• Onverwachte poëzie

    Hoe ik mij op een avond met heel veel plezier verloor, ergens in een verkavelde Noord-Hollandse polder, in een oneigentijdse collectie van dichtbundels van een gestorven hoorspelregisseur.

    Op een regenachtige maandagavond reed ik terug vanuit West-Friesland naar Amsterdam met een fijne buit aan honderden dichtbundels van voornamelijk Nederlandse poëzie. Een hoorspelregisseur was overleden en liet een flinke boekencollectie na. In een jaren vijftig ruitjeshuis van een van de nabestaanden stond ik de bundeltjes te tellen: 328 in totaal. Ik nam ook nog een aantal kunstboeken mee en aan de wand zag ik een mooi schilderijtje hangen van een stadsgezicht in de avondmist dat me deed denken aan de Londense schilderijen van de Tachtiger Willem Witsen (1860-1923). Zo gek bleek mijn associatie niet te zijn. De opa van de dame die zich had ontfermd over de boekenerfenis bleek de schilder van dit werkje en hij verbleef in dezelfde periode als Witsen in Londen, zo rond 1890.

    Ik zakte weg in de tijd en vertoefde met de vaak prachtig grafisch vormgegeven poëzie in een dichterlijke dimensie die nog eens versterkt werd door het schaarse licht in huis en de waaiende duisternis buiten. Namen en titels van vergeten, bijna vergeten, tijdelijk bekende en beroemde dichters gingen door mijn handen. Ik lees van Paul Rodenko (1920-1976) in zijn verzamelde gedichten het gedicht Vreemdeling, dat begint zoals ook zijn biografie heet:

    Ik ben een vreemdeling,/ ik sta apart./ Elk ding/ zwelt tot een klam gezicht./ Ik tors het licht./ Het is stijf als een drenkeling./ Ik ben alleen./ Mijn moegerekte hart/ staat steil gericht:/ een meterhoge klarinet./ Maar geen geluid haalt grond in het/ star zwijgen om mij heen.

    Maurice Gilliams (1900-1982), Guillaume van der Graft (1920-2010), Catharina van der Linden (1909-2002), wie kent ze nog? Wie leest ze nog? Alsof hun poëzie eigenlijk al te verstoft is, te stoffig, te oneigentijds . Misschien is dat de reden dat ik van deze gedichten houd. Zoals ik graag naar een foto kijk, van een straat uit de jaren vijftig, waar zoveel nog niet is, de volheid van nu afwezig is, pas later wordt ingekleurd. Ida Gerhardt (1905-1997), ook zo’n type dichter, die bij wijze van spreken al ouderwets of te klassiek was toen mijn opa en oma de nieuwe tijd omarmden van auto, televisie en vakantie. Maar haar kosmisch-religieuze gedichten mogen soms wel reactionair klinken, tegen mijn hedendaagse ik in, ik kan niet ophouden ze te lezen. Zoals ook Marsman mij boeit en zelfs, aiai, Adriaan Roland Holst met zijn gezwollen taal. Stiekem, ik doe er een, van Van der Graft (ps. van Willem Barnard):

    De wind zo langademig in de bomen/ als liefde die nachtenlang niet inslaapt/ maar aldoor dezelfde naam herhaalt,/ onachtzaam voor anderen, onverstaanbaar,/ zodat men kan zitten in de kamer/ van één eigen leven mensvormigheid/ maar buiten dit lichaam verlopen er tijden/ en worden er levens gedrenkt in de regen/ en zoeken er doden een naam als een klok.

     

     

  • Secundair leven

    Vanochtend reed ik door een uitgebreidere variant van de nieuwbouwwijk dan waar ik, in de jaren tachtig, in opgroeide. Onder de rook van Schiphol bleek een opgeblazen ‘groeikernhel’ (Don Duyns) te liggen met de naam Hoofddorp. En een waterhoofd is het. Wie waren die fantasieloze ambtenaar-architecten die in de jaren 80 en 90 dit soort wijken uit de grond stampten? Met gelige baksteen in plaats van de rode uit vroeger jaren wordt het straatbeeld nog monotoner dan het al is door de gevels en huizenblokken, ontworpen door nuts-denkende bouwers.

    Ik reed door een wijk met (al lang vergeten) vrouwelijke schrijvers: Anna Blamanstraat, Ina Boudier-Bakkerlaan, om te stoppen voor een huis in de Annie Mankes-Zernikestraat. Via email had ik een lijst met boeken ontvangen waarop ik terugmailde: ‘Dank voor uw aanbod, maar er zit te weinig interessants tussen. Succes ermee.’ Ik kreeg een mail terug dat hij met de interessante boeken best wel langs wilde komen. Ik keek nog eens goed naar de lijst en besloot toch langs te gaan.

    Eenmaal binnen keek ik naar een paar stapels boeken op de eettafel en begon te selecteren, onderwijl pratend met de, zo bleek, leraar op een middelbare school in Nieuw-Vennep. ‘En daar heb ik ook nog wat staan,’ zei hij, ‘gekocht voor mijn studie filosofie en vanwege mijn interesse in de literatuur.’ Het drong tot me door dat het zeer de moeite waard was dit ritje te hebben gemaakt. Radical Enlightenment van Jonathan Israel zat er tussen. Maar ook boeken van filosofen als Richard Rorty, Kant en Nietzsche, van klassieke schrijvers als Herodotus en Augustinus en verschillende cultuur-historische studies.

