In de prachtig verzorgde catalogus bij de expositie Sag mir wo die Blumen sind, die nog tot 9 juni loopt in het Van Gogh- en het Stedelijk Museum in Amsterdam noemt Simon Schama in dertien pagina’s tekst een achttal schrijvers van wie Anselm Kiefer citaten in zijn monumentale werken opneemt. Daaronder is Ingeborg Bachmann. Bij die vermelding laat Schama het.
In zijn nieuwe bundel verhalen Namiddagen is Ferdinand von Schirach in drie pagina’s explicieter over de verbinding Bachmann-Kiefer. De twee komen volgens hem samen in hun thema’s eenzaamheid, vertwijfeling en dood. ‘Alle kunst ontstaat doordat de kunstenaar onzeker is over de wereld. Die wereld past niet bij hem en hij past er niet in, hij voelt zich een vreemde, hij denkt dat hij er niet thuishoort’.
Eenzaamheid
Eenzaamheid lijkt ook een thema van Von Schirach zelf. In het laatste verhaal van Namiddagen schrijft hij dat er (buiten de literatuur) maar twee kunstenaars waren die hem fundamenteel hebben veranderd: Alberto Giacometti en Caspar David Friedrich. Bij de laatste is dat gevoel overweldigend – denk alleen maar aan zijn Der Wanderer über dem Nebelmeer of Der Mönch am Meer. Maar Von Schirach noemt als voorbeeld Vrouw op de wagen van Giacometti: ‘We delen die eenzaamheid, zij is het die ons verbindt’.
‘Verhalen beschermen ons tegen de eenzaamheid, de verwondingen en de kilte’, schrijft Von Schirach in het derde stuk in Namiddagen. Hij vangt ze op in hotels, in treinen, cafés en in ontmoetingen met vrienden en kennissen die hij lang niet meer gezien heeft of over wie hij min of meer bij toeval wat hoort. Vaak vallen ze hem in als een herinnering op een stil moment (verwijst de titel Namiddagen daarnaar?), door een opmerking van iemand of door de wetenschap dat iemand ooit in hetzelfde hotel of dezelfde stad verbleef.
Motorriksja
Er zijn zesentwintig van die verhalen in de bundel opgenomen. Geen ervan heeft een titel; ze krijgen alleen voluit geschreven nummers. Daardoor stap je er steeds onbevooroordeeld in. Von Schirach begint elk nieuw verhaal uiterst sober. De eerste zin is niet meer dan een korte uitgeklede vermelding van een locatie of situatie, vaak zonder werkwoord. ‘Tweeëntwintig’ begint bijvoorbeeld zo: ‘Oslo. Interviews in een woning van het Goethe-Instituut, uitzicht op een burgerlijk straatje, op cafés en winkeltjes’.
De vertellingen – vaak weer een verhaal ín een verhaal – maken de lezer onzeker: ze vermelden nogal wat publieke feiten uit het leven van de auteur zelf (hij was strafrechtadvocaat, zat jaren op een internaat, trad over de hele wereld op) waarop de verhalen aansluiten, maar nemen inhoudelijk soms zo’n verassende wending dat ze sterk de indruk van fictie wekken. De ene keer is het een dromerige bespiegeling van slechts een paar zinnen, zoals in de drie korte alinea’s van ‘Zes’: een fietser raakt gewond door een aanrijding voor een café, de gast en ober spraken er twee dagen over; in de Indiase plaats Nashik vallen 26 doden en 32 gewonden bij een botsing tussen een bus en een motorriksja, niet meer dan een berichtje op de laatste pagina van de krant.
Oog
In ‘Drieëntwintig’ is de verteller in Parijs voor zijn Franse uitgever en ontmoet daar onverwacht een vroegere kennis, een concertpianiste, die plotseling was gestopt met haar carrière en gewoon spoorloos verdwenen was. Ze vertelt voor het eerst wat haar bewoog om nooit meer te spelen. Het gebeurde op een bijeenkomst van industriëlen en bankiers, waarvoor ze als beroemdheid was uitgenodigd. Het was een patserige avond die ze ronduit weerzinwekkend vond. Tijdens het diner werd op de achtergrond een opname van haar uitvoering van de Impromptu’s van Schubert gedraaid terwijl iedereen zich tegoed deed aan ortolaan. Dezelfde nacht mailde ze haar agentschap ‘dat ik niet meer beschikbaar was’.
Eén van de beste verhalen is dat over de vrouw die de verteller ontmoet bij de begrafenis van ene Mero, een Algerijn die door een granaatsplinter een oog miste. Ze zijn naast de uitvaartleider de enige aanwezigen. De vrouw, Christiane, blijkt de erfgename te zijn van Mero en de verteller de executeur-testamentair. Hij krijgt haar bizarre geschiedenis met Mero stap voor stap te horen, culminerend in het korte zinnetje aan het slot: ‘Mero verloor zijn oog niet als kind’.
Misschien zijn niet alle verhalen in Namiddagen even sterk (‘Achttien’ is bijvoorbeeld tamelijk voorspelbaar), maar de meeste blijven nog even nazoemen.










