• Duizenden ansichtkaarten

    Van alles wat je doet, laat zich pas achteraf de betekenis zien. Ik las Mijn beter ik, Herinneringen aan Simon Carmiggelt, dat bij verschijning in 1991 gedoe veroorzaakte onder familie en lezers van zijn stukjes. Niemand wist dat Carmiggelt een geheime relatie onderhield met Renate Rubenstein. Ze schreef er pas over na het overlijden van Carmiggelt in 1987. Dat ze de minnares van Carmiggelt was geweest, tien jaar lang, tot aan zijn dood. De naam van de man die het label ‘meest getrouwde man van Nederland’ aan zijn trenchcoat had hangen, werd volgens velen door het slijk gehaald. Ze vonden Rubenstein vals, gemeen dat ze dit uit de doeken deed. Fans verdragen geen verschuivingen in het beeld van hun idool. Rubenstein deed het omdat ze niet anders kon. Na zijn dood schrijft ze dat haar behoefte over hem te praten overweldigend is. ‘Tien jaar lang heb ik over hem gezwegen want onze verhouding was clandestien en ik zou Simon met praten hebben kunnen schaden of verliezen. Maar ik heb hem nu verloren en kennelijk eis ik postuum mijn rechten op. Maar belangrijker is dat ik hem niet vergeten wil.’ Voor dit boek putte ze uit dagboekaantekeningen en herinneringen.

    Carmiggelt was weg van de stukjes die zij schreef voor Vrij Nederland onder het pseudoniem, Tamar. In 1964 schreef hij  voor het eerst over haar in een van zijn Kronkels, ‘Tamar’ getiteld. Veertien jaar later werd ze gebeld door de latere biograaf van Carmiggelt, Henk van Gelder, die haar uitnodigde mee te doen aan de prijsvraag. ‘Wie is de echte Kronkel?’ Vijf schrijvers deden daar aan mee doen, waaronder Kees van Kooten en Rinus Ferdinandusse. Het was op verzoek van Carmiggelt zelf om haar te vragen mee te doen. Verliefdheid werd vanaf toen ingezet, al hadden ze dat zelf nog niet in de gaten.  Dan volgen de jaren dat hij haar bijna dagelijks belt. Hij schreef haar duizenden ansichtkaarten, brieven. Als hij met haar afsprak, was hij altijd te vroeg, dan wachtte op een bankje in het Sarphatipark tegenover haar huis (dat bankje, zou dat er nog zijn?). 

    Na zeven jaar zegt Rubenstein tegen hem dat ze niet meer verliefd op hem is. ‘Ik heb vanmiddag tegen S. gezegd dat ik niet meer ‘zo verliefd’ op hem ben. S. vermoedde al zoiets. Ik vind het erg dat het zo is, maar niet erg dat ik het zei want het kon niet anders.’ Later voegt ze daaraan toe, ‘Na zijn dood ben ik daar anders over gaan denken. Waarvoor was het nodig dat ik dat zei? (…) Wat ik toen kennelijk zo nodig vond zie ik nu als een grote vergissing.’ Want ze hield van hem, alleen zijn toegenegenheid benauwde haar wel eens. Ze bleven elkaar ontmoeten, wel kwamen er minder kaartjes, minder telefoontjes.
    Mijn beter ik is een oprechte liefdesverklaring
     die me na dertig jaar nogal in vertedering achterlaat. Twee beroemde schrijvers, die zoveel voor elkaar betekenden, konden elkaar niet in het openbaar zien. Na het verschijnen van Mijn beter ik, bleken zijn Kronkels gelaagder dan men dacht, was er liefde doorheen verweven, een boodschap aan haar. Waar de tijd overheen gaat, verandert alles, is er meer dan die ene waarheid. Hella S. Haasse schreef eens, ‘De waarheid zet uit naarmate we zelf groeien. Nooit achterhalen we haar.’ 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel, zolderkamer), een mening.

  • Jurre

    Op het strand van Vlieland zag ik dat een onbekend nummer een bericht had achtergelaten op mijn voicemail. Of ik zo spoedig mogelijk terug kon bellen, ze hadden misschien een leuke hond. Ik twijfelde. De vakantie was net een dag oud en het dagelijks leven drong zich alweer op. Van mijn partner, die naast me in het zand lag met een lavendelkussentje op zijn ogen, viel geen besluitvaardigheid te verwachten. Een hond. Het klonk urgent. Ze leek mijn naam niet te herkennen toen ik terugbelde. ‘Het gaat om Jurre.’ Op de achtergrond geritsel van papieren. ‘Een schrijnend geval.’ Ik ging op mijn handdoek verzitten, zand plakte aan mijn zwembroek. ‘Jurre is een Husky van twaalf met staar aan één oog.’ Ze liet een pauze vallen, maar ik humde gewoontegetrouw aanmoedigend. Zo snel ben ik nu ook weer niet uit het lood geslagen.
    ‘Hij is ook gecastreerd.’
    ‘Natuurlijk,’ antwoordde ik onhandig.
    ‘En snel wagenziek.’
    ‘Met kotsen?’
    ‘Met kotsen,’ bevestigde ze
    ‘We zoeken een gouden mandje voor hem omdat het thuis niet meer gaat.’

    Doorhummen, niet zeggen dat ik een pesthekel heb aan dat gouden mandje-gedoe, een hond zoekt een mandje, een thuis, meer niet. ‘Hij komt van een ouder echtpaar,’ zei ze. ‘De één dementeert, de ander heeft ook iets…’ – weer geritsel –  ‘waardoor ze niet meer voor Jurre konden zorgen.’
    ‘Ach, wat vervelend.’
    ‘En daardoor is hij beland bij een opvanggezin.’
    Dat klonk als een oplossing.
    ‘Maar daar gaat het niet goed, vanwege een andere hond.’

