• Prettig nostalgisch

    Begin jaren tachtig haalde je elke vrijdag bij de sigarenboer een Vrij Nederland. Het ging je om de Boekenbijlage, onder redactie van Carel Peeters. Dat hij toentertijd de ‘president’ van de Boekenbijlage werd genoemd, lees je in Kleine (en iets grotere) herinneringen van Hans Vervoort. Ook dat de New York Review of Books tot voorbeeld had gediend voor de Boekenbijlage, lees je daarin. De New York Review bestaat nog steeds in zijn oorspronkelijke vorm, de Boekenbijlage van VN sneuvelde toen de krant een tijdschrift werd. Mooi is dat herinneringen veel over degene die het zich herinnert vertellen. Zo herinnert Hans (in het boek heet de verteller ‘Hans’) zich dat hij als boekrecensent bij VN een uitgesproken voorkeur had voor verhalende, goed leesbare lectuur. Ongevraagd besprak hij jaarlijks de nieuwe roman van Johan Fabricius. Hoewel Peeters vond dat boeken bij de lezer een andere kijk op de wereld moesten bewerkstelligen, plaatste hij de lovende besprekingen van Hans welwillend. Tot de redactie hem geen nieuwe titels meer gaf. ‘Dat was Carels ultieme uiting van zijn onvrede en Hans vertrok als recensent naar NRC Handelsblad.’, schrijft Vervoort.

    Vervoort werkte voor onder meer Vrij Nederland en Opzij. Vanaf 1970 zette hij zichzelf op de kaart als literair schrijver, werd ‘een van de beste jonge prozaïsten in Nederland’ genoemd. Uit deze herinneringen, waarin mooi geportretteerd wordt, komt een man naar voren die het liefst op de achtergrond bleef. Altijd opgelucht als een vergadering was afgelopen, bij feestjes aan de zijlijn stond. In drieënveertig stukjes worden ontmoetingen  bij de koffieautomaat, vergaderkamer of op bedrijfsfeestjes beschreven. Werkrelaties met Joop van Tijn, Rinus Ferdinandusse, Renate Rubinstein. Als Hans in 1988 net uitgever is geworden, een kamer vlak bij het koffiezetapparaat op de gang heeft, staat hij elke keer op als hij het apparaat hoort lopen. Zo treft hij Cisca Dresselhuys, hoofdredacteur van Opzij. Ze vraagt of zijn nieuwe functie bevalt. ‘Ja,’ antwoordde Hans, ‘ik merk dat ik elke keer als ik de automaat hoor, vanzelf opsta om een nieuwe beker koffie te tappen. Dit is al mijn vijfde kop.’
    ‘Maar zo heb je nog eens contact’, zei Dresselhuys. ‘Dat is inderdaad de bedoeling’ zei hij, ‘ik hou ook de deur open. Ik wil graag aanloop.’ ‘Benieuwd hoe lang je dat volhoudt.’, zei ze geamuseerd. En, ‘Kijk maar uit met al die kopjes koffie. Voor je het weet krijg je het aan je rikketik.’ Je ziet er direct een schets in van Peter van Straaten. De onwennige uitgever, omklemt de zoveelste beker koffie. Boven hem uittorenend de struise  hoofdredactrice, die hem stralend doch minzaam een voorland schetst.

    In 1984 was Hans op een jubileumfeest van de Haagse post dat gehouden werd in een verbouwde boerenschuur. Daar zag hij voor het eerst Henk Hofland. Zelf aan de kant staand, zag hij hoe Hofland richting uitgang liep, ‘met de voorzichtige tred van de aangeschotene.’ Maar Hofland kreeg de deur niet open. ‘Toen zag Hans hem een besluit nemen.’ Hofland wachtte tot er iemand aankwam die de deur opende en naar buiten liep, ‘op de voet gevolgd door de columnist.’ Zelf associeerde je Hofland steeds met Susan Sontag, om zijn columns in het NRC, die hij ondertekende met S. Montag.

    Sommige karakterschetsen zijn kleine odes aan collega’s die geen aansluiting vonden. Zoals een juridisch adviseur, die zich op zijn kamer verschanste achter stapels mappen. ‘Praatte je met Erik, dan bleek hij een gevoelig en erudiet mens, die geregeld in het gesprek kleine verbale grapjes maakte. Zo klein dat Hans altijd vergat om te lachten en dat later betreurde.’ Bij zijn pensioen eert Hans hem als notulist van redactievergaderingen, ‘Pas als ik Eriks notulen lees begrijp ik wat ik eigenlijk had willen zeggen.’ Zo’n man dus, die net als Hans Vervoort het menselijk bedrijf in ogenschouw nam, er uithaalde wat anders verloren zou gaan. Het stemt op een prettige manier nostalgisch.

     

     

    Kleine (en iets grotere) herinneringen aan deze en gene / Hans Vervoort / uitg. Brooklyn / blz. 174


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Onbestuurbare boot midden op zee

    Op het Holland Festival draaide dinsdag 27 juni de baanbrekende stille Braziliaanse avant-garde film Limite, uit 1931, live begeleid door de Braziliaanse band Metá Metá samen met leden van The Ex. Wie deze hypnotiserende en vervreemdende film ziet, kan niet anders dan er door verpletterd zijn. 

    Limite, wel de Braziliaanse Un chien Andalou genoemd, is de enige film die schrijver en regisseur Mário Peixoto heeft gemaakt. In Parijs raakte hij als begin twintiger geïnspireerd door een foto van André Kertész op de omslag van een tijdschrift van twee geboeide mannenhanden om de nek van een vrouw die recht in de camera staart. Die ene foto was de bron voor Peixoto’s film, waarin twee vrouwen en een man troosteloos in een roeiboot op zee dobberen. Er is niet veel voedsel en weinig hoop op redding, maar voor twee van de drie is de hoop allang vervlogen. Hun verhaal wordt verteld in flashbacks naar hun leven vóór de noodlottige zeereis, dromerige sequenties en close-ups van betekenisvolle details. Peixoto wilde geen doorsnee verhaal vertellen, vond dat zijn film eerder gevoeld dan begrepen moest worden. Het resultaat is een precies twee uur durend filmgedicht in experimentele stijl met een associatieve, meanderende verhaalstructuur. 

    Peixoto wilde aanvankelijk zelf de mannelijke hoofdrol spelen. Hij pitchte de film aan twee regisseurs, Humberto Mauro en Adhemar Gonzaga, die echter allebei zeiden dat het scenario veel te persoonlijk was om door iemand anders dan Peixoto zelf te worden geregisseerd. En dus trad Peixoto niet op als acteur maar als regisseur. Hij betaalde de productie met familiefondsen en filmde in 1930 aan de kust van Mangaratiba, een dorp ongeveer 80 kilometer van Rio de Janeiro, waar zijn neef een boerderij had.
    Cameraman Edgar Brasil zorgde voor visueel vuurwerk. Hij maakte uitgebreid gebruik van een handcamera, waardoor Limite modern aandoet. De drie schipbreukelingen kunnen geen kant op in hun onbestuurbare boot midden op zee, maar de camera beweegt naar believen vrijelijk rond. Bekijkt het drietal van alle kanten, zoomt in, draait rond, vliegt langs de kust en de kolkende branding en kiest ongebreideld de meest uiteenlopende en bijzondere kaders, standpunten en perspectieven, nu eens de hoogte in wervelend, dan weer de horizon aftastend. Juist die totale vrijheid aan beelden benadrukt het beklemmende lot van de drie protagonisten.

