Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Zwanenzang begeleid door een engel

    Zwanenzang begeleid door een engel

    Het overlijden van Christa Wolf op 1 december vorig jaar maakte haar laatste boek Stad der engelen of The Overcoat of Dr. Freud, waarvan de Nederlandse vertaling slechts luttele weken voor haar sterfdag verscheen, tot haar zwanenzang. Met haar verdween een literaire icoon uit de voormalige DDR, een staat die zij ruim 22 jaar overleefde, zij het niet van harte volgens sommige Duitsers die meenden dat ze met te weinig wrok omzag naar de volksdemocratische dictatuur van weleer. De schrijfster presteerde het in ieder geval in beide Duitslanden voor controversieel door te gaan. Al dienden de controverses in het verdeelde Duitsland en die van na de Duitse hereniging haar reputatie niet in gelijke mate. In hoeverre is haar literaire reputatie gediend met Stad der engelen?

    De cover spreekt van een ‘roman’, maar is het dat wel? We volgen 375 bladzijden lang de wederwaardigheden van een naamloze ik-figuur die een beroemde Duitse schrijfster is van wie verteld wordt dat ze Kassandra heeft geschreven en die eind 1992 een uitnodiging voor een studieverblijf in Los Angeles aanneemt, zogenaamd om studie te doen naar een zeker L., met wie haar vriendin Emma een briefwisseling onderhield, maar in werkelijkheid om in haar eigen leven orde op zaken te kunnen stellen. Want dat laatste is hard nodig in haar staat van emotionele ontreddering sinds gebleken is, vlak voor haar vertrek, dat haar bewustzijn danig te kort geschoten is. Wat was het geval.

    Nadat de Stasi-archieven opengingen, bleek dat de beroemde schrijfster – we hebben het natuurlijk over Christa Wolf – niet alleen zelf duchtig van alle kanten bespioneerd bleek te zijn, maar ook – hoe pijnlijk – bleek dat ze tussen 1959 en 1962 zelf een klein dossier over collega’s bij elkaar had gesprokkeld voor de Geheime Dienst. Haar Täterakte. Ze was zelf stomverbaasd toen ze de documenten onder ogen kreeg in het archief. Hoe had uitgerekend zij dit kunnen vergeten? ‘Het gaat om herinnering, dat is al heel lang mijn onderwerp. En dat had ik kunnen vergeten’. Verdrongen? Ze moet er in ieder geval mee in het reine komen, want Christa Wolf hield er niet alleen een hoge morele standaard op na, in haar oeuvre laat ze de waarheidsgetrouwe herinnering onlosmakelijk met authenticiteit verbonden zijn; het vormde zo het enige houvast voor het individu om zich staande te houden tegen het verdrukkende collectief. En ze had nota bene zelf in Wat blijft ampel beschreven op welke wijze de Stasi haar in de gaten had gehouden. Maar over haar eigen figurantenrolletje in het kamp van de vijand, die blinde vlek, had ze het nooit gehad. Haar geheugen heeft steken laten vallen. Daarvoor kan niet meer worden ingestaan. Wellicht dat uit voorzorg ‘roman’ op het boek is gezet.

    Zo gauw de media er lucht van kreeg, was hoon haar deel. Om zich in deze ontredderde staat niet bloot te hoeven stellen, kwam de uitnodiging van het Getty Center in Santa Monica, Los Angeles als een geschenk uit de hemel. Tegen de tijd dat Wolfs daderdossier hét onderwerp van gesprek is in haar vaderland, zit Wolf aan de Amerikaanse Westkust in een schrijvershuis en tracht ze zichzelf weer in het gareel te krijgen. Door de vele gesprekken met de andere gasten, maar ook door het lezen van de dagboeken van o.a. Thomas Mann, Heinrich Mann en Bertholt Brecht, de Duitse Exilschrijvers die destijds, opgejaagd door de Nazicultuur in eigen land, in het ‘Weimar onder de palmen’ hun toevlucht zochten. Niet zozeer om zich met hun politieke positie te vergelijken, maar vooral hoe zij hun authenticiteit bewaakten, hoe zij zich ontheemd en wel overeind hielden.

    Er wordt veel over en weer gediscussieerd tussen de intellectuele medebewoners van het schrijvershuis. Daarbij lopen er ook nog eens drie tijdlagen door het boek. Het heden van het schrijfmoment zelf waarin de ik zich af en toe een opmerking over de bankencrisis, terrorismedreiging en Irakoorlog veroorlooft, maar waarin vooral voortgeborduurd wordt op de gedurende haar verblijf, eind 1992/begin 1993, in LA gemaakte aantekeningen die als vliegwiel fungeren voor de verdere overpeinzingen aangaande haar verblijf aldaar en het geleverde gevecht met zichzelf en ten slotte de mede daardoor losgeweekte herinneringen: van haar vroegste jeugd, haar vlucht voor de Russen in 1945 van Polen naar Duitsland, haar studietijd tot aan haar schrijversloopbaan in de DDR en de val van de muur toe, die alle in de jij-vorm zijn geschreven. Alsof de ik zich door het falen van haar geheugen afgesneden voelt van de ikken uit haar herinnering. Als zou door die stoet van herinneringen de revue te laten passeren haar geheugen weer geijkt kunnen worden.

    Een echte lijn in het verhaal is moeilijk te ontwaren. Al groeit het boek meer en meer in zijn los-vaste vorm vanaf het moment dat de ik-figuur in haar relaas eindelijk aan haar ontdekking van haar eigen daderdossier toe is. Daarvóór heeft ze meer oog gehad voor het schrijvershuis en haar collega’s. Maar als dat eenmaal is verkend is het de hoogste tijd voor de Overcoat van Dr. Freud. Aanvankelijk zou ze zich daaronder nog willen verschuilen, maar ze begrijpt dat die jas helemaal binnenste buiten moet worden gekeerd opdat de blinde vlek zich in zijn naaktheid zal tonen. Ook het fenomeen van de herinnering komt op de snijtafel te liggen. ‘Het is immers niet alleen dat ik veel ben vergeten.

    Veel bedenkelijker is misschien nog wel dat ik er niet zeker van ben wie degene is die zich herinnert.’ Ergens halverwege vraagt ze zich af: ‘Hoe moet ik voorkomen dat ik gedwongen word mezelf te rechtvaardigen, de domste van alle mogelijke houdingen. Maar bestaat er voor dit geval wel een mogelijke, een juiste, een gepaste houding. Of verval ik weer in de fout te vragen naar wat de anderen willen?’

    Ze wendt zich in haar nood volop tot haar omgeving: zo wordt een psycholoog uit Zürich geconsulteerd die met Freud kan verklaren dat er niets menselijker is dan verdringing en dat zonder vergeten niet te leven valt. Ook door anderen laat ze haar geweten sussen. En hoe ging Thomas Mann om met zijn geheim van de erotische liefde? Mann noteerde in 1949 in zijn dagboek: ‘Over dit alles belijdend schrijven zou desastreus voor mij zijn.’
    Wolf is bereid verder te gaan en ‘de onvermijdelijke pijn niet [te] vrezen’. De blik keert zich meer naar binnen en de toon wordt analyserender, maar ook losser en persoonlijker. De verschillende stukken lijken steeds soepeler aan elkaar geregen te worden.