    Ik zag voor me hoe Jurre op zijn oude dag door een vitale soortgenoot opgejaagd werd en in zijn doffe vacht gebeten. ‘Jurre is nogal dominant. In het algemeen. Maar ook naar de andere hond. Die andere…’ – ze zuchtte in de telefoon – ‘heeft een hartprobleem. Kortom, het gaat niet meer.’
    Twaalf, gecastreerd, staar, dominant.’ Zo vatte mijn partner het telefoongesprek samen. ‘Waarschijnlijk laat hij dagelijks stinkende winden.’
    ‘Dat hoeft niet.’

    Ik dacht aan Uit het leven van een hond van Sander Kollaard. Henk knielt bij zijn oude hond neer, aait hem – en zijn nieuwe vlam, Mia, bekijkt het tafereel. ‘De man die naast haar hurkte rook naar zweet, maar dat stoorde haar niet. Het was een voordeel van haar jaren,  hoofd- en bijzaken werden steeds sneller gescheiden, en de hoofdzaak was niet die geur van zweet maar de grote, lieve man die zo bezorgd was om zijn hond.’ Hoewel de scene ogenschijnlijk vooral over Henk gaat, ontroerde me de aanwezigheid van de oude hond. Zonder dat ik hem had gezien – van Jurre was geen foto beschikbaar –  maakte mijn lijf gedurende die vakantieweek een stoot hormonen aan, die me niet alleen gelukkiger maakten, maar ook een groot verantwoordelijkheidsgevoel gaven. Ik voelde me met hem verbonden, Jurre mocht bij ons rustig oud worden, sterven.
    Terwijl we op onze dagelijkse strandwandelingen over Jurre bleven praten, kwam een dag voor ons vertrek het bericht dat het qua dominantie toch wel meeviel, Jurre bleef. ‘Dat is ook het beste,’ zei ik aan de telefoon. Zo kalm mogelijk. ‘Een oude hond moet je niet verplaatsen.’ Jurre, ik heb hem nooit gezien, maar wat heb ik al veel van hem gehouden.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Scheefgroei

    Soms overvalt me een vlaag van lezen, zoals in een vlaag van verstandsverbijstering. Dan zie ik alleen maar boeken. Lees vier/vijf/zes boeken door elkaar. Het bevreemd me, maar alla, ik moet lezen dus sta er niet te lang bij stil. Daardoor mis ik veel, telefoontjes, de trein, tv uitzendingen, zoals Showcolade. Een show die een flop werd, stond gisteren in de Volkskrant. Over vier pagina’s werd erover geschreven, met een ernst als werd een ramp gereconstrueerd, (denk Twin Towers). Ik had eigenlijk geen tijd, moest een boek dat me vanaf de eerste alinea fascineerde, uitlezen. Maar dit artikel, zo groot, moest iets te vertellen hebben. Er kon een falen van mijzelf in aangetoond worden, iets waarop ik de vinger kon leggen. Kijk Inge, je leeft teveel in een bubbel, je mist iets. Maar het was niets. Het wekte zelfs niet de behoefte het programma terug te kijken. Ik wilde niet zien hoe bekende Nederlanders uit verschillende voorwerpen een voorwerp aanwezen (dat was de grap) waarvan ze dachten dat het van chocola was. Dat ze erin hapten (schoen, theekopje, afstandsbediening, plantenspuit). De hele crew achter het programma was geïnterviewd, al wilde niet iedereen meewerken. Ik weet niet waarom dit artikel geschreven moest worden, waarom ik het las.

    Op het boek dat ik bijna uit heb staat een jonge vrouw met een klein meisje in een zomerjurkje aan de hand op een perron. Wachtend tot de trein het station binnenrijdt. Of vertrekt de trein, is het een afscheid? Dat zou de mistige dampen naast de trein verklaren, voor het opstarten wordt meer energie verbrand dan wanneer deze binnenloopt. Het is de trein waarmee de vader van Christine Angot haar leven binnenreed, en vertrok. Angot is een opmerkelijk schrijfster, kale taal, parlando, veel dialogen, niets omschrijvend. Een boek over haar ouders. Vader intellectueel, moeder joods arbeiderskind. ‘Mijn vader en moeder leerden elkaar kennen in Châteauroux, vlakbij de avenue de la Gare, in de kantine waar ze kwam, op haar zesentwintigtse werkte ze al verscheidene jaren bij de sociale zekerheid, op haar zeventiende was ze in een garage als typiste aan de slag gegaan, terwijl hij na een lange studie op zijn dertigste zijn eerste baan had gekregen.’ Vader is dwingend, bepalend, laat haar moeder zwanger achter, trouwt een vrouw uit zijn eigen milieu.

    Vanaf haar dertiende is er contact, logeert ze soms een weekje bij hem. Die weekjes zijn niet altijd leuk zegt ze tegen haar moeder.
    ‘Het was echt niet zo’n fijne week mama.’
    ‘Misschien was het te lang. Of niet?’
    ‘Ja het was te lang.’
    ‘En daarbij, het was niet leuk. En er is nog iets anders gebeurd.’
    ‘Wat?’
    ‘Nou…’
    ‘Zeg het maar.’
    ‘Nou… Oké. ‘s Ochtends ging hij vroeg weg. Ik ontbeet nadat hij vertrokken was. En ‘s middags keerde hij terug. Op een middag keerde hij terug, en ik had vergeten de melkfles in de ijskast terug te zetten, na mijn ontbijt. Je hebt geen idee mama hoe hij me heeft uitgescholden toen hij zag dat de melk nog op tafel stond!!!’

