• Verstaat u vertaals?

    Stel dat een vertaler zou doen wat de meeste mensen denken dat een vertaler doet… Stel dat een vertaler altijd letterlijk zou vertalen wat er staat… De literatuur zou er een stuk minder leesbaar door worden. Wie te dicht bij de bron blijft, loopt het risico een vertaling vol kreupele zinnen af te leveren die waarschijnlijk ook nog eens wemelt van de woorden die hun herkomst verraden en niet naadloos passen in de taal waarin ze beland zijn.
    Volgens Paul Claes zijn het vooral beginnelingen die (te) krampachtig vasthouden aan het origineel, maar hij geeft in Gouden vertaalregels: tips voor beginnende [en andere] vertalers grif toe dat het onbewust ook de beste vertalers overkomt: het nauwgezet kopiëren van woordenschat, woordvolgorde en zinsbouw uit de brontaal. ‘Vertaals’, zo noemt Claes de taal tussen bron en doel.

    Hoewel het de lezer misschien vreemd in de oren klinkt: vertalen wat er staat is zelden de bedoeling. Echte vertalers weten dat. Die weten dat ze soms alles op alles moeten zetten om een Nederlandse tekst af te leveren die net zo klinkt als het Braziliaans-Portugees van Raduan Nassar of Clarice Lispector of het Russisch van Aleksandr Poesjkin. Die durven die eerbiedwaardige teksten los te laten, maken er iets anders van en doen een schrijver met hun vertaling toch recht. Als het goed is, weten zij precies wat een schrijver te vertellen heeft en hoe ze dat in het Nederlands moeten zeggen.

    Verzinnen wat er staat, dat is volgens Harrie Lemmens de kern van het werk dat hij inmiddels al een jaar of dertig doet. Sommige schrijvers kent hij inmiddels zo goed dat hij tijdens het lezen al precies hoe de zin die komt, gaat lopen. In het hoofd van een schrijver kunnen kruipen helpt, maar het eigen gevoel laten spreken ook. Meer dan het beheersen van (een) techniek is vertalen volgens Harrie Lemmens namelijk een kwestie van gevoel.
    Collega-vertaler Hans Boland houdt het op instinct, en een strategie heeft hij niet. Wel een manier van werken. Voordat Hans Boland een tekst vertaalt, maakt hij omtrekkende bewegingen. Hij verkent een tekst – de vorm en de inhoud – uitputtend. Dan pas begint hij te vertalen: ‘Als je alles wat er niet staat eenmaal hebt, ben je er al bijna’.

    Hans Boland, Harrie Lemmens, Paul Claes  en vele collega’s met hen weten dat de schrijvers die zij vertalen alleen tot de verbeelding van lezers zullen spreken als het Nederlands van hun vertalers onberispelijk is.
    Om te voorkomen dat er ‘vertaals’ in hun translaties sluipt, moeten zij het origineel af en toe laten voor wat het is. Dat voelt niet altijd goed. Mariolein Sabarte Belacortu – ook haar hoorde ik recent vertellen over haar vak – kwam in gewetensnood toen ze tijdens het vertalen van een tekst van de Mexicaanse dichter Dolores Dorantes geen gehoor kon geven aan een voorschrift van de dichter. Met enige schaamte gaf ze toe Dolores Dorantes niet op de hoogte te hebben gesteld van de uiteindelijk door haar gekozen oplossing.
    Vertalen is en blijft een kwestie van meerzijdige partijdigheid.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Zingen in de bus

    Het gebeurde tijdens een korte busrit. Bij het winkelcentrum stapte een stel jongens in die achterin plaatsnamen en een nummer van Kanye West begonnen te rappen: ‘Poop! Poop’ klonk het door de bus. Een halte verder kwam er een stel, luid met elkaar pratende meisjes bij die halverwege in de bus bleven staan. De buschauffeur vond dit alles bij elkaar waarschijnlijk herrie genoeg, en drukte elke keer als op een bandje de afkondiging van de komende halte begon, dit na de haltenaam meteen weg. Een van de meisjes vulde hardop en mechanisch het ontbrekende deel aan: ‘U kunt hier overstappen op stads- en streekvervoer. Vergeet u niet uit te checken.’ De andere meiden keken haar bewonderend aan en zij zei luchtig dat ze zoiets, als ze het een keer had gehoord, nu eenmaal niet vergat. Niets bijzonders.

    De rappers en de meisjes voerden mij in gedachten naar een aankondiging van de presentatie van de nieuwe dichtbundel van dichter/componist Rozalie Hirs, verdere bijzonderheden, die voordat ik van huis ging tussen mijn e-mail zat. Daarin werd opgeroepen om de gedichten hardop te ontdekken, ‘zing ze als het ware, in de bus, bij je oma, wandelend in het bos, op reis, thuis, in bad. Lees ze voor jezelf, voor je geliefde, je zus, vriendin, huisgenoot, vader, broer of moeder. Of laat ze je voorlezen. Zing ze op steeds andere wijze. Op eigen tempo, ademend, denkend door je eigen stem.’ Ik ben alleen bang dat als ik dat in de bus zou doen, de kakofonie nóg groter wordt, en de chauffeur nog stressvoller, dus houd ik me stil.

    De rappende jongens en meisjes in het middenpad waren inmiddels uitgestapt en de rust in de bus keerde terug. Ik mijmerde verder en dacht aan een masterclass blokfluit die ik eens aan de toenmalige Muziek Pedagogische Academie in Leeuwarden bijwoonde. De docente, niemand minder dan de blokfluitiste Jeanette van Wingerden, behandelde enkele variaties van de Utrechtse componist/beiaardier/blokfluitist Jacob van Eyck op de in zijn tijd bekende teksten en melodieën. Je moest volgens Van Wingerden de onderliggende tekst als het ware, terwijl je hem speelde, met je tong uitspreken. Pas dan zou je volgens haar de intentie van Van Eyk ‘pakken’.

