• Vergeet de schoenen

    Nooit bij stilgestaan dat de kledingstijl van een schrijver een item kan zijn. Kledingstylist Arno Kantelberg deed er in de krant melding van dat schrijvers op dat gebied een slechte reputatie hebben. Hij bekeek dertig auteurs met zijn stylingsblik en schreef er een boek over. Ik vroeg me af wat er belangrijker is, de zeggingskracht van het werk van de schrijver of dat – zoals Kantelberg het stelt –  het voorkomen van de schrijver enigszins moet passen bij de stijl van zijn werk.

    Toen ik zkv-schrijver A.L. Snijders voor het eerst zag voordragen, werd ik afgeleid door zijn postuur (ruim 1.90) en zijn blauwe, spits toelopende schoenen. Ik had veel van deze schrijver verwacht: een uitgelubberde schipperstrui, een corduroy colbert, maar geen blauwe schoenen. In zijn werk lijkt Snijders een man zonder ambities. Die blauwe schoenen waren een teken van ambitie. Dat de rest van zijn kleding, zijn neerwaarts hangende wenkbrauwharen niet bij die schoenen paste, nam hem dan toch weer voor me in.

    Ik ben dan ook tegen de kledingstijl – door Kantelberg geprezen – van schrijvers als Tommy Wieringa, die zich bij de prijsuitreiking van de Bookspotprijs in driedelig pak hulde. Dat ie gelukkig wel compleet verrommelde toen hij, tastend naar een amulet van de heilige Rita dat achter zijn driedelig pak op zijn borst hing en hij wilde tonen als zijnde een geluksamulet. Op het laatst hing een slip van zijn overhemd buiten zijn broek, bovenste knopen van het overhemd lieten zijn borst bloot, stropdas scheef. Toen ging hij ook nog uitgebreid zijn vrouw zoenen voor de camera. Dat was een prachtig beeld en had gelukkig niks met stijl te maken.

    Ilja Leonard Pfeiffer wordt door Kantelberg, ‘de zigeunerkoning van Genua genoemd. Tijdens een schrijfbijeenkomst met Pfeiffer viel ook mij zijn kleding op. Morsige buikomspannende blouse, afzakkende broek met daaronder jawel: croqs. Die hele dag werd ik afgeleid door altruïstische ingevingen om deze schrijver financieel te ondersteunen. Omdat deze schrijfdag me was aangeboden door Querido, overwoog ik het bedrag dat voor de cursus werd gevraagd, alsnog cash aan de schrijver te geven. Wat ik niet deed. Wel las ik La Superba dat net verschenen was en dacht: Whatever, laat een goed schrijver zijn croqs.

    Hoe een schrijver zich hoort te kleden zorgde in 1991 ook voor ruzie tussen A.L. Snijders en zijn vrouw. Snijders smult van een brief met berichten uit Amsterdam van een vriend die Bernlef op een terras zag zitten. Bernlef droeg sandalen, wat niet kon volgens die vriend: ‘Een goede schrijver kan geen sandalen dragen.’ Die vriend bekent dat hij Hersenschimmen van Bernlef nooit gelezen heeft en voelt zich met terugwerkende kracht gerechtvaardigd in die weigering. Want een auteur op sandalen kun je niet serieus nemen. Snijders geeft de brief met een, ‘Goeie brief van Willem’ aan zijn vrouw. Zij ontsteekt in verontwaardigde woede: ‘Hersenschimmen is een prachtig boek, wat is dat voor criterium, sandalen?’ Na enig gebakkelei tussen de echtelieden ‘staat zij op en loopt driftig de kamer uit.’ Waarbij ik me voorstel dat er een deur knalde en de trap stampend betreden werd.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Mogelijkheid van genade

    Ineens was In ongenade overal: in een auteursgesprek raadde ik dit beroemde werk van J.M. Coetzee aan en nog geen uur later wandelde een collega, bij het gesprek afwezig, mijn kamer binnen om te vertellen dat hij het aan het lezen was. Daarnaast stond de titel al enige tijd op mijn lijst met te herlezen boeken. Toeval? Als tiener geloofde ik alleen in de volledige verbondenheid van het universum als ik verliefd was. Gelukkig was ik altijd verliefd – nog steeds eigenlijk. Thuis trok ik het boek direct uit de kast.

    ‘Ik werd er heel neerslachtig van,’ zei diezelfde collega een week later, hij zuchtte er zelfs bij. Dat gevoel herkende ik. In ongenade is een roman die je, na het dichtslaan, van je af moet ademen. Ik had het nog niet uit en toch kiemde die zucht al in mijn borst.
    Iemand anders moest drie dagen bijkomen van Mogelijkheid van een eiland. Hij las de roman van Houellebecq tijdens een strandvakantie met vrienden en, zijn woorden, het voelde als een emotionele kater. Vermoeidheid, ja, dat is ook wat ik aan dat boek overhield.
    In ongenade is een veelomvattende roman. Aan de hand van een weinig sympathiek personage, de gevallen professor Lurie, wandelt de lezer langs grote thema’s. Lust, schuld, ouderschap en familiebanden, ze worden alle bevraagd. Zowel voor Lurie als voor de lezer liggen er weinig antwoorden klaar: de schrijver reikt aan en de lezer kijkt wat hij kan met wat hij in zijn handen gedrukt krijgt. Dat kan per lezer en per lezing verschillen.
    De man die drie dagen moest bijkomen van Mogelijkheid van een eiland noemde In ongenade zonder twijfel zijn lievelingsboek.

