• Oscar Wilde

     

    Oscar O’Flahertie Fingall Wilde werd geboren in Dublin, Ierland op 16 oktober 1854. Hij was de tweede zoon van Sir William en Lady Jane Wilde. Zijn ouders stonden bekend als een merkwaardig koppel. William was een befaamd chirurg, die in 1864 betrokken raakte bij een schandaal, toen een oudere patiënte hem van verkrachting beschuldigde. Moeder Jane was een dichteres die uit was op sensatie en graag in het middelpunt van de belangstelling stond. Deze eigenschap gaf ze mee aan haar zoon Oscar. 

    In 1878 verhuisde Wilde naar Londen. Hij was afgestudeerd aan Oxford University en vastberaden het te maken in de grote stad. Van zijn moeder had hij geleerd het leven als een grote performance te zien, en Oscar zorgde dan ook overal waar hij kwam voor spektakel. 

    In minder dan twee jaar tijd was Wilde uitgegroeid tot een beroemd figuur in Londen. Zijn eerste toneelstuk Vera of The Nihilists werd echter niet positief ontvangen. Ook zijn eerste poëziebundel flopte.

    In 1884 besliste Wilde, in een vlaag van verstandsverbijstering, om een respectabel burger te worden en zich aan te passen aan de normen en waarden van het Victoriaanse Engeland. Hij huwde Constance Lloyd en kreeg twee zonen van haar. Hij nam zelfs een baan aan als redacteur van het chique tijdschrift Womens’s World.

    Het werd hem echter al snel duidelijk dat hij in dit leven niet gedijde. Hij voelde zich beklemd en van zijn vrijheid berooft. Vanaf 1886 begon hij in het geheim bezoekjes re brengen aan jonge mannen op Oxford. Kort daarna scheidde hij van zijn vrouw en brak met al zijn vrienden en familie (I’ve been away from home so long that I’ve forgotten the house number).

    Na de breuk met zijn gezin stortte Wilde zich op de drank en zocht meer en meer afleiding bij jonge mannen. De periode tussen 1888 en 1895 was het meest turbulent in het leven van de schrijver. Tijdens deze jaren schreef hij zijn belangrijkste werk, waaronder de kinderboeken The Happy Prince and Other Tales en The House of Pomegranates, zijn enige roman The Picture of Dorian Gray en een aantal succesvolle theaterstukken.

    Het laatste theaterstuk dat Wilde schreef, The importance of Being Ernest, wordt door velen beschouwd als zijn grootste meesterwerk. De première van het stuk in 1895 betekende echter, ironisch genoeg, het begin van het einde. Nadat hij de vader van zijn minnaar Lord Alfred Douglas de toegang geweigerd had, sleepte deze hem voor de rechter wegens homoseksualiteit en sodomie. Wilde werd schuldig bevonden aan onzedelijkheid en seksuele omgang met minderjarigen en werd veroordeeld tot twee jaar dwangarbeid. In 1897 schreef Wilde in de gevangenis zijn beroemde brief aan minnaar Albert Douglas, later gepubliceerd als De Profundis.

    Na zijn vrijlating werd Wilde nooit meer de oude. Hij publiceerde nog een werk: The Ballad of Reading Gaol, een aanklacht tegen de wantoestanden waarvan hij getuige was geweest in de gevangenis. Het werk werd in 1889 gepubliceerd. 

    De laatste jaren van zijn leven bracht Wilde zwervend door. De eens zo flamboyante publieke figuur stierf arm en eenzaam in een hotel in Parijs. Hij stierf op 30 november 1900 aan een oorinfectie. Vlak voor zijn dood bekeerde hij zich tot de Rooms Katholieke kerk. 

    Bron: http://www.toneelhuis.be/: download Mood On The Go, Jeroen Olyslaegers.

    Judith@literairnederland.nl

  • Michael Slory

    Michaël Slory (1935) geldt als een van de belangrijkste dichters die de Surinaamse creolen voortbrachten. Hij schreef een groot deel van zijn oeuvre in het Sranan, maar bouwde ook aan een reeks bundels in het Nederlands en het Spaans. In 1961 maakte hij zijn debuut met Sarka/Bittere strijd, in de jaren die volgden, en vooral in de jaren ’70 volgden de bundels elkaar in hoog tempo op. Slory zet in zijn poëzie de geschiedenis en het leven van de creolen met een karakteristieke eigen toon neer, maar oriënteerde zich van jongs af ook sterk internationaal. Zijn poëzie draagt van die brede oriëntatie duidelijk de sporen, bijvoorbeeld met bundels sonnetten en kwatrijnen. Slory is de meest bekroonde schrijver van Suriname en ontving voor zijn schitterende liefdeslyriek in de bundel Efu na Kodyo, Efu na Amba… (Of het nou Kodyo is of Amba…) de Surinaamse Staatsprijs voor Literatuur. Bij gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag verscheen de bundel In de straten en in de bladeren die algemeen wordt beschouwd als een van zijn beste en die behoort tot de absolute top van de Surinaamse poëzie in de Nederlandse taal. Dit alles neemt echter niet weg dat Slory zijn gedichten zelf, op straat, aan de man brengt.

    Aan 8 december

    Al mijn vrienden
    die ik verloren heb
    en die ik nooit weer
    terugvinden zal
    dan in mijn hart.

    Steen, doe je ook zeer?
    Kijk maar naar de farao’s
    en hun inscripties,
    zwarte bladzijde
    in het licht van de vergetelheid!

    Maar geheimzinnigheid,
    jij bent de bron
    der onvindbaarheid.

    Ik ben als de man
    die loopt
    en drinkt
    en niet weet
    dat hij die koos
    voor vrijheid en democratie
    moest sterven.

    Een mooie dood.
    Voor mij.

    Stilte…

    Nu is mijn bloem (o, rode fajalobi!)
    de ruimte die ik heb.

    (uit: En nu voorgoed voor vriendschap. Paramaribo, 1996)

    Filmmaker John Albert Jansen maakte in 1996 een documentaire over Michaël Slory die hij een aantal maanden gevolgd heeft. De beelden, die overigens op het internet te zien zijn (http://www.jurafilm.nl/),  wekken een zekere deernis op met de dichter, maar ook bewondering voor zijn niet-aflatende streven. De nationalistische vrienden met wie hij vóór de onafhankelijkheid naar Suriname terugkeerde om het land vooruit te helpen, zitten allang weer in Nederland of hebben zich teruggetrokken in comfortabele posities.

