Nachtwoud is geen toegankelijk boek. Het wordt de lezer niet gemakkelijk gemaakt, maar ook de vertaler niet, zoals vertaler Engels-Nederlands Erik Bindervoet in het begin van zijn ‘nachtwoord’ (dus geen ‘nawoord’) stelt. Een beetje zelfingenomen wel die constatering, en tikje valse bescheidenheid maar geloofwaardig is het ook.
Nachtwoud van de Amerikaanse bohémien journaliste en auteur Djuna Barnes (1892-1982) is een boek dat je enerzijds niet loslaat maar anderzijds ook moeilijk te volgen is. Het vertelt het verhaal van een aantal zoekende, ontwortelde mensen in het kosmopolitische Parijs van de jaren twintig van de vorige eeuw tijdens hun vooral nachtelijke belevenissen en ontmoetingen. De kern van het boek, de hoofdthese, is de mythe van de romantische liefde. In het boek ‘de vleesgeworden leugen van ons tijdsgewricht’ genoemd, ‘de liefste leugen van ons allemaal’. Het dichtstbij komt nog de liefde tussen vrouwen, maar ook die schiet in de ogen van Barnes uiteindelijk tekort.
‘De liefde, dat erge ding!’
Uit een – uiteraard nachtelijke – scène in een rijtuig van drie personen, hoofdpersoon Robin, een vrouw die zoekt naar liefde maar ook gezocht wordt, met Jenny en de (mannelijke) dokter; ‘Ach zei hij, de liefde, dat erge ding!’. Ze (Jenny) begon op de kussens in te beuken met haar dubbele vuist. ‘Wat weet jij daar nou van? Mannen weten er nooit iets van, waarom zouden ze ook? Maar een vrouw moet er wel van weten – zij zijn fijngevoeliger, heiliger, mijn liefde is heilig en mijn liefde is groots!’. Maar hoofdpersoon Robin maakt er korte metten mee: ’Hou je mond, zei Robin en legde haar hand op haar knie. ‘Hou je mond, je weet niet waar je het over hebt. Je praat de hele tijd en je weet nooit iets. Dat is zo’n afschuwelijke zwakte van je. Jezelf identificeren met God, hou ermee op!’. De scène eindigt in een gevecht tussen de twee vrouwen, waarna Robin uit het rijtuig springt, kort daarna gevolgd – toch – door Jenny. De twee vrouwen vertrekken daarna per boot naar Amerika. Hun relatie, een groot woord voor een ingewikkelde omgang met elkaar, eindigt met een hysterische Jenny. Robin trekt nu weer naar een van de andere vrouwelijke hoofdpersonen, Nora, maar ook dat loopt niet goed af. Een gewelddadige nachtelijke scène in en bij een kapel buiten New York waarbij èn Nora èn een hond het leven laten is het einde van het boek.
Op zoek naar de liefde
Nachtwoud laat zich niet of nauwelijks lineair navertellen, je moet je erin onderdompelen zonder dat je je voortdurend afvraagt wat er gebeurt, wie waarom handelt en wat de preciese uitkomst is van de nachtelijke voorvallen. Het verhaal meandert rond een handjevol hoofdpersonen die allen nogal bijzonder zijn. Wat hen bindt is een gevecht rond hun identiteit, ze zijn uitgestoten, en proberen via de ander zichzelf beter te leren kennen. Dat lukt steeds niet en dan is de enige remedie daartegen gewoon maar verder leven en zonodig een verleden ‘stelen’. Een ‘wandelende Jood’ Felix Volkbein, de echtgenoot (op afstand) van Robin, dokter Matthew O’Connor, en de al genoemde vrouwen, hoofdpersoon Robin, en Nora en Jenny; ze zwerven door de nacht, op zoek naar elkaar, maar de echte liefde is onbereikbaar. Ze zoeken allen vooral naar de liefde van Robin, de meest identiteitsloze in het boek. Maar bij dat zoeken naar de liefde van Robin, zoeken en dienen ze vooral zichzelf. Nora: ‘Mijn God, wat is liefde? De mens op zoek naar zijn eigen hoofd?’