    Limite ging op 17 mei 1931 in première in de Chaplin Club in Rio de Janeiro. De kritieken waren gunstig, maar het publiek moest er weinig van hebben en de film werd nooit commercieel uitgebracht en werd slechts sporadisch vertoond. In 1959 bleek de nitraatkopie van de film er zo slecht aan toe te zijn dat hij niet meer vertoonbaar was. De restauratie duurde achttien jaar, waarna Limite aan een gestage opmars begon en ten slotte een wereldwijde doorbraak beleefde. Alom werd uitgeroepen tot beste Braziliaanse film aller tijden. De eerste Nederlandse vertoning, schrijft filmhistoricus Peter Bosma op zijn website, ‘vond in 1995 plaats tijdens het eerste Festival Latino Americano de Cine y Literatura, georganiseerd door Leo Hannewijk bij Lantaren/Venster’. In datzelfde jaar werd de film in De Doelen vertoond, begeleidt door het Escher Ensemble met een score van Frank Mol. Zelf zag ik Limite voor het eerst in 2008 op het IFFR, waar de film ook volgend jaar weer op het programma staat.

    Mário Peixoto stierf in 1992, 83 jaar oud. Hij liet een aanzienlijke hoeveelheid literair werk na, bestaand uit poëzie, verhalen, toneelstukken en een zesdelige, sterk autobiografische roman getiteld O inútil de cada um (Iedereen is nutteloos), alsmede filmscenario’s en een fragment van een geplande tweede speelfilm, die nooit werd voltooid en grotendeels verloren ging bij een brand.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Zijn derde roman, Tenminste voor een bepaalde tijd verscheen bij uitgeverij IJzer.

  • Woordeloos graf

    Ik was een paar dagen in Zeeland, waar ik niet eerder was. Bij Zeeland dacht ik aan de Zeeuwse dichter en dagboekschrijver Hans Warren. In de jaren tachtig/negentig werd elk nieuw verschenen deel van Geheim Dagboek gelezen. Ik dacht erover zijn graf te bezoeken, appte een Warren kenner of hij wist waar de dichter begraven lag. Nadat ik en de man bij Oostkapelle de tent hadden opgezet, zochten we de zee. Na een urenlange, prachtige wandeling door een bos met herten, een kudde wilde paarden, hadden we de zee nog niet gezien. Toen ik later in mijn slaapzak lag te draaien, verschenen er twintig foto’s van gefotografeerde pagina’s uit een boekje met wandelingen van Hans Warren, ‘pingend’ op mijn mobiel. Het verscheen in 2006 (je woonde nog in Portugal), als onderdeel van de serie ‘Literaire wandelingen’ bij Bas Lubberhuizen en was je geheel ontgaan.

    In Borssele was er geen mens op straat. Er heerste een jaloersmakende zondagsrust. Of wacht, daar zaten twee Litouwse bouwvakkers op de hoek van de Weststraat. De een op een stoel, de ander op de stoeprand, blote voeten, kijkend op hun mobiel. Het enige café was dicht. Ik liep de Weststraat in, naar nr. 15, er stond een wit busje voor. Ik herinner me de ongelukkigheid van Warren over deze gedwongen verhuizing van het ruime, vrijstaande huis aan de Zeedijk naar een gezinswoning.
    Daarna zochten we Warrens graf op de begraafplaats aan de Oostsingel. We namen ieder een stuk voor onze rekening, liepen af en aan. Tot de man zijn hand opstak, het graf gevonden. Het lag er open en bloot. Geen grafzuil, geen tekst. Enkel een wit marmeren plaat met rechts, op een zwart marmeren rand ‘hans warren     dichter’, afstand tussen naam en dichter zoals op het graf. Ik stond bij dat woordeloos graf van de dichter die had afgezien van elke vorm van bewondering. Legde wat takjes vrouwenmantel bij zijn naam, zei enkel maar, ‘dag hans’.

    In 1957 was Warren met zijn gezin, na vier Parijse jaren teruggekeerd naar Zeeland. Op 29 juli 1957 schreef hij, ‘Sinds 1 juli wonen we Pijkesweegje 1 in Kloetinge. Een zeventiende-eeuws huisje, vervallen maar pittoresk, aardig van verhoudingen en met aangenaam licht in de kamers die op het oosten gelegen zijn. Toen ik met de verhuiswagen aankwam wist ik aanvankelijk niet goed waar ik wezen moest: ik zag een zwartgeteerde schuur met een paar kapotte planken waardoor de boerenzwaluwen in en uit zwierden. Het leek me een geitenstal. Maar het bleek de zijkant van ons toekomstige huis, dat eigenlijk uit twee arbeiderswoninkjes bestaat die spiegelbeeldig tegen elkaar gebouwd zijn.’ Het beviel hem, hij zou er tot aan zijn dood in 2001 blijven wonen.
    In het boek Augustus zoekt het dan drieëntwintigjarige alter ego van Eric de Rooij in augustus 1988 de dichter op. Hij verwachtte er veel van, tegelijkertijd niets. Bij zich een exemplaar van  Geheim Dagboek 1945-1948. ‘Mijn hoofd gloeide. Somber, nerveus en ontheemd fietste ik rechtsaf het Pijkeswegje op, en daar passeerde mij, nagenoeg gelijktijdig, een donkerbruine Volvo die de weg richting Goes insloeg.’ In die Volvo zat de dichter met zijn partner Mario Molegraaf maar hij zag het niet. Hij had zich voorgesteld hoe de dichter hem zou ontvangen. ‘Dag jongeman, (…). Wil je een kopje thee, dan signeer ik jouw exemplaar. Is het Erik met een k of met een c?’ Het werd niets.

    De dag na zondag stond ik op dat pad naar het voormalige huis van de dichter. Ik keek naar het van de weg afliggende donkere huis, verscholen tussen bossages waar de zon doorheen speelde. Je dacht aan de vele bezoekers die over dit pad de dichter hadden bezocht. In een van zijn dagboekdelen beschreef Warren een scene waar je nog wel eens aan denkt als er ongewenst bezoek voor de deur staat. Hoe hij zich met zijn vrouw tussen de ingeklapte tuinstoelen in een klein berghok verstopte. Warren in halfzit tegen de stoelen gedrukt, Mabel op schoot, haar bij de heupen vasthoudend, hoorden ze hoe de ongenode gasten rond het huis liepen. Na enkele benauwende momenten werd plots de deur van het berghok opengetrokken, Warren en zijn vrouw tuimelden naar buiten. Reactie van bezoekers , ‘Oh, zitten jullie hier?’ En hoe je je hier weer uitdraait.

