouden kon verwaarlozen. Om na de dood van haar man in het levensonderhoud van haar gezin te kunnen voorzien verkocht zij diens fietsenzaken en nam een pension over in de Weste Wagenstraat. Anna Blaman heeft dit pension in Vrouw en vriend als het pension van de familie De Watter beschreven. Ook in Op leven en dood vinden we passages, die geïnspireerd zijn door de herinnering aan deze jaren; het portret van Stefans moeder, de slovende pensionhoudster, dat daarin wordt getekend, werd de schrijfster ingegeven door de warme bewondering die zij haar leven lang voor haar eigen moeder gekoesterd heeft.
    Anna Blaman werd in 1920 ingeschreven als leerlinge van de Rijksnormaalschool aan de Persoonshaven, nadat zij aan diverse scholen lager en uitgebreid lager onderwijs had gevolgd. Haar leraar Nederlands aan de Rijksnormaalschool was N. J. de Boer, de vader van de Rotterdamse schrijver J. W. de Boer. In 1924 behaalde zij de onderwijs-, en in 1926 de hoofdakte. Zij was tot 1934 als onderwijzeres in tijdelijke dienst werkzaam aan een groot aantal scholen in Rotterdam. Zij kreeg geen vaste aanstelling, omdat zij door gebrek aan interesse en gehinderd door bijziendheid gezakt was voor de akte handwerken.
    Haar behoefte aan culturele vorming werd door de opleiding tot onderwijzeres alleen gedeeltelijk vervuld. In haar streven zichzelf verder te ontwikkelen werd zij gestimuleerd door W. L. Brusse, die in die jaren met zijn broer Johan de Naamloze Vennootschap W. L. en J. Brusse’s Uitgeversmaatschappij aan de Walenburgerweg leidde. Zij liet Willy Brusse haar gedichten en prozaschetsen lezen, waarover hij zich krities prijzend uitliet. Een Schets uit deze jaren werd na Anna Blamans dood in Ruimte, Driemaandelijks cahier nr. 18 (december 1962) gepubliceerd.
    In 1929 had de jonge schrijfster een roman, Peter Minne, gereed, die door Brusse uitgegeven zou worden. Maar zij zag ter elfder ure van publicatie af, waarschijnlijk omdat zij haar werk nog niet rijp genoeg achtte.
    In de jaren waarin Anna Blaman de kweekschool bezocht, was zij zich van haar homoseksuele aanleg bewust geworden. Zij vatte niet lang daarna een grote liefde op voor een voordrachtskunstenares, die zij als Sara Obreen in Vrouw en Vriend zou portretteren. Toen zij in 1936 voor een nierziekte in het gemeenteziekenhuis aan de Bergweg werd verpleegd, leerde zij daar echter de vrouw kennen, die haar vriendin voor het leven zou worden, al zou deze vriendschap een jarenlange crisis moeten doorstaan. Samen met de moeder van Anna Blaman heeft deze vrouw, een verpleegster, tot de belangrijkste personen in haar leven behoord.
    Zoals alle auteurs van haar generatie, die naar het belangrijkste tijdschrift van die tijd wel de Criterium-generatie wordt genoemd, debuteerde Anna Blaman in zorgelijke maatschappelijke omstandigheden. De ecomische krisis van 1929 bracht veel werkeloosheid met zich mee. Men kon hoe langer hoe duidelijker de opkomst van fascisme en nationaal-socialisme gadeslaan. Een wereldoorlog dreigde. Voor Anna Blaman persoonlijk kwam daarbij nog dat ze een zwakke gezondheid had. Aan het eind van de jaren dertig, toen zij, ziek en werkeloos, op geen enkele andere carrière kon rekenen, begon zij, bijna tien jaar nadat zij Peter Minne had teruggenomen, opnieuw aan publiceren te denken. In 1938 bood zij uitgeverij A. A. M. Stols een dichtbundel aan, die geweigerd werd. In 1939 lukte het haar wat proza en een aantal gedichten geplaatst te krijgen in het jongerentijdschrift Werk. In dat tijdschrift debuteerde zij in april 1939 met het verhaal ‘Romance’. In 1939 leverde zij bovendien bijdragen aan Helikon, Tijdschrift voor poëzie, en de jongerenalmanak In aanbouw. In 1940 werd Criterium, Letterkundig maandblad opgericht, dat tot in 1942 zou blijven bestaan. Ook in dit tijdschrift publiceerde zij. Bij de uitgeverij van Criterium, J. M. Meulenhoff te Amsterdam, toen onder directie van J. R. Meulenhoff, verscheen in 1941 haar eerste roman, Vrouw en Vriend.
