• Too much

    Tanden worden niet zo vaak bezongen in liefdesteksten. Dichters houden meer van ogen en lippen. Behalve de dichter van het Hooglied. In mijn tienerjaren mocht ik thuis aan tafel uit de Bijbel voorlezen. Op een dag las ik uit Hooglied 4: ‘Uw tanden zijn als pas geschoren schapen…’ Nu was diezelfde middag de schapenscheerder bij ons langs geweest en het resultaat van zijn werk was voor ieder zichtbaar: de kale schapen liepen bebloed in de wei. Voorlezen werd onmogelijk. Het eindigde in de slappe lach. Mijn moeder stelde voor om morgen maar verder te lezen.

    De bekendste tand in de literatuur is die van het zoontje van Hendrik Tollens. De dichter bezong deze tand in een bombastisch loflied dat hij in 1812 schreef, in de nadagen van Napoleon dus. Onlangs beweerde Lotte Jensen dat het loflied op de eerste tand van Hendriks ‘jongstgeboren zoontje’ een diepere laag heeft. Dat het tandje een symbool is voor de doorbrekende vaderlandsliefde. Een liefde die in 1812 nog pril was, maar in de negentiende eeuw onstuitbaar doorgroeide tot een krachtig vaderlands gebit.

    Gerdi Verbeet zei eens, als voorzitter van de Tweede Kamer,Menige snedige opmerking moet ik in mijn werk achter de ivoren wachters houden’. Ze verwees naar de roman Ivoren wachters van Simon Vestdijk. Daarin figureren de bepaald niet mooie tanden van de jonge student Philip. Door er walnoten mee te kraken, zijn ze gereduceerd tot zwarte stompjes.

    Een van de weinige schrijvers die de erotische aspecten van tanden laat zien in haar werk is Anna Blaman. Onder meer in Eenzaam avontuur: ‘Ze had maar even glans te leggen in haar ogen, en haar lippen voor haar tanden weg te trekken, en haar borsten te spannen en haar benen te rekken, en daar was wel iemand die de armen om haar heen sloeg en haar zoende en haar lichaam gloeiend van honger en daarna loom van vree maakte.’ Tanden als onderdeel van een verleidingstechniek.

    Bordewijk stopte heel veel tanden in zijn boeken. Misschien houd ik daarom wel zo van zijn werk. Niels Klinkenberg schreef hierover een aardig boekje onder de titel Het gebit bij Bordewijk. Hij turfde onder meer de tanden van paarden, wolven en muizen. Alsook lompe, grove, wrakke, vuile en gouden tanden. Gebitten zijn bij Borderwijk vaak beschadigd, incompleet of vervormd als symbool voor lichamelijk en geestelijk verval bij zijn personages. In de korte roman Bint hebben alle leerlingen een lelijk gebit. De mond van leerling Schattenkeinder is ‘onbeholpen gebeiteld. Een nat rood hol vol ouwe tandjes van vergeeld ivoor.’

    In de negentiende eeuw hadden de meeste mensen een verzameling pijnlijke rotte stompjes in hun mond. Tanden werden getrokken door plaatselijke barbiers en door rondtrekkende ‘specialisten’. Gebitten werden toen niet van kunsttanden gemaakt, maar van tanden en kiezen van overledenen. Na een veldslag was er veel aanbod. Ze werden ook wel Waterlootanden genoemd. Auke Hulst beschrijft in zijn vorig jaar verschenen prachtige historische roman De tandenjager het leven van Vos Jakobsz die in de Napoleontische oorlogen op tandenjacht gaat en de mooiste ervan in eigen mond zet.

    In Bordewijks roman Blokken (1931) is er universele mondverzorging die schitterende gebitten oplevert. Toen nog toekomstmuziek. Mijn ouders, geboren in 1919, hebben in één keer hun tanden laten trekken voor een (slecht zittend) kunstgebit. Mijn generatie (door deskundigen de verloren generatie genoemd) ging van kleins af aan naar de tandarts. De generatie van mijn kinderen (na 1990) ging naar de orthodontist en is gewend aan beugeltjes en slotjes. Een beetje influencer, zanger of acteur van deze tijd laat zijn of haar gebit bleken of met ‘facings’ bijwerken tot een lach van zelfvertrouwen. Wat tanden betreft is er zeker sprake van vooruitgang. Of lijkt dat maar zo?

    Dave, zoon van zanger Dries Roelvink, maakte bekend dat hij ontevreden was over zijn in Turkije verbouwde gebit. Hij vond het te onnatuurlijk wit en er braken stukjes af. De arme jongen kreeg allerlei beledigingen vanwege zijn ‘Turkse smoelwerk’ naar zijn hoofd geslingerd. Het was voor hem allemaal ‘too much’ en hij wilde zijn tanden graag geler hebben. Volmaakt is ook niet alles.

     

     


    Michiel van Diggelen schreef o.a. Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Hij werkt aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.

     

     

  • Zomaar verliefd

    Ik stond op een vol perron, de zon scheen. Er was sprake van veelbelovendheid. Een groep lagere schoolkinderen  begon aan elkaar te trekken en te duwen toen de trein in zicht kwam, het perron langsreed, stopte. Twee juffen riepen met overslaande stemmen, ‘rustig, laat dat, niet doen’ toen de kinderen, hun rolkoffers (waar zijn de rugzakken?) achter zich aan slepend naar de trein renden.

    Eerder die ochtend las ik over een ‘charmant’ appartement te huur in Antwerpen. Er was sprake van mooie lichtinval. De huurprijs was te doen. Ik overwoog naar Antwerpen te verhuizen, maar eerst naar de tandarts.

    Ik had een dichtbundel bij me waarin een vermoeden was van een egeltje dat zijn moeder zocht. De regels, ‘als je moeder verdwenen is / – platgereden waarschijnlijk -’ zette alles waar ik gewoonlijk niet aan denk in beweging.
    Een verweesd egeltje krijgt toegang tot de bibliotheek, ‘waar je mag knabbelen aan de ruggen van de boeken / en aan het behang’. En waar:

    ‘er een mens met lang haar is om onder
    weg te kruipen en een warme hand die je aait
    – net als de brandnetel prik je niet
    als die maar met de haren meestrijkt –
    en altijd om wereldvrede vragen

    je hobby’s zijn slakken zoeken en wroeten
    bij missverkiezingen altijd om wereldvrede vragen
    daar scoor je punten mee, ook als egel’

    Bij dat ‘ook als egel’ ontroerd raken. Er iets doorbreekt. Dat overkomt me meerdere keren bij het lezen van de bundel ’laat mijn egel met rust’ van Katelijne Brouwer. Haar poëzie is trefzeker, getuigt van een inlevend observeren. Geeft aan waar het steekt, en  dat het daar raakt.

    Het uit twee delen bestaande gedicht ‘klein kroost’ is een prachtig wedervaren van twee zwanen en hun acht jonge zwanen.