Proza
Intussen geniet je wel van het uiterst knappe en beeldende proza van Barnes. Zoals over het huis van Jenny, ‘volgepropt met tweedehands transacties met het leven’. Ze draagt de trouwring van een ander om haar vinger, vult haar bibliotheek met door anderen gekozen boeken en haar woorden ‘leken haar te zijn uitgeleend’. Nog een voorbeeld, ook over Jenny. De verteller (in het tweede deel van het boek de dokter, in het eerste deel is er een soort voice-over) zegt over haar: ‘Zij heeft de kracht van een onvolledig ongeluk – je wacht de hele tijd op de rest, op de laatste vuiligheid om het geheel af te maken; ze werd geboren op het randje van de dood, maar helaas zal ze niet bejaard worden als jongere – wat een ernstige vergissing van de natuur is’. Nog een voorbeeld, exemplarisch voor het hele boek. Felix (Volkbein) is in gesprek met de dokter. ‘Bent u bekend met Wenen informeerde Felix. “Wenen,” zei de dokter, “het bed waar het gewone volk in klimt, tam van de arbeid, en waar de adel zich uitgooit, wild van waardigheid”’. Niet echt makkelijk leesbaar, zeer barok, maar beeldend en ook wel unheimisch. De plaatsen waar de hoofdpersonen elkaar ontmoeten zijn ook bijzonder, een circus en een groot bed, beide dus weer nachtelijke plekken. Het circus wordt beeldend beschreven, maar ook nogal abstract. Felix komt er regelmatig. ‘De emotionele spiraal van het circus, ontsprongen aan de gigantische ontluistering van het publiek, afgeketst van zijn onbegrensbare hoop, bracht in Felix verlangen en onrust teweeg. Het circus was een geliefd object dat hij nooit kon aanraken, derhalve nooit kon kennen’.
Djuna Barnes
Deze zoektocht naar de ander en naar de liefde is misschien wel exemplarisch voor het leven van de schrijfster, Djuna Barnes. Zij groeide tijdens de overgang van de 19e naar de 20e eeuw op in upstate New York in een onsamenhangend gezin (voorwoord Xandra Schute: ‘een kakelbont gezin’). In 1912 vestigde zij zich als journaliste in de stad New York, met in haar vak en haar leven een fascinatie voor het ontuchtige, vreemde en bizarre. Daaronder het circus. Ze was een, zeker voor die tijd, onafhankelijke, geëmancipeerde vrouw met een toen nieuwe stijl van schrijven, die van de participerende journalistiek. Het leven in Parijs in de jaren twintig, de stad van Hemingway, Gertrud Stein en vele andere Amerikaanse bohémiens/kunstenaars paste haar. Daar stopte ze met de opdracht journalistiek voor bladen als McCalls en ging schrijven, poëzie, korte verhalen, toneelstukken, een lesbische sleutel-almanak, en uiteindelijk in 1936, en inmiddels verhuisd naar Engeland, Nachtwoud. Daarbij geholpen door T.S. Eliot, eindredacteur bij uitgeverij Faber & Faber, die veel zag in dit boek. Hij suggereerde een andere, ook wel passende, titel: Bow down, the Anatomy of Night. Vertaler Erik Bindervoet tekent nog aan dat de uiteindelijke titel Nightwood wel eens zou kunnen slaan op de grote liefde van Djuna Barnes, Thelma Wood: ’Nigh T Wood’, bijna T. Wood. Barnes ontkende dit en sprak van ‘night-shade, poison and night and forest. Nachtschaduw, vergif en nachtelijk woud. Bijzonder om nog te vermelden is dat zij het boek schreef in het Engelse landhuis van de toen jonge beroemde Amerikaanse kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim. In 1940 ontvluchtte ze het brandende Europa, terug naar de VS, waar ze tot 1982 een kluizenaarsbestaan leidde, vaak ziek en veelal verslaafd aan de alcohol. Bijna niemand liet ze nog toe in haar leven.
Als poëzie
Het is mooi dat dit cultboek over nachtelijke dromen drinken in het artistieke Parijs van de jaren twintig in een nieuwe, sprankelende vertaling is verschenen. De vorige dateert uit 1963, herzien in 1979. Bindervoet heeft als vertaler zijn sporen verdiend tot en met de Beatles. Aan Nachtwoud wordt nu, anno 2025, wel de term ‘Queerklassieker’ gehangen. Dat is het ook wel met die nadruk op de homoseksuele liefde, maar het is vooral een boek dat over je heen golft en dat je het beste als poëzie kunt ondergaan. Advies: lees het in één keer uit, en raadpleeg daarna vooral het nawoord van Xandra Schutte en het nachtwoord van vertaler Erik Bindervoet. Dat helpt enorm om het boek op de juiste waarde te schatten. Die waarde is groot, zeker als je het moment van verschijnen in 1936 in ogenschouw neemt. Nederland moest lang op een vertaling wachten, maar heeft nu een schitterende herkansing.