    Omdat Anna Blaman de behoefte voelde haar geringe culturele scholing ? een kenmerk dat zij met veel literaire generatiegenoten gemeenschappelijk had ? te verbeteren, ging zij studeren. In 1929 had zij zich, misschien onder invloed van haar contact met W. Brusse, al laten inschrijven aan de School voor Taal- en Letterkunde te Den Haag voor enkele lessen in de M.O.-cursus Nederlands. Lang hield zij zich met deze studie niet bezig. Nadat zij de voorbereidende studies aan het Instituut De la Rivière te Rotterdam voltooid had, liet zij zich in 1940 opnieuw aan de School inschrijven, ditmaal voor de cursus Frans M.O.-B. Zij behaalde de akte in 1945. Deze studie opende de toegang voor haar tot de cultuur van het land dat zij tot aan haar dood vaak zou blijven bezoeken. Zij hield veel van Parijs en bereisde meermalen het Franse platteland. Toen zij in 1950 een reisbeurs kreeg van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, besteedde zij deze in Frankrijk. Haar zomervakanties bracht zij graag door aan de Franse Zuidkust.
    In de oorlogswinter van 1944-‘45, de ‘hongerwinter’, kwam Anna Blaman in conflict met haar vriendin, zuster B. Anna Blaman had in hun vriendschap de vervulling van een door het lot voorbeschikte liefde gezien, maar haar vriendin, nuchterder van aard, vatte hun verhouding niet zo exclusief op en ging een relatie aan met een dansleraar, op wie zij verliefd was geworden. Een breuk bleek onvermijdelijk. Gedesillusioneerd zette Anna Blaman zich in 1946 tot het schrijven van Eenzaam avontuur, waarin zij het huwelijksconflict van Bart Kosta en zijn ‘raadselachtige Alide’ beschreef. Nog voordat de roman voltooid werd, was de goede verstandhouding tussen beide vrouwen enigszins hersteld, al zou hun vriendschap zich pas in het begin van de jaren vijftig opnieuw stabiliseren.
    Toen Eenzaam avontuur in november 1948 verscheen, veroorzaakte het een langdurig schandaal. Het werd op morele gronden verworpen door de katholieke en gereformeerde pers. Op 8 februari 1949 was het het middelpunt van een ter gelegenheid van de Boekenweek georganiseerd schijnproces in Rotterdam, dat op een rel uitliep. Toen de Commissie voor Schone Letteren van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in juni 1949 Eenzaam avontuur voordroeg voor de Lucy B. en C. W. van der Hoogtprijs, berichtte Anna Blaman het bestuur, dat zij de prijs niet zou aanvaarden, omdat het commissierapport haar eerder ontmoedigde dan aanmoedigde. In 1950 werd haar de literatuurprijs 1949 van de gemeente Amsterdam toegekend, hetgeen opnieuw aanleiding werd tot boze perscommentaren.
    Vooral in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog reisde Anna Blaman graag naar Amsterdam, waar zij ? onder andere in de culturele sociëteit De Koepel aan de Marnixstraat ? Gerard den Brabander, Ed Hoornik, Emmy van Lokhorst, Jeanne van Schaik-Willing, Theun de Vries en de kosmopoliete Mathilde Visser ontmoette. Ook bracht zij vaak een bezoek aan haar uitgever J. R. Meulenhoff en zijn vrouw Jacqueline, die beiden goede vrienden van haar waren. Een bijzondere liefde verbond haar met Amsterdam, de stad waarin sinds 1948 ook haar vriendin, zuster B. woonde en werkte. Maar Anna Blaman bleef Rotterdam trouw, waar zij in het huis van haar moeder een kamer bewoonde. Over haar liefde voor Rotterdam schreef zij in een Ten geleide voor een ongepubliceerd jaarverslag van de Rotterdamse Kring van Auteurs: ‘Ik zal nu eens ten bewijze van mijn liefde voor deze stad vertellen in welk opzicht ze naar mijn gevoel tekort schoot, heel mijn leven lang. Mijn voornaamste klacht was deze: zodra ik me bewust werd