• Gesproken woorden en orale verhalen

    Het woord dat er in den beginne was, was een gesproken woord. Geen wonder dus dat de literatuur van het eerste uur orale literatuur was. Verhalen die van mond tot mond gingen, in de vergetelheid raakten en plaatsmaakten voor nieuwe die op den duur ook weer verdwenen.
    Naar die literaire oervorm wordt vaak verwezen als het in het kader van spoken word gaat over de wortels van het genre. Ik geloof niet dat dat helemaal terecht is – spoken word is een manier van vertellen die veel jonger is en meer met de vorm en het ritme van rap en poëzie te maken heeft dan met de inhoud van orale verhalen – maar ik begrijp het verband wel. Bij spoken word staat niets en niemand de interactie tussen spreker en toehoorder in de weg en dat was bij het oorspronkelijke gesproken woord ook zo.

    In een week die een beetje in het teken stond van spoken word (met het oog op een interview schuimde ik het internet af op zoek naar relevante voorbeelden) lees ik toevallig ook The Big Mirror van Mohammed Mrabet, ‘taped and translated by Paul Bowles’.
    Het is niet voor het eerst dat ik een door de analfabete Mrabet aan Paul Bowles verteld verhaal lees. Ik kende Het strandcafé en De stem al, en de roman Liefde met een lok haar. Het is wel de eerste keer dat ik denk de stem van Mrabet daadwerkelijk te horen. Voorgaande keren wist ik niet precies waar Mohammed Mrabet ophield en Paul Bowles begon, maar The big mirror klinkt authentiek. Het ziet er ook uit als een tot de magisch-realistische essentie beperkt verhaal, dat niet aangepast is aan de literaire smaak van de westerse lezer.

    Paul Bowles heeft heel wat verhalen van Mohammed Mrabet opgenomen en (maar misschien niet rechtstreeks uit het Maghrebi) in het Engels vertaald:

    ‘Ik heb meer dan honderd verhalen aan Paul Bowles verteld. Dat komt door Jane [Jane Bowles, de vrouw van Paul, lw]. Ik wilde helemaal niet met iemand samenwerken. Ik ben visser, ik vis, koop vis, ik verkoop vis, ik koop dit en dat. Kopen, verkopen, dat is mijn werk. Maar Jane zei tegen Bowles: Mrabet is the big storyman. Paul luisterde met open mond naar mijn eerste verhaal. Nachtenlang heb ik hem verhalen verteld. Verzonnen verhalen. Ik kan niet lezen en niet schrijven. Ik ben geen schrijver, ik ben geen dichter. Voor mij is vissen hetzelfde als verhalen vertellen. Op het strand is niemand, alleen Mrabet en de grote stenen. Ik vis en ik krijg honderd verhalen’,

    (in: Paul Bowles en zijn vertellers, artikel van Anneriek Goudappel in Vrij Nederland, 22 juni 1996)

    Mohammed Mrabet was niet de enige (analfabete) verteller die met zijn verhalen bij Paul Bowles terechtkon. Ook Abdeslam Boulaich, Ahmed Yaboubi en Driss ben Hamed Charhadi vertrouwden hem hun orale verhalen toe. Vanaf dat moment waren zij geen verhalenverteller pur sang meer, maar stonden ze ook te boek als schrijvers van op papier gestolde woorden. Van verhalen die voorgedragen kunnen worden, en daarmee weer in het domein van het spoken word terechtkomen.

     

    Foto: Paul Bowles (l) en Mohammed Mrabet (r), still uit de documentaire Un Américain à Tanger (1993) van Mohammed Ulad-Mohand.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Bewaarde klanken

    Om het inoperabel tekort
    van gebaren die onvoltooid
    en gedachten die verzwegen
    blijven om alles wat nooit
    kan worden prijsgegeven
    beroep ik me op het gedicht
    als machteloos tegengewicht.

    Dit zijn regels van Ellen Warmond (uit: ‘Excuus’, Proeftuin, 1953) die soms worden gestuurd als troost na het overlijden van een naaste. Ze werden ook getwitterd in dezelfde week dat ik in het Amsterdamse Concertgebouw dirigent Michael Tilson Thomas van het London Symphony Orchestra enkele, soms terugkerende en veelzeggende gebaren zag maken tijdens de uitvoering van de zesde en zevende symfonie van Jean Sibelius. Hij hief zijn linkerhand in de lucht, als pakte hij de klank van het orkest af, en bracht zijn gebalde vuist tot achter zijn rug. Hiermee leek hij te willen zeggen, en nu op naar een volgend, mooi klankmoment, dat ik weer in mijn vuist zal vangen en zo, als in een doosje, bewaren zal.
    Raadselachtiger, haast ritueel was het wat er tussen de twee symfonieën in gebeurde. Hij legde het dirigeerstokje waarmee hij de zesde symfonie had gedirigeerd neer en pakte, voor hij de eerste inzet van de zevende aangaf, een ander stokje. Met één vinger leek hij de weerstand van het stokje aan de bovenkant te testen. Waarop leden uit het orkest hard begonnen te lachen. Tilson Thomas haalde zijn schouders op als wilde hij zeggen: ‘Laat me nu maar. Het hoort erbij’.