    Waarom lees ik en herlees ik? Er is nooit een eenduidig antwoord op die vraag geweest. Soms is het slechts om mezelf te vermaken, dan weer om mezelf te inspireren, vaak lees ik om te kunnen schrijven. Sinds lezen mijn beroep is, begin en eindig ik de dag bewust met iets dat ik goed vind. Wat vind ik goed? Ook dat wisselt.
    Tijdens mijn vrije-tijdslezen denk ik – en ik merk dat ik enige schroom heb bij deze gedachte – dat ik hoop zoek – of, op zijn minst mededogen.

    De boeken die ik niet uitlees zijn vaak slecht getimed, niet wat mijn hoofd op dat moment behoeft, zijn slecht geschreven of ze zijn in de kern cynisch. In het dagelijks leven vind ik cynisme al lui, dus in een roman moet ik er helemaal niets van hebben. Laten zien dat iets lelijk is, daar is geen kunst aan. Laten zien dat er tussen allerlei ellende schoonheid te vinden is, vergt niet alleen mentale maar ook literaire kracht.
    Is In ongenade een cynisch boek? Je zou het bij aanvang kunnen denken, maar nee: hoe vilein en donker de toon en de ideeën van de verteller ook mogen zijn, cynisch zou ik het niet willen noemen. Opbeurend evenmin. Heeft David Lurie iets geleerd aan het einde van het verhaal, is hij veranderd? Geen idee. Maar ik wel.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

  • Moraliteit van een boom

    Michael Powers is een Amerikaanse schrijver die praat als een evangelische dominee, langzaam, gedragen en met een zalvende intonatie. Zijn boodschap is eveneens evangelisch. Hij verspreidt het geloof in het respect voor de aarde. In een interview over zijn boek The overstory, naar het Nederlands vertaald als Tot in de hemel, tijdens het Crossing Border festival in Den Haag, vertelt hij dat hij de lezer het perspectief wil meegeven van wezens die de aarde veel langer bewonen dan mensen: bomen. Hij is blij dat er steeds meer boeken verschijnen die gaan over ‘iets groters dan mensen die niet goed met elkaar kunnen opschieten in hun huis’. Ook is hij anders gaan denken over moraliteit in boeken. Literaire boeken zijn meestal moreel ambigu: de slechterik is nooit helemaal fout; de goedzak nooit helemaal goed; de waarheid over wat juist is zweeft tussen de extremen. Terwijl er vanuit het perspectief van bomen wél een meer absolute morele waarheid te vinden is. Bomen vertellen ons wat juist is. En wat de mensen op dit moment doen met de bomen, is niet juist.

    Net als bij evangelische dominees vind ik de beweringen van Powers voor de helft inspirerend en voor de andere helft betwijfelbaar. Ten eerste wat betreft morele waarheden in literaire romans die geen bomenperspectief hanteren. Klopt het dat dit soort romans ons niets willen vertellen over wat juist is? Ik neem even de klassieker To Kill a Mockingbird van Harper Lee, die ik nu aan het lezen ben. Vanuit verschillende perspectieven zijn verschillende dingen juist. De vader van de vertelster vindt het onjuist een zwarte man te veroordelen voor iets wat hij niet heeft gedaan. Zijn dorpsgenoten vinden het onjuist deze zwarte man te verdedigen. De morele ambiguïteit zit er misschien in dat je al lezend ook begrip krijgt voor die dorpsgenoten. Maar dat betekent niet dat de roman geen beroep doet op de lezer om een bepaald moreel oordeel, namelijk dat van de vader, als juist aan te nemen. Ook zonder bomen kan een roman een morele waarheid tonen. In een verhaal waarin mensen schade toebrengen aan bomen, kan het perspectief van de boom daar misschien wel een ander licht op werpen. Maar of dat een absoluter licht is, weet ik niet.