van een behoefte aan enige intellectuele confrontatie met mijn medemensen, voelde ik me binnen haar grenzen verloren als in een woestijn. Ik ging al vroeg denken: was ik maar in Parijs geboren, of in Amsterdam. En om na te gaan of die verzuchting gerechtvaardigd was, ben ik naar Parijs getogen en naar Amsterdam, en niet voor één dag, maar voor weken, maanden! En ik kom er maar meteen voor uit: ik vond daar wat ik hier miste, ik had het er heerlijk. Mijn behagen in die twee steden was één groot verraad aan mijn arme, a-spirituele en humorloze Rotterdam. Maar dat raakte mijn geweten ternauwernood. Ik dacht: verraad? Ik kom er immers weer terug om te werken, eenzaam, tussen mijn vier kamermuren: werken kan ik er goed. Het was dus als ’t ware z met Rotterdam was ik getrouwd, met die twee andere steden had ik een liaison. Dat ging goed totdat er iemand uit de Amsterdamse litteraire wereld tegen me zei: “ik kan me niet begrijpen waarom je in Rotterdam blijft, daar hoor je niet, je hoort echt in Amsterdam.” En dat vleide me niet, dat deed me geen plezier, integendeel, dat gaf me het gevoel van schaamte dat een in wezen trouw echtgenoot moet krijgen als zijn minnares hem van zijn vrouw, die hij als ’t erop aankomt voor niets ter wereld missen wil, probeert af te troggelen. Ik reisde naar huis terug, vervuld van de diepe overtuiging dat ik hier, in Rotterdam, hoorde, en omdat ik mijn ontrouw als een schijn-ontrouw had leren ontdekken, voelde ik mijn liefde voor haar sterker dan ooit tevoren, als een diep met mij vergroeid onverwoestbaar sentiment.’
    Aan het culturele leven van Rotterdam, dat samen met de in de oorlog verwoeste stad opnieuw opgebouwd moest worden, droeg Anna Blaman bij door haar medewerking aan het Rotterdams Toneel, waarvoor zij stukken vertaalde, en aan het idealistische toneelgezelschap De Rotterdamse Comedie, waaraan zij als dramaturge verbonden was. Ook richtte zij in 1952 met W. A. Wagener en Dr. A. J. Teychiné Stakenburg de Rotterdamse Kring van Auteurs op, waarvan zij voorzitster werd.
    In april 1955, een half jaar nadat haar roman Op leven en dood was verschenen, waarvan de hoofdpersoon een hartaanval moet doorstaan, werd Anna Blaman zelf door een hartinfarct getroffen. Zij werd maandenlang verpleegd door haar vriendin, die haar bij zich in huis nam om beter voor haar te kunnen zorgen. Anna Blaman genas, maar zij moest haar levenstempo matigen. Dit viel haar niet gemakkelijk. Zij schikte zich echter naar haar lichamelijke conditie onder het toeziend oog van zuster B. en begeleid door de zorg van haar familieleden. De gespannenheid die haar als jonge vrouw gekenmerkt had, viel van haar af. Mildheid en ironie op een zeer persoonlijke wijze verenigend, wist zij talrijke mensen, die haar per brief, telefoon of na afloop van een lezing benaderden om van haar de oplossing van hun meest intieme problemen te horen, voor zich in te nemen.
    In 1956 werd haar opnieuw de literatuurprijs van de gemeente Amsterdam toegekend, ditmaal voor Op leven en dood. In 1957 werd zij bekroond met de Nederlandse staatsprijs voor literatuur, de P.C. Hooftprijs, voor haar gehele oeuvre. In datzelfde jaar kwam de bundel Overdag en andere verhalen uit, het laatste boek dat zij zelf nog zou zien verschijnen. De roman De verliezers, waarvoor haar in 1959 een regeringsopdracht werd verleend, verscheen, niet geheel voltooid, postuum.
    Anna Blaman overleed op 13 juli 1960 in het huis aan de De Vliegerstraat, waarin zij meer dan dertig jaar met haar moeder, haar zuster Corrie, en sinds 1947 ook met haar zwager, J. Lührs, gewoond had. De doodsoorzaak was een hersenembolie. Haar vriendin, in allerijl uit Amsterdam overgekomen, vond haar in een coma, waaruit zij niet meer zou ontwaken. Anna Blaman werd begraven op het kerkhof Hofwijk te Overschie.