    ‘ze waren weggefietst, acht kleine zwanen
    met ingebouwde trappelmechaniekjes
    wiebelige waterfietsjes, fietsie foetsie

    (…)

    terwijlhet kleine grut zich oefent in
    koppeltje duikelen, handstand onder water
    radslag overslag, met propellerpootjes
    vooruit, kapseizen, tuimelen

    en omkieperen naar het dagnest
    van omgetrapt riet waarop
    serieus wordt gedommeld
    tot het water weer roept’

    Dat ik daar, lezend in de wachtkamer bij de tandarts, blij van word. Ik zei het al. Er breekt iets door, iets lichts. En dat er iets eenvoudigs te doen is, als mens. En dat ik nu geen zwaan meer kan zien, zonder aan fietsen te denken.

    De tandarts schudde me de hand, zei (met Spaans accent) ‘Leuk je weer te zien’. Hij droeg een bandana in zijn zwarte haren. Als er iets charmants in het spel is, kan ik zomaar verliefd worden. Op een appartement in Antwerpen, op de tandarts. En dan die gedichten die ik in de trein, in de wachtkamer las. Poëzie die zich een plek verwierf in deze ochtend, in mijn hoofd en hart.

    In Brouwers gedichten spreekt een tuin, die zegt: ‘(…) laat me met rust / laat mijn egel met rust en laat mijn bladeren liggen’ En dat ik ook daar opnieuw door geraakt word. IJsberen krijgen een stem in ‘wij ijsberen eisen ijs’. Ze trekken een lange witte protestlijn in negen coupletten. Hoe geweldig dat klinkt en waarvan hier het laatste couplet.

    ‘(…)
    geef ons ons pakijs terug, wij houden van ijs en sneeuw
    wij willen geen brood, wij willen geen stroop
    wij eisen ijzig bevroren zeeen, ringelrobben willen we
    walvisblubber en walrussenspek
    ijs! ijs! ijs!’

    Zo dus. En denk niet dat je ermee wegkomt door te denken, het zijn dieren, die hebben niets te eisen. Maar luister, vertaal hun gedrag zoals Brouwer dat doet en waardoor alles eenvoudig wordt. Lees deze heerlijke gedichten!

     

    laat mijn egel met rust / Katelijne Brouwer / 38 blz. / De Harmonie


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest.

     

     

     

  • Gillend wakker worden

    Ik nam me voor elke ochtend een wandeling naar de rivier te maken. Om de weidsheid van het water te zien. Het leek me een goed begin van de dag. Het duurde even voor ik ook werkelijk ging. Er was veel dat zich tussen het voornemen en de uitvoering ophield. Maar vanmorgen liep ik dan met de man de tuin uit, het gangpad tussen de huizen door, het trottoir over, rechtdoor naar de rivier. Het wateroppervlak glinsterde ons tegemoet. In het midden smalle stroken land, bevolkt door ganzen. We vermaakten ons met voorspellingen over hoe hoog het water nog zou stijgen. Speelden met het idee van rampspoed.

    ‘Sinds de overstroming hoor je overal druppelen, kabbelen, stromen, kolken.’, lees ik in het openingsverhaal van Weertij.

    Maar wacht, zag ik nu een bootje. Daar, in de verte? Ik vertelde de man het verhaal van die vrouw in een roeiboot die ze in de chaos van mensen op de vlucht voor water van haar buurman had gestolen. Drie dagen roeide ze over ondergelopen land. Er verdrinken mensen, er drijft een koe. Dan, een overlevende grijpt zich vast aan haar boot. Ze hakt met haar zakmes in die hand. De hand laat los. Dat het zo gaat als je in nood verkeerd. Red eerst jezelf en daarna de ander is het adagio, toch?

    Het ene verhaal is als een voorspelling van rampspoed, in een ander verhaal zit je er middenin. Verhalen die spiegelend werken. Zou ik in de overleef stand ook zo radicaal handelen als die vrouw met de roeiboot?

    Eén verhaal liet me in verwarring achter. Ik las het nog eens, maar begreep het niet. De man zei, (alsof het een Rubik Kubus betrof waarvan ik de stukjes niet op hun plaats kreeg), zal ik het eens lezen? Het verhaal van de oude vrouw die met haar dochter een paar dagen aan zee logeert. Daar treft ze haar jeugdliefde, (of toch niet?). Later, als ze het dorp verlaten, ziet ze vanuit de bus een man die rozen snoeit. Ze herkent hem, (is dat hem dan?). De man las het verhaal. Hij vond het een mooi verhaal. Hij zei dat het een geval was van je de dingen anders herinneren dan degene waarmee je het beleefd hebt. Dat het daarover ging. Ik zei, O, ja!

    Verrassend is hoe personages en gebeurtenissen van het ene verhaal in een ander en een volgend verhaal overlopen. De weervrouw, die en passant door een tienermeisje op tv wordt gezien terwijl ze zich innerlijk voorbereid op een ontmoeting met haar vriendje waarbij ze het gaan ‘doen’, waarschuwt voor smeltende gletsjers en stijgend zeewater. In een volgend verhaal een vrouw op de vlucht (naar een pension aan zee) nadat ze in haar laatste tv optreden de waarheid over het klimaat vertelde en online wordt afgemaakt.

    Dat is het ook.

    Al die thema’s. Die op een ‘be the way’-achtige wijze worden aangestipt. Zoals de vrouw uit ‘De pas gearriveerden’, drie keer moet ze opnieuw inparkeren voor het lukt. Dan: ‘de nieuwe Audi is groter dan haar vorige auto’. Dat het leven ons te groot is geworden. Dat is wel een dingetje. Deze vrouw kiest voor modemerken, datingapps en wil haar puberzoon gelukkig zien. Ook zij overnacht met haar zoon in een pension aan zee. Wat een uitstapje lijkt, blijkt een raadselachtige onderneming. Raadselachtig, omdat ik het niet wil geloven. Want gaan mensen nu en masse wachten op een boot vluchtelingen in de hoop er een mee naar huis te kunnen nemen?

    En dan zijn er die hoofdjes van klei die in verschillende verhalen opduiken. Op een plank, in de vensterbank. Soms wel veertig bij elkaar. Het is de dagelijkse werkelijkheid die Van der Kind op soms hilarische wijze uitvergroot. Verhalen waarin het geluid van roeispanen weerklinkt. Er hangt een gele jurk in een boom in het ene-, en een vrouw draagt ‘haar gele jurk, haar vlecht hangt tussen haar schouderbladen’ in een ander verhaal.

    Ik zit op de bank. Kneedwezens, de laatste bundel van Judith Herzberg naast me. Die opent met een fragment uit haar toneelstuk, Leedvermaak. Hoe kinderen voor van alles en nog wat bang zijn. ‘Pien: (…) en angst, angst, angst! Voor van alles en nog wat. De een voor wezens van een andere planeet, de ander voor kneedwezens,…’

    Riet:
    ‘Kneedwezens?

    Pien:
    ‘Ja, dat heeft Rifka. Kneedwezens. Van klei of zo zeker. Ik weet het niet. Maar ze is er als de dood voor. Gillend ‘s nachts wakker worden en zo.’

