Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Verrassende terugblikken

    In deze boeiende mengeling verhalen die Kees ’t Hart in zijn nieuwe bundel samenbrengt, wisselen smeuïge belevenissen en meer persoonlijke indrukken elkaar af.
    Wat de eerste categorie betreft kan de lezer zich verkneukelen over de toestanden waar ’t Hart – Kees T. Hart, spelt hij tijdens een onderhoud voor de Groene Amsterdammer met de gouverneur van Minnesota, omdat het voorvoegsel te moeilijk is voor Amerikanen – vaak ondanks zichzelf in verzeild raakt. Een ander voorbeeld hiervan is een Carmiggelt-achtig verhaal waarin lieden aan een bar geschetst worden en een ervan Simon Vestdijk blijkt te zijn.

    In een aantal verhalen uit deze categorie is het onduidelijk of de schrijver de juiste persoon voor ogen heeft. Hij gaat terug in de tijd om zijn geheugen op te frissen en wendt zich vervolgens weer naar het heden om de loop van de gebeurtenissen te vervolgen, zoals in het verhaal over een rouwkaart van een oude hospita die in de tijd dat ’t Hart zijn dienstplicht vervulde wanhopig was. Of over een andere vrouw die op de voetbaltribune achter bondscoach Van Marwijk zit en die hij ergens van kent. Het is een prachtig procédé.

    In de tweede categorie, verhalen over meer persoonlijke zaken, blinkt vooral het verhaal uit over straten die de schrijver zich nog kan herinneren. Het is buitengewoon grappig proza, een soort dronkenmanstaal, maar dan opgetekend vanuit het perspectief van een jongetje dat zich alleen nog flarden herinnert van huizen, bestek en bedden, of juist het ontbreken daarvan.
    ‘Ik moet staande hebben geslapen omdat mijn bed in alle talen ontbreekt.’
    Verderop wordt het allemaal nog vreemder: ‘In mij woonden geen huizen.’ Intrigerend is het zeker.

    Een ander verhaal in deze categorie, Jack Scott, gaat over een jongetje dat niet weet wat de uitdrukking ‘van de verkeerde kant’ betekent en lang daarover in het ongewisse blijft.

    Niet alle verhalen zijn even sterk. Zo is er een flauw relaas, afgestoken door een boek (een eerste druk mét handtekening), dat op zoek is naar een uit het oog verloren Engelse novel en een dagboek van een taalgevoelige zoon van een regisseur, die niet geheel tevreden is met zijn rol in een toneelstuk. Die vallen echter weg bij de grote kwaliteit van de andere verhalen.

    Ook wat de taal betreft is het genieten: in Jack Scott vertelt de jeugdige hoofdpersoon over een meisje dat op een afgelegen plek langs het water bereid was iets met jongens te doen. Hij mocht er echter niet heen van zijn ouders en schrijft daarover: ‘De scheepvaart was er gevaarlijk, ik ben er nooit geweest.’ Over een dronken man schrijft hij: ‘Hij was dronken en schaamde zich daarvoor: zijn stem klonk alsof hij tevoren lang op een zin had geoefend.’

    Mooi van toon is het wat langere verhaal Koorzang over een man met dwangmatige neigingen. In een brief aan een toekomstig therapeut laat hij weten dat hij zelf al ijverig bezig is geweest om een verband te leggen tussen zijn vreemde erotische gevoelens en de wortels daarvan in zijn jeugd. Tijdens vrouwelijk koorzang voelde hij zich tot het heilige toegelaten. Het is grappig als hij verderop schrijft: ‘Bovendien zou het een vreemde indruk op mijn ouders maken wanneer ik tijdens het bezoek van mijn vriendin steeds platen van christelijke vrouwenkoren naar mijn kamer zou meenemen.’

    De gemeenschappelijke noemer in deze bundel vormt de herinnering; het laatste verhaal betreft gedichten die ’t Hart schreef over de huizen waarin hij woonde en die zelfs een biografie moeten vervangen. In dit opstel blijkt dat hij het moeilijk vindt om een rangorde aan te brengen in zijn herinneringen. Hij noemt het zelf een gebrek aan indelingsvermogen, maar misschien is die veelvormigheid juist ook een kracht, die steeds weer doet verrassen. Het titelverhaal Engelvisje, over een bezoek aan het graf van Mark Twain – die verzot was op hele jonge meisjes en hen engelvisjes noemde – spant wat dat laatste betreft de kroon.

     

     

  • Een boek als een verdovend middel

    Een boek als een verdovend middel

    Recensie door Rein Swart

    Net als Minder dan niets kent het vervolg De figuranten een duizelingwekkende dynamiek. Het zijn nog steeds drugs, seks, drank die het leven in Hollywood bepalen. Verveelde kinderen van steenrijke ouders draaien om elkaar heen. In twintig jaar is er wat dat betreft weinig veranderd, al wordt er meer gemoord. We ontmoeten opnieuw Clay en zijn louche vrienden, die snuiven, spuiten en zich prostitueren. Clay’s handen trillen nog steeds en op weg naar een afspraak met een dealer heeft hij zo’n kater dat hij niet meer weet hoe hij de tank van zijn BMW moet volgooien. Meteen wordt al duidelijk dat Clay zich betrokken voelt bij de moord op zijn jeugdvriend en dealer Julian. In een achteloos – zo lijkt het – tussengevoegde paragraaf zegt Clay dat het eerder tot hem had moeten doordringen welke rol hij in het drama heeft gespeeld.

    Het is vermakelijk dat Clay in het begin met de schrijver in de clinch gaat over een film die van Minder dan niets is gemaakt, over zijn eigen rol in het boek en de manier waarop hij door de schrijver werd neergezet.

    ‘Zo werd ik de jongen die overal de ballen van snapte. Zo werd ik de jongen die naliet een vriend te redden. Zo werd ik de jongen die niet van het meisje kon houden.’

    Daarmee houdt het grappige op. Vanaf het moment dat Clay aankomt uit New York zit je in een complot. Wat dat eerste betreft lijkt dit boek op het vorige waarin Clay in New Hampshire studeert en met kerst een maand naar huis komt.

    Hij wordt door een auto gevolgd als hij op weg is naar zijn tijdelijke luxe appartement, dat is ingericht door een partyboy uit Hollywood die in zijn slaap overleden is, maar wiens geest daar nog rondhangt.

    Clay is inmiddels scenarioschrijver en wordt door de producent en de regisseur gevraagd om mee te denken over de casting voor een nieuwe film. De knappe Rain wil graag een rol in de film. Ze weet dat het soort meisjes waar zij toe behoort maar een korte houdbaarheidsdatum heeft en is er niet vies van om met Clay naar bed te gaan om haar kansen te vergroten. Clay raakt echter verslingerd aan haar. Hij houdt haar aan het lijntje en kan het niet uitstaan dat ze opeens naar San Diego moet, zogenaamd vanwege een bezoek aan haar moeder. Clay krijgt van alle kanten waarschuwingen dat hij met Rain moet kappen, maar hij kan dat niet en offert zijn vriend Julian op.

    Dit boek is meer dan het vorige een crimi met telefoonlijnen die afgeluisterd worden, mensen die geschaduwd worden en geheimzinnige sms-jes die Clay schrijft en die ook vanuit zijn eigen account verstuurd worden. Het is een schaakpartij met vele personen en zetten. Angst speelt een grote rol in het leven van Clay. Hij ziet de woorden Verdwijn hier midden in de nacht in de spiegel. Deze waarschuwing las hij ook al in Minder dan niets op een billboard. Zijn psychiater wil liever niets meer met hem te maken hebben vanwege de gevaarlijke relatie met Rain, die deel uitmaakt van een misdadig netwerk.

    Het boek leest als een drug en is zo verslavend, dat je het niet opzij kunt leggen. Ellis schrijft bedwelmend. Het verhaal wikkelt zich als een Bond-film af met veel verschillende wendingen en korte flitsende scènes. Het nadeel is dat het allemaal nogal veel en vluchtig is wat er gebeurt.

    Wat is het ergste dat je kan overkomen? luidt de slogan die enkele keren over het voetlicht gaat. Onvoorwaardelijke liefde is het antwoord, dat in een filmscène wordt gegeven en dan ook nog ironisch uitgesproken terwijl dat in het script ernstig was bedoeld.

    Daarmee zijn we terug bij Minder dan niets waarin gesteld wordt dat om iets geven pijn kan doen en vermeden moet worden. Een indringend tijdsbeeld van mensen die in de ban zijn van kicks en steeds meer van het rechte pad af raken.

     

     

  • Zeer vermakelijke essays

    Zeer vermakelijke essays

    Arjen van Veelen is classicus en publiceerde eerder essays in onder andere NRC.Next. In 2009 ontving hij de Kleine Jan Hanlo Essayprijs met het essay, Suum Cuique, ieder het zijne, welke ook is opgenomen in deze bundel.