    Gebaren – ze kunnen soms juist zovéél zeggen. Bij het lezen van Warmond moest ik ook denken aan dat herhaalde gebaar van Dame Judy Dench tijdens de monoloog van Lady Macbeth van Shakespeares (op dvd van de Royal Shakespeare Company, 2004). Een vriend had me erop gewezen. En, ja – daar was het moment: met één hand veegde ze meerdere keren laag, als het ware over de grond – gelijk een van de heksen aan het begin van het stuk – op de volgende woorden, kort na de briefscène:

    …. Kom, gij geestenschaar
    Die moordgedachten zaait, ontvouw mij thans,
    En giet mij boordevol, van kruin tot tenen,
    Met ijselijke wreedheid. [Ze heft haar handen ten hemel en gaat daarna weer vegend verder]
    Stol mijn bloed,
    Sper elke weg en toegang voor erbarmen.

    (vertaling Willy Courteaux):

    Twee dichterlijke frases, van Warmond en Shakespeare en gebaren van Tilson Thomas en Dench. Gedicht als these – toneel als antithese. De synthese vind ik in mijn hart, waar ik het bewaar.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Achter glas

    In het Franse vakantiehuis waar een deel van mijn volgende roman zich moet gaan afspelen, lees ik de helft van de correspondentie tussen Rudy Kousbroek en Gerard Reve. Van laatstgenoemde zijn de brieven niet in het boek opgenomen, iets met de rechten, onhandig maar helaas. Wat overblijft leest haast als een literaire ingreep: juist omdat Reves vragen en antwoorden ontbreken, is de lezer gedwongen om een en ander zelf in te vullen.
    Steeds is duidelijk, hoe intiem en openhartig Kousbroek ook lijkt, dat publicatie van deze brieven altijd al een doel op zich was. Daarom maakten beide schrijvers, we hebben het nu over de periode 1979-1989, steeds een doordruk van elkaars brieven. Alles voor het nalatenschap.
    En zodra je schrijft om gelezen te worden, om nog meer gelezen te worden dan alleen door diegene tot wie je je richt, schrijf je anders. Dan speel je een spel. Ook dat is een ingreep. Afstand wordt bewaard. Maar is dichterbij komen niet juist wat we willen, zodra we overgaan tot het lezen van brieven en dagboeken? 

    ‘Het lukt niet meer, ik zit vast als een muur (of, zoals me nu invalt: dat iemand met zijn hoofd naar beneden tussen twee Amsterdamse huizen in is gevallen – je weet wel, van die huizen in de binnenstad met 20 cm ruimte ertussen – en dan op de hoogte van de eerste etage klem is komen te zitten. ’t Is soms net of ik wat hoor, zegt de bewoonster ’s avonds tegen haar man) en het uiteindelijke resultaat is dat ik helemaal niets meer doe.’ Dit stukje, waarin Kousbroek aan Reve uitlegt waarom hij niet schrijft, laat het dubbele zien: het is blootgeven en bedekt houden tegelijk, je mag dichterbij komen, toe maar, maar je blijft wel achter het glas. Kousbroeks taal, zijn weloverwogen woordkeuze en de zorgvuldige uitwerking van zijn metafoor, is dat glas. 

    Tegelijkertijd lees ik in Ik bestaat uit twee letters, het ‘Privédomein’ van A.H.J. Dautzenberg. Nergens in het boek, al ben ik nog niet op de helft van de meer dan zeven honderd pagina’s, heb ik het idee dat het te intiem is wat ik lees, dat ik getuige wil zijn van iets waarin ik geen plaats heb. Met het bedoelde hertekenen van een jeugd en van een broer lijkt de materie behoorlijk persoonlijk en precair, maar ik word er niet door belemmerd – tot ik bij de brieven aan Gerbrand Bakker aankom. Pas hier, in de steekjes en de grapjes in de brieven die Dautzenberg stuurt, komt ongemak aangewaaid. Natuurlijk, ook hier is sprake van ingreep, van spel. Bakkers brieven zijn niet in het Privédomein opgenomen. En toch.
    Ben ik te dichtbij gekomen – is het glas door de een weggetrokken zonder dat de ander daar iets over te zeggen had? Waar is de wand die alle partijen beschermt? Dichterbij wil ik, in het lezen, altijd dichterbij – maar het hoeft nooit zo heet te worden dat ik me kan branden. Achter glas zie ik goed genoeg. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Pseudoniem

    Ik herinner mij Aarts’ letterkundige almanak. Ik herinner me dat ik me daar vanwege de lessen ‘Handboeken & Naslagwerken’ in diende te verdiepen. Ik herinner mij dat ik toen ik eenmaal afgestudeerd was en een baan had als bibliothecaris elk jaar de nieuwe editie bestelde voor de collectie ‘Handboeken & Naslagwerken’.
    Ik kan me niet herinneren dat ik in al die jaren dat ik in een bibliotheek werkte ooit iemand iets heb zien opzoeken in Aarts’ letterkundige almanak. Ik kan me de inhoud van geen enkele almanak herinneren.
    Dat laatste is niet helemaal waar. Eén ding herinner ik me namelijk nog wel: dat Aarts’ letterkundige almanak een weliswaar niet uitputtende, maar wel uitgebreide pseudoniemenlijst bevatte en een evenmin volledige, maar ondanks dat lange lijst huisadressen van schrijvers. Ik herinner me dat ik me elk jaar opnieuw verbaasde over het schenden van zo veel privacy.