    Ten tweede: waarom het perspectief van bomen genomen, en niet dat van iets nog groters, zoals het heelal waarin we leven? Het heelal staat waarschijnlijk onverschillig tegenover het leven en de vraag of dit langzaam of wat sneller van de planeet zal verdwijnen. Maar bomen zijn wezens waarmee de mensheid de aarde deelt, en onderdeel van ecosystemen die van belang zijn voor ons overleven. De keuze voor bomen als moreel ijkpunt verraadt nog steeds een grotere interesse in de belangen van de mens dan in de belangen van waterstof. En dat is niet erg, maar het leidt denk ik niet tot meer absolute morele waarheden. Schrijvers van de voorspelde golf van ecoromans zullen zich hopelijk blijven bedienen van een fijne literaire dosis morele eco-ambiguïteit.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Kieren van hoop

    Afgelopen seizoen ging het piccolo concert Solastalgia, van de Estse componist Erkki-Sven Tüür in première. Uitgevoerd door de piccolospeler van het Koninklijk Concertgebouworkest, Vincent Cortvrint met ‘zijn’ orkest. De titel verwijst naar het begrip ‘vervreemding’ dat de milieufilosoof Glenn Albrecht voor het eerst gebruikte en in de psychiatrie wordt gebezigd voor het gevoel dat de fysieke omgeving om je heen wijzigt, bijvoorbeeld door klimaatverandering. Het stuk kent mooie, zangerige en atonale melodieën, maar ook dreigende, sombere. Een loopje blijft hangen als een oorwurm. Op het eind sterft het langzaam uit. Je mag er zelf in horen waar dit op duidt.
    Op de een of andere manier voerde het stuk van Tüür mij naar één van de cursief gezette stukken in de roman Een dwaze maagd van Ida Simons, verschenen in 1959, hetzelfde jaar waarin Tüür werd geboren:

    ‘De bewoners waren gewaarschuwd dat de bedelaars zouden komen en voor alle ramen hadden ze de rolluiken neergelaten, maar hun angst siepelde door de kieren in de voortuinen waar de honden op wacht zaten (…). Honderden waren het: sommigen strompelden op krukken of sleepten met een houten been, anderen hadden een zwarte lap voor een lege oogholte. Ze schreeuwden dat ze honger hadden en schudden dreigende vuisten naar de gele huizen maar als een zich op de stoep waagde gromden en blaften de honden (…). Machteloos gevangen in honger en lompen moesten de bedelaars verder trekken, ze jouwden en tierden, maar tegen de honden konden ze niet op (…). Dan liep opeens de bedelaar in het zijden kleed voorbij. Van abrikooskleurige zij was het, even gescheurd en gehavend als de grauwe vodden van de anderen en veel minder warm … maar het glansde in de stralen van de dalende zon (…). Behaarde klauwen maakten eerst de scheuren in de verrotte zijde groter en daarna krabden ze de bleke huid eronder open. Toen hij, die een zijden kleed gedragen had, naakt en stil in de sneeuw lag liepen de anderen kalm en bijna gelukkig verder.’

    Het gedeelte is gebaseerd op een sprookje uit Moeder de Gans. En waar opende het concert van Erkki-Sven Tüür mee waarin het piccolo concert in première ging? Juist: met Ma mère l’oye van Maurice Ravel! En zo is de cirkel rond.

    Maar dat  is denk ik toch niet helemaal de bedoeling: moeten we die cirkel niet doorbreken? Mogen we wel kalm en rustig verder leven, zonder iets te doen, alsof er niets aan de hand is? Met het klimaat, met vluchtelingen? Die vraag, die waarschuwing ook, hoorde ik in Solastalgia van Tuür en las ik nog weer bij Simons. Door de kieren zou, als het goed is, geen angst moeten sijpelen, maar hoop. Alleen moet je daar wel wat voor doen, bijvoorbeeld muziek en oude verhalen nieuw leven inblazen en zo je leven veranderen. Ik heb de indruk die boeken en muziek op mij maakten de afgelopen tijd in deze columns willen doorgeven. Het woord is nu aan een andere columnist.

     


    Dit is de laatste column van Els van Swol. Els schreef vanaf 1 juni 2016 tweewekelijks een column voor Literair Nederland waarvoor wij haar zeer danken!

  • Roekeloos met boekenbonnnen

    Direct bij het verlaten van de boekhandel overvalt het me – of nee, eerder al, bij het afrekenen, het intoetsen van mijn pincode – alweer te veel contactloos betaald – ik heb het niet vaak maar nu is het onmiskenbaar aanwezig: naderende spijt en vragen. Ik kwam voor de lezingen van Toni Morrison, knipperde twee keer met mijn ogen en kocht de nieuwe roman van Sally Rooney erbij. Weken eerder, in een andere stad, overkwam me hetzelfde. Ineens stond ik buiten met Motherhood, het nieuwe boek van Sheila Heti.
    Sally en Sheila – ik haal ze, of eigenlijk hun eerdere boeken, altijd door elkaar. Wanneer ik Conversations with Friends en How should a person be las, moet ik opzoeken, de verhalen ben ik kwijt. Wel herinner ik me goed hoe beurs ik van die boeken werd, hoe vervelend ik die zelfgenoegzame toon vond. Toch doorgelezen, want niets zo lekker als een goede hateread van tijd tot tijd. Beide boeken haalde ik uit de bieb, ik wist op voorhand dat ik ze niet hoefde te hebben. Waarom dan nu geld uitgeven aan nieuw werk?
    (Simpele verklaring: boekenbonnen. Ik word roekeloos met die dingen op zak.)