    Zijn debuut Over rusteloosheid bevat twintig essays over hoe grip te krijgen op deze moderne wereld, welke leidraad te volgen. Hoe te selecteren uit het grote, onuitputtelijke aanbod waar je dagelijks steeds opnieuw de bakens mee moet zetten. ‘Alles stroomt en niets beklijft, wist de Griekse filosoof Heraclitus in het jaar 540 v. Chr. al. Zo constateert Van Veelen dat het medium internet voortdurend van gezicht verandert en zichzelf onafgebroken vernieuwt, ‘(…) en de inkt droogt er nooit van op. Er is geen kop. Geen staart. Geen verhaal.’ (p. 9)

    ‘Het internet is soms een hysterische bibliotheek, waar de bezoekers, nerveus als een kolibrie met tien espresso´s op, boeken lezen, boeken schrijven, boeken recenseren en de recensies van boeken recenseren, terwijl iedereen loert naar de uitleentoptien.´ (p.100).

    Van Veelen verlangt naar een begin, een midden en een einde. Hij verlangt naar iets dat af is en overzichtelijk, zoals de oudheid dus. Hij schrijft (p.10): ‘De oudheid is af. Onveranderlijk, uitgekristalliseerd, in kannen en kruiken. De inkt is al eeuwen droog.’ En past, dankzij de bankier James Loeb die in 1911 startte met de uitgave van All that is important in Greek and Latin literature, in twee Billy’s. De inhoud van deze Billy’s raadpleegt Van Veelen dankbaar wanneer het moderne leven hem weer eens teveel wordt. Zich zo rusteloos voelt als Fernando Pessoa, niet omdat hij hoogsensitief is maar omdat het aanbod te groot is. Dan wil hij nog wel eens, zoals het een ware classicus betaamt, een ribbroek aantrekken met een lamswollen trui compleet met tweedjasje. Daarin wandelt hij dan naar de studiezaal der klassieken om in Seneca Deel IV, de Brieven aan Lucilius, te lezen: ‘(…) krijg ik goede hoop over jou. Je rent niet van hot naar her en wisselt niet steeds van plaats met alle onrust van dien. (…) Je moet je bij een beperkt aantal denkers houden en je daarmee voeden, als je er tenminste iets uit wilt halen wat zich echt vastzet in je geest. Wie overal is, is nergens.’ Uiteraard leest Van Veelen dit alles in de oorspronkelijke taal, Latijn.

    Wanneer hij zich in Alles uit je leven, op het Griekse eiland Kreta bevindt, tracht hij zich over te geven aan ‘eens even helemaal weg te zijn’ maar wordt geconfronteerd met de vragen: Make the most of now en, Get more out of your life, of hij wel genoeg uit zijn leven haalt. Wanneer de onrust bezit van hem neemt en hij uit duizenden aanbiedingen geen kan kiezen, komt look-a-like Valerio Zeno, de volgens Van Veelen leukste BNN-presentator, langs lopen. Dat brengt hem naar zijn Billy’s om daar het boek uit te trekken waarin te lezen is over de Griek Zeno van Citium, de stichter van het Stoïcisme. Zeno zei, ‘Geluk is flow’. ‘Zeno is de Jack Johnson onder de antieke filosofen´, vindt Van Veelen.

    In het essay Perfect smile, laat Van Veelen zich verleiden tot het bleken van zijn tanden door een reclame banner naast zijn mailbox. Voor hij een afspraak maakt, verricht hij research naar het hoe en waarom van het bleken der tanden. Hij denkt terug aan een eerstejaarscollege archeologie over de archaïsche lach. De archaïsche glimlach die alleen wordt aangetroffen op beelden gemaakt in de periode 600 tot ongeveer 480 v. Chr. Daarna worden de glimlachjes op de beelden steeds sporadischer om in 130 v. Chr. helemaal te verdwijnen. Waarom, is een raadsel. Dan is daar in 1961 de classicus en filosoof dr. C.W.M. Verhoeven, die in de archaïsche glimlach de eerste aanzet zag tot de moderne lach. (…) de lach die melancholie en verlegenheid compleet heeft overwonnen, waardoor de mondhoeken zover opkrullen dat de tanden victorieus bloot komen te liggen: de perfecte lach.´ Deze lach vraagt om witte tanden.’ Op de vele websites leert Van Veelen dat je een thuissetje bleken kunt bestellen of een afspraak maken met de betreffende kliniek. Johnny Depp en Justin Timberlake gingen hem voor in het perfect wit maken met behulp van porseleinen plaatjes die over de tanden geschoven worden. En David Bowie, hoe zijn hoofd steeds ouder wordt, maar zijn tanden steeds jonger. En denkend aan de Latijn citerende student uit Vestdijks roman Ivoren Wachters, die zijn tanden verwaarloosde tot en grauw afbrokkelend gebit, laat Van Veelen zijn tanden enkele nuances witter maken. ´Buiten op straat voel ik hoe mijn tong als een argwanend huisdier begint te snuffelen aan de nieuwe, spekgladde muren van zijn hok. “Rustig, rustig”, zeg ik, “het is goed volk”’. (p.31)

    Het essay Steden Zonder Verleden, leest als een reisgids (dit genre heeft hij in zijn studententijd ook beoefend) en is een prachtige ode aan de schrijver Albert Camus.

    In Intake gesprek, voelt Van Veelen zich opgejaagd door alleen al te kijken naar zijn kamerplanten. Hij begint te geloven dat hij nu toch echt, zei het onwillig, een levenscoach moet zoeken. Daar klaagt hij dat het leven ingewikkeld is geworden: ‘En zekerheden van vroeger, goden, partijen, energieleveranciers – het is allemaal weg. Soms zijn we dan op zoek naar echte liefde. Soms hunkeren we gewoon zo naar echte aandacht. Ogen die je aankijken. Een hand die je even aanraakt. (…) En vaak voelen we ons zo opgejaagd door alles. En als we dan… Als we dan bijvoorbeeld onze kamerplanten zien, hoe ze dag in dag uit, heel rustig zichzelf zijn, dan… dan … ‘. Waarna de coach hem een kleenex aanbiedt.

    Lees!, lees!, lees! dit zeer vermakelijke, met kennis van zaken en humor geschreven boek en, hoewel de classicus dit schuwt want die keurt immers af dat er in hap snap porties Latijn en Grieks tot zich genomen wordt, je steekt er nog wat van op ook. En dan gun je het de middelbare scholieren dat Latijn en Grieks als verplichte vakken in het onderwijs terugkeren.

     

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Dagboekaantekeningen van een jonge Joodse vrouw.

    Ruth Maier wordt in 1920 in Oostenrijk geboren en vlucht aan het begin van de Tweede Wereldoorlog naar Noorwegen, terwijl andere familieleden zoals haar oma, haar moeder en zus naar Engeland gaan. Ruth heeft op dertienjarige leeftijd haar geliefde vader al verloren en heeft later vaak het gevoel er alleen voor te staan. Door het vroege verlies zoekt ze vriendschap met oudere mannen. In Oostenrijk heeft ze een bijzondere band met professor Williger. In het gastgezin, dat in een plaatsje nabij Oslo woont, onderhoudt ze vriendschap met de heer des huizes tot zij hem afwijst na diens poging haar te kussen. De vrouw in het gastgezin maakt zich evenmin geliefd omdat ze stiekem de brieven van Ruth leest. Op de school die Ruth volgt wordt ze gepest om haar anders-zijn. Door al deze levenservaringen is het niet vreemd dat Ruth een dagboek bijhoudt. Dat deed ze overigens ook al op haar dertiende toen de oorlogsdreiging nog ver weg was, maar de bedoeling blijft hetzelfde: om te kunnen vertellen over haar gevoelens.

    ‘Ik schrijf geen dagboek om ‘overpeinzingen’ neer te pennen of diepe gedachten te vereeuwigen. Ik schrijf om gevoelens kwijt te raken waar ik anders in zou stikken. Om in wonden te woelen zodat ze open blijven.’

    De taal die Ruth gebruikt is die van een adolescent. Ze doet ongeciviliseerde ontboezemingen en twijfelt over haar werkelijke identiteit. 

    Behalve door haar dagboeken leren we Ruth ook kennen door de correspondentie met haar zus Judith in Engeland. Judith heeft de brieven van Ruth bewaard en die vormen een goede aanvulling op de dagboeken die niet allemaal behouden zijn. We lezen dat Ruth vreest dat haar familie zal omkomen bij de bombardementen door de Nazi’s. Ruth hoopt in het begin vaak dat ze snel met haar familie zal worden verenigd zal zijn en later hoopt ze dat ze naar Amerika zal gaan.

    Ruth oogt op de omslag als een sensuele vrouw. Ze noemt zichzelf een geboren flirt, maar vindt anderzijds dat ze geen sex-appeal heeft. Ze heeft in Noorwegen nog nooit een minnaar gehad, hoewel ze daar wel een sterke behoefte aan heeft. ‘Elke broek hypnotiseert me,’ schrijft ze. Die behoefte komt ook naar voren in haar gedichten.

    ‘Waarom, Almachtige, hebt U mijn lijf
    als een sprookje geschapen, als ik ’s avonds
    in mijn kussen bijt om niet luid te schreeuwen
    dat ik hunker naar een man?’