    Slory vertelt het eigen verhaal, loopt door Paramaribo om bundeltjes aan de man te brengen, geeft gastles aan een kweekschool, reciteert poëzie, kookt een potje in zijn keuken. Zoals een gedicht laat de filmer de beelden en woorden voor zich spreken. ‘Wat motiveert u gedichten te schrijven, terwijl andere collega’s van u hogerop komen en u maar boeken loopt te verkopen?’ wil een leerlinge weten. De dichter is onverstoorbaar. Volgens Slory moet een land schrijvers hebben ‘om zich bewust te zijn dat we ook iets kunnen, dat we ook onze eigen taal, onze eigen denkers hebben.’ Schrijven is ‘een steentje in het geheel’ dat geen land kan ontberen.

    Werken:
    Brieven aan de guerrilla (1968)
    Brieven aan Ho Tsji Minh (1969)
    Fraga mi wortoe (1970)
    Bonifoto (1971)
    Lobisingi (1972)
    Vietnam (1972)
    Memre den dé (1973)
    Kownubri de na en onigodo (1979)
    Pikin aksi e fala bigi bon (1980)
    Konten konten fu esrede nanga fu tamara (1981)
    Den préki-wroko fu wan kamoru (1982)
    Efu na Kodyo, Efu na Amba, Efu na Romeo, Efu na Julia, Amir … , nanga … (1985)
    A no tru, san mi e si drape? A no tru? (1986)
    Nanga kandra na anu , Na lo wegwe na Egipti , [e.a.] (198X)
    Een andere weg (1991)
    Aan het kindje Jezus in zijn kribbe … (1995)
    En nu voorgoed voor vriendschap (1996)
    Wan njun dé broko (19XX)
    In de straten en in de bladeren (2000)
    Wi e pusu a konfri go na fesi (ca. 1975)
    Fri-kontren-sma (ca.1970)
    Mi kondre sani (ca.1970)
    A no mena, a no boboi, ma … (ca.1975)

    Bronnen:
    http://www.suriname.nu/
    nrc.nl (18 november 1996)
    Suriname als vrouw bemind door Hans Buddingh
    dbnl

     

     

  • Wanda Reisel

    Wanda Reisel wordt in 1955 op Curaçao  in een anarcho-liberaal doktersgezin geboren. Na het gymnasium begint zij in 1974 aan de studie Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam maar na het lezen van een aankondiging ‘Inpoldering en bedijking van de Alblasserwaard in de 17e eeuw’ besluit zij de studie vaarwel te zeggen en meldt zich bij de Regieopleiding van de Theaterschool in Amsterdam (1976-1981). Na de opleiding neemt het schrijven voor toneel de overhand. Toneelgroep Baal speelt in 1984 haar eerste stuk Ansichten, gevolgd door Echec in een eigen regie. In 1986 debuteert ze als prozaschrijver met Jacobi’s Tocht (2 novellen) bij uitgeverij Querido waar al haar prozawerk is uitgegeven.

    In 1988 verschijnt haar eerste roman Het Blauwe Uur. Ook wordt in 1988 Op de Hellingen van de Vesuvius gespeeld, toneelstuk gebaseerd op het leven van de dichter Giacomo Leopardi, door de toneelgroep Maatschappij Discordia. In 1990 volgt het toneelstuk De Vliegenier uitgevoerd door theatergroep Carrousel  en in 1999 speelt de Belgische groep De Onderneming in samenwerking met Het Toneelhuis haar stuk Sangria! Incidenteel schrijft zij ook scenario’s voor film en televisie.
    In 1993 verschijnt haar roman Het beloofde leven en 1996 de roman Baby Storm die genomineerd wordt voor de Libris Literatuurprijs 1997. Haar vierde roman Een man een man (2000) werd eveneens genomineerd, voor de Libris Literatuurprijs 2001.

    In september 2002 kwam haar toneelstuk De Zindering uit. Op het Nederlands Filmfestival Utrecht 2003 kreeg de film Dwaalgast (scenario WR) een gouden kalf voor beste korte tv-drama. In november 2004 verscheen haar nieuwste roman Witte Liefde, een verhaal over een onmogelijk liefde dat speelt in de late jaren vijftig. Sinds een paar jaar woont Ro Weller, een moderne jonge vrouw, beeldhouwster, met haar man Rudi, een veelbelovende architect, en hun dochtertje op het paradijselijke eiland Curaçao. De tijd is zorgeloos, de kleuren uitbundig en de palmen wuiven. Maar dan slaat een liefde toe: als uit het niets daalt er een vonk neer op Ro en de journalist Bob Krone, die net als zij getrouwd is. Hun liefde blijkt verslavend en hun verlangen geeft hun een grenzeloze zelfverzekerdheid. Maar onschuldig blijven zij niet en zet het noodlot genadeloos in. Deze liefde speelt zich af tegen het decor van koloniale huizen, steegjes van de gekleurde bevolking, en uitbundige recepties en feestjes van de blanke elite. Pas aan het eind van haar leven, als Ro allang terug is in het kille en kleinburgerlijke Nederland, durft ze aan haar grote liefde terug te denken.

    Bibliografie:

    Romans:
    Witte Liefde 2004
    Een Man Een Man 2000
    Baby Storm 1996
    Het Beloofde Leven 1993
    Het Blauwe Uur 1988
    Jacobi’s Tocht 1986

    Toneelwerk:
    Ansichten en Echec
    Op de hellingen van_Vesuvius
    De Vliegenier
    Sangria !
    De Zindering

    Film- en televisiescenario’s:
    Blindgangers
    Vier maal mijn hart
    Verhalen die ik mijzelf vertel
    Ted
    Eine Klein Nachtmerrie

    DdH

    Bron: http:/Wanda.Reisel.ne
    Fotot: Anna Helmond

  • Giphart Ronald

    Ronald Giphart
    Op vrijdag 19 november 2004 ontving Ronald Giphart de C.C.S. Croneprijs van de stad Utrecht. Juryvoorzitter Frits van Oostrom vergeleek Giphart met Nescio. Net als de oude meester gebruikt Giphart spreektaal in zijn werk, maar bovenal gaat het in zijn werk om het thema vriendschap. Dat vriendschap niet alleen in zijn werk, maar ook in het persoonlijk leven van Giphart een rol speelde bleek uit zijn dankwoord waarin hij Bert Natter en Ed van Eeden naar voren riep, die als meelezers en criticasters vanaf het begin van zijn carrière aanwezig waren.

    De C.C.S. Croneprijs is de eerste echte literaire prijs voor Giphart (Dordrecht, 1965). Eerder won hij al de Gouden Ezelsoor, een prijs voor het best verkochte debuut, maar bij prijzen van jury’s, recensenten en commissies is de Utrechtse schrijver niet zo geliefd.

