• Rusteloos

    Gasten en vis blijven maar drie dagen fris, zegt het spreekwoord. Maar mijn gasten kenden dit spreekwoord niet, of ze hadden drie weken verstaan, want zo lang bleven ze. Het waren helemaal geen vervelende mensen, maar toch snakte ik naar de tijd dat ze weer weg zouden zijn. Ik kon niet even lekker wegkruipen met een boek, ik kon mijn muziek niet draaien, zeker niet op het door mij gewenste volume, ik kon niet uit het raam gaan zitten staren als ik daar zin in had. Bovendien diende ik gepast te converseren en de sociale omgangsregels in acht te nemen.

    Nu zijn ze weg en mijn huisgenoten begeleiden hen op hun reis naar een ander continent. Ik ben vier weken alleen. Ik had me voorgenomen om alles te doen waar ik zin in had. Maar het lukt niet meer zo goed. Als ik vroeger alleen was, ommuurde ik me met torenhoge stapels boeken en cd-doosjes, als een bastion, een verschansing, een bolwerk tegen alles waar ik me niet mee bezig wilde houden. ‘I have my books / and my poetry to protect me’, zongen Simon and Garfunkel in I am a rock en ik zong luidkeels mee,  ‘I’ve built walls / A fortress deep and mighty / That none may penetrate’. Het huishouden kon me niet schelen, de opgestapelde afwas mocht zich op het aanrecht wanhopig in evenwicht zien te houden uit angst over de rand te kletteren en de maaltijden gingen uit de vriezer rechtstreeks in de magnetron.

    ‘Ik leer het nooit’

    Tussen zeven katten woon ik
    om nog te zwijgen van paarden en honden.
    Het gras rond mijn huis is te lang.
    En wat zou dat.

     In alle vroegte beklim ik de trein,
    draaf door het land, praat met deze en gene,
    haal veel te veel overhoop.
    En wat zou dat.

    Heel de week ben ik driftig op stap
    en als ik thuis ben meestentijds afwezig.
    Je zult er maar mee getrouwd zijn.

     Ha! Nog even en ik maai het gras,
    breng maat en orde in mijn bezigheden,
    vol rustige aandacht voor kind en voor kraai.
    Dat zal wat moois zijn!

    Aad Nuis, Tirade nr. 200

    Maar nu ben ik rusteloos, ik merk dat ik steeds meer taken af moet hebben voordat ik me kan overgeven aan bezigheden waar ik echt zin in heb. Komt het omdat ik ouder word? Moet ik mijn tijd nuttig gebruiken omdat ik er minder van heb? Of voel ik me gedwongen alles goed verzorgd achter te laten, zoals bij het maken van een testament? Word ik langzaam voorbereid op het grote afscheid nemen? Als dat zo is, zal ik me uit alle macht verzetten: ik zal mijn boeken om me heen strooien, ik zal met opzet een kop koffie op de grond laten vallen om te kijken welk Rohrschachpatroon de vlek aanneemt, het stof mag zich ophogen tot ik erover struikel. Alles, alles om de dood buiten de deur te houden en de chaos en het leven te laten zegevieren.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Dat ene gedicht

    Ik las in de krant over het leven van Marie Stoppelman (1914-1994) kinderarts, later chef de clinique kindergeneeskunde in het Amsterdamse Binnengasthuis. Als jonge vrouw werd ze samen met haar broer, nadat ze verraden waren, in mei 1944 naar Auschwitz vervoerd. Hij kwam in werkkamp Auschwitz l terecht, bezweek daar. Zij ging naar vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau, waar haar bij aankomst op het hart werd gedrukt te zeggen dat ze arts is. Ze komt te werken in de ziekenboeg van het vrouwenkamp onder leiding SS-arts Josef Mengele. Haar taak is de vrouwen op te vangen die, ‘gruwelijke proeven hebben ondergaan: sterilisaties, hoge doses röntgenstraling, injecties met petroleum’. Medische experimenten die de uiterste grens van menselijke verdraagzaamheid overschrijden. Ze is er getuige van hoe zieke vrouwen die niet meer kunnen lopen, van de ene naar een andere barak worden verplaatst.

    Ze ziet hoe Mengele de zieke vrouwen in de laadbak van een vrachtwagen gooit, hoe hij bij aankomst bij de andere barak begint te schelden, omdat de meeste vrouwen nog leven; ‘het aantal doden valt hem tegen.’ Haar leven was een ‘Russische roulette’, je wist nooit wanneer je iets fout deed en Mengele je liet afvoeren. Overleven is een vreselijke zaak. In januari 1945 wordt ze bevrijd. Er staat: ‘Wat daarna kwam zou Auschwitz-overlevende Primo Levi beschrijven als een beproeving, “vrij maar niet verlost”.’ De Italiaanse schrijver, van februari 1944 tot januari 1945 gevangene in werkkamp Auschwitz lll, schreef verschillende boeken over Auschwitz en de tijd daarna. In De verdronkenen en de geredden schrijft hij, ‘het Lager [was] een wreed laboratorium, waar je situaties en gedragingen kon observeren die noch eerder, noch later, noch elders ooit hebben bestaan.’ 