    Het zijn tenslotte vrouwen met wie ze nauwe banden aanknoopt. Eerst met Agnes, die haar doet denken aan Käthe in Wenen en later, tijdens de vrijwillige Arbeidsdienst, krijgt ze vriendschap met de latere Noorse dichteres Gunvor. Hun relatie gaat niet over rozen, maar het is onduidelijk in hoeverre dat ervan de oorzaak is dat Ruth zich in 1941 twee maanden in ziekenhuis laat opnemen vanwege angstaanvallen. Ze schrijft op het intake-formulier dat ze niet graag alleen is. Dat is ze waarschijnlijk teveel geweest, zonder vader en met weinig steun van haar moeder die ze in haar jeugd in Wenen soms zelfs als haar eigen kind zag. Tijdens haar opname smacht ze naar contact met Gunvor, maar die had gezegd dat ze niet zou schrijven. Later komt het weer goed tussen de twee. Als Gunvor in 1995 overlijdt heeft ze veel werk van Ruth bewaard. Die vormt de basis voor dit boek, dat verluchtigd is met Ruths tekeningen.

    Het hoogste doel voor haar was geen onnodig lijden te veroorzaken in een wereld met zoveel leed. Daarom liet ze zich zonder protest wegvoeren tijdens een razzia in november 1942. Een ontroerende daad.

    Het leven kon zo mooi zijn

    Auteur: Ruth Maier
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum, Polak en van Gennep
    Vertaald door: Ard Postuma en Annemarie Smit
    Prijs: 27,50

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Een sociale stuntel met diepzinnige gedachten

    De van oorsprong Nieuw-Zeelandse en sociaal onhandige Grace onderbreekt het schrijven aan haar roman voor een weekend in de Midlands bij het gezin van een Engelse journalist die haar heeft uitgenodigd na een vraaggesprek met haar over haar werk.

    Met deze ene zin is het boek te omschrijven dat Janet Frame heeft achtergelaten zonder dat duidelijk was of dit mocht worden uitgegeven en dat nu door haar bezorgers aan de wereld is prijsgegeven. Toch zegt dit niets over het originele en openhartige proza dat Frame schrijft.  Al op de eerste bladzijde noteert Grace dat het weekend zich opdrong, dat de roman tussen het tweede en derde deel bleef steken en dat ze daarom haar personages maar even vrij liet om gehoor te kunnen geven aan hun drang tot dansen of vliegen en een verhaal over het weekend te schrijven.

    Grace is dan ook geen gewone schrijfster, ze is zelfs geen gewoon mens, maar een trekvogel. Het motto is ontleend aan een strofe uit het gedicht De eilanden van Charles Brasch, waarin grutto’s vanuit hun gekwelde baai naar een andere zomer verdwijnen.

    Het is zeer voorstelbaar dat de nogal eenzelvige schrijfster die met genoegen in haar appartement in Londen aan het werk is, er tegen opziet om een weekend lang in een onbekend gezin door te brengen. Ze kent alleen Philip Thirkettle, de heer des huizes, die haar heeft uitgenodigd omdat zijn vrouw Anne en zijn inwonende schoonvader uit Nieuw-Zeeland afkomstig zijn.

    In de trein vreest Grace hetgeen haar te wachten staat. Haar fantasie gaat met haar op de loop. Ze weet zich bij voorbaat kansloos naast de knappe vrouw van Philip, is bang door de kinderen aangestaard te worden en vreest dat zij als schrijfster met briljante ideeën moet komen die ook al tijdens het vraaggesprek uitbleven. Grace kon met geen mogelijkheid zeggen waar haar boeken over gaan. Ze heeft ze zelf niet eens meer in bezit en moet ze, als voorbereiding op een interview, lenen om te weten wat ze heeft geschreven. Ze heeft weinig affiniteit met haar eigen werk. Een schrijfster loopt vlekken op van uitgever, recensent of agent, zegt ze in haar eigen woorden. 

    Als ze eenmaal in de Midlands gearriveerd is, blijkt de schoonvader afwezig en Grace krijgt zijn kamer. Het gezin heeft twee jonge kinderen. Grace zegt dat ze wel raad met hen weet omdat ze vroeger heeft lesgegeven, maar ze voelt zich onthand, net als tijdens de conversaties. Spreken is voor haar rommelig gemodder.

    ‘Wanneer onze gedachten rondtollen, maken we onszelf vaak wijs dat hun heftige beweging een teken is van hun levendige originaliteit, van het op losse schroeven zetten van vooroordelen en vaststaande ideeën, terwijl het al die tijd waarschijnlijker is dat de machine waarin ze zich bevinden niet meer is dan een geavanceerde betonmolen, en als we klaar zijn met denken, worden die malende gedachten gladgestreken in de onveranderde oude mal en wanneer ze zo uitgehard zijn dat je erop kunt dansen, bouwen, erop kunt reizen, zouden we ons hun eerste bedrog, de hoop die ooit werd gewekt door hun schijnbaar ingrijpende herstructurering, niet eens meer kunnen indenken.’

    Ze durft niet tegen haar gastheer en -vrouw te zeggen dat ze een trekvogel is.

    ‘Waarom zou ze het hun niet vertellen, waarom niet uitleggen? dacht ze bij zichzelf. (…) Toch is het de regel dat mensen bang worden en jaloers zijn wanneer een ander eindelijk heeft vastgesteld wat zijn identiteit is; het maakt dat ze gaan nadenken over hun eigen identiteit, hem gaan afschermen en koesteren uit angst dat hij geleend zal worden of dat iemand zich eraan vergrijpt, en terwijl ze bezig zijn hem te beschermen komen ze met een onaangename schok tot de ontdekking dat hun identiteit niets is, iets wat ze gedroomd, maar nooit gekend hebben;’

    Identiteit is een belangrijk thema in dit boek. Soms denkt ze dat Anne en Philip haar ouders zijn. Ze vindt het vreselijk dat identiteiten zo door elkaar lopen. Tijdens het weekend wordt ze overvallen door herinneringen aan hun grote arme gezin in Nieuw-Zeeland, zoals beschreven in Een engel aan mijn tafel en prachtig verfilmd door Jane Campion. Hoewel Frame daar al veel over heeft gepubliceerd, lijkt het verleden haar niet los te laten.

    Haar vader George was een spoorman, waardoor ze vaak moesten verhuizen. Hij maakte de eerste wereldoorlog in de loopgraven mee en vertelde daarover dat hij alleen maar wilde overleven en naar huis wilde, hetgeen Grace tot een mooie bespiegeling brengt over de oorlog die door de wind naar de mensen toe geblazen wordt, die binnendringt in mensen, iets van steelt, iets toevoegt, de loop van hun leven verandert.

    Philip laat haar voor vertrek nog een schijnbaar interessant viaduct zien. Volgens Grace omdat het ongepast is om iets fraais over jezelf te zeggen. Engeland komt er slecht af vergeleken met Nieuw-Zeeland en dan gaat het niet alleen over het klimaat, maar ook over de innerlijke natuur van de Britten, die te aangepast zijn om nog om echt te kunnen zijn. Van ruilen komt huilen, weet Grace. 

    Haar manier van schrijven doet denken aan Jenny Diski, die net zo getormenteerd en eigenzinnig schrijft als Janet Frame. Grace was vroeger bijvoorbeeld bang als de naam van haar moeder werd uitgesproken, want dan was het net alsof ze haar moeder een beetje kwijt was. Dit soort ontboezemingen maken het lezen tot een feest. Janet Frame is een schrijfster naar mijn hart.

    Een andere zomer

    Auteur: Janet Frame
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Prijs € 19,90

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Wie in zichzelf afdaalt en begint te graven kan daar meer dan een wereld ontdekken. Het kleine, nietige innerlijk kan zelfs een heel universum bevatten dat het eigen begrip ver te boven gaat. Een poging dat alles te beschrijven, om de grootsheid van het gevonden aan anderen duidelijk te maken, lijkt onbegonnen werk. Feitelijk beschrijven lijkt bij voorbaat zinloos want daarbij moeten we een beroep doen op de ratio, het verstand, en dat is veel te koel, afstandelijk en onpersoonlijk om recht te doen aan onze meest persoonlijke belevingswereld.

    Dan maar proberen het beeldend te beschrijven. Met woorden kun je beelden oproepen en door het gebruik van metafoor, allegorie en gelijkenissen kom je een stuk verder dan met feitelijke beschrijvingen. Maar zelfs als je met beelden werkt is de taak om de grootsheid van je ervaren innerlijk te tonen niet zo eenvoudig. Om de ratio echt de nek om te draaien kun je je nog wenden tot de paradox of botweg de contradictie. Maar zelfs dan is het niet makkelijk.

