Tanden worden niet zo vaak bezongen in liefdesteksten. Dichters houden meer van ogen en lippen. Behalve de dichter van het Hooglied. In mijn tienerjaren mocht ik thuis aan tafel uit de Bijbel voorlezen. Op een dag las ik uit Hooglied 4: ‘Uw tanden zijn als pas geschoren schapen…’ Nu was diezelfde middag de schapenscheerder bij ons langs geweest en het resultaat van zijn werk was voor ieder zichtbaar: de kale schapen liepen bebloed in de wei. Voorlezen werd onmogelijk. Het eindigde in de slappe lach. Mijn moeder stelde voor om morgen maar verder te lezen.
De bekendste tand in de literatuur is die van het zoontje van Hendrik Tollens. De dichter bezong deze tand in een bombastisch loflied dat hij in 1812 schreef, in de nadagen van Napoleon dus. Onlangs beweerde Lotte Jensen dat het loflied op de eerste tand van Hendriks ‘jongstgeboren zoontje’ een diepere laag heeft. Dat het tandje een symbool is voor de doorbrekende vaderlandsliefde. Een liefde die in 1812 nog pril was, maar in de negentiende eeuw onstuitbaar doorgroeide tot een krachtig vaderlands gebit.
Gerdi Verbeet zei eens, als voorzitter van de Tweede Kamer, ‘Menige snedige opmerking moet ik in mijn werk achter de ivoren wachters houden’. Ze verwees naar de roman Ivoren wachters van Simon Vestdijk. Daarin figureren de bepaald niet mooie tanden van de jonge student Philip. Door er walnoten mee te kraken, zijn ze gereduceerd tot zwarte stompjes.
Een van de weinige schrijvers die de erotische aspecten van tanden laat zien in haar werk is Anna Blaman. Onder meer in Eenzaam avontuur: ‘Ze had maar even glans te leggen in haar ogen, en haar lippen voor haar tanden weg te trekken, en haar borsten te spannen en haar benen te rekken, en daar was wel iemand die de armen om haar heen sloeg en haar zoende en haar lichaam gloeiend van honger en daarna loom van vree maakte.’ Tanden als onderdeel van een verleidingstechniek.
Bordewijk stopte heel veel tanden in zijn boeken. Misschien houd ik daarom wel zo van zijn werk. Niels Klinkenberg schreef hierover een aardig boekje onder de titel Het gebit bij Bordewijk. Hij turfde onder meer de tanden van paarden, wolven en muizen. Alsook lompe, grove, wrakke, vuile en gouden tanden. Gebitten zijn bij Borderwijk vaak beschadigd, incompleet of vervormd als symbool voor lichamelijk en geestelijk verval bij zijn personages. In de korte roman Bint hebben alle leerlingen een lelijk gebit. De mond van leerling Schattenkeinder is ‘onbeholpen gebeiteld. Een nat rood hol vol ouwe tandjes van vergeeld ivoor.’
In de negentiende eeuw hadden de meeste mensen een verzameling pijnlijke rotte stompjes in hun mond. Tanden werden getrokken door plaatselijke barbiers en door rondtrekkende ‘specialisten’. Gebitten werden toen niet van kunsttanden gemaakt, maar van tanden en kiezen van overledenen. Na een veldslag was er veel aanbod. Ze werden ook wel Waterlootanden genoemd. Auke Hulst beschrijft in zijn vorig jaar verschenen prachtige historische roman De tandenjager het leven van Vos Jakobsz die in de Napoleontische oorlogen op tandenjacht gaat en de mooiste ervan in eigen mond zet.
In Bordewijks roman Blokken (1931) is er universele mondverzorging die schitterende gebitten oplevert. Toen nog toekomstmuziek. Mijn ouders, geboren in 1919, hebben in één keer hun tanden laten trekken voor een (slecht zittend) kunstgebit. Mijn generatie (door deskundigen de verloren generatie genoemd) ging van kleins af aan naar de tandarts. De generatie van mijn kinderen (na 1990) ging naar de orthodontist en is gewend aan beugeltjes en slotjes. Een beetje influencer, zanger of acteur van deze tijd laat zijn of haar gebit bleken of met ‘facings’ bijwerken tot een lach van zelfvertrouwen. Wat tanden betreft is er zeker sprake van vooruitgang. Of lijkt dat maar zo?
Dave, zoon van zanger Dries Roelvink, maakte bekend dat hij ontevreden was over zijn in Turkije verbouwde gebit. Hij vond het te onnatuurlijk wit en er braken stukjes af. De arme jongen kreeg allerlei beledigingen vanwege zijn ‘Turkse smoelwerk’ naar zijn hoofd geslingerd. Het was voor hem allemaal ‘too much’ en hij wilde zijn tanden graag geler hebben. Volmaakt is ook niet alles.
Michiel van Diggelen schreef o.a. Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Hij werkt aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.



Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.
Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest.
Michiel van Diggelen publiceerde o.a. Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Momenteel werkt hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.