    Nog een stapje verder denkend – ik was tenslotte nog niet op mijn bestemming aangekomen – in het voorwoord van zijn strijkkwartet Fragmente-Stille, an Diotima, noteerde de componist Luigi Nono vele eeuwen na Van Eyck, dat de vier musici geacht werden de in de partituur opgenomen tekst van Hölderling innerlijk te zingen. Hij bracht me op een idee en misschien ga ik dat maar doen met de gedichten uit de nieuwe bundel van Rozalie Hirs: innerlijk zingen of uitspreken. Al dan niet in de bus, dat maakt dan immers niet meer uit.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Bijkomstige wijsheid

    De dichter heeft het laatste woord. Het is drukkend warm in het kleine zaaltje, waar het programma al meer dan een kwartier uitloopt en de enige ventilator precies aan de andere kant van de ruimte staat. Ik draag bovendien een kledingstuk dat ik niet zelf openkrijg, dus is het angstvallig afwachten tot ik moet plassen.
    Aan het einde van zijn speech bedankt de dichter zijn ziekte. Meteen staan mijn nekharen overeind, ze gaan pas liggen zodra de man aarzelt, uitlegt dat zijn aangekondigde dood hem een urgentie heeft gegeven om dingen af te maken. Dat klinkt al genuanceerder.

    In diezelfde week ontmoet ik een moeder. Het is de dag waarop ik trouwjurken pas, ik voelde me niet eerder zo’n meisje-meisje als op het moment dat ik in prinsessenjurk het pashokje uitstap en niet struikel. De moeder verloor haar zoon, twaalf jaar oud, bij een aanrijding. Natuurlijk brengt zo’n verlies haar dingen, vertelt ze, die ze niet had willen missen. Misschien valt het woord ‘wijsheid’.
    Mijn nekharen trekken strak, bezorgen me haar- en hoofdpijn. Niet oordelen, denk ik in mezelf, en ik concentreer me op de jurk. Tientallen jurken hangen er in die zaak en daartussen is er een met een detail dat direct terug te leiden is naar haar naam – de naam van mijn eigen overleden kind. Maar terwijl ik er met alle macht probeer geen teken in te zien, niet alles te willen verdrinken in mijn eigen magisch denken, golven de gedachten door mijn hoofd.

    Hoeveel ik over zou hebben voor twaalf jaar. Hoe ik eventuele wijsheid prima had kunnen missen (maar haar niet).
    Hoe ik hoop dat, als het me dan toch iets brengt, ik mettertijd zachter zal worden. Misschien is dat wat de moeder bedoelt. En dus oordeel ik niet.
    De dood is, net als de zee, een van de weinige dingen waarover wij mensen geen controle krijgen – het is te groot om te omvatten en het maakt ons woest en angstig. We hebben er ook ontzag voor, of: ontzag voor de mensen die erdoor zijn aangeraakt, ernaast hebben gestaan, eraan zijn ontsnapt of er juist middenin zitten.

    Hoe men reageert op het feit dat we onze sterfelijkheid niet in de hand hebben, is precies waarover het gaat in The Violet Hour, het boek dat Katie Roiphe schreef over het verscheiden van een handvol schrijvers – die, heel verrassend, ineens ook maar gewoon mensen bleken. Ook Barbara Ehrenreich houdt zich bezig met de weerstand tegen de dood. In Bright-sided richtte ze haar pijlen al op de immer optimistische Pink Ribbon-beweging, met Natural Causes pakt ze de hele gezondheidsindustrie aan.
    We willen de dood niet pikken, zien Roiphe en Ehrenreich. Maar als we er recht tegenover staan, zoals de moeder, of middenin, zoals de dichter, dan kunnen we niet anders dan meebewegen, veranderen. En dat er soms iets goeds in die verandering zit, ja, dat geloof ik wel.

    Ik neem de jurk, applaudisseer voor de dichter, mis mijn dochter en omarm, met wat weerstand, een eventuele zachtheid.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Het duiden van poëzie

    Ze zit er wat verloren bij, de moeder van de dichter. De afterparty is inmiddels in volle gang en de dichter zelf heeft zich met een biertje in de hand onder de mensen begeven en bevindt zich daar waar beleefdheden worden uitgewisseld en in het gunstigste geval de suggestie van een goed gesprek gewekt wordt. De moeder houdt het van een afstandje allemaal scherp in de gaten. Zoals ze ook de carrière van de dichter nauwlettend volgt. Zij is een groot kenner van het werk. Ze heeft alles gelezen en weet ook wat er tussen de regels staat.

    Ze zou kunnen vertellen hoe autobiografisch dat werk eigenlijk is, en wat er zo uitputtend en tot in de kleinste details beschreven wordt in een gedicht dat het midden houdt tussen poëzie en proza. De moeder zou wel van de daken willen schreeuwen hoe goed de dichter bezig is. Het zit haar dwars dat de mensen het werk niet begrijpen en de dichter daardoor te weinig waardering krijgt.
    De dichter stelt haar betrokkenheid op prijs, maar vindt het niet nodig dat het werk van een toelichting voorzien wordt. Er staat wat er staat en daar moet de lezer het mee doen.

    Gedichten kunnen heel goed voor zich(zelf) spreken. Ze hoeven niets te betekenen en nergens naar te verwijzen. Ze kunnen louter klank zijn en toch tot de verbeelding spreken.

    Ik dacht aanvankelijk dat ik zonder uitleg kon, maar constateerde nadat ik de dichter een keer had horen voordragen dat ik het een en ander gemist had. Dat ik weliswaar begrepen had waar de gedichten over gaan, maar dat ik over het hoofd had gezien dat de dichter een spel speelt. Dat ook deze dichter intertekstualiteit hoog in het vaandel heeft staan en rijkelijk citeert uit het werk van anderen of daar op een andere manier mee aan de haal gaat. Toen ik dat eenmaal wist en de gedichten daarna nog een keer las, vond ik de meeste beter en sommige zelfs veel beter dan de eerste keer en de bundel als geheel een stuk coherenter.