    De frustratie van het willen uitdrukken van al het groots dat je diep van binnen ervaart, is prachtig weergegeven door de schilder Bavink in Nescio’s Titaantjes:

    God roept. Het is waarachtig geen lolletje, overal is-i. En overal roept-i Bavink. Overal hoor je je eigen naam, als-i zo dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink ‘God’.  En zo blijven ze elkaar roepen. Voor God is het een spelletje, die is oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar één dom hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje tegelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en verf. Dan is God overal behalve waar Bavink ‘m hebben wil.

    Er zijn ook mensen die de frustratie van Bavink niet delen. Zij menen woorden gevonden te hebben voor de zaken waar het hier om gaat en twijfelen is weliswaar toegestaan maar wordt niet erg op prijs gesteld. Zij gebruiken grote woorden. Grote woorden staan voor grote, alomvattende zaken zoals Alles, Niets, Zijn (in de zin van bestaan), Dood, Liefde. Grote woorden gebruik je vaak als de taal tekort schiet. In de woorden van de dichter C.O. Jellema: ‘puur beeld, verder reikend dan welk begrip ook.’

    Van kleine woorden kun je grote woorden maken door ze met een hoofdletter te schrijven en ze iets anders te gebruiken dan gewoonlijk. ‘Zijn’ is een werkwoord en om het groot te maken gebruiken we het als zelfstandig naamwoord: ‘het Zijn’ of ‘het Zijnde’. Van ‘niets’ maken we ‘het Niets’ en we kunnen er ook een werkwoord van maken: het Niets nietst. Zo voer je woorden op alsof het een motor is. ‘Alles’ wordt ‘het Al’, of ‘de Wereld’, of ‘de Werkelijkheid’. ‘Ik’ wordt ‘een ik’ of ‘het ik’. ‘Iets’ en ‘dat’ worden ‘een iets’ en ‘een dat’. Als oefening kunt u het zelf proberen met ‘hoe’, ‘waarom’ en dan proberen willekeurige zinnen te maken.

    Er is een hele traditie binnen de filosofie die zich bedient van grote woorden. De traditie komt deels voort uit een reactie tegen de rationaliteit van de Verlichting. De opkomst van de moderne wetenschap, het geloof dat de ratio de ware bron van kennis was bracht ook een anti-rationele tegenbeweging op gang. Volgens aanhangers van die beweging schiet de ratio of, om een lelijk woord te gebruiken, het discursieve denken, te kort voor het begrijpen van werkelijke belangrijke kwesties. Dat idee is natuurlijk veel ouder. Het Christendom heeft altijd al de nadruk gelegd op de irrationele kant van het goddelijke en mystieke filosofieën behoren tot de oudste ter wereld. Maar sinds de Verlichting is ook de mystiek meer individueel geworden. De band met religie, en in het Westen met Christendom, is geen noodzakelijke voorwaarde meer om op te gaan in irrationaliteit.

    De dichter C.O. Jellema staat met beide benen in de traditie van de irrationaliteit, al wordt hij als dichter vreemd genoeg vaak cerebraal genoemd. Hij is een man van grote woorden en zijn visie op het dichterschap is fundamenteel irrationeel. Hij gebruikt het liefst  woorden ‘die eigenlijk te groot zijn voor woorden, te overtreffend voor onze kennis, ons zelfinzicht.’ En over gedichten in het algemeen zegt hij: ‘het [gedicht] beschouwt zichzelf als een vrijplaats voor intuïties, voor onverdedigbare noties, niet te beargumenteren beseffen.’

    Die woorden komen uit Een open plek, essays, een verzameling van nagelaten werk. Jellema overleed in 2003 en twee jaar later verscheen zijn Verzameld werk, dat uit een deel poëzie en een dunner deel essays bestaat. In tegenstelling tot wat de ondertitel suggereert, bevat Een open plek niet alleen maar essays, maar ook notities,  fragmenten, een brief en zelfs een kort sprookje. Maar in al die teksten komt bijna voortdurend de behoefte naar voren om één te worden met het woord, het gedicht, datgene wat gezien wordt. Telkens proef je bij Jellema de mystieke behoefte om over de grenzen van de wereld heen te kijken en een waarheid te beleven die zich achter grote woorden schuil houdt. Hij doet daarbij soms een beroep op de teksten van de dertiende eeuwse Duitse mysticus Meister Reinhart die hij uitgebreid bestudeerd en vertaald heeft. De werkelijk belangrijke wereld is voor Jellema rationeel niet interessant. Het gaat hem duidelijk om meer, of beter gezegd om iets anders. En hier moeten van ‘iets’ ‘een iets’ maken om in de wereld van Jellema binnen te treden.

    In zijn poging om het goddelijke, het dichterlijke, in beelden te vangen, lijkt Jellema misschien wel een beetje op Bavink, maar bij Jellema ontbreken de humor en de klacht dat het maar niet lukken wil. Hij twijfelt niet, althans niet in de zin dat Bavink twijfelt over de haalbaarheid van zijn taak. Jellema probeert wel, hij aarzelt en twijfelt maar in het gebruik van grote woorden komt hij toch over als iemand die de poëzie twijfelloos duiden kan.

    Grote woorden gebruikt Jellema met name als het om de essentie van de poëzie gaat. Hij is ten slotte in het diepst van zijn gedachten dichter. In het essay Denkend aan de dood kan ik niet slapen spreekt hij over het poëtisch beeld: ‘in het beeld gaat het niet om een dit of dat, een dit naast dat, maar om een dit is gelijk aan dat. Dit ene is ook dat andere.’  Het zijn woorden die hij in dit geval ontleent aan Octavio Paz en wie niet bekend is met Jellema’s essays zal het al gauw onbegrijpelijk vinden. Gelukkig probeert hij met gedichten van o.a. Shakespeare, Bloem en Huygens de grote woorden te verduidelijken. De gedichten illustreren enigszins wat Jellema bedoelt met poëtische beelden en grote woorden als Dood en Liefde. Het levert het meest geslaagde essay van dit kleine boekje op. Wat het essay uiteindelijk geslaagd maakt, is dat Jellema andermans teksten citeert en daar een hoogstpersoonlijke samenhang in weet aan te brengen. Het is een essay dat wat betreft de vorm doet denken aan die van de vader van het moderne essay, Montaigne, en alleen daarom al kun je het geslaagd noemen. Het citeren van andermans poëzie brengt ook wat lucht in de zware kost die Jellema over de lezer heen stort. Bovendien toont hij met zijn keuze zijn gevoel voor poëzie en daar is niets mis mee.

    Minder geslaagd is de rest van het boekje. Behalve het zojuist besproken essay is de rest niet van het niveau van het Verzameld werk. Dieptepunt vormt een kort, titelloos sprookje dat niet zou misstaan in de happinez. Hetzelfde geldt voor de bijgaande schilderijen van Hessel Miedema, voor wiens tentoonstelling Jellema de tekst schreef. Verbazingwekkend is ook het stuk De locatie dat bestaat uit herinneringen en beschouwingen die in een experimenteel proza zijn geschreven. De zinnen zijn af en toe extreem lang en bevatten allerlei terloopse uitweidingen en bijzinnen. Herinneringen en anekdotes zijn in dit boek vluchtheuvels waar de lezer even op adem kan komen van de betogen. Maar in De locatie worden juist deze delen haast onleesbaar gemaakt. Het is een experiment dat mij slecht beviel.

    Een open plek is een klein en dun boekje van nauwelijks 125 bladzijden. De kwaliteit van de teksten varieert en als een introductie schiet het werk tekort. Wie enigszins mystiek is aangelegd, kan zich beter eerst wenden tot Jellema’s gedichten en zijn Verzamelde essays, voordat hij Een open plek opzoekt. Want in tegenstelling tot wat de titel en omvang misschien doen vermoeden, makkelijk krijgt de lezer het bepaald niet. Nu zou dat op zich niet erg zijn als we er na afloop iets mee opschieten, maar vaak leidt het gebruik van al die grote woorden tot een raadsel van onleesbaarheid. Het meest extreme voorbeeld daarvan is het afsluitende essay Een open plek. De opening begint leesbaar met de beschrijving van een herinnering hoe zijn moeder hem vroeger voorlas uit de kinderbijbel. ‘Mijn moeder was niet wat je noemt gelovig, voor theologie had zij geen belangstelling, maar voor die andere werkelijkheid die zich achter de zichtbaarheden en gangbaarheden verborgen houdt en die zich toch ook daar in soms kan manifesteren, als een open plek in het struikgewas van de normaliteit, had zij een zintuig waarvan de intensiteit zij op ons als kind al wist over te dragen.’

    De zin is wat krom, met de intensiteit van het zintuig wordt die van de waarneming bedoeld. Maar verder valt ‘de open plek in het struikgewas van de normaliteit’ op als een grotesk monster. Een bladzijde later blijkt waar Jellema die beeldspraak vandaan heeft. Namelijk van Heidegger die hij in het Duits citeert. Ik doe hier hetzelfde, houd u vast.

    Inmitten des Seienden im Ganzen west eine offene Stelle. Eine Lichtung ist. Sie ist, vom Seienden her gedacht, seiender als Seiende. Diese offene Mitte is daher nicht vom Seiend umschlossen, sondern die lichtende Mitte selbst umreist wie das Nichts, das wir kaum kennen, als Seiende.’