    Bibliografie

    1941 Vrouw en vriend
    1943 Ontmoeting met Selma
    1948 Eenzaam avontuur
    1950 De kruisvaarder
    1956 In duizend vrezen, wagenspel
    1951 Ram Horna en andere verhalen
    1951 De doolhof. Roman door Anna Blaman, Antoon Coolen e.a.
    1954 Op leven en dood
    1957 Overdag en andere verhalen
    1957 Het Costerman-oproer, wagenspel
    1959 Het De Vletter-oproer, wagenspel
    1960 De verliezers
    1963 Verhalen, Anna Blaman over zichzelf en anderen. Poëzie, artikelen en lezingen
    1974 Spelen of sterven, bijeengebracht door A. Kosmann

    Bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, H. M. A. Struyker Boudier

    DdH

  • Allard Schröder

    Allard Schröder debuteerde in 1989 met de roman De gave van Luxuria. Een groteske. Dit werd twee later gevolgd door De muziek van de zwarte toetsen.
    Met Raaf, zijn eerste roman die bij De Bezige Bij verscheen en bekroond werd met De Halewynprijs, drong Schröder door tot een groter publiek. Hij weet de lezer tot het eind van dit grimmige, zinderende verhaal in spanning te houden en schildert de bizarre lotgevallen van Raaf, zijn ex-vrouw en zijn jeugdvriend met grote, indringende kracht. Daardoor is Raaf een boek zoals er niet veel geschreven worden: van zeer hoog literair niveau en tegelijk adembenemend spannend. ‘Met Raaf is hij in de voorste linies van de literatuur terecht gekomen.’ schreef NRC Handelsblad bij verschijnen.

    De verhalen in Het pak van Kleindienst, dat in 1995 verscheen, spelen zich af tijdens de uiteenlopendste momenten in de geschiedenis: in de oudheid, maar ook aan het begin van deze eeuw of in het heden. De sfeer is dreigend en mysterieus. En telkens bouwt Schröder in weinig bladzijden een meeslepend plot.
    Zijn tweede grote roman Grover, die werd genomineerd voor de AKO Literatuur Prijs, is het verhaal van de zoon van een garagehouder in de provincie, die na een slippertje met de mondaine Madeleine Bork, de vrouw van een hoge bankfunctionaris, zijn leven danig in de war ziet lopen. Hoewel hij een goedbetaalde functie op het hoofdkantoor van de bank heeft, is zijn kijk op het leven bepaald niet verfijnd. Grover koestert het dierlijke in zichzelf. Hij leeft dicht bij de elementen en kan gewelddadig zijn, maar door zijn ogen krijgt de wereld soms ook een bijna magische lading. In Grover onderzoekt Allard Schröder een aantal essentiële levensvraagstukken: wat is liefde, geluk, dood, ongeluk, en vooral, wat is de waarde van het leven?

    Zijn meest recente roman, De hydrograaf, die eveneens genomineerd werd voor de AKO Literatuur Prijs, is een wonderlijke roman waarin de wetmatigheden van de zee zich spiegelen in die van de liefde.
    De hydrograaf is de geschiedenis van Franz von Karsch, die in het voorjaar van 1905 in Hamburg scheep gaat naar Valparaiso om de wet van de zeegang wetenschappelijk te doorgronden.

    Maar alle serieuze bedoelingen kunnen niet verhelen dat zijn leven zich in een impasse bevindt, waarvan de uitweg ook niet op zee te vinden is. Dan zorgt het toeval voor een verrassende wending. Von Karsch verliest zijn belangstelling voor het onderzoek en raakt verstrikt in een web van verwikkelingen.