    De echte redding komt ten slotte van een engel! En daarmee zit er toch een fantastisch element in het verhaal dat het etiket ‘roman’ rechtvaardigt, want in de loop van het verhaal eigent de ik zich een beschermengel toe, Angelina, die gemodelleerd is naar de zwarte schoonmaakster in het schrijvershuis in Santa Monica, die de ik-persoon al eerder was opgevallen omdat ze ‘echt zwart’ was. Deze Angelina is broodnuchter en daarmee de ideale leidsvrouw voor een toch wat ernstige hoofdpersoon die voordat ze socialist werd ook nog haar geweten stijfde als belijdend lid van de protestante kerk. Eerder heeft de ik al steun gevonden bij de Duitse Barokdichter, Paul Fleming, die haar leerde dat het eigen lot alleen te dragen valt zolang je trouw blijft aan jezelf. Wil met de reddende engel ook de reddende kracht van de verbeelding benadrukt zijn? De engel leert haar in ieder geval vliegen en zo vliegt de ik het verhaal uit. Van een verhaal dat 375 pagina’s eerder inzette met de zin ‘Uit de hemel vallen, dat was de zin die me te binnen schoot, toen ik in LA landde’, kan men wellicht zeggen: eind goed, al goed.

    Wie voor oneliners gaat is bij Wolf aan het verkeerde adres. Nergens een rustpunt in het verhaal. De lezer zit even opgesloten in het verhaal als de ik-persoon. En passant worden politieke issues aangeroerd: de oorlog in Irak, de rassenrellen in LA uit begin jaren ’90. De westerse onvrijheden uit de McCarthy-tijd worden – typisch Christa Wolf – met de onvrijheden van achter het IJzeren Gordijn vergeleken. Van een zeker moralisme valt Wolf nooit helemaal vrij te pleiten: Black is Beautiful en op een bankje in Ocean Park zit het zoveel aangenamer naast een Indiaan ‘een van de oerbewoners’ dan naast een tweetal ‘spierwitte jongemannen’ die haar meteen een ‘Mormonenbijbel’ willen aanpraten.

    Maar de toon is niet altijd even zwaar. Wolf verstaat de kunst zo hier en daar af te wisselen met een losse streek, een lichte toets. Zo belandt ze in een kappersstoel en constateert: ‘het gezicht in de spiegel stond me niet aan, zoals meestal als ik gedwongen ben er lang naar te kijken’. Maar de lichte toets schiet vooral wortel in de passages waar Angelina ten tonele wordt gevoerd. Dan sluipt er zowaar iets van ironie in het verhaal: ‘in de voorstelling die ik mij als kind van mijn beschermengel had gemaakt moest Angelina sowieso gedachten kunnen lezen. Niet altijd, zei Angelina, vaak was ze daar door al het harde werken gewoon te moe voor. Maar je weet het trouwens zelf wel. Wat, vroeg ik, wat weet ik zelf wel. Ik kon het niet laten de engel een beetje onder druk te zetten, die zei dat ik toch wist dat het antwoord altijd voor het grijpen lag zodra je een vraag eenmaal kon stellen, waarom zou ik het antwoord dus uit haar moeten trekken, zij was er immers alleen voor noodgevallen, waar bleven we anders.’

    Zoals de reddende engel de psychische staat van de ik vlot trekt, zo trekt ze ook de soms wat al te ernstige plooi uit het verhaal. Al met al imponeert het boek wel degelijk, al moet het even op gang komen. Met al zijn geredeneer, terugblikken en herinneringen vormt het een waardige afsluiting van een veelbewogen schrijversleven.

     

  • Puberale oude man en huishoudelijk geneuzel

    Puberale oude man en huishoudelijk geneuzel

    Auteurs hebben soms heel duidelijke bedoelingen met hun werk. Ze willen de lezer terugvoeren naar voorbije tijden, de maatschappij in een kritisch voetlicht plaatsen, de lezer in zichzelf doen kijken, ze willen de lezer amuseren, enzovoort. Iedereen wil wel iets met zijn of haar werk. Hoewel, álle auteurs? Nee, er is één auteur die moedig standhoudt tegen deze opdringende bedoelingencultuur: de schrijver L.H. Wiener.

    Met zijn nieuwste boek, het in 2011 verschenen Shanghai Massage, lijkt Wiener deze lijn voort te zetten. De roman, vermoedelijk deels autobiografisch, handelt over de schrijver Ezra Berger, een oude man die kort geleden door zijn veel jongere geliefde Quirina is verlaten en die op een gegeven moment een ander jong meisje ontmoet waarop hij zijn zinnen zet. Tussen deze twee minnaressen in maken we Berger mee in een soort van theatrale (in elk geval weinig geloofwaardige) weemoed. Met spanning en sensatie heeft dit boek weinig van doen, maar hetzelfde geldt voor romantiek of het ouderdomsthema.

    Wie het Groot Dictee der Nederlandsche Taal, in 2011 geschreven door Arnon Grunberg, wat populistisch vond ten opzichte van de editie van 2010 (toen het een tekst van Tommy Wieringa betrof), wordt met klem aangeraden om zich niet tot Wiener te wenden. De overpeinzingen van het hoofdpersonage belichten eigentijdse issues uit een stereotiepe tienerwereld: beginnend met SOA’s en eindigend met de welbekende T9-woordvervorming van mobiele telefoons; het langdradige middendeel bestaat hoofdzakelijk uit drank, huishoudelijk geneuzel, intellectuele maar triviale verwijzingen (bijv. naar Macbeth, of naar Wordsworth) en vooral heel veel seks (meestentijds pervers en bijkans pornografisch beschreven).

    Het concept doet sterk denken aan Memoria de mis putas tristes (Herinnering aan mijn droeve hoeren), een boeiende novelle uit 2004 van Gabriel García Márquez. Het punt van overeenkomst is natuurlijk het onderwerp (het seksuele leven van een bejaarde man), maar daarmee is ook alles gezegd. Márquez schrijft met waardigheid over zijn hoofdpersonage; Wiener laat zijn ik-figuur alles en iedereen afzeiken, zichzelf inbegrepen. Beide boeken mijmeren heel wat af, maar Márquez schrijft mooi, en dan zoals men ‘mooi’ bedoelt – zijn woorden ademen Latijns-Amerika, je gaat oprecht houden van de werelden die hij beschrijft (welke Márquez-lezer heeft geen diepe band met zijn Macondo?) – terwijl je bij Wiener onafgebroken het gevoel hebt wég te willen, weg uit zijn puberale gedachtekringetjes.

    In weerwil van bovenstaande moet wel worden opgemerkt dat hij niet moeilijk schrijft. Alles is uitstekend leesbaar. Nu is leesbaar schrijven iets compleet anders dan fijn schrijven, maar feit blijft dat je niet veel leestechnische moeite kunt ondervinden met deze roman. De zinnen zijn – meestal althans – niet al te lang, en eventuele moeilijke woorden worden waar nodig uitgelegd. Het is wel een vereiste om over een onuitputtelijk doorzettingsvermogen te beschikken, want Wieners uitweidingen over zijn huisdieren en zijn huishouden vergen het uiterste van een ieders leesgeduld.

    De uitgeverij poogt de lezer op de flaptekst ertoe aan te zetten deze roman ‘met enige goede wil’ (no joking) te lezen als een ode aan de vrouw. Na enig hard lachen, herlezen en nogmaals hard lachen moet elke lezer, de hardcore-Wienerfan niet uitgezonderd, bevestigen dat dit alles behalve een ode aan de vrouw is. Sterker nog, het is bij vlagen misogyn te noemen: vrouwen worden afgeschilderd als vrijwillige seksspeeltjes van een oude viespeuk en beschreven als een homogene, nauw aan de mens verwante dierencategorie. Puberteit alom. Een als dwangmatig overkomende spellingafwijking (‘fantasties’, ‘cyberneties’) vormt de druppel.

    Meer woorden mag men niet vuil maken aan dit boek. Het is per slot van rekening wel het werk van een auteur, die gezien zijn niet onaanzienlijke bibliografie, respect verdient. Rest nu de taak om toch maar eens, hetzij niet direct (eerst ter verluchtiging Dante, Grahame of Grunberg), het met de F. Bordewijk-prijs bekroonde Nestor (2002) van Wiener te gaan lezen. Want in het geval van Shanghai Massage is een literaire prijs niet bepaald (of liever: bepaald niet) voorstelbaar. We zijn terughoudend, maar benieuwd.