    Dit is geen Duits meer, eerder een soort anti-Duits. Hier wordt de taal zo ver uitgerekt dat het pijn aan de innerlijke ogen doet. Dit is de poëzie voorbij. Dit is elke verwondering wegstoppen achter een mitrailleurvuur van mishandelde woorden. Jellema merkt nog op dat deze zinnen hem ‘in hun bedoeling helder’ zijn en met nog drie pagina’s te gaan wordt het mij fysiek onmogelijk verder te lezen.

    Maar Heideggers woorden zijn niet die van Jellema. En mijn boosheid op Heidegger is niet voor Jellema bedoeld. Daarvoor is hij teveel dichter, teveel verbonden met de literatuur.  Het is een extreem citaat in een boekje dat door het voortdurend benadrukken van het opgaan in ‘de tijdloze  eenheid van zijn, zien en zin’ mij niet kwaad maakt maar me wel erg snel vermoeit en soms ergert.

    Die ergernis kan ik nog wel inslikken en mijn onvrede met Jellema’s beschouwende werk ligt dan ook dieper. In zijn essay Een wet tegen afbakeningen opgenomen in het Verzameld werk betoogt hij (naar aanleiding van Eckhart) dat een beschouwer zo op kan gaan in het zien van een object dat hij er één mee kan worden. Na meer dan honderd bladzijden van Jellema gelezen te hebben, kreeg ik de indruk dat ik eigenlijk niet meer anders kijken mocht. Op een één of andere manier benauwen mij al die hooggestemde gedachten, en komt die open plek mij duister en niet licht voor. Al lezende kom ik er achter dat ik de dingen liever in het voorbijgaan bekijk zonder er één mee te willen worden. Liever trek ik me terug van de open plek en verstop ik me in het struikgewas van de normaliteit. De zegeningen van het zijnde zien laat ik aan mij voorbij gaan. Gezegend, gebenedijd, het hoeft van mij niet zo.

    Wat zei-di ook weer?’ ‘Wie?’ vroeg ik. ‘Die vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaars waren?’ ‘Gebenedijden, Bavink.’ ‘Weet je wat ik denk, Koekebakker? Dat ‘t dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt heeft. Daar heb ik ook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. Gebenedijden…

    Een open plek, essays

    Auteur: C.O. Jellema
    Onder redactie van: Gerben Wynia
    Verschenen bij: Uitgeverij Kleine Uil
    Prijs  € 17,50

    Een recensie door Menno Hartman van Verzameld Werk van Jellema verscheen in 2006 op Literair Nederland.

  • Uiteenlopende reacties op een extreme situatie

    Uiteenlopende reacties op een extreme situatie

    Het boek begint fascinerend. De negenendertigjarige Keith Neudecker is net ontsnapt uit de Twin Towers en wankelt te midden van andere verdwaasden door Manhattan. Hij heeft glassplinters in zijn gezicht, zit onder het roet en lijkt nog het meest op een grijze robot. Aan het eind van het eerste hoofdstuk beseft hij waarheen hij op weg is. In het volgende hoofdstuk weet de lezer dat ook. Niet naar zijn eigen appartement dat in de gevarenzone ligt, maar terug naar Lilianne, met wie hij samen een kind heeft, de jongen Justin. Lilianne brengt hem naar het ziekenhuis. Daarna herstelt hij in haar huis.

    Klein en groot ongeluk geven elkaar in dit boek de hand: relationele onzekerheid speelt zich af tegen de achtergrond van de aanval op het hart van het westerse financiële centrum. De spanning wordt vergroot als Keith een aktetas opent die hij op de trappen van de Twin Towers in zijn handen kreeg gedrukt. De tas blijkt van ene Florence, die daar eveneens werkte en de ramp overleefde. Keith bezoekt haar enkele malen. Florence praat veel om de gebeurtenissen te verwerken. Keith gaat met haar naar bed en houdt dat voor Lilianne verborgen.

    Het gaat in dit boek over het omgaan met verscheurende situaties, de uiteenlopende reacties erop. Keith voelt zich vervreemd sinds hij niet meer werkt.
    ‘Hij begon zijn gedachten te richten op de dag, op de minuut. Dat kwam doordat hij hier was, alleen in de tijd, weg van de gebruikelijke prikkels, van de stroom uiteenlopende kantoorgesprekken. De dingen leken roerloos, ze leken scherper voor het oog, vreemd genoeg, op een manier die hij niet begreep.’

    Na zijn herstel wordt hij een maniakaal pokeraar.Lilianne gaat de onzekerheid over haar relatie met Keith uit de weg door haar aandacht te richten op een groep dementerenden die door het schrijven van verhalen de aftakeling proberen uit te stellen. Zoon Justin speelt met vriendjes een spel waarbij ze met verrekijkers de omgeving afspeuren naar terroristen en niet geloven dat de torens al zijn ingestort.

    De drie delen dragen de namen van geheimzinnige personen, die in die delen ontrafeld worden, zoals de straatartiest David Janiak, die voor vallende man speelt en onverwacht in het straatbeeld opduikt. Elk deel wordt afgesloten met een hoofdstuk over Hammad, een van de terroristen die zich in Hamburg voorbereidt op de operatie. Deze hoofdstukken zijn nogal voorspelbaar en schematisch. Ook komen we een en ander te weten over Nina, de moeder van Lilianne, die zich heeft laten scheiden van haar man en bevriend is met Martin, een internationale kunsthandelaar die banden had met de Rote Armee Fraktion.

    DeLillo kruipt met gemak in het hoofd van zijn personen, maar het verhaal raakt nogal versnipperd omdat hij om de haverklap van Keith naar Lilianne heen en weer springt. Vaak is het aan het begin onduidelijk over wie het fragment gaat. Het wordt teveel een maniertje om steeds op dezelfde manier de lezer tegemoet te treden.
    De sfeer doet sterk denken aan de indringende documentaire over de brandweerlieden, die de torens ingingen. Het eind is niet echt bevredigend met mijmeringen van Lilianne over het wel of niet bestaan van God, maar misschien daarom juist indringend. Er blijft iets in de lucht hangen, dat je niet loslaat.

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Toen ik voor het eerst de titel van de ‘nieuwe Pessoa’ zag, las ik aanvankelijk  ‘Heimwee naar vervreemding’. Nadat echter gebleken was dat de werkelijke titel Heimwee naar vereeuwiging luidde, maakte een lichte teleurstelling zich van mij meester. Zou de inmiddels o zo vertrouwd  geworden vervreemding van Pessoa zomaar ingeruild zijn voor een hoogdravend streven naar vereeuwiging?
    De Engelse gedichten, luidde de ondertitel. En Engels was de taal waarin Pessoa (1888 ? 1935) zijn eerste schreden op het dichterspad zette, schoolgegaan als hij was op Engelstalige instituten in Zuid Afrika, waar hij van 1896 tot 1905 met zijn moeder en haar tweede echtgenoot woonde. Tijdens zijn Zuid Afrikaanse studiejaren won hij al eens een prijs voor het beste Engelstalige essay, maar niettemin oordeelden zijn stiefvader en moeder dat zijn toekomst in zijn vaderland, Portugal, moest liggen. In de zomer van 1905 keerde hij in zijn eentje terug naar zijn geboortestad Lissabon, waar hij als zeventienjarige opgenomen werd in het huishouden van twee tantes en een voor krankzinnig versleten grootmoeder. Maar juist in Portugal ontkiemde de wens zich als Engelstalige dichter te manifesteren. Tot 1908 schreef hij zelfs uitsluitend Engelstalige gedichten en pas vanaf 1908 ondernam hij daarnaast ook pogingen in het Portugees te dichten.

    Na een korte letterenstudie aan de universiteit van Lissabon, vestigde Pessoa zich als handelscorrespondent. Zijn kennis van het Engels, Portugees en ook Frans kwam hem hierin van pas. Overdag een kantoorleven, en ’s avonds aan de schrijverij of in benevelde staat zwerven door Lissabon. Het volhouden van een dergelijk opgedeeld leven vraagt om opgedeelde persoonlijkheden. En daarin voorzagen de diverse dichterlijke heteroniemen waarmee Pessoa zich vanaf 1914 begon te bedienen. En dat er ook een paar Engelse heteroniemen tussen zaten, bewijst wel dat hij zijn Engelstalige poëzie serieus nam. Zo kwamen de heteroniemen Alexander Search en Charles Robert Anon in de wereld. Ze werden ook aangewend voor het ondertekenen van ingezonden brieven naar Engelse kranten. Voor iemand die van zichzelf zocht te vervreemden is het misschien ook niet zo verwonderlijk dat hij zich zoekt te uiten in een andere dan zijn eigen taal. Van het twaalf delen tellend Verzameld Werk vult het Engelstalige maar liefst drie delen. Kwantitatief legt het dus zeker gewicht in de schaal, maar het is Pessoa echter niet gelukt om zijn Engelstalige gedichten in boekvorm gedrukt te krijgen, anders dan bij een marginale uitgever voor eigen kosten.