    Hurkend op mijn knieën keek ik de stapels door die op de grond stonden. Lekker grasduinen en eruit pikken wat verkoopbaar, interessant of beide is. Voor mezelf pakte ik Het boek van de schoonheid en de troost van Wim Kayzer, naar de prachtige tv-serie die hij in de jaren negentig maakte met meerdere schrijvers, filosofen, wetenschappers en kunstenaars over de vraag naar de zin van het leven en de herinneringen gekoppeld aan schoonheid en troost. Door die serie werd er in mij een gevoel van reflectie geboren, een filosofische houding die tot dan toe, begin twintiger die ik was, nog niet aan de oppervlakte was gekomen. Het secundair kijken naar de wereld, niet impulsief maar juist reflectief, beschouwend.

    Thuis legde ik nog wat boeken voor mezelf terzijde. Van de geoloog Salomon Kroonenberg, over spraakverwarring, De binnenplaats van Babel (Atlas Contact, 2014), en ook zijn Waarom de hel naar zwavel ruikt (Atlas, 2011), waarin geologie, geschiedenis, kunst en cultuur met elkaar worden verweven. Over de werkplek van de geologie, letterlijk: de onderwereld. Reden waarom ik ook een boek voor mezelf hield over de magnifieke etsen van de Italiaanse architect Piranesi (1720-1778) van het oude Rome, maar ook van imaginaire onderaardse gewelven en catacomben. Harry Mulisch maakte mij attent op Piranesi in 1997. In dat jaar maakte de schrijver een tentoonstelling, een keuze uit de collectie van het Stedelijk Museum. Net als in 1996 Komrij dat al eens deed voor het Stedelijk. Om de drieslag compleet te maken van dode, Nederlandse, schrijvende mannen: plukte ik voor mezelf ook Johnny van Doorn uit de stapels. Zijn autobiografische verhalen waren van een stilistische souplesse, die maar weinig Nederlandse schrijvers met hem delen. Voor mijn doctoraalscriptie waarin ik zo’n beetje verzoop in de onmatige en ondeskundige wens wetenschap te bedrijven, gebruikte ik een paar zinnen van Van Doorn uit De geest moet waaien (1977): ‘Mijn hoofd was tot barstens toe gevuld met gedachten die alle kanten uitgingen. Ik wilde er iets mee doen, maar hoe kon ik ooit meester worden van die chaos?’ (Red)Middel: schrijven.

     

     

  • Verkocht

     

    Ik stelde voor dat ik voor altijd thuis zou blijven. Ik zei: ‘Laat mij maar thuis blijven. Dan zal ik, in ruil daarvoor, de schappen in de voorraadkast en de kastjes boven het aanrecht steeds opnieuw ordenen en schoonmaken en de onderbroeken strijken. Daarna zal ik de aangekoekte pannen met staalwol schrobben, de zwarte aanslag uit de theepotten (vier in totaal) verwijderen en de tuin doe ik er ook wel bij. Al die dingen zal ik steeds opnieuw doen, net zo lang tot er een sereniteit ontstaat die jou bij thuiskomst weldadig omarmt. Die jou, wanneer je met vermoeide ledematen en een leeg hoofd thuiskomt, de rust geven die je nodig hebt. Je weet, ik houd niet van regelmaat en steeds dezelfde dingen moeten doen, maar als ik voor altijd thuis mag blijven: doe ik het gewoon. Ik zet de stoelen omgekeerd, met hun poten omhoog op tafel, pluk tussen duim en wijsvinger pluizen en andere huislijk vloervuil van elke poot afzonderlijk en luister naar programma’s waarin bijvoorbeeld K. Schippers aan het woord is. Die het heeft over voorbijgangers alsof het beroemdheden zijn. Dan ben ik verkocht. Tussendoor gooi ik een digitaal prullenbakje leeg, spoel het vaatdoekje uit en neem voor de derde maal de kastjes nog eens uit. Je ziet. Genoeg te doen.

    Een zwak voor iemand hebben is het mooiste wat je kan overkomen. Zaterdagochtend zat ik in bed met een kop koffie en Sir Edmund toen het gebeurde. Op pagina 16/17 werd ik getroffen door een jonge vrouw, die me met een niets verwachtende, wat waterige blik vanuit een blauw/witte achtergrond aankeek en zich, zo bleek uit het interview, op een punt in haar leven had bevonden tussen John Steinbeck en Michael Cunningham. Die tussen die twee schrijvers in, als twee entiteiten van het schrijverschap, haar eigen schrijverschap had uitgevonden. Ze nam me voor zich in omdat ze Van muizen en mensen van Steinbeck hield.

    Een paar dagen daarvoor had deze schrijfster, Roos van Rijswijk, op TIRADE.NU geblogd over een irritant geluid in het ventilatiesysteem van haar huis waardoor haar vriend en zijzelf ‘s nachts geen oog dicht deden. Ze sliep met siliconen oordopjes in:

    ‘s Ochtends vind ik die dopjes in mijn kruin, ze zijn knalroze en er nog moeilijker uit te krijgen dan kauwgom.

    Het was wachten op de ventilatieman die het euvel zou verhelpen. En passant blogt ze verder dat over twee dagen, op 10 februari haar debuutroman Onheilig, gepresenteerd zal worden.

    Een gebeurtenis die haast in het niet valt bij de mogelijke verlossing die ventilatieman kan brengen, desalniettemin heb ik ook daar zin in.