    Bij het publiek is dat wel anders. Vanaf zijn debuut Ik ook van jou (1992) is Giphart een veelgelezen schrijver. Op zich is dat merkwaardig want zowel zijn debuut als Giph (1993) gaat vooral over het schrijverschap, een thema dat voor die tijd voornamelijk door met een writers block behepte schrijvers werd ingezet. Giphart weet in zijn eerste boeken echter een poëticale opvatting te combineren met een verhaal over vriendschap, seks en een romantisch verlangen naar groots leven.

    Critici (Tom van Deel voorop) namen vooral aanstoot aan de vele sekspassages, die in hun ogen nog steeds ‘functioneel’ moeten zijn. Ook het taalgebruik van Giphart zou te plat te zijn.
    Wie echter het werk van Giphart doorneemt ziet vrij snel hoe geconstrueerd juist zijn zinnen zijn. Ik sla op pagina 150 een roman van Giphart open en kan altijd een intrigerende zin vinden.
    ‘Om half zeven was de familie haars weegs gegaan, om zeven uur waren we gesoigneerd en omgekleed (jij oogverblindend mooi, jong en krachtig in een goudzwarte galajurk, en ik in een belachelijke smoking van Papi), om acht uur zaten we half ontkleed op de bank bij de kerstboom, om half negen lagen we nakend in het grote familiebed (hoewel we ons voornamen pas om twaalf uur stipt vuurpijl en kruitbusje te ontsteken) en om negen uur stond er plotseling iemand aan de voordeur: Constantin.’ Ik ook van jou
    ‘Wist je dat je in de boekhandel door hersenspoelende inrichtingstechnieken (presentatietafels, routings) gedwongen wordt boeken te kopen die je niet wilt hebben (impulsive buying)? Giph
    ‘De filosoof Santayana (jezus, ken je die niet?) noemde schoonheid ‘geobjectiveerd genot’. We kijken naar vier bijna naakte, geobjectiveerde genietingen, en daar word ik een beetje week van.’ Ik omhels je met duizend armen

    Je kunt andere bladzijden opslaan en andere zinnen citeren, maar bij nadere bestudering blijkt dat Giphart een echte stilist is. Hij gebruikt inderdaad spreektaal (‘jezus, ken je die niet’), maar die taal zit ingebed in een geconstrueerde, literaire zin. Binnen een zin kan hij overschakelen van formele naar informele taal. Hij hanteert omkeringstechnieken, herhalingen, uitsteltechnieken, vernieuwt uitdrukkingen en scheldwoorden. Hij verwijst in zijn teksten naar filosofen en films. Kortom: op zinsniveau is er heel wat te ontdekken in het oeuvre van Giphart.

    Veel boeken van Giphart hebben een structuur waarin de lezer direct wordt aangesproken. Dat maakt de lezer tot een vriend. Je wordt op de hoogte gehouden door Giph of  bijvoorbeeld door zijn zus Phileine over hun leven. Personages duiken in verschillende boeken op. De lezer wordt door die vorm automatisch deelgenoot van die verschillende levens. In Het leukste jaar uit de Geschiedenis van de Mensheid (2002) schrijft Giphart dat hij zijn eigen leven als stof voor zijn romans ziet. Er moet echter wel zo’n vijf jaar tussenzitten. De roman Ik omhels je met duizend armen is daarvan misschien het beste voorbeeld. Daarin beschrijft hij onder meer het sterfbed van zijn moeder, de PvdA-politica Wijnie Jabaaij. Ook dat boek vond in de ogen van veel critici geen genade, omdat Giphart een te luchtige toon aansloeg. Dat moest echter vond hij: ‘Het was absoluut niet zo dat we elkaar voortduren huilend in de armen vielen. En juist dat idee wilde ik beschrijven: een licht sterven. En contempleren over de dood zou die lichte stijl doorbreken.’ (Tzum, 2000)

    De waardering van het werk van Giphart laat te wensen over. Van christelijke kranten is dat begrijpelijk (alhoewel het wat ver gaat om op te roepen tot een boycot, zoals het Nederlands Dagblad deed bij het verschijnen van het boekenweekgeschenk Gala), maar ook de serieuze kranten hebben vaak een moralistisch oordeel over het oeuvre van Giphart, maar proberen dat te verdoezelen met halve argumenten en persoonlijke aanvallen (‘Giphart de libidoremmer’ Jeroen Vullings in Vrij Nederland; ‘Allemachtig wat een lulkoek.’ Elsbeth Etty in Nrc Handelsblad). 

    De C.C.S. Croneprijs geeft Ronald Giphart de erkenning die hij verdient. Uit het juryrapport: ‘Minstens zo belangrijk als de intrinsieke waarde van het werk is dat de boeken van Giphart een groot publiek bereiken. Velen vinden er iets van hun gading in.
    Een andere, buiten de literatuur gelegen factor is dat Ronald Giphart een inspirerende en aansprekende figuur is voor (jonge) lezers en aspirant schrijvers. Een enkeling is door hem succesvol op weg geholpen, anderen zien in hem een voorbeeld vanwege zijn vernieuwende kijk op de rol van de schrijver. Te denken valt hierbij aan Gipharts soms provocerende manier van optreden, maar ook aan zijn maatschappelijk betrokkenheid.’

    bibliografie

    Ik ook van jou (1992)
    Kwadraats groot literair lees kijk knutsel en doe vakantieboek (1993), onder het pseudoniem Arnold Hitgrap, samen met Brett Tanner (Bert Natter) en Coen Reidingk (Eric de Koning)
    Giph (1993)
    Het feest der liefde (1995)
    Phileine zegt sorry (1996)
    Planeet literatuur (1998)
    De voorzitter (1999)
    Willem de Dikke (1999) met Bert Natter
    Ik omhels je met duizend armen (2000)
    Ten liefde! (2001)
    Het leukste jaar uit de Geschiedenis van de Mensheid (2002)
    Gala (2003) boekenweekgeschenk
    Der is gjin dêr, dêre, (2003) Fries
    Heldinnen (2003), samen met fotograaf Eric van den Elsen

    poëzie
    Poëtisch Groningen (2003) 1 gedicht
    Poëtisch Utrecht (2003) 1 gedicht

    toneel
    Früstück no future (1997) toneel, met Gérard van Kalmthout

    verfilmingen
    Ik ook van jou (Ruud van Hemert) 2001
    Phileine zegt sorry (Robert Jan Westdijk) 2003

    CP

  • Brusselmans, Herman

    ‘Ik beschouw mezelf als een professioneel uitdrager van een negatieve levenshouding. Ik sta zeer kritisch tegenover alles en iedereen. Ik hou niet van de meeste mensen. Neen, ik haat de meeste mensen’. Deze uitspraak komt uit de mond van het enfant terrible van de Vlaamse literatuur, wiens werk volgens het Kritisch Literair Lexicon gekenmerkt wordt door een ‘existentiële, verlammende huiver voor eenzaamheid, geweld en dood’. Hoewel door critici ? die hem oppervlakkigheid, herhaling en een slecht verhalend vermogen toeschrijven ? vergruisd, wordt Herman Brusselmans door zijn lezers op handen gedragen.