    Sinds Zeeland ben ik opnieuw in de Geheim Dagboek ‘mood’. Lees die van 1945-1948. Bestelde het literaire wandelboekje Hart van mijn land ik ben terug door Ronny Bogaart en Eric de Rooij. Met dank aan beiden voor de uitmuntende informatie over leef en wandelgangen van Hans Warren.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.



  • Paul Auster (1947-2024) lezen

    In de week dat Paul Auster overleed, was ik in Den Haag bij mijn dochter. In haar boekenkast vond ik tussen het rijtje Auster boeken, Bericht uit het innerlijk. Een autobiografie over zijn opgroeien, zijn perceptie van het leven, van Amerika. Nu hij er niet meer is, zie ik pas goed dat Auster in dit boek de vorming van zijn wereldbeeld beschreef. Als een bewonderd schrijver sterft, spreken zijn boeken des te meer. Ik lees en herlees. De dood is de ‘final countdown’, geen dagen, geen uren, niets wordt er meer toegevoegd.

    Auster werd zich al jong bewust van zijn eigen sterfelijkheid. Hij schreef erover in verschillende boeken, hoe een jongen tijdens een zomerkamp door de bliksem werd gedood. ‘Ik was 14 en werd mij er op dat moment van bewust hoe fragiel en onvoorspelbaar het leven is.’ Ook in Bericht vanuit het innerlijk wordt dit genoemd in een opsomming van voorvallen die hem gevormd hebben. 

    ‘In de zomer [van 1961] werden de Freedomridders, die met bussen door het Zuiden trokken, door blanke groepen in elkaar geslagen, pleegde Hemmingway zelfmoord, en werd op een zomerkamp in de bossen van New York State een jongen uit jouw groep dodelijk door de bliksem getroffen, de veertienjarige Ralph M., die nog geen halve meter van je afstond toen de bliksemflits uit de hemel schoot en hem elektrocuteerde, en hoewel je redelijk gedetailleerd over deze gebeurtenis hebt geschreven (Why write?) ben je altijd blijven denken aan wat er die dag is gebeurd, het is je er altijd aan blijven herinneren hoe je daarna de wereld bent gaan zien, want het was je eerste les in de alchemie van het toeval, je eerste kennismaking met de onmenselijke krachten die in een oogwenk je leven kunnen vernietigen.’

    Later, toen ik thuis was, zocht ik naar het kunstboek Double Game, van de Franse kunstenares Sophie Calle. Wat had dat ook weer met Paul Auster te maken? Zo gauw ik het opensloeg, de gefotografeerde pagina’s uit Austers roman Leviathan zag, wist ik het. Een personage in Leviathan, Maria, is gebaseerd op Sophie Calle. Auster was gefascineerd door haar conceptuele kunst en gebruikte in zijn boek feiten uit haar leven, maar verzon ook kunstprojecten in de stijl van Calle’s werk. Zo laat hij Maria allerlei objecten van vreemdelingen fotograferen om daaruit de werkelijke aard van hen te reconstrueren. 

    Als antwoord op hoe zij in zijn roman werd geportretteerd, maakte Calle later Double Game. Er is sprake van eenkleurige maaltijden die Maria zou bereiden, voor elke dag een andere kleur. Calle creëerde die maaltijden, voegde er dingen aan toe, fotografeerde ze. Ook fotografeerde ze pagina’s uit Leviathan waarin ze eerst met rode pen correcties had aangebracht.

     

    Paul Auster schreef met vulpen op ruitjespapier (dit is belangrijk). Als hij een alinea af had, typte hij die uit op zijn tweedehands Olympia typemachine (de toewijding). Je zou zo’n schrijver (denk ook aan Brouwers) willen zijn. De getypte vellen werden door iemand anders in de computer ingevoerd, waarna Auster de prints corrigeerde. Uit Bericht vanuit het innerlijk: ‘Ik woon in mijn schrijven – het verteert mijn gedachten. Ik heb een hoop ideeën, plannen tegelijk – zodra ik maar even vrij ben, spelen ze door mijn hoofd; ik ben voortdurend aan het verfijnen, bijstellen, en concentreer me tegelijkertijd op datgene waar ik momenteel mee bezig ben…’ Er was veel waaraan hij nog wilde werken.

    Ik lees Brooklyn dwaasheid, waarin Nathan, in tegenstelling tot Auster zelf, niet rookt, al jong longkanker krijgt. Een klein detail uit een roman over drie vrienden die elkaar door het leven helpen. Een van de vrienden, Tom krijgt naar het einde van het boek een nieuwe relatie die hem zo goed bevalt dat hij tien kilo aan overgewicht verliest. Zijn vrouw Honey kookte voor hem gezonde maaltijden. ‘[…] er was geen sprake van dat Honey hem uitputte, hem kort hield of zijn geest verstikte. Langzaam maar zeker veranderde ze hem in de man die hij al die tijd in potentie al was.’ Dat is mooi hoe Auster deze vrouwelijke neiging de man te corrigeren, beschreef. Uit zijn boeken spreekt een zekere tederheid.

    Bij de verschijning van Austers laatste boek, Baumgartner was hij al een jaar ziek. Wat begon als longontsteking, bleek longkanker. In zijn vijftigjarig schrijverschap publiceerde Auster meer dan dertig werken, fictie en non-fictie en vertaalde verschillende boeken vanuit het Frans. Lees zijn boeken, van voor naar achter. Austers vertelkracht is groot, dingen rijgen zich aaneen, leiden je ergens heen waar je niet eerder was, uiteindelijk kom je altijd bij Auster zelf uit.

     

     

    Bron: Volkskrantinterview door Hans Bouman.
    Recensie van Baumgartner


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Pseudoniem

    In 1947, toen de hoop groeide dat na de oorlog alles beter zou worden, werd een aantal auteurs gevraagd om een bijdrage te leveren aan een nieuwe Omnibus voor de jeugd, omdat ‘kunstenaars weten wat de jeugd-van-nu nodig heeft om de wereld van morgen iets bewoonbaarder te maken dan hij heden is.’ Hella S. Haasse schreef het verhaal ‘Machiel en de griffioenen’, over een jongen die na de bevrijding een andere naam krijgt van zijn vader, omdat deze zijn werkgever verraadde aan de nazi’s, onderduikers aanbracht en zich verrijkte met de eigendommen van weggevoerde joden. Elke keer als Machiel zich vergist in zijn nieuwe naam, slaat zijn vader hem in het gezicht, tot alleen nog het verlangen hem kwelt ‘om zijn eigen naam, dat vertrouwde woord, nu door het verbod tot een oneindig gevreesd en geliefd begrip geworden, uit te schreeuwen, te fluisteren, te herhalen’. Als het gezin zijn intrek neemt in een groot herenhuis, gekocht met bloedgeld, ziet Machiel daar een wapenschild, vastgehouden door griffioenen, waarop staat: ‘In blaem en faem – eygen naem’. Dit geeft hem de kracht om op te staan tegen zijn vader en zijn naam terug te eisen.

