Onlangs verscheen van Vonne van der Meer (1951) de verhalenbundel Aan haar lippen, haar vijfde verhalenbundel. Kenmerkend in haar verhalen zijn de alledaagse personages. Ze zouden bij je in de straat kunnen wonen, je komt ze tegen in de supermarkt. Het zijn verhalen die beginnen met een observatie, of iets wat de schrijfster gehoord heeft. Het zit in kleine details, een aanname die het verhaal een verkeerde kant opstuurt, gevolgd door een inzicht, dat alles zich altijd anders ontwikkelt dan gedacht.
‘Dat vind ik eigenlijk het interessants. Als ik dat op het spoor kom, schaamte om hoe je je gedragen hebt, oordelen over de ander vanuit een aanname.’, zegt ze daarover.
Haar eerste verhaal verscheen in 1985 in Hollands Maandblad. Twee jaar later debuteerde ze met de verhalenbundel Het limonadegevoel en andere verhalen, waarvoor ze de Geertjan Lubberhuizenprijs kreeg. Sinds die tijd publiceerde ze met grote regelmaat meer dan twintig boeken, waaronder romans, verhalen, novellen en essays.
Haar verhalen, de wijze waarop ze verteld worden zijn onvergelijkbaar, hoewel ze ergens doen denken aan die van Alice Munro. Qua menselijkheid, het beschrijven van dagelijkse routines, dingen in het gareel houden en die dan onvermijdelijk ontsporen. Al is er bij Van der Meer, meer ruimte voor zachtheid en een zekere vergevingsgezindheid.
Voor het interview spraken we af bij café De Groote Swaen aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam. Een klein en sfeervol café waar Van der Meer regelmatig na de zondagsmis in de St. Nicolaaskathedraal koffie drinkt met medekerkgangers. Een gesprek over de verhalen uit haar laatste bundel. Hoe ze ontstaan, of wanneer er iets begint te ‘ritselen’ zoals de schrijfster het noemt.
In een van de verhalen, ‘Het weekendmeisje’ ontdekt een vrouw dat haar inmiddels overleden man haar twee jaar bedrogen heeft met een andere vrouw. Maar niet op de manier waarop bedrog in een relatie meestal speelt. Waar kwam het idee voor dit verhaal vandaan?
‘Midden jaren negentig voerde ik veel gesprekken over het geloof. Mensen vroegen zich met verbazing af hoe ik daartoe kwam (Van der Meer bekeerde zich in 1994 tot het Christendom Iv/dG). Een vriend zei toen tegen me, ‘Ik zou dat ook wel willen onderzoeken. Ik zou ook wel een kerk willen binnengaan en een mis bijwonen, maar daar hoef ik thuis niet mee aan te komen.’ Dat trof me: dat iemand iets belangrijks waar hij oprecht naar nieuwsgierig is niet doet, omdat hij weet dat zijn vrouw het zal afkeuren. Later dacht ik, dat is een mooi personage. Iemand die zijn verlangen naar geloof voor zijn vrouw denkt te moeten verbergen en een andere vrouw tegenkomt met wie hij dan naar de kerk gaat. Met wie hij wél over zijn ervaring kan praten en boeken uitwisselt. Ik stelde me een platonische verhouding voor die heel intens is. Die vrouw, het weekendmeisje, bemiddelt tussen hem en zijn niet uitgekristaliseerde geloof. Dat doet niet onder voor een verliefdheid.’
De weduwe verbaast zich over de christelijke boeken die haar man ging lezen en waarvan ze beseft dat hij die van een vrouw kreeg. Ze gebruikt die boeken om met haar in contact te komen.
‘Ik moest die twee vrouwen in een ruimte bij elkaar krijgen. En toen kwamen die christelijke boeken erbij. Daar heeft de weduwe niets mee, ze wil er vanaf dus hangt ze in een boekwinkel een briefje op dat de boeken bij haar opgehaald kunnen worden. In de hoop dat die andere vrouw erop ingaat. Nadat het een paar keer misgaat lukt het: de vis bijt. Als schrijver moet je een beetje listig zijn om iets te laten gebeuren.’
In het verhaal ‘Metamorfose’, komt een jongeman verkleed als vrouw bij een 93-jarige vrouw, die niet door een manlijke thuiszorger geholpen wil worden. Waar begon dit verhaal mee?
‘Door iets wat een oudere vriendin, die er nu niet meer is, me vertelde. Op een dag kwam ik bij haar en zei ze, ‘Nu heb ik een verhaal voor je.’ En dat ging over een nieuwe, als vrouw verklede mannelijke hulp. De vrouw in het verhaal geef ik dan een heel andere achtergrond mee, anders voel ik niet de vrijheid erover te schrijven. Zij kan het nu niet meer lezen dus kan ik met haar verhaal doen wat ik wil. Het was geen groot geheim ofzo, maar het is voor mezelf dat ik er toch een personage van maak. Als ik teveel aan de werkelijkheid blijf plakken gebeurt er niets op papier.’
Ontstaat een roman ook op deze manier?
‘Bij Ik verbind u door, dat gaat over agressie, weet ik het nog goed. Dat ontstond op het moment dat ik in Naarden-Vesting, waar we tweeëndertig jaar gewoond hebben, wilde oversteken toen er een brede en dure auto aankwam. Die auto was al te dicht genaderd om te kunnen oversteken, maar ik deed het toch. Als reactie gaf die man nog wat gas bij. Niet echt gevaarlijk, maar om mij op stang te jagen. Ik was verontwaardigd. Mijn eerste reactie was: ‘die klootzak’ en ‘wat denkt-ie-wel’. Maar toen ik naging waar het begon, lag de agressie toch echt bij mij. Ik accepteerde niet dat die man daar reed. Dat vind ik interessant en daar maak ik dan een aantekening van. Het ging me om dat ene moment: wat gebeurt er nou eigenlijk, hoe kan die agressie zich ontwikkelen. Die kettingreactie hield me zo bezig dat ik drie jaar later een boek begon met een irritatie tussen een man en een vrouw ‘s ochtends in bed. Hij wil vrijen maar zij heeft daar geen zin in en wijst hem af. Hij reageert dat weer af in zijn auto, in het verkeer, en later op een collega en die vernedert op zijn beurt een sollicitant. En het eindigt met een moord.’