    ‘Opvallend aan Schröders werk is dat het iets ‘tijdloos´ heeft. Vooral de verhalen in zijn voorlaatste boek worden in een rustig tempo verteld. Hij is niet bang om uitgebreid aandacht te besteden aan stemmingen of aan het weer. In de kritiek is Schröder daarom al met oude of archaïserende schrijvers als Bordewijk, Hotz en Rosenboom vergeleken. En in de verte doet zijn werk aan dat van Willem Frederik Hermans denken, met zijn overdadige symboliek, zijn gebeitelde zinnen, zijn klassieke aanpak en zijn voorkeur voor het fantastische.’ – NRC Handelsblad

    Naast romans publiceerde Allard Schröder verhalen en schreef hij hoorspelen voor de radio. Hij is redacteur van het literaire tijdschrift De Revisor.

    Werken:
    1989 De gave van Luxuria. Een groteske
    1990 Dagboek van een kat
    1990 Toby tegen de rest
    1991 De muziek van zwarte toetsen
    1995 Raaf
    1996 Het pak van Kleindienst (verhalen)
    1999 Grover
    2002 De hydrograaf

    Literaire prijzen:
    De Halewijnprijs voor Raaf
    Nominatie ako Literatuur Prijs voor Grover
    Nominatie eci Prijs voor Grover 
    AKO Literatuur Prijs voor De hydrograaf

    Bron: http://www.inktaap.nl/inktaap/index2.html

  • Tjitske, Jansen

    Mevrouw Julia doet de ramen open
    en ze weet geen woord voor de lucht die haar wangen aanraakt
    en de zon heeft de kleur van honing

    en ze weet
    vandaag gaat het gebeuren

    en ze denkt
    maar eerst blijf ik nog even staan
     
    (Het moest maar eens gaan sneeuwen, Tsjitske Jansen)

    Het succesverhaal van Tsjitske Jansen begint aan aantal jaren terug met een oproep voor een voordrachtswedstrijd in de Volkskrant. Nooit eerder had Jansen haar gedichten voorgedragen, maar tot haar eigen verbazing won ze de wedstrijd, met zowel de jury- als de publieksprijs. 

    Tsjitske Jansen (1971) is geboren te Barneveld. Ze werkte onder andere als marktkoopman, serveerster en kok en volgde verschillende opleidingen, maar koos uiteindelijk voor een beeldende kunst- en theateropleiding aan de Arnhemse Hogeschool voor de Kunsten. 

    Toen Jansen haar eerste voordrachtswedstrijd gewonnen had, volgden er al snel meer. Ze trekt met haar gedichten ? die ze bij voorkeur teksten noemt ? naar onder andere het Oerol-festival en de Eerste Internationale Poetry Slam in Parijs. Inmiddels is ze ook een graag geziene gast op Poetry International, Lowlands en De Wintertuin. 

    Op 21 september 2003 verscheen bij uitgeverij Podium haar debuutroman Het moest maar eens gaan sneeuwen. Ook De Bezige Bij en De Arbeiderspers hadden interesse in de ‘lichamelijke, spannende en brutale’ gedichten van Jansen, maar zij koos bewust voor Podium, met als motivatie: ‘gewoon, omdat het goed voelt.’ Podium is dan ook erg toepasselijk voor een dichteres die vaak omschreven wordt als podiumdichteres. 

    Haar gevoel klopte, inmiddels is haar bundel aan de vierde herdruk bezig ? een opmerkelijke prestatie voor een dichtbundel. 

    Tsjitske Jansen werkt momenteel als dichteres, toneelschrijfster en theater- en schrijfdocent. 

    Het moest maar eens gaan sneeuwen
    Tsjitske Jansen
    2003, Podium
    ISBN 9057590166 

    Meer over Tsjitske Jansen en haar werk is te vinden op http://www.uitgeverijpodium.nl/?pid=80&itemid=173 en http://www.epibreren.com/rs/jansengpdinterview.html

    AMvdP

     

  • K.L. Poll

    Poll, K.L. 1927-1990

    In de afgelopen week kwam mij tijdens een bezoek aan Athenaeum Boekhandel het laatste nummer van Hollands Maandblad onder ogen. Nummer 678 om precies te zijn, dat opende met een uit 1956 daterend manifest van K.L.Poll over de motieven voor de oprichting van Hollands Weekblad. Dit manifest werd gevolgd door een prachtig essay: ‘Wat wij verloren (en wonnen)’ van Bastiaan Bommeljé, dat handelt over het huidige klimaat van de literatuur en de politiek afgezet tegen dat van 1959. Een tijd waarin de lucht tintelde van optimisme, beloftes en een goed humeur. Niet alleen het stuk greep mij aan, ook de intentie van Kornelis Lubbertus Poll, die 31 jaar was toen op 20 mei 1959 het eerste nummer van Hollands Weekblad, tijdschrift voor Literatuur en Politiek, van de drukpers rolde. 