    Na de oorlog sprak Marie Stoppelman met niemand over wat ze had doorgemaakt. Wel legde ze verschillende getuigenverklaringen af, ook tegen de voortvluchtige Mengele. Na haar pensioen werd ze overvallen door haar herinneringen aan het kamp. Tegen een oud-collega zei ze, ‘het is zo vreselijk, alles komt weer naar boven.’ Ze was nooit getrouwd bekende ze eens, ‘omdat ze kinderen niet wilde belasten met haar trauma.’
    Na lezing van deze indringende geschiedenis was er stilte. De hele dag en de dag erna, als ik aan haar dacht, had ik geen woorden. Ik had de verhalen gehoord, de boeken gelezen. Had mezelf wel eens betrapt op de verwerpelijke gedachte er genoeg van te weten, dat we verder moesten. Hoe arrogant, zulke gedachten. Het verleden bepaalt nog steeds het heden. Steeds opnieuw moeten de verhalen van overlevenden van de Holocaust gehoord worden.

    Primo Levi heeft het in De verdronkenen over het clichébeeld dat de ‘zegening heeft gekregen van de literatuur en poëzie’, dat daarmee de zaken mooier worden voorgesteld dan ze zijn. Toch ging ik naarstig op zoek naar een woord, een regel. Bladerde door de prachtige bundel met troost biedende gedichten, vond niets dat toereikend was aan wat ik voelde. Was er dan niet voor alle soorten van verscheiden passende poëzie? Of wacht, daar, dit gedicht van Judith Herzberg:

    ‘Bedroefd bedroefd
     en zo bedroefd
     dat droefenis in woede
     oversloeg. Toch waren
     droefenis en woede
     niet genoeg
     nog altijd niet genoeg’

     

    (Uit: Dood gewoon gaan hemelen, uitg. Plint)

    Volkskrant-redacteur Ellen de Visser reconstrueerde het levensverhaal van kinderarts Marie Stoppelman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

  • Een kruimel tijd

    Een mens heeft vele beperkingen. Van alle beperkingen is tijd de wreedste en de dodelijkste. Je hebt geen andere keus dan gewoonweg je leven te leiden in de kruimel tijd die je ter beschikking staat. Het zijn woorden uit een compact boekje dat ik afgelopen kerst kreeg: Ultieme vragen. Kleine filosofie van leven en dood van Bryan Magee – in 2019 bij Bijleveld verschenen in de befaamde reeks met de oranje ruggen. Het verscheen in vertaling in het jaar dat voor Magee zijn kruimel tijd – toch zo’n negentachtig jaar – eindigde. Ik las Magee eerlijk gezegd omdat ik een beetje romanmoe was. Dat zijn buien waarin ik geen enkele behoefte heb aan fictie. Vaak na een teleurstellende leeservaring. Dan kijk ik naar de stapel nog te lezen boeken naast mijn bureau, toch allemaal aangeschaft vanuit een verlangen, en denk, terwijl ik het ene na het andere even in mijn hand weeg, geen zin geen zin, geen zin in.  Buien die eindigen, dat weet ik inmiddels ook. Dan ligt de roman die ik de vorige keer nog afwees, als een lokkend hapje bovenop de ongelezen stapel. 

    Wat doe je in de kruimel tijd die je tot je beschikking hebt? Een uurtje op ruimtereis gaan met Magee bijvoorbeeld. Je kijkt door een telescoop en ziet het licht van een ster die er honderd jaar over doet om de aarde te bereiken. Misschien is in de tussentijd die ster verdwenen, ontploft, of hij is op een geheel andere plek in het universum verschenen. Maar jij ziet dat licht alsof het er op dat moment ook is. Dat is een bekend verhaal. Alleen gaat Magee een stap verder. Reis meer dan honderd lichtjaren, kijk met een telescoop naar de aarde en je ziet de loopgravenoorlog in België, je ziet ‘nu precies hetzelfde als de soldaten “toen” zagen op het slagveld’, schrijft Magee. Reis verder en je kijkt van een afstand ook naar al die andere historische gebeurtenissen – de bouw van de Chinese muur, de geboorte van Jezus, het uitsterven van de dinosaurus. Het vindt allemaal nu plaats, naargelang je plek in de ruimte.

    Van zo’n gedachtenexperiment geniet ik. De verwondering over onze tijdelijkheid in een oneindige gelijktijdigheid. Wat zou ik graag met de kennis van nu via een ‘superkrachtige telescoop’ kijken naar wat eens hier op aarde was. Maar het blijft, zo realiseer ik me, bij één zintuig. Je bent geen deelgenoot. Eigenlijk wil je bij de moord op Caesar dat zijn bloed op je toga spettert, eigenlijk wil je je hoofd buigen en de ademhaling van Hildegard von Bingen langs je wang ervaren. In Italië omarm je de echte David en de echte David omarmt jou. Je hapt in versgebakken brood in het Parijs van de zeventiende eeuw, je wilt voelen, ruiken en proeven wat door de geschiedenis nooit is vastgelegd. Dan ben ik niet meer fictiemoe, dan maak ik in die kruimel tijd (en met de andere beperkingen die ik heb) wederom de meest fantastische reizen. Alsof… Alsof ik daar ben. Ik leg Magee opzij, heb zin in Radetzkymars van Joseph Roth. 