    Ik dacht, ja, dit is het. De mens een kneedbaar wezen. Gekneed naar de omstandigheden. Van der Kind kruipt in het hoofd van haar protagonisten. Ze zet een sfeer neer die doet denken aan de verhalen van Vonne van der Meer. Het eigengereide van haar protagonisten die denken dat wat zij doen, goed is. Of in ieder geval kunnen ze niet anders. Dat je daar soms gillend van wakker wordt.

     

    Weertij / Michelle van der Kind / 146 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  •  Eenzaamheid en aftakeling

    ‘Het ergste moet nog komen’. Deze veel aangehaalde woorden van Arthur Schopenhauer zijn een aansporing om tijdig de hoop op een happy end te laten varen. Omdat de meeste mensen zich er niets bij voorstellen, leven ze er doorgaans lustig op los totdat de feiten dwingen tot verandering. Het boekje Het leven moe van Detlev van Heest maakt de lezer getuige van een in de versukkeling gerakend bestaan.

    Schrijver Detlev van Heest is bekend als vriend en bewonderaar van J.J. (‘Han’) Voskuil en diens vrouw Lousje Voskuil-Haspers. Al eerder kwam Lousje Voskuil via Van Heest uitgebreid aan het woord in het boek Ik ben ik niet (Van Oorschot, 2014). Sindsdien zijn ruim tien jaren voorbijgegaan: Lousje is 99 jaar oud, enerzijds verward en kwetsbaar, en tegelijk opstandig en boos. Het een heeft ongetwijfeld met het ander te maken.

    Nog steeds is in deze hoogbejaarde dame Nicolien ter herkennen, de vrouw van Maarten Koning, hoofdpersoon van de befaamde 7-delige romancyclus Het bureau, die verscheen in de jaren 1996-2000. Nicolien is obstinaat, tegendraads, dwingend en eigenzinnig en toch tegen wil en dank: steun en toeverlaat van Maarten Koning. Nu Nicolien / Lousje de leeftijd der zeer sterken bereikt (zij is weduwe sinds 2008) laten eenzaamheid en aftakeling zich gelden.

    Konden eerder lezers om de slapstick der huwelijkse perikelen tussen Maarten en Nicolien nog schateren, de ontreddering die de ouderdom onvermijdelijk met zich meebrengt doet een mens het lachen wel vergaan. Uit een negental prozafragmenten – overwegend dialogen – rijst een ontluisterend beeld op dat de lezer met mededogen vervult. Lousje breekt een arm, ze wil geen gips, ze maakt haar mitella zoek. Ze weet niet meer wanneer dingen gebeuren, wat er is afgesproken. De poes die dood is beweegt nog, en begint weer te eten. Lousje beschuldigt de dierenarts van moord en zichzelf van medeplichtigheid. Ze durft de straat niet meer op. Ze is soms dronken en weerloos, en heel vaak heel erg moe. Het relaas zal voor veel mantelzorgers herkenbaar zijn.

    En voor wie de geschreven impressies nog niet overtuigend genoeg zijn, bevestigen bijna veertig foto’s van het interieur het verhaal nog eens indringend en onmiskenbaar: de tijd is in huize Voskuil tot staan gekomen. Niemand hoeft er meer naar op zoek, de details spreken boekdelen.

    Trouwe Bureau-lezers moeten zich dit werkje niet laten ontgaan. En los daarvan is het voor iedereen een relevante oproep: memento mori, gedenk te sterven, eens, ooit. En meer nog misschien voor nu, vóór het te laat is: pluk de dag.

     

    Detlev van Heest / Het leven moe / 88 blz. / uitgeverij Hof van Jan / beeld: Michèle Baudet / prijs € 18,-

     

  • Kaf en koren

    Het concert was prachtig: acht perfect op elkaar ingespeelde stemmen die werk van Palestrina ten gehore brachten. Sopranen, alten, tenoren en bassen, van elk twee. De menselijke stem als precisie-instrument. Als toegift zongen ze een kort polyfoon motet ‘Salva me domine’ van Jean Mouton, geboren in 1459, van wie ik nog nooit gehoord had. Zo ongelofelijk mooi en sereen, het streek de scheuren in mijn ziel een beetje glad en bracht tranen in mijn ogen.

    Toen ik na het concert naar buiten liep, ving ik flarden van gesprekken op tussen de andere bezoekers. Palestrina werd geprezen en daarna ging het gesprek over tot de orde van de dag, met vragen naar de treintijden en nog even iets drinken. Maar niemand had een woord over voor dat lied van Mouton en ik vroeg me af waarom. Omdat alleen de grote namen de moeite van het bespreken waard zijn? Omdat onbekend onbemind maakt?

    Ook in de literatuur vind je dat terug: onbekende auteurs komen niet gauw aan bod in de bestsellerlijsten, tenzij er flink aan promotie gewerkt wordt door de uitgeverij. Voor beginnende auteurs is het moeilijk om een uitgeverij te vinden die wel iets ziet in je werk. Veel van die schrijvers geven hun boek dan maar zelf uit, maar daar wordt vaak de neus voor opgetrokken: als geen uitgever het wilde hebben, dan zal het vast en zeker ook wel niks zijn. Iedereen kent het verhaal van J.K. Rowling die langs twaalf uitgevers had lopen leuren met haar eerste boek over Harry Potter voordat eentje het aandurfde om haar boek te publiceren.

    RECEPTIE

    ‘Poëzie’, sta ik te beweren
    tegen een paar ongelovige klootzakken
    in wandeltoilet, ‘komt niet uit de lucht vallen.’
    En ineens zeg komt er, je zou het
    poëtiseren kunnen noemen, poëzie
    uit de lucht vallen.
    Gelukkig dat niemand het zag verder.

    C.B. Vaandrager

    Uit: Made in Rotterdam – Verzamelde Gedichten, 2008

    Er zijn genoeg kleine dichters die grote dromen koesteren. ‘Een groot dichter zijn en dan te vallen’, zegt het ‘Dichtertje’ van Nescio. Sommigen lukt het om de droom dan maar zelf te verwezenlijken.

    Van een lieve kennis kreeg ik twee bundels cadeau: Mirjam Musch, Bloedlijn, en Theo Monkhorst, Levenslang, beide uitgegeven bij een printing-on-demand-uitgeverij. Monkhorst heeft zijn sporen verdiend met proza, maar de gedichten die hij schreef van 1960 tot 2025 gaf hij in eigen beheer uit. Ook voor Musch is deze bundel, waarin zij vertelt over haar Indische ouders die in de jaren vijftig naar Nederland kwamen, geen debuut. Self-publishing heeft grote opgang gemaakt en beide bundels zien er prachtig uit. Zowel in die van Monkhorst als van Musch staan goede en minder goede gedichten.