    Het deed me denken aan de noodzaak van pseudoniemen in de literatuur. Voor het verbergen van je eigen naam viel vroeger wel iets te zeggen. Misschien was je eigen naam niet voldoende betekenisvol, zoals die van Johanna Petronella Vrugt, die onder de naam Anna Blaman schreef. Of je was een vrouw in een maatschappij die schrijvende vrouwen als kermisattracties beschouwde, dan koos je een mannelijke naam om mee te kunnen doen: Curris Bell voor Charlotte Brontë, George Sand voor Amantine Dupin. Misschien kon je je hoofd niet meer hoog houden als je slechte recensies kreeg, of werd je op je werk niet meer voor vol aangezien, zoals Nescio vreesde, die eigenlijk Jan Grönloh heette, of wilde je je serieuze werk gescheiden houden van het meer frivole, zoals E. du Perron deed als Cesar Bombay. In bijna alle gevallen leek de keuze van een pseudoniem ingegeven te zijn door angst: voor kritiek, voor de reactie van de familie en de omgeving, voor je reputatie, voor stukgeslagen dromen.

    In 1976 verscheen er nog een pseudoniemenboek van Wim Hazeu met meer dan tweeduizend schuilnamen van Nederlandstalige auteurs, maar de laatste tijd kom je het fenomeen  opvallend weinig meer tegen. Schrijvers van nu zijn met recht trots op hun werk. Als zij een pseudoniem kiezen, dan is dat om andere redenen dan de angst van hun voorgangers. Uiteindelijk is er maar één naam die ertoe doet, zegt dichter Jotie T’Hooft:

    Namen

    Ik draag ze als een doem.
    Mijn stofnaam mens
    Een mager woord, een woeker,
    Een overschrijden van de grens.
    Mijn eigen naam, die niemand kent
    De som van al mijn trilling
    Van mijn lot equivalent
    Tegelijk mijn warmte en verkilling.
    Plaatsnamen, zaaknamen. Liefdesnamen
    Die nooit voorbij zouden gaan,
    Waarvan sommige al vergeten zijn
    Terwijl wij andere beramen.
    Dat alles binnen de taal,
    Keelklank, eeuwenoude kwaal:
    Slechts één naam legt iets bloot
    De eeuwenoude roepnaam Dood.

     

    Uit: Verzamelde gedichten 1981 / Jotie T’Hooft


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • It’s actually brown

    De dagen waren zonder begin of einde. Je treinde van stad naar stad. Bakte in de ene stad pannenkoeken voor de tweelingmeisjes, daarna ging je door naar Den Haag. Daar nam je de metro naar Rotterdam, Theater Zuidplein, de openingsavond van Poetry International. In de wandelgangen enkel aardige mensen. Je ontmoette de Portugese dichteres Maria do Rosário Pedreiraeen van de twintig dichters die het festival openden. Ze vertelde over haar nieuwste bundel O meu corpo humano, gedichten als ‘ouvidos’ (oren) en ‘ombros’ (schouders). Je overnachtte in Den Haag. In bed bladerde je door de bundel The Oysters I bring to Banquets, van Gary Geddes. Een van de dichters van die je bijbleef.

    ‘It’s actually brown, not green, to mach
     the colours of the house, and erected
     where the rotten deck once stood. […]’

    De volgende ochtend liep je de tuin van je dochter in. Las op de tuinbank verder in Familielexicon van Natalia Ginzburg, er wachtte een leesclub die avond. Je nam de bus naar het station, huurde een OV fiets, fietste naar Den Haag West. Stapte af bij elke afslag om de ingestelde route op je mobiel te checken. Je stalde je fiets voor het huis van de vorige vriendin van de jongste zoon. Ze is ceramiste. Je was er om een theepot, gestookt in een zoutoven, met als handvat een steel met een bol aan het einde om de pot op te tillen, thee uit te schenken. Een kunstobject. Je nam er twee kommetjes bij.

    Je fietste terug naar het station. Om zes uur moest je in de binnenlanden van Salland zijn, voor die leesclub. Er was een trein uitgevallen. Op het perron las je de laatste stukken van Familielexicon. Ginzburg is, nadat haar eerste man in de oorlog door fascisten is vermoord, opnieuw getrouwd. Ze staat op het punt van Turijn naar Rome te verhuizen, en haar moeder zich overal mee bemoeit. ‘“Maar in Rome moet je leren stoppen!” zei mijn moeder. “Of anders moet je een poetsvrouw vinden die daar goed in is! Vind een naaister aan huis, zo iemand als Tersilla.”’

    Je zal te laat voor de leesclub komen. Appte degene met wie je zou meerijden, dat hij vast moet gaan. Thuis poetste je je tanden. Zette een fles wijn klaar die je vergat mee te nemen. De man reed je met behulp van googlemaps naar een plek met onbegaanbare paden. Het leesgezelschap zat rond een rijkelijk gedekte tafel, je had alleen het voorgerecht gemist. Er was veel te zeggen over Familielexicon. Weer buiten keek je naar de reikwijdte van stilte, geloofde plots dat de wereld eindig was. Rond middernacht rolde je in bed, de man in diepe slaap. Zaterdagochtend leek tijdloos. Maar wacht, er kwamen vrienden te eten. De man deed boodschappen. Jij kookte. De volgende dag stond een bezoek aan een wijngaard gepland. Je vraagt je af wie je agenda heeft bijgehouden.   

    Maandag houdt je je schuil op de bank. Slaat een jublileumbundel open waarin negentien auteurs over Gerard Reve schrijven. Je leest het verhaal van Marina Kuipers, dat alles in zich heeft wat je nodig hebt. Kuipers vatte eens het plan op het huis La Grâce van Reve in Frankrijk te kopen. Joop Schafthuizen als bemiddelaar, lijkt bereidwillig. Dromend over de inrichting van het huis schaft Kuipers het hele oeuvre van Reve opnieuw aan. Voor de bibliotheek in het huis dat een soort bedevaartsoord voor Reve liefhebbers zal worden. Joop is geen man van daden, lijdt aan depressies, moet naar de kapper, maar komt de deur niet uit. Er zijn lange telefoongesprekken. Een keer vertelt hij dat hij onderweg naar de ‘coiffeur’ was, maar niet goed was geworden. De dorpsarts kwam erbij. Die vond, ‘dat hij voor een man van zijn leeftijd, die drie flessen rode wijn per dag drinkt, twee pakjes sigaretten wegpaft en nauwelijks beweegt, nog een puik werkend hart had.’ Na vier jaar eist Kuipers ‘concretere toezeggingen’. Joop wordt narrig. Tweemaal belt hij haar nog, om ‘keiharde fanfaremuziek’ op haar voicemail af te spelen. De werkelijkheid is bitter, het verhaal geweldig. Je denkt, ‘It’s actually brown’.