    Hier wordt iets belangrijks verteld, iets waar je de vinger op kunt leggen. De moeder ontwijkt het. Sommige dingen wil je niet weten. Christine Angot adoreerde haar moeder, totdat haar vader haar misbruikt. Daarna kan ze haar moeder, omdat ze er niet over kunnen praten, niet meer in haar buurt velen. In 1999 schreef ze in L’Inceste voor het eerst over haar traumatische jeugd. In al haar latere boeken bleef ze erover schrijven. In dit boek poogt ze dichter bij haar moeder te komen. Het is geen reconstructie, er wordt geen getuigenis afgelegd, wel toenadering gezocht. Angot toont dat een roman geen getuigenis is. ‘Wat literatuur over de samenleving zegt, is politiek.’ Schrijven om het leed te overstijgen, klasse verschillen bloot te leggen. Over hoog laag, man vrouw, hoe die een onherstelbare scheefgroei veroorzaken.

     

    Een onmogelijke liefde / Christine Angot / vertaald door Katelijne De Vuyst / uitgeverij Polis


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, stijl, een woord (keukentafel), leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Varkens

    Buiten regende het pijpenstelen, maar ik zat warm en droog in de donkere filmzaal. De film Gunda was in zwart-wit, er was geen muziek bij te horen en ook geen menselijke stem. De beginscène liet een groot varken zien dat bezig was een aantal biggen te werpen, ik telde er minstens twaalf. Ze schreeuwden en krioelden door elkaar, op zoek naar een tepel. Ik zag ze  een zomer lang ouder worden, op onderzoek uit gaan. Hun moeder riep ze ongerust bijeen met luid geknor.
    In de bomen was de wind te horen, het koren ruiste en de koekoek riep.
    Maar ook deze idylle sneuvelde: op het einde van deze verrukkelijke film waren de geluiden van een machine te horen: een tractor reed achteruit totdat de aanhanger tegen de varkensstal stond. Uit het gegil en gekrijs van de inmiddels flink gegroeide biggen was op te maken dat ze allemaal in de veewagen werden gedreven. Je zag niets, maar wat je hoorde was genoeg.

    De wagen reed weg, de zeug draafde luid knorrend mee zolang ze de biggen nog kon horen. Daarna ging ze op zoek: ze zocht de hele omgeving af, wroette met haar neus in een hoop stro, alsof ze zich daar verstopt konden hebben, en maakte dezelfde knorrende geluiden waarmee ze al die tijd haar kroost liefdevol geroepen had. Uiteindelijk ging ze weer stil in het varkenshok liggen in dezelfde scene als die waarmee de film begonnen was.

    Toen ik weer buiten liep, drong zich een vaag bekende versregel aan me op: ‘Om hen die niet meer zijn schreit Rachel.’ Ik dacht aan de Rei van Clarissen in Vondels Gijsbrecht, ik dacht aan de profeet Jeremia: ‘Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’ Maar pas toen ik weer in de trein zat, wist ik het: het was een regel uit De slachtlammeren van Ida Gerhardt, waarin de dichteres zo beklemmend vertelt hoe de lammeren van de ooien gescheiden worden door ‘het nors cordon dat stokkenzwaaiend / de lammeren opeist, de onnozelen.’  En Esther Jansma laat in haar gedicht Gebedenboek een kalf het slachtoffer zijn. Maar een varken? Kan een varken, verguisd en onaanraakbaar als een paria in twee wereldgodsdiensten, de rol aannemen van offerdier? Koolhaas zou het antwoord wel geweten hebben met zijn Meneer Tip is de dikste meneer en Kousbroek ook, getuige zijn bundel Varkensliedjes:  

    ‘Varkensliedje 28’

    Het wrattenzwijn kan prachtig zingen,
    En ook nog heel wat andere dingen
    Die je niet allemaal hoeft te weten;
    Maar wat hij niet kan is vergeten.

    Het doet hem machtig veel verdriet;
    Hij doet zijn best, maar kan het niet.
    Hij wil vergeten dat hij ‘n zwijn is,
    En dat herinnering maar schijn is;

    Dat het varkenskot verrot is,
    En dat zijn bange hart een vod is –
    En zeggen, voor hij heeft ontbeten:
    Goddank, dat ben ik nu vergeten.

    Lammeren, ooien, biggen, zeugen, verdriet neemt steeds dezelfde vormen aan. Geen dier is zo aan de mens verwant als het varken. Voortaan zouden alle moedervarkens Rachel heten.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Een rijkdom

    De eerste zeven jaar van dit millennium woonden we in midden-Portugal. Voor we de stap zetten, las ik alles wat ik kon vinden (wat niet zoveel was) over dat land waarvan ik enkel wist dat het zo onversneden was, de mensen, het landschap, de cultuur.  Portugal, van J. Rentes de Carvalho, was een dankbare leidraad. Het eerste wat ik erin opzocht was iets over de Portugese taal. Hij schrijft dat die verre van makkelijk is om te leren (dat dacht ik al). Rentes raadt de reiziger aan bij gebrek aan kennis van de taal, hoffelijk te zijn, vooral te glimlachen (waar we goed in waren). Over ‘Armoede’ schreef hij, ‘Doe zoals alle goedhartige Portugezen en zorg ervoor dat u altijd wat los kleingeld op zak heeft. Geef telkens één muntstuk. …al is de persoon achter de uitgestrekte hand blind, zie hem altijd recht in de ogen, kijk niet langs hem heen of op hem neer. Met die blik en niet met het geld doet u de ware liefdadigheid voelen.’ 