    Haar formulering van de dingen nam me voor haar in. En hoe ze op die prachtige foto van Jiri Buller, waar de natte winterkou vanaf straalt, haar handen plat op haar donkerblauwe gebreide muts legde, als om de muts op haar hoofd aan te drukken. Om de onschuld van die handen was ik weer verkocht. Vraag me niet wat het is. Vraag me alleen of ik voor altijd thuis zal blijven. Zodat ik Onheilig kan lezen. Tussendoor maak ik nog wel een aanrechtkastje schoon.

     

     

  • Ode aan een boeken- stad

    De wekker ging om half zeven. Het stormde en de regen sloeg tegen de ramen. Met tegenzin stapte ik een uur later in de auto en reed door het donker richting oosten. Op de snelweg lagen grote plassen water en achterin de auto stonden twintig dozen vol met boeken. Literatuur, geschiedenis, filosofie, kunst- en fotoboeken. Om negen uur reed ik die ochtend het centrum van de IJsselstad  binnen. Op een terp voor de Bergkerk hield ik halt. In de stromende regen bracht ik de boekendozen naar binnen. Waarom? Niemand gaat toch door dit hondenweer naar buiten! Was ik maar thuis gebleven, lekker warm in m’n bed. Om tien uur waren alle meegebrachte boeken netjes uitgestald over de tafels. Ik was de laatste antiquaar die was binnengekomen met zijn waar, maar net op tijd om de teleurstelling urenlang te gaan verbijten. Een verregende dag in een Overijsselse provinciestad. Wat deed ik daar?

    Ik stond dus in een middeleeuwse kerk in Deventer boeken aan de man te brengen. Om tien uur begon de markt. En voor ik het wist, ik had nog geen tijd voor koffie gehad of een smsje richting mijn lief dat ik veilig was aangekomen, was het één uur in de middag. Drie uur lang werden de boekenkramen bestormd zoals de muren van de kerk een paar honderd jaar geleden tijdens de Beeldenstorm. Deventenaren en ommelanders, wat een enthousiasme en kooplust. ‘Zo blij dat er weer een boekenmarkt is,’ hoorde ik een aantal mensen zeggen. Wat blijkt? Er bestaat in Deventer een boekenclub van 500 tot 600 leden. En natuurlijk, Deventer heeft de grootste boekenmarkt van Nederland, maar dat is in de zomer en niet op een natte dag in januari.

    Maar misschien heeft dat succes wel  een oorzakelijk verband met het enthousiasme van de lokale lezers. Ook mijn buren, collega-antiquaren uit de stad, zijn alleraardigst, komen om het half uur een praatje maken en bekennen dat ze vreesden voor hun verkoop, omdat ik naast ze sta met mijn boeken. Ik zeg dat dat wel mee zal vallen en koop een paar mooie boeken bij ze. Onder andere Baudelaires Les fleurs du mal in de Franse Bibliotheek van Van Oorschot en Nescio’s Natuurdagboek. Tevens weten ze me te strikken voor een lidmaatschap van de vermaarde Stichting De Roos. En terecht. Dit bibliofiele genootschap laat twee tot drie keer per jaar in een kleine oplage een speciaal voor hen vervaardigde publicatie verschijnen. Vaak is dat een samenwerking tussen een kunstenaar en een schrijver. Dubbeltalenten als Armando of een grote schrijver als Grunberg lieten hun werk al eens door De Roos uitgeven. ‘Je krijgt waarschijnlijk nummer 153,’ zegt de penningmeester. Niet onbelangrijk in de wereld van de bibliofilie. Een nummer zijn is in dit geval juist waardevol. En ik hoef niet op een wachtlijst, want er zijn onlangs een aantal leden overleden en er is weer een nummer te vergeven. Het abonneebestand vergrijst, dus ik, maar! 43 jaar oud, verlaag de gemiddelde leeftijd weer enigszins. Daar zijn ze blij mee. Net als mijn tijdelijke buurman en collega, die ook in het bestuur van De Roos heeft plaats genomen. In Deventer is het in de wereld van het boek goed toeven. Met heel wat minder boeken en een verlicht gemoed rijd ik ’s avonds weer richting het westen.

     

     

  • Tegen gewenning

    Vanmorgen schrok ik wakker uit een droom. Er stond een agent voor onze buitendeur met een mitrailleur in zijn handen. Wijdbeens, alsof hij daar voor eeuwig geplant was. Glurend door de brievenbus aanschouwde ik dit donkere silhouet in de ochtendschemer. Hij stond met de rug naar ons huis, onbeweeglijk maar aan de intensiteit van zijn aanwezigheid, was te zien dat hij zo onopvallend mogelijk de straat observeerde op verdachte bewegingen. Onze Marokkaanse buurvrouw liet uit schrik haar man via de achterdeur naar zijn werk gaan en de kinderen hield ze thuis van school. Dat is het mooie van dromen, dat je alles ziet wat je eigenlijk niet kan zien. Tegen mij fluisterde ze: ‘Er moet een tegenwicht komen, er moet een tegenwicht komen.’