    Staat het al per definitie vast dat een bundel die niet bij een officiële uitgeverij is uitgekomen, daarom geen literaire waarde heeft? Nee, natuurlijk niet. Er zijn ook genoeg bundels van beroemde dichters uitgegeven door bekende uitgeverijen waarvan je denkt: mwah. Toch zou ik altijd kiezen voor een traditionele uitgeverij. Die staat garant voor kwaliteit, zowel voor binnen-  als de buitenkant van de bundel. Een professionele redacteur is onmisbaar om het kaf van het koren te scheiden. Bij een zelf uitgegeven boek moet de lezer dat doen.

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Zachte hand

    Een boek als een zachte hand. Kan dat? Ik ben daar gevoelig voor. Dat alles zonder oordeel wordt gepresenteerd, de auteur zich niet op de voorgrond dringt, het verhaal mij toekomt. Hoe de schrijfster op elke pagina een geschiedenis met zachte hand naar voren schuift. Hier, neem het, voor jou.

    Ook de moordaanslagen in Dublin worden op deze manier naar voren geschoven. En ik neem ze aan. Het is wel even slikken hoe nuchter, precies en meedogenloos het er staat. Dit is een knappe roman over het leven op een Iers eiland tijdens ‘The Troubles’ in 1979.

    ‘Joseph McKee loopt op zaterdag 9 juni in Belfast naar de slager, vlak bij de speelhal aan Castle Street waar hij een baan heeft als portier. Hij is vierendertig jaar, katholiek en werkt als vrijwilliger voor de IRA. Twee leden van Ulster Defence Association komen op een motor vlak naast hem rijden en schieten Joseph McKee vier keer in het achterhoofd, terwijl ze flink gas geven om de schoten te maskeren.’

    Als leesclub waren we ervan onder de indruk. Het meest indrukwekkende boek tot nu voor de leesclub gelezen, klonk er. We vroegen ons niet af wat de schrijfster ons wilde laten zien. We zagen het.

    Ik fietste langs de IJssel waarvan het water met de dag stijgt. Ik dacht aan een  jongen van lang geleden, denk jaren zeventig. Vriend van  de man (toen mijn vriend). Ze speelden schaak. Na elke zet smeerde de schaakvriend een stokbroodje voor zichzelf, waarna hij het mes in zijn mond stak, het door opeen geperste lippen naar buiten trok, in een bergje boursin stak. Toen was alles zacht. Ik bedoel, je hield je oordeel voor je.

    De moorden op het vasteland lijken het leven op het eiland niet te beïnvloeden. De Atlantische oceaan als buffer. De vrouwen bakken scones, er is room en appeltaart, er wordt whisky geschonken. De dertienjarige James vangt en vilt konijnen voor in de stoofpot.

    In de film The Banshees of Inisherin, dat speelt tijdens de Ierse burgeroorlog in 1923 op het kleine, (fictief) Ierse eiland Inisherin, hebben de eilanders ook genoeg aan hun hoofd om zich om een burgeroorlog te bekommeren. Twee vrienden maken elkaar het leven tot een hel, de enige huwbare vrouw verlaat het eiland om als bibliothecaresse te gaan werken. Van over het water worden rookpluimen waargenomen, de eilanders kijken elkaar aan, zeggen, ze schieten weer, en gaan verder. Dan het besef. Dat waar ook ter wereld, we uitzicht hebben op een oorlog, erlangs leven. Dit is schrijven in een nieuwe vorm, ver voorbij aan poëzie.

    James zegt voorbij de helft van het boek:

    ‘Er is een vrouw omgekomen bij een bushalte.
    Ze was jonger dan mama.
    We praten hier niet over politiek, James, zei Michéal.
    Dat is toch geen politiek, zei James. Het is een feit. Er is een vrouw omgekomen bij een bushalte. Opgeblazen met een bom.’

    Er zijn alinea’s waarin zonder onderbreking van perspectief wordt gewisseld. Ik lees het, bewonderend. ‘James snoof om zijn longen vol te zuigen met de vreemde geur die ik de hele dag zou willen inademen, nooit meer naar buiten.’ Vanuit de verteller die beschrijft hoe James geuren (verf, terpentine) opsnuift, gaat het perspectief als vanzelfsprekend over naar James zelf. En ik neem het.

    Er kwam een berichtje voorbij over een gevierd Australisch schrijfster die haar literaire prijzen aan de oorspronkelijke bewoners van Australië geeft. Het voelde als belangrijks, ik kan het niet meer terugvinden.

    De Engelse kunstschilder, Lloyd en de Franse taalonderzoeker JP Masson, die aan proefschrift over de taal werkt,verstoren de orde op het eiland. James, de jongste bewoner van het eiland is gefascineerd van de schilder. Masson dwingt James haast om zijn Ierse naam, Séamus, te gebruiken. Al wat menselijk is komt in dit boek voor. Heimelijkheid, rivaliteit, verraad. Aan het eind is er een iemand die teleurgesteld wordt, een iemand die zijn belofte niet nakomt, iemand die in zijn vuistje lacht.

    Sommige boeken zijn een voorrecht om te lezen. Een boek als een zachte hand waarmee de geschiedenis van Ierse kolonisatie door de Engelsen (en hoe dat uit de hand is gelopen) gepresenteerd wordt. Dat ik Audrey Magee bij het dichtslaan van dit boek intens bewonder.

     

     

    De kolonie / Audrey Magee / vertaling Lette Vos / 390 blz. / uitgeverij Oevers (2025)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  • Sturende kunst

    Het aansturen van dingen, daar geloof ik wel in. Ik bedoel, als mijn moeder op zondagochtend riep dat er een grote pan soep gemaakt moest worden omdat ze onze oom en tante met hun autootje volgepakt met kinderen uit Groningen verwachtte, dan kwamen ze ook. Dat was nog voordat een huistelefoon gewoon was.
    Ik zoek me een weg door deze februaridagen. Ik ging naar het Nul-Museum Eicas en zag de documentaire over de Belgische kunstenaar Paul Van Hoeydonck (1925 – 2025), The Fallen Astronaut. Ik wilde die helemaal niet zien, kwam voor een andere tentoonstelling. Van die dagen. Een suppoost van het museum hoefde alleen maar te zeggen, ‘Als u voortmaakt, bent u precies op tijd voor de documentaire over Paul Van Hoeydonck.’ En hup, daar ging ik al.’

    Ik kende Van Hoeydonck niet. Toen hij zei, ‘I’m always expected that I become more famous than Picasso.’ It was just in contrary, people hated me.’, werd ik nieuwsgierig. Hij maakte het kunstwerk ‘verloren handschoen’: een gehelmd astronautenhoofd met een losse handschoen ernaast. Hij zei dat kort daarna een astronaut op de maan een handschoen verloor. Hij keek erbij alsof hij het nog steeds niet geloofde, toch was het echt gebeurd.