U heeft eens gezegd dat er in elk verhaal iets van uzelf zit.
‘Het eerste en laatste verhaal zijn onomwonden autobiografisch, dat zal ik niet ontkennen. Maar ik zit in al die verhalen met dingen die ik ook gedacht heb of had kunnen denken of had willen doen. Ik zie schrijven als toneelspelen, het gaat om je inleven in een scène. Ik moet het me kunnen voorstellen. Als ik dat niet kan, wordt het niet geloofwaardig.’
Wilt u de lezer ook iets laten zien of ontwikkelt het verhaal zich buiten een plan om. Met de ‘Thuishulp’ gaat het bijvoorbeeld een kant op die je niet verwacht. De oude dame en de thuishulp komen niet tot elkaar.
‘Ik had makkelijk kunnen schrijven dat deze vrouw het wel accepteert. Zo van, “Ik laat me wel wassen en aankleden door jou en ik wen er wel aan.” Gelukkig hoeven als vrouw verklede mannen zich niet meer te verbergen. Maar ik denk ook dat je je personages moet laten zien zoals ze zijn. Dat een vrouw die uit zo’n andere tijd komt, alleen maar met vrouwen is opgevoed, op meisjesscholen heeft gezeten, in de oorlog met vrouwen in een kamp zat, dat zij zijn zorg mag afwijzen. Ook als dat misschien naar onze huidige maatstaven kleinzielig is. Een mens kan niet altijd voor iedereen begrip opbrengen. Dat is onwaarachtig.’
Heeft ieder mens recht heeft op zijn eigen afwijzing?
‘Ik begin niet met een statement in mijn achterhoofd te schrijven. Het is, wat ze bij toneel noemen, improviseren. Je zet twee acteurs tegenover elkaar en je bedenkt een spanningsveld. De een wil dit, de ander dat. De een wil graag als vrouw verkleed zijn werk doen. De ander vindt alles best, zolang ze maar niet door een man gewassen wordt. Zo heb je twee krachten tegenover elkaar en waar het uitkomt, dat weet ik nog niet. Het is niet zo, zoals je net aan me vroeg,of ik per se iets wil laten zien. Nee, het gebeurt.’
En zo’n opmerking van een vriend over het geloof, wordt het verhaal dan meteen opgeschreven?
‘Nee, eigenlijk niet. Als er straks op de terugweg naar huis iets zou gebeuren, of jij zegt iets en het begint te ritselen in mijn hoofd, dan zou ik nooit dezelfde week met schrijven beginnen. Het is eigenlijk altijd zo dat er nog een tweede lijn bij moet komen. Arvo Pärt zegt, “Er moeten altijd twee melodielijnen zijn voor een compositie, want met één vleugel kun je niet vliegen.”’
Er moet een bepaald evenwicht zijn?
‘Ja, maar ook een tegenstelling. Als ik die niet heb dan vertel ik na wat er gebeurd is en dat is niet interessant. Het wordt pas interessant als er een tegenstrijdigheid is of sprake is van tegengestelde belangen.’
Het autobiografische verhaal ‘Naar Parijs’, gaat over ouders die een goed huwelijk lijken te hebben. Als ze oud en ziek ieder op een andere plek verblijven, dromen ze over de invulling van hun leven als de ander is overleden. De vader wil wel met een academica hertrouwen. De moeder zou een hele sportieve man willen. Of iemand die aan een boek werkt, dat zij hem daarvoor de ruimte geeft omdat ze het zich financieel kan veroorloven. Een dochter reageert daar wat schamper op, meent dat er geen contact gestoorder mens bestaat dan iemand die aan een boek werkt en dat je ervoor moet waken dat je huisgenoten niet van je vervreemden.
Heeft u dat zelf zo beleefd als schrijver?
‘De dochter in het verhaal overdrijft, maar het is wel zo dat ook ik me afsluit als ik aan een boek werk. Dat je wel reageert op je huisgenoten maar niet echt, omdat je in je hoofd ergens anders zit, ook op momenten dat je niet aan het schrijven bent.’
In de verantwoording van het boek staat dat u aan bijna alle verhalen die eerder gepubliceerd werden verder gewerkt heeft omdat u nieuwe kanten aan de personages ontdekte.
‘Aan een paar verhalen heb ik zeker doorgewerkt. Soms maar twee zinnen. Ik ga niet precies zeggen waar en in welk verhaal (want dan gaan mensen er naar zoeken en zeggen, “Oh, daar heeft ze wat aan veranderd”, maar het is bijna altijd een verdieping of een aanscherping.’
Komen de verhalen na veertig jaar schrijversschap nog steeds even makkelijk?
‘Tot nu toe wel. Maar het is niet iets waar je op kunt rekenen. De periode dat ik aan een boek werk, vind ik wel de allerfijnste. De concentratie tijdens het schrijven, hoe de werkelijkheid zich vormt naar het verhaal. Dat je een woord opvangt of leest en het is precies het woord waar je al dagen naar op zoek was. Dat vind ik nog steeds iets magisch.’
(Foto auteur: Annaleen Louwes)
Aan haar lippen / Vonne van der Meer / AtlasContact