    Ik draaide me op mijn rug en hoorde me zelf zeggen: ‘Ja, je hebt gelijk. Het is klaar nu.’ Maar ja, wat moet je. Om nog een actiegroep in het leven te roepen tegen ophangen van slachtvee, gebruik van afkortingen die rijmen op ‘Nee’ en ‘ermee’ (assertiviteits-trainingen uit de vorige eeuw hebben hun sporen nagelaten) en zwaarbewapende agenten op straat, zal niet werken. Een goeie existentialistische roman uit de tijd van Sartre en zijn tijdgenoten kan nog wel eens helpen de mens terug te werpen op zichzelf en zijn daden te overwegen. Maar het zijn geen boeken die je even tussen tussen neus en lippen door leest. In een tijd waar het ene beeld een nog heftiger volgende beeld oproept. We grossieren in overtroevende en angstaanjagende beelden en berichten. Een gewoon boek komt er niet meer aan te pas. Ik zou dan ook willen voorstellen om vaker de boekenkast te raadplegen. En voor wie die niet heeft, er een op te bouwen.

    Wie The walking dead kijkt, komt tot het verlichtende inzicht dat (écht) alles went. Hakgeluiden in zompig vlees, bloedrochelende keelgeluiden en hoofden afhakken van levende doden (jaja, levende doden), we knabbelen er gerust een blok chocolade bij weg. Je raakt zo gewend aan het inhakken op lichamen dat als je buurman op die wijze vermoord zou worden, je er niet van opkijkt. Ons gewenningspatroon kent geen grenzen. Een boek tegen gewenning is Van muizen en mensen van John Steinbeck.

    Het speelt tijdens de grote crisis, zoals wij die nu wereldwijd kennen, in de Verenigde Staten, jaren dertig. Mensen raakten op drift, op zoek naar een menswaardig bestaan. Twee dagloners, George en Lennie trekken van farm naar farm volgens een plan dat George bedacht heeft. Lennie is zwakzinnig en kent zijn eigen kracht niet. In zijn hartstocht drukt hij muizen, honden en zelfs mensen dood. Ze dromen van een eigen stukje grond met een boerderijtje en wat vee. Maar eerst moet er geld verdiend worden. Ze komen op een farm waarvan de boer nogal opvliegend is. De domheid van Lennie kan hij niet verdragen. En ramp oh ramp, Lennie wordt verliefd op de boerin. Na een handgemeen met de boerenzoon komt Lennie in grote moeilijkheden. Het einde zal ik niet verklappen, alleen dat het geen fraai einde is.

    Wel kan ik verklappen dat er een groot medeleven met de personages in dit verhaal zal zijn. Maar het medelijden met de doodgeknepen muisjes zal groter zijn.

     

     

  • Ronddolen in een ander leven

    Mijn fantasie brengt me wel eens in een leven dat ik niet leid, maar misschien wel zou willen hebben. Soms is dat een bestaan in een andere tijd. Nooit op een andere planeet of in de toekomst.  Vaak is het een leven dat zich op een andere, aardse plek bevindt. In die andere tijd, soms een voorbije tijd, of in een ander deel van de wereld, leid ik een leven dat in het verlengde van mijn leven ligt. Ik bedoel, ik ben dan niet ineens een vrouw, of veertig jaar ouder. Het komt voort uit een verlangen, een onrust wellicht, de af en toe opspelende wens een andere versie van mezelf te kunnen creëren.

    Ik kijk wel eens op National Geographic Channel naar Yukon Gold, over een stel ruige mannen die goud delven in de Canadese wildernis. Die beelden bezorgen me geregeld de kriebels om daarheen te willen verhuizen. Naar waar zoveel meer bomen, bergen en dieren dan mensen zijn.

    Deze week werd deze fantasie geprikkeld door het verplaatsen van een paar honderd boeken, voornamelijk kunst- en architectuurboeken naar een nieuwe kast die mijn vader voor me had gebouwd.

    Zo verhuisde ik van de oude kast naar die nieuwe kast een boek over de kunstenaar Willem den Ouden die de rivier de Waal als thema van veel van zijn tekeningen, schilderijen en etsen heeft en daar ergens langs de oevers van de Waal ook woont. De lage horizon, de panoramische blik, de majestueuze luchten: je waant je in een leeg land waar de mens afwezig is. Daar wil ik wel ronddolen. Net zoals in dat verruimende boek van Auke van der Woud. Het lege land, over de ruimtelijke ordening van Nederland in de negentiende eeuw. De woeste gronden, de moerassige velden met hun nachtelijke spookverhalen en overdagse weidsheid, maken me een schilder die er op uittrekt met zijn schetsboek om dit alles vast te leggen, de goudgele horizon, de paarse heide en de silhouetten van kale bomen.

    Ik weet het, het is een romantisch beeld en ik ban of wis de expanderende mens met zijn voortschrijdende techniek uit mijn schildering zoals vele kunstenaars dat deden.

    Oorzaak van mijn onrealistische en unzeitgemässe wereldbeeld is wel oeraanjager Boudewijn Büch. Hij bezocht verre eilanden en vergeten plekken op aarde, altijd verrijkt met een historische anekdote of een particuliere passie over een uitgestorven beest, megalomane schrijver of foute generaal. De aarde en de geschiedenis was zijn speeltuin. Als ik aan Büch denk of een boek van hem pak, springt er zo af en toe een sprankje van zijn enthousiasme op me over en wens ik me voor even een wereldreiziger, pendelend tussen mijn boekenkasten.