    Toch doen te veel tekst en te veel uitleg een gedicht geen goed. Ik neem de moeder van de dichter niets kwalijk. Haar bedoelingen waren goed, maar het spijt me dat ik nu weet dat ik een deel van de gedichten ook autobiografisch kan lezen.

    Ondertussen is de moeder weer gaan zitten en is de dichter in aantocht. We maken kennis, schudden handen, ik spreek mijn waardering uit voor de bundel en voordat we het weten zijn we in een geanimeerd gesprek verwikkeld. De dichter vertelt hoe vreemd het voelt om onderdeel te zijn van dit grote geheel. De dichter vindt dat de poppenkast lang genoeg geduurd heeft. Dat het tijd is om naar huis en weer aan het werk te gaan. Dat werk is niet noodzakelijk het schrijven van gedichten. Dat wist ik. Maar niet van de moeder van de dichter.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Het belang van een boek

    Het was vrijdagavond en ik mocht kiezen. De regen had alle opties buiten de boeken geëlimineerd. Verspreid door de kamer lagen de volgende mogelijkheden. Het bed: Bright earth, Art and the invention of colour door Philip Ball, omdat een leraar op de kunstacademie had gezegd dat het goed was om te beseffen dat tubes verf in alle kleuren van de regenboog niet zomaar op een dag uit de lucht waren komen vallen.
    Tafeltje naast het bed: Birk door Jaap Robben, omdat mijn nieuwe liefde had gezegd dat ik het moest lezen; Astronaut door Pieter Kranenborg, omdat ik tegen Pieter Kranenborg gezegd had dat ik het zou lezen voordat ik een biertje met hem zou gaan drinken; De uitvreter / Titaantjes / Dichtertje / Mene Tekel door Nescio, omdat het al zo lang geleden was; Living as a river, Finding fearlessness in the face of change door Bodhipasaka, omdat het fantastisch zou zijn nooit meer bang te hoeven zijn voor het verstrijken van de tijd. Beleef uw huis door Hans Uylenburg, omdat het grappig was om interieuradviezen uit de jaren zeventig te lezen.

    Bovenkant kastje aan voeteneind bed: De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB poëzieprijs als bewijsmateriaal dat poëzie wél nuttig en maatschappelijk relevant is, écht wel, écht wel.
    Het bureau: Verborgen gebreken door Renate Dorrestein, zodat ik bij mijn optreden als talentvolle jonge auteur tijdens een hommage aan Renate Dorrestein enige parate kennis van haar werk tentoon zou kunnen spreiden; Het hemelse gerecht, om dezelfde reden.
    De vloer: Als je een meisje bent door Maartje Smits, ook te leen gekregen van mijn nieuwe liefde, omdat we haar laatst hadden gezien onder een lampenkap; De wereld der planten 1 en De wereld der planten 2, omdat er mooie sexy plaatjes in stonden (vergeet food porn, plantenporno is veel opwindender); Expanded painting door Mark Titmarsh, omdat ik overwoog een schilder in bredere zin te worden; Poëziekalender 2015, omdat je die gedichten gewoon tot in het oneindige kon hergebruiken.

    Ik wist het niet. In alle opgenoemde boeken had ik recent gelezen, geen ervan verwachtte ik op korte termijn uit te lezen. Behalve misschien de twee van Renate Dorrestein, want als ik die niet uit las vóór 10 juni was ik er niet zeker van of mijn jeugdige talent genoeg zou zijn om alles wat ik niet van haar gelezen had te compenseren. Maar het was vrijdagavond en op vrijdagavond streefde ik ernaar om niets te doen wat moet.

    Ik koos Toon Tellegen. Ik vond hem in het kastje aan het voeteneind van mijn bed en zocht het gedicht op dat zojuist mijn hoofd binnen was gevlogen. Ik mocht kiezen. / Ik wist het niet. / Ik koos de vrede. Dat was het begin. En daarna liet Tellegen de waarheid en de schoonheid, de wijsheid en de weemoed, en zelfs de liefde gaan, zodat alleen de vrede overbleef. En in de hemel hing een andere zon. En de regen tikte op het ronde daklicht en een vliegtuig kwam laag overvliegen en hoewel het buiten koud geworden was, bleef het binnen warm.

     


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze nog eens maar nu een dichtbundel, Dwaallichten.

  • Reisimpressie Kiev (2018) – deel 3

    Reisdoel Kiev! Deze miljoenenstad is, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, zowel de hoofdstad van het nieuwgevormde land Oekraïne als ook de bakermat van ‘moedertje’ Rusland, waarmee Oekraïne ondertussen op voet van oorlog leeft.


    Een miezerig regentje verwelkomt mij bij het verlaten van metrostation Dorohozhychi. Het door de regen grijsglimmend stralende plaveisel van het stationsplein contrasteert mooi met de kleurenpracht van de bloemen- en fruitkraampjes. Diep weggedoken in de beschutte krochten van mijn winterjas trek ik erop uit. Babi Jar is mijn doel. Een huiveringwekkende naam van een luguber ravijn in Kiev. Hier zijn in september 1941, volgens Duitse bronnen, in 36 uur tijd meer dan 33.000 joden vermoord. Opgebracht, naakt, door mitrailleurkogels doorzeefd, sommige vrouwen eerst verkracht, dood of soms nog levend in het ravijn gedonderd, bedekt met aarde, groep na groep. De daders: keurige politieagenten uit Bremen zonder speciale opleiding voor het verrichten van hun wandaden. Na afloop van de klus was er een feestje. Later keerden zij weer terug naar Bremen om daar bijvoorbeeld het verkeer te regelen (Timothy Snyder, Zwarte aarde, geschiedenis van de holocaust, blz. 268/269). Keurige mensen eigenlijk!