    Een schrijver heeft recht op een teruggetrokken leven in de anonimiteit. De wereld moet het met zijn boeken doen. Wie onder de indruk raakt en bewondering wil uiten, doet dat via de uitgever. Als een  schrijver reageert en daarbij zijn adres prijsgeeft, is dat doorgaans een kwestie van fatsoen en geen uitnodiging tot intensief persoonlijk contact. En zeker geen vrijbrief om onaangekondigd op bezoek te gaan. Ik weet – niet uit eigen ervaring, maar wel van dichtbij – hoe ontregelend het kan zijn als een lezer letterlijk op de koffie komt en verwacht door een schrijver met open armen te worden ontvangen.

    Het kraken van een pseudoniem is eveneens een ernstige inbreuk op de privacy van een schrijver. Zij die onder een schuilnaam schrijven, hebben daar hun persoonlijke en/of artistieke redenen voor. Met de keuze voor een nieuwe naam nemen zij een extra identiteit aan en geven zij te kennen dat de schrijver en degene die ze ook nog zijn niet samenvallen.
    Een pseudoniem maakt een schrijver niet anoniem. Hij is dat pseudoniem. Er is dus geen enkele reden zijn ‘ware’ identiteit te achterhalen. Ik heb tijdens mijn leven als bibliothecaris dan ook nooit begrepen waarom op cataloguskaartjes bij de naam van een schrijver, indien van toepassing, nadrukkelijk vermeld werd dat het om een pseudoniem ging dan wel om ‘het pseudoniem van’. Ik vond dat overigens niet alleen vervelend voor een schrijver. Als lezer hoef ik helemaal niet te weten dat het om een pseudoniem gaat.

    Dat schrijvers via hun sociale media vindbaarder zijn dan ooit verandert niets aan hun recht om als privépersoon buiten het bereik van lezers te blijven. Dat werk de indruk wekt autobiografisch te zijn evenmin.

    Dit kwam allemaal in mij op nadat ik gehoor gaf aan het verzoek van een schrijver om bij een stuk over zijn werk het trefwoord te verwijderen dat verwees naar zijn privé-identiteit. Hoewel de schrijver onder eigen naam debuteerde, wil hij vanaf nu in het publieke domein alleen nog maar door het leven gaan als …*, een zorgvuldig gekozen pseudoniem waarin een complete identiteit besloten ligt.

     

    * naam bij mij bekend.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Oprecht toneel

    Omdat ik genomineerd was voor een prijs zou er een jongen bij me langskomen om een videoportret van me te maken. Na afloop van de bekendmaking van de nominaties kwam hij naar me toe om een datum af te spreken. Hij zei: ‘Ik wil ook graag een paar shots van je werkplek maken, kan dat?’
    ‘Mijn werkplek,’ zei ik, denkend aan de kamer waar ik schreef, en las, en sliep, en filmpjes maakte, en sinaasappels at, en mijn plantjes water gaf. ‘Ja, natuurlijk kan dat.’
    ‘En misschien heb je wel een mooie grote boekenkast?’
    ‘Nou,’ zei ik, ‘het is meer een boekenplank. Maar wel best een lange.’
    ‘Mooi,’ zei hij. ‘En… hoop je dat je gaat winnen?’

    Ik had een oom – mijn tante is inmiddels van hem gescheiden en noemt hem consequent ‘die gek’ – die altijd weigerde om ‘goed’ te zeggen als de mensen hem vroegen hoe het ging. Hij geloofde namelijk niet dat de vraag oprecht was. Ze vroegen het omdat het hoorde, dus hun interesse was niet echt. Mijn ouders kunnen nog altijd verontwaardigd raken over zijn naïeve cynisme. Dat het sociale verkeer een spel is waarin veel uitspraken vastliggen, betekent niet dat we niet oprecht kunnen zijn als we het spelen. Als er vroeger bij mijn vader thuis onverwacht bezoek de voordeur naderde, kon mijn oma uit de grond van haar hart verzuchten: ‘Gadverdamme, daar heb je die lui weer.’ Om die lui vervolgens binnen te laten met een welgemeend ‘Hé lui, wat gezellig!’ Wij zijn een familie van bevlogen oprechte toneelspelers.