     

  • Overal een buitenstaander

    Overal een buitenstaander

    Te leven op duizend plaatsen is een biografie met ambitie. Ruim 800 bladzijden lang doet Rob Groenewegen zijn best Jo Otten gestalte te verlenen en zijn waarde voor literair Nederland recht te doen. Ondanks degelijk onderzoek, leesbare tekst en royale context lukt hem dat niet echt. Niet de biografie is mislukt, maar het leven van Jo Otten.

    Jo Otten was een matig getalenteerde, stilistisch zwakke, vaak haastige schrijver. Hij was arrogant en egocentrisch, humorloos en bang. Hij maakte twee vrouwen diep ongelukkig en was het zelf ook. Veel biografisch materiaal ging verloren in de Tweede Wereldoorlog en weinig collega’s schreven over hem na zijn dood (met Constant van Wessem als uitzondering). Ondanks de grondigheid van de biograaf vertoont het levensverhaal van Otten dan ook grote gaten.

    Desondanks is Te leven op duizend plaatsen het lezen zeker waard. Bijvoorbeeld omdat Groenewegen alle moeite doet om de wereld van de schrijver tot leven te wekken. Hij geeft een beeld van Rotterdam in de eerste decennia van de twintigste eeuw, dat zich schoksgewijs ontwikkelde tot wereldhaven. Hij beschrijft het culturele leven: het was de tijd van de filmliga, de charleston en de grammofoonplatenfeestjes, de tijd ook van nieuwe zakelijkheid, vitalisme en futurisme. Groenewegen schetst de gecompliceerde veelvormigheid van de Nederlandse literatuur uit die tijd, met allerlei avant-gardebewegingen die over elkaar heen tuimelen. En hij doet een verdienstelijke poging de waardering van Otten en vele anderen voor het fascisme en andere autoritair-populistische stromingen te begrijpen in de context van hun tijd.

    De vraag is echter in hoeverre Otten een kind was van die tijd. Zijn hele leven lang was hij een buitenstaander, zowel binnen als buiten de republiek der letteren. En dat was tragisch. Want hij wilde zo graag en hij probeerde zoveel. Hij was de zoon van een geslaagde architect in Rotterdam, groeide op in herenhuizen met personeel en behoorde tot de plaatselijke elite. Maar Rotterdam had groeistuipen en was één grote bouwput, van de havens tot de arbeiderswijken. Veel oude glorie werd gesloopt. Bioscopen, danszalen en winkelstraten verdrongen chique wandelpromenades en concertzalen. Rotterdam verpauperde ook, door de grootscheepse import van berooide plattelanders die aan de slag konden in de uitdijende haven. Otten was een gevoelige en introverte jongen. Je krijgt de indruk dat hij bang was voor die massa, die herrie en die dynamiek. Hij droomde achter gesloten gordijnen weg in teksten vol 19e-eeuwse verfijning: Wilde, Gide, Baudelaire en andere ‘elitaire’ en ‘decadente’ schrijvers.

    Tussen Baudelaire en Bordewijk
    Otten wilde kunstenaar worden, en natuurlijk was zijn vader daartegen. Die stuurde hem naar de plaatselijke hogeschool (nog net geen universiteit), die juristen en bedrijfskundigen leverde aan de Rotterdamse industrie. Otten was geen geliefd corpslid, maar debuteerde wél in de Rotterdamsche Studenten Almanak, met teksten die meer met Baudelaire dan Bordewijk van doen hadden. En hij vulde zo’n beetje in zijn eentje het kwakkelende Rotterdamsch Studentenblad. Even leek het de goede kant op te gaan, toen Joris Ivens en Arthur Lehning zich in het studentenleven begaven en de Rotterdamsche Studenten Federatie werd opgericht, die de kloof tussen corpsleden en ‘anderen’ zou moeten overbruggen. Maar al snel verlieten ze de stad, om de wereld te veroveren: Ivens als filmmaker, Lehning als Bakoenin-archivaris en oprichter van internationaal avant-garde tijdschrift i10.

    Zijn leven lang bleef Otten zoeken naar geestverwanten en kringen waar hij bij kon horen, maar dat lukte zelden. Forum wees hem af, De Stem en Vrije Bladen publiceerden hem wel. Als bestuurder van de Filmliga mocht hij meedoen met de grote jongens als Ter Braak, Van Wessem en Ivens, maar hij maakte zich er onmogelijk. Otten trok op met Wagener, Stroman, Schuitema en andere Rotterdamse vertegenwoordigers van Nieuwe Zakelijkheid en socialisme, maar kon zich niet vinden in hun politieke program. Otten mocht bij uitgeverij Stols een prachtuitgave maken van liefdesbrieven van Keats, maar kreeg groot gedonder met illustrator John Buckland-Wright (nu was dat ook een onmogelijke man). Het is een constante in Ottens chaotische leven: hij kreeg gedoe, en werd afgewezen of trok zich terug.

    Literaire beulen
    Otten werd geen aanhanger van een van de vele avant-garde bewegingen, die probeerden het moderne leven te vangen in steeds weer nieuwe vormentalen; van abstract tot fotomontage, van sociaal-realistisch tot vitalistisch, van nieuw zakelijk tot expressionistisch, van reportage tot prozagedicht. Wie dat in een of andere vorm wél deden waren van Ostaijen, Marsman, Van den Bergh, Van Wessem en Bordewijk. Zelfs Nijhoff, met zijn Baudelarisme en klassieke literaire vormen, stond evident in contact met de tijdgeest. Otten zweefde er zo’n beetje tussendoor, met teksten die noch roman, noch verhaal waren, die zwenkten tussen de 19e en 20e eeuw, en tussen fictie en ego-document. Tot in de titels toe is die tweeslachtigheid te marken: Bed en wereld, Mobiliteit en revolutie, Muizen en demonen. Groenewegen betoogt dat Otten het slachtoffer werd van Ter Braak en Du Perron (de harde kern van het tijdschrift Forum), de literaire beulen van het interbellum: de ‘romantische’ Otten versus de cerebrale en rationalistische Forum-mannen. Maar de afwijzing en het gebrek aan succes lagen ook aan de kwaliteit van zijn werk.

    Opstand der horden
    Otten bleef een overgevoelige telg uit de elite die bevangen door angst neerziet op de oprukkende arbeidersmassa.

    Dat brengt een andere constante in het vizier: de enige ideologische positie die Otten blijft fascineren is die van het fascisme. Hij keurde de terreur af waarmee het in de praktijk gepaard ging, maar hij vond het wél een geschikt politiek-bestuurlijk systeem om de maatschappelijke spanningen in goede banen te leiden. Lees: om ‘de massa’ te disciplineren (en zijn eigen angst voor die massa te bezweren). Otten wijdde zijn proefschrift aan het fascisme. Desgevraagd verklaarde hij geen fascist te zijn, maar ‘internationalist’. Wél zou hij er – op zoek naar een publiek – over publiceren in niet altijd even koosjere blaadjes en erover spreken op rechts-populistische bijeenkomsten. Daar weet hij overigens maar weinig enthousiasme los te weken, want hij blijft een afstandelijke, arrogante, té goed geklede intellectueel met een zwakke stem. Zijn angst voor de massa en zijn vrees voor een grote oorlog van allen tegen allen maken hem tot geestverwant van cultuurpessimisten als Spengler (Untergang des Abendlandes) en Ortega y Gasset (Opstand der horden).