    Opnieuw lijkt het mis te gaan. Telkens wanneer het in Normal people, Rooneys nieuwste, over Mariannes uiterlijk gaat – haar dunne polsen, de witte huid, het donkere haar of hoe Connell haar het bedachtzame van een hert toedicht – blader ik zuchtend door naar de auteursfoto. Ik weet niet helemaal wat het is, misschien het vermoeden dat de schrijver een interessantere versie van zichzelf heeft bedacht. Een eigen manic pixie dream girl alter ego creëerde, iemand die ze zelf had willen zijn – de angst ook, ik heb het nog niet gecontroleerd – of ik dat in mijn eigen debuut ook heb gedaan. Vast wel. In de flaptekst van een pas verschenen debuutroman werd melding gemaakt van een beeldschoon mager meisje, doodvermoeid legde ik het boek op de tafel.

    (Was het tienermeisje Emma in Rebecca Waits’ The view from the way down over wie er op zeker moment zoiets stond als: ‘Echt weer iets voor haar om op de verkeerde manier dik te zijn’? Zelden zo gelachen in een verder zo droevig boek.)

    Maar Normal people blijkt allesbehalve een hateread. Ingetogen, haast voorzichtig, onderzoekt de schrijver de relatie tussen twee mensen die duidelijk dol op elkaar zijn maar elkaar steeds net mislopen, elkaar wel aanraken maar ook, ongewild en onbedoeld, weer loslaten. De contrasten worden rustig op tafel gelegd: hij meent zich op de middelbare school redelijk zelfverzekerd te voelen, soort-van-thuis in de wereld, zij heeft dat bijna tijdens de studie, tot gebeurtenissen uit heden en verleden hun denkbeelden weer doen omkeren. Hij is arm maar komt uit een warm nest, zij is rijk maar van koude grond. Er zit veel mededogen in Rooneys beschrijvingen van Connells depressie en Mariannes destructiviteit, beide moeilijke (want platgetreden) karaktertrekken. En steeds komen ze net niet samen. Ik kan niet stoppen met lezen, dit keer om positieve redenen. Ontzettend zin in Heti hierna.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

  • Personages als pannenkoeken

    Nu begint het ingewikkeld te worden. Het verhaal dat ik schrijf heeft een substraat in de werkelijkheid. Er zijn mensen, echte mensen, over wie ik heb gehoord en gelezen, die op een dag collectief hebben besloten om weinig tot niets meer te eten. Omdat ik wilde begrijpen waarom ben ik een roman over ze gaan schrijven. Ik ben nu een paar maanden bezig en ik heb intussen nog meer gelezen over hun voorgeschiedenis en beweegredenen, maar heb nauwelijks het gevoel dat ik ze ken. Ik ken ze niet zoals  de personages uit mijn verhalenbundel – de vrouw die een baby in een vriezer verstopt, het jongetje dat zichzelf met heet water wil verbranden, de man die op een spoorlijn gaat liggen om te ontdekken of hij zelfmoord wil plegen. In hen kon ik me verplaatsen, meer dan in de echte mensen over wie ik nu probeer te schrijven. De romanpersonages die ik van ze heb gemaakt zijn platter dan de pannenkoeken die ze van zichzelf niet mogen eten. Eentje is de hele tijd boos, de tweede de hele tijd onzeker, de derde extreem dominant en irritant en het karakter van de vierde, die in de roman dood is, heeft de vorm en inhoud van een zwart gat.

    Dus wat te doen? Ik kan A) proberen de echte mensen beter te leren kennen, of B) de echte mensen loslaten en echte romanpersonages van ze maken. Optie A is interessant omdat ik de roman besloot te schrijven omdat ik de echte mensen wilde begrijpen. Maar optie A is ook een beetje eng omdat ik denk dat die mensen echt een beetje gek zijn en ik niet weet of ik ze graag in mijn eigen echte leven wil toelaten. En optie A is ook niet helemaal toereikend omdat ik ook als ik de werkelijke versies van mijn personages beter leer kennen nog altijd niet precies alle details zal kennen van de dingen die ik in mijn roman wil beschrijven. Dus op een zeker moment zal ik, of ik de echte mensen nu wel of niet beter leer kennen, toch over moeten gaan op optie B en echte romanpersonages van de echte mensen moeten maken, inclusief door mijzelf verzonnen trauma’s, jeugdherinneringen en vreemde gewoontes. Ik zal ze mijn verhalenwereld in moeten trekken. En de logica van de werkelijkheid zal plaats moeten maken voor de logica van het verhaal dat ik over ze schrijf.