    Herinnering
    Wat herinnert nog aan die moordpartij? Marc Jansen spreekt in zijn boek Grensland, een geschiedenis van Oekraïne over ‘Lieux sans memoire’ (blz. 207 e.v.) en hij heeft gelijk. Niets, lange tijd was er niets dat herinnerde aan de gebeurtenissen bij Babi Jar. Na de moordpartij in september 1941 zijn er daar in de rest van de oorlog, naar schatting, nog eens zo’n 100.000 tot 150.000 Oekraïense nationalisten, Sovjet krijgsgevangenen, communisten, joden en zigeuners vermoord.

    Speciale aandacht voor de moord op de joden, zigeuners en homoseksuelen tijdens de Tweede Wereldoorlog paste niet in de Stalinistische kijk op de oorlog. Het ravijn werd gebruikt als vuilstortplaats voor de gemeente Kiev. Geen monument, geen tentoonstelling, geen plaquette, geen gedicht. Of toch….? De in een Oekraïens-Joodse familie geboren schrijver-journalist Ilja Ehrenburg schreef in 1944 een gedicht zonder titel. De goede verstaander kon slechts uit het herhaalde gebruik van het woord ‘ravijn’ opmaken dat het hier ging om Babi Jar. Pas veel later publiceerde hij het ook onder die naam. Een fragment:

    Waartoe dienen woorden en wat is een ganzenveer
    Wanneer deze steen op mijn hart rust,
    Wanneer ik, zoals een dwangarbeider
    een kogel,
    andermans herinnering meesleep?
    Ik woonde eens in steden,
    En de levenden waren mij lief,
    Nu moet ik in vergeten woestenijen,
    Graven openen,
    Nu is ieder ravijn mij vertrouwd,
    En ieder ravijn voor mij een thuis.

    Als de dichter Jevgeni Jeftoesjenko samen met zijn collega-schrijver Anatoli Koeznetsovin augustus 1961 aan de rand van het ravijn staat, besluit hij daar een gedicht over te schrijven dat later onsterfelijk is geworden. Een fragment:

    Boven Babi Jar, daar staat geen monument.
    Een steile helling – de ene ongehouwen grafsteen
    Bang ben ik.
    Ik ben nu oud, oud als het Joodse volk.
    Ik denk nu
    Jood te zijn.

    Hierover zegt Katja Petrowskaja in haar in 2015 in het Nederlands vertaalde boek ‘Misschien Esther’:

    ‘De mensen belden elkaar op, vertelde mijn moeder, we huilden van geluk dat er nu eindelijk openlijk over het ongeluk werd gesproken. Een Russische dichter had zich het lot van de Joodse slachtoffers aangetrokken, van alle slachtoffers, het leek een wonder. Het leek alsof dat wereldongeluk niet meer dakloos was, alsof de eer van de herinnering was hersteld.’

    Sjostakovitsj heeft het gedicht kort na de publicatie in 1961 op muziek gezet in zijn Dertiende Symphonie die kort na de dood van Stalin, tijdens de zogenaamde dooi ten tijde van Chroesjtsjov, verscheen. Het is in dubbel opzicht symbolisch voor de holocaust. In de eerste plaats voor de gruwelen zelf waaraan in het gedicht gerefereerd wordt, maar in de tweede plaats voor het verzwijgen van de holocaust in de tijd daarna. Later, onder Breznjev, werden ook in cultureel opzicht de teugels weer aangehaald en werd Jevtoesjenko gedwongen zijn tekst aan te passen en het niet meer alleen te hebben over het droevige lot van de joden, maar dat van de Russen en Oekraïners samen met dat van de joden. Koeznetsov, die de verschrikkingen als twaalfjarige jongen zelf heeft meegemaakt, wordt door Jevtoesjenko aangemoedigd zijn getuigenis aan het papier toe te vertrouwen. Dit heeft zijn beslag gekregen in de documentaireroman Babi Jar, die pas in 1970 volledig en ongecensureerd in Engeland kon worden gepubliceerd. Pas in 1976 wordt er bij het ravijn een monument onthuld, een verschrikkelijk megalomaan geval, dat met geen enkel woord verwijst naar het specifieke lot van de joden in Babi Jar. Pas sinds 1991 staat er een joods herdenkingsteken in de vorm van een grote bronzen Menora. Vanaf de oude joodse begraafplaats loop je over een ‘Path of Sorrow’ naar de Menora. Langs dat pad is een permanente tentoonstelling te zien, waarin vooral veel aandacht wordt besteed aan het lot van de vermoorde joodse kinderen.

    Getekend landschap
    Het besef te staan aan de rand van het ravijn waar deze verschrikkelijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden heeft iets onwerkelijks. Het vervult niet alleen met weerzin, maar ook met een gevoel van vervreemding. Nu liggen er nog wat sneeuwresten en verkleurde bladeren, restanten van de herfst en de op zijn eind lopende winter. Er is eigenlijk nog nauwelijks sprake van een ravijn, hooguit een verzakking in het landschap. Waarom zoek ik dit soort plaatsen eigenlijk op? Je zoekt veel, maar je vindt weinig of niets en dat weet je vooraf. ‘Schuldig landschap’ noemt Armando dat. Mooier kan ik het niet zeggen. Het leidt tot momenten van introspectie. Tijd en ruimte worden onduidelijke begrippen, evenals zin en betekenis. Om Caspar Janssen te parafraseren: ‘Als je echt weet wat er allemaal is en was, dan gaat het pijn doen om buiten te lopen’ (Volkskrant 02-02-2018). Toch wil ik graag buiten lopen.

     

    Deel 1 verscheen op zaterdag 19 mei, deel 2 op zaterdag 26 mei.


    Huub Bartman is historicus en liefhebber van Oost-Europese en Russische literatuur. Voor een goed begrip van het werk van deze schrijvers bezoekt hij graag de plaatsen waar ze hebben geleefd en gewerkt. Het afgelopen jaar was zijn reisdoel Kiev.

