Er zat een haas in het midden van het veld waar ik langsfietste. Fier rechtop berekende Haas zijn kansen. Ik fluisterde, ‘Ik zie je Haas’, stapte af en weg was Haas. Dat ik een haas aanspreek als was het een opperwezen dat een hoofdletter verdient, komt door Paul Biegel. Sinds zijn trilogie over Haas, raak ik betoverd als ik er een zie. De machtige kracht van het gestrekte lijf wanneer Haas ervandoor gaat. Telkens als ik er een zie, geloof ik graag dat het de enige echte is. Haas, waar in een verwilderde tuin door pad en goudvis, de gezusters nachtvlinder en het bijenvolk op gewacht werd. Haas als brenger van het goede. Alleen de mieren geloofden daar niet in.
In De mierenkaravaan van Mariken Heitman komt ook een haas voor. Maar anders dan in die verwilderde tuin bij een verlaten huis, bezoekt deze haas de groentetuin van tuindersvrouw Kiek. Hij vervult haar met ontzag, maar ziet hem liever gaan dan komen. En dan zijn er de mieren.
‘Stel, je ontdekt drie mieren op de muur. Al snel blijken het er dertig te zijn, honderd, een veelvoud, je ziet dat ze allemaal in dezelfde richting lopen maar ook dat is incorrect: sommige lopen heen en andere terug. Dan zie je dat ze nooit botsen, dat het enige contact eruit bestaat dat ze elkaar soms betasten met hun voorste pootjes. Je zet een stap terug en overziet dan pas hun hele route, die over de muur slingert maar gemiddeld genomen als een stijgende lijn een duidelijke richting heeft, je volgt die machtige zijderoute als een drone en al die moeite, denk je, al dat lopen. Zowel oorsprong als doel ligt buiten beeld.’
Je denkt na herlezing (zo’n boek is het, je leest het nog eens), is dit niet de kern van het boek? Je nergens iets van aantrekken, nergens in geloven, zoals mieren dat doen. Geen doel stellen, niet achterom kijken, het nu is wat geldt. Wat voor Kiek – die met zichzelf te stellen heeft sinds uit een scan bleek dat ze MS heeft – betekent dat ze zal zaaien, oogsten, grond bewerken, teeltplannen maken, opnieuw zaaien. De seizoenen stuwen haar voort. In de vier hoofdstukken Herfst, Winter, Lente en Zomer heeft Kiek te maken met krachtverlies in handen, zwabberbenen, en moe, zo moe. Er is een intens proces gaande.
Bij eerste lezing was het de reikwijdte van liefde die me trof. Waarom verbreekt Kiek haar liefdesrelatie nu ze MS heeft. Is een ziekte het waard de liefde af te wijzen? Ik denk aan de oudste zus van Jan Fontijn waarover hij schreef in Opgebouwd uit hetzelfde. Ze had hartproblemen waardoor ze, zo zei de arts, niet kon werken. En beter was het, zei de arts, met zo’n hart niet te trouwen. Waarmee hij haar de kans op een partner, die na haar dood om haar zou treuren, ontzegde. Dat is wat ook Kiek doet, zei ontzegt zich het medelijden en zorg van haar vriendin. Omdat ze de eenzaamheid beter verdraagt dan de liefde.
Wat me bezighoudt, is de ik-verteller. Is het Kieks alterego, is het de tuin? Want als aan groenten, aanvliegende ganzen en een composthoop menselijke eigenschappen worden toegekend, waarom zou de tuin dan niet de verteller kunnen zijn. Hoe de ik de staat van een composthoop beschrijft. ‘Wekenlang gebroeid. In zijn hete buik is materie veranderd, hij is geslonken en inmiddels is de koorts gezakt. Na het smeulen volgt lauw wachten, zijn ademhaling oppervlakkig.’ Hoe mooi je dit vindt.
Of is de ik bedoelt om bij afwezigheid van Kiek hiaten op te vullen. Kijk, in het volgende fragment stelt de ik zich voor als nettenboeter. ‘Want dat is wat ik doe, ik vertel en boet het net. Vul gaten op en verknoop draden, zodat het een logisch uit het ander, zodat al die draden samen een weefsel vormen, (…) zodat ook de toekomst weer kloppend klinkt en de samenhang is verzekerd.’ Het fascineert me. Lees hoe rabarber groeit, elke lente opnieuw. Kijk dan toch! ‘de wortelstokken duwen hun toverballen boven de grond. Groen met rood dooraderde drakeneieren, bruin geschubd. Als over een paar dagen die leerachtige schaal barst, verschijnen er stijve bladeren op zuurstokstelen.’ Mooier zag ik de groei van rabarber nog niet eerder omschreven. Een betoverende en rijke roman.
De mierenkaravaan / Mariken Heitman / Blz. 206 / Atlas Contact
Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks over haar leven met boeken.





























































































































































































































































