     

     


    Schrijver en humanistisch geestelijk begeleider Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Niet de feestjes

    Niet de vrolijke feestjes, de picknicks en slaapfestijnen, maar het niet gehoord worden, de afwijzing, onverwachte klappen, is wat ons van kinds afaan vormt. En wat je daar later mee moet: treed je in de voetsporen van je opvoeders of trek je de stekker eruit en ga je jezelf opnieuw in elkaar zetten? Dat is wat Iggy tracht te doen in de roman Baksteen. Haar vader, ook wel de driekoppige hond genoemd, ‘Die zomaar, (…)  uit het niets begon te slaan, je op de grond gooide. Net als je dacht dat er niets aan de hand was, je iets deed of zei en hup, daar lag je weer.’ De man leed aan het syndroom van Korsakov. In haar vorige boek, Confituurwijk, was ook sprake van een alcoholistische vader. Die pleegde zelfmoord en liet zijn dochter achter met enkel een blokfluit en een kat die haar  vergezelden naar een nieuw honk. Waar het overleven begon.  

    In Baksteen sterft de vader tijdens een operatie en is het de dertigjarige Iggy die in de overlevingsstand staat. Ze slaapt met het licht aan, ramen open (de verstikking). ‘Dagelijks dendert de vrijheid voorbij, maar ik mankeer de juiste bouwstenen om er iets mee aan te vangen.’ Er wordt ingezoomd op de vader, zijn dictatoriale aard, zijn hang naar de DDR. In 1989 is hij op de Potsdammer Platz als de muur valt. Zijn dochters zijn vernoemt naar popsterren, Iggy (Iggy Pop) en Pink (Pink Floyd). Hij wil ze tot schaakmeesters drillen, leert ze ijzeren disciplines (Seid bereit? Immer bereit)

    De geest gaat altijd en onvermijdelijk op zoek naar het hoe en waarom van de dingen, betekenis willen zien in wat ons is overkomen. Op haar tiende weet Iggy dat ze ervoor moet zorgen geen slachtoffer te zijn. Ze waant zich Matilda uit het boek van Roald Dahl, die op het juiste moment over de juiste krachten bezit om het onheil af te wenden. Als ze in een vakantiekolonie wordt aangerand door de begeleiding, laat Matilda natuurlijk verstek gaan.

    Iggy denkt aan de schrijfster Tove Ditlevsen, die een evenzo donkere jeugd beleefde. Ditlevsen schrijft dat een donkere kindertijd blijft huilen en klagen als een diertje dat opgesloten zit in een kelder. ‘Hij ontsnapt uit je keel als je adem in de kou, en soms is het te klein, dan weer te groot. Hij past nooit precies. Pas als hij ooit is afgeworpen als een dierenhuid, kun je hem in alle rust bestuderen en erover praten als een ziekt waarvan je bent genezen.’ Iggy ervaart haar kindertijd als een ‘chronische ziekte’ waar ze nooit vanaf zal komen. Tot ze na de dood van haar vader twee grote zakken met bakstenen van een afgebroken muurschildering voor haar deur vindt. Het wordt een onvermijdelijke zoektocht naar wie haar vader eigenlijk was. Een zoektocht waarbij ze  zichzelf vindt.

    Vindevogel schrijft zinnen die overdonderen, in één zin breekt ze een wereld aan belevingen open. En wat een prachtige(overwinnings-) laatste passage van dit boek. Ik denk aan de veertigduizend kinderen in Nederland die tijdens de lockdown te maken hadden met huiselijk geweld, emotionele verwaarlozing, dat nog meemaken. Die wens ik net zulke gebalde taal toe als Vindevogel bezigt. Taal waarmee je een getroebleerde jeugd in kaart brengt. Of geef ze in ieder geval dit boek.

     

     

    Baksteen / Femke Vindevogel / 211 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

  • Creatief broeinest

    Struinen tussen de boekenstapels, boeken vinden waar je niet naar op zoek was, het was er de afgelopen weken niet bij. Ook de antiquarische boekwinkel Colette & Co was als gevolg van de harde lockdown tot 15 januari gesloten. De medewerkers van Colette zaten echter niet bij de pakken neer en besloten er het beste van te maken. In allerijl werd een nieuw digitaal systeem in elkaar gezet. Via de nieuwe service Click & Colette konden klanten boeken bestellen en ophalen in de winkel. De klanten uit de regio Den Haag konden ook, als ze daar de voorkeur aan gaven, rekenen op een bezoekje van één van de vrijwilligers die de boeken langs kwamen brengen. 

    Toch was het bij de aankondiging van de lockdown spannend of de klanten de weg naar Colette zouden blijven vinden. We waren nog maar net begonnen en de eerdere lockdown hadden we niet meegemaakt. Gelukkig bleek de zorg ongegrond, want de bestellingen bleven elke dag via het digitale bestelsysteem binnenkomen. Ook kwamen regelmatig mensen spontaan langs om te vragen naar een boek. Er kwam zelfs iemand die enkele tientallen boeken van Remco Campert mee naar huis nam. Ik besefte opnieuw dat Colette niet zomaar een boekhandel is. Mensen kwamen voorafgaande aan de lockdown vanuit het hele land naar Colette om boeken te kopen die ze voor dezelfde prijs ook dichterbij hadden kunnen kopen. Het gaat ze kennelijk niet alleen om de boeken, maar ook om de atmosfeer en het unieke karakter van de winkel. Het zijn niet alleen de lezers waarop Colette een bijzondere aantrekkingskracht uitoefent. De afgelopen week was er een fotoshoot van een voormalige Miss Nederland. Het model poseerde tussen en op de grote boekenstapels zonder dat de boekenbergen in beweging kwamen. Een prestatie van formaat, want ik hoef maar licht een boek te schampen om een boekenlawine te veroorzaken.