    Maar bij deze vraag twijfelde ik. Wat was het vastliggende antwoord op de vraag of ik wilde winnen, gegeven dat behalve de maker van mijn videoportret ook een jurylid, een mevrouw van de organisatie en de twee andere genomineerden meeluisterden? Als beschaafd persoon kon ik dan ook niet zeggen dat ik die paar duizend euro best kon gebruiken. Voor de mevrouw van de organisatie en het jurylid was het misschien wel prettig als ik zei dat ik hoopte dat ik won, om zo het gewicht te erkennen van de prijs waarvoor zij zich zo hadden ingezet. Aan de andere kant had het jurylid net tegen me gezegd dat het eigenlijk een onmogelijke opgave geweest was, een gevalletje appels en peren; zij had ons liever genomineerd zonder een winnaar aan te wijzen. En de voorzitter van de organisatie had in zijn toespraak genoemd dat men het wedstrijdelement niet te belangrijk wilde maken, omdat het er vooral om ging het werk van alle genomineerden onder de aandacht te brengen bij een groot publiek. Als ik uitsprak dat ik op winst hoopte, zou ik kunnen overkomen als iemand die niet dankbaar was voor deze aandacht. Daarbij wilde ik liever niet tegen de andere genomineerden zeggen dat ik wilde dat zij zouden verliezen. Dus ja.

    ‘Het zou natuurlijk een enorme eer zijn om te winnen,’ zei ik bevlogen en oprecht. ‘Maar ik ben al heel erg blij dat ik ben genomineerd. Dat is eigenlijk al een prijs op zich.’

     


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • De vrouw de man

    Zullen ze het zo bedacht hebben bij het CPNB: ‘Laten we dit jaar maar weer twee mannen doen. Scheelt een hoop gezeur, (denkend aan vorig jaar toen de gekozen schrijfster gewogen en te licht bevonden werd). Doen we volgend jaar weer een vrouw, misschien wel twee, voor het essay en de novelle. Doen? Dan lopen we gelijk een beetje in op dat handjevol vrouwen die een boekenweekgeschenk hebben geschreven.’
    Ze weten dat er geturfd wordt op het aantal vrouwen, dat ze op hun tellen moeten passen. Niet dat je overal rekening mee kunt houden; het gaat per slot om de literaire kwaliteiten van een schrijver en een verheffend thema. Dat moet niet uit het oog verloren worden.

    Ik denk dat er sprake was van miscommunicatie, een geval van niet op dezelfde golflengte zitten. Komt in de beste organisaties voor. De keuze van welke schrijvers, liep, denk ik, niet synchroon met degenen die met het thema aan het stoeien waren. Er was geen onderling overleg, er werd niet breed gekeken en toen was daar opeens een thema van jewelste: ‘De moeder de vrouw’. Klinkt wel goed zeiden ze tegen elkaar. ‘Linken we het aan het gedicht van Nijhoff, dan hebben we een belangwekkend en ook  literair thema bij de hand. Prachtig toch?’ Daar stonden dan aan de ene kant die twee mannen en aan de andere kant die twee vrouwen, ‘De moeder’ en ‘ de vrouw’. Toen begon ik me opeens dingen af te vragen. Was ik niet teveel van de Amerikaanse mannenliteratuur. Met ‘mijn’ Philip Roth tot aan de Henry Miller van Anaïs Nin. Schuldbewust vroeg ik mij af of dit thema mij ergens heen wilde leiden waar ik geen idee van had. Had ik wel genoeg vrouwelijke auteurs gelezen om er een mening op na te mogen houden? Ik was me er heus van bewust dat er mannelijke en vrouwelijke schrijvers zijn, maar het verschil was me nog nooit zo opgedrongen als nu. Door het ‘moeder de vrouw’ thema.

    Van de weeromstuit begon ik alle vrouwelijke auteursnamen in mijn boekenkasten in een boekje te noteren. Beginnend bij Pearl Abraham, Maria Barnas, De Beauvoir, Blaman, Edna O’Brian langs Dulce Maria Cardoso, Colette, Rachel Cusk, Minke Douwesz, Anna Enquist, Keri Hulme langs Mensje van Keulen, Connie Palmen, Sylvia Plath, naar George Sand, Marijke Schermer, Rachel Seiffert, Marijn Sikken, Susan Sontag, Anne Tyler, Manon Uphoff, Frida Vogels, Christa Wolf, Virginia Woolf, Maartje Wortel, eindigend bij Miek Zwamborn. Teveel om hier allemaal te noemen. Meer dan honderd. Ik wist niet dat ik zoveel vrouwelijke schrijvers in huis had. Ik denk er eigenlijk nooit bij na als ik een boek koop. Ook als ik lees ben ik me vaak niet bewust of ik een vrouw of man lees. Als een auteur sterk in zijn taal is waarmee de dingen goed aaneen getrokken kunnen worden. Als ze meanderend en schuivend met woorden tot stellingen komen, ideeën ontvouwen, ruimte creëren; dan ontstaat er bewondering. Als het een vrouwelijke auteur betreft, dan denk ik, zie eens, hoe goed ze het kunnen. Dat toch wel.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Verstaat u vertaals?