    In ‘Het blauwe notitieboekje’ van Sander van Leeuwen gebeuren ook zulke dingen. Over een detectiveschrijver die nu eens een ‘boek van betekenis’ wil schrijven. Ter inspiratie leest hij zijn hele boekenkast leest. Capote, Thoreau, Ishiguro. The New York Trilogy van Paul Auster speelt een belangrijke rol in dit verhaal vol onverwachte wendingen. Die beginnen met een blauw notitieboekje gevonden in een ‘eigenaardig soort’ boekwinkel. Op eerste pagina van het verder lege boekje staat, Wees voorzichtig met wat je opschrijft. P.A.. De dingen worden raadselachtig op een geloofwaardige manier.

    Om op gang te komen schrijft hij een paar willekeurige zinnen in het notitieboekje, ‘De telefoon gaat. Verkeerd verbonden. / Een kat schiet voor de tram langs. Verdwijnt in een steeg. / Op de hoek ruikt het naar herfstbladeren en koffie.’ Dan, wandelend met zijn vrouw, ziet hij een kat voor een passerende tram oversteken, in een steeg verdwijnen. Krijgt zijn vrouw een verkeerd verbonden call. Er gebeurt wat hij geschreven heeft. Het verhaal verrast na elke alinea meer. Zal ik verklappen dat de schrijver Paul Auster ontmoet, (of is het toch niet Paul Auster?).

    Deze hele Tirade staat trouwens vol prachtige verhalen en gedichten. Er klopt iets, er verschuift iets.

    Van Elisa Veini een serie getiteld ‘Winter was hard’. Ik lees ze als notities over de tijd waarin we leven, elke regel is raak. Ik bedoel, ik zie, voel het. ‘de krant schrijft wat iedereen allang weet / en wat nu gebeurt // krijgt een stem / pas als het niemand meer treft // dan zullen allen er altijd al tegen zijn geweest’. Dat dat het is, de dingen ongrijpbaar, de dagen gebeuren.

    In het verhaal ‘Cuidado’, van Marijn Sikken gaat een vrouw voor het eerst alleen op vakantie naar de Canarische eilanden. Een man zoekt contact, waar ze niet op ingaat. Hij duikt op waar zij ook gaat (dit is een lijntje in een verhaal over hoe een vrouw gezien wordt als een object). Er komt politie aan te pas om haar te bevrijden van deze man. Al heeft hij haar met geen vinger aangeraakt, het kwaad is al geschied, ‘ook als hij er niet is, niet fysiek, zal ze de rest van de tijd op haar hoede zijn. Ze is niet meer alleen.’ Dat alleen willen zijn ook in de openbare ruimte iets is waar de ander van af moet blijven.

    Thomas Heerma van Voss schreef ‘Het interview’. Als interviewer in het boek De prullenmand heeft veel plezier aan mij, beschrijft hij de omgeving en reacties van de geïnterviewde, oude schrijvers die in de vergetelheid zijn geraakt. ‘Het interview’ is vanuit de geïnterviewde geschreven, een omgekeerd perspectief. Dat levert sterke beschrijvingen op in hoe de schrijver zichzelf als interviewer waarneemt. De geïnterviewde: “‘Er is hier in geen maanden iemand op bezoek geweest,’ zeg ik. Hij knikt kalm, maar ik zie ook iets anders in zijn blik: gretigheid. De oogopslag van iemand die iets bruikbaars opvangt.’” En dat je denk te weten wie de geïnterviewde, de verteller is. Heerma van Voss is een zuiver balanceerder op het lijntje waar verdichting en werkelijkheid met elkaar oplopen.

    Dan dit nog. ‘Jij kiert zo prachtig / tussen mijn donkerblauwe gordijnen / iedere ochtend opnieuw // Ik ben van jou ik ben van au, / ik ben van koperzeer en van kou, / ik ben van wankelmoed en trouw’, dicht Frans Kuipers in ‘Proloog’.

    Een Tirade met opvallend veel sterke en mooie bijdragen, ook van Lena Claassen, Paul Demets, Lisa Rooijackers, Inge Marleen Anton Minne, Anouk Bosch, Caspar Dulaart, Julien Staartjes, Ingmar Heytze, Daan Doesborgh en Fien Vanderbeke.

    Gun jezelf zo’n literair tijdschrift. Vind in deze februaridagen de weg naar buiten.

     

    Tirade nr. 151 / redactie: Sophia Blyden, Nikki Dekker, Daan Doesborgh e.a. / Van Oorschot / 108 blz. /


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest.

     

     

  • Halvezolen

    Mijn vader stond per definitie wantrouwend tegenover autoriteiten en identificeerde zich met ‘de mindere man’. Vooral autoriteiten die faalden, moesten het bij hem ontgelden. Maar ook onderdanige types die zich belangrijk voelen omdat ze in de schaduw van de machthebbers figureren, kon hij bepaald niet waarderen. Smakelijk kon hij lachen om figuren die de autoriteiten uitdaagden en façades doorprikten. Ik deel zijn wantrouwen enigszins en kan erg genieten van verhalen waarin autoriteiten op de hak worden genomen. De manier waarop de brave soldaat Švejk op een onnozele manier de autoriteiten te kakken zet en de regels bekritiseert, doet me schateren.

    Misschien bevalt daarom ’s Nachts onder de stenen brug van Leo Perutz me zo goed. Ik lach me een kriek om de vele aandoenlijke ‘halvezolen’ en lawaaischoppers in zijn verhalen. Ze maken zichzelf belangrijk terwijl ze zich proberen te koesteren in de warmte van het Praagse hof van keizer Rudolf II rond 1600. De hofnar Brouza wordt door de keizer gedwongen zich om te scholen tot ovenstoker van de keizerlijke vertrekken. Hij stemt van harte in met deze omscholing omdat, zoals hij snedig opmerkt, twee narren (hij en de keizer) onder één dak, er één teveel is. De keizer zelf is een zielig mannetje dat door zijn hofhouding op de been wordt gehouden. Hij geeft bakken met geld uit en is gek op de nieuwste schilderijen en recent gevonden oudheidkundige artefacten. De bijfiguren zijn aandoenlijk omdat ze ambitieus streven naar een beter leven en opscheppen welke belangrijke – maar in werkelijkheid marginale – positie ze aan het hof bekleedden. Brouza scoort met snoeven een hoofdrol.

    Er staan zinnen in deze roman die ik zou willen inlijsten. Neem deze: ‘Ik ken een gek die loopt in zijn blote hemd op straat en schreeuwt dat ze water over hem heen moeten gooien, hij zou een ziel in het vagevuur zijn, en ik ken er een die denkt dat hij een vis is, zit overdag in een tobbe en ’s nachts, als hij naar bed moet, moeten ze hem met haak en vislijn uit de tobbe trekken. Maar een gek die zijn geld weggeeft, ken ik niet, hoop echter al heel lang zo iemand nog eens tegen te komen.’ En wat te denken van de uitdrukkingen als: ‘Die man is zo rijk, die doet suiker op zijn honing.’ Dit taalgebruik, de overdrijving en de ironische benadering van mensen maken het lezen van dit boek tot een groot plezier.

