Schrijver zijn én stedenbouwkundige: het klinkt misschien als een ongewone combinatie, maar voor Hester van Gent is het de ideale manier om de werelden van woorden en stenen met elkaar te verbinden. Met haar technische achtergrond in architectuur en stedenbouw schrijft ze essays, recensies en journalistieke stukken die niet alleen de fysieke ruimte verkennen, maar ook de emoties en verhalen die eronder schuilgaan. Ze was een van de vijfenzestig kunstenaars die reageerden op Paul van Ostaijens iconische werk Bezette stad, in een bloemlezing samengesteld door Matthijs de Ridder en Willem Bongers-Dek, uitgegeven door Pelckmans in 2021. In haar verhaal ‘De miniatuur’ deelt ze haar persoonlijke blik op de stad en de manier waarop mensen zich verhouden tot hun omgeving.
Haar debuutboek, Het passeren van onmeetbare ruimten (2024), is een essaybundel over de invloed van ruimtes op wie we zijn. Van Gent kijkt niet alleen naar hoe wij ons als individuen verhouden tot verschillende omgevingen – van hectische stadsstraten tot rustige, intieme plekken – maar ze verdiept zich ook in de psychologische en culturele lagen die deze ruimtes vormgeven. Het boek laat zien hoe ruimtes, of ze nu meetbaar zijn of niet, van onmiskenbare invloed zijn op onze identiteit, emoties en ervaringen. Van Gent zoekt naar de menselijke maat in uiteenlopende situaties: de scheidslijnen tussen landen, de voordeur die je blik vangt, de overgang tussen water en land, of de lijn op de vloer in een ziekenhuis die je de weg wijst.
Sterke en doordachte argumentatie
Van Gent bouwt haar betoog op door bestaande werken te citeren en toont zo aan dat haar gedachten niet alleen persoonlijk zijn, maar ook aansluiten bij een bredere (literaire) context. Zo onderbouwt ze overtuigend haar standpunt dat mens en ruimte niet altijd met elkaar te rijmen zijn. Ze illustreert dit met Kafka’s ‘Het hol’, waarin de hoofdpersoon overmand wordt door angst en zich het liefst terugtrekt in een kleine, afgesloten ruimte. Maar deze schuilplek biedt geen veiligheid. ‘Hoe meer hij schaaft aan de muren, de versperringen rond de opening en het opgebouwde doolhof, hoe vaker hij de vijand denkt te horen kruipen, ritselen, graven.’ De angst van de ‘holbewoner’ groeit en hij verschuilt zich steeds dieper. Van Gent laat hiermee zien hoe angst en benauwde ruimtes onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: je zoekt een veilige plek om jezelf te vinden, maar tegelijkertijd sluit je jezelf af van de wereld.
Deze spanning tussen ruimte en beleving maakt Van Gent niet alleen inzichtelijk door middel van voorbeelden uit de literatuur en kunst, maar ook door het delen van haar eigen ervaringen. Dit maakt haar werk niet alleen theoretisch, maar ook concreet en invoelbaar. In een hoofdstuk over ‘fysische momenten’, bijvoorbeeld, beschrijft ze hoe een vertrouwde route langs een singel opeens een andere betekenis krijgt. Dit gebeurt omdat je ervaring van de ruimte onbewust wordt gevormd door je overtuigingen en verwachtingen, waardoor je van de ene op de andere dag details opmerkt die je eerder niet zag. Misschien is het water een stukje hoger, of valt het zonlicht op een nieuwe manier: ‘Op een fysisch moment is een mens zich precies daarvan bewust: het in een ruimte zijn.’
Uitdagen van denkpatronen
Van Gent daagt je uit om na te denken over je eigen relatie met de ruimtes waarin je je bevindt en die je bezoekt. In het laatste essay van haar boek betoogt ze overtuigend hoe wij ons op een paradoxale manier verbonden voelen met wereldsteden zoals Parijs. Ze illustreert dit door te wijzen op de paradox van het beklimmen van de Eiffeltoren, die je een gevoel van directe verbondenheid met de stad geeft: ‘Toch is het een paradoxale gedachte om jezelf als onderdeel van een stad te zien, terwijl je bovenin een bouwwerk staat dat in wezen contextloos is, een constructie die nauwelijks met de grond is verbonden. Dat is geen werkelijke situatie, maar een waan – een droombeeld. Het symbool is immers niet de stad zelf, maar een sterk vereenvoudigde uitdrukking daarvan.’
Door deze paradox te belichten, laat Van Gent zien hoe we ons vaak identificeren met iconen en symbolen van een stad, terwijl we tegelijkertijd het gevoel van verbondenheid verliezen met de alledaagse realiteit van diezelfde ruimte. Dit staat in schril contrast met de diepere betekenis van een stad, die veel gelaagder is dan wat we vanaf een afstand of via een symbool kunnen ervaren
Van Gents essays bieden een interessante kijk op de complexe relatie tussen mens en ruimte. Ze maakt ons bewust van de subtiele, maar krachtige invloed die de omgevingen waarin we ons bevinden op ons uitoefenen – of ze nu concreet en meetbaar zijn, of abstract en ongrijpbaar. Ook legt ze overtuigend uit dat onze omgeving veel meer is dan een fysieke plek; het is een ruimte die niet alleen onze identiteit vormt, maar ook ons gevoel van zelf bepaalt en ons dagelijks leven beïnvloedt. Het passeren van onmeetbare ruimten is dan ook een uitnodiging om stil te staan bij de kracht van de ruimtes die belangrijk voor ons zijn – en een herinnering dat het begrijpen van deze omgevingen ons misschien wel dichter bij een beter begrip van onszelf kan brengen.