    Stel dat een vertaler zou doen wat de meeste mensen denken dat een vertaler doet… Stel dat een vertaler altijd letterlijk zou vertalen wat er staat… De literatuur zou er een stuk minder leesbaar door worden. Wie te dicht bij de bron blijft, loopt het risico een vertaling vol kreupele zinnen af te leveren die waarschijnlijk ook nog eens wemelt van de woorden die hun herkomst verraden en niet naadloos passen in de taal waarin ze beland zijn.
    Volgens Paul Claes zijn het vooral beginnelingen die (te) krampachtig vasthouden aan het origineel, maar hij geeft in Gouden vertaalregels: tips voor beginnende [en andere] vertalers grif toe dat het onbewust ook de beste vertalers overkomt: het nauwgezet kopiëren van woordenschat, woordvolgorde en zinsbouw uit de brontaal. ‘Vertaals’, zo noemt Claes de taal tussen bron en doel.

    Hoewel het de lezer misschien vreemd in de oren klinkt: vertalen wat er staat is zelden de bedoeling. Echte vertalers weten dat. Die weten dat ze soms alles op alles moeten zetten om een Nederlandse tekst af te leveren die net zo klinkt als het Braziliaans-Portugees van Raduan Nassar of Clarice Lispector of het Russisch van Aleksandr Poesjkin. Die durven die eerbiedwaardige teksten los te laten, maken er iets anders van en doen een schrijver met hun vertaling toch recht. Als het goed is, weten zij precies wat een schrijver te vertellen heeft en hoe ze dat in het Nederlands moeten zeggen.

    Verzinnen wat er staat, dat is volgens Harrie Lemmens de kern van het werk dat hij inmiddels al een jaar of dertig doet. Sommige schrijvers kent hij inmiddels zo goed dat hij tijdens het lezen al precies hoe de zin die komt, gaat lopen. In het hoofd van een schrijver kunnen kruipen helpt, maar het eigen gevoel laten spreken ook. Meer dan het beheersen van (een) techniek is vertalen volgens Harrie Lemmens namelijk een kwestie van gevoel.
    Collega-vertaler Hans Boland houdt het op instinct, en een strategie heeft hij niet. Wel een manier van werken. Voordat Hans Boland een tekst vertaalt, maakt hij omtrekkende bewegingen. Hij verkent een tekst – de vorm en de inhoud – uitputtend. Dan pas begint hij te vertalen: ‘Als je alles wat er niet staat eenmaal hebt, ben je er al bijna’.

    Hans Boland, Harrie Lemmens, Paul Claes  en vele collega’s met hen weten dat de schrijvers die zij vertalen alleen tot de verbeelding van lezers zullen spreken als het Nederlands van hun vertalers onberispelijk is.
    Om te voorkomen dat er ‘vertaals’ in hun translaties sluipt, moeten zij het origineel af en toe laten voor wat het is. Dat voelt niet altijd goed. Mariolein Sabarte Belacortu – ook haar hoorde ik recent vertellen over haar vak – kwam in gewetensnood toen ze tijdens het vertalen van een tekst van de Mexicaanse dichter Dolores Dorantes geen gehoor kon geven aan een voorschrift van de dichter. Met enige schaamte gaf ze toe Dolores Dorantes niet op de hoogte te hebben gesteld van de uiteindelijk door haar gekozen oplossing.
    Vertalen is en blijft een kwestie van meerzijdige partijdigheid.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Zingen in de bus

    Het gebeurde tijdens een korte busrit. Bij het winkelcentrum stapte een stel jongens in die achterin plaatsnamen en een nummer van Kanye West begonnen te rappen: ‘Poop! Poop’ klonk het door de bus. Een halte verder kwam er een stel, luid met elkaar pratende meisjes bij die halverwege in de bus bleven staan. De buschauffeur vond dit alles bij elkaar waarschijnlijk herrie genoeg, en drukte elke keer als op een bandje de afkondiging van de komende halte begon, dit na de haltenaam meteen weg. Een van de meisjes vulde hardop en mechanisch het ontbrekende deel aan: ‘U kunt hier overstappen op stads- en streekvervoer. Vergeet u niet uit te checken.’ De andere meiden keken haar bewonderend aan en zij zei luchtig dat ze zoiets, als ze het een keer had gehoord, nu eenmaal niet vergat. Niets bijzonders.

    De rappers en de meisjes voerden mij in gedachten naar een aankondiging van de presentatie van de nieuwe dichtbundel van dichter/componist Rozalie Hirs, verdere bijzonderheden, die voordat ik van huis ging tussen mijn e-mail zat. Daarin werd opgeroepen om de gedichten hardop te ontdekken, ‘zing ze als het ware, in de bus, bij je oma, wandelend in het bos, op reis, thuis, in bad. Lees ze voor jezelf, voor je geliefde, je zus, vriendin, huisgenoot, vader, broer of moeder. Of laat ze je voorlezen. Zing ze op steeds andere wijze. Op eigen tempo, ademend, denkend door je eigen stem.’ Ik ben alleen bang dat als ik dat in de bus zou doen, de kakofonie nóg groter wordt, en de chauffeur nog stressvoller, dus houd ik me stil.