    Desalniettemin heb ik de klanten in de lockdown periode erg gemist in de winkel. Het mooiste is als klanten terwijl ze tussen de boeken rondstruinen iets vinden waar ze niet speciaal naar op zoek waren. Zelfs het geluid van neerstortende stapels boeken en de ongemakkelijke stilte die daarop steevast volgde, miste ik. De lockdown bracht gelukkig ook voordelen. Er was extra tijd om stil te staan bij de successen van het afgelopen jaar en voor het opruimen en sorteren van boeken. Daarnaast brachten de vrijwilligers van Colette de laatste dagen van december literaire kerstpakketten rond bij Haagse verpleeghuizen om eenzame ouderen een hart onder de riem te steken. Ondertussen kijk ik met optimisme vooruit naar de toekomst. De winkel gaat de lockdown overleven en er zijn leuke plannen voor de toekomst, zoals voorleesavonden, poëzieavonden en leesclubs. Colette is en blijft een een creatief broeinest. 

     

     


    Istvan Kops is mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette in Den Haag. Maandelijks schrijft hij daarover een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Brood en poëzie

    Wat ik meenam uit het oude jaar was een pot zuurdesem en honderd zevenenzeventig gedichten. Geroofd uit het nest van zesendertig dichters. Het zuurdesem voed ik elke dag met een handje meel, een scheutje water. Dan lees ik wat poëzie. Voor ik begin laat ik de bladzijden van Het liegend konijn onder de duim van mijn linkerhand doorglippen. Langzaam, langzamer, en stop. Strijk het midden van het boek open, geef je ogen de kost, laat ‘Blue Monday’ voor wat het is, begin met de titels: ‘De onstuitbare neiging om mooi te zijn’ (Esther Jansma). ‘Kan ik een dode ruilen voor een levende’ (Anneke Brassinga). ‘Heel lang zijn wij niet geweest’ (Tania Verhelst). Sta stil bij het ‘Stijgend waterpeil’ van Marieke Lucas Rijneveld. ‘Dit is precies wat ze zeiden: het vlottertje zit verkeerd / aangesloten tussen je ribben, het membraan is kapot, / te veel kalkaanslag, nee, we denken niet dat je het zo lang / volhoudt, of laten we het verzachten, we hopen dat je nog // een jaar of twee meegaat, dan is het over. (…)’. Wees stil.

    Dan vul ik een kom met bloem, zout, roggemeel, meng het zuurdesem erdoor, het water, leg er een doek overheen. Met bloem bestoven handen stuit ik op een ‘Bewijs van bekwaamheid’ van Iduna Paalman. ‘Eerst schiet je een hert, een diashow vanuit de schuilkuil / je hoeft daar weinig voor te doen de kogel treft alleen / ter openbaring de organen: je bent geslaagd nog voordat / je bent opgestaan’. We werken toe naar het ultieme gedicht van de dag, dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Lees de regel, ‘door een tractor van de weg gereden’ van Herman Leenders (weet dat een regel soms genoeg is). Het brooddeeg in de kom op een keukenstoel bij de verwarming. Lees van Ruth Laster de regel, ‘Natuurlijk zijn er gevolgen aan aldoor / gesneden brood kopen.’ Terug naar voren, de gebeitelde beelden van Eelkje Christine Bosch, ‘pats daar gaat er weer een’, ‘mijn lichaam lacht mijn lichaam huilt / ik vraag wat hiervan de bedoeling is / mijn lichaam haalt haar schouders op / ze bloedt nog wat dat kan ze goed’. Ritmisch en verbluffend krachtig. Lees ook, ‘wij vrouwen / lichaam als gevonden voorwerp’. En, ‘op een ochtend groeide ik poten / en stapte het land op’.

    Ik vorm de broden tegen de avond, dek af, laat staan. Blader opnieuw door het boekwerk, vind het gedicht dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Om het beeld, een glimp van een ongekend leven, van roeien met de riemen die je hebt. Mustafa Stitou schreef:

    ‘Ze kneedt het deeg met haar vuisten.
     Op haar knieën kneedt ze het deeg
     voorovergebogen en met rechte armen
     die gelijkmatig op en neer bewegen
     kneedt ze het deeg in een grote
     teil op de vloer van de keuken. 

     Uitgejankt sla je haar gade, hoog
     vanaf een keukenstoel, de troon
     waarop ze je heeft vastgebonden
     met de ceintuur van haar badjas zodat je
     stil blijft zitten en zij voor acht monden
     het brood klaarmaken kan.’
     (…)

    Ik stook de oven op, schuif de broden erin, en bak er niets van. Zolang ik niet op mijn knieën voorovergebogen met gestrekte armen in een grote teil op de keukenvloer het deeg kneed, bak ik er niets van. Blader door het Het liegend konijn, lees het ongekende.

     

     

    Het Liegend Konijn 2021/2 / Redactie Jozef Deleu / 260 blz. / Pelckmans Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, schreef dit op ‘Blue Monday’ met het raam open.