    Maar ’s Nachts onder de stenen brug is meer dan een serie verhalen over kleurrijke figuren rondom de oude burcht van Praag: barbiers, narren, alchemisten en wat niet al. Maar dat doet er voor mij minder toe. Volgens vertaler Chris Bakker, die met de vertaling van deze roman goed werk heeft geleverd, is het een raamvertelling bestaande uit veertien novellen. In de twee slothoofdstukken wordt duidelijk dat de novellen onderling verstrengeld zijn en sterk samenhangen rondom de geheime relatie tussen keizer Rudolf II en de beeldschone Esther, vrouw van een Joodse koopman. Hun relatie heeft talloze gevolgen die aan het einde van de roman worden onthuld.

    Perutz wordt door kenners geroemd om de uitwerking van het plot en om de manier waarop hij gebruikmaakt van parabels, fabels en legenden uit de christelijke en joodse cultuur van Praag. Niet omdat hij zich als een moderne historicus baseert op ‘historische feiten’. Het leuke van dit boek van Perutz is dat je het op verschillende niveaus kunt lezen: als een verzameling verhalen, maar ook als een knap gecomponeerde historische roman.

    Op de achterflap van het boek staat een citaat van Daniel Kehlmann. ‘Hoe kan iemand zoiets schrijven en daarna níét tot de beroemdste romanschrijvers van zijn taal behoren?’. Meestal verafschuw ik dergelijke verkooppraatjes, maar in dit geval ben ik het ermee eens. Niet vanwege het plot, maar simpelweg omdat ik onbedaarlijk moet lachen om de zotten en dwazen in dit boek, of ze nu autoriteiten of gewone burgers zijn. Perutz is een heerlijke schrijver.

     


    Michiel van Diggelen publiceerde o.a. Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Momenteel werkt hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.

  • Tegen een stootje kunnen

    Mijn afspraak liep uit, 10:00 uur werd 10:15, werd 10:25 uur. Er was een spoedbehandeling. Vanuit de behandelkamer hoorde ik de tandarts zeggen, ‘Dit kan even pijn doen.’ Een vrouwenstem klonk, ‘Oh, ik kan wel wat hebben. Ik heb vijf kinderen gebaard.’ Op een toon van, wat dacht je, ik kan wel tegen een stootje hoor.

    Het was maandagochtend, ik zat in de wachtkamer van de tandartsenpraktijk in mijn vorige woonplaats. Vanuit de stad was ik er met de intercity, daarna met de stoptrein heen gereisd. Ik had een boek mee. Van Dis over zijn liefde voor een vrouw die hij veertig jaar deelde met een ander (de Ander genoemd). Een liefdevol boek, al wekte het ook enige wrevel. De onderdaan en vereerder in de persoon van de schrijver in relatie tot zijn geliefde. Daar kon ik niet goed tegen op die koude maandagochtend. Zo steriel, afstandelijk, en soms die toon van het jongetje dat nooit had gedeugd. Ik wilde maar niet betrokken raken bij hun levens, hun liefde. Er ontbrak een bepaalde waarachtigheid.

    Misschien kwam het door dat andere boek, Monsterlijk Moederschap van Jozefien Van Beek dat ik had gelezen, hele stukken opnieuw gelezen. Een zoektocht naar wat een vrouw beweegt een kind te willen, naar de relatie moeder en kind. Wat haarzelf bewogen heeft een kind te willen. De kern van dit essay is haar moeder, die haar alleen opvoedde en zegt dat zij het gelukkigste is dat haar is overkomen. En dat ze dat niet van zichzelf met betrekking tot haar kind kan zeggen. Het boek zwerft al weken door het huis. Het lag op de keukentafel toen mijn oudste dochter er was. Toen ik het zag liggen vond ik de titel opeens confronterend, als beledigend. En dat je soms niet weet wat je moet vinden van jezelf, als moeder.

    ‘De eerste keer dat ik heel duidelijk voelde dat ik een kind wilde, was in 2016 in New York.’, begint Jozefien Van Beek haar essay. Hoe dwingend het verlangen van een vrouw naar een kind kan zijn, onontkoombaar (kent een man, een jongen zulke verlangens naar het vaderschap?).

    Ik zag mezelf als vrouw zonder kinderen. Reizend naar Berlijn, Lissabon, Londen, elke dag (vooruit) schrijven aan iets. Als Frida Vogels, de godganse dag achter mijn werktafel (dit is geromantiseerd, ik weet het). Geen gehoor geven als er iemand voor de deur staat, enkel brood, appeltjes en noten eten. Toch had ik die kinderwens, vurig ook. Ik werd de vrouw die jaarlijks twee keer met trein en bus naar Friesland vluchtte. Zeulend met een typemachine, schrijfpapier, boeken. Na ontheemde dagen, alles weer terug naar huis bracht. ‘Als ze bij hen is, is ze niet zichzelf; als ze niet bij hen is, is ze niet zichzelf; en dus is het even moeilijk om je kinderen achter te laten als het is om bij ze te blijven.’, citeert Van Beek Rachel Cusk. Niemand laat zijn eigen kind alleen (toch?), zong Willy Alberti ooit.

    Een gedachte die me bekruipt tijdens het lezen: als we nu stoppen met ons voort te planten, wordt het leven van vrouwen er dan beter op? Natuurlijk weet ik beter, maar toch.

    ‘Samen met de baby wordt het schuldgevoel van de moeder geboren.’ schrijft Van Beek. Ze verlangde zo hevig naar een kind dat het haar emotioneerde. Als haar zoontje geboren is, lijken de dagen eindeloos lang en heeft ze nergens tijd voor. ‘Ik moet zo vaak huilen. Ik ben zo moe.’ Ze vraagt zich af of haar zoontje haar haat, ‘Ik vraag het mij echt af’.  En dan. ‘Ik prijs me gelukkig dat mijn kinderwens zo oorverdovend was. Dat ik geen greintje twijfel had. En toch. Toch vraag ik me af of het een vergissing was, of ik misschien de grootste vergissing van mijn leven heb gemaakt.’

    Op dat punt, van verlangen naar het verlangde gekregen te hebben. Daar gebeurt iets, daar zit een wankel punt.

    Van Beek spiegelt haar verlangens, ervaringen en onzekerheden over het moederschap aan films (Rosemary’s baby, The lost Daughter), citeert Rachel Cusk, Vivian Gornick, Deborah Levi, Chantal Akerman waar het moeder en kind relaties betreft. Ze laat de literatuur spreken. Je laten aanzwengelen tot introspectie, nadenken over wat je ziet. Hoe waardevol dit is. Boeken en films (om dit samengebracht te zien) als reflectie op het moederschap. De waarde van dit alles. Lees, en lees nogmaals over ons (monsterlijk) bestaan als moeders, en waar het wringt. Dat de drang tot creëren en moederschap ten koste van wat dan ook wel samengaat, heeft Van Beek met dit essay bewezen.

     

    Monsterlijk Moederschap / Jozefien Van Beek  / uitgeverij Flaneur


    Inge Meijer schrijft over de boeken die ze leest.

