Na een min of meer gedwongen verblijf van vijftien jaar in België ziet de Belgisch-Palestijnse schrijfster Fatena Al Ghorra (1974) in oktober 2023 eindelijk kans een bezoek te brengen aan haar familie in Gaza. Drie dagen later is het 7 oktober. Drie maanden lang zit ze vervolgens gevangen in een hel. In Uittocht naar Gaza – Brieven aan Lamar vanuit het Al-Quds-ziekenhuis bericht ze van binnenuit hoe het is om een van de zwaarste vergeldingsacties in de recente geschiedenis mee te maken. Het is een ‘verslag van een uitroeiing’, volgens (de niet nader omschreven) Rachida Lambaret in het voorwoord.
Naast het voorwoord en een hoofdstuk ‘Wat voorafging aan de terugkeer’ bestaat Uittocht naar Gaza uit 23 brieven aan Lamar, het elfjarige nichtje van de schrijfster. Lamar is ook afkomstig uit Gaza, maar is daar pas veel later dan Fatena uit vertrokken. De brieven zijn voor het grootste deel geschreven vanuit het Al-Quds-ziekenhuis, waarheen de familie al gauw na aankomst van Fatena haar toevlucht moest nemen. Opvallend genoeg wordt er maar weinig gezegd over de politiek-actuele context. De naam Hamas valt bijvoorbeeld nergens in de brieven en er wordt niet expliciet gerefereerd aan de terreuraanslag van 7 okober 2023. Hoewel het oorlogsgeweld en de vernietiging van land en volk op elke pagina aanwezig zijn, lezen we nergens de naam Israël. Zo krijgt Uittocht naar Gaza een universele geldigheid, die veel verder strekt dan de concrete situatie van nu. Pregnant in dat verband is dat de oude moeder van Fatena blootsvoets het familiehuis verlaat, op weg naar het ziekenhuis; precies zoals ze tachtig jaar daarvoor tijdens de Nakba als kind op blote voeten de straat op werd gejaagd tijdens de etnische zuivering bij de vorming van de staat Israël.
Zonder opsmuk
Het voorwoord door Lambaret geeft helder weer wat we gaan lezen: ‘Ze schrijft zonder opsmuk over die angst in de ogen van volwassen mannen en kleine kinderen. Ze beschrijft de vuiligheid, de harde ziekenhuisvloer waarop ze wekenlang zonder matras op (sic) sliepen. Ze beschrijft hoe kinderen haar geduld op de proef stelden door luidruchtig door de gangen en kamers van het ziekenhuis te rennen. Ze schrijft hoe zij en de haren tussen hoop en wanhoop laveerden, tussen het verleden en het heden, tussen verbeelding en harde realiteit, tussen zingen en huilen.’ Op die manier wordt de lezer, bekend met de beelden en verslagen van buitenaf, haast lijfelijk gewaar wat zich afspeelt áchter die nieuwsberichten. Hoe families (nooit is er sprake van gezinnen, de familiale infrastructuur van ooms, tantes, neven en nichten is voor de lezer niet te doorgronden) op de gangen hun ‘huis’ claimen en markeren met een plastic vloerkleed en iets wat op een primitief keukentje lijkt.
Zo wordt het ziekenhuis een wereld op zich, een minisamenleving met alle verworven- en gevoeligheden vandien. Tot ook díe wijkplaats ten onder gaat aan het nietsontziende, meedogenloze oorlogsgeweld en de familie gedwongen is weer verder te vluchten, kilometers te voet over kapotgebombardeerde straten en langs huizen die nauwelijks als zodanig te herkennen zijn, voortdurend op de hoede voor scherpschutters en uitgeleverd aan de sadistische grillen van wachtposten en onberekenbare bezetters.
Wie is Lamar?
Probematisch is de identiteit van de geadresseerde van de brieven. Zo blijft de precieze aard van de relatie van de schrijfster met haar nichtje Lamar in het ongewisse. De vraag dringt zich zelfs op of Lamar wel echt bestaat. Soms is ze een ingewijde en gaat het over ‘je vader’, ‘je oom’ of ‘je neef’. Dan weer schrijft haar tante: ‘Het is traditie in Gaza om het seizoen van de rode peper, dat half juni begint en tot oktober duurt, te vieren.’ Als kind van Gaza weet Lamar dit heus wel; de informatie is bedoeld voor de lezer. En is het logisch om in een brief aan een elfjarige het woord ‘alluderen’ te gebruiken? En te schrijven: ‘Ik weet dat angst en ongerustheid je jonge ziel opvreten, hoewel je al zo bewust en groot bent’? En gedetailleerd melding te maken van afgeschoten benen, door kogels doorboorde ogen, het blaasprobleem van de schrijfster en de ‘moeite die ik heb om het onder controle te houden’? Zo wordt de keuze van een elfjarig nichtje als geadresseerde van de brieven een krampachtige literaire ingreep, die ertoe leidt dat ook de lezer van het boek zich niet altijd raad weet met zijn positie.
Wat niet wegneemt dat Uittocht naar Gaza / Brieven aan Lamar vanuit het Al-Quds-ziekenhuis een overtuigend oog- en oorgetuigeverslag is van wat een getormenteerd volk doormaakt onder het buitenproportionele geweld van een wraakzuchtige vijand. In tachtig jaar is de Palestijnse bevolking geen stap verder gekomen; nog steeds op blote voeten.