  • Onherhaalbaar

    Troost van Michael Ignatieff zit in een te krap omslag. De rug staat strak en nog voor ik bij het tweede hoofdstuk ben, krult de voorkant in een droeve glimlach. Zo lastig is troost, glimlach ik mee. Ik ken het uit mijn werk. In de afgelopen dagen ook weer. Een echtgenoot overleden, de diagnose van een ongeneeslijke ziekte, eenzaamheid, een familieconflict.  Achter elke kamerdeur een nieuw verhaal. Troosten, hoe doe je dat? Op internet wemelt het van tekstjes bedoeld als hart onder de riem. We hakkelen bij uitvaarten de gekste zinnen. Een weduwnaar vertelde me eens: ‘En dan staat er zo’n gast bij haar kist en zegt dan: “Och, wat ligt ze er mooi bij.” Wat koop ik daarvoor? Ze komt er niet door terug.’ Verdriet is niet gemakkelijk weg te nemen met een woordje, een woordje kan wel gemakkelijk verdriet toevoegen.  

    Toch, literatuur, filosofie en muziek zijn troostvolle krachtbronnen. Op uitnodiging was Ignatieff te gast bij een koorfestival in Utrecht. De muziek en de woorden van de psalmen ‘raakten mij diep’ schrijft hij in het voorwoord, ‘en de ervaring had een louterend effect dat ik tot op de dag van vandaag probeer te verklaren’. Het zet Ignatieff aan tot het schrijven van deze kleine – Westerse – geschiedenis van troost. Startpunt is het bijbelboek Job. Paulus volgt, Cicero, Marcus Aurelius tot en met Mahler, Primo Levi, Havel tot aan de oprichtster van de hospice beweging Cecely Saunders. Een erudiete zoektocht. Voor ieder wel iets te vinden. Mij verraste het hoofdstuk over Boëthius (overleden 525 na Chr.). Hij viel in ongenade bij de keizer en schreef in afwachting van zijn executie zijn Consolatione. Wat helpt hem in het zicht van de dood? Hij maakt ruzie met God die toekijkt bij zoveel onrechtvaardigheid, belandt bij het Lot, de aanvaarding ‘dat de wereld geregeerd wordt door toeval’. Maar of dit inzicht hem werkelijk troostte? Juist die ervaring van gebrokenheid houdt hem actueel.

    Terug naar Ignatieff. Met het ‘louterend effect’ dat hij in Utrecht ervoer en dat onverklaarbaar bleef, raakt hij de kern van wat troost doet. Troost helpt, maar je hebt geen idee waarom juist dat ene helpt. Het komt niet op een presenteerblaadje, noch uit een koffertje met een vast instrumentarium. Troost komt bij toeval. Er bestaan geen teksten of muziekstukken die aan iedereen troost bieden. Het is maatwerk. Toen mijn moeder drie jaar geleden overleed werd ik omringd en ondersteund door veel lieve vrienden, tientallen luisterende oren. Hun aandacht en knuffels hielpen me door de eerste tijd heen. Maar het was één appje dat me werkelijk verlichtte. Een verre vriend, een Thaise ex-monnik die nu een kalm leven leidt op een zonnig eiland, antwoordde op mijn verdriet met de eenvoudige zin ‘She is now with the Gods.’ En eigenlijk weet ik nog steeds niet goed waarom juist deze woorden – waarvan de inhoud ogenschijnlijk zo ver afstaat van hoe ik in het leven sta – me hielpen. Zoals de ongelovige Ignatieff overmand werd door religieuze muziek en psalmen, gaf deze mij vreemde levensbeschouwing, me op dat moment de grootste steun. Eenmalig. Want zo werkt maatwerk, het is onherhaalbaar.

     

     

    Troost / Michael Ignatieff / vertaling Pon Ruiter en Nannie Plasman / 336 pag. / Uitgeverij Cossee (2022)


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Hij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Spoorzoeker

    De meeste sporen die we achterlaten vergeten we. De weg die je ging, wie je ontmoette, de liefde. Er geen actieve herinnering aan hebben (hier begrijp ik opeens Rutte beter), omdat je gaande was, anders was. Dat iemand niet actief in je geheugen zit, heet vergeten. Tot er iets gebeurt waardoor je toegang krijgt tot zo’n vergeten episode. Het overkomt Erik Lindner in 51 manieren om de liefde uit te stellen als hij op de aftiteling van een film een naam herkent.  ‘…en dan lees ik de naam Karmele Soler. Ze bestaat, hier is het bewijs dat ze werkelijk is, dat het geen verzinsel is.’
    Het is 1996 als hij dit na afloop van de film
    Tierra in een filmzaaltje in Amsterdam ziet. Het staat ergens midden in het boek, maar voelt als het beginpunt van de exercitie die Lindner aanging. Karmele is het beginpunt van dit verhaal. Daarna kijkt hij alle films waaraan zij meewerkte, leiden alle wegen naar Karmele. 

    Zo’n tien jaar daarvoor, jaren tachtig, was hij in San Sebastián om een stuk te schrijven voor een tijdschrift. Toen ontmoette hij de Baskische jonge vrouw Karmele Soler, een make-up specialist voor films, voor het eerst. Ze werden elkaars minnaars voor een week, toen moest hij terug naar Nederland. In de jaren daarna gaat hij nog eens terug met een boek, in de hoop haar te zien. Hij geeft het af bij het huis van haar vader, geen spoor van Karmele. 

    In de films waaraan zij meewerkte, speurt hij naar een teken van haar werk, het schminken. Het heeft iets romantisch (niet te verwarren met geluk). Als Lindner de film Palmeras en la nieve ziet waarvoor zij ook de schmink deed, schrijft hij. ‘Ze heeft haar sporen, haar handtekening achtergelaten op lichamen die op het scherm voor me op het veldbed liggen.’ Met deze beelden krast hij groeven in zijn ziel. Het verhaal intrigeert, de vrouw die hem bezighoudt, die hij zoekt en weer kwijtraakt, benadert en weer afstoot. Wat voor vrouw is dit? En wat voor man? 