     

  • Nooit meer schrijven

    Als lezer kan ik me gek genoeg gekwetst voelen als een schrijver zegt: ‘ik stop ermee, ik schrijf niet meer’. Het is toch een beetje alsof je geliefde zegt ‘ik heb geen zin meer in je’. Auw, dat doet pijn. Waarna teleurstelling en ongeloof toeslaan. Zonder enige waarschuwing (zoals bij elke liefdesrelatie heb je de tekenen aan de wand niet gezien) ben je opeens in de steek gelaten. Dat gebeurde me met Remco Campert toen hij de respectabele leeftijd van achtentachtig had bereikt. Mijn relatie met hem werd gevoed door de wekelijkse Sombermans en columns die hij maar bleef schrijven. Verwend als ik was, slurpte ik kritiekloos zijn stukjes op. Het was aannemelijk dat Campert zou stoppen. Hij bereidde me er ook min of meer op voor. Zijn stukjes bevatten steeds minder tekst, maar zoals dat gaat met een aflopende relatie, wil je er niet aan.

    Toen ik vorige week van huis was, stuurde jongste Zoon me het bericht dat Philip Roth was overleden. Ik voelde een schok. Het onvermijdelijke van ‘nooit meer’, dat nu echt ‘nooit meer schrijven’ zou zijn. Toch moet ik bekennen dat de schok minder groot was dan toen hij in 2012 liet weten te stoppen met schrijven. Ik dacht dat schrijven voor hem een vorm van leven was waar je niet zomaar uitstapt. (Ha, naïeveling!) Drukinkt als zuurstof voor de aderen, verhalen scheppen als balsem voor de ziel. (Ha, romanticus!)  Ik wilde dat hij trouw bleef schrijven zoals je trouw bent aan een geliefde tot de dood erop volgt. Zes jaar lang leidde hij een no-writers live. Ik vroeg me af of hij er tijdens zijn schrijversleven vaak naar verlangd had om niet meer te schrijven.

    Later zocht ik naar zijn titels in mijn kast en begon te tellen: alsof het aantal enig gewicht aan betrokkenheid in de schaal zou leggen. Tweeëntwintig in getal waaronder zijn eerste, Vaarwel, Columbus en zijn laatste, Nemesis. Daartussen stonden de Amerika – en Kepesh trilogie, Patrimonium, Zuckerman gebonden. Ook een uitgave in de serie ‘LiterairMoment’ (1990, Meulenhoff), met voor- en achterzijde een cover. Hoe je het boek ook draait je hebt altijd een voorkant en waarin Portnoy’s klacht en Informatie over Philip Roth.
    Informatie uit interviews over zijn boeken die vooral vanuit de joodse gemeenschap ongemeen negatief ontvangen werden. Ik las over de energie die het hem kostte telkens weer een boek te beginnen. De juiste toon te vinden. Om de stem die zich ergens in de onderbuik meldt, te transfigureren naar een personage. Hoe een helse onderneming dat steeds weer is. Daar gaan maanden mee gemoeid en dan moet het verhaal nog beginnen. Roth ondertitelt dit zelf met: ‘Moet ik er aan toevoegen dat het nauwelijks een belangeloze onderneming is? Schrijven is voor mij niet iets natuurlijks dat ik maar gewoon blijf doen, zoals vissen zwemmen en vogels vliegen.’

    Ik geloof graag dat Roth in die zes jaar van ex-schrijver niet verlangd heeft naar zijn schrijversleven, hij was een man die gedaan heeft wat hij moest doen. Ook geloof ik graag dat het voor hem bevrijdende jaren zijn geweest.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Verpletterend misleidend

    Lang voordat Gummbah de daad wel bij het woord voegde en kwam met Net niet verschenen boeken ontstond al wandelend in onze hoofden het idee voor een tentoonstelling. Vijfentwintig boeken zouden we bedenken. Vijfentwintig verhalen geschreven door verzonnen schrijvers met een fictieve biografie, geheel in stijl vormgegeven. Tentoonstellen wilden wij de omslagen van die boeken: ons fonds.
    Het was een uit nood geboren idee. Zij zocht naar een manier om haar foto’s onder de aandacht van uitgevers te brengen. Ik was schrijvend nooit verder gekomen dan eerste alinea’s, hoe levensvatbaar de ideeën die zich in mijn hoofd nestelden ook leken.
    Maar ook uit nood wordt kunst geboren.

    Lezers waren wij, en dus wisten we hoe belangrijk de tekst op de achterkant van een boek is. We lieten ons er immers regelmatig zelf door leiden bij het maken van een keuze.
    Dat een uitgever elke vierkante centimeter gebruikt om lezers over de streep te trekken, realiseerden we ons. We waren bereid om ver te gaan voor ons fonds, maar goede sier maken met woorden van anderen om onze boeken aan te bevelen, ging te ver. ons fonds mocht dan van a tot z verzonnen zijn: wij hadden onze principes.
    Dat er nog nooit iemand naar de Reclame Code Commissie was gestapt om zich te beklagen over een boek dat helemaal niet zo ‘verpletterend’ of ‘urgent’ bleek als de uitgever beloofd had, was voor ons geen reden om lezers in de maling te nemen.
    Aan het knippen en plakken, het uit hun verband rukken van zorgvuldig overwogen oordelen, om boeken op papier heel wat te laten lijken, zouden wij ons niet schuldig maken. Het paste niet in onze filosofie. Wij zouden laten zien dat het ook zonder blurbs en aanbevelingen van familie, vrienden en kennissen kon.