     

     

    U heb ik lief, De eeuw van Gerard Reve / samenstelling Æ de Jong / uitgeverij Nobelman


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Verlangen naar ergens

    Je zou naar de eerste uitreiking van de Johan Polakprijs. Je keek ernaar uit. Sasja Janssen was met haar bundel Virgula de gelauwerde. De eerste keer dat je haar hoorde voordragen was tijdens een dichtersmiddag in een café in Amsterdam op een herfstige zondagmiddag in 2010. Je had je jongste zoon van elf meegenomen in de overtuiging dat je met de grote poëzie niet vroeg genoeg kunt beginnen. We stonden achterin bij de toiletten waar in een uitgespaard hoekje werd voorgedragen. Haar poëzie maakte indruk. Je begreep er niet veel van, maar vond het prachtig. Haar voordracht was alsof ze je deelgenoot maakte van een geheim, intiem leven. Die avond van de Johan Polakprijs uitreiking waren er treinen uitgevallen. Terug naar huis zou die nacht niet gaan. Om je verlangen naar deze prijsuitreiking te smoren, ging je vroeg naar bed met een boek. Je viel van het ene verlangen in het andere.

    In De muur voorbij begeef je je zonder moeite in de sfeer van Oost-Berlijn. In oktober 1981 vertrok Harrie Lemmens vanuit Nijmegen naar Oost-Berlijn. Er was een onbestemd verlangen naar iets. Als vertaler kon hij werken bij Vertaalbureau Intertext, waar brochures over onder meer be- en ontwapening en redevoeringen werden vertaald. Hij verblijft er met onderbrekingen zo’n vier jaar. Hij hield zijn bevindingen bij in een notitieboekje. Lemmens heeft een fijne stem van vertellen. Hij zoekt mensen op, legt contacten om literatuur te kunnen vertalen, leert er zijn latere vrouw Ana kennen. Op zijn eerste werkdag wordt hij rondgeleid door de directeur Herr H.. ‘Op de trap komen we een kleine jonge vrouw met lang kastanjebruin haar tegen.’, schrijft Lemmens. In het voorbijgaan knikken ze elkaar toe. ‘Das was Frau Tavares, unsere Portugiesin,’ zegt Herr H.. En zo, in kleine opmerkingen passeren ze elkaar in het boek. Tot Ana hem in de pauze meeneemt op haar wandelingen door de Leipziger Straße. Vanonder het kopje ‘Leipziger wandelgang’, waarvan er dertien zijn opgenomen, klinkt Ana’s stem. Mooie stukjes tekst waarin zij een vraag beantwoord, uitleg geeft of enthousiast reageert op een vertelling van Lemmens.

    In de stad zijn het theater en de kroeg druk bezochte gelegenheden. In de eerste weken bezoekt hij de voorstelling Dantons Tod door het Deutsches Theater, en is verrukt. ‘En dan te bedenken dat Georg Büchner eenentwintig was toen hij het schreef… In 1835 was dat.’, noteert Lemmens in zijn boekje. Treffend te lezen dat, ‘Het einde [van Dantons Tod] is koude-rillingen-werk: Lucille, de vrouw van de afgevaardigde Camille, roept “Vive le roi”, waarna onmiddellijk twee burgers op haar afkomen, een van de twee minzaam over haar wang strijkt en zegt: ‘Na, kommen Sie mal mit!‘ Een indringende scene, ‘omdat het zinnetje rechtstreeks verwijst naar de benaderingswijze van de politie hier’.

    Dresden is een stad die fascineert, zo dicht bij een vernietigend deel van de geschiedenis te verkeren. Hij maakt een afspraak met een vrouw die als kind het bombardement op Dresden heeft meegemaakt. Zij vertelt over haar tante die net geopereerd was toen de bommen vielen. In paniek rende ze naar buiten in de richting van de dierentuin. Waar ze onder een lage stenen bank kroop. Dan hoort ze naast zich iemand zuchten. ‘Eerst zag ze niets, het was nacht, maar in het licht van de brandende fosforbommen merkte ze plotseling dat er een leeuw naast haar lag, die verlamd van angst was.’ Hysterisch nu, vluchtte ze het park uit, zag mensen in rioolputten verdwijnen, liet zichzelf er ook in zakken. Uiteindelijk raakte ze voor twee jaar in een coma.

    Lemmens is in Oost-Berlijn als Fassbinder op zesendertigjarige leeftijd dood wordt aangetroffen in zijn woning, ‘tragisch dat een kunstenaar zo jong sterft.’ Ook als Brezjnev sterft, ‘wat nu?’ Het overlijden is een dag geheim gehouden, ongetwijfeld om de nodige voorbereidingen te treffen ter beantwoording van die vraag, hoewel, de brave man was allang zo goed als dood.’ Als de vriend uit Nijmegen, die hem heeft aangezet tot dit verblijf in Oost-Berlijn, hem vraagt wat hij hier nou vooral ontdekt heeft, antwoordt Lemmens dat dat misschien wel ‘verlangen’ is. Een verlangen dat zowel uit iets positiefs als negatiefs voortkomt. Positief is dat de mensen hier nieuwsgierig zijn. Negatief is hun eeuwige zelfbeklag, ‘te weten dat hun verlangen nooit bevredigd wordt’.

    De films en toneelstukken die hij bezoekt, de boeken die gelezen worden vormen een onafzienlijke lijst. Het culturele leven lijkt rijker dan ooit. Je noteert namen, Christoph Hein bijvoorbeeld, die je nu eindelijk eens lezen moet, en Irmtraud Morgner. In De muur voorbij, Berlijnse fado loop je mee met een leergierige jongeman die met vrienden drinkt en discuteert, zich laaft aan literatuur en theater. ‘Rondlopen en speuren naar beelden, vooral van vergankelijkheid, het vreten en wroeten van de tijd.’ Dat is wat de vertaler in spe bewoog. Prachtig boek, gretig gelezen.

     

     

    De muur voorbij, Berlijnse fado / Harrie Lemmens / 304 blz. / De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Het belang van ‘nee’ zeggen

    Pas nadat zijn schoonzuster flink kwaad op hem is geworden, komt Vierde Broer schoorvoetend tevoorschijn. Ma, zoals zijn eigenlijke naam luidt, had zich verstopt in de stal bij de ezel. Hij moet binnenkomen, er is bezoek, maar eerst moet hij het nette nieuwe jasje van Derde Broer aantrekken. Het bezoek heeft een officieel karakter: er wordt een huwelijk gearrangeerd. De bruid is Guiying. Ze is net als Ma van middelbare leeftijd, woont in een schuurtje op het erf van haar broer en die broer wil van haar af. Dat is niet eenvoudig, want wie wil de door alle slaag die ze heeft gekregen mank en incontinent geworden Guiying in vredesnaam hebben? 