    Herman Frans Martha Brusselmans wordt op 9 oktober 1957 geboren te Hamme, België. Hoewel hij de kans krijgt om professioneel voetballer te worden, slaat hij het aanbod af. Naar eigen zeggen omdat hij te veel relativeert en te veel denkt om een goede voetballer te zijn. In plaats van de voetballerij kiest Brusselmans voor een studie Germaanse filologie aan de Rijksuniversiteit van Gent. De studie wordt geen succes: Brusselmans zit meer in het café dan op de universiteit en al snel stopt hij met de studie. Hij vindt een baantje in een bibliotheek en, geïnspireerd door de vele boeken daar, begint hij ook zelf te schrijven.

    Brusselmans’ debuut Het zinneloze zeilen verschijnt in 1982 en zijn tweede roman Prachtige ogen krijgt in 1984 de Yang-prijs toegekend. De schrijver is niet meer te stoppen. Gemiddeld verschijnen er jaarlijks zo’n twee romans van zijn hand en tussendoor vindt hij ook nog de tijd om novellen, toneelstukken, kritieken, columns en essays te schrijven en geregeld op te treden in de media. Bovendien is Brusselmans ook nog drummer in een rockgroep, The Smiling Disease. Hoewel hij een rol heeft gespeeld in twee speelfilms, Camping Cosmo (1996) en La vie sexuelle des Belges 1950-78 (1994), is zijn acteercarrière nooit goed van de grond gekomen, mede door het feit dat Brusselmans een dergelijk bestaan als acteur niet echt ambieert.

    Naast zijn schrijverij heeft Brusselmans zijn bekendheid en populariteit vooral te danken aan het feit dat hij tijdens interviews zeer direct voor zijn ongezouten mening uitkomt. In combinatie met zijn ? vaak bewust ? provocerende houding brengt hem dit dikwijls in de problemen. Regelmatig voelen personen (vooral vrouwen) zich diep beledigd door zijn uitspraken en nog vorig jaar werd hem een proces aangespannen naar aanleiding van het derde deel in zijn Gegenheimer-trilogie. Veelal lopen de processen echter in het voordeel van de auteur af.

    Hoewel sommigen het hopen, voorlopig zijn we nog niet van Brusselmans af: ‘Word tachtig! Ik hou niet van die zogenaamde kunstenaars die zichzelf om zeep helpen. Kijk, ik ben ook niet helemaal zuiver in het hoofd, maar intussen schrijf ik wel 500 boeken als het even kan. Je moet doorgaan, in leven blijven, dat is waar het op neer komt. Je moet ademen om niet te stikken.’

    AMvdP

    De gegevens en citaten uit dit stuk zijn afkomstig van de officiele Herman Brusselmans-site: http://www.members.lycos.nl/hermanbrusselmans/begin.htm

  • Tsead Bruinja

    Tsead Bruinja

    ‘Ik vind komma’s niet mooi en ze vertragen het stuwende ritme van een tekst.’ Dat zei dichter Tsead Bruinja in een interview met NRC Handelsblad over zijn recent verschenen bundel Batterij. Bruinja (Rinsumageest, 1974) is een veelbelovende jonge dichter, die echter al zoveel geschreven heeft dat hij zijn beloftes op dertigjarige leeftijd al heeft ingelost. Drie Friestalige bundels verschenen al van zijn hand en twee Nederlandstalige.
    Bruinja groeide op in Friesland, maar trok toen hij Engels wilde studeren naar Groningen.
    Als student stortte hij zich al volledig op de literatuur. Hij was één van de organisatoren van Winterschrift en organiseerde jarenlang het steeds groter wordende gratis toegankelijke zomerfestival Dichters in de Prinsentuin.
    Binnen de Friese poëzie heeft hij een totaal eigen geluid laten horen, een meer postmodernistisch geluid dat niet door iedereen werd begrepen. De lovende ontvangst van zijn eerste Nederlandstalige bundel Dat het zo hoorde door Ilja Leonard Pfeijffer (‘Van een dichter die zulke verzen schrijft, valt wat te verwachten’) en Piet Gerbrandy (‘Bruinja [heeft] een eigen stijl die de lezer meesleept en inpakt’) was dan ook een verademing voor Bruinja ‘In Friesland werden mijn bundels ook goed besproken, maar je merkt in de recensies dat er anders naar je poëzie wordt gekeken. In Friesland wordt het postmodernistische karakter van de gedichten niet zo opgepakt en dat is nu wel gebeurd.’ (Tzum, 2003)
    Inmiddels is Bruinja verhuisd naar de hoofdstad alwaar hij zich helemaal toelegde op het schrijven van poëzie. Al van het begin van zijn carrière treedt Bruinja graag op. Tot vorig najaar deed hij dat samen met Sieger M. Geertsma in de groep Gewassen. Optredens met een muziek en video. Deze groep bestaat niet meer, maar zijn liefde voor het optreden is gebleven, blijkt uit het NRC-interview: ‘Door de voordracht verandert een gedicht. Je kunt je als performer niet onzichtbaar maken of uitwissen, al ga je achter een muur staan. Dan nog denkt de toeschouwer dat die muur de dichter is.’
    Bruinja is nog niet helemaal los van zijn Friese roots. Integendeel. Onlangs verscheen Droom in blauwe regenjas/Dream yn blauwe reinjas, een verzameling nieuwe Friese dichters, waar nu ook een groter publiek kennis mee kan maken. De bundel laat zien dat er ook wat te lachen valt in de Friese poëzie.
    Die humoristische kant bleek ook al uit de bundel Kutgedichten die hij met Daniël Dee samenstelde en die volgend jaar een vervolg krijgt in de bundel Klotengedichten.

    Bibliografie
    De wizers yn it read Bornmeer 2000 (Fries)
    De man dy't rinne moat Bornmeer 2001 (Fries)
    Dat het zo hoorde Contact 2003
    Gegrommel fan satyn Bornmeer 2003 (Fries)
    Kutgedichten Passage 2004, redactie samen met Daniël Dee
    Droom in blauwe regenjas / Dream yn blauwe reinjas Bornmeer/Contact 2004, redactie samen met Hein Jaap Hilarides
    Batterij Contact 2004
    Klotengedichten, Passage 2005

    Homepage: http://www.tseadbruinja.nl/

    CP

  • Charles Bukowski

    We are all in the gutter, but some of us are looking at the stars.
    Oscar Wilde

    Geboortedatum: 16 augustus 1920
    Geboorteplaats: Andernach, Duitsland
    Gestorven: 9 maart 1994 in San Pedro, Californie.