    Wat hem in het maatschappelijke leven niet lukte, mislukte ook privé. Otten trouwt met Dity en krijgt een dochter waar hij dol op is. Het huwelijk mislukt echter en hij hertrouwt jaren later met Jetty, zonder met haar te gaan samenwonen. Hij krijgt opnieuw een dochter, waar hij opnieuw dol op is, maar neemt om de haverklap en onaangekondigd de wijk naar het buitenland – Parijs, Berlijn en god-weet-waar. Het is tot op heden een raadsel waar hij precies uithing en wat hij dan deed. Da’s vreemd. Dezelfde raadselachtigheid omhult de informele vriendenclub tijdens zijn studiejaren: een groep vrienden die bijeenkwam in ‘het Prieel’; een ‘Byroneske’ locatie aan de Leuvenhaven, waar het volgens buitenstaanders niet pluis was. Men dweepte met literatuur, met het fin de siècle en de decadentie, en deed ‘dingen die het daglicht niet altijd konden verdragen’. Maar wat precies blijft onduidelijk. Groenewegen suggereert drugsgebruik, maar misschien spelen ook seksualiteit in enige vorm een rol, gezien de cultus van Wilde, Couperus en Casanova, en het werk van ‘de wereld-eroticus’ Hanns Heinz Ewers, die opzien baarde met artikelen en boeken over (homo)seks, drugsgebruik en zelfs een biseksuele vamp.

    Aan Ewers wijdde Otten een van zijn vele artikelen over een baaierd aan onderwerpen. Hij publiceerde onder meer in Den Gulden Winckel, De Nieuwe Rotterdamsche Courant en het (antidemocratische) Haagsch Maandblad. Otten werkte ook als vertaler en tolk bij de rechtbank. Hij schreef boeken over Keats, en Machiavelli, en waagde zich aan een nooit verfilmd scenario, dat hij omwerkte tot de mislukte roman De schat van de Lutine. Zelfs als broodschrijver met bijbanen had hij de financiële steun van zijn vader nodig om het hoofd boven water te houden.

    De mensen dwingen goed te zijn
    Rob Groenewegen heeft het allemaal grondig uitgezocht, opgeschreven en met gulle hand van illustraties voorzien. Da’s mooi, maar het is wrang dat je je afvraagt of Otten wel een schrijversbiografie waard is. In een afsluitend hoofdstuk gaat Groenewegen daar uitgebreid op in. Jazeker, zegt hij, want Otten is literair-historisch misschien niet zo belangrijk, maar wel echt een kind van zijn tijd, en juist in figuren van het tweede garnituur wordt een tijdperk, een culturele code en een literaire stroming vaak veel beter weerspiegeld dan in de gezichtbepalende hoofdfiguren (zoals Marsman, Ter Braak, Du Perron, Nijhoff) die zelf hun stempel drukten op die tijd, in plaats van andersom. Je zou willen dat het waar was.

    Ottens dood was wrang. Hoewel hij financieel aan de grond zat, leek hij eindelijk volwassen te worden. Het huwelijk met Jetty was minder labiel, hij had als tweede secretaris van De Vereeniging van Letterkundigen een positie binnen het literaire establishment, en vertoonde een grote productiviteit: recensies voor het Haagsch Maandblad, een ‘essayistisch-biografische schets’ Machiavelli. Sleutel van onzen tijd, inclusief een vertaling van De vorst, en het kinderboek De avonturen van Jammerpoes. Dat laatste was een jolig verhaal dat zich afspeelt in Muizenland, dat wordt beheerst door ene Muizolini….  In het Haagsch Maandblad waarschuwde hij nog in 1940 voor ‘de dwaaste oorlog van alle oorlogen’ en in een lezing combineerde hij ideeën van Mussolini, Machiavelli en Multatuli om te pleiten voor een machtsuitoefening die de mensen zou ‘dwingen goed te zijn’. Dat was een duidelijke stap weg van het fascisme, dat er van uitgaat dat de mens slecht is en ‘bedwongen’ moet worden.

    De laatste maanden van zijn leven werd Otten geplaagd door nachtmerries: ‘Ik kan je wel zeggen dat ik vannacht de bom al op mijn kop heb gevoeld’ zei hij tegen Jetty. Een paar maanden later was het zover. Op 10 mei 1940 werd Otten in Den Haag getroffen door een Duitse bom. Hij was al duizend doden gestorven.

     

     

     

     

  • Tussen waan en werkelijkheid

    Tussen waan en werkelijkheid

    Een Nederlandse diplomaat wordt op een safari in Kenia aangereden door een bus, die in dichte stofwolken verdwijnt.
    Een pizzakoerier wordt gegijzeld door twee mannen die hij ooit bijna doodsloeg.
    Een echtpaar verliest hun kind aan twee niet-bestaande serveersters.
    Een man is in 2010 getuige van de ophanden zijnde arrestatie van de dichter Lorca die plaatsvond in 1936.
    Een egoïstische vader die zijn dochter heeft verlaten, bedenkt zich na een gesprek met een zwerfkat. Een kleine greep uit de dertien wonderlijke verhalen in de bundel De hoofdletter pijn. Onverfilmbare verhalen van Ramon Gieling.

    Filmmaker Ramon Gieling introduceert zijn personages met snelle pennenstreken.
    ‘Johannes Firmin Metz was een beminnelijke diplomaat op de Nederlandse ambassade in Nairobi.’ begint het eerste verhaal in De hoofdletter pijn. Veel meer dan dit en ‘Hij leefde zijn leven al vijftig jaar op dienstbare en plichtgetrouwe wijze omdat hij dacht dat het moest, niet omdat hij er ooit voor had gekozen.’ komt de lezer niet over Johannes te weten. En dat blijkt niet genoeg te boeien om met hem mee het verhaal in te gaan. Een paar alinea’s verder wordt Johannes tijdens een safari platgewalst door een bus, die niet lijkt te bestaan. Op zich een aardig gegeven, het ligt immers meer in de lijn der verwachting dat hij op de savanne wordt platgewalst door een buffel of een neushoorn dan door een bus die niemand zich kan herinneren. Johannes komt uit coma als een ander mens. ‘Het land dat ik bewoon is vreemder dan de dood.’ verklaart hij. En deze strekking is typerend voor alle verhalen in de bundel. Ze beginnen alledaags, maar geleidelijk sluipt er iets surrealistisch in. Al is er in sommige verhalen eerder sprake van binnendringen dan binnensluipen. Er gebeurt iets vreemds of onverklaarbaars en dat leidt tot een leven tussen waan en werkelijkheid.

    Helaas wordt dit interessante gegeven niet goed uitgewerkt. De verhalen zijn stilistisch en inhoudelijk niet sterk. De hond mist een plot en ook in De hemel op zondag is geen enkele lijn te ontdekken. De verrassende wendingen die in de eerste paar verhalen misschien inderdaad nog verrassend waren, worden in het merendeel van de verhalen wel heel stereotiep ingeluid met ‘plotseling’ of ‘En toen gebeurde er iets vreemds.’ Aan zijn schrijfstijl is te zien dat Gieling filmmaker is. Hij registreert en springt van shot naar shot. En dat, in combinatie met de eerder genoemde summiere uitwerking van de personages, hij toont geen diepgang of betrokkenheid, maakt dat de verhalen niet raken. Daarnaast is hij ook erg expliciet in zijn taalgebruik. Niets wordt aan de verbeelding van de lezer overgelaten. In De exacte intelligentie van de huid belandt een stel tijdens een bezoekje aan een nachtclub in een andere dimensie. De lezer wordt wel erg aan het handje meegenomen als een van de hoofdpersonen – natuurlijk ook weer vooraf gegaan door ‘plotseling’ – verklaart: ‘Het enige wat ik kan bedenken,’ zei ik, ‘is dat we in een andere tijdzone zijn gekomen.’