    De rappende jongens en meisjes in het middenpad waren inmiddels uitgestapt en de rust in de bus keerde terug. Ik mijmerde verder en dacht aan een masterclass blokfluit die ik eens aan de toenmalige Muziek Pedagogische Academie in Leeuwarden bijwoonde. De docente, niemand minder dan de blokfluitiste Jeanette van Wingerden, behandelde enkele variaties van de Utrechtse componist/beiaardier/blokfluitist Jacob van Eyck op de in zijn tijd bekende teksten en melodieën. Je moest volgens Van Wingerden de onderliggende tekst als het ware, terwijl je hem speelde, met je tong uitspreken. Pas dan zou je volgens haar de intentie van Van Eyk ‘pakken’.

    Nog een stapje verder denkend – ik was tenslotte nog niet op mijn bestemming aangekomen – in het voorwoord van zijn strijkkwartet Fragmente-Stille, an Diotima, noteerde de componist Luigi Nono vele eeuwen na Van Eyck, dat de vier musici geacht werden de in de partituur opgenomen tekst van Hölderling innerlijk te zingen. Hij bracht me op een idee en misschien ga ik dat maar doen met de gedichten uit de nieuwe bundel van Rozalie Hirs: innerlijk zingen of uitspreken. Al dan niet in de bus, dat maakt dan immers niet meer uit.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Bijkomstige wijsheid

    De dichter heeft het laatste woord. Het is drukkend warm in het kleine zaaltje, waar het programma al meer dan een kwartier uitloopt en de enige ventilator precies aan de andere kant van de ruimte staat. Ik draag bovendien een kledingstuk dat ik niet zelf openkrijg, dus is het angstvallig afwachten tot ik moet plassen.
    Aan het einde van zijn speech bedankt de dichter zijn ziekte. Meteen staan mijn nekharen overeind, ze gaan pas liggen zodra de man aarzelt, uitlegt dat zijn aangekondigde dood hem een urgentie heeft gegeven om dingen af te maken. Dat klinkt al genuanceerder.

    In diezelfde week ontmoet ik een moeder. Het is de dag waarop ik trouwjurken pas, ik voelde me niet eerder zo’n meisje-meisje als op het moment dat ik in prinsessenjurk het pashokje uitstap en niet struikel. De moeder verloor haar zoon, twaalf jaar oud, bij een aanrijding. Natuurlijk brengt zo’n verlies haar dingen, vertelt ze, die ze niet had willen missen. Misschien valt het woord ‘wijsheid’.
    Mijn nekharen trekken strak, bezorgen me haar- en hoofdpijn. Niet oordelen, denk ik in mezelf, en ik concentreer me op de jurk. Tientallen jurken hangen er in die zaak en daartussen is er een met een detail dat direct terug te leiden is naar haar naam – de naam van mijn eigen overleden kind. Maar terwijl ik er met alle macht probeer geen teken in te zien, niet alles te willen verdrinken in mijn eigen magisch denken, golven de gedachten door mijn hoofd.

    Hoeveel ik over zou hebben voor twaalf jaar. Hoe ik eventuele wijsheid prima had kunnen missen (maar haar niet).
    Hoe ik hoop dat, als het me dan toch iets brengt, ik mettertijd zachter zal worden. Misschien is dat wat de moeder bedoelt. En dus oordeel ik niet.
    De dood is, net als de zee, een van de weinige dingen waarover wij mensen geen controle krijgen – het is te groot om te omvatten en het maakt ons woest en angstig. We hebben er ook ontzag voor, of: ontzag voor de mensen die erdoor zijn aangeraakt, ernaast hebben gestaan, eraan zijn ontsnapt of er juist middenin zitten.

    Hoe men reageert op het feit dat we onze sterfelijkheid niet in de hand hebben, is precies waarover het gaat in The Violet Hour, het boek dat Katie Roiphe schreef over het verscheiden van een handvol schrijvers – die, heel verrassend, ineens ook maar gewoon mensen bleken. Ook Barbara Ehrenreich houdt zich bezig met de weerstand tegen de dood. In Bright-sided richtte ze haar pijlen al op de immer optimistische Pink Ribbon-beweging, met Natural Causes pakt ze de hele gezondheidsindustrie aan.
    We willen de dood niet pikken, zien Roiphe en Ehrenreich. Maar als we er recht tegenover staan, zoals de moeder, of middenin, zoals de dichter, dan kunnen we niet anders dan meebewegen, veranderen. En dat er soms iets goeds in die verandering zit, ja, dat geloof ik wel.

