Ik wenste me ineens een ruim zittende trui, afgetrapte schoenen. Ik had genoeg van haar dat goed zit, gestifte lippen, juiste schoenen. Met woorden tracht ik de lijnen van mijn ongenoegen af te bakenen. Ik rammel maar wat met letters als was het een pokerspel. Geen woord valt samen met een ander woord. Annie Dillard heeft het over een hamer. ‘Je lijn van woorden is een hamer. Je beklopt de muren van je huis. Je tikt tegen de muren, lichtjes, her en der. Na jaren aandachtig tikken weet je op welk geluid je moet letten.’ Ik stel me zo voor dat ik al kloppend de holle frasen op het spoor kom, de doffe klanken.
Ik doe het mezelf aan. Met elk nieuw boek begeef ik me op onbekend terrein, raak door zinnen verbijsterd. Het boek Wolf gaat over de vermissing van een broertje, een nakomertje. Na vijf maanden vermist te zijn geweest wordt hij dood gevonden in de bossen van Lapland met een Moleskine notitieboekje om zijn lijf gebonden. Hoe hij daar gekomen is, waarom hij daar was, waarom zijn familie niets wist van zijn wens te willen verdwijnen, daar zoekt de schrijfster Lara Taveirne naar.
Dat Moleskine boekje werd door de Zweedse politie, toen hij gevonden werd, in beslag genomen. De familie wachtte er met smart op. De hoop er een boodschap in te vinden die een aanwijzing over het ‘waarom’ zou kunnen geven, was als de beruchte strohalm. Als dan een Zweedse mail binnenkomt, wordt die hoopvol geopend. Gaande de vertaling van de mail begrijpen ze dat het dagboek nog niet vrijgegeven kan worden. ‘De vertaling voelde als het uitpakken van een fout gekozen cadeau.’ Hoe teleurstelling voelbaar wordt. Als later een kopie van het dagboek wordt bezorgd, belt haar moeder, na het gelezen te hebben, haar op. ‘Die broer van je, hij had schrijver moeten worden.’ Dat is ook wat ik dacht toen ik de in het boek opgenomen dagboekfragmenten hem las: dit is waarachtig een schrijver.’
‘(Al sinds mijn vertrek zit ik met een knagende hersenbreker in mijn kop. Die gast die Brommer op zee schreef, hoe heette die? Arie, denk ik. Maar ik weet het niet zeker. Als ik de voornaam kan achterhalen dan komt de rest vanzelf. Ik zou het graag aan iemand willen vragen, zoals aan de vrouw die schuin tegenover me zit en eruitziet als iemand die barst van de variaweetjes, maar ik durf niemand aan te kijken, laat staan tegen iemand te praten. Merde! Hoe heet die kerel toch? Het lijkt absurd dat ik me daar in het aangezicht van de dood nog druk om maak, maar intussen geloof ik echt dat ik pas vredig kan sterven als ik het weer weet. Maak je kenbaar, meneer Brommer op zee! Fluister uw naam.)’
Dat ik hem wil influisteren: J.M.A. Biesheuvel… Maarten Biesheuvel.
En dan. Beroemde schrijvers zijn waardeloos als ze het met echte woorden moeten doen. Ik hoorde van een schrijver die buiten zijn literaire werk nog geen boodschappenbriefje kon schrijven (Hemingway?), van een schrijver die verschillende versies nodig had om een helder te-laat-op-school-kom-briefje voor zijn kind te schrijven.
Bij Taveirne is er een verweg familielid, een beroemd en gelauwerd schrijver die hen steun betuigt. ‘Een paar dagen nadat je was gevonden – we zaten verschanst in het ouderlijk huis – viel er een brief van de beroemde schrijver in de bus. Mijn moeder riep ons allen bij elkaar. Er lag verwachting in haar ogen. Verwachting die op ons oversloeg. In die envelop, dat geloofden we, zaten de woorden die de pijn het zwijgen zouden opleggen.’ Maar er was geen brief, maar een kaart waarop stond, ‘Hier zijn geen woorden voor’. Haar moeder staart naar de kaart, draait hem om en om, kijkt in de envelop, (alsof daar de woorden ingevallen zijn). Taveirne op dat moment: ‘Als de beroemde schrijver geen woorden voor ons had, dan waren we officieel reddeloos verloren.’
Dit boek heeft me te pakken. Herinneringen aan een verdwenen broer, de liefde, de wanhoop en het waarom van dit boek. ‘Ik heb het nodig om het onder woorden te brengen, omdat ik het anders niet kan geloven.’ Tot haar broertje schrijft ze, ‘Ik hoop dat jij het niet erg vindt dat ik jou hertekend heb. Herschreven. (…) Alles om je te beschermen tegen het echte verdwijnen.’
Taveirne heeft met zoekende en liefdevol kloppende hamer de woorden gevonden (‘je lichaam in een verhaal gewikkeld’) waarmee ze een jongen tot leven bracht. Een broertje, een nakomertje, een zoon die het in zich had schrijver te worden. En dan nog, dat verlangen naar een afgedragen trui.
Wolf / Lara Taveirne / Prometheus (2024) / 236 blz.
Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.





























































































































































































































































