    Ma, die door Derde Broer bij wie hij als knecht werkt schandalig wordt uitgebuit, heeft nog nooit van zijn leven ‘nee’ durven zeggen. Niet dat hij nu ‘ja’ zegt, maar daar vraagt ook niemand naar. En terwijl Guiying door haar familie naar de wc wordt gestuurd om te voorkomen dat ze waar iedereen bij is haar plas laat lopen, wordt het huwelijk tussen de beide outcasts beklonken. Mooi geregeld. Opgeruimd staat netjes. Ma en Guiying krijgen de aftandse ezel mee en moeten er maar het beste van zien te maken. Dat doen ze nagenoeg zwijgend, want de een is nog verlegener en schuchterder dan de ander. En dan gebeurt er iets wat niemand in de verste verte had voorzien. Ma en Guiying zijn uiterst zorgzaam voor elkaar. Hij koopt om te beginnen een lange jas voor haar, zodat niemand het ziet als ze in haar broek heeft geplast. Gaandeweg bloeit er zomaar iets moois op tussen deze twee paria’s. 

    De film Return to Dust, uit 2022, van regisseur Li Ruijun is een verhaal over leren ‘nee’ zeggen. Ma, analfabeet, niet één dag op school gezeten en zijn hele leven als lijfeigene uitgebuit, kan het niet. En dus laat hij als een goedzak door iedereen over zich heen lopen. Maar het moet gezegd, de onverstoorbaarheid waarmee Ma en Guiying de klappen en slagen opvangen waarvan hun leven aan elkaar hangt, dwingt respect af. Hun toewijding aan elkaar, waar inmiddels eigenlijk zonder meer het woord ‘liefde’ voor mag worden gebruikt, stuit bij de mannen in het dorp op hoongelach. Moet je die twee nou zien: Jut en Jul! Maar de vrouwen zijn jaloers. Wie heeft er ooit van hen gehouden zoals Ma van Guiying houdt? 

    Return to Dust, voor een appel en een ei gedraaid in Gansu, een van de armste streken van China, waar Li Ruijun (1983) opgroeide, werd in China uit de bioscopen en van de streamingdiensten verwijderd. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom, want de film is behalve prachtig gefotografeerd en ontroerend mooi, op tal van punten ook een aanklacht tegen de materialistische verdwazing van de moderne tijd die het traditionele leven op het platteland in snel tempo de nek omdraait. Ma en Guiying slagen erin een veilig keuterboerenparadijsje voor zichzelf te creëren. Maar de wereld laat hen niet met rust. Het leven dwingt telkens weer tot nieuwe keuzes. Hoe ver laat je het komen? Heel ver, in Ma’s geval, al zie je dat het hem steeds meer moeite kost om te doen wat anderen van hem willen. Pas als het te laat is, zegt hij eindelijk een keer ‘nee’. Het is een definitief ‘nee’, waarvoor hij met zijn leven betaalt. En dat desondanks aanvoelt als een overwinning. Bravo! Lang leve Vierde Broer!

    Return to Dust draaide vorig jaar in de Nederlandse filmtheaters. Een kleine film die qua bezoekersaantallen weinig potten kon breken, maar die als instant klassieker ongetwijfeld een mooie toekomst zal hebben. 

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Zijn derde roman verscheen bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Prachtig memoir

    Je weet over de ontbossing van het Amazonewoud. Door houtkap, bosbranden. Je tekent petities, doneert aan Greenpeace. Daarna ga je over tot de orde van de dag. Doet de dingen die je doen moet. Dat zegt iets. Over de erge dingen die er in de wereld gebeuren, maar die je niet direct raken. Elke ochtend sta je op, maakt koffie, laat de kat buiten, maakt een boodschappenlijstje, verstuurt een appje. Dat is jouw realiteit. Dan lees je de ‘memoir’ van een Braziliaanse oud-trucker, door de zoon opgetekend. De vader genoot als kind een paar jaar onderwijs, ging toen op het land werken. ‘Ik heb dus van mijn zevende tot mijn veertiende op de trekker gewerkt, van mijn veertiende tot mijn eenentwintigste ongeveer als automonteur en op mijn tweeëntwintigste ben ik gestopt als monteur en de baan op gegaan.’

    De zoon (1984) is gepromoveerd, doceert sociologie en politiek aan de universiteit van São Paolo. Hij heeft zes lange gesprekken met zijn vader gevoerd. ‘Ik hoor hem graag praten over alledaagse zaken, over de indrukken en kleine dingen van het leven.’ Hij zoekt naar ‘het wezen van de geest’.

    Een boek over een vader, verweven met de infrastructuur van het grootste land van Zuid-Amerika, Brazilië. Zoals het grootste project dat Brazilië vooruit moest helpen. ‘De Rodavia Transamazônica (BR-230), een megalomaan project om de Atlantische Oceaan over land te verbinden met de Stille Oceaan, beloofde het land in het begin van de jaren zeventig op te stuwen naar grote hoogte.’  

    De vader vertelt: ‘Om ‘n truck te besturen in ‘t Amazonegebied, in de tijd dat de boel daar werd ontsloten, moest je ‘n avonturier zijn. Restaurants en winkels waren er bijna niet, alleen van die kraampjes langs de weg.’ En ook: ‘Eind jaren zestig waren d’r al veel houtzagerijen, maar toen er meer wegen kwamen, ontplofte de houthandel zowat. Als je [in die tijd] door Acre reed, zag je alleen maar van die lange colonnes vrachtwagens met boomstammen, overal. (…) Ik vond toen al dat ze de boel naar de knoppen hielpen. ‘t Leek me geen goeie zaak, maar in die tijd zei niemand er wat van, iedereen dacht dat het regenwoud niet kapot kon.’ 

    De zoon weet: ‘Aan de arbeiders die werden aangetrokken door deze uitdijende grenzen werd het kappen van het regenwoud verkocht als de onvermijdelijke route naar collectieve vooruitgang en een beter leven.’ De vader raakte tijdens de halve eeuw dat hij met zijn vrachtwagen Brazilië doorkruiste aan de belangrijke zaken die het land zo verdeeld hebben. ‘Mijn vader heeft in het begin van de jaren zeventig tientallen keren door het gebied langs de rivier de Araguaia gereden. Daar, tussen het zuidoosten van Pará en Tocantins, woedde een schrijd tussen het militaire bewind en een stel jong revolutionairen en plaatselijke boeren, die resulteerde in een van de bloedigste hoofdstukken van de Braziliaanse dictatuur.’