    Op dit moment neig ik naar een combinatie van optie A en B. En kom ik tot de voorlopige conclusie dat een écht waargebeurde roman schrijven eigenlijk niet kan. Ik begin zelfs te vermoeden dat dit in zekere mate geldt voor alle verhalen, ook die in de krant en in de geschiedenisboeken staan, omdat er altijd dingen zijn die we zelf moeten invullen, of erbij fantaseren. Waarmee ik niet wil zeggen dat de waarheid niet bestaat, denk ik, geloof ik.
    Ik schrijf er nog even over na.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Bovenburen en stilte

    De Wereldgezond- heidsorganisatie heeft helemaal gelijk: als je de bron van geluid vervelend vindt, ervaar je dat geluid ook eerder als storend. Ik kan het beamen. Het stoorde mij nogal dat de kinderen van mijn nieuwe buren er een genoegen in scheppen om op z’n tijd van de bank af te springen of met een skate board over de drempel op het balkon te belanden. Het is zoiets als met de bovenburen van Roos van Rijswijk zoals ze dat in De olifant van de bovenbuurman  beschrijft. Die bovenburen doen een stoelendans op polkamuziek waarvan ze ‘de klanken zo lekker op hun borstkas voelen’.

    Tot er opeens een meisje van een jaar of twaalf voor mijn deur stond met een vraag. We babbelden wat en nu ik de andere leden van het gezin, waaronder haar twee jaar jongere broertje ook ken, vind ik dat gespring of gebonk lang zo erg niet meer. Met een minuut of wat is het over. Laat ze. Het zijn kinderen.
    Sterker nog: ik werd nieuwsgierig. Met name naar hun muziekkeus. Waar zouden Syrische vluchtelingen naar luisteren? Op een dag hoorde ik muziek en spitste mijn oren. Het klonk als lichte muziek, met een vleugje traditionele klanken. Wat had ik dan verwacht? Syrische volksmuziek, zoals componist Merlijn Twaalfhoven die wel in zijn werk integreert? Ik sprak mezelf vermanend toe: wat een vooroordeel! Alsof ik dagelijks draaiorgel- of carillonmuziek afspeel, volgens een van de hoofdpersonages in de detective Startpunt Amsterdam van Helen McInnes, zo’n beetje het ergste wat je je kunt voorstellen.

    Misschien is de les die Roos van Rijswijk mij leerde, om met de oude man in Shakespeares Macbeth te spreken: Make good of bad and friends of foes. Als je dat doet, wordt niet alles beter, maar wel anders. Omdenken heet dat geloof ik. Gespring als een olifant betekent dan: we moeten onze opgekropte energie kwijt. Het gebonk met het skateboard over de drempel is trouwens voorbij, dat was té erg moeten ook mijn buren inmiddels gedacht hebben. Nachtmerries van het broertje, die mij wakker doen schrikken, betekenen wellicht: ik doorleef de ellende in Syrië weer alsof het hier-en-nu gebeurt. Maar dat is inlegkunde en hoeft helemaal niet zo te zijn. Geschreeuw tegen me van het oudste meisje, al bijna volwassen, kan ik niet plaatsen, maar zou ik wel willen begrijpen. Is het misschien een uiting van onmacht?

    Hoe dan ook, voor het vervolg moet ik het boekje Als stilte steekt van Désanne van Brederode er nog maar eens op naslaan. Zij is ervaringsdeskundige, ik nog maar een leek die graag wil leren én – vooral – afleren, dat in ieder geval. Misschien wordt deze column over vijfentwintig jaar net zo gelezen als het verhaal ‘Homo’ (1968) van Kees van Kooten (opgenomen in Van Kooten Sterk verdund): als een tijdsbeeld en voor alles als een beschrijving van gekoketteer, zoals de auteur het bij De Wereld Draait Door zelf omschreef. Wie zal het zeggen.

     


    Els van Swol leest wat los en vast zit en slaat geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.

  • Wat dichters drinken

    Op een ochtend stond er een jonge vrouw tussen de boerenkoolplanten en de rode bieten in de voortuin. Ik zag haar door het keukenraam en wist: dit is een dichteres. Zij droeg een lange jas van een soepele groene stof, leren laarzen en een donkerrode hoed, waarmee zij naar mijn idee haar dichterschap op naïeve wijze wilde camoufleren. Ik speelde direct open kaart door te vragen of het dichterschap haar gelukkig maakte. Het was de enige vraag die zich aan me opdrong toen ik haar in mijn tuin zag staan. Ze zuchtte en zei dat als ze aan een gedicht werkte een aanval van migraine nooit ver weg was. Dat als woorden en regels zich niet zo wilden gedragen als zij voor ogen had, ze altijd overvallen werd door fysieke onrust waardoor ze het op een lopen zette. Zo kwam ze in mijn voortuin terecht.