    Het is sinds wij ons fonds bedachten alleen nog maar erger geworden. Steeds vaker sluipen in teksten die feitelijk en informatief bedoeld zijn fictieve elementen binnen (het omgekeerde komt overigens ook voor). Het wordt, en niet alleen in de letteren, steeds moeilijker om iemand op zijn woord te geloven.
    Vergeleken met het echte nepnieuws zijn blurbs natuurlijk tamelijk onschuldig, maar toch. Neem nou zo’n Mano Bouzamour. Vijf jaar geleden viel half literair Nederland over hem heen, omdat hij zich tijdens het promoten van De belofte van Pisa een jeugd liet aanleunen die de zijne niet was en nu brengt zijn uitgever hem in de problemen door te citeren uit een niet geschreven recensie.
    Ik zal niet zeggen dat die jongen het niet nodig heeft, want wie verkoopt tegenwoordig op eigen kracht nog genoeg boeken om zich bestsellerboy te mogen noemen, maar voordat hij (of zijn uitgever) het weet heeft hij net als Max Verstappen of Chris Froome zijn krediet verspeeld.

    ons fonds is tot nu toe conceptuele kunst in optima forma: het bleef bij het idee. Dat is misschien maar goed ook, al heb ik heel veel zin om er werk van te maken. De tijd lijkt er meer dan ooit rijp voor.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Meeklappen en lachen

    Het is natuurlijk dom om zonder na te denken mee te klappen met het Concertgebouwpubliek na het extatische, derde deel van de zesde symfonie van Tsjaikovski, terwijl je donders goed weet dat er nog een langzaam vierde deel volgt. Maar het is tamelijk onschuldig. Ernstiger wordt het als je mee lacht om een anekdote waarbij je, als je die meteen goed tot je had laten doordringen, had kunnen weten dat het een racistische ondertoon heeft. Of wanneer je je mond houdt wanneer iemand, die nadat je vertelde dat je een Talmoed-cursus volgde, om uitleg vraagt, serieus meent dat ‘ze’ daarom (vanwege het argumenteren ?!) in het Midden-Oosten ruzie met elkaar hebben. Je kunt niet ontkennen dat het kwaad in ieder mens, dus ook in mij, zit.

    Ik moet denken aan de zogenaamd zweverige schrijver Frederik van Eeden. Hij nam het initiatief tot het oprichten van de Forte Kreis, een kring van denkers en doeners die in 1914 de wereld van de ondergang probeerde te redden. Tot die kring behoorden mensen als Martin Buber, Romain Rolland, Walther Rathenau, Wassily Kandinsky en Alfred Adler. Wel wat veel joden, vond iemand toen. Waarop Van Eeden zei: ‘U bent dronken. In deze omstandigheden is het misschien beter om eerst uit te slapen.’ Dit valt te lezen in de onlangs gepubliceerde studie De zieners van Guido van Hengel.

    Ik wil het boek graag lezen maar op dit moment ben ik bezig met een dikke pil: Macbeth van Jo Nesbø waarin hij een donkere wereld buiten mij beschrijft; eentje die mijn eigen zwarte kant moet beteugelen? Wie zal het zeggen. Misschien lezen mensen daarom wel detectives en thrillers en kijken ze naar krimi’s op de televisie.
    Dick Bruna wist die donkere wereld raak te vangen, toen hij naast zijn onschuldige, witte Nijntje ook een zwarte beer ontwierp. Het werd het icoon van alle spannende Zwarte Beertjes van Uitgeverij Bruna; de ontwerpen zijn te zien op de tentoonstelling De donkere kant van Dick Bruna (t/m 19 augustus a.s. in de Kunsthal Rotterdam). Ik zag er een folder van liggen bij een expositie in het Joods Historisch Museum in Amsterdam, waar t/m 2 september prachtige foto’s van Maria Austria te zien zijn.

    Een foto die me trof was een portret van de schrijver Hugo Claus (1958) waarop hij en profil voor een spiegel staat. Op het gezicht van de ‘echte’ Claus valt een donkere schaduw. Vanaf haar opleiding in Wenen is deze licht- en schaduwwerking de kracht geweest van Austria’s werk. Claus’ spiegelbeeld is lelieblank. Het treft je als een mokerslag, maar het wil níet zeggen dat kunst daarmee ook maar iets goed wil praten. Het stelt gewoon vragen, voor zover je het ‘gewoon’ kunt noemen. Zoals ook het langzame slotdeel van Tsjaikovski’s zesde symfonie, de Pathétique,  dat doet.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Reisimpressie Kiev (2018) – deel 2


    Reisdoel Kiev! Deze miljoenenstad is, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, zowel de hoofdstad van het nieuwgevormde land Oekraïne als ook de bakermat van ‘moedertje’ Rusland, waarmee Oekraïne ondertussen op voet van oorlog leeft.


    Geschiedenis en oorlog
    De Oekraïners snakken naar vrede en vrijheid. Contact met mensen uit het westen wordt enorm op prijs gesteld. De oorlog in het oosten van het land houdt iedereen in zijn greep. Op straat zie je herdenkingstekens met foto’s van de gevallenen en de vlaggen van hun gevechtseenheid. Tijdens mijn verblijf in de stad waakt de gids Sergeï voortdurend over mij. Dat Kiev niet zonder meer een veilige stad is, is ook op te maken uit de inpandige beveiligingsdeuren in zijn flat. Zijn vrienden leiden mij rond langs de diverse bezienswaardigheden. in de stad en Sergeï zorgt ervoor dat ik een persoonlijke rondleiding krijg van de directeur van het Oorlogsmuseum van Kiev, voorheen het Museum van de Geschiedenis van de Grote Patriottische Oorlog, 1941-1945. Op het dak van het museum staat een monstrueus, sociaal-realistisch beeld van het Moederland, de voormalige Sovjet-Unie. Het ontsiert het dak van het museum, maar kan niet worden afgebroken zonder het hele museum te vernietigen. De naamsverandering duidt op het veranderde karakter van het museum. Werd er voorheen eigenlijk alleen maar aandacht geschonken aan de heldendaden van het Rode Leger in hun strijd tegen de Nazi’s, nu is het perspectief veel genuanceerder en kritischer; veel meer in overeenstemming met onze kijk op de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Ook de rol van de Oekraïners zelf in de oorlog blijft niet onderbelicht, zelfs niet ten aanzien van de holocaust.