    De mengeling van de onopgesmukte verhalen van de vader en de wetenschappelijke visie van de zoon maken het tot een bijzonder boek. Het zijn de verhalen van de vader die je wakker schudden. Alsof er een kaart wordt opengevouwen, de geografie van een man en zijn land zichtbaar wordt. Dit boek is een prachtig essayistisch memoir. Een liefdevol portret van een vader, een kritische beschouwing van Brazilië. Lees het.

     

     

    Wat van mij is / José Henrique Bortoluci / vertaling Marilyn Suy / De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Zonder woorden

    In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit is de aanvang van het evangelie van de apostel Johannes. Niet toevallig is Johannes ook de naam van het hoofdpersonage in Ochtend en avond, de recente novelle van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. En is het niet zo dat Johannes ook een visser was, ja zo is het, Johannes was ook een visser, net als de Johannes van Fosse. En na het begin volgt het eind zoals na de ochtend de avond moet komen. En als in de avond de dood onherroepelijk is geworden, schrijft Fosse, zullen de woorden waarmee alles begon verdwijnen. Is dat een typische schrijversgedachte? Is het niet zo dat voor een schrijver alles begint en eindigt met woorden? Ja, zo is het.

    Bovenstaande is een (onbeholpen) poging om het poëtische metrum van Fosses novelle te imiteren. Hij stelt vragen en beantwoordt deze in vrijwel dezelfde bewoordingen. Ochtend en avond is mede daarom eigenlijk geen novelle, maar een prozagedicht. Er ontbreken leestekens, de zinnen lopen eindeloos door en springen naar volgende regels zonder kapitalen te gebruiken. Het is een interne monoloog waarin Johannes zich afvraagt hoe het kan dat hij zich als oude man ineens weer lenig en fit voelt. Hij ontmoet allang gestorven vrienden en geliefden, weet dat ze dood zijn, maar vergeet dat ook weer, al ziet hij wel dat hij bijvoorbeeld een steen dwars door zijn oude vriend Peter heen kan gooien en voelt hij de kou in de hand van zijn overleden vrouw Erna.

    Johannes gaat dood, maar komt onder de hand van de schrijver juist tot leven. Moeiteloos laat hij af en toe het perspectief verspringen, bijvoorbeeld naar Johannes’ jongste dochter, die het dichtst bij hem woont en na de dood van zijn vrouw een beetje op hem toeziet. Vader Johannes noemt ze hem. Door haar ogen zien we hoe hij op zijn sterfbed ligt. In de slaap gestorven, zo lijkt het. Maar wij weten beter. Johannes is klaarwakker gestorven.

    In Ochtend en avond staat de geboorte van Johannes voor de ochtend. Die geboorte wordt in het eerste hoofdstuk beschreven in dezelfde stijl, in een overeenkomstig gedachtenspel. Maar nu is Olai het hoofdpersonage, de vader van Johannes. Olai verwacht veel van zijn zoon, groot geluk doorstroomt hem als het kind zich aankondigt, maar hij mag niet bij de geboorte aanwezig zijn. De vroedvrouw weerhoudt hem ervan. Juist daarom is die vaderlijke verwachting zo aanstekelijk. In het tweede deel laat Fosse Johannes in een kort fragment op deze manier denken aan zijn vader: ‘(…) tussen hem en zijn vader boterde het immers niet zo, en daarna kwamen er nog twee kinderen, Signe en de kleine Olai, ja, want uiteindelijk moest hij toch een kind naar zijn vader vernoemen, denkt Johannes, (…)’. Dat komt binnen, vooral als je zelf vader bent van een zoon en zoon van een vader. In de ochtend van het leven spelen mooie verwachtingen een hoofdrol. Als de avond is gevallen, blijkt het vaak anders te zijn gegaan en rest slechts het zwijgen.

     

    Ochtend en avond / Jon Fosse/ vertaling Marianne Molenaar / uitgeverij Oevers


    Jan Kloeze is schrijver, begin maart debuteerde hij met de roman Starfighter.

  • Alice Munro lezen

    Je dacht aan hoe verhalen ontstaan, hoe ze verteld worden. Dat een goed verhaal altijd vanuit de werkelijkheid ontstaat. Maar eerst. Er moesten boodschappen gedaan worden, er was een afspraak bij de tandarts. Op je verjaardag nog wel. Maar Alice Munro (1931-2024) was overleden. Nu denk je steeds aan haar verhalen. Naast Natalia Ginzburg en Marga Minco is Munro de schrijfster die je het meest bewondert.’ Je was net in het verhaal ‘Trein’ van haar begonnen, in bed. Dertien boeken met verhalen publiceerde ze. Er is behoefte aan een soort overzicht van haar leven. Een schrijver is terug te vinden in zijn boeken. Je speurt het internet af op zoek naar boeken van haar die je nog niet hebt. Je vindt Het uitzicht vanaf Castle Rock. Verhalen over haar familie. In het voorwoord schrijft Munro hoe ze in de jaren negentig geïnteresseerd raakte in de geschiedenis van haar familie. Ze begon er verhalen over te schrijven die ze evenwel niet publiceerde.

    ‘Deze [verhalen] nam ik nooit op in de bundels met fictie die ik om de zoveel tijd samenstelde. Waarom niet? Omdat ik vond dat ze er niet bij hoorden. Ze vormden geen autobiografie, maar kwamen dichter in de buurt van mijn eigen leven dan de andere verhalen die ik had geschreven, zelfs die in de eerste persoon. In die verhalen had ik wel van persoonlijke gegevens gebruikgemaakt, maar er daarna van alles en nog wat mee gedaan. Omdat ik in de eerste plaats een verhaal wilde vertellen.’ 

    Haar verhalen zijn plotloos, als het echte leven. In het verhaal ‘Trein’ neemt het leven van een jongeman verschillende wendingen, waardoor je niet kunt stoppen met lezen, want hee, wat gebeurt er hier. Je denkt aan boodschappen, tandarts. Je denkt, nog even. In haar verhalen legt Munro niets uit over het hoe en waarom van haar personages, ze plaatst je er middenin. Je kunt niet anders dan meegaan om te ontdekken wie ze zijn.

    Als ‘s avonds de verjaarsvisite aan tafel zit waarop een stapel boeken van Munro ligt, kun je het niet laten. Je vraagt of ze Munro’s verhalen kennen. Je vertelt over het verhaal dat je die ochtend las. Over een jongeman, Jackson die in de trein zit. Als de trein vaart mindert, gooit hij zijn plunjezak naar buiten, springt er zelf achteraan. ‘Een jongeman in goede conditie.’ Munro rept met geen woord over oorlog. Door die plunjezak begrijpt je dat hij als Canadese soldaat Nederland heeft helpen bevrijden. Hij springt uit de trein en loopt het spoor terug. Na een tijdje klimt hij over een hek, komt oog in oog te staan met een gehoornde Jersey koe. Er komt een vrouw de wei inlopen. Ze zegt dat hij zijn plunjezak moet laten vallen, dat de koe daar overstuur van raakt. Ze zegt, ‘Ik heb havermout op de kachel staan. Ik ben zo klaar met melken.’ Eenvoudige woorden.