     

  • Tintje

    De taxichauffeur vindt dat het de laatste twintig jaar met Nederland de verkeerde kant opgaat. Of ik weet hoe dat komt, vraagt hij. Nee, dat weet ik niet, maar ik heb wel een bang vermoeden van wat hij gaat zeggen. ‘Omdat we de grenzen wagenwijd opengezet hebben voor al die eh…mensen met een tintje’, zegt hij. ‘Die geen fatsoen kennen, zich niet aan onze regels houden. Die denken dat ze zich alles straffeloos kunnen permitteren. Ze zouden ze moeten terugsturen of op zijn minst opsluiten. Maar ja, Nederland is niet streng genoeg.’
    Ik breng voorzichtig naar voren dat de gevangenissen ook vol zaten toen er nog geen migranten in Nederland waren. Misdaad is niet aan een enkele bevolkingsgroep voorbehouden. Maar hij luistert niet en vraagt of ik wel eens naar het programma Opsporing verzocht gekeken heb. ‘Dieven, verkrachters en moordenaars, altijd allemaal donkere mensen, mevrouw.’

    De adem stokt in mijn keel en ik voel hoe ik verstijf. Wat als ik hem nu vertel dat ik al een halve eeuw getrouwd ben met een van die donkere mannen? Dat mijn kinderen met een tintje aardige, eerlijke, betrouwbare mensen zijn? Dat hij mijn man, mijn kinderen, mij, een klap in het gezicht geeft met zijn uitlatingen? Misschien moet ik James Baldwin citeren: ‘It has always been much easier (because it has always seemed much safer) to give a name to the evil without than to locate the terror within’. Misschien moet ik het gedicht van Anne Vegter voordragen, dat ze in 2015 schreef als Dichter des Vaderlands.

    ‘Welkom in Nederland

    Iemand zei geschiedenis zoekt naar evenwicht.
    De tellingen hebben ons overtuigd:
    mensen en mogendheden in ongelijke mate.
    Nu lopen de cijfers langs de wegen van Europa
    vol speeksel, vol tranen, vol dringende verwachtingen.
    En waar zou jij op hopen als je verhaal, je land,
    je stad, je monument, je berg, je dorp, je eer,
    je school, je huis, je deken, je matras,
    je nachtrust dagelijks aan stukken werd gerukt?
    Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.
    En onze harten slaan de tijd, beng, beng,
    om het logeermatras te kloppen.’

    Maar ik zeg niets. Hij zou niet luisteren en als hij het wel deed, zou hij zijn mening niet wijzigen, of erger nog: zeggen dat er ook wel goeie tussen zitten.
    De tijden zijn voorbij dat ik als wereldverbeteraar vooraan op de barricades stond, mijn bloeddruk is tegenwoordig te hoog. Je kunt tijdens een taxiritje van twintig minuten geen eeuwen aan vooroordelen bestrijden.

    Heb ik de morele plicht om er iets van te zeggen? Misschien. Ben ik laf? Nee, ik ben alleen maar moe. Ik wil me niet weer moeten verdedigen of rechtvaardigen. Het is bij lange na niet de eerste keer dat ik zulke tirades moet aanhoren. Omdat ik wit ben, omdat ik ‘eigen volk’ ben. Maar dat ben ik niet. Niet meer. Ik wil niet behoren tot een volk dat eeuwenlang landen en volkeren heeft geplunderd en uitgebuit en nu weigert de rekening te betalen. Ik wil horen bij mensen die hun verantwoordelijkheden nemen en samen ervoor zorgen dat de wereld inderdaad verandert. Maar dan een andere kant op dan die de taxichauffeur voor ogen staat.

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Uit de hand gelopen

    Een boek lezen en dan de vergelijking met het eten van koekjes, krokant, zoet, met citroensmaak. Je blijft pakken, happen, de tanden in het krokante, het zoet, waarna het licht zure vrijkomt. En dat telkens opnieuw. Ik lag geïsoleerd in mijn kamertje, het hoofd vrij van dingen, en werkte me gretig de wereld van Joost Zwagerman binnen. De biografie is zo nu en dan een verwarrend geheel, het begint enigszins chronologisch, maar dat lijkt algauw niet te werken voor het leven van Zwagerman. Waarna feiten, en jawel, fictie uit het leven van de schrijver, nogal door elkaar lopen. Maar terwijl ik lees, stijgt mijn bewondering voor de biografe die uit de vele verwarrende levenslijnen van de schrijver een geweldig wervelend literair tijdsbeeld heeft opgetrokken. Ondanks de soms overdoses aan informatie, herhaling van feitelijkheden, overviel me hoe knap dit was en nam ik alles voor lief.

    Dat was zondag. Oh oh oh, appte een vriend die gevraagd had of ik ook naar het interview met Zwagermans biografe, Maria Vlaar ging. Snotterend en proestend appte ik hem dat ik wel wilde maar in de lappenmand lag. Dat nu de klus geklaard was, alles verdragen was (verhuizen is de dingen verdragen) stortte het bouwwerk van voortgaan en ‘alles komt goed’ in elkaar. Ik bleef het best in bed. Met Zwaag,  de omvangrijke, krap anderhalf kilo wegende biografie. En stiekem geloofde ik dat ik die dag om drie uur, wanneer het interview met zijn biografe zou beginnen, er bij zou kunnen zijn. Als ik lees lacht de wereld me toe, word ik overmoedig. Ik was al tot pagina 255 gekomen.

    Kruik aan mijn voeten, gefilterd zonlicht door de gordijnen, het geluid van zoevende auto’s door de laan waar ik nu dus woon, las ik verder over de jaren dat Zwagerman debuteerde met de Houdgreep, leurde met gedichten, korte verhalen en ideeën voor een roman bij verschillende uitgevers. Die daar onderling weer onmin over kregen. Een kort verhaal publiceren in het literair tijdschrift van de ene uitgeverij, een contract voor een boek bij een andere uitgeverij. Ruzie maakte met Roderik Six die een slechte recensie (maar dan zijn we opeens in 2014 beland) over Americana had geschreven voor het tijdschrift Knack. Hoe De schrijver op zulke momenten direct in de pen (computer) klom. Schreef dat Six een ‘luie recensent’ was. En, ‘De man verzint, verdraait en marchandeert uit voorbedachte rade.’

    Maar dat ‘unstoppable’ leven van een man die de wereld naar zijn hand wilde zetten. Bij DWDD wilde hij alleen over kunst komen praten als Matthijs van Nieuwkerk hem niet in de rede zou vallen. Een man die als schrijver begon en de literaire wereld wilde veroveren, werd presentator op radio en tv, BN’er, politiek- en kunstduider. En dan was er steeds die ene roman in wording. Hij verspreidde het nieuws dat hij er mee bezig was, maar waarvan geen letter op papier stond. De vetes met recensenten als Michael Zeeman, Arjan Peters. Ruzies met uitgever Wouter van Oorschot, verbroken vriendschappen. Alles omwille van de literatuur. Ik krijg met hem te doen, begrijp het wel. Als je dingen hoog hebt te houden, is de uitputting steeds nabij.