    Dit Blad zal vaker verwijzen naar een goed humeur dan naar een slecht. De schrijvers zullen gemeen hebben, dat zij zich als twijfelaars beschouwen tegenover de zelfverzekerde praters over ‘Westerse Waarden’, als conservatief tegenover de kwekers van een vijf minuten voor twaalf stemming, als conformist tegenover de schelders zonder goede manieren, als negatief tegenover de zoekers naar een positief geluid, als individualist tegenover ieder groepsbelang… 

    De letterkundige Kornelis Lubbertus werd geboren in Dordrecht op 5 oktober 1927. Hij studeerde rechten te Leiden, was redacteur van Het Vaderland te Den Haag en chef kunstredactie van het Algemeen Handelsblad. Poll debuteerde als dichter met Rakelings (1956), gevolgd door de bundels In huis (1965) en Bijdrage tot troost en luxe (1967). Het is poëzie over de eenvoudige dagelijkse dingen en op grond daarvan lijkt hij aan te sluiten bij de Criterium-dichters. 

    De nieuwe tijd

    De tijdgeest wisselt van gestalte.
    Er kan nu meer nog dan geen jaar geleden.

    Alsof zojuist de luchtauto voor iedereen
    was uitgevonden. Men weet nog niet precies

    welk pathos zal passen bij de nieuwe tijd.
    De natuur wacht af. Er is geen toezicht.

    Alleen de helderheid van een welopgevoede winter.
    Het blijft verwarrend?de pasbenoemde goden

    kennen de kwetsbaarheden van de elementen niet.
    Zij rekenen op gehoorzaamheid en macht.

    Wie daarover lacht, in het verborgene,
    zich snel verplaatst, van rijweg naar trottoir,

    wie liever niet de goden ziet, ook nieuwe niet,
    kiest zich een wolk tot masker. Voorlopig helpt het,

    tot de dag waarop de nieuwe geesten zijn ingewerkt.

    K.L.Poll, uit: Rakelings

    Zoals gezegd heeft K.L. Poll in 1959 het Hollands Weekblad (later Hollands Maandblad) opgericht, waarvan hij tevens redacteur werd en waarin hij essays en speels-wijsgerige beschouwingen publiceerde. In 1970 richtte K.L.Poll het Cultureel Supplement op bij het nrc Handelsblad, waaraan hij ook zelf tal van beschouwingen bijdroeg. Dit is, zo laat Bastiaan Bommeljé weten in zijn essay ‘Wat wij verloren (en wonnen)’, dezelfde krant die inmiddels societyverslaggever en Privé?columnist Albert Verlinde als medewerker heeft aangetrokken. 

    In 1973 begon Poll aan het project Formules voor een moraal, een reeks bestaande uit de essaybundels Verlangen naar almacht (1974), Een dienstreis voor burgers (1976), Wennen aan de vrede (1981), de poëziebundel De logica van November (1975) en de roman Emma Kwartier (1978). In zijn beschouwingen neemt hij op ironische wijze tal van politiek-culturele verschijnselen op de korrel, waaronder de holle retoriek van veel vernieuwingsverschijnselen. De roman en de poëzie in de reeks zijn voor de interpretatie afhankelijk van deze beschouwingen. Los van de reeks verscheen in 1980 de essaybundel Het principe van de omweg.

    In 1983 richtte K.L. Poll de Vereniging voor Onderwijs, Kunst en Wetenschap op. Poll betreurde het dat het Ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen de kunst kwijtraakte aan het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk. Achterliggende gedachte bij de oprichting van okw was het idee dat, zoals Poll het uitdrukte, “een onafhankelijke muis niet zou misstaan naast de olifant van de culturele staatszorg”. Een kleine, wendbare organisatie zou het bestaande culturele verkeer kunnen verlevendigen en aanvullen.

