Terwijl Europa zucht onder extreme wateroverlast, besluit de hoofdpersoon van De Stem van Sulina om samen met haar partner Leon de rivier de Donau te volgen met een tot camper omgebouwd busje. De bron in het Zwarte Woud is het startpunt van de reis, die via eindeloze ritten door de Hongaarse laagvlakte, overnachtingen in de Servische bossen en uitgestorven hotels in Roemenië leidt naar de vuurtoren van Sulina, waar de Donau uitmondt in de Zwarte Zee.
Parallel aan deze reis volgen we de reis van een moeder in wording, waarbij de rivier dient als symbool voor de (zwangere) vrouw; ‘Ze is een bloedsomloop, een gesloten eenheid, een in zichzelf overlopend lichaam. Een vrouw, wild stromend in een waterbekken, met haar slingerende armen en aders vloeiend door Europa.’ De lichamelijke ontwikkelingen, die horen bij de zwangerschap, bevalling en het eerste jaar als moeder worden gedetailleerd en poëtisch beschreven, dit in schril contrast tot de ontmoeting en relatie met Leon, die in een enkele zin via ‘verhuisdozen, energiecontracten, de aanschaf van een draadloze stofzuiger’, leidt tot ‘twee roze streepjes op een plastic staafje.’ Dit contrast tussen het banale en het bijzondere, het geestelijke en het lichamelijke, het mannelijke en het vrouwelijke vormt een terugkerend thema.
Waar Van Offel in het eerste hoofdstuk vergeten vrouwen als Irma Ohrlein (geologe) en Marija Gimbutas (archeologe), voor het voetlicht brengt is het in het tweede en derde hoofdstuk de schrijfster zelf die gezien wil worden. ‘Zie mij. Zie mij. Zie mij. Ik ben er nog’. Ze heeft een kind op de wereld gezet en is nu vastgeketend aan haar huis, aan de andere oever, waar enkel de harde realiteit van kolven en onthaalmoeders haar in staat stellen haar werk als schrijfster te kunnen voortzetten.
Feministisch pamflet
De stem van Sulina leest ook als feministisch pamflet, waarbij de overheersende rol van de man aan de kaak wordt gesteld. De rivier wordt net als de vrouw getemd; ‘Haar wilde stroming wordt in turbines geleid, met kracht in de rechte lijn gedwongen, in spaarbekkens en kanalen.’ Tegelijkertijd verbaast de hoofdpersoon zich over het feit dat de rivier in een Bulgaarse stad wordt afgebeeld als man, ‘(…) op een waterbekken dat omhooggehouden wordt door het gebogen hoofd van vrouwen, waarom we altijd dezelfde beelden maken: zodat we ze onthouden, zodat ze normaal worden?’. Van Offel maakt nieuwe beelden, een nieuw verhaal, waar niet de man, maar de vrouw de ruimte pakt, de centrale plek in de wereld vervult. Ook hier is het contrast groot ten opzichte van de hoofdpersoon zelf, die zich na het baren van haar kind steeds onzichtbaarder voelt.
De transformatie van de hoofdpersoon van vrouw naar moeder bestaat niet enkel uit het feit dat ze een kind heeft voortgebracht, maar ze is ook iemand anders geworden en door die transformatie lijkt de persoon van voor de transformatie verdwenen. Met dit feministische reisverslag lijkt de schrijfster haar eigen onzichtbaarheid als jonge moeder te willen compenseren. ‘Ik ben er nog, schreeuwt ze ’s nachts – laat haar groeien, geef haar tijd, geef haar ruimte, vier haar, en niet als een maagdelijke Moeder Maria, maar in al haar vlekkerigheid, in haar moedermodder in haar dansende en wobbelige en bloedende lichaam, in de gesprongen aders op haar benen, de verwrongen polsen, de rode strepen en de tijgervlekken op haar buik, haar tepelkloven en de kringen onder haar ogen.’ De tot in detail beschreven lichamelijke veranderingen kunnen de lezer op den duur wat gaan vervelen, maar doordat deze in rap tempo worden afgewisseld met de reisnotities, blijft het verhaal in evenwicht.
De stem van Sulina is een goed geschreven boek, dat opvalt door het poëtisch taalgebruik, waarbij alledaagse activiteiten door de woordkeuze en zinstructuur worden getransformeerd tot een op zichzelf staande schoonheid, waarbij het is aan te bevelen de zinnen langzaam te lezen, te proeven en te herlezen.