    Na 1920 geeft hij dan ook de brui aan zijn pogingen Engelstalige poëzie te schrijven. Inmiddels had hij zich als dichter in het Portugees gemanifesteerd en daarin liet hij zijn legertje heteroniemen zich verder uiten. Maar… helemaal werd de Engelse taal niet afgezworen, want uit zijn sterfjaar, 1935, niet lang voor zijn dood aan alcoholvergiftiging, dateert het vers D.T. Dat zo inzet:

    ‘In de afgelopen dagen

    Heb ik een duizendpoot

    Met mijn schoen kapotgeslagen.

    Hij was er niet, toch is hij dood.

    Hoe ik dat doe?

    Daar zit ik echt niet mee ?

    Zo begint gewoon D.T.’

    Wanneer men bedenkt dat D.T. staat voor Delirium Tremens, dan leest het als een soort light verse, waarin Pessoa zijn eigen alcoholverslaving op de korrel neemt.

    Maar dit gedicht, waarmee de bundel ? die zich op dit ene, later tot stand gekomen gedicht na  ook laat lezen als een poëziebloemlezing van de jonge Pessoa ? afsluit, is zeker niet typerend voor de rest van de opgenomen gedichten.

    Zijn streven als Engelstalige dichter naam te maken, zette met zeer traditionele vormgegeven sonnetten in. Geen wonder voor iemand die zich ten doel stelde Pope, Milton, Shakespeare naar de kroon te steken. Hij koos dan ook voor het Elizabethaanse sonnet, dat sterk afwijkt van het Italiaanse prototype van Petrarca. Dit laatste bestaat uit een octaaf (8 regels) waarin het thema wordt gepresenteerd, gevolgd door een sextet (6 regels) waarin het thema zijn climax bereikt en tot afronding komt. De zeventiende-eeuwse Elizabethaanse variant telt drie kwatrijnen (4 regels) elk met eigen rijm. Om in de laatste twee regels, het distichon, op pregnante wijze de inhoud samen te ballen, vaak ook met een zekere pointe. De vorm mag dus ouderwets ogen, Pessoa gaat er wel tegenaan met zijn eigen(tijdse) problematiek van vervreemding van de ik ten opzichte van de werkelijkheid, de ontoereikendheid van het menselijke streven naar wezenlijk contact tussen het ik en de ander en zo meer. Een mooi voorbeeld is:

    Sonnet XXVIII

    ‘Het randje van de groene gold sist wit.

    Op ’t natte zand. Ik droom, terwijl ik kijk.

    Voorwaar, de werkelijkheid is toch niet dit!

    Hoe het ook zij, dit is niet wat het lijkt!

    De lucht, de zee, het onbeperkt verbreide

    Van vreugd, de wereldmassa waar wij naar

    Kijken, is niet iets, maar iets tussenbeide.

    Slechts wat hierin iets anders is, is waar.

    Als dit iets voorstelt, als ik in mijn waken

    Die helderheid, de slaap der dingen zie,

    Laat mij dan maar mijn eigen dromen smaken

    En waarheid putten uit mijn eigen fantasie,

                Die al te bitter droomt, vol schoon verwensen

                Heelal, o dagelijkse slaap der mensen.’

    Omdat het Engelse origineel ernaast staat afgedrukt, kan men zien hoe mooi Asscher erin geslaagd is om de zin ‘Only what in this is not this is real.’ om te zetten in: ‘Slechts wat hierin iets anders is, is waar.’

    De Engelstalige gedichten zijn van vorm traditioneler dan de Portugese poëzie van Pessoa. Ze kenmerken zich vooral door de compacte, lapidaire zinsconstructies met hun samengebalde zeggingskracht. Alles strak geregisseerd en de woorden hypergestileerd en vernuftig tegen elkaar uitgespeeld. Neem bijvoorbeeld het distichon uit Sonnet VIII:

    ‘And, when as thought would unmask our soul’s maskings,/ Itself goes unmasked to the unmasking.’ Dit wordt in vertaling: ‘En de gedachte die de ziel ontmaskert / Gaat daarbij zelf nooit anders dan gemaskerd.’ Naar de geest goed weergegeven, al laat het Engelse origineel het nog meer vonken op woordniveau. Maar ja, soms is dat woordspel een beetje overdone en dan is de schier onvermijdelijke afvlakking in het Nederlands niet eens onwelkom. Maar een zin als ‘A port is near the more from port we part’ (vertaald als: ‘Vertrek brengt steeds een haven naderbij’) toont aan dat Pessoa zich ook om welluidendheid bekommerde.

    De 35 sonnetten die in deze bloemlezing integraal gepresenteerd worden dateren van 1912 ? 1914,  maar de bundel vangt aan met het uit 1913 daterende langere gedicht Epithalamium (Bruiloftsdicht), een uiterst zinnelijk vers dat geschreven is vanuit de focus van de bruid op haar trouwdag met voorafschaduwing van de consummatie in de daaropvolgende bruiloftsnacht. Gevolgd door het in 1915 geschreven Antinoüs, een klaaglied voor keizer Hadrianus bij de dood van zijn lievelingsknaap. Deze twee verzen van langere adem zijn nog van de hand van August Willemsen, de vaste Pessoavertaler die in november 2007 overleed. Ze zijn tevens buitenbeentjes in het oeuvre van Pessoa vanwege de openlijke verbeelding van zinnelijke lusten. Gelukkig staan in het oeuvre van Pessoa dergelijke op lustbevrediging gerichte strevingen garant voor evenzovele teleurstellingen, zodat de sluier van vergeefsheid en weemoed oververhitting bij de poëzieminnende lezer voorkomt.

    Wellicht dat de direct in het oog springende traditionelere vorm van deze Engelstalige poëzie in eerste instantie de vertrouwde Pessoastem wat lijkt te hebben weggemoffeld, maar tussen de regels door ontwaart men wel degelijk de stem om wie het de Pessoalezer te doen is.

    Ook in de afdeling Inscripties, die teruggaat op de traditie van de epigrammen, vindt men het vertrouwde:

    Inscriptie nummer VI:

    ‘Bemind als minnaars of als buit verdiend.

    Een echte vrouw voor een doorvoede man

    Was ik van wie ik diende ook gediend.

    Ik liep, sliep, baarde en stierf alsof dat zomaar kan.’

    En nummer VII:

    ‘Genot ging als een vreemde nap aan mij voorbij.

    Aan goden placht ik mij ? streng, eigen ? te vergapen.

    De schaduw naderde gewoonweg achter mij.

    Dromend dat ik niet sliep, heb ik mijn droom geslapen.’

    De drie kloeke Engelse delen uit het Verzameld Werk integraal vertalen zou wellicht wat veel van het goede zijn, maar de kwaliteit van de hier gepresenteerde selectie rechtvaardigt de verschijning ervan in de prestigieuze Pessoareeks van de Arbeiderspers.

    Tot besluit nog een kleinigheid: de achterflap meldt dat ‘niets van deze Engelstalige poëzie’ eerder in het Nederlands uitgegeven zou zijn. Dat moge zo zijn voor de hierin gepresenteerde vertalingen. Maar vier van de 35 sonnetten had August Willemsen zelf al in eigen vertaling opgenomen in zijn vele malen herdrukte en alom geprezen bloemlezing van de Gedichten van Fernando Pessoa uit 1978, waarmee hij vele Nederlanders voor het eerst liet kennismaken met dit poëtisch genie uit Lissabon. Sindsdien was de naam Pessoa voor de Nederlandse poëzieliefhebber zozeer verankerd met die van Willemsen, dat velen vreesden dat met de dood van de laatste ook de eerste een tweede dood gestorven was. Maar gelukkig toont Asscher dat er nog Pessoa na Willemsen is. Al blijft het eeuwig jammer dat Willemsen zelf niet meer van zijn ‘eigen’ Pessoa kan genieten.

    Heimwee naar vereeuwiging

    De Engelse gedichten
    Auteur: Fernando Pessoa
    Vertaald door: Maarten Asscher en August Willemsen
    Verschenen bij: Uitgeverij de Arbeiderspers
    Prijs  € 27,50

  • Recensie door: Karel Wasch

    Recensie door: Karel Wasch

    Gays, Lesbo’s en Bi’s in de filmstad

    Het is een beetje een afgekloven onderwerp: filmsterren, die homo of lesbo waren, maar dat krampachtig verborgen wensten te houden, mede ingegeven door de contracten, die ze zelf hadden ondertekend. Wel biedt dit onderwerp stof om eens flink uit te pakken over het Sodom en Gomorrha dat Hollywood decennia is geweest en wie weet, nog is. Inmiddels zijn veel van de geheimen van veel sterren al onthuld en waar Adrian Stahlecker, de weinig begenadigde schrijver van dit boek, mee aankomt, biedt weinig nieuws. We wisten al dat Rock Hudson en Anthony Perkins, maar ook Montgomery Clift op het witte doek geweldige macho’s probeerden te verbeelden, maar in werkelijkheid radeloos aan het cruisen waren op zoek naar mannen om sex mee te hebben, veelal naast hun fakehuwelijk.