    Ooit werkte ik in een groot Amsterdams antiquariaat waar Boudewijn Büch wel eens boeken kocht. Op zolder, waar geen klanten, mochten komen, was ik boeken aan het wegzetten op het gebied van antropologie, wetenschap en reizen. De radio stond aan. De deur ging open en daar stond Boudewijn Büch, krabbelde in zijn haar, mompelde iets van ‘hallo’ en op dat moment schalde Angie van de Rolling Stones uit de luidsprekers. Volgens mij hoorde Mick Jagger-fan Büch het niet eens, opgaand in zijn speurtocht naar interessante publicaties.

     

  • Rode wijn en hagelslag

    Voor mij was het een geruststelling te weten dat migraine al bestaat zolang de mensheid bestaat. Mensen als Ceasar, Kant, Freud en J.J. Voskuil werden gegeseld door migraine aanvallen. Frida Vogels had waarschijnlijk ook last van migraineuze aanvallen als ze in haar dagboek schreef dat ze die dag niets had kunnen doen: in bed gelegen met een gevoel van algehele malaise en misselijkheid.

    Migraine kan zich als volgt openbaren: tegen het ochtendgloren wegzakken in een soort moeras waarna alles in een helder wit licht komt te staan. Op zich geen nare ervaring. Dan treden er duizelingen op (bed kiepert achterover) waar je misselijk van wordt. Even later trekt alle energie met een ongekende vaart naar het schedelpan op het gevaar af te barsten. Maar dat kan gelukkig niet, zegt Oliver Sacks in zijn boek Migraine (herziene druk 2008).

    Het boek bevindt zich al jaren zwervend door mijn huis. Door er geregeld in te lezen weet ik dat migraine min of meer te reguleren is. Ik kreeg er op de meest ongepaste tijden last van en heb het nu zo geregeld dat als het dan toch moet gebeuren dat in het weekend is. Hoe precies weet ik niet, maar wel dat het boek me daartoe heeft geïnspireerd.

    Ik pakte het er weer eens bij en bladerde er tussen de comateuze slaapjes wat doorheen. Het is een prachtig boek, ook wie geen migraine kent, moet dit lezen. Een bonte verzameling aan onderzoek, cases van verschillende neurologen uit alle tijden, er gaat een wereld voor je open. Zo blijkt dat de symptomen al in de tweede eeuw van onze tijd werden beschreven onder de naam heterocranie door de Griekse arts Aretaeus van Cappadocië:

    En in bepaalde gevallen doet het hele hoofd pijn, en de pijn bevindt zich soms rechts en soms links, of op het voorhoofd of de fontanel; (…) Dit wordt heterocranie genoemd, een ziekte die in geen enkel opzicht onschuldig is (…). Het veroorzaakt onbetamelijke en vreselijke symptomen (…) misselijkheid; galspuwen; ineenstorting van de patient (…) en het leven wordt een last. (…) de duisternis verzacht hun kwaal; noch kunnen zij het makkelijk verdragen iets plezierigs te horen of te zien.

    Duizenden jaren later is er niet veel veranderd aan de symptomen. Al lijken de omschrijvingen erger dan de kwaal in zijn geheel. Zoals met alles waar je tegen aan kijkt en niet zelf beleeft, lijkt het erger dan het is. Migraine is een Way of Living.

    Wat ik nergens heb gelezen, is dat je de avond voorafgaand aan een aanval een onbetamelijke lust krijgt in dingen waar je normaal gesproken zeer matig in bent. Zoals brood met roomboter en pure hagelslag en dat dan schrokkend naar binnen werkt. Het liefst als er niemand in de buurt is. Al kauwend knaagt er in mijn achterhoofd dan het besef dat ik de volgende dag door hoofdpijnen geplaagd zal worden. Waarom stop ik er dan niet mee? Ik heb Mijn Lief wel eens gevraagd er wat van te zeggen als het weer zover is. Maar bij nader inzien is het beter niet te dicht bij me in de buurt te komen. Het kan zijn dat ik bokkig mijn schouders op trek en onbeheerst ga grommen en grauwen, als moet ik iemand van mijn rug werpen. Een vriendin vertelde me dat ze de avond tevoren onbetamelijk veel rode wijn drinkt en gedichten reclameert alsof het haar dagelijkse werk is.

     

     

  • Bonnetjes en ansichtkaarten

    Het is een van de laatste dagen van 2015 dat ik op een ochtend aan de eettafel van de heer F. zit. Hij maakt koffie voor me in de keuken. In afwachting daarvan schuif ik een foto en een ansichtkaart naar de plek waaraan hij zo weer zal plaatsnemen. Ik vond ze in de boeken die ik de vorige keer van hem heb overgenomen. Zo vind ik vaak een visitekaartje, een brief, een boodschappenlijstje of een bonnetje in de boeken die ik aankocht.