    Charles Bukowski verhuisde op driejarige leeftijd van Duitsland naar de VS. Hij groeide op in armoedige sferen en leefde aan de zelfkant van de samenleving, het grootste gedeelte van zijn leven door in Los Angeles. Hij begon op jonge leeftijd met schrijven en publiceerde voor het eerst in de veertiger jaren. Daarna publiceerde hij twintig jaar lang niets. De eerste tien jaar bracht hij door in kroegen, de hoeveelheden drank financierde hij met wat voor werk hij ook maar krijgen kon. De volgende 10 jaar werkt hij op een postkantoor in Los Angeles. In die jaren balanceert hij op de grens van gekte en dood en blijft stevig drinken om de geestdodende dagen door te komen. Vlak nadat hij is gestopt met werken, publiceert hij de roman Postoffice.

    Bukowski typeert zich door een vrijzinnige schrijfstijl, doordrenkt van zwarte humor. Hij zet op meesterlijke wijze alledaagse dingen om in poëzie: katers, vuil ondergoed, de angst om waanzinnig te worden en dialogen in het park. Veel van zijn werk heeft een autobiografisch karakter in de vorm van zijn alter ego Henry Chinaski. Hij neemt ons mee naar de onderkant van de samenleving, naar plekken waarvan we wilden dat ze niet bestonden.

    Volgens Sartre was hij de grootste dichter die Amerika ooit voortbracht. 

    Bibliografie:

    Flower, Fist and Bestial Wall (1960)
    Longshot Pomes for Broke Players (1962)
    Run with the Hunted (1962)
    It Catches My Heart in Its Hand (1963)
    Crucifix in a Deathhand (1965)
    Cold Dogs in the Courtyard (1965)
    Confessions of a Man Insane Enough to Live with Beasts (1965)
    All the Assholes in the World and Mine(1966)
    The Curtains Are Waving… (1967)
    Poems Written Before Jumping out of an 8 Story Window (1968)
    At Terror Street and Agony Way (1968)
    A Bukowski Sampler (1969)
    Notes of a Dirty Old Man (1969)
    Days Run Away Like Wild Horses Over the Hills (1969)
    Fire Station (1970)
    Post Office (1971)
    Another Academy (1970)
    Anthology of LA Poets (1972)
    Mockingbird, Wish Me Luck (1972)
    Erections, Ejaculations, Exhibitions and General Tales of Ordinary Madness (1972)
    South of No North (1973)
    Burning in Water Drowning in Flame: Selected Poems 1955-1973 (1974)
    Lactotum (1975)
    Scarlet (1976)
    Love is a Dog from Hell (1977)
    Women (1978)
    You Kissed Lilly (1978)
    Play the Piano Drunk Like a Percussion Instrument Until the Fingers Begin to Bleed a Bit (1979)
    Shakespeare Never Did This (1979)

    Dangling in the Tournefortia (1981)
    Ham on Rye (1982)
    Hot Water Music (1983)
    Bring Me Your Love (1983)
    There's No Business (1984)
    War All the Time: Poems 1981-1984 (1984)
    You Get So Alone at Times It Just Makes Sense (1986)
    The Movie Barfly (1987)
    A Visitor Complains of My Disenfranchise (1987)
    Roominghouse Madrigals: Early Selected Poems 1946-1966 (1988)
    Hollywood (1989)
    Septuagenarian Stew: Stories and Poems (1990)
    People Poems (1991)
    Bluebird (1991)
    In the Shadow of the Rose (1991)
    Three Poems (1992)
    Last Night of the Earth Poems (1992)
    Run with the Hunted: A Charles Bukowski Reader (1993)
    Screams from the Balcony: Selected Letters 1960-1970 (1993)
    Pulp (1994)

  • Tonke Dragt

    De vader van Tonke Dragt werkte in Nederlands-Indië voor de Nederlandse regering. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zaten Tonke en haar moeder en zussen in een Jappenkamp. Omdat ze daar niets mocht, begon ze verhalen te verzinnen, die ze vertelde aan vriendinnen en aan haar zusjes. Na de oorlog verhuisde het gezin naar Nederland. Met haar zusjes schreef Tonke Dragt een eigen serie boeken. Na de H.B.S. ging ze naar de Academie voor Beeldende Kunsten, waar ze in 1955 haar akte tekenen A en B haalde. Daarna ging ze lesgeven. Eerst op een lagere school, vervolgens op een middelbare school. Behalve tekenles geven, vertelde ze soms ook in de klas. Zo begon het schrijven. Ze debuteerde in 1958 in het tijdschrift Kris Kras. Door het succes van deze verhalen durfde ze met Miep Diekmann te gaan praten. Deze bracht haar in contact met uitgeverij Leopold. Tegenwoordig woont Tonke Dragt in Den Haag, in een huis vol met poppenhuizen en dozen waarin stukken zitten voor collages en ideeën voor boeken die nog moeten worden geschreven.

    De boeken van Tonke Dragt gaan over jonge mensen die op zoek zijn. Ze zoeken naar zichzelf, in een wereld vol raadsels, dubbele bodems, deuren die niet zijn wat ze lijken. Bij hun zoektocht overtreden haar personages vaak de regels. Ook treden in haar boeken vaak personen op met een dubbele persoonlijkheid: tweelingen, mensen die het ene moment het ene personage spelen en het volgende moment een ander, mensen die in twee werelden leven. Weinig boeken spelen in het hier en nu; de meeste spelen in een vaag verleden, een verre toekomst, of in een wereld die naast de onze bestaat. Ook speelt Tonke Dragt graag met ruimte en tijd. Haar boeken zijn dik, haar verhalen zijn ingewikkeld. Toch zijn haar boeken ook spannend. Dit geldt met name voor haar eerste boeken, de laatste tijd concentreert ze zich meer op het innerlijk van haar hoofdrolspelers. Ze illustreert al haar boeken zelf, de laatste tien jaar met collages.