    Toen het roddelblad Confidential in de jaren vijftig, de privégeheimen van de sterren begon prijs te geven en haar oplages tot duizelingwekkende hoogtes zag stijgen, gingen vele ontmaskerde sterren nog meer aan de pillen en de drank, om hun schaamte te verbergen. Dat lijkt leuke verhalen op te leveren, maar hier wreekt zich de opzet van het boek: veel, heel veel korte biografietjes in een tante-betje stijl geschreven en bovendien – helaas – uitpuilend van spelfouten. Nergens krijgen we diepgaande analyses of achtergrondfeiten voorgeschoteld.

    Toch staan er ook wel aardige dingen in het werk. Zoals het verhaal over Rodolfo Alfonso Raffaello Filiberto Guglielmi di Valentina d ‘Antonguolla, beter bekend als Rudolf Valentino. Hij klom op van gigolo tot danser en uiteindelijk tot filmsymbool. Hij trouwde met een lesbische danseres, maar hun huwelijk was geen succes en door Russische actrices en dansers werd hij in bescherming genomen, vooral tegen zichzelf. Hij was extravagant en joeg er enorme sommen geld doorheen. Toen hij stierf pleegden mannen en vrouwen zelfmoord. Nurejev zou later de hoofdrol spelen in een film over Valentino.

    Aan het eind van het boek belanden we in de roerige jaren zestig en zeventig, wanneer aids begint toe te slaan en de homo’s en lesbo’s steeds openlijker voor hun geaardheid uitkomen zoals het stijlicoon Liberace, die in hotpants optrad en nichterige concerten gaf, gekleed in glinsterende capes en met om iedere vinger minstens drie ringen. Ooit geweten dat Dr. Kildare (Richard Chamberlain) homo was? Is het erg belangrijk? Er zijn ook wielrenners, voetballers, scheidsrechters en zwemsters, politici, die homo of lesbo zijn, maar over hen is gelukkig nimmer een boek gepubliceerd. Daarvoor is het thema toch te dun.

    Het andere Hollywood

    Gays, Lesbo’s en Bi’s in de filmstad
    Auteur: Adrian Stahlecker
    Verschenen bij: uitgeverij Aspekt
    Prijs: € 22,95

  • Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Wat beweegt een uitgever ertoe om een boek dat drieënveertig jaar geleden voor het eerst is verschenen en waarvan zowel de auteur als de vertaler reeds lang zijn overleden, opnieuw te laten drukken? Hebben vogelliefhebbers hier op aangedrongen? Voer voor ornithologen misschien. Niet alleen de slechtvalk wordt gevolgd maar ook vele andere vogelsoorten worden in het boek beschreven. De habitat van de slechtvalk, het platteland van Engeland krijgt ruime aandacht. De geografische positie van dit gebied is moeilijk op te maken uit het verhaal en vogelliefhebbers die op de idee komen om ook eens een bezoek aan dit gebied te brengen wordt het niet gemakkelijk gemaakt. Al op één der eerste bladzijden krijgt de lezer een waarschuwing. ‘Uitvoerige beschrijvingen van een landschap zijn vervelend’.

    Het is zeker aan de uitstekende vertaling van Hans Edinga te danken dat toch een zeer goed leesbaar resultaat is verkregen. Het boek laat zich overigens niet lezen als een roman of een reisbeschrijving. Het vertoont eerder overeenkomsten met een dichtbundel. De beschrijvingen van de observaties van de slechtvalk zijn vaak poëtisch en er kan ook geen sprake van zijn dat dit boek in één adem wordt uitgelezen. Men dient er, net als bij een dichtbundel, elke dag een stukje in te lezen. Een achtervolging van een grutto door een slechtvalk wordt als volgt omschreven: ’De slechtvalk stoot en strekt zijn klauwen. Grutto en slechtvalk schieten heen en weer, maken ontwijkende bewegingen, stikken land en water aan elkaar met flitsende schietspoel’. Pure poëzie en degene die opmerkt dat een schietspoel wordt gebruikt bij het weven en niet bij het stikken, is een kniesoor. Even verderop lezen we: ‘De door de wind aan flarden gescheurde banier van het herfstlicht overkoepelt de groene akker tussen de twee riviermonden’. Al deze lyrische omschrijvingen kunnen toch het uitermate wrede bedrijf van de slechtvalk niet verhullen want de prooi wordt achtervolgd en met uitgestrekte klauwen opgegooid en neergekwakt, als door de hoorns van een stier en komt neer met opengereten hart in een plas bloed. De foto op de omslag van het boek doet vermoeden dat de slechtvalk overeenkomsten vertoont met (sommige) mensen. Grote bek, agressieve blik en een laag voorhoofd. Opmerkelijk is verder dat de slechtvalk zich toch door kraaien op zijn kop laat zitten. Grutto’s, meeuwen, plevieren, houtduiven, allemaal worden ze meedogenloos achtervolgd, aan stukken gereten en verorberd maar de kraaien blijken in staat om de slechtvalk op de vlucht te jagen.

    Ook in Nederland krijgt de slechtvalk ruime aandacht. Op hoge gebouwen en schoorstenen worden nestkasten geplaatst waarbij alle verrichtingen zoals het broeden en uitkomen van de eieren door middel van camera’s worden gevolgd. Het aantal broedparen neemt gestaag toe en men schijnt er in geslaagd te zijn om de slechtvalk te behoeden voor uitsterven.
    Het boek van de natuurkenner James A. Baker geldt in Engeland en de Verenigde Staten als een klassiek meesterwerk.

    De slechtvalk

    Auteur: James A. Baker
    Vertaald door: Hans Edinga
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: € 18,90

  • Een biografie van de gemene deler

    Een biografie van de gemene deler

    Hoewel de ondertitel ‘De levenskracht van een Indische familie’ luidt, gaat dit boek vooral over de levenservaringen van Asta Hoyer (1917-2002), dochter van een rijke blanke en een arme Indo-Europese vrouw. Ze groeit op als Indo meisje in Nederlands Indië, trouwt met de vrolijke maar losbandige George, vormt samen met hem een groot gezin, vertrekt na diens dood naar Nederland, groeit uit tot een matrone – of matriarch zoals de schrijfster dat noemt –  met een grote kinderschare en overleeft uiteindelijk drie echtgenoten. Asta is een sterk meisje met een doordringende blik in haar diepzwarte ogen, die elke man weten te biologeren, schrijft Eveline Stoel, die zelf nooit met haar heeft gesproken. Ze kwam in de familie als een vriendinnetje van een kleindochter en baarde later een achterkleinkind Hoyer. Er is dus sprake van een persoonlijke band met de familie.

    Behalve van Asta en haar gezin wil Eveline Stoel ook een beeld schetsen van de Indische Nederlanders die in de jaren vijftig massaal naar Nederland kwamen. De aankomst van de Hoyers is een van de meest beeldende hoofdstukken in het boek met het benauwde pension in Oss waar het gezin gehuisvest wordt, de kouwelijke oma Troel die bij de kachel zit, de kille Hollandse sfeer en de Juliana – of Wilhelminasoep die de pensionhoudster hen voorzet en die zij meteen door de gootsteen spoelen.

    De Indo’s werden tijdens de Japanse bezetting niet geïnterneerd zoals de Europeanen, maar stonden als zogenaamde buitenkampers tamelijk geïsoleerd in de maatschappij. Na de capitulatie van Japan maakte men de Bersiap mee: tijdens een machtsvacuum pleegden nationalisten veel gewelddadigheden tegen de oude bezetter. Uiteindelijk zat er voor de Indische Nederlanders weinig anders op dan naar het vaderland te vluchten.

    De Indische bevolking is hier snel geassimileerd. Ook Asta was gedecideerd in haar opvattingen over de ingroei in de maatschappij. Ze vond dat haar kinderen zich zo geruisloos mogelijk moesten inpassen en ze verbood hen om Maleis te spreken.

    Volgens Ernst Jansz had de schijnbaar rimpelloze integratie ook een keerzijde, namelijk een verlies van identiteit, maar Asta en haar gezin kunnen volgens de schrijfster als voorbeeld dienen voor huidige nieuwkomers.

    Eveline Stoel probeert een verhaal uit één stuk te schrijven. Het nadeel van deze werkwijze is dat het soms teveel een platte familiegeschiedenis wordt, waarbij het erom gaat hoe de kinderen terecht zijn gekomen. Door een hoog tante-gehalte wordt de biografie opsommerig en mist ze diepgang. Stoel probeert aan het eind van een hoofdstuk spanning op te wekken door alvast vooruit te lopen op moeilijkheden, bijvoorbeeld die George ondervindt tijdens werkzaamheden op de Nederlandse suikerplantage in Pandji, waar Asta met de jongere kinderen naar toe verhuisde terwijl de oudsten in Soerabaja bleven.