    Ik weet wat ik met dichters aan moet en vroeg haar binnen. Zonder haar bestofte laarzen uit te trekken ging ze me voor naar de keuken. Ik vroeg niet wat ze wilde drinken want ik dacht te weten wat dichters zoal drinken en dat had ik niet in huis. Ik zette een glas water voor haar neer. Ze nam het van de keukentafel en dronk het in een teug leeg.
    Om deze jonge dichteres – die zichtbaar verdwaald was in haar dichterschap – tegemoet te komen, nam ik de Poëzie editie van Zuca-Magazine, die ik juist die week had ontvangen, van de keukentafel. Uit het werk van enkele van de drieëndertig daarin opgenomen Portugeestalige dichters, begon ik willekeurige strofen en regels aan haar voor te lezen. Als wilde ik haar laten zien dat ik haar begreep. Al begreep ik natuurlijk niets.

    -‘Het gedicht is een oefening in andersdenkendheid, een belijdenis / van ongeloof in de almacht van wat zichtbaar is, vastligt en   geleerd / wordt.’
    -‘Je zei dat een gedicht altijd tegelijk probeert / te laten zien en te verhullen’
    -‘hoe stop je de wereld / in een gedicht? vertaal je / zijn ruwe werkelijkheid, zijn / ongedurige lieflijkheid?’
    -‘Waaruit bestaan onze dagen? / Uit kleine wensen, / trage weemoed, / stille herinneringen.’

    Er verscheen een glimlach op haar gezicht en ze zei: ‘Andersdenkendheid, stille herinneringen, versplinterde schoonheid’.
    Ik vertelde haar ook nog dat A.L. Snijders eens schreef over een despotische kasteelheer en zijn vrouw die ‘onbegrijpelijke gedichten van Arthur Rimbaud’ las. Ze las Rimbaud volgens Snijders, ‘om voor zichzelf een plek te hebben die voor haar echtgenoot onbereikbaar was’. Dat is toch fantastisch’, bezwoer ik de dichteres, ‘dat een gedicht een schuilplaats kan zijn’.
    Evenals de aanname dat dichters drinkers zijn, kwam ik ook onder die andere aanname, dat dichters armoedzaaiers zijn, niet uit en moest ik haar deze editie van Zuca-Magazine – die haar duidelijk zeer beviel, wel meegeven.

     

    Zuca-Magazine, Portugeestalige Poëzie, Uitgeverij Koppernik: hier te verkrijgen.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Geloofwaardige toekomst

    De nieuwe roman van Rob van Essen, De goede zoon, werd in NRC bekroond met vier zeer terechte ballen. Leuk aan de bespreking van Judith Eiselin was bovendien dat ze het boek vergeleek met Ogen van tijgers, een toekomstroman uit 1982 van Tonke Dragt. Net als met naar de film gaan, waarin de trailers vóór de hoofdfilm mijn favoriete kijkmomenten zijn, kan ik het heerlijk vinden om tijdens het lezen over literatuur op andere boeken gewezen te worden.
    Ogen van tijgers, het vervolg op het al even magische Torenhoog en mijlenbreed (1969!), las ik als kind. Het stuk waarin Jocks schilderij door een piepkleine wijziging ‘af’ wordt, staat me nog zo bij. 
    Uit het niets een wereld opbouwen is altijd een krachtmeting van de eigen geest, maar ik kan me voorstellen dat de research die een schrijver doet voor een toekomstverhaal qua inzet niet onderdoet voor die van een historisch verhaal. Waar je bij die laatste bronnen tot je beschikking hebt (geschiedenisboeken, kranten, ooggetuigenverslagen) moet bij die eerste bijna alles uit je eigen hoofd komen. Het moet kloppen, maar wat? En hoe? Dat is moeilijk te toetsen.
    Als schrijver kun je prima een wereld bedenken waarin de volledige aardbevolking, ik noem maar wat, vegetariër is geworden, maar dan heb ik wel graag dat je hebt nagedacht over de economische gevolgen hiervan. Of die voor het milieu. Eigenlijk wil ik dat de schrijver al mijn vragen voor is. Hij/zij hoeft ze niet allemaal te beantwoorden, zeker niet, als-ie zich maar bewust is van welke vingers er eventueel opgestoken zullen worden. 

    Een van mijn favoriete toekomstverhalen is de film Artificial Intelligence (2001). Er is veel op de film aan te merken maar ik kan nog volschieten bij de scène waarin David, onder water, tot de Blauwe Fee bidt. Toen ik de film opnieuw keek in gezelschap van iemand die filosofie studeerde, werd het ingewikkeld. ‘Als wij deze film zouden behandelen in de lessen zouden we het over deze scène hebben,’ begon de student, terwijl Monica in haar hypermoderne automobiel het beeld uitreed. ‘Zoveel moderne gekke dingen maar auto’s rijden wel gewoon nog over asfaltwegen?’ Precies waar je op zo’n moment – het drama! – niet aan wilt denken.
    Op internet stuitte ik op een schitterend illustratie bij het sprookje van De kleine zeemeermin. Toch er was iets geks mee. Ineens zag ik wat er niet klopte: een zeemeermin schonk thee in een porseleinen kopje. Voor een verhaal erkende ik probleemloos het bestaan van een vrouwelijk wezen met een vissenstaart. Maar onder water thee inschenken? Nee, joh. 