    Bibliografie:

    1958 (9 mei) De prilla mrilla (verhaal)
    1958 (1 augustus) De goede planeet : een ruimtevaartverhaal (verhaal)
    1958 (20 december) De drie dwazen (verhaal)
    1960 De twee koningen (verhaal)
    1961 Verhalen van de tweelingbroers (boek)
    1961 (3 november) De voddeman van Teheran (verhaal)
    1962 De brief voor de koning : een avonturenverhaal (boek)
    1962 (18 mei – 16 november) Poppenkasterij (non-fictie)
    1963 (25 januari – 26 juni 1964) Wonderen op papier (non-fictie)
    1964 De blauwe boekanier (boek)
    1965 Geheimen van het Wilde Woud : een avonturenverhaal (boek)
    1966 De zevensprong (boek)
    1967 De trapeze; deel 8 (verhalen en illustraties)
    1968 De blauwe maan; deel 1 (boek)
    1969 De blauwe maan; deel 2 (boek)
    1969 Torenhoog en mijlenbreed : een toekomstverhaal (boek)
    1970 De blauwe maan; deel 3 (boek)
    1970 Het gevaarlijke venster (verhaal)
    1970 Twee rode tulpen (verhaal)
    1971 De blauwe maan; deel 4 (boek)
    1972 De blauwe maan; deel 5 (boek)
    1973 De torens van februari (boek)
    1974 Sir Gawain en de Groene Ridder (verhaal)
    1974 Het mes : een spooksprookje (verhaal)
    1977 Water is gevaarlijk (boek)
    1979 De blauwe maan; deel 6 : Magoggeltje (boek)
    1979 De blauwe maan; deel 7 : De koning van de onderwereld (boek)
    1979 Het gevaarlijke venster : en andere verhalen (boek)
    1980 Leopold’s schrikkelboek (verhalen, non-fictie)
    1980 De blauwe maan; deel 8 : Vergeet-mij-niet (boek)
    1981 Alleen maar gedroomd (verhaal)
    1982 Ogen van tijgers : een toekomstverhaal (boek)
    1984 Leopold’s schrikkelboek 1984 (non-fictie, verhaal, gedichten, illustraties, vertaling)
    1989 Het geheim van de klokkenmaker (boek)
    1990 Een visum voor Bureaucratië (verhaal)
    1992 Zeeën van tijd; deel 1 : Aan de andere kant van de deur (boek)
    1992 De djinn úít de fles (verhaal)
    1997 Vraag het de kat (verhaal)
    1997 Wat voorbij is, komt niet terug (non-fictie)
    2000 De robot van de rommelmarkt (boek)
    2001 De robot van de rommelmarkt & Route Z (boek)
    2004 De zilveren bekers van Talamoera (boek)

    Deze week werd bekend gemaakt dat Tonke Dragt De Griffel der Griffels heeft gewonnen met haar boek Een brief voor de koning. Voor deze ‘Oppergriffel’  waren de beste Gouden Griffelwinnaars genomineerd.

    DdH

    Bron: Kinderboekenpagina, Richard Tiel

  • Ramsey Nasr

    ‘Voor mij is een gedicht een geheel van klanken. Dan volgt een niveau van niet-begrijpen en daarna hopelijk nog wat andere lagen. Maar dat maakt niet het gedicht. Het moet hoofdzakelijk leuk zijn voor mij om te schrijven.’

    Ramsey Nasr wordt door velen gezien als één van de meest veelbelovende jonge dichters in Nederland. Naast dichter en prozaschrijver is hij ook acteur en regisseur. En in alle disciplines wordt hij gewaardeerd; in 1995 ontving hij de Phillip Morris Scholarship Award voor zijn zelfgeschreven monoloog De doorspeler. In 2000 won hij de Mary Dresselhuysprijs en de Taalunie Toneelschrijfprijs 2000 met een tweede monoloog Geen lied. Voor deze monoloog werd hij tevens genomineerd voor de Louis d’Or 2000, de belangrijkste toneelprijs van Nederland. Zijn debuutbundel 27 gedichten & Geen lied werd voor zowel de de C. Buddingh’-prijs 2000 als de driejaarlijkse H.C.Pernath-prijs genomineerd en op 27 januari 2005 zal hij Tom Lanoye opvolgen als de nieuwe stadsdichter van Antwerpen. 

    Nasr, zoon van een Nederlandse moeder en een Palestijnse vader werd in 1974 te Rotterdam geboren. Sinds 13 jaar woont hij in Antwerpen. Aanvankelijk legde hij zich toe op acteren, maar in 2000 debuteerde hij met als dichter met de bundel 27 gedichten & Geen lied. Deze bundel werd zeer goed ontvangen en werd gevold door de novelle Kapitein Zeiksnor & De Twee Culturen.

    Onlangs verscheen zijn tweede dichtbundel Onhandig bloesemend, waaruit zijn liefde voor klassieke muziek doorklinkt: twee dichtcycli in deze bundel zijn geïnspireerd op een muziekstuk. Het eerste op Dichterliebe van Schumann, het tweede op de altvioolsonate van Sjostakovitsj. Maar ook liefde, politiek en wetenschap zijn thema’s die aan bod komen. Mythische en Bijbelse beelden kenmerken, samen met een theatrale toon, het werk van Ramsey Nasr.

    Momenteel werkt Nasr aan zijn debuutroman.

    Bibliografie
    27 gedichten & Geen lied (2000)                                                                                             Kapitein Zeiksnor & De Twee Culturen (2001) 
    Onhandig bloesemend (2004)

    Het werk van Ramsey Nasr wordt uitgegeven bij De Bezige Bij

    Op http://www.dichterbijdebezigebij.nl/ kun je Nasr zijn werk horen en zien voordragen.

    Het citaat waarmee dit stuk begint is afkomstig uit een interview met Melissande Lips, te vinden op http://home.wanadoo.nl/ewouw/2000-2004/nasr2.htm

    www.ramseynasr.nl

     

  • Mustafa Stitou

    Mustafa Stitou werd in 1974 in Tetouan, Marokko geboren maar verhuisde al snel naar Lelystad, waar hij tot zijn verhuizing naar Amsterdam in 1995 woonde. In het jaar voor zijn komst naar de hoofdstad debuteerde hij al met de bundel Mijn vormen, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’ prijs.

    In 1998 verscheen de opvolger Mijn gedichten bij uitgeverij Vassallucci, die twee jaar later besloot tot een gezamenlijke heruitgave van Stitous eerste twee bundels. Het zou tot 2003 duren voordat een nieuwe bundel het licht zag, maar de dichter liet in de tussentijd veelvuldig van zich horen en lezen. Hij trad op talloze podia op en nam deel aan interdisciplinaire projecten waarbij zijn werkt werd gecombineerd met animatie (Dicht/Vorm in 1998), ballet (Scapino in 2001) en stomme film (Film Biënnale 2003).

    In 2003 stapte Stitou van Vassallucci over naar De Bezige Bij, waar hij zijn derde bundel publiceerde: Varkensroze ansichten. In zijn bespreking van deze bundel in Het Parool voorspelde Adriaan Jaeggi al ‘dat Stitou dit jaar ongetwijfeld een belangrijke kandidaat voor de VSB-poëzieprijs zal zijn. In de Nederlandse poëzie kan niemand meer om Stitou heen, of ze moeten een paar honderd kilometer omlopen.’ In mei 2004 bleek Stitou niet alleen een belangrijke kandidaat, maar zelfs de winnaar van de VSB-poëzieprijs. Enkele weken geleden werd bovendien bekendgemaakt dat hem ook de Jan Campert-prijs 2004 ten deel is gevallen.