    Het grote manco van deze bundel is dat er enkel oppervlakkig geregistreerd wordt, het maakt dat de potentiële dreiging of het ‘unheimliche‘ gevoel die deze verhalen bij een beter uitwerking hadden kunnen oproepen uitblijft. Nu neem je als lezer de dreiging voor kennisgeving aan en laat deze als het verhaal uit is weer van je afglijden, zonder dat je hem voelt of ervaart. En dat is jammer, de beelden die Gieling kiest zijn soms echt mooi. ‘Wanda dacht aan de toekomst die nu een steile afgrond was.’ lezen we in Zoveel hield ik van je. En in hetzelfde verhaal: ‘Lucy was in het niets verdwenen, ‘s nachts omhelsde hij alleen nog haar afwezigheid.’ Zoveel hield ik van je is het sterkste verhaal uit de bundel omdat de auteur hier de tijd neemt om het verhaal te vertellen en niet van scène naar scène gaat.

    De cover toont een tekening van de hand van de auteur, die een naakte man met een stier op schoot en een vis bij zijn hoofd voorstelt. Helaas wordt het niet duidelijk wat deze tekening met de verhalen in de bundel te maken heeft. Datzelfde geldt trouwens voor de ondertitel. De hoofdletter pijn. Onverfilmbare verhalen. Deze verhalen zijn best te verfilmen, de vraag is alleen waarom zou je het willen? Op de achterflap wordt Hans Croiset geciteerd: ‘Lees deze Gieling-stories met een stevige borrel op….’. Dat is misschien inderdaad het beste.

     

     

  • Mijn naam is Legioen – Menno Wigman

    Mijn naam is Legioen – Menno Wigman

    Gesignaleerd door de redactie:

    Mijn naam is Legioen is Menno Wigmans eerste dichtbundel sinds zes jaar. ‘Ik leefde snel en telde af, dat was toen mode’, dicht Wigman in zijn nieuwe bundel. De dandy van de desillusie, zoals een criticus hem ooit noemde, kijkt terug op de eerste tien jaar van de eenentwintigste eeuw en doet dat in vastberaden, aangrijpende en soms ronduit pijnlijke gedichten.

    Of Wigman nu over chatrooms, porno, tuincentra, massavaccinaties of jeugdvandalisme schrijft, steeds is zijn toon die van een klassieke dichter en maken zijn gedichten de indruk er altijd al te zijn geweest. Zoals Guus Middag in nrc Handelsblad schreef: ‘Wigman wil als een van de weinigen niet behagen. Hij gaat zijn eigen gang. (…) Hij spreekt voor zichzelf, maar ook meteen voor iedereen – dat is het bijzondere.’

    Menno Wigman (1966) is dichter, vertaler en essayist. Voor hij in 1997 met ‘s Zomers stinken alle steden debuteerde, gaf hij in 1984 zijn eerste bundel Zaad en as in eigen
    beheer uit. Zijn dichtwerk wordt gewaardeerd om het muzikale ritme en schijnbare eenvoud waarmee ze geschreven zijn. Voor zijn tweede bundel Zwart als kaviaar (2001) ontving hij in 2002 de Jan Campert-prijs. Naast dichter is Wigman vertaler (van o.a. Baudelaire’s  De bloemen van het kwaad) en redacteur van het poëzietijdschrift Awater en Meulenhoffs dagkalender van de poëzie. Hieronder een gedicht uit de bundel De droefenis van copyrettes. Een keuze uit eigen werk (2009) van Menno Wigman.

    Levensloop
    Voor bijna alles heb ik mij geschaamd.
    Mijn nek, mijn haar, mijn handschrift en mijn naam,

    de schooltas die ik van mijn moeder kreeg,
    mijn vader die zich in een blazer hees,

    het huis waar ik voor vriendschap heb bedankt.
    Maar nu mijn vader aan vijf slangen hangt,

    zijn mond steeds heser over afscheid spreekt,
    nu hurkt mijn schaamte in een hoek. Hij stierf

    zoals hij in zijn Opel reed: beheerst,
    correct, zijn ogen dapper op de weg.

    Geen zin in dom geworstel met de dood.
    Hoe alles wat ik nog te zeggen had

    onder de wielen van de tijd wegstoof.

     

    Op 26 januari 2012 draagt Menno Wigman zijn gedichten voor in het Huis van Poëzie. En op wo. 11 januari  sprak Jeroen van Kan met Menno Wigman over zijn nieuwe bundel. programma.vpro.nl/deavonden/Dossiers/Boeken.html?

     

     

  • Vier volstrekt eenzame vrienden

    Vier volstrekt eenzame vrienden

    In Grip snijdt Stephan Enter een tijdloos thema aan: zijn we als mensen daadwerkelijk met elkaar verbonden of leven we ons leven ondanks intense vriendschappen in volstrekte eenzaamheid? Met deze vraag als rode draad creëert Enter een mooie roman, waarbij herinneringen van twintig jaar geleden langzaam onder ‘knisperende laagjes nieuwe gebeurtenissen’ worden opgedolven. Het verleden blijkt bij Enter geen eenduidig verleden. Iedere persoon in zijn roman leeft zijn eigen leven. Het weerzien brengt daar geen verandering in. Zelfs persoonlijke herinneringen zijn verre van eenduidig, zoals ook Paul, de eerste persoon die aan het woord komt erkent: ‘Dus zo was het om elkaar terug te zien! Grillig, gefragmenteerd als de blik in een gesprongen spiegel – met haarscherpe splinters en blinde vlakken.’

    Grip is op twee momenten en drie plaatsen gesitueerd: allereerst in mei 2007, in de Eurostar waarmee Paul en Vincent naar Wales reizen voor een reünie met Martin en Lotte, twee studievrienden van hen, inmiddels getrouwd en net verhuisd. Daarnaast is Grip doordesemd met flashbacks naar hun studententijd zo’n twintig jaar geleden. Daarbij staat een reis centraal die ze gevieren maakten naar het hoge Noorden, waar ze op de Lofoten verschillende bergtochten maakten.

    In zijn roman laat Enter de drie mannen om de beurt terugblikken. Drie geheel verschillende persoonlijkheden komen naar voren, met elk een eigen en zeer persoonlijke kijk op hun klimvakantie in Noorwegen. Dat deze drie herinneringen niet uiteendrijven is te danken aan Lotte, de enige vrouw van het klimmersgezelschap, die de lijm blijkt die de herinneringen nog enigszins bijeenhoudt. Voor Paul is zij een toneelspeelster en ongeleid projectiel, maar wel een projectiel dat hij ‘geweldig’ vond. Voor Vincent de eerste mens die hem het volstrekt nieuwe gevoel bood dat hij iets met iemand deelde. En voor Martin, haar uiteindelijke man, de vrouw die hem elke dag ontroert en op wie hij ooit verliefd hoopt te worden.

    In Noorwegen veroverde Lotte – deels ongewild en onbewust – een hoofdrol in het leven van de drie mannen. Met het bravoure dat de jeugd eigen is stelt zij tijdens één van hun rustpauzes in de bergen dat ze het ultieme geluk nu bereikt hebben: ‘Zo gelukkig zullen we nooit meer worden.’ Het is een zin die Paul, Martin en Vincent hun hele leven bij zal blijven, en elk van hun op een eigen manier zal tekenen. Het is ook de zin waaromheen Enter als een ware beeldhouwer drie cruciale gebeurtenissen boetseert die elk het leven van één van de mannen zullen bepalen. Bij Paul een ongeluk dat geen ongeluk was, bij Vincent een kus die de liefde van zijn leven kapot zal maken en bij Martin de kus die hem zijn vrouw brengt maar geen liefde.