    Het slagen van een verhaal zit hem niet in hoe een (fantasie)wereld is opgebouwd, maar in wat deze toekomst met de personages doet. Het zit in dat schilderij van Jock. Of, zoals in De goede zoon, niet in een autorit maar in wat deze rit met de verteller doet. Hoe aanwezig en ingekleurd ook, in beide boeken is de toekomst maar achtergrond – niet waar het om gaat. Dat maakt het zulke mooie boeken.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

  • Een daad van verzet

    Op de foto droeg ze een scheefgezakte kroon en keek ze met een opgetrokken wenkbrauw in de camera. Ik kende haar niet, en toen ik de foto zag, op het affiche van de Victoriefonds Cultuurprijs, waarvoor ik was genomineerd in de categorie Letteren, dacht ik dat ze een man was. Maar ze was geen man, ze was Elly de Waard. Op de middag van de prijsuitreiking werd ze geïnterviewd door Ronald Giphart, die eind jaren tachtig als jonge student Nederlands in de Grote Zaal van Vredenburg in Utrecht had gezeten toen zij met haar dichteressengroep De Nieuwe Wilden de strijd aanbond met de mannen van de Maximalen. Een poëtische strijd, was de bedoeling, maar toen aan het eind van de avond witte duiven in de zaal werden losgelaten om de avond in vrede af te sluiten, ging het mis. Enkele duiven vlogen zich dood tegen het plafond, een vrouw die hoorde bij de Maximalen schold Elly de Waard uit voor dierenbeul, de zus van Elly de Waard pakte daarop een microfoon om de scheldster met een versterkte klap op het hoofd te slaan en dat was het startsein voor een veel minder poëtisch gevecht. ‘Heel vervelend,’ zei Elly de Waard. ‘Die jongens hadden allemaal veel te veel gebruikt. Dus dat was eens maar nooit weer.’

    Dat waren nog eens tijden, dacht ik, braaf klappend voor Elly de Waard, braaf mijn stukje voorlezend toen ik aan de beurt was om aandacht te krijgen, braaf de vragen van Ronald Giphart beantwoordend, braaf de bloemen in ontvangst nemend, braaf klappend voor de andere genomineerden, braaf de uiteindelijke winnaar feliciterend en braaf lachend en poserend voor de fotograaf van de Alkmaarsche Courant. Dat waren nog eens tijden, toen er nog echt gekke dingen werden gedaan. Toen er nog werd gevochten, de vrouwen tegen de mannen. Dat heb ik toch maar mooi gemist, al stond ik in die tijd al wel mijn vrouwtje als we jongens- en meisjespakkertje speelden op het schoolplein. En ik kreeg zin om te gaan vechten, of een duif los te laten, of een kroon op te zetten en scheef te laten zakken en mijn linker wenkbrauw op te trekken. Ik zon op een daad van verzet, al wist ik nog niet precies waartegen.

    Maar ik verzette me niet. Ik dronk een biertje, praatte wat na en ging samen met mijn moeder iets eten in het mooie plaatsje Bergen. Thuisgekomen aaide ik de kat en bekeek foto’s die een huisgenoot gemaakt had van mensen in Portugal die door bosbranden hun huis hadden verloren. Daarna zat ik nog een tijdje te praten, buiten op het balkon, gewoon omdat het nog kon.

    Ik zin op een daad van verzet.

     

     


    Gerda Blees schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Wedstrijdje?

    Anna Blaman, Anton Coolen, Max Dendermonde, Henriëtte van Eyk, Hella Haasse, Alfred Kossman, Adriaan van der Veen en Simon Vestdijk: samen schreven ze de roman De doolhof.
    Hun namen staan in alfabetische volgorde op de titelpagina. Allemaal schreven ze één hoofdstuk en de goede verstaander – de lezer met ‘kennis van de huidige Nederlandse literatuur’ – maakte kans op een mooie prijs als hij in staat was de schrijvers aan hun hoofdstukken te koppelen: ‘zend Uw oplossingen vóór 31 Januari 1952 per briefkaart onder vermelding van “prijsvraag” en naam en adres van Uw boekhandel aan N.V. Int. Uitg. Mij “Het Wereldvenster”, Heerengracht 433, te Amsterdam.’*

    Ik vond De doolhof vorige week in een antiquariaat en kocht het bij wijze van curiositeit. Acht schrijvers van naam die samen een roman schrijven, dat is zoiets als vijfentwintig leerlingen die tijdens de lessen Nederlands moeten voortborduren op de woorden van een klasgenoot, maar dan van een andere literaire orde. De vergelijking met De schrijver: een literaire estafette gaat minder mank. Ook aan De schrijver schreven acht auteurs, maar hun namen – Harry Mulisch, Gerrit Komrij, Adriaan van Dis, Maarten ’t Hart, Remco Campert, Marga Minco, Hugo Claus en Joost Zwagerman – staan vermeld bij hun respectievelijke hoofdstukken.