    Een uitgebreid dossier van de KB staat sinds 19 maart op:
    http://www.kb.nl/kb/dichters/stitou/stitou-01.html

    Een korte bio, gedichten, film- en geluidsopnames van Stitou zijn te vinden op:
    http://www.dichterbijdebezigebij.nl/

    De gebruikte foto van Stitou werd gemaakt door Gerard Monté (http://home.planet.nl/~litbrab/Goirlefoto03.htm).

  • Toon Tellegen

    Ode aan ik

    Arme ik
    arme arme ik
    o arme ik

    o armere steeds maar armere en armere ik
    armelijk ik…

    o arme armoedige armlastige armzalige armtierige armhartige ik
    erbarmelijke ik
    allerallerarmste ik

    o doodarme straatarme zielsarme ik
    in- en inarme ik
    o arme arme árme ik.

    Bovenstaand gedicht is afkomstig uit Minuscule oorlogen, de laatste dichtbundel van Toon Tellegen. De meeste mensen kennen Toon Tellegen van zijn dierenverhalen: korte verhalen over de zieleroerselen van allerhande dieren in een bos waar alles kan, behalve de mens. Zelf vindt Tellegen zijn gedichten belangrijker. Als dichter debuteerde hij in 1980 met De zin van een liguster en sindsdien verschenen van hem nog bijna twintig dichtbundels.

    Iets later begon hij met het opschrijven van de dierenverhalen: verhaaltjes die hij zijn dochter vertelde voor het slapengaan. Daarnaast schreef hij verschillende verhalenbundels voor volwassenen, een aantal kinderboeken en drie toneelstukken.

    ‘Tellegens gedichten lijken op het eerst kleine vertellingen in vrije versvorm, met personages, tamelijk veel dialogen, en veelal ook een plot. Ze zijn verrassend, lichtvoetig en absurdistisch. Wie beter kijkt, ziet dat de vertellingen meestal ook overdenkingen zijn, en dat Tellegens absurdisme nergens vrijblijvend is. Hoewel er veel te lachen valt in zijn gedichten, zijn ze tegelijk ook van een diepe ernst en snijden ze voortdurend vragen aan als, “Weet iemand wat liefde is?” of “Hoe kom ik te weten wat ik denk?”‘

    Het omgekeerde is ook waar. Tellegens dichterschap werkt door in zijn proza, dat net als zijn poëzie speelt met woorden, vol is van verwondering, zwaarmoedig en lichtvoetig tegelijk weet te zijn en ondanks de sobere stijl altijd lijkt te verwijzen naar iets onbenoembaars.

    In zijn verhalen voor kinderen zijn de hoofdrollen vaak weggelegd voor dieren, niet alleen in de eerder genoemde dierenverhalen, maar ook in Jannes (1993) en Teunis (1996), waarin de hoofdpersonen olifanten zijn. Uitzonderingen hierop zijn Juffrouw Kachel (1991), over een vreselijk gemene schooljuffrouw, Mijn vader (1994), over een fantastische vader die alles kan en Dokter Deter (1997), over een dokter die iedereen beter kan maken.

    Toon Tellegen werd geboren in 1941 in Den Briel. Zijn vader was daar huisarts. Zijn moeder kwam uit een naar Rusland geëmigreerde Nederlandse handelsfamilie. Toen de revolutie uitbrak keerde de familie van zijn moeder naar Nederland terug. In De trein naar Pavlovsk en Oostvoorne (2000) vertelt zijn opa van moeders kant de kleine Toon fantastische en tegelijkertijd angstaanjagende verhalen over het leven in Rusland. Minder leuke jeugdherinneringen gaf Tellegen vorm in het eerder genoemde voor kinderen geschreven Juffrouw Kachel.

    Op zijn twaalfde verhuisde het gezin naar Voorburg, waar Tellegen naar het gymnasium van het Huygens Lyceum ging. Zijn eerste gedicht schreef hij in 1957 op vijftienjarige leeftijd, nadat hij op school kennis gemaakt had met gedichten van de vijftigers. Tellegen over dat gedicht: ‘De eerste regel van het gedicht was: “De bal is vierkant”. Dat vond ik fantastisch. Dat kon ik zomaar opschrijven. Ik wilde tegen iedereen zeggen dat ik dat had verzonnen. Maar ik hield gelukkig mijn mond.’

    Na zijn eindexamen gymnasium in 1959 ging Tellegen voor een jaar naar Amerika, waar hij medicijnen studeerde aan de universiteit van Virginia. Terug in Nederland vervolgde hij zijn medicijnenstudie in Utrecht. Zijn artsexamen deed hij in Rotterdam. Hij specialiseerde zich in verloskunde en chirurgie. Daarna werkte hij drie jaar als arts in een ziekenhuis in Kilgoris (Kenia).

    Sinds 1973 werkt hij als huisarts in Amsterdam. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen en is sinds kort ook opa.

    Bibliografie
    Poëzie:
    De zin van een liguster (1980)
    De aanzet tot een web (1981)
    Beroemde scherven (1982)
    De andere ridders (1984)
    Ik en ik (1985)
    Mijn winter (1987)
    In N. en andere gedichten (1989)
    Een langzame val (1991)
    Een dansschool (1992)
    Tijger onder de slakken (1994)
    Als we vlammen waren (1996)
    Over liefde en niets anders (1997)
    Gewone gedichten (1998)
    Er ligt een appel op een schaal (keuze uit de gedichten) (1999)
    Kruis en munt ((2000)
    Gedichten 1977-1999 (2000)
    De een en de ander ((2001)
    Een man en een engel (2001)
    Alleen liefde (2002)
    Wie A zegt (2002)
    Minuscule oorlogen (2004)

    Proza:
    Volwassenen:
    Twee oude vrouwtjes (verhalen) (1994)
    Dora, een liefdesgeschiedenis (1998)
    De trein van Pavlovsk naar Oostvoorne (2000)
    Brieven aan Doornroosje (2002)

    Kinderen:
    Er ging geen dag voorbij (1984)
    Toen niemand iets te doen had (1987)
    Langzaam, zo snel als zij konden (1989)
    Het feest op de maan (samen met Mance Post) (1990)
    Misschien waren zij nergens (1991)
    Juffrouw Kachel (1991)
    Jannes (samen met Peter Vos) (1993)
    Bijna iedereen kon omvallen (1993)
    Mijn vader (1994)
    De verjaardag van de eekhoorn (1995)
    Misschien wisten zij alles. 313 verhalen over de eekhoorn en de andere dieren (1995)
    De ontdekking van de honing (1996)
    Teunis (1996)
    Brieven aan niemand anders (1996)
    Dokter Deter (1997)
    De verjaardag van alle anderen (1998)
    Mijn avonturen door V. Schwrm (Kinderboekenweekgeschenk 1998)
    De genezing van de krekel (1999)
    Ze sliepen nog (2000)
    Maar niet uit het hart (2002)