    De vrouw bij wie al deze verhaallijnen bijeenkomen komt zelf niet aan het woord. Maar het is duidelijk dat zij zich realiseert dat het weerzien geen geluk zal brengen. Als enige weet zij immers hoe hun vier levens vervlochten zijn. Zij realiseert zich dat het ontwarren hiervan gevaarlijk kan zijn, zinloos ook in een wereld waarin uiteindelijk iedereen voor geluk op zichzelf is aangewezen. Ze loopt dan ook niet warm voor de reünie die haar man heeft georganiseerd. Als enige van de vier blijkt ze ook enorm veranderd te zijn. Het is Enters manier om duidelijk te maken dat mensen niet veranderen, maar de personen en de wereld om hen heen wel. Het ultieme bewijs dat elk zijn eigen leven leidt. Onveranderlijk. Dat Lotte sterk veranderd is blijkt als Martin een foto van haar en haar dochter laat zien aan Vincent. Deze kent Lotte het langst, vanaf zijn middelbare schooltijd, maar herkent haar niet. Hij concludeert dat de Lotte van vroeger niet meer bestaat en ook nooit meer zal bestaan. Wat was geweest is niet meer. Het is dan ook volgens Vincent onmogelijk om iets uit het verleden goed te maken, of terug te halen. Ook Paul heeft, bij één van zijn overpeinzingen, al geconcludeerd dat het verleden onoverbrugbaar ver was afgedreven: ‘ze waren als ijsschotsen losgeraakt’.

    Het knappe van Enters Grip is dat het op zeer geloofwaardige wijze vier personages en een vriendschap karakteriseert, en tegelijkertijd duidelijk maakt dat deze vier vrienden vier volstrekte individuen blijven. Hoe innig de studenten-vriendschap ook is – ook al duurt deze maar twee jaar – het doorbreekt de eenzaamheid niet waarin elk gevangen is. Voor Martin is dit gegeven zelfs het bewijs dat je echt samen bent: ‘Als je echt met iemand leefde, dacht hij, kwam je er pas echt achter dat je de ander nooit zou bevatten.’ Meer nog dan de liefde – die hij ook niet had gevonden – is dit voor hem de kern van verbondenheid.

    Vlak voordat Lotte in Grip ten tonele verschijnt, als de vrouw die Paul aan het einde in de verte ziet lopen althans Lotte is, laat Enter de groep en de vriendschap op dramatische wijze versplinteren. Vincent beklimt op blote voeten een klif die hem fataal lijkt te worden. Martin wentelt zich nogmaals in zijn eigen wereld en vertrouwde leven, zonder liefde. En Paul gaat op weg om de vraag die zijn leven beheerst te stellen. Aan Lotte.

     

  • Italiaanse klassenstrijd

    Italiaanse klassenstrijd

     

    De titel van dit boek, Het barbiehuis, doet wellicht iets anders vermoeden dan waar het boek daadwerkelijk over gaat. De Italiaanse titel Lotta di classe, oftewel ‘Klassenstrijd’ geeft een beter idee over de inhoud van het boek. De roman gaat over vier jonge Italianen, die behoren tot de zogeheten ‘duizend euro generatie’, een term die regelmatig gebruikt wordt voor de Italianen van nu die eind twintig of begin dertig zijn. Een generatie die gestudeerd heeft en die hoog opgeleid is, die vaak een academische titel heeft. Toch belanden zij niet zelden vanwege de enorme werkloosheid en corruptie van het hedendaagse Italië in de slecht betaalde baantjes, het werk voor niet- en laagopgeleiden, áls ze al werk vinden. Met deze baantjes verdienen ze bruto maximaal 1.000 euro per maand, waarvan het bijna onmogelijk is om rond te komen. Los nog van het feit dat ze totaal niet uitgedaagd worden in hun werk en zich kapot vervelen met alle gevolgen van dien. Hogerop komen is vrijwel onmogelijk.

    De vier hoofdpersonen uit dit boek werken allemaal in een callcenter, voor nog geen 80 cent bruto per telefoongesprek van 2,5 minuut. Langer of korter bellen met de klant heeft direct negatieve gevolgen voor hun salaris. Ze wonen samen in een huis in een armetierige buitenwijk van Rome, en hebben moeite om rond te komen, maar wat zij vooral een probleem vinden is dat zij onder hun niveau werken, en dat dat zeer waarschijnlijk zo zal blijven. De hoge heren blijven op hun plaats in de betere banen en de jonge hoogopgeleiden zullen nooit promotie maken. Het gaat er immers niet om of je gestudeerd hebt. Andere dingen zijn veel belangrijker: bijvoorbeeld of je de juiste personen kent. Kenmerkend is de terugkerende uitspraak van Nicola, het jongere broertje, dat hij gaat studeren en doctorandus zal worden. De andere drie hoofdpersonen horen dit aan, maar zij hebben evengoed gestudeerd en toch ook niets bereikt. Zij hebben hun dromen al in illusies zien veranderen, met Nicola zal dit ook spoedig gebeuren.

    De hoofdpersonen wonen in hetzelfde huis en zijn familie, huisgenoten of collega’s. Het boek is verdeeld in vier hoofdstukken, elk hoofdstuk wordt vanuit een ander personage beschreven. Gaandeweg worden de onderlinge verhoudingen duidelijk. Celestini gebruikt duidelijke, makkelijke taal en hierin is dan ook de kracht van deze roman gelegen. Bovendien weet hij precies hoe en wanneer hij humor moet gebruiken. Zo begint het boek als volgt: ‘Toen de dokter mijn moeder openmaakte, was haar slokdarm verdwenen. Die was weggebrand door het zwavelzuur. Daarmee hielp mijn vader de muizen in de kippenren om zeep. […] Maar toen werd het winter en wilde hij weten of zwavelzuur ook kon bevriezen. […] Om de proef op de som te nemen, legde hij de fles in de vriezer, en toen heeft mijn moeder er een slok van genomen. Het ging per ongeluk. Toen de dokter haar openmaakte, was haar slokdarm verdwenen.’ Het boek zit vol met dit soort anekdotes. Hoewel je medelijden hebt met de personages, beschrijft Celestini de gebeurtenissen op zo’n manier dat het wel luchtig blijft, ondanks dat het toch niet de meest luchtige onderwerpen zijn die worden aangesneden (dood van een moeder, ziekte, werkloosheid, alcoholmisbruik).

    Jammer is alleen dat het verhaal nogal aan de oppervlakte blijft: veel meer dan een zwaarmoedige kijk op het hedendaagse klassensysteem en de corruptie in Italië laat het niet zien. Er wordt vooral veel geklaagd, terwijl de auteur er veel meer uit had kunnen halen door de karakters van de hoofdpersonen meer uit te diepen en in te gaan op hun persoonlijke problematiek. Ook is het niet geheel duidelijk wat Celestini nu precies wil met deze roman: wil hij commentaar geven op de hedendaagse maatschappij, of gewoon een vermakelijke roman schrijven met wat personages die worstelen met zichzelf en hun beginnende (of juist niet-beginnende) carrière? Een antwoord hierop blijft achterwege. Zonde, want slechts wat vermakelijke anekdotes laten geen blijvende indruk achter.

     

  • Sluit je ogen maar

    Sluit je ogen maar

     

    De filmwereld kent The Golden Raspberry Awards, ook wel The Razzie Awards genoemd, voor de slechtste films. Voor zover bekend kent de literatuur een dergelijke prijs niet. Dat is jammer want anders had het boek Als ik mijn ogen sluit van de Braziliaanse auteur Edney Silvestre hoge ogen gegooid in de categorie Slechtste buitenlandse boek dat in eigen land met een literaire prijs bekroond is.

    Het debuut van Silvestre, dat twee Braziliaanse prijzen gewonnen schijnt te hebben, mag je eigenlijk geen literatuur noemen. Het is eerder een ‘literaire thriller’ waarbij je dan meteen het raadsel op moet lossen waar dat literaire dan in zit. Vaak is die benaming niet veel meer dan een dun laagje vernis dat de thriller moet doen opleuken. Hier is dat ook zo.

