Wie was Boni? Naar het antwoord op die vraag gaat Tessa Leuwsha op zoek in haar boek met dezelfde naam. In 1986 – toen Leuwsha een tiener was – drukt een vriend haar Anton de Koms Wij slaven van Suriname in handen. Het omslag stelt haar teleur, maar zodra ze het boek openslaat en een paar zinnen leest, is ze verkocht: ‘Onze ouders hadden ons stilzwijgend geleerd om onderwerpen als slavernij en kolonialisme in te slikken, bang voor een boemerangeffect: het opwekken van irritatie en mogelijk haat.’
Leuwsha doet er twee weken over Wij slaven van Suriname te lezen: het is een eerste druk, uit 1934, het taalgebruik is gedateerd. Toch maakt het grote indruk op haar, vooral de beschrijving over Boni, de leider van de Marrons (een geuzennaam voor nazaten van gevluchte tot slaaf gemaakten) die zich dertig jaar lang verzette tegen de koloniale overheersing door Nederland. De kiem voor Boni was dus al vroeg gelegd!
Rebel en heilige
Dat we in Nederland zo weinig over Boni weten is geen toeval, maar een voortzetting van ons koloniale verleden. Die voortzetting gaat niet alleen over de economische, sociale en emotionele gevolgen van onderdrukking, uitbuiting en slavernij, maar ook over geschiedschrijving, over wat Nederlanders erover weten en wat kinderen leren op school. Nederlandse kennis over Boni is afkomstig uit ‘officiële’ bronnen, zoals Leuwsha ze noemt, en gebaseerd op het beeld dat koloniale machthebbers van hem hadden: een rebel, een opstandeling. In Suriname echter, is er een tweede beeld van Boni, gebaseerd op overleveringen, voorouderlijke ervaringen, mythen en legenden: Boni als heilige, met bijzondere gaven. Leuwsha: ‘Tussen een weergave van Boni als rebel en heilige, tussen archief en vertelling, gaapt een groot gat. Ik wilde meer over zijn leven weten dan wat er in koloniale bronnen over hem bewaard is gebleven en waaruit dat eenzijdige beeld is ontstaan.’
Ambitie en gelaagdheid
Rebel of heilige, hoe breng je twee zulke verschillende beelden samen? Leuwsha gaat daarin niet alleen voortvarend te werk, ze weet het ook op zo’n manier te doen dat het resultaat geloofwaardig is. Haar keuze om zowel verslag te doen van Boni’s leven, – en niet te vergeten: dat van zijn moeder, die zichzelf uit slavernij heeft bevrijd, – als van haar eigen zoektocht naar zijn geschiedenis brengt gelaagdheid in het verhaal. Leuwsha maakt daarmee invoelbaar hoe belangrijk het is stil te staan bij de Nederlandse koloniale geschiedenis en vooral ook bij wie bepaalt welk beeld daarvan het ‘juiste’ is. Dit alles krijgt ze voor elkaar zonder dat ze het tot in den treure hoeft uit te leggen. De zoektocht met alles wat daarbij hoort spreekt voor zich. Misschien nog wel het meest aangrijpend daarbij zijn de stukken over Leuwsha’s broer Ewald, met wie het niet goed gaat. Boni’s leven is het gespreksonderwerp waarin ze elkaar het makkelijkst vinden.
Wie was Boni? Leuwsha’s boek geeft antwoord op veel meer dan die ene vraag. Het gaat niet alleen over Boni’s leven maar ook over dat van zijn dappere en doortastende moeder, over de levens van tot slaaf gemaakten en over mensen die zichzelf bevrijden. Ze levert daarmee veel meer dan ze zich zegt te hebben voorgenomen: Boni vult niet alleen het gat tussen het beeld van hem als rebel of heilige, maar ook een gat in de koloniale geschiedenis.