    ‘De zoon, de schrijver, de lezer, de minnaar, de bewonderaar, de zieke en de boetedoener.’ Al die levens vervulde hij met verve, tot het niet meer ging. ‘Om na te denken heb je overzicht een weidsheid nodig.’ Daar ontbrak het Zwagerman aan. Toch, nu ik het geheel overzie, ben ik begaan met deze schrijver die zo zijn best deed maar steeds een verkeerde afslag nam.

    Dat literatuur om betekenis gaat laat Vlaar bovenal zien. Het schrijverschap van Zwagerman wordt op een meer dan betekenisvolle manier geduid. Hoe zijn gemarchandeer, zijn gewenste zelfbeeld (man uit een stuk)  in zijn romans is terug te vinden. En hoe dat hele uit de hand gelopen leven tot stilstand kwam. Bewondering voor de biografe die deze vaardig geschreven biografie afleverde. Biografie als een intense beleving.

     

    Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman /  Maria Vlaar / 768 blz. / Arbeiderspers


    Inge Meijer schrijft over wat zich in de kantlijn van haar leven afspeelt en de boeken die ze leest.

     

     

     

  • Een kathedraal van woorden

    Onlangs was ik op een feest waar een literaire quiz werd georganiseerd. Gasten werd gevraagd hun favoriete roman te noemen en ik riep meteen Mystiek lichaam. Anderen riepen Nooit meer slapen en Oeroeg. Vervolgens was het de bedoeling dat de gasten zich groepeerden rondom de persoon die een voor hen bekende titel had geroepen. Van de honderd aanwezigen koos niemand voor mijn boek, behalve een man die zei dat hij alleen tuinboeken las.

    Op 7 januari jl. was het 75 jaar geleden dat Frans Kellendonk, de auteur van Mystiek lichaam, werd geboren in Nijmegen. Hij was een bijzondere jongen die al op jonge leeftijd promoveerde. Zijn werk trok direct de aandacht van literatuurliefhebbers. Hij werd niet oud, overleed in 1990 ten gevolge van AIDS. Op zijn rouwkaart stond: ‘Remember me, but forget my fate.’

    Na zijn overlijden werd het stiller rondom zijn werk. Bij tijd en wijle wordt er aandacht aan besteed, bijvoorbeeld bij de publicatie van zijn Verzameld Werk, zijn brieven en zijn biografie. Bij de plaatselijke boekhandel zijn zijn boeken niet op voorraad.

    Kellendonk is een van de weinigen die in mijn jonge jaren de godsdienstige traditie waarin hij opgroeide een plaats in zijn bestaan te geven. Daar was ik zelf ook volop mee bezig, met Kellendonk als mijn grote voorbeeld. Hij zag de cultuurhistorische betekenis van het christendom en had bewondering voor de schoonheid van de overgeleverde geloofswaarheden waarin hij zelf niet meer geloofde. In een interview met Vrij Nederland zei hij: ‘Het is gevaarlijk het verleden zomaar weg te willen vegen, er niks mee te maken willen hebben, en te willen doen alsof we zomaar opnieuw kunnen beginnen.’

    Een echte schrijver emigreert volgens Jos Palmen uit de familie en het land dat hem baarde. Kellendonk deed dat ook, maar hij wilde op een of andere manier daarmee verbonden blijven in het besef dat hij de traditie waarin hij opgroeide nooit helemaal opzij kon schuiven. Onderzoek doen naar de verbinding met de eigen traditie is overigens heel wat anders dan het verheerlijken van het verleden.

    Bij herlezing van Mystiek lichaam word ik opnieuw gegrepen door Kellendonks taalgebruik. Zijn stijl is hoekig en compact, barstensvol metaforen. Zo beschrijft hij niet bepaald vleiend een oude kunstcriticus: ‘Op zijn voorhoofd groeiden de wenkbrauwen in lange scheefgewaaide pollen, als op een oude vestingwal. Maar het afstotelijkst was de lobbes van een buik die bij hem op schoot zat. De gevlekte handen fladderden en bibberden er onderdanig omheen.’ Kellendonk is niet aardig voor zijn personages. Ze worden tot op het bot uitgekleed en in al hun naaktheid getoond.

    Het boek gaat over de familie Gijselhart, die herenigd wordt rondom de zwangerschap van dochter Magda. Daarvoor komt ook zoon Leendert na een mislukt avontuur in New York terug naar ‘De Doornenhof’. Magda wordt veelzeggend door de andere familieleden Prul genoemd. Van enig onderling mededogen is in deze familie geen sprake. Kellendonk maakt er een rariteitenkabinet van vol groteske figuren. Neem bijvoorbeeld de vrekkige, kille vader. Hij is een geldwolf, een pestkop, een racist, een naarling. Alles in en om hem verwijst naar metaal en steen. Een oude loods achter huis is volgestouwd met oud ijzer en sloopmateriaal. De auteur laat de perenbomen ‘glimmen als lantaarnpalen’. Het gras op vader Gijselharts erf lijkt ‘ijzervijzel’, het jonge boomblad ‘blikkert metaalachtig’. Vader telt zijn geluk in guldens en dubbeltjes. Zijn gezicht is gekreukeld als een oud bankbiljet. Alles is koud bij hem. Als hij ligt te slapen is zijn mond ‘als een kapotte deur opengevallen’. Het is erg verleidelijk met citeren door te gaan.

    In zoon Leendert tekent hij een homoseksuele mislukkeling. Zijn liefde wordt in de roman als parodieliefde betiteld. Hij wordt een seksuele ruimtevaarder genoemd die geen leven voortbrengt, alleen de dood. Hij noemt zichzelf ‘een Frankenstein in het seksuele’ en ‘een uitgebluste draak’. De ‘bloedkankerkliniek’ die hij moet bezoeken omdat hij aan AIDS lijdt, wordt door Leendert ‘Klein Transsylvanië’ genoemd.

    Spot is bij Kellendonk ook zelfspot, door enkele recensenten ‘zelfhaat’ genoemd. Hij sneed met de figuur Leendert in eigen vlees en ironiseerde zijn eigen opvattingen en geaardheid. Toen hij de roman schreef was al duidelijk, waar hij zelf aan leed. Ook dochter Magda en haar geliefde, de Jood Pechman (what’s in a name?), komen er niet best van af. Enkele recensenten beschuldigden Kellendonk zelfs van antisemitisme.

    Kellendonks Mystiek lichaam is een stilistisch meesterwerk dat mij, ook bij de zoveelste lezing, geen moment verveelt. Kellendonk zei eens: ‘De stijl is het lichaam van de schrijver. Daarin komt zijn persoonlijkheid tot uitdrukking.’ Hij onthult in deze roman zijn nietsontziende blik op de mensheid, maar ook op zichzelf. De auteur opent vele taalregisters en maakt van zijn laatste roman een kathedraal van woorden. Lees en geniet, zodat zijn tragische leven niet voor niets is geweest.

     

     


    Michiel van Diggelen publiceerde o.a. Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Momenteel werkt hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.