    Toneel:
    Jimmy Walker (samen met H. Goslinga) (1966)
    Als moeder ergens ziek van wordt (1968)
    Wespen (1979)

    Vertalingen:
    Kleine koning December van Axel Hacke (1997)

    Prijzen:
    Visser Neerlandiaprijs 1969 voor Als moeder ergens ziek van wordt
    Gouden Griffel 1988 voor Toen niemand iets te doen had
    Zilveren Griffel 1990 voor Langzaam, zo snel als zij konden
    Libris Woutertje Pieterse Prijs 1992 voor Juffrouw Kachel
    Jan Campertprijs 1993 voor Een dansschool
    Zilveren Griffel 1994 voor Jannes
    Libris Woutertje Pieterse Prijs voor Bijna iedereen kon omvallen
    Gouden Griffel 1994 voor Bijna iedereen kon omvallen
    Theo Thijssenprijs 1997 voor zijn gehele oeuvre op het gebied van kinder- en jeugdliteratuur.
    Zilveren Griffel 1999 voor De verjaardag van alle anderen
    Gouden Uil 2000 voor De genezing van de krekel
    De trein naar Pavlovsk en Oostvoorne
    werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2001

    Alle geraadpleegde sites zijn te vinden via onderstaande link:
    http://literatuurlinks.net/index.php?auteurs=1&aid=11379&naam=Tellegen

    Het citaat van Erik Menkveld over Tellegens gedichten is overgenomen van:
    www.poetry.nl/festival98/bio/tellegen/htm

  • Cola Debrot

    Het wordt mij droef te moede,
    al weet ik niet waarom.
    Ik zie de zon verbloeden
    diep aan de horizon.


    Cola Debrot

    Cola Debrot werd geboren als Nicolaas Debrot op het Antilliaanse eiland Bonaire in 1902 als kind van een Zwitserse vader en een Venezolaanse moeder. Hij werd grootgebracht met Papiamento en Spaans, en leerde pas later Nederlands spreken. Tijdens WO I kwam hij naar Nederland om te gaan studeren. Hij studeerde rechten en medicijnen in Utrecht en Amsterdam en werkte als arts, eerst in Amsterdam, later op Curaçao. Na de Tweede Wereldoorlog begon Debrot aan een politieke loopbaan, die uitmondde in zijn functie van gouverneur van de Nederlandse Antillen van 1962 tot 1970. Cola Debrot schreef, behalve zijn literaire werk, ook veel artikelen voor kranten en tijdschriften over de Antilliaanse cultuur en literatuur.

    Cola Debrot werd uit een Zwitserse vader en een Venezolaanse moeder in 1902 op Bonaire geboren, waardoor hij tijdens zijn jeugd vooral Papiamento en Spaans sprak. Pas vanaf de lagere school kwam hij in contact met het Nederlands. In 1916 kwam hij tijdens WO I naar Nederland om er te studeren. Na zijn staatsexamen in 1921 woonde hij enkele maanden in Berlijn en studeerde daarna rechten in Utrecht waar hij o.a. vriendschap sloot met Pyke Koch en Jan Engelman. In 1928 trok hij naar Parijs waar hij drie jaar zou blijven met een tussentijds verblijf in de VS. Hij trouwde er met de danseres Estelle Reed en raakte bevriend met Céline. In 1931 verhuisde hij naar Amsterdam om er geneeskunde te studeren. Tijdens zijn Amsterdamse jaren als student en arts (1942 tot 1948) kwam hij in contact met Du Perron, Marsman, Vestdijk, Ter Braak en Nijhoff. Hij was medeoprichter en woordvoerder van Criterium waarvoor hij ook bijdragen schreef.

    Daarna keerde hij naar Curaçao terug waar hij een politieke carrière begon. Hij speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van de nieuwe relaties tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Tijdens zijn gouverneurschap van de Nederlandse Antillen in de periode 1962-1970 voorkwam hij in 1969 verdere escalatie van de ’30-mei-oproer’ in Willemstad. Op de Antillen was hij niet alleen politiek actief, maar zette hij zich o.a. ook in voor de veeltalige Antilliaanse literatuur met de Antilliaanse cahiers waarvan hij redacteur was (1955-1967). De laatste jaren van zijn leven bracht hij door in het Rosa Spierhuis in Laren, een huis voor bejaarde kunstenaars en wetenschappers. In 1981 is hij overleden.

    Zijn werk werd vertaald in het Engels, Frans, Papiamento en Servokroatisch.

    Bibliografie:

    Poëzie

    • Heimwee (in eigen beheer) (918)
    • Bekentenis in Toledo (1945)
    • Navrante zomer (1945)
    • De afwezigen (1952)
    • Tussen de grijze lijnen en andere gedichten (1970)
    • Verzameld werk 2. Gedichten (1985)

    Proza

    • Mijn zuster de negerin (1935)
    • Senorita Campbell (1938)
    • Bid voor Camille Willocq (1946)
    • Bewolkt bestaan (1948)
    • Galante verhalen (1976)
    • De vervolgden (1982)
    • Verzameld werk 3. Verhalen (1986)
    • Verzameld werk 4. Bewolkt bestaan (1986)

     Toneel

    • De automaten (in ‘Criterium’, 1940)
    • Bokaal aan de lippen (in ‘Nieuw Vlaams Tijdschrift’, 1950)
    • Op zoek naar de Infanta (onvoltooid)
    • Verzameld werk 7. Toneel (1989)

    Dagboeken

    • Dagboekbladen uit Genève (1963, herziene uitgave in 1977)
    • Verzameld werk 6. Dagboekbladen uit Genève. Over dans en beeldende kunst (1988)

     Essays

    • Ars en Vita (met G.P.M. Knuvelder) (1945)
    • Het existentialisme. Drie voordrachten met discussie (met R.F. Beerling en Jacq. de Kadt) (1947)
    • Antilliaanse cahiers (1955)
    • Dagboekbladen uit Genève (1963)
    • Verzameld werk 1. Over Antilliaanse cultuur (1985)
    • Verzameld werk 5. Over literatuur (1987)
    • Verzameld werk 6. Dagboekbladen uit Genève. Over dans en beeldende kunst (1988)
    • Wie was Céline? Van cuirassier tot clochard (1989)

    JP