    In Licht op Lissabon schrijft Harrie Lemmens, ‘Zoals in alle grote steden kent ook Lissabon zijn wegwerpmensen, degenen die om wat voor reden dan ook zelf zijn afgehaakt of door de samenleving werden opgegeven.Overdag dolen ze rond (..) dirigeren auto’s naar vrije plaatsen, raffelen halfluid litanieën af, tikken blind met stokken, tonen stompjes en uitstulpingen (…). Op zoek naar een helpende hand, een opbeurend woord, wat geld of een shot.’

    In Portugal bewoonden we als gezin met twee kleine kinderen, drie kleine kamers. Het merendeel van onze  huisraad bleef in Nederland. Ik miste al snel mijn boeken en (vergeef me) de HEMA. Toen begon ik Portugese boeken te kopen, als we op onze vrije dagen in Lissabon waren. Het eerste boek was Exortação aos Crocodilos (Preek tot de krokodillen) van António Lobo Antunes. Elke zondagmorgen las ik het nauwgezet (als las ik de bijbel) aan de keukentafel, woordenboek ernaast. Het was of ik de raadselen des levens moest zien op te lossen, het was stuwend, krachtig proza. Twee jaar later lag het boek in de Nederlandse boekhandel. 

    Het lezen van de vertaling door Harrie Lemmens was net zo krachtig en stuwend als het origineel. Lemmens is een Lobo Antunes adept, zijn liefde voor hoe deze man schrijft, komt onverbloemd tot uiting in zijn Lissabonboek. Midden jaren tachtig, toen hij met zijn vrouw Ana Carvalho in Lissabon woonde, ontdekte hij António Lobo Antunes. ‘Uit een brief: “Ik besteed mijn tijd voor een groot deel aan het lezen van een schitterend boek van een even schitterende Portugese schrijver, een boek dat in een heleboel talen is vertaald maar nog niet in het Nederlands en – je snapt het natuurlijk al, dat hoop ik dus te doen. (…) een boek zo rijk (een rijkdom die ik niet volledig kan verslinden omdat ik een aantal woorden niet ken, maar waarvan ik de stroom niet wil tegenhouden door het openslaan van woordenboeken)’.
    Licht op Lissabon leest net zo fragmentarisch en boeiend als het Boek der rusteloosheid (Pessoa), een rijkdom aan culturele, literaire informatie, zo groot dat het onuitputtelijk lijkt. Daartussendoor die brieffragmenten, gericht aan vrienden. Die geven een intrigerend persoonlijke toon aan het boek. Zo’n boek had ik nu graag gelezen toen ik naar Portugal verhuisde.

     

     

    Licht op Lissabon / Harrie Lemmens / Geïllustreerd met foto’s van Ana Carvalho / 406 blz. / Uitgeverij De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt vaak verliefd op een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel), leest boeken helemaal uit.

     

  • Hazegras

    Met vertraging viel Aan dezelfde zee. Oostende in de Nederlandse literatuur in de bus. Tweedehands. Op het titelblad een gestempelde naam. Als ik door het boek blader zie ik dat de vorige eigenaar bij sommige auteurs in potlood streepjes uitroeptekens en een enkele keer ‘niet waar’ in de kantlijn heeft geschreven, met een onvast oude-mannenhandschrift. Vooral de bijdrage van Marnix Gijsen (1899 – 1984) is nauwgezet gelezen. Over een jongensvriendschap in de wijk het Hazegras. Een jeugdherinnering. Er staan kruisjes bij ‘hij was een nudist in de dop’ en ‘onze enige troost was dat we naakt in mekaars armen konden liggen en zo inslapen’, en ‘Daarna kropen we weer in bed en Theo zei dat ik een huid had zo zacht als die van een meisje’. 

    Zo val je als tweede lezer in het intieme gesprek dat je voorganger met het boek voerde. Je zit dicht op zijn huid. Je raadt gedachten, verborgen interesses, een persoonlijke geschiedenis. Alsof je, zonder erop uit te zijn, iemand een geheim ontfutselt dat hij normaal gesproken niet zou vertellen. Met schroom volg ik zijn aantekeningen en denk aan de uitspraak van Jaap van Praag, één van de grondleggers van het Humanistisch Verbond, over het gesprek tussen geestelijk begeleider en cliënt: ‘Doe uw schoenen van uw voeten, u staat op heilige grond.’ Heilige grond. Ook hier.
    Google vindt de gestempelde naam in een rouwadvertentie. Ik zie zijn portret. Een man op leeftijd, een man alleen. Oud-docent. Geen kinderen. Begin dit jaar overleden. In zijn ogen raad ik felle jeugdjaren. In een andere rouwadvertentie is er na een rits familienamen dan toch sprake van ‘zijn vriend’, maar dat kan van alles betekenen. Was hij fysiek al te zwak om met auto, bus of trein naar Oostende te gaan? Oedeem in de benen, hartfalen? Verzuchtend, kon ik nog één keer? De rest van de dag dreef in alles wat ik dacht en zei een dun laagje droef zoals ik dat ook kan hebben na een vage, maar toch beklemmende droom. 