    Ik moet dringend op zoek naar de dvd Hable con ella, gekocht in 2003 in Lissabon. Dit was wat we in die jaren met onze vrije dagen deden, met de Citroën Dyane vanuit Seia naar het driehonderd kilometer verderop gelegen Lissabon rijden. Een pension namen, boekwinkels bezochten, naar de FNAC om muziek, films te halen. In Hable con ella, (Pedro Almodóvar) heeft Geraldine Chaplin, de enige naam die ik kende, een bijrol, en van zanger Caetano Veloso, die er zichzelf in speelt. Ik vind hem in een doos op zolder, en zie, helemaal links onderaan in zeer kleine letters staat, ‘Maquillaje: Karmele Soler’. Daar is ze, vanuit het boek op de dvd in mijn hand, Hable con ella.

    Dit verhaal, de verhalen in de zijwegen die Lindner inslaat, ik ben er niet zomaar klaar mee. Het is een ontwikkelingsverhaal, een liefdesverhaal, een mentale ‘tour de force’, voor alles een rijk boek waarin alles de moeite waard lijkt. Er komen stukken in voor van de schrijver als jongen in Scheveningen waar hij opgroeide, over zijn werk als redacteur van een tijdschrift (denk Terras). En dan die films! Door alles heen ontstaan de lijnen van een plattegrond, wordt een mensenleven zichtbaar.

    ‘Maar zie haar wegen krullen op de kaart.
     Mijn leven dwaalt zo sierlijk: elke omweg
     lijkt de moeite waard.’ 

     

    Citaat uit het gedicht ‘Reisdoel’ van Marjoleine de Vos, uit: Hoe verschillig.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns met het raam open.

  • Volle planken

    Toen de Grote Schoonmaak voorbij was en alle dozen met boeken van de garage weer het huis in werden gesjouwd, wezen mijn huisgenoten mij er voorzichtig op dat dit een uitgelezen gelegenheid was om te bepalen welke boeken terug mochten op de planken en welke ik kon missen. Na mijn aanvankelijke verontwaardiging ben ik uiteindelijk bezweken, niet voor hun argumenten, maar voor de wanhoop die me beving bij de aanblik van alwéér een doos. Het kwam bijna zo ver met me dat ik geen boek meer kon zien, zoals in het gedicht van Jana Beranová: 

    ‘Boekenschat’

    Als ik wakker word, wrijf
    ik eerst een paar boeken
    uit mijn ogen, slalom dan
    tussen wankele leestorens
    de trap af naar de kamer
    waar de boeken samen-
    troepen. Onderweg naar
    mijn bureaustoel, pak ik
    een stapel van de vloer en
    leg die op tafel, wat op de
    stoel ligt verplaats ik naar
    de vloer, maar zodra ik
    van de stoel opsta en naar
    de tafel wil lopen, leg ik
    die stapel weer terug op
    de stoel en de stapel van
    de tafel op de al op de
    vloer opgestapelde stapel.

    Boeken tot in de verste
    hoeken – ik haat ze maar
    o Heer, alstublieft bewaar
    ze voor ik mijn slaap als
    een vliegtuig kaap en
    vanuit de lucht de hele
    zooi voor de ratten gooi.

    Ik verdeelde mijn boeken in stapels en het was verontrustend te zien hoe snel de stapel met afgedankte boeken groeide. Want een vreemde, wilde razernij beving me toen ik eenmaal een begin had gemaakt, een bevrijdende waanzin als die waardoor de studenten uit De verborgen geschiedenis van Donna Tartt waren bezeten toen ze als uitzinnige Maenaden, een onschuldige boer aan stukken reten. Weg, alles moest weg, Anna Blaman, wie las haar nog? Hup, aan de kant met haar. Arthur van Schendel, wat moest ik er nog mee? Weg! Naar de plaatselijke boekenmarkt voor het goede doel. 

    Later, toen ik weer bij zinnen was, had ik spijt als haren op mijn hoofd. Onvermijdelijk waren een aantal boeken op de verkeerde stapel beland waardoor ik nu een stel geliefde titels ben kwijtgeraakt, titels die ik nooit had willen missen. Het voelt alsof ik een stuk van mezelf kwijt ben. De overgebleven boeken werden lukraak door haastige handen op de planken gezet, ‘bien étonné de se trouver ensemble’, zoals dat heet, Eline Vere naast The Exorcist, Isaak Babel naast J.K. Huysmans. Ik wist altijd waar elk boek stond, de kamer, de kast en de plank kon ik noemen, nu lijken ze me vreemd te zijn. Wat wel weer een voordeel heeft, vergeten schatten komen weer onder de aandacht en lijken ongelezen. Maar de lege plekken in de kasten hinderden me en gaven me een schuldgevoel. Horror vacui maande me om ze zo snel mogelijk op te vullen. Gelukkig gaf de man van de boekenmarkt mij toestemming om een dag in mijn eentje in de opslag door te brengen. Ik ben weer gelukkig met mijn volle planken, ik wel. 