    Een duidelijk bewijs van een afrekening met het verleden is de aandacht die het museum besteedt aan de in opdracht van Stalin door de communistische partij gecreëerde hongersnood van de jaren 30 in de Oekraïne, de zogenaamde holodomor, die tussen de 3 en 8 miljoen slachtoffers heeft gekost. Deze misdaad was ten tijde van de Sovjetoverheersing volstrekt onbespreekbaar. In Rode hongersnood, dat begin dit jaar in Nederlandse vertaling is verschenen, zet de Amerikaanse historicus Anne Appelbaum een gruwelijk beeld neer van deze ook nu nog nauwelijks bekende tragedie. In 2013 was er op de indrukwekkende tentoonstelling De Sovjetmythe, socialistisch realisme 1932-1960 in het Drents Museum nog een schilderij te zien van een Kolchozenfeest in de Oekraïne waarin een beeld gegeven wordt van het overdadige leven op het platteland in 1937, ten tijde van de holodomor dus. Een staaltje propaganda van het meest smerige soort.

    Geschiedenis en actualiteit
    Het museum besteedt ook aandacht aan het huidige conflict in het oosten van het land. Ook nu is het gekozen perspectief genuanceerd. Buitgemaakt oorlogsmateriaal laat zien dat de separatisten gesteund worden door Moskou. Beide partijen echter maken, volgens onze gids, gebruik van ongeregelde en oncontroleerbare huurlingenlegers die nog niet zo lang geleden betrokken waren bij gevechten in het voormalige Joegoslavië en Tsjetsenië en die alleen maar gehoorzamen aan hun eigen commandant en zich niets aantrekken van enig strijdplan. Een goed voorbeeld hiervan is de motorbende de Nachtwolven, nog onlangs in het nieuws vanwege de nauwe banden met Poetin. Pieter Waterdrinker schetst in zijn roman Poubelle een huiveringwekkend beeld van dit soort bendes als de hoofdpersoon in handen valt van zo’n groep huurlingen. Dat maakt het conflict extra ingewikkeld.

    Maar Kiev is niet alleen armoede, oorlog en naargeestigheid. Het is een miljoenenstad met een grote geschiedenis, de hoofdstad van Oekraïne, een betrekkelijk jong land, en momenteel twistappel tussen Russen en Oekraïners. In de ogen van de Russen is Kiev de moeder der Russische steden en onlosmakelijk verbonden met Rusland. Hier ligt de oorsprong van het middeleeuwse Kiev-Roes, waaruit Rusland zou zijn voortgekomen, en bevond zich de regeringszetel van grootvorst Volodymir, onder wiens gezag het christendom werd verheven tot staatsgodsdienst.

    In Nestorkroniek, nog onlangs in Nederlandse vertaling van Hans Thuis verschenen bij uitgeverij VanTilt, wordt gesproken over het goudkoepelige Kiev, verwijzend naar de honderden Grieks-orthodoxe kerken in de stad. Daarvan is het huidige Kiev slechts een flauwe afspiegeling, al zijn de vele kerken nog steeds karakteristiek voor de stad. Het gerenoveerde Holenklooster stamt nog uit de tijd van Kiev-Roes. Het is het voornaamste heiligdom van gelovig Oekraïne. Een bezoek daaraan is eigenlijk een ‘must’, al zal de afdaling in het ondergrondse gangenstelsel, waarin de overblijfselen van tal van heiligen liggen opgebaard in nissen, niet voor iedereen een plezier zijn.

    Als je geen kaarsje bij je hebt, loop je in het aardedonker, voortdurend aangestoten door gelovigen die weinig begrip kunnen opbrengen voor wanhopig naar de uitgang zoekende buitenlanders. De devotie van deze mensen is ons vreemd. Je ziet dat godsdienst een heel andere rol in het leven van de mensen speelt dan bij ons. Godsdienst biedt mensen houvast in een onzekere wereld. Bovendien is godsdienst in Oekraïne ook politiek. In de Sovjettijd stond de kerk op gespannen voet met de uitgangspunten van de staat. Nu heeft Kiev zijn eigen patriarch en hoeven de mensen niet meer te dansen naar de pijpen van de patriarch van Moskou, die samenspant met de door velen gehate Poetin. Vanzelfsprekend ligt dit in de Russische gezinde gebieden, waar steden liggen als Loehansk en Donjetsk, anders. Daar luisteren de meeste mensen wel naar Moskou. Toch zijn er in Kiev veel minder openlijke tekenen van afkeer van Poetin en Rusland dan in Lviv. Dit zal waarschijnlijk te maken hebben met het feit dat Kiev de officiële regeringszetel is en de bevolking van Kiev veel meer gemengd is dan die van Lviv.

    Deel 1 verscheen op zaterdag 19 mei, deel 3 op zaterdag 2 juni.

     


    Huub Bartman is historicus en liefhebber van Oost-Europese en Russische literatuur. Voor een goed begrip van het werk van deze schrijvers bezoekt hij graag de plaatsen waar ze hebben geleefd en gewerkt. Het afgelopen jaar was zijn reisdoel Kiev.

     

  • Op papier schreeuwen

    Nu mijn eigen schrijven overhoop ligt, lees ik veel autobiografische verhalen, memoires en non-fictieboeken over persoonlijke gebeurtenissen uit het leven van schrijvers. De scheidingen van respectievelijk Elke Geurts en Henk van Straten; de bijna-dood ervaringen van Maggie O’Farrell; de onzalige jeugd van Jeannette Winterson; de keelkanker van Willem Melchior of de migraine van Mariëtte Baarda; de rouw van Julian Barnes en C.S. Lewis: ik slik het allemaal. Ook Ariel Levy moet er weer aan geloven.
    Waar ik nieuwsgierig naar ben, natuurlijk, is de aanpak. Hoe maak je het extreem particuliere interessant voor lezers die niet bekend zijn met jouw specifieke pijn?