    De laatste twee huwelijken van Asta waren niet bijster interessant en leverden acceptatie-problemen op bij de kinderen. Over haar uitstapjes met haar derde man Jan vermeldt Eveline Stoel het volgende: ‘Stad en land struinden ze af op zoek naar een blauwe jas die Jan graag wilde hebben. Zo helder als het uniform van de conducteurs van de Nederlandse Spoorwegen moest het kledingstuk zijn en ze vonden het nog ook.’

    Af en toe klinken de vraaggesprekken die Eveline Stoel hield met de kinderen van Asta door de tekst heen, zoals tijdens bombardementen in de schuilkelder. ‘”Stil, stil,stil!” zeiden de volwassenen dan tegen de aanwezige kinderen. Klein als ze waren, lazen ze de angst in de ogen van de ouders.’

    Tegen het eind komt Geen gewoon Indisch meisje van Marion Bloem ter sprake. Dochter Shelley herkent zich in de hoofdpersoon, maar vindt geen gehoor bij haar oudere zussen. De zes jaar jongere Debbie, in Nederland geboren uit het huwelijk met de tweede man van Asta, heeft aan de andere kant geen affiniteit met Indië.

    Tijdens het lezen moest ik af en toe denken aan Het zwijgen van Maria Zachea. Judith Koeleman ondernam een vergelijkbare exercitie door een eveneens zwijgzame Zaanse matrone te portretten op basis van interviews met haar kinderen. Het was misschien interessanter geweest om ook in Asta’s ogen de kinderen zelf aan het woord te laten, waardoor ze een eigen stem zouden krijgen. Buddy bijvoorbeeld werd in Nederland zeeman uit schuldgevoel over de moord op zijn vader, toen die speciaal naar Soerabaja kwam om diens verjaardag te vieren. Buddy vond dat hij na zijn schooltijd niet zijn eigen weg kon gaan, maar geld in het laatje moest brengen. Door de verschillen tussen de kinderen te laten zien zou ongetwijfeld een kleurrijker boek ontstaan zijn.

     

     

     

  • Een goede moeder

    Noem het liefde is de derde roman van Beitske Bouwman. Het is een roman over moederschap die ongetwijfeld veel herkenning vindt en vooral een gevoel van eensgezindheid zal brengen bij de vrouw. Hiermee wil niet gezegd zijn dat mannen dit boek niet mogen lezen: het is zelfs een aanrader. Het gaat over de eenzaamheid van de vrouw, die nooit weet of dat wat ze doet, het goede is. Wat is bijvoorbeeld een goede moeder? Dat is de cruciale vraag die door het hele boek, vaak als een kabbelend beekje en soms als een woeste golf opspattend, meedeint.

    Magda Steenhuis komt tot de verrassende ontdekking dat zij het kind, dat voor abortus bestemd was omdat zij en haar partner dat zo besloten hebben, wil houden. In een leven dat de wetenschap dient en waarin geen plaats is voor een gezinsleven, kiest zij voor een kind, maar ook voor de acht maanden durende expeditie waar zij zich al jaren op voorbereid heeft. Wat inhoudt dat zij haar twee maanden oude dochtertje Jerana bij haar moeder, met wie ze een twijfelachtige relatie heeft, zal achterlaten.
    Nanne, de jeugdvriendin van Magda is het volstrekt niet met de keuze van Magda eens. Zij probeert haar zelfs op andere gedachten te brengen. Zelf is Nanne een zeer stipte moeder van drie kinderen en daarbij werkt als advocaat en mededirecteur van heenbedrijf. Uiteindelijk zegt zij haar baan op om fulltime voor haar kinderen te kunnen zorgen.

    De moeder van Magda zal gedurende acht maanden de zorg van haar kleindochter op zich nemen. Vlak voor haar dochter vertrekt ontdekt ze dat ze ziek is maar ze verbergt dit. Zij is ervan overtuigd dat zij zelf als moeder tekort geschoten is. Ooit voelde zij zich veroordeeld tot een kind die ze haar dochter noemde en waarvan ze niet wist wat ze ermee moest.
    De aupair van Magda, een buitenlandse vrouw die haar kinderen heeft achtergelaten bij een tante om voor hen aan een betere toekomst te werken, vertegenwoordigt een traditioneel beeld van het ouderschap: de kinderen moeten het altijd beter krijgen/doen dan zij die ze voortbrachten. En de ouder delft het onderspit, kan met niemand het leven delen en is eenzaam. Terwijl Magda op expeditie is zwerft zij eerst over straat en vindt een andere betrekking tot Magda weer terug is.
    En dan is daar nog Veer, een vriendin van Nanne die op veertigjarige leeftijd bevalt van een dochter, omdat haar man zo graag een gezin wil stichten. Zij voelt woede om alles wat ze niet geweten heeft en niemand haar verteld heeft, over de vernederende omstandigheden van de bevalling, de pijn, het uitscheuren, het bloed, de rauw geslaakte kreten en de totale uitlevering aan oerkrachten waarvan men het bestaan niet kende.

    Door dit verhaal heen is er het verhaal van de strijd tussen Lilith, de eerste vrouw van Adam volgens de Thora, en Eva, de vrouw van Adam volgens de bijbel: een strijd tussen vrijheid en gebondenheid en hoe deze met elkaar te verenigen.
    Aan het einde van het verhaal over de eerste en tweede vrouw van Adam, laat de schrijfster Lilith en Eva elkaar ontmoeten en slaan ze de handen in elkaar om de geschiedenis te herschrijven.
    Met ijzeren bijlen vernietigen zij de boom van kennis van goed en kwaad waarna Lilith God zacht doch dringend gebiedt Adam te gaan halen, die Hij tot Zijn verbazing niet op de akker vindt maar zwetend vanachter een laptop plukt. Gevieren spraken zij een eeuwigheid over de schepping. Wat zij bespraken heet niet bekend te zijn. Toen sprak God tot Adam, dat hij net als Eva en Lilith de ogen moest openen en zich tot zichzelf moest richten. Adam sloeg aan het dwalen, ‘En God zag in dat de enige die Adam helpen kon, Adam zelf was.’ God verdween van het toneel en Eva en Lilith maakten zich op voor een feest en ‘(…) werd de tijd voor een nieuw verhaal.’

    Het boek bestaat uit drie delen die zijn onderverdeeld in korte, genummerde hoofdstukken.
    Deel één is het voorspel op de grote expeditie. De keuzes die gemaakt zijn worden heroverwogen. Er wordt teruggeblikt en vooruitgedacht. En uiteindelijk wordt de gekozen weg ingeslagen. Deel twee beschrijft de uitvoering van de voorgenomen plannen en deel drie geeft weer wat de gevolgen zijn. Dat niets meer is zoals het ooit was (nadat Magda Steenhuis haar twee maanden oude baby achterlaat en naar de Zuidpool vertrekt ), zoals de achterflap vermeldt, moge duidelijk zijn.

    Het boek opent met een citaat van een van de romanpersonages, Paol Acser, mede expeditielid van Magda Steenhuis.
    “De mens is een Homo Amans. Hij laat zich leiden door zijn verlangen naar liefde”. Paol Ascer is de enige man in het boek die tot leven komt. De enige man ook die Magda iets te vertellen heeft. De overige mannen, partners van Magda en Nanne en uit het zicht verdwenen mannen zoals de dode vader van Magda en de weggelopen man van de aupair, figureren tussen de regels. Ze schijnen niet echt van belang te zijn in de keuzes die de vrouwen maken. Het hoofdstuk waarin Veer, de vriendin van Nanne haar verslag doet van haar verwoede pogingen om zwanger te worden, haar uiteindelijke bevalling en tegelijk Nanne aanklaagt als medeplichtige die haar in de steek liet door niets te vertellen van hoe het is, moeder worden, lijkt teveel bedoeld als een aandragen van een van de dilemma’s van de hedendaagse vrouw. Het lijkt verder niet van nut te zijn dan dat ze Nanne ervan overtuigen dat je als vrouw je lot hebt te ondergaan en klagen niet helpt.

    “(…) Nanne zeg eens iets!’ Nanne kijkt in haar thee. Ze zwijgt. Ze herkent het desolate gevoel, de ervaring alleen rond te dwalen in een snikhete woestijn zonder dat er iemand een hand uitsteekt om je te helpen, en al was er iemand geweest, dan wist je dat die hand je niet helpen kon, je was alleen. Misschien was het baren zoiets als het sterven, je doet het alleen, er is misschien een helpende hand, maar ergens houdt het bereik van de helpende hand op, ergens ontmoet je de existentie.”

    De twee verhaallijnen, de strijd van de hedendaagse vrouw en de strijd van de oervrouw, Lilith / Eva, blijven te ver uit elkaar staan. Het ene verhaal dient het andere verhaal niet, maar intrigerend is het wel. Bouwman brengt met deze roman een zeer breed scala aan dilemma’s van de hedendaagse vrouw in beeld. Zij het zeer schetsmatig, is zij daar goed in geslaagd al vraagt het hier en daar om verdere uitwerking van het thema. Dat Bouwman schijven kan is zeker en vraagt om meer van haar hand.