    Deze laatste acht zijn gevrijwaard van eventueel gezichtsverlies. Of die andere acht reputatieschade opliepen door hun anonieme bijdragen aan De doolhof of in het kader van hun ‘teamwork’ juist genoten van het feit dat de één regelmatig voor een ander aangezien werd, vertelt het verhaal van de prijsvraag niet.
    Ik neem tenminste aan dat dat – ondanks al die in de toenmalige Nederlandse literatuur ingevoerde lezers – het geval was. En wat vond Simon Vestdijk er dan van als zijn werk voor dat van Anna Blaman of Hella Haasse gehouden werd? Dat zou ik wel willen weten.

    Stijl is waarmee de ene schrijver zich van de andere onderscheidt. Maar hoe herkenbaar is de stijl van een schrijver nog als een lezer geen idee heeft wie hij voor zich heeft? Ik vrees dat ik gigantisch door de mand zou vallen. In het geval van De doolhof kan ik me er nog vanaf maken door te zeggen dat ik het werk van de schrijvers niet goed genoeg ken, maar die vlieger gaat voor de schrijvers van De schrijver niet op. Hun werk ken ik al mijn hele lezersleven, maar toch ben ik er niet zeker van dat ik ze allemaal herkend zou hebben als de uitgever er ook hier een wedstrijdje van gemaakt had.

    Maar ja: je moet me ook niet vragen om de ingrediënten op te sommen die verwerkt zijn in een verrukkelijke maaltijd. Ik kan smakelijk eten, zonder precies te weten wat.
    Om te genieten van een boek is het niet altijd nodig om te ontleden hoe een schrijver doet wat hij doet. Pas als hij helemaal geen stijl heeft en een schrijver zich naar het einde hakkelt, haak ik af.

     

    * De volgorde van opkomst bleek: Van Eyk, Dendermonde, Blaman, Haasse, Kossman, Coolen, Van der Veen en Vestdijk.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Nalatenschap

    Toen ik bij de bibliotheek van Muziek Groep Nederland werkte, zat er  op een dag een rijzige, grijze dame een stapeltje partituren te bekijken. Ik vroeg nieuwsgierig aan een collega of hij  wist wie dit was. Zij bleek een componist te zijn die zat te jureren voor een compositiewedstrijd. Ik kende haar naam, omdat we haar composities uitgaven als bladmuziek en als uitvoeringen op compact disc.
    Niet lang daarna ontvingen we het bericht dat zij was overleden. Haar laatste wil was, zo deelde haar partner per brief mee, dat wij alles wat met haar composities te maken had, vernietigd moest worden.  De afdrukken van haar werk in de bibliotheek, opnamen in het geluidsarchief, foto’s in het fotoarchief, recensies in de componisten documentatie en ga zo maar door. Een grote en vooral droevige bezigheid. Het kwam in niemand op om de rol van Max Brod op zich te nemen, die de handschriften van Franz Kafka tegen diens wil, voor het nageslacht bewaarde.

    Toch zijn de documenten op een of andere manier ‘gered’ en worden allemaal bewaard bij het Nederlandse Muziek Instituut in Den Haag. Ze zijn prachtig om te zien, zo mooi gekalligrafeerd. Het zijn geen zogenaamde grafische partituren, maar het komt wel in de buurt. Je zou het ogenmuziek kunnen noemen.
    Tijdens een orgelconcert in de Haarlemse Grote- of St. Bavokerk afgelopen zomer, moest ik er opeens aan denken. Organist Theo Jellema, die ik uit mijn Friese tijd ken, speelde er onder meer de Poème en forme d’une improvisation die Rolande Falcinelli – een Franse componist, organist van de Parijse Sacré-Coeur – schreef naar aanleiding van haar verloving, in 1953. Jellema vertelde in het hoogkoor ter inleiding dat alle werken van Falcinelli tijdens haar leven waren uitgegeven, behalve dit ene stuk dat zij, nadat haar verloving was verbroken, had achtergehouden.

    Na haar dood in 2006 werd het in haar nalatenschap gevonden en alsnog gepubliceerd. Een heidens moeilijk stuk, begreep ik. Net zoals het werk van de rijzige, grijze dame bekend stond als moeilijk.
    Je kunt stellen, dat het dankzij Max Brod is dat we Kafka’s werk hebben leren kennen, maar dat het wél verwerpelijk is dat hij in diens teksten heeft huisgehouden. Misschien was dat de angst van de componist wier werk wij moesten vernietigen: dat als ze niet meer was, zij niets meer kon verduidelijken over de uitvoering van haar hondsmoeilijke werk. Falcinelli had daar minder problemen mee, gezien het feit dat er al zo’n tachtig stukken van haar op de markt waren en haar stijl inmiddels wel bekend was. Daarom rest alleen het op z’n tijd met respect uitspreken van de naam van die rijzige, grijze dame: Margriet Hoenderdos. Haar naam houdt de herinnering aan haar levend. En inherent daaraan ook aan haar muziek.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.