    De heer F. zet de koffie op tafel en pakt de suiker erbij. Hij kijkt naar wat ik voor hem heb neergelegd. Doet zijn bril af. Kijkt. Zet zijn bril weer op. Kijkt. En blijft kijken. Achter hem valt het grijs-gele ochtendlicht vanuit de overwoekerende tuin naar binnen. Afwisselend pakt hij de foto en de ansichtkaart op en kijkt ernaar. De ansichtkaart is een geposte kaart uit 1982, geadresseerd aan de heer F., Kassel, Germany. Het is een eindejaarswens van de Duitse kunstenaar Sigmar Polke (1941-2010), generatiegenoot en een van de velen die F. uitnodigde om te komen exposeren op de door hem georganiseerde Documenta 7 in 1982, het vijfjarige evenement dat in Kassel de stand van de hedendagse kunst brengt onder de vleugels van een curator/ directeur van naam en faam. F. verbleef drie jaar in Kassel om Documenta 8 te bewerkstelligen. ‘Polke bracht zijn schilderijen pas een dag voor de opening. We waren goede vrienden.’ Thuis blader ik door de 2 delen van de Documenta 8-catalogus heen en zie de namen van de kunstenaars voorbij komen die hij in Kassel bijeenbracht: Andy Warhol, Gerhard Richter, Marina Abramovic, Jean-Michel Basquiat, Marlene Dumas, René Daniels, Robert Mapplethorpe, Isa Genzken, Anselm Kiefer en Cy Twombly. ‘Ik kreeg van het Van Abbemuseum waar ik nog directeur was, 500 gulden in de maand doorbetaald, dan hield ik in elk geval nog uitzicht op mijn pensioen.’ Scherp, dacht ik, zou ik waarschijnlijk niet aan denken als ik gevraagd zou worden voor een dergelijke eervolle opdracht.

    De zwart-wit-foto is een kiekje van De heer F. met een collega en kunstenaar, Johannes Gachnang, genomen in Turijn, toen ze samen directeur waren van een museum in die stad.  Hij kijkt naar zijn jongere zelf, een lachende ook. Goed gemutst staan ze nonchalant te poseren op het bordes van het ‘castello’. Ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Hij spreekt over de kleermakers die ze hadden. Die van hem zat in London. Dan ineens: ‘Ik moet weer door, ik ga weer aan het werk. Ik moet een artikel schrijven voor een expositie van de kunstenaar Daniel Buren, een goede vriend van me. Gisteren heb ik een dag verprutst, de hele dag gedaan over een zin die ik later weer heb verworpen. Ik begin altijd te moeilijk, het moet simpel blijven.’ Ik wens hem fijne dagen. We hebben weer een afspraak staan in de eerste week van het nieuwe jaar. Dan struinen we verder door zijn boeken en zijn leven.

     

     

  • Op sterven na dood

    Als je niet oplet drijft het verleden ongemerkt uit beeld tot er niets van over blijft en neemt het heden het volledig van je over. Tot je door iets dat je ziet of hoort met dat verleden geconfronteerd wordt. Gistermorgen viel mijn oog op een kopje boven een kort bericht op de voorpagina van de Volkskrant. Ik las: ‘Vrij Nederland op sterven na dood.’ In werkelijkheid stond er: ‘Vrij Nederland gaat verder als maandblad.’ Door de schok had ik het bericht misvormd. Door de crue berichtgeving werd ik enkele decennia teruggeworpen in de tijd.

    In bed met een stapel kranten in een historisch pand in de binnenstad van Deventer waarvan mijn Lief en ik de verbouwing nooit helemaal voltooid kregen. Wanneer het cementstof was neergedaald en de kou door iets te enthousiast gesloopte tussenmuurtjes door het pand kroop en mijn Lief de kroeg om de hoek indook, was Vrij Nederland mijn baken.

    Met Bibeb, Dichters & Denkers, Boek van de maand, Nederlands proza, de stukjes van Rinus Ferdinandusse (die ik nooit helemaal begreep of gewoon geen geduld voor had), essays en veel, veel ruimte voor recensies. En op de achterkant het feuilleton Agnes, beslommeringen van een alleenstaande bijstandsmoeder met opgroeiende zoon, door Peter van Straaten. In mijn herinnering stonden er geen nieuws of opiniestukken in. Wat natuurlijk wel het geval was en ik zal er voor de vorm ook wel met mijn ogen overheen zijn gegaan, al staat me daar niets meer van bij.

    Boven in mijn werkkamer, die dit weekend als logeerkamer was gebruikt en er nogal aangedaan uitzag, trok ik een grote zwarte koffer onder mijn tafel vandaan en klikte de twee sloten open. Gravend door bergen correspondentie van vrienden en geliefden vond ik op de bodem twee dikke mappen met knipsels en vergeelde VN krantenbladen. Ik vond een recensie van Carel Peeters van De vriendschap, de tweede roman van Connie Palmen, 4 maart 1995. Peeters vond het boek een genadeloos filosofisch meisjesboek dat met niets te vergelijken was: ‘De roman ontwikkelt zich van meisjesboek tot filosofisch essay.’

    In de rubriek Ter zake, uit dezelfde editie een stuk over de taak van de openbare bibliotheken bij de verspreiding van literatuur. Het geval wilde dat de spraakmakende bundel De gevelreiniger en anderen van Arjen Duinker veel lovende recensies had ontvangen maar van de elfhonderd bibliotheken die Nederland toen rijk was, bestelden er maar elf een bundel! Het was een schande. De uitgever van Duinker, Maarten Asscher schreef een boze brief naar de directie van de NBD (Nederlandse Bibliothekendienst) waarin hij klaagde over het feit dat er van de meer commerciële literatuur altijd veel meer werd aangekocht. Een regelrechte schande voor de poëzie was het.

    Er stonden namen in waar ik toen nog nooit van gehoord had en ook later nooit meer iets van vernomen heb. Eendagsvliegen zoals Sammi Landweer die met de verhalenbundel Woestijn debuteerde. En op 3 februari 1990 besprak Frans de Rover De psychologie van de zwavel van Atte Jongstra, waarin feit en fictie een belangrijke rol spelen. In de serie Privé-domein was net Mijn leven door Alma Mahler-Werfel uitgekomen. Beide boeken staan nog steeds in mijn boekenkast en mijn heimwee naar de dagen dat literatuur er nog toe deed in de media, wordt meer en meer aangewakkerd.