    Jaarlijks nodigen de T.U. Delft en de K.L. Poll-stichting voor Onderwijs, Kunst en Wetenschap een schrijver uit om gedurende een periode van twee maanden het gastschrijverschap aan de Technische Universiteit Delft te vervullen. In 2005 is het de beurt aan Arnon Grunberg. In de voorgaande jaren waren al Gerrit Krol (2001), H.J.A. Hofland (2002), Hugo Brandt Corstius (2003) en Nelleke Noordervliet (2004) als gastschrijver verbonden aan de T.U. Delft.

    K.J.Poll is op 14 november 1990 overleden te Rotterdam. De wereld is inmiddels niet meer te vergelijken met die van 1959, of, om met Bastiaan Bommeljé af te sluiten: ‘Zeker is dat onze natie niet langer tintelt van optimisme en beloftes van een betere toekomst. Misschien is dat geen wonder in een samenleving waarin één op de acht inwoners ouder is dan vijftig, waarin studenten thans minder tijd besteden aan lezen dan mulo-scholieren in 1959, waarin kunstbeleid alleen nog over subsidie gaat…’
    AV

    Literatuur:
    Haagse Post (jan. 1977); T. van Deel, in Recensies (1980).

    Werken
    Rakelings (1956)
    In huis (1965)
    Zonder mirakels (1965)
    Bijdrage tot troost en luxe (1967)
    De eigen vorm (1967)
    Het masker van de redelijkheid (1969)
    Verlangen naar almacht (1974)
    De logica van November (1975)
    Een dienstreis voor burgers (1976)
    Emma Kwartier (1978)
    Het principe van de omweg (1980)
    Wennen aan de vrede (1981)
    Een tijd voor constructies (1983)
    Op het eiland van nu (1984)
    Anna (1985)
    Een kleine zomerreis (1985)
    Het meer van de ondank (1987)
    De gouden lamp (1989)
    De wil van de natuur (1990)

  • Joke van Leeuwen

    ‘Neem drie lijnen. Buig ze een beetje om. Schuif ze tegen elkaar. En hier is het landschap waarin dit verhaal begint.’ Dat verhaal is Iep (1996), Joke van Leeuwens veelbekroonde boek over een eigenzinnig vogelmeisje. Van Leeuwen (1952) werd geboren in Den Haag, verhuisde vanaf haar tweede levensjaar meerdere malen om uiteindelijk op haar veertiende in Brussel terecht te komen. Ze komt uit een gezin van acht kinderen en was al op zeer jonge leeftijd aan het schrijven en tekenen. Zo maakte ze voor het gezin Van Leeuwen wekelijks een gezinskrant met versjes en verhalen. In Brussel had ze eerst moeite met aanpassen: ‘Een lerares zei dat ik maar terug moest gaan naar mijn eigen land als ik alles net als andere Nederlanders beter meende te weten.’ Hoe langer ze echter in België was, hoe minder zin Van Leeuwen had om terug te keren. Ze ging in Antwerpen naar de Kunstacademie en later in Brussel naar het St. Lukas Instituut. Ondertussen bleef ze schrijven en tekenen. Ze besloot om kinderboeken te gaan schrijven omdat ze daarin die twee vaardigheden kon verenigen. In eerste instantie had ze moeite om een uitgever te vinden, maar nadat een door haar geschreven cabaretvoorstelling een prijs had gewonnen kwam haar eerste boek uit: De Appelmoesstraat is anders (1978). Haar kinderboeken zijn vele malen bekroond en in 2000 ontving ze de Theo Thijssenprijs voor haar gehele oeuvre. Naast kinder- en jeugdboeken schrijft Van Leeuwen ook proza, gedichten, teksten voor theater en tv en brengt ze vertelvoorstellingen. Onlangs publiceerde ze haar eerste ‘uitsluitend voor volwassenen bedoelde’ roman Vrije vormen. Iep is ondertussen in de regie van haar zus Marieke tot eind maart 2003 in theaters in heel Nederland te zien.

    Ozo heppie

    Ik voel me ozo heppie,
    zo heppie deze dag
    en als je vraagt: wat heppie
    als ik eens vragen mag,
    dan zeg ik: hoe wat heppie
    wat heppik aan die vraag,
    heppie nooit dat heppieje
    dat ik hep vandaag?

    uit: O zo Heppie en andere versjes (Querido, 2000)

  • Thea Beckman

    Het moest er een keer van komen: De Derde Wereldoorlog.
    (openingszin van Kinderen van Moeder Aarde).