    De jongeman doet klusjes voor haar rond het huis. Voor je het weet ben je bijna twintig jaar verder. Zijn ze in 1962 met de auto op weg naar Toronto. De vrouw moet aan een gezwel geopereerd worden. Ze wil dat niet, denkt dat het gezwel vanzelf zal verdwijnen. Ze wil omkeren, naar huis. Munro schrijft, ‘Sinds er voor iedereen ziekteverzekering was gekomen, rende iedereen maar naar de dokter, zodat hun leven een lang drama van ziekenhuizen en operaties werd, wat de periode aan het eind van je leven, waarin je mensen tot last was, alleen maar langer maakte.’ En wat je daar dan van denkt.

    Hij bezoekt haar dagelijks in het ziekenhuis, tot zijn leven weer een wending neemt. Op een ochtend loopt hij langs een appartementengebouw waar een man op een brancard naar buiten wordt gedragen. De eigenaar van het gebouw vraagt hem of hij de conciërge, want die is het, zolang wil vervangen tot hij terug is uit het ziekenhuis. De conciërge sterft, hij krijgt de baan. Drie jaar later leest hij in de krant dat de vrouw, waar hij jaren bij woonde, is overleden. ‘Niet dat hij vaak terugdacht aan de kamers waar hij samen met haar had gewoond of het werk dat hij aan haar huis had gedaan.’ Als hij geconfronteerd wordt met iemand uit zijn jeugdjaren, neemt hij opnieuw de trein. In een plattelandsplaatsje stapt hij uit. Hij ruikt de geur van zagerijen. ‘Daar was werk, in zo’n houthakkersplaats zou zeker werk zijn.’ Waar het verhaal eindigt.

    In haar laatste boek, Lief leven uit 2012, zijn enkele persoonlijke verhalen opgenomen. Je zoekt het verhaal ‘Met uitzicht op het meer’, waarin een vrouw, Nancy, naar de dokter gaat en zich in de dag heeft vergist. ‘Ze vraagt zich af of ze haar verstand begint kwijt te raken.’ Dan volgt er een verschrikkelijk goed verhaal van verdwalen in een stadje waar ze een dokter zal bezoeken die haar verstandelijke vermogens zal onderzoeken. Het blijkt een droom. Het verhaal eindigt met een korte dialoog:

    ‘Er is een vrouw hier die Sandy heet. Dat staat op het speldje dat ze draagt en Nancy kent haar trouwens ook.
    “Wat moeten we met u aan?”, zegt Sandy. “We proberen u alleen maar in uw nachtjapon te krijgen. U lijkt wel zo’n kip die bang is dat hij opgegeten zal worden. U zal wel gedroomd hebben”, zegt ze. “Waar hebt u nu over gedroomd?”
    “Over niets’, zegt Nancy. “Het was toen mijn man nog leefde en toen ik nog autoreed.”
    “Hebt u een mooie auto?”
    “Een Volvo.”
    “Ziet u wel? U bent nog helemaal bij de pinken.”’

    Sinds 2012 leed Alice Munro aan dementie. Ze was een veel gelauwerd schrijfster, haar boeken werden in vijfentwintig talen vertaald. In 2013 ontving ze de Nobelprijs voor Literuur. Na een verhaal van Munro, kun je niet meer zonder. Ze hebben de kracht je in een compleet andere wereld te laten verdwijnen.



     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft in haar wekelijkse column over boeken.

     

     

     

  • Slakken

    Al vroeg in het voorjaar was een vraatzuchtig leger mijn tuin binnengevallen: elke nacht graasden hordes slakken zich een weg door mijn planten heen. Overdag sliepen ze aan de schaduwzijde van de bloembakken, met vijfentwintig tegelijk. Handenvol plukte ik eraf, alsof het kersen waren. Als het emmertje vol was schudde ik het ver weg in een weiland leeg. Maar elke ochtend waren er opnieuw alleen nog armetierige steeltjes over van de eens bloeiende planten. Zilverig glanzende slijmsporen lagen over alle restanten heen. Ik kon ze nooit op heterdaad betrappen op hun strooptochten, maar het bewijs van hun aanwezigheid lieten ze voor iedereen zichtbaar achter.

    Met grimmige vastberadenheid zette ik nieuwe planten in grond, andere soorten waarvan ik hoopte dat de slakken die met rust zouden laten. Ik verdiepte me in methodes om het ongewenste gedierte uit te roeien of toch in ieder geval uit mijn tuin te verwijderen. Niets hielp, geen gebroken eierschalen, geen bier, geen kaneel, knoflook of koperen stuivers tussen de planten. Chemische bestrijdingsmiddelen of vergif wilde ik niet gebruiken, vanwege de katten, en omdat ik zo milieuvriendelijk mogelijk te werk wilde gaan. Maar elke ochtend was de ravage groter. Mijn tuin zag er steeds meer uit als een krater in een maanlandschap, kaal en onherbergzaam.

    De slakken werden een obsessie. Ik begon mijn strijd tegen de slakken als een persoonlijke vete te beschouwen, een veldslag waarbij zij het elke dag opnieuw van me wonnen. Niets van wat ik ondernam om ze weg te krijgen leek er toe te doen, het maakte geen verschil, ze knaagden onverstoorbaar voort. Ze gaven me het gevoel dat niets wat ik deed werd opgemerkt, dat ik er niet toe deed, dat mijn bestaan verwaarloosbaar was. Niet alleen dat van mij, maar van alle mensen op aarde. Als de rook van de wereldbrand op het einde der tijden opgetrokken zou zijn en alle leven vernietigd, zouden er nog steeds slakken rondkruipen en alles wat overeind gebleven was verwoesten met hun malende kaken. Met onbeheerste hoofdletters typte ik woedend allerlei zoektermen in de zoekbalk van Google in een hernieuwde poging om een oplossing te vinden voor het probleem van de vretende kudde in mijn tuin. En toen verscheen onverwacht dit gedicht van Harriët Laurey op mijn scherm:

    DE SLAK

    Draag ik mijn huis en ben ik nergens thuis
    en kan ik nergens voor de regen schuilen,
    dan in de schelp, die ik niet om kan ruilen
    voor ooit een ander, niet mijn eigen huis.

    Ken ik de aarde, maar de hemel niet,
    de groene haag, maar niet de bloesemknoppen,
    de helling wel, maar nooit de heuveltoppen.
    Laat ik geen sporen na dan van verdriet.
    Ben ik maar voor eenzelvigheid geschapen
    en voor de regen, die mij buiten drijft
    en voor de weg, die zonder einde blijft.

    En voor de kinderen, die slakken rapen,
    maar ’s avonds thuis en bij elkander slapen.

    Kreeg ik ondanks alles toch nog medelijden met deze stomme beesten.

     

     

    Uit: Harriët Laurey / Loreley (1952)


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.