     

    Uit: Tussentonen (2004)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Bij de dood van Joan Didion

    Op de vierde ochtend van dit nieuwe jaar luister ik naar PJ Harvey, ‘My head on your pillow’. Een nummer van de Joan Didion afspeellijst op Spotify (zoek dat op!). Nummers van onder meer Joni Mitchell, Janis Joplin, en Nico (van de The Velvet Underground), met haar ‘groundgy’ manier van zingen. De Duitse zangeres leefde even met Jim Morrison, was muze van Andy Warhol, verongelukte op negenenveertig jarige leeftijd met een fiets (een fiets!) op Ibiza. Er is een film uit 2017 over haar laatste levensjaar, Nico, 1988, van Susanna Nicchiarelli (die wil ik zien). Wat ik zag was The Center will not Hold, een documentaire over Joan Didion. Joan Didion, tien letters, vijf lettergrepen, schreef essays die lezen als een roman. Het zingt in mij ‘Joan Didion, Doan Jidion, Joan Di-di-dion’, als betrof het een liefde. December 2003 overleed haar man, John Dunne, ze schreef erover in Het jaar van magisch denken.

    Na het overlijden van haar levenspartner ontstaat er een focus naar het punt van ontbreken. Joan Didion noemt dat in haar boek ‘de draaikolk’, waarin ze steeds verdwijnt, naar het moment getrokken toen hij nog leefde. John weer terug in zijn stoel bij de open haard op een decemberavond in 2003 terwijl zij in de keuken iets klaarmaakt. Ze waren net terug uit het Beth Israel Hospital waar hun dochter Quintana in coma lag. Zij stak de haard aan, hij ging in zijn stoel erbij zitten. Ze zette het eten op tafel, onderwijl praatten ze met elkaar. Ze stak kaarsen aan, mengde sla, en dan, ‘John was aan het praten en toen niet meer.’ Hij valt voorover op tafel, zij denkt dat hij een grapje maakt, zegt ‘Niet doen’, sjort aan hem, belt een ambulance. 

    In de documentaire is Didion een broze vrouw die aan Parkinson lijdt. Een zachtmoedig mens, romanticus. In de documentaire vertelt ze hoe John Wayne in de film A love Song tegen zijn tegenspeelster zegt: ‘Ik bouw je een huis in de bocht bij de rivier waar de populieren (Were the Cotton grows) groeien.’ Als jonge vrouw hoopte ze dat iemand zoiets tegen haar zou zeggen. Het werd John Dunne. Na zijn dood vindt ze een notitie van hem over hun trouwdag. ‘Terwijl we naar het altaar liepen, hielden we elkaar voor dat we er de volgende week weer mee konden ophouden en niet hoefden te wachten tot de dood ons scheidde.’ Zoals gezegd, ze waren onafscheidelijk tot aan de dood.

    De haar toegewezen sociaal werker zegt waar ze bijstaat tegen de arts die het doodsbericht van haar man komt brengen, ‘Ze is nogal een koelbloedig type.’ Ook daar lijkt ze niet mee te zitten. In de documentaire zegt ze, ‘Ik weet niet wat verliefd worden is, dat maakt geen deel uit van mijn leven. Ik weet nog wel, toen ik John ontmoette, dat ik wilde dat dit nooit ophield.’ Ze zegt ook dat ze niet gelukkig waren. ‘Hij had een driftig humeur, werd driftig om alles.’ Daarbij wapperde ze met haar door Parkinson onwillige hand. Dat je kunt leven met iemand die zo is als John was, dat is meer dan een koelbloedige liefdesverklaring.
    Joan Didion overleed twee dagen voor kerst op zevenentachtig jarige leeftijd aan de gevolgen van Parkinson in Manhatten. Lees haar boeken.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns met gesloten gordijnen.

  • Ontfutselen

    Toen de kinderen klein waren beleefde ik eens een volkomen harmonisch moment met hen dat me bijbleef. We zaten op een kleed in de voorkamer, maakten lappenpoppen. In het bewegen van onze handen, de lapjes stof op het kleed, schaar, draad, de aandachtige gezichtjes, ontstond een verstild moment, als de still van een film. Ik was ervan overtuigd dat zij zich later dit moment als zodanig zouden herinneringen. Toen het ‘later’ was en ik ze erover vertelde, wisten ze van niets. Herinneren is een particuliere aangelegenheid. Een herinnering is ook een uitgangspunt om aan het verhaal van je leven te weven. Ik lees een kleine roman in zachtmoedig proza geschreven. Een man onderzoekt zijn herinneringen aan zijn grootvader. Wekelijks bezoekt hij een lunchroom, bestelt een espresso en schrijft in een notitieboekje (ik denk dat het een notitieboekje is).

    Zo’n boek is het, dat je dat wat onbeschreven bleef, toch ziet. De man denkt aan het huis waar hij met zijn grootvader en moeder woonde. Als er bezoek was, sliep hij op de gang voor de kamer van zijn grootvader. ‘Mijn ouders gaven vaak feesten, er werd gedanst.’ Als hij vijftien is, zijn vader allang verdwenen, overlijdt zijn grootvader. Op dat moment ligt hij met zijn dekbed in de gang, hij ziet dat ze grootvader ‘wegdragen’. In zijn liggende positie ziet hij de schoenzolen van zijn grootvader. Deze herinnering is een uitgangspunt.