    Dit boek is geen literatuur. Daarvoor is het gewoon te oppervlakkig. De spanning – als die er al is – glijdt langs de huid maar komt er nergens onder. Het geheel is geschreven in een taal die vlak en bij vlagen gekunsteld aandoet. De personages zijn bedacht, meevoelen en inleven is alleen op een oppervlakkige manier mogelijk. Elke originele gedachte of formulering ontbreekt. In plaats daarvan krijgen we een thriller, een detective, een verhaal dat wil amuseren maar de lezer niet aan het werk zet – op geen enkele manier.

    Goed, geen literatuur dus, maar is het boek als thriller wel geslaagd? Niet echt. Het verhaal is dun, de uitwerking mager en onverwachte plotwendingen ontbreken. In het begin doet Als ik mijn ogen sluit nog wel denken aan de boeken van de Italiaanse succes-auteur Niccolo Ammaniti, die in eigen land ook een literaire prijs in de wacht sleepte. Bij Ammaniti zijn de hoofdpersonen vaak jonge jongens en is er een mysterie dat opgelost dient te worden, of hangt er een misdaad in de lucht. Zo ook hier. Bovendien vertoont het omslag van Als ik mijn ogen sluit nogal wat overeenkomsten met de omslagen van de boeken van Ammaniti. Maar gaandeweg nemen de verschillen toe en blijkt Silvestres boek niet veel meer dan een mislukte thriller.

    Het verhaal dan maar. Hoofdpersonen zijn de twaalfjarige jongens Eduardo en Paulo. De één is arm en wordt thuis verrot geslagen, de ander is in alle opzichten wat beter af. Samen vinden ze in de eerste pagina’s een lijk van een vrouw die ernstig mishandeld blijkt te zijn. Eén van haar borsten is afgesneden. Nadat de jongens even kort verdacht zijn geweest van de moord, gaan ze op zoek naar de dader. Daarbij worden ze al snel bijgestaan door een oude man. Het drietal gaat op onderzoek en het spoor leidt o.a. langs een non, een hoer (echt waar), een generaal en een burgemeester naar de krochten van de Braziliaanse macht.

    Het hele verhaal wordt opgediend met een licht sausje van Braziliaanse geschiedenis (er zijn drie bladzijden historische uitleg aan de roman toegevoegd) en speelt zich af in 1961, en kijkt af en toe terug op de jaren dertig toen Brazilië zuchtte onder de dictatuur van Getulio Vargas. Een slechterik. Ook de namen van Mao, Stalin, Hitler en Eichmann worden even genoemd, waarschijnlijk om duidelijk te maken dat we hier met echte schurken van doen hebben.

    Seks speelt een belangrijke rol in dit boek maar dan vooral om de lezer bang te maken en de spanning erin te brengen. Vrouwen zijn van seks het slachtoffer, mannen zijn daders. De vermoorde vrouw is haar hele leven al misbruikt. Zij is de enige niet. Ook de vrouw van de oude man is seksueel gefolterd en verkracht. Mannen zijn schurken. Het puberbroertje van één van de jongens pocht al over het misbruiken van een werkster, en de vermoorde vrouw bleek door talloze mannen van stand al jaren seksueel uitgebuit te zijn.

    De enigen die vrij van zonde zijn, zijn de twee jongens en de oude man. Simpelweg omdat zij de lust nog niet kennen of voorbij zijn. De oude man kijkt terug op een zondig leven en de jongens voelen de hormonen soms kriebelen. Kortom, de jeugd heeft nog een onschuld die in de verdorven wereld der volwassenen ver te zoeken is. De aanwezigheid van de jongens dient dan ook als tegenwicht tegen de duistere machten. Diezelfde truc, want dat is het, kom je ook tegen bij Stephen King en Steven Spielberg. Die doen dat doorgaans een stuk beter.

    De aanwezigheid van de jongens gaat op den duur behoorlijk irriteren. In te lange dialogen, vol korte zinnetjes, kakelen ze soms als kip zonder kop. Hun karakters komen niet uit de verf en blijven van papier.

    Een aantal keer overschrijdt Silvestre een grens waar hij al voortdurend tegenaan schuurt, de grens tussen kunst en kitsch. Zo vraagt de oude man de jongens of zij de film Sneeuwwitje hebben gezien, de Disney tekenfilm uit 1937. De jongens zijn even druk met iets anders. Dan zegt de man: ‘Weten jullie wat Guernica was? Wat Guernica betekende? Het bloedbad? Het bombardement? De afslachting van vrouw, kinderen en bejaarden? Weten jullie dat? De opkomst van het fascisme? Weten jullie van de Spaanse burgeroorlog? Picasso?’
    Van Sneeuwwitje naar Picasso met als tussenstop de Spaanse burgeroorlog en dat op een toon die aan Jiskefet doet denken.

    Dergelijke grotesken komen wel meer voor. Er is een scène met een hoer in een heuse peignoir die dol is op de opera Tosca van Puccini. De muziek dient ook de lezer te bedwelmen en uit de opera wordt herhaaldelijk geciteerd. De jongens weten uiteindelijk informatie uit deze vrouw (ze komt uit Polen) los te krijgen door te dreigen haar langspeelplaat met het meesterwerk te vernietigen. De combinatie van een prostituee, een peignoir, de opera, de jongens en de oude man is op zich al grotesk. Daarbij komt nog dat de hele scène uiterst ongeloofwaardig is. De vrouw gaat vervolgens eens rustig aan de oude man vertellen hoe het nu zit.

    Het mag nu wel duidelijk zijn. Nee, dit boek is niet wat het belooft. Wie van literatuur houdt heeft betere dingen te lezen.

     

     

  • ‘… zo wilden de goden het …’

    ‘… zo wilden de goden het …’

     

    ‘Darius en Parisatis hadden twee zonen. De oudste was Artaxerxes, de jongste Kuros. Toen Darius vermoedde dat hij niet lang meer te leven had, wilde hij hen allebei in zijn nabijheid hebben. De oudste was bij hem, maar Kuros moest hij laten komen uit Ionië aan de westkust van Azië, waarover hij hem tot satraap had gemaakt. (….) Kuros reisde met satraap Tisafernes, die gestuurd was om hem te halen, naar de hoofdstad, met zijn eigen lijfwacht van driehonderd gehuurde Grieken. Na de begrafenis en nadat Artaxerxes in zijn vaders plaats was gekroond, beschuldigde Tisafernes prins Kuros van samenzwering tegen de koning. Artaxerxes liet zijn broer gevangennemen om hem te doden en alleen de tranen van hun moeder weerhielden hem hiervan; de prins kreeg toestemming terug te gaan naar zijn provincie. Maar door dit levensgevaar en de vernedering van zijn gevangenneming was prins Kuros vastbesloten ervoor te zorgen nooit meer in handen van hun koning Artaxerxes te vallen. Integendeel, hij wilde zelf koning worden en over het Rijk regeren. (…)
    Hij had ervoor gezorgd dat zijn onderdanen een hoge dunk van hem kregen en hij had hen geleidelijk voorbereid op een opmars tegen de hoofdstad van zijn broer. De tienduizend Grieken had hij in het geheim gehuurd.’, zo lezen wij helaas pas op bladzijde 575-576 de aanleiding voor de lange tocht!

    De lange tocht neemt ons terug naar het jaar 401 vóór Christus. De namen ‘Griekenland’ en ‘Grieken’ voor Hellas en Hellenen zouden de hoofdpersonen Nagri, Xenofon of iemand van de Tienduizend (de 10.000 huurlingen) niet kennen. De Helleense staat werd immers pas in 148 vóór Christus voor het eerst Griekenland genoemd, als provincie van het Romeinse Rijk.