    Maar hoe moet dat nu met de literatuur en zijn besprekingen nu VN, na een feestelijk gevierd 75 jarig bestaan op het punt staat te verdwijnen? Want maandelijks verschijnen nadat je decennia lang een wekelijkse gast was, wil zeggen dat je langzaam uit beeld verdwijnt.

     

     

     

  • Strooptocht door boekendozen

    Een paar maanden geleden kocht ik een partij boeken van een Amerikaanse dame die al twee decennia in Nederland woont en directeur is van een culturele instantie. Gisteravond begon ik aan de dozen met boeken om een selectie te maken van wat wel of niet interessant is om in mijn collectie aan te bieden. Haar vakgebied is architectuur, stedenbouw, ruimtelijke ordening, cultuurgeschiedenis, maar ook film, kunst, design en fotografie heeft haar interesse. Voornamelijk uit de Angelsaksische cultuur voortgekomen. Het is een urenlange, heerlijke strooptocht door de boekendozen. Naast mijn commerciële blik, wordt mijn particuliere interesse ook gevoed. Ik pak een boek over vuur in het Amerikaanse landschap, foto’s van heidebranden en bossen in de fik, smeulende velden en brandende bomen (Larry Schwarm, On Fire, 2003). Het boek is gesigneerd door de fotograaf en heeft, ironisch genoeg, wat waterschade! Ik zet het bij mijn andere boeken over vuur van o.a. Johan Goudsblom en Sebastian Junger. Ooit zag ik de film Quest for Fire waarin oermensen, levend in moerassen, op zoek gaan naar vuur nadat hun gestookte en gekoesterde vuur tijdens een overtocht door het water, met drager en al kopje onder ging. Vuur als warmte- en voedselbron. Vuur de vernietiger, maar ook een natuurfenomeen dat noopt tot menselijke samenwerking.

    Of het boek Values of Agrarian Landscapes across Europe and North America. Glooiende heuvels, een enkel huisje, de kleuren bruin, groen en geel en blauw domineren op de landschapsfoto’s. Sinds ik in de bergen ben geweest, pas op mijn dertigste, wil ik er steeds weer naar terug. Stiekem zou ik er willen wonen, in een huisje tegen de berg aan. Arcadië, de pastorale, de leegte, hoogte, het sublieme, de hang naar rust en de nietigheid in de grillige natuur, zomaar een paar begrippen of gevoelens die me te binnen schieten als ik door het boek blader, of beter gezegd, die uit mijn onderbewuste omhoog borrelen. Maar ja, ook het boek  in de volgende doos bevalt me en maakt me nieuwsgierig naar het leven en wonen in een Amerikaanse stad: Robert Cameron’s Above Chicago, a new collection of historical and original aerial photographs of Chicago. Een lekker vet gekleurd platenboek met luchtfoto’s van deze Gross-Stadt waar de invloedrijke modernistische architect Mies van der Rohe neerstreek en met zijn wolkenkrabbers de skyline ging tekenen. De ligging van Chicago aan Lake Michigan en de gerasterde straten en wegen, onder soms een felblauwe zomerlucht en dan weer een prachtig wolkendek, maakt me hongerig naar De Grote Leegte om de stad heen.

    Daar weer onder ligt een boek getiteld Brilliant on the Skyline (SUN, 2011), over de architectuur en het design van een terminal op Schiphol. Ik houd van non-descripte, anonieme, lege ruimtes, zonder mensen, maar vol van licht en strakke lijnen en uitgekiende kleuren en vormen. Waarom vaart dat steeds in mij? Het verlangen daar te zijn of heen te gaan, de plekken op foto’s met veel ruimte, de glooiende horizon, de grote leegte, daar  waar weinig tot geen mensen te zien zijn. Onderin de laatste doos ligt een monografie over de architect W. van Tijen (1894-1974). Een van de beeldbepalende architecten van het naoorlogse Nederland die de wijk ontwierp die achter ons huis staat, aan de westelijke rand van Amsterdam. Ik ben weer geland, thuis en klaar voor vandaag.

     

  • Geluk in een draagdoek

    Ik was een paar weken in Londen om de tweeling van mijn oudste Zoon en zijn Liefste te bewonderen. Op zondagmiddag gingen we naar het park in London Fields. De baby’s in een draagdoek liepen we door de straten van Hackney. Ruziënde stemmen van een man en een vrouw, vlogen als vuurballen door een open raam de straat over. Het deerde ons niet. We hadden het over schuimende melk en hoe je daarmee figuren op koffie maakt. Alsof we al zo vaak op zondagmiddag met baby’s uit wandelden gingen.

    In het park trokken de draagdoeken de blikken van jonge vrouwen. Verlangen naar een kind lijkt op een zonnige zondagmiddag in een park vreselijk urgent. Een kind maken of een alternatief bedenken. Zoals: maak een schap in de keuken voor de koffiemolens die je in de loop der jaren hebt verzameld. En als dat klaar is, zoek naar wat anders tot blijk dat  het verlangen niet meer te ontwijken is. Grote kans dat je dan ook op een zonnige zondagmiddag bebuideld door een park loopt.
    Op de terugweg naar hun huis begon ik van louter geluk de namen van de straten te mompelen: Shrubland Road, Brownlow Road, Marlborough Road.