    Waarom zou iemand over de relatieproblemen van Ariel Levy willen lezen, over die keer dat Maggie O’Farrell bijna verdronk? Sommige verhalen zijn bijna te intiem: alsof je door een raam naar binnen gluurt en ontdekt dat daar iemand niet alleen bloot is, maar zichzelf ook nog eens bevredigt. Ja, sommige boeken lezen als het gadeslaan van andermans masturbatie. Andere schrijvers gebruiken kunstgrepen als overbrugging, bewaren afstand door citaten, stutten het persoonlijke met de universele ervaring. Voor iedere methode valt wat te zeggen. Als schrijver zoek ik antwoord op technische vragen, maar bovenal wil ik weten hoe deze of gene eruit is gekomen. Waaruit? Dat verschilt per boek. Waarschijnlijk zoek ik naar geruststelling – ah kijk, niemand ging eraan onderdoor. Waaraan? Ook dat verschilt per boek.

    Eerder kreeg ik de kans Levy te ontmoeten en deinsde ik terug. Liever leer ik de schrijvers die ik bewonder niet anders kennen dan door wat ze maken, door wat zij aan de wereld willen laten zien. Het is niet de schok van de herkenning die ik vrees, alsof hun menselijkheid afbreuk zou doen aan hun werk, het is – ik weet niet wat het is. Ja, in het geval van Levy weet ik het wel: taal. Ik spreek prima Engels maar tegen de tijd dat ik de knop heb gevonden denkt mijn omgeving al dat ik niet wijs ben. Ik ben alleen verlegen in andere talen. En dan nog, wat zou ik vragen of zeggen? Ik ook, Ariel, ik ook? Wat moet iemand met zo’n emotionele gijzeling van een onbekende?
    Dat is ook een keerzijde van het persoonlijke: de reacties. Dat mensen met je aan de haal gaan, zich aan je vastklampen met hun hele zelf, letterlijk en figuurlijk, tijdens signeersessies of interviews, in emails of wat dan ook, of je dat nu aankunt of niet. 

    En toch. Bovenstaande schrijvers moeten ieder risico, elk potentieel verwijt (navelstaarderij, gemakzucht, aandachtsgeilheid, larmoyant gedoe) hebben gekend. Het hield ze niet tegen, de nood was zo hoog dat fictie niet volstond. Dat snap ik – soms schreeuw je het hardst op papier. Literatuur maken van die schreeuw, dat is de uitdaging.
    Ook in mij zit een kreet, woordloos nog. Hoe en wanneer die op papier komt, weet ik niet, of ik hem wil delen evenmin. Dus doe ik wat ik altijd heb gedaan: lezen. Daarmee heel ik. Uiteindelijk vind ik een vorm voor mijn eigen geluid. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Boek zoekt vrouw

    Er was eens een schrijfster – ik zal haar naam niet noemen, maar vorige week kwam ze voorbij op Schrijven is scheuren, de scheurkalender die dit jaar bij ons thuis als winnaar uit de bus gekomen is – die mij min of meer verbood de boeken van haar man te lezen. Ze gunde hem alleen het allerbeste en had zonder een woord met mij te wisselen besloten dat ik niet belezen genoeg was. Ik was het daar natuurlijk niet mee eens, maar had geen trek in een zinloze discussie. Ik schatte in dat zij toch niet voor rede vatbaar zou zijn.
    Hoewel ik niet begreep waarom ze het zo hard en op de vrouw speelde, vond ik haar bezorgdheid in zekere zin toch ook aandoenlijk. Ze wilde waarschijnlijk gewoon dat haar man begrepen werd en zijn werk op waarde geschat.

    Alle goede bedoelingen van de schrijfster ten spijt: het was geen prettige ervaring om zomaar gewogen en zonder opgave van redenen te licht bevonden te worden. Ik maak liever zelf uit welk boek ik lees en wat ik daar vervolgens van vind. Ik moet er niet aan denken dat ik vanaf nu alleen nog maar boeken zou mogen lezen waarvan ik (of een ander) van tevoren weet dat ze op mijn lijf geschreven zijn.
    Een mismatch tussen een mens en een boek kan weliswaar desastreuze gevolgen hebben – in het ergste geval bekoelt de liefde voor literatuur voor altijd – maar nooit meer ergernis en nooit meer verwondering is voor mij geen optie.

    Ik vind overigens wel dat een schrijver recht heeft op lezers die hun best willen doen voor een boek. Daarom kan het goed zijn als ze vooraf weten wat ze te wachten staat, zodat ze eventueel een knop om kunnen zetten. Dat Clarice Lispector lezers die op het punt staan in haar roman De passie volgens G.H. te beginnen even pas op de plaats laat maken, is met het oog op de ontregelende leeservaring die gaat volgen, een aardige geste.

    Aan eventuele lezers

    Dit boek is als ieder ander boek. Maar ik zou blij zijn als het alleen zou worden gelezen door mensen met een volwassen ziel. Degenen die weten dat je alles, wat dan ook, stapsgewijs en moeizaam benadert – waarbij je ook door het tegendeel van wat je wilt heen moet. Die mensen, en alleen zij, zullen heel langzaam begrijpen dat dit boek niemand iets afpakt.
    Mijzelf bijvoorbeeld heeft het personage G.H. heel geleidelijk een vreugde bezorgd die ongemakkelijk was, maar wel een vreugde heet.

    C.L.

    (vertaling: Harrie Lemmens)

    Veel verder moet een schrijver (of zijn vrouw) niet willen gaan. Ballotage is uit den boze. Het is al erg genoeg dat algoritmes een lezer tegenwoordig steeds meer van hetzelfde voorschotelen.
    Literatuur lezen leer je met vallen en opstaan. Het is een kwestie van veel en vooral van alles lezen. Ook boeken die in eerste instantie de indruk wekken voor een ander geschreven te zijn.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.