    Ik neem de jurk, applaudisseer voor de dichter, mis mijn dochter en omarm, met wat weerstand, een eventuele zachtheid.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Het duiden van poëzie

    Ze zit er wat verloren bij, de moeder van de dichter. De afterparty is inmiddels in volle gang en de dichter zelf heeft zich met een biertje in de hand onder de mensen begeven en bevindt zich daar waar beleefdheden worden uitgewisseld en in het gunstigste geval de suggestie van een goed gesprek gewekt wordt. De moeder houdt het van een afstandje allemaal scherp in de gaten. Zoals ze ook de carrière van de dichter nauwlettend volgt. Zij is een groot kenner van het werk. Ze heeft alles gelezen en weet ook wat er tussen de regels staat.

    Ze zou kunnen vertellen hoe autobiografisch dat werk eigenlijk is, en wat er zo uitputtend en tot in de kleinste details beschreven wordt in een gedicht dat het midden houdt tussen poëzie en proza. De moeder zou wel van de daken willen schreeuwen hoe goed de dichter bezig is. Het zit haar dwars dat de mensen het werk niet begrijpen en de dichter daardoor te weinig waardering krijgt.
    De dichter stelt haar betrokkenheid op prijs, maar vindt het niet nodig dat het werk van een toelichting voorzien wordt. Er staat wat er staat en daar moet de lezer het mee doen.

    Gedichten kunnen heel goed voor zich(zelf) spreken. Ze hoeven niets te betekenen en nergens naar te verwijzen. Ze kunnen louter klank zijn en toch tot de verbeelding spreken.

    Ik dacht aanvankelijk dat ik zonder uitleg kon, maar constateerde nadat ik de dichter een keer had horen voordragen dat ik het een en ander gemist had. Dat ik weliswaar begrepen had waar de gedichten over gaan, maar dat ik over het hoofd had gezien dat de dichter een spel speelt. Dat ook deze dichter intertekstualiteit hoog in het vaandel heeft staan en rijkelijk citeert uit het werk van anderen of daar op een andere manier mee aan de haal gaat. Toen ik dat eenmaal wist en de gedichten daarna nog een keer las, vond ik de meeste beter en sommige zelfs veel beter dan de eerste keer en de bundel als geheel een stuk coherenter.

    Toch doen te veel tekst en te veel uitleg een gedicht geen goed. Ik neem de moeder van de dichter niets kwalijk. Haar bedoelingen waren goed, maar het spijt me dat ik nu weet dat ik een deel van de gedichten ook autobiografisch kan lezen.

    Ondertussen is de moeder weer gaan zitten en is de dichter in aantocht. We maken kennis, schudden handen, ik spreek mijn waardering uit voor de bundel en voordat we het weten zijn we in een geanimeerd gesprek verwikkeld. De dichter vertelt hoe vreemd het voelt om onderdeel te zijn van dit grote geheel. De dichter vindt dat de poppenkast lang genoeg geduurd heeft. Dat het tijd is om naar huis en weer aan het werk te gaan. Dat werk is niet noodzakelijk het schrijven van gedichten. Dat wist ik. Maar niet van de moeder van de dichter.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Het belang van een boek

    Het was vrijdagavond en ik mocht kiezen. De regen had alle opties buiten de boeken geëlimineerd. Verspreid door de kamer lagen de volgende mogelijkheden. Het bed: Bright earth, Art and the invention of colour door Philip Ball, omdat een leraar op de kunstacademie had gezegd dat het goed was om te beseffen dat tubes verf in alle kleuren van de regenboog niet zomaar op een dag uit de lucht waren komen vallen.
    Tafeltje naast het bed: Birk door Jaap Robben, omdat mijn nieuwe liefde had gezegd dat ik het moest lezen; Astronaut door Pieter Kranenborg, omdat ik tegen Pieter Kranenborg gezegd had dat ik het zou lezen voordat ik een biertje met hem zou gaan drinken; De uitvreter / Titaantjes / Dichtertje / Mene Tekel door Nescio, omdat het al zo lang geleden was; Living as a river, Finding fearlessness in the face of change door Bodhipasaka, omdat het fantastisch zou zijn nooit meer bang te hoeven zijn voor het verstrijken van de tijd. Beleef uw huis door Hans Uylenburg, omdat het grappig was om interieuradviezen uit de jaren zeventig te lezen.

    Bovenkant kastje aan voeteneind bed: De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB poëzieprijs als bewijsmateriaal dat poëzie wél nuttig en maatschappelijk relevant is, écht wel, écht wel.
    Het bureau: Verborgen gebreken door Renate Dorrestein, zodat ik bij mijn optreden als talentvolle jonge auteur tijdens een hommage aan Renate Dorrestein enige parate kennis van haar werk tentoon zou kunnen spreiden; Het hemelse gerecht, om dezelfde reden.
    De vloer: Als je een meisje bent door Maartje Smits, ook te leen gekregen van mijn nieuwe liefde, omdat we haar laatst hadden gezien onder een lampenkap; De wereld der planten 1 en De wereld der planten 2, omdat er mooie sexy plaatjes in stonden (vergeet food porn, plantenporno is veel opwindender); Expanded painting door Mark Titmarsh, omdat ik overwoog een schilder in bredere zin te worden; Poëziekalender 2015, omdat je die gedichten gewoon tot in het oneindige kon hergebruiken.