    Thuis legden we de slapende baby’s tussen ons in op de bank. Oogbollen schoten achter transparante oogleden heen en weer op zoek naar een opening om de wereld te zien. Piep en prut geluiden. Mondjes verstreken tot een intense treurigheid om dan ineens tot een perfect gevormde 0 te komen die overging in een gelukzalig glimlachen. Waarna een diepe frons, zoals alleen een baby fronsen kan, alles wegvaagde en je zegt: ‘Och, wat is er dan?’ En je noemt ze bij hun naam om ze te helpen dit leven in te komen. Je stelt je voor dat als je nog niets bent van jezelf, je wel een muts op wilt om te weten waar je hoofd is en sokken aan je voeten zodat je weet waar je begint en waar je ophoudt. Om niet af te zeilen naar het oneindige waar het huilen je nader.

    Zoon moest voor zijn werk een week op pad. Zijn Liefste en ik zouden het klaren. De kleintjes dronken gretig moedermelk, we voerden ze bij met flesjes, poedelden ze, zongen liedjes, vouwden steeds opnieuw de was en noemden ze bij hun naam. Dag en nacht. Wanneer ze ontroostbaar waren droegen we ze uren in onze armen of in een draagdoek. Onze taal beperkte zich tot een ‘Ochetoch’ en zongen rijmpjes als: ‘Hee hee / ga je mee / samen naar de zee.’ Waar we natuurlijk niet naar toegingen omdat we geen energie over hadden om waar dan ook nog naar toe te gaan. We waren moe en verwisselden de namen van de meisjes, maar dat vonden ze niet erg. Ze bleven stralen en fronsen en drinken en hun luiers volmaken en zich koesteren in onze omarmingen.

    John Berger schreef in zijn boek Ways of Seeing, ‘Seeing comes before words. The child looks and recognizes before it can speak’. En zo is het.

     

  • Reizen langs boekruggen

    We zitten weer voor zijn boekenkast, de heer F. en ik. Twee uur lang. Buiten vallen de bladeren van de bomen. Het is begin november 2015. Ik heb alle tijd om rond te kijken, maar moet wel opletten. Elk moment kan er beslist worden of een boek terug de kast in gaat of dat ik het kan meenemen. Langzaam schuiven we langs de kasten die de meterslange muur beslaat. De reis langs de soms grijze, bruine maar ook vaak kleurige ruggen, verloopt rustig en ingekeerd.

    Het selectieproces is een mentale krachtsinspanning zie ik aan de kunsthistoricus. Elk boek behelst voor hem een ontmoeting, een anekdote, een referentie naar zijn tijd als museumdirecteur. Het literaire, politieke en historische deel van de collectie is al gewikt en gewogen. We passeren decennia stromingen. Kunstenaars die de geschiedenis stutten – Alberto Giacometti, Marcel Duchamp, Kurt Schwitters, Mondriaan, en waarmee heer F. gewerkt heeft: Markus Lüpertz, Donald Judd, Carl Andre, Joseph Beuys. Hij heeft tentoonstellingen met ze gemaakt en teksten over hen geschreven. ‘Maar ik zie ze steeds minder’. En met ‘ze’ bedoelt hij de grote kunstenaars van de afgelopen decennia. Gerhard Richter bij voorbeeld, maar ook Georg Baselitz. Ik zie een analogie met het jaargetijde, maar houd het voor me. Ooit kunstenaarsvrienden, maar nu op gevorderde leeftijd neemt met de tijd de afstand weer toe.

    Ik zeg: ‘Ook zoiets als vriendschap is gebaseerd op een gedeeld eigenbelang.’ De heer F. kijkt me met een vrolijke frons aan maar zegt verder niets. Nu veel kunstenaars waarmee hij verkeerde dood – of al een tijd lang gearriveerde personen in de kunst –  zijn, is de noodzaak tot samenwerking minder groot. ‘Ik wil nu met jonge kunstenaars werken.’ Prachtige kunstenaarsboeken van Per Kirkeby, Sigmar Polke, Carl  Andre, Katherina Sieverding, Marcel Broodthaers en A.R. Penck gaan door onze handen. Vooral die van Penck lijken wel schetsboeken, de zoektocht en onderzoek naar het kunstwerk waren in de jaren zeventig belangrijker dan het uiteindelijke resultaat. Vooral de tijd in het Van Abbemuseum uit de jaren zeventig en tachtig is in zijn studeerkamer goed vertegenwoordigd op de planken. Hij wijst naar een muur naast de deur waar een lage boekenkast staat. Aan de muur hangen portretten en werken van zijn idolen: Goethe, Beuys, Rembrandt, Kirkeby. Zelfs hij heeft idolen. Tuurlijk, iedereen heeft ze. Inspiratiebronnen.  Ik denk aan een paar mensen die ik als voorbeeld zag, van vroeger tot nu: Marco van Basten, Salvador Dalí, Vincent van Gogh en Friedrich Nietzsche. Ik kan er nog wel een paar noemen die me bijvoorbeeld aan het lezen kregen in mijn jeugd: Simon Vestdijk, Maarten ’t Hart, Heere Heeresma, Jan Wolkers. En de leraren die me de interesse voor literatuur en geschiedenis bijbrachten op de middelbare school.

    Ineens hoor ik: ‘Kun je een dichtbundel voor me regelen van Hans Faverey? Een paperback van zijn Verzamelde gedichten, 3e druk, 1990. Voor op reis. Dank je wel.’