    Thea Beckman wordt geboren op 23 juli 1923 in Rotterdam. Ze is enig kind en groeit op in de crisistijd. Haar vader wordt werkeloos, waardoor ze niet kan gaan studeren. Haar ouders willen dit ook niet, zij moet een ‘nuttig’ vak gaan leren en niet zoiets als ontdekkingsreiziger worden. Na de lagere school wordt ze op de industrieschool opgeleid tot naaister. Dit is echter niets voor haar en ze wordt van school gestuurd. Na school gaat ze op kantoor werken. Het is inmiddels oorlog en in die tijd leert ze haar man Dirk Hendrik Beckmann kennen. Bij een razzia wordt hij opgepakt en naar Duitsland gebracht. Na de oorlog keert hij terug en ze trouwen. Het jonge echtpaar verhuist naar Utrecht en krijgt daar drie kinderen.

    Nadat ze haar kinderen heeft opgevoed besluit ze alsnog te gaan studeren. In 1975 haalt ze haar atheneum-diploma en hierna gaat ze (alsnog) sociale psychologie studeren in Utrecht. In 1981 rondt ze deze studie af. Haar doctoraalscriptie handelt over de invloed van jeugdboeken op kinderen.

    Beckman probeert met schrijven en journalistiek wat bij te verdienen. In 1957 verschijnt haar eerste boek Anjers voor Adele, een roman voor volwassenen. Als auteursnaam gebruikt ze Thea Beckman, met één n. In datzelfde jaar debuteert ze ook als kinderboekenschrijfster met De ongelooflijke avonturen van Tim en Holderde-bolder. Achteraf vindt ze dit beide geen goede boeken.

    Intussen stapt ze over naar uitgeverij Lemniscaat, waarvan ze één van de succesauteurs wordt. Ze schrijft een groot aantal kinderboeken, zoals Met Korilu de griemel rond (1970), dat haar in 1981 een Zilveren Griffel oplevert onder de titel Zwerftocht met Korilu. Haar meest gelezen boek blijft Kruistocht in spijkerbroek (1973) dat bekroond wordt met de Gouden Griffel in 1974 en de Europese prijs voor het beste historische kinderboek in 1976 ontvangt. Inmiddels is dit boek al meer dan zestig keer herdrukt. Voor haar historische kinderboeken documenteert Thea Beckman zich uitvoerig. Ze wil alles weten van de kleding en de gebruiksvoorwerpen van die tijd. Voor Kruistocht in spijkerbroek maakt ze zelf de reis die in het boek beschreven wordt. Voor het land Thule, dat in de trilogie De kinderen van Moeder Aarde (1985), Het helse paradijs (1987) en Het Gulden Vlies van Thule (1989) beschreven wordt, staat Noorwegen model. En ook voor De doge-ring van Venetië (1994) wordt de stad Venetië nauwkeurig in beeld gebracht. Een eveneens veel gelezen jeugdboek van Thea Beckman is Wij zijn wegwerpkinderen (1980). Andere bekroonde boeken van haar zijn Een bos vol spoken (1988) en Het geheim van Rotterdam (1990), beide gelauwerd met de Prijs van de Nederlandse Kinderjury.

    In de boeken vind je iets terug van Thea Beckmans eigen karakter. De meisjes die de hoofdrol spelen in haar boeken laten duidelijk zien dat je moet doen wat je zelf wilt, ook al moet het via een omweg. Mickey in De verloren schat (1994) is eigenzinnig. Ze bereikt daarmee, dat mensen met elkaar contact krijgen, die dat anders nooit hadden gekregen. En voor haar geldt net als voor de meeste hoofdpersonen van Beckman: laat je niet van de wijs brengen en zet door.

    Binnenkort wordt er begonnen met de opnamen van de verfilming van Kruistocht in spijkerbroek. (klik hier) die voor de kerst van dit jaar af moet zijn. Beckman zelf kan het helaas niet meer meemaken, zij sterft in de nacht van 4 op 5 mei 2004, na een ziekbed van 2 maanden, op 80-jarige leeftijd in haar huis in Bunnik aan de gevolgen van kanker.

    MN