    Ik wist het niet. In alle opgenoemde boeken had ik recent gelezen, geen ervan verwachtte ik op korte termijn uit te lezen. Behalve misschien de twee van Renate Dorrestein, want als ik die niet uit las vóór 10 juni was ik er niet zeker van of mijn jeugdige talent genoeg zou zijn om alles wat ik niet van haar gelezen had te compenseren. Maar het was vrijdagavond en op vrijdagavond streefde ik ernaar om niets te doen wat moet.

    Ik koos Toon Tellegen. Ik vond hem in het kastje aan het voeteneind van mijn bed en zocht het gedicht op dat zojuist mijn hoofd binnen was gevlogen. Ik mocht kiezen. / Ik wist het niet. / Ik koos de vrede. Dat was het begin. En daarna liet Tellegen de waarheid en de schoonheid, de wijsheid en de weemoed, en zelfs de liefde gaan, zodat alleen de vrede overbleef. En in de hemel hing een andere zon. En de regen tikte op het ronde daklicht en een vliegtuig kwam laag overvliegen en hoewel het buiten koud geworden was, bleef het binnen warm.

     


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze nog eens maar nu een dichtbundel, Dwaallichten.

  • Nooit meer schrijven

    Als lezer kan ik me gek genoeg gekwetst voelen als een schrijver zegt: ‘ik stop ermee, ik schrijf niet meer’. Het is toch een beetje alsof je geliefde zegt ‘ik heb geen zin meer in je’. Auw, dat doet pijn. Waarna teleurstelling en ongeloof toeslaan. Zonder enige waarschuwing (zoals bij elke liefdesrelatie heb je de tekenen aan de wand niet gezien) ben je opeens in de steek gelaten. Dat gebeurde me met Remco Campert toen hij de respectabele leeftijd van achtentachtig had bereikt. Mijn relatie met hem werd gevoed door de wekelijkse Sombermans en columns die hij maar bleef schrijven. Verwend als ik was, slurpte ik kritiekloos zijn stukjes op. Het was aannemelijk dat Campert zou stoppen. Hij bereidde me er ook min of meer op voor. Zijn stukjes bevatten steeds minder tekst, maar zoals dat gaat met een aflopende relatie, wil je er niet aan.

    Toen ik vorige week van huis was, stuurde jongste Zoon me het bericht dat Philip Roth was overleden. Ik voelde een schok. Het onvermijdelijke van ‘nooit meer’, dat nu echt ‘nooit meer schrijven’ zou zijn. Toch moet ik bekennen dat de schok minder groot was dan toen hij in 2012 liet weten te stoppen met schrijven. Ik dacht dat schrijven voor hem een vorm van leven was waar je niet zomaar uitstapt. (Ha, naïeveling!) Drukinkt als zuurstof voor de aderen, verhalen scheppen als balsem voor de ziel. (Ha, romanticus!)  Ik wilde dat hij trouw bleef schrijven zoals je trouw bent aan een geliefde tot de dood erop volgt. Zes jaar lang leidde hij een no-writers live. Ik vroeg me af of hij er tijdens zijn schrijversleven vaak naar verlangd had om niet meer te schrijven.

    Later zocht ik naar zijn titels in mijn kast en begon te tellen: alsof het aantal enig gewicht aan betrokkenheid in de schaal zou leggen. Tweeëntwintig in getal waaronder zijn eerste, Vaarwel, Columbus en zijn laatste, Nemesis. Daartussen stonden de Amerika – en Kepesh trilogie, Patrimonium, Zuckerman gebonden. Ook een uitgave in de serie ‘LiterairMoment’ (1990, Meulenhoff), met voor- en achterzijde een cover. Hoe je het boek ook draait je hebt altijd een voorkant en waarin Portnoy’s klacht en Informatie over Philip Roth.
    Informatie uit interviews over zijn boeken die vooral vanuit de joodse gemeenschap ongemeen negatief ontvangen werden. Ik las over de energie die het hem kostte telkens weer een boek te beginnen. De juiste toon te vinden. Om de stem die zich ergens in de onderbuik meldt, te transfigureren naar een personage. Hoe een helse onderneming dat steeds weer is. Daar gaan maanden mee gemoeid en dan moet het verhaal nog beginnen. Roth ondertitelt dit zelf met: ‘Moet ik er aan toevoegen dat het nauwelijks een belangeloze onderneming is? Schrijven is voor mij niet iets natuurlijks dat ik maar gewoon blijf doen, zoals vissen zwemmen en vogels vliegen.’

    Ik geloof graag dat Roth in die zes jaar van ex-schrijver niet verlangd heeft naar zijn schrijversleven, hij was een man die gedaan heeft wat hij moest doen. Ook geloof ik graag dat het voor hem bevrijdende jaren zijn geweest.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.