    Dan reis ik in de eerste zon van augustus naar Oostende. QR-code in mijn IPhone. Boek onder mijn arm. Ik spreek de vorige eigenaar aan met ‘beste’ en ‘u’. Ik wijs hem de Neogotische Sint-Petrus-en-Pauluskerk, die hem minder interesseert. Hij is erbij in boekhandel Corman waar ze boeken kaften in plaats van inpakken. Hij staat naast me voor het bijna Reviaanse Nationaal Monument voor de Zeelieden met op de sokkel de matroos die, zijn billen gespannen, tegen de wind staat. Meeuwen schreeuwen en cirkelen boven het strand. Na een lunch van Brusselse wafels en broodjes besmeerd met mayonaise stel ik voor om naar het Hazegras te gaan, de oude wijk van neringdoeners, zeelui, drank en hoeren. Eindelijk, zegt hij. In zijn stem klinkt ongeduld. U weet dat de wijk in de oorlog is gebombardeerd, dat het niets meer heeft van de oude sfeer?
    Ga nu maar.
    En dat…
    Een wijsvinger tegen de lippen.
    Ga.
    We lopen terug naar de jachthaven, richting het Hazegras. Dat was toch het minste wat ik hem kon bieden. 

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekenen.

  • Moeilijke boeken

    Vorige week fietste ik naar een boekpresentatie aan de Prinsengracht. Eerst fietste ik zes kilometer naar station Dieren, een van de mooiste stations die ik ken. Vandaar met de trein naar Amsterdam. Onderweg las ik verder in het boek dat gepresenteerd zou worden. De openingszin, ‘Het besturen van een trekker is een daad van soevereiniteit.’, is een geweldige zin. Een indrukwekkende oppermacht doemt voor me op als ik over deze trekker lees. ‘Hij komt over het kavelpad aanrijden en draait dan het veld op, klaar om het land overhoop te halen. (…) Grommend komen de schoepen in beweging, ze happen grond, werken in één gang rogge, onkruid en mest onder.’ 

    Ik moest op Prinsengracht 119 zijn. Ik was mooi op tijd. Uit het pand kwam een oudere man naar buiten. Ik vroeg hem naar de uitgeverij op dit adres. De man, die ik herkende als de dichter die ooit debuteerde met de bundel, Mijn broertje kende nog geen kroos, een waarlijk onheilspellende titel, keek me peinzend aan. Hij legde een vinger tegen zijn lippen, zei ‘Maar, dat is verder. Veel verder, op nummer 1119!’ Ik zette een tandje bij, ontweek net behendig genoeg andere straatgebruikers. Een jong vijgenboompje, bestemd voor de schrijver, slingerde heen en weer in een papieren tas aan het stuur. Op nummer 1119 zat geen uitgeverij. Toen dacht ik aan het archiefkaartje in mijn tas, waar ik het adres had opgeschreven. Ik las, Prinsengracht 911. Hoofdschuddend trapte ik de weg terug, over losliggende klinkers, door niet te vermijden kuilen. Tot de bodem van het papieren tasje scheurde, zwarte aarde spatte op straat. Met het boompje in mijn arm geklemd kwam ik net op tijd aan voor de afsluitende woorden van een toespraak. Het boek was er, de schrijver straalde. Er was wijn, er werd over het boek gesproken.

    Iemand zei het een moeilijker boek te vinden dan haar eerste. Ik zei zomaar dat moeilijke boeken de beste zijn. Dat zogenaamde pageturners zo lekker weglezen omdat er niets nieuws in staat, voelen als een aangenaam briesje op een warme zomeravond. Dat boeken die een duidelijke taal spreken, maar waar je desondanks niet alles van begrijpt, je uit de denkvorm trekken. Dat de schrijver zo’n boek geschreven heeft. Een wordingsverhaal over wie we ooit waren, nooit geworden zijn en wie we wel geworden zijn. Verteld door Elke, ik-figuur in deze wonderlijk mooie, intrigerende roman. Als een refrein in het verhaal komt ‘de vrouw die ze nooit werd’ steeds naar voren. Naast het mythische verhaal over de oorsprong van man, vrouw, landbouw, overlevering, kringloop van de natuur is er de veredeling van groenterassen. De zoektocht van bioloog Elke naar de weg terug van veredeling, door middel van het terugbrengen van een erwtenras naar zijn oervorm. Daartussen de relativerende opmerkingen van de vrouw die ze nooit werd: ‘Kunnen we nu eindelijk naar huis, klaagt de vrouw die ik nooit werd.’ Of, ‘Erg wollig allemaal – ja, ik ben er nog, sist de vrouw die ik nooit werd.’ Wormmaan, is een geweldige roman die aan veel raakt waarmee we nu leven en worstelen. En ja, niet alles is direct te doorgronden, maar dat, beste mensen, zet ons in beweging, maakt het ongekend boeiend. Lees dit boek!

     

     

    Wormmaan / Mariken Heitman / 259 blz. / AtlasContact


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt vaak verliefd op een goed verhaal, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Amechtig

    Dan is het opeens vakantie, is er tijd tekort voor alles dat nog gedaan moet worden. Zoals een nieuw badpak halen, (dat zwemmen in ondergoed moet maar eens afgelopen zijn). We gaan deze zomer naar Terschelling. De kinderen met hun kinderen, met vriend, vriendin, ze komen allemaal langs. Vorig zomer konden we vanwege de pandemie nergens heen, toen dacht ik: Terschelling. Elke ochtend een duik in zee, lange wandelingen, friettent om de hoek. Hoewel, er was één minpuntje, er is geen echte boekhandel. Wel een soort tijdschriften, schriften, schoolspullen. Maar goed, verder niks te klagen. Het strand zo wijds dat je er niemand tegenkomt. Dit jaar gingen we op de fiets. Banden werden opgepompt, lampen nagekeken, bagagedragers verstevigd en inpakken maar. Toen het begon te regenen moesten er laarzen mee, regenkleding, truien. Toen ging het ook nog waaien, de weersvoorspellingen waren niet best. Ik zag ons voorovergebogen over het stuur, zwoegend tegen de wind, samengeknepen ogen tegen de regen. Amechtig trappend kwamen we met moeite vooruit. Nee, de plannen moesten herzien worden.

    Ondertussen appten we elkaar hoe het inpakken vorderde, de een vroeg wie de grootste pan mee zou nemen. De ander dat de surfplanken op het dak van de auto bevestigd waren. Toen het bleef regenen appte ik dat ik hoopte dat het weer de komende dagen beter zou worden. Daarna appte ik dat we met het eendje zouden gaan. Het eendje, waar de bepakking van wel drie fietsen in mee kon. Er was opeens plaats voor twee makkelijke tuinstoelen, een tafeltje, meer boeken, de grootste pan. Mijn dochter appte dat ze haar twee jongens had voorgesteld een vakantieboek te gaan kopen. ‘Neeuh, geen zin’ hadden de jongens, die net aan hun tweede week vakantie begonnen waren, gezucht vanaf de bank. ‘s Avonds legde ze ‘toevallig’ een oude van Sylvia Witteman bij de oudste, die net lagere school af was. hij herinnerde zich dat hij er vorig jaar zo om had moeten lachen. Mijn dochter zei dat ze een nieuwe van Witteman konden halen, bij Paagman, of dat wat was. Ja, dat was wat. Dat ze dus morgen nog naar de boekhandel gingen.

    Vorig jaar op Terschelling maakte de oudste voor het eerst kennis met Sylvia Witteman, iemand had Pekingeend bij nacht meegebracht. Hij confisqueerde het, las te pas en te onpas stukjes voor, over de kinderen van Witteman. ‘Vloeibaar van lamlendigheid hangen ze tegen de sofa gekleefd als skeletloze diepzeewezens op een koraalrif, deinend op golven van verveling, met als enig teken van leven de gestage inname van voorbij zwevend plankton.’ Hele stukken las hij sputterend van het lachen, de benen opgetrokken tegen de lachkrampen in zijn buik. Ach, en dan blijkt weer eens hoe relatief alles is, dat verveling met verveling bestreden moet worden, waar vakantie dan weer goed voor is. En dat jongeren niet willen lezen? Ook dat is relatief.  Stop ze gewoon in een tent met een boek van Sylvia Witteman en alles komt goed.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft wakker voor een goed verhaal, leest in de tent.

  • Vanwege te hard lachen

    Op mijn bureau staat een beeldje van de kleine Nicolaas. Grijs jasje, rode stropdas, tas, grote glimlach, hollend naar school. ‘Juf is altijd hartstikke aardig behalve als ze boos op ons is!!’ zegt Nicolaas in een tekstballon op het omslag van het eerste deel. Ik kreeg het als tienjarige van een tante die pertinent geen stripboeken cadeau wilde geven. ‘Dit is de enige tekstballon in het hele boek,’ zei ze, en liet als bewijsvoering de bladzijden langs haar duim gaan. Toen had ik er de pest over in, nu ben ik haar dankbaar, want ‘de alledaagse belevenissen van een schooljongetje’, zoals de ondertitel luidt, bleken zo humoristisch onalledaags dat mijn moeder me geregeld vroeg: wat lees je, wat is er zo grappig aan?

    Le petit Nicolas is in Frankrijk een icoon. In de jaren zestig van de vorige eeuw verzonnen René Goscinny (Asterix) en illustrator Sempé, twee grootheden als het om humor gaat, tientallen verhalen rondom Nicolaas en zijn klasgenoten. In deze eeuw zijn er van Nicolaas ook twee speelfilms gemaakt, maar net als de Asterixfilms missen ze de kwaliteit van de boeken. Ik lach als ik Nicolaas lees en ik blijf wat zuur kijken bij Nicolaas in de bioscoop.  

    Jan Brokken wijdt in De wil en de weg een hoofdstuk aan humor in de literatuur. ‘Niets is zo moeilijk te bereiken op papier als humor’ schrijft hij. ‘Het is moeilijker dan spanning, moeilijker dan sensualiteit, en het is in ieder geval nog heel veel moeilijker dan drama.’ Hij leest in het vliegtuig de avonturen van de kleine Nicolaas en krijgt een reprimande van de stewardess, lach niet zo hard, alstublieft. Eenmaal thuis stelt Brokken zichzelf de vraag waarom hij zoveel plezier beleefde aan het verhaal van de schoolinspecteur en de klas van Nicolaas, en concludeert: ‘Het hilarische moet zowel uit de situatie zelf voortkomen als uit de beschrijving van de situatie.’ Daarom gniffel ik bij Reve, vanwege de taal, maar lach ik hardop bij Voskuil of de kleine Nicolaas, omdat naast de taal, de situaties mijn verbeelding activeren. 

    In mijn debuutroman De wensvader ondernam ik zelf een poging. De les van Brokken indachtig, beschreef ik de inseminatiepogingen van twee homomannen en een vriendin. De eerste keuze die ik maakte: de inseminatie vindt thuis plaats. Een kliniek als decor zou misschien één aardige scene opleveren. Thuisinseminatie daarentegen biedt door al het praktische ongemak meer mogelijkheden, inseminatie lukt zelden de eerste keer. De twee mannen vertrekken naar de slaapkamer en de vriendin wacht in de woonkamer tot het wonder is geschied om zich vervolgens, alleen op de slaapkamer, te insemineren met het zaad van één van de twee mannen. Telkens voorafgaand aan de inseminatie eten de hoofdpersonen met elkaar kip Tandoori uit een pakje – tot vervelens toe. De maandelijks terugkerende inseminaties worden naarmate de tijd vordert een martelgang. Het hadden ook dramatische scenes kunnen worden, van pijn en uitstel en gemis. Maar bij het schrijven keek ik naar de kleine Nicolaas op mijn bureau en dacht: hou het licht, denk aan de les van Brokken, de zwaarte bedenkt de lezer zelf wel.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

  • Om de hoek

    De geschiedenis ligt om de hoek, al loop ik altijd net even te snel om die te achterhalen. Nu kun je ook niet bij alles stilstaan, alleen die straatnaambordjes al. Lees ik de ‘Goemans Borgesiusstraat’ in een dorp op de Veluwe, dan blijven mijn gedachten hangen bij die uit het Nederlands en Italiaans samengestelde naam, denk aan de familiegeschiedenis van de persoon waarnaar de straat vernoemd werd. In Den Haag ken ik de Gerrit Kasteinstraat (1910-1943), daar staat de school van de kinderen van mijn dochter. Al lange tijd vraag ik me af, ‘wat was dat voor een man, die Gerrit Kastein.’ Ik vermoedt dat hij een strijdlustige arbeider was, opgepakt tijdens het verzet in de oorlog, gezien het sterfjaar. Ik wil het opzoeken, maar daar komt het niet van. Tot ik vorige week in de krant de ‘Aarsman Collectie’ van Hans Aarsman las, met hem meekeek naar het nu en het verleden.

    Het beeld van een beklinkerde straat waar een man in onderbroek en sokken, handen op de rug (geboeid, maar dat zie je op het eerste oog niet) wordt natgespoten. Op ongeveer drie meter afstand richt een brandweerman de brandspuit op de bleke rug van de man. De straal is hard, je ziet hoe de straal water de drie meter tot de naakte rug van de man overbrugt, daar tegenaan knalt, een waas van spetters om de man heen verspreidt. De man staat rechtop, de schouders iets naar voren, ietsje maar. Het visgraatmotief van de straat glanst, alsof het geregend heeft. Het lijkt of de man zijn verdiende loon ondergaat. Misschien was het een weddenschap die hij verloren heeft: wie verliest wacht de brandspuit. Dat hij zich daarvoor eerst heeft uitgekleed, dat mocht. Maar de drie brandweerlieden, zes politiemensen, rechts van de man gepositioneerd, doen die impressie kantelen. Links een eenzame toeschouwer, die gelaten, het hoofd iets scheef, het schouwspel beziet. Er straalt medelijden.

    Het geheugen is een vergaarbak, soms komen dingen bij elkaar, wordt er iets gecompleteerd, opgelost. Gezien de stokrozen op de foto, schrijft Aarsman, moet het wel de zuidkant van de Ridderzaal zijn, gefotografeerd vanuit een raam. Aarsman is een fotodetective, online vindt hij een andere foto van het tafereel, genomen vanuit de hoekkamer. Daar huisde tijdens de Tweede Wereldoorlog de Duitse Sicherheitsdienst weet hij. ‘Verzetsman Gerrit Kastein sprong op 19 februari 1943 uit datzelfde raam zijn dood tegemoet. Hij voorzag dat hij gemarteld zou worden en wilde zijn kameraden niet verraden.’ De edelmoedigheid van deze Kastein is van een andere tijd. De geboeide man deed een poging tot zelfverbranding, waarom was niet duidelijk, niet omdat hij bang was iemand te verraden. Ik zocht online verder naar Gerrit Kastein. Hij  was arts, verhuisde naar Den Haag, waar hij vanaf het begin van de oorlog actief was in het verzet. En hij  werd in 1910 in Zutphen geboren, dat ligt hier dan weer praktisch om de hoek.

     

    Aarsman Collectie / Volkskrant 15 juli 2021, / Fotograaf Freek van den Bergh


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft wakker voor een goed verhaal, een overtuigend relaas.

     

  • Uiteengespatte verbeelding

    Mijn fantasie gaat regelmatig met mij op de loop. We beginnen in een pittig drafje, dat gaandeweg overgaat in een stevige galop, waarna ik al snel de teugels kwijtraak en we op hol slaan, om na een dolle rit abrupt tot stilstand te komen voor een blinde muur in het doodlopend steegje van de realiteit. Mijn fantasie komt zelden of nooit overeen met de werkelijkheid. Als kind had ik er al last van. Illustraties in mijn lievelingsboeken kraste ik altijd door, omdat ze het niet haalden bij mijn eigen voorstelling van het verhaal. Elke op handen zijnde gebeurtenis was later in het echt nooit zo mooi als wat ik er van tevoren over verzonnen had. De jurk die mijn moeder voor me gemaakt had, was prachtig, echt, maar hij kon me niet veranderen in de prinses die ik me al weken voor de spiegel gedroomd had. De knapste jongen van de middelbare school, die ik uit de verte zwijmelend aanbad en alle eigenschappen van een sprookjesprins had toebedacht, bleek bij het eerste afspraakje een hork te zijn. 

    Alles was altijd mooier in mijn gedachten. Wat dat betreft leek ik op een van de zoontjes van Anton Coolen in zijn beminnelijke boekje Uit het kleine rijk, waarin hij beschrijft hoe zijn vier kinderen opgroeien. Op de ochtend van het Sinterklaasfeest zegt het jongetje, terwijl hij zijn uitgepakte cadeautjes beziet: ‘Hoor eens vader, ik vind alles zo leuk, maar toen ik het nog niet gezien had, vond ik het nog veel leuker.’ Coolen zelf moest daarbij denken aan de aanplakker uit Strindbergs Droomspel, ‘als die eindelijk zijn hevig begeerd schepnet heeft: ‘Het is wel goed, maar niet zoals ik het mij had voorgesteld, wel groen, zoals het moest, maar niet dat groen.’
    Als mijn fantasie zich weer eens te pletter heeft gelopen, dan zit er voor mij niets anders op dan de scherven van mijn uiteengespatte verbeelding op te rapen en proberen ze samen te voegen tot een mengvorm waarin weliswaar de werkelijkheid weerspiegeld wordt, maar die toch nog een vleugje droom bevat, ongeveer zoals Joke van Leeuwen dat doet:

    Lijmen

    Ik had drie beestjes,
    drie beestjes van steen.
    Een vogeltje,
    Een veulentje,
    Een varkentje.

    Ze zijn gevallen.
    Ze braken stuk.
    Ik heb ze gelijmd.
    ‘t is bijna gelukt.

    Ik heb drie beestjes,
    drie beestjes van steen.
    Een volentje,
    Een veukentje,
    Een vargeltje.

    Toch geef ik de hoop  niet op dat op een dag mijn fantasie naadloos met de realiteit zal samenvallen. Zoals iemand die maand in maand uit een loterijbriefje koopt, in het volste vertrouwen dat eens de hoofdprijs op zijn lot zal vallen, de zoveelste teleurstelling schouderophalend afdoet met de gedachte dat er volgende maand weer een kans op een miljoen is. In mijn fantasie wacht het grote wonder altijd net om de volgende hoek op me. Ik kan me al heel goed voorstellen hoe het eruit zal zien.

     

    Gedicht komt uit de bundel: Ozo heppie / Joke van Leeuwen / Querido (2017


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Agnes in Deventer

    Ik was vijf dagen in Deventer, de stad die boeken ademt. Ik woonde er tot begin jaren negentig. Nu ik er terug was, beleefde ik opnieuw de uitnodigende stilte van de stad bij het ochtendgloren. De stad waar ik als vijftienjarige dweepte met Toergenjev, Marnix Gijsen, waarvan de romantiek van dood door tuberculose me in Klaaglied om Agnes enorm aantrok. Waar ik op een achterkamertje in de Papenstraat alles van Simone de Beauvoir las. Het waren jaren ‘des onderscheids’. Kocht de (dag)boeken van de gebroeders Goncourt, Italo Svevo, Natalia Ginzburg, Prima Levi, las er het eerste boek van Connie Palmen. Deze week, toen hevige regenval enkel het zuiden van het land teisterde, liep ik door de oudste wijk van de stad. Via de Stromarkt door de Graven, (dacht aan roesachtige dagen), links naar de Noordenbergstraat (waar een alcoholistische vriend woonde), over het Muggeplein (de buurtfeesten) de Molenstraat in, een gangpad door naar de Stenenwal. Bij een gevel begroeid met stokrozen hing een boekenkastje.

    Er was een verheugd weerzien met Agnes, een creatie van Peter van Straaten, verscheen vanaf 1986 in Vrij NederlandVanaf de eerste afleveringen was ik verslaafd aan het levens van Agnes, een voorbeeld van onvoorbereid door het leven gaan. Elke vrijdagmiddag haalde ik Vrij Nederland bij de boekhandel, toen nog een krant. Later werd het een tijdschrift. Hoewel Agnes meer thuishoorde op krantenpapier dan op de gladde witte bladzijden van een magazine, was mij niets gevraagd. Agnes was een zelfstandige vrouw, begin veertig, met een puberzoon. Het feuilleton was een tijdsbeeld van de laatste twee decennia van de twintigste eeuw. Roken en alcohol waren net zo gewoon als een kadetje met kaas. Liefde was ingewikkeld, dat wel. Wie de Beauvoir en Sartre las, schuwde vaste verbintenissen. Er werd gefilosofeerd, gerommeld, er was gedoe, niks lag vast.  

    Van Straaten tekende Agnes met haar halflange krullen, zittend aan tafel. Een smeulende sigaret op de rand van de asbak voor zich (overal asbakken toen). Met haar linkerhand duwt ze haar krullen achter haar linkeroor, rechterarm op tafel. Het leven was voor Agnes niet eenduidig, dat zie je zo. Op de achtergrond een fles wijn. Ze kijkt ietwat blasé, toch is ze een evenwichtige mengeling van ‘mij krijg je er niet onder’, en, ‘Your wish is my comment’. Ze is een ster in het te lang blijven zitten, of het nu bij vrienden thuis is, of in het café, ze is bodemloos als er drank in het spel is. Als ze met een vriend te lang in het cafe zit, zegt deze, ‘Zeg, halvegare, weet je dat we ongemerkt allebei dronken zitten te worden?’
    ‘Verdomd,’ zegt Agnes, ‘nu je het zegt… ik liep al zo raar toen ik net naar de wc ging. Ik dacht dat ik misschien koorts had.’ Daardoor kreeg ik opeens een ongelofelijke trek in een drankje, aan oeverloze gesprekken in een café waar tijd vloeibaar is. Ach, dat waren nog eens tijden.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, houdt van een goed verhaal, een overtuigend relaas.