Op een of andere manier is in het huis van de literaire historie altijd plaats voor de gedoemde dichter. Tijdens zijn leven verguisd, bespot, gemeden of in elk geval niet goed begrepen. En na zijn dood juist herkend als kwartiermaker en wegbereider. In Nederland was Slauerhoff er zo een. Het ultieme specimen is de Franse 19de eeuwse dichter Charles Baudelaire. Ten slotte ook maar de schrijver van één werkelijke bundel, maar wat voor een: Les fleurs du mal (1857) groeide uit tot een van de meest invloedrijke gedichtenbundels ooit.
Menno Wigman voelde zich sterk verwant aan Baudelaire. Al op 21-jarige leeftijd vertaalde Wigman gedichten van Baudelaire en publiceerde deze in eigen beheer, onder het halfpseudoniem Menno Wichman, met c h, waarmee hij een saluut bracht aan die ándere Nederlandse zeer onburgerlijke poète maudit: Erich Wichman(n), die leefde van 1890-1929. Menno Wigman overleed in 2018, slechts eenenvijftig jaar oud. Aan zijn dichterschap is nu (vijf jaar na zijn ontijdige dood) een ondanks alles, bijzonder feestelijk lees- en kijkboek gewijd.
In een tiental hoofdstukken wordt Wigman’s leven en werk van verschillende kanten belicht. Sommige van die hoofdstukken zijn in principe ‘tekstloos’, d.w.z. er is genoeg te lezen maar het betreft vooral afbeeldingen van schrijvers en boeken die Wigman hebben geïnspireerd, vaak knipsels, handschriften, plakboeken en ander geknutsel uit de nalatenschap van de dichter zelf. Andere meer beschouwende hoofdstukken zijn van de hand van vriendin van Wigman en vertaalster Kiki Coumans, en de dichters Rob Schouten, Willem Thies en Vrouwkje Tuinman.
Op 16-jarige leeftijd maakte Wigman in eigen beheer zijn eerste poëziebundel, hij gaf een eigen tijdschrift uit (‘Nachtschade’) … alles getuigde van ‘het vuur van zijn ambitie’. En ook voor het overige komt het allemaal voorbij: drummen in een punkbandje, de telkens weer veel te tijdelijke troost van seks, verlangen naar Parijs, spleen, dwepen met vergankelijkheid en dood. Juist in de context van dit laatste manifesteerde Wigman zich – zeer toepasselijk – als een der initiatiefnemers van het fenomeen ’eenzame uitvaart’.
Pièce de resistance is het slot van het boek, dat een inventaris behelst van Wigman’s bibliotheek. Het gebruikte lettertype is helaas te klein om makkelijk te kunnen lezen; ongetwijfeld is hiervoor gekozen met het oog op de nodige ruimtebesparing, en met een vergrootglas is het leesbaar. Aldus is men erin geslaagd om op zestien bladzijden ruim 3.200 titels op te sommen van boeken die bij Wigman in de kast stonden. Een prachtige lijst met – wie zal het verbazen – heel veel poëzie. Van Achmatova tot Yeats en van Achterberg tot Tuinman. En heel veel Baudelaire.
Het is ongerijmd dat een boek over een helaas te jong gestorven dichter, die zelf bezeten was van dood en vergankelijkheid, zoveel enthousiasme weet los te maken. Want dat doet het. Voor de makers van dit boek, van wie zeker ook vormgever Huug Schipper moet worden genoemd, voor dichter Menno Wigman en voor de poëzie zelf. Bron van schoonheid, inspiratie en troost.