    In 582 bladzijden beschrijft Dan Sleigh tot in het kleinste detail, de lange aftocht van de tienduizend Griekse soldaten onder aanvoering van Xenofon van Athene begeleid door zijn dienaar Nagri, een deserteur uit het Perzische leger. Deze aftocht duurde ongeveer twee jaar en begon na de nederlaag van de Tienduizend bij Kunaxa, dichtbij Babylon, en de dood van hun generaal Kuros. Deze veldslag was van hele korte duur en beslaat in het boek ook maar een tiental bladzijden. Kuros wordt gedood, terwijl zijn broer Artaxerxes slechts een lichte verwonding oploopt.

    Na deze roemloze nederlaag begint de lange ‘aftocht’ die nagenoeg chronologisch, bijna van dag tot dag, soms zelfs van uur tot uur verteld wordt door Xenofon en Nagri. De lezer volgt hoofdzakelijk het verhaal en de gedachten van de buitengewoon intelligente en wijze Nagri die ook nog vele talen spreekt. Hij is daardoor de aangewezen persoon om te vertalen, toevallige gesprekken op te vangen, te bemiddelen op hachelijke momenten en Xenofon te adviseren omdat hij ‘de Perzen’ van binnenuit kent. En het feit dat hij het Griekse, Egyptische en Perzische schrift beheerst is een groot voordeel. Dat moge een wonder heten in die tijd waarin het lezen en schrijven slechts was voorbehouden aan een kleine elite.

    Nagri ziet zijn weldoener Xenofon als de Verlosser, de lichtdrager en vergelijkt hem met Mozes, denkende aan de passage in de Bijbel: ‘vuur valt uit de hemel en een stem zegt: Sta op. Red mijn volk hieruit.’ Xenofon heeft een soortgelijk visioen gekregen bij de rivier de Zapatas om het Griekse leger terug te brengen naar Byzantium (het huidige Istanbul).

    Nagri ziet zichzelf als de profeet, de boodschapper, door God geroepen. De Verlosser van de Joden zou immers als prins in een land aan de Westelijke Zee geboren worden, in het land van de Grieken. Nagri voelt zich geroepen ‘om op weg te gaan naar Jeruzalem om het goede nieuws te brengen naar dat wat van Gods verloren volk was overgebleven.’ ‘Verheug jullie (…) jullie verlossing uit de slavernij is nabij’, m.a.w. het einde van het grote Perzische Rijk. Zo hadden de Vaderen de eunuch Nagri voorgezegd…

    Xenofon en Nagri: de tweekoppige leiding van deze aftocht. Ze spreken onderling weinig maar hun samenwerking is voortreffelijk. De een is de generaal, de andere de spindokter, zou je in 2012 zeggen. Maar er is één groot verschil. Xenofon brengt dankoffers (met jonge ossen, rammen, stieren, ooien, lammetjes en andere dieren) aan Zeus, aan Apollo, aan Heracles, en aan Poseidon. Nagri roept slechts één God aan, zijn eigen God, de God van Israël, die hem de oplossing voor het probleem vaak in dromen aanbiedt. Deze roman staat bol van de vele dankoffers.

    We maken ontelbare veldslagen mee met roven, plunderen, bloedig uitmoorden, in brand steken van dorpen, enzovoort. De wreedheden, vooral van de Perzen, worden onbarmhartig beschreven. Twee voorbeelden:
    ‘… stond er een bebloed hoofd met een zilveren hoofdband op een speer (…). De soldaten probeerden het dode gezicht te herkennen, maar de baard met aangekoekt bloed en het masker van kruipende brom- en vleesvliegen maakten het onmogelijk.’ (blz. 104).
    ‘De vermoeide patrouilles vonden wit gebleekte palen waaraan schedels hingen die wellicht vroeger de gekroonde hoofden van de stad waren, nu huilde de nachtwind door hun ooggaten en klaagde door hun open monden.’ (blz. 206).
    Maar gelukkig, de rode papavers zijn ook alom tegenwoordig, zelfs met menselijke eigenschappen en zij bieden troost! ‘Overal langs de wegen knikten rode papavers als hij langsliep.’ (blz. 561).
    De allesoverheersende kleur in deze roman is dus rood.

    Er zijn tijden van grote ontberingen vanwege hevige koude en immense honger. De kritische lezer vraagt zich wel af waar toch het voedsel en het geld vandaan komen voor een dergelijk groot leger.
    De liefde komt nauwelijks aan bod. Nagri heeft, als eunuch, geen verstand van vrouwen en Xenofon krijgt wel jonge vrouwen aangeboden, maar weet er toch eigenlijk niet goed raad mee. Scènes van openlijke sodomie, homoseksualiteit binnen het leger worden nauwkeurig beschreven. ‘De zondigheid ten top’, vindt Nagri en walgt ervan.

    We leren de karakters van de welbespraakte Xenofon en van de schrijver Nagri goed kennen door de uiterst gedetailleerde verslaggeving.
    De vele beschrijvingen van de natuur zijn als schilderijen van een klassieke grootmeester. De omslag van het boek met de Episode de la retraite des Dix Mille van Adrien Guignet  (1816-1854) geeft een goed beeld van deze onmenselijke tocht.

    Kijkend naar de schrijfstijl, valt het op dat alleen het gedeelte van de opmars tot aan de veldslag moeizaam leesbaar is door de overvloed aan flashbacks en flashforwards over de vele personen. Dat werkt verwarrend. Een lijst met belangrijke personen ontbreekt helaas, net als een verklarende woordenlijst voor de vele specifieke Griekse termen. Woorden als merkavah, pardah, xenon, obolos, satraap, paean, enzovoort moeten door hun context begrepen worden. Gelukkig is er wel een duidelijke kaart van de afgelegde tocht van de Tienduizend.

    De schrijver Dan Sleigh heeft met dit werk aangetoond de Klassieke Oudheid goed te kennen en het lijkt wel of hijzelf meevocht en ooggetuige was in deze beroemde tocht van de Tienduizend. Sleigh vond zijn inspiratie in de Anabasis van Xenofon. Het verschil is dat De lange tocht van Sleigh meer de tocht van de profeet/prediker Nagri is dan die van Xenofon. Bevestiging hiervan is te lezen op bladzijde 570. De titel van het boek zou eigenlijk moeten zijn (volgens Nagri!): ‘Het hart van het Kwaad. Het boek van de lange tocht. De sterren en de rode, rode papavers. Het Evangelie van Nagri’.
    Al te gemakkelijk gaat hij dan wel voorbij aan de goden, de dankoffers en vooral de heldenmoed van Xenofon!

    De lange tocht is in een rijk, prachtig proza geschreven, zoals je het zelden meer leest.
    Riet de Jong-Goossens verdient een groot compliment voor haar vertaling uit het Zuid-Afrikaans. Deze roman is zeker een aanrader voor de liefhebbers van historische romans. Maar let op, de eerste 200 bladzijden vormen wel een uitdaging om doorheen te komen, zelfs voor diehards! Notitieboekje erbij!

    Dan Sleigh
    Daniel (Dan) Sleigh (1938) is een Zuid-Afrikaans historicus, met name gespecialiseerd in de Nederlandse koloniale geschiedenis. Hij woont in Pinelands, Kaapstad, met zijn vrouw Dewetia.
    Hij schreef onder meer Eilande, in het Nederlands vertaald als Stemmen uit zee, over de ontwikkelingen in de Kaapkolonie ten tijde van het Nederlands bewind.
    Sleigh schreef eerder Die Buiteposte. VOC-buiteposte onder die Kaapse bestuur, 1652-1795, (Pretoria, 1993).

     

     

  • Waarom mannen best een partijtje mogen knokken

    Waarom mannen best een partijtje mogen