    Herinneren is ook vergeten wat er was, de ladder aan de muur in zijn grootvaders kamer, ‘Natuurlijk, de houten ladder aan de muur, hoe kan ik die vergeten.’ Als kind vroeg hij waarvoor die was. Voor de dakdekkers, zei zijn grootvader. Daar moest hij het mee doen. Als zijn moeder overlijdt, moet het huis leeg. Hij ontdekt boven in het huis een andere wereld door zijn grootvader gemaakt. Daar diende de ladder voor. Wat de man op zolder vindt doet alles wat hij zich gedacht had over zijn grootvader kantelen. De grootvader wordt betekenisvoller, zijn leven achteraf geheimzinniger. Uit herinneringen wordt een verhaal in momenten verteld, een sfeer van een leven geschetst. De schrijver probeert iets aan het licht te brengen, maar dit boek is geen probeersel. Sommige dingen keren als een refrein terug, ‘mijn bed bezet door onbekende mensen. Dan sliep ik op de gang, zo dicht mogelijk bij de kamer van mijn grootvader.’ Gevolgd door, ‘Steeds moet ik dat opschrijven.’ En dat zegt iets.

    Zijn grootvader vertelde hem, ‘zacht, bijna onverstaanbaar, over zijn vader die een moestuin had.’ Toen deze soldaat werd, verwaarloosde de moestuin. Vijftig pagina’s verder vindt de man die wekelijks in de lunchroom schrijft een briefje waarop zijn moeder schreef, ‘De grootvader van Johan, de vader van opa. Gesneuveld in 1915 bij Zalklikow’. Dan lees ik, ‘Vertelde mijn grootvader eens over hem, had hij een boomgaard?’ en denk, ja, inderdaad, daar heeft hij het eerder in dit boek over gehad! Dat maakt van dit boek een roesachtig verhaal. Er wordt geschreven over herinneringen alsof je ze kunt benaderen, er zo naar toe kunt lopen om ze te inspecteren. Zoals die schoenzolen van zijn grootvader. ‘Nieuw schoenen. Of nieuwe zolen, dat kan ook. Geen restje straatvuil’. Een zeer tedere roman die je opnieuw wilt lezen, om er het ongeschrevene aan te ontfutselen. 

     

     

    De lunchroom / Hans Muiderman / 120 blz. / In de Knipscheer


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns.

  • Op zoek naar een boek

    De afgelopen paar weken zat ik op Curaçao. Weg van het thuiskantoor en de antiquarische boekwinkel Colette. Na bijna twee jaar vanwege de pandemie niet gereisd te hebben was ik toe aan verandering van omgeving. Elke keer als ik op vakantie ga, loop ik bij het inpakken talloze keren om mijn koffer heen. Welke boeken gaan mee en welke niet? Meestal probeer ik de titels op de plek van bestemming af te stemmen. Als ik naar een zwaar bewolkt Schotland ga dan kies ik boeken met een wat sombere atmosfeer en een filosofische inslag. Ga ik naar een zonnig oord als Curaçao, dan ga ik voor het lichtere werk. Thrillers en andere boeken die lekker weglezen. Maar zelfs met die criteria blijft het lastig. Voordat de koffer dicht gaat, zijn er heel wat boeken ingegaan en er ook weer uitgehaald. Het komt er steeds op neer dat ik teveel boeken meeneem. De helft van de boeken gaat ongelezen mee terug. Er is me weleens  gevraagd waarom ik geen e-reader neem. Dan kun je honderden boeken meenemen zonder dat je bang hoeft te zijn dat het maximaal toegestane gewicht van de bagage wordt overschreden. Toch doe ik het niet. Het voelt een beetje als vals spelen. Als ik op vakantie ben wil ik niet op een schermpje turen. 

    Wat ik op Curaçao mis zijn goede boekhandels. Dat heeft me altijd een beetje verbaasd. Curaçao heeft ongeveer honderdvijftigduizend inwoners en is daarmee qua inwonertal te vergelijken met een stad als Zwolle. Zwolle heeft meerdere boekhandels, waaronder het prachtige Waanders in de Broeren. Curaçao telt slechts één kantoorboekhandel en één Bruna. In de schappen ligt vaak een allegaartje aan populaire thrillers en literatuur. Bovendien zijn de meeste boeken niet heel recent uitgebracht. Als je op zoek bent naar een specifieke titel, dan wordt deze besteld in Nederland. Aan een antiquarische boekhandel hoef je hier al helemaal niet te denken. 

    Tijdens mijn verblijf op het eiland sprak ik af met Norman Jansen, werkzaam voor de Koninklijke Marechaussee. Hij is een expert op het gebied van mensenhandel en mensensmokkel en schreef daarover meerdere boeken. Tijdens mijn gesprek met Norman realiseer ik me dat het eiland twee verschillende gezichten heeft. Het eiland adverteert graag met luxe resorts en prachtige stranden, maar er is ook een schaduwzijde. Criminele organisaties dwingen Venezolaanse vluchtelingen tot zwaar en gevaarlijk werk. In zijn roman Gevangen in dilemma’s illustreert Norman deze twee gezichten door het lot te beschrijven van twee Venezolanen die zich aan een illegale overtocht naar Curaçao wagen, terwijl de toeristen onbezorgd genieten van hun vakantie. Intussen ben ik terug in het koude en natte Nederland dat ik geen moment heb gemist. Op mijn eerste rondje door Colette ga ik op zoek naar een boek van Norman Jansen. Die hebben we niet in huis. Daar moet ik maar eens verandering in brengen. Zo hou ik Curaçao toch een beetje bij me.  

     

     


    Istvan Kops is mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette in Den Haag. Eens in de maand schrijft hij daarover een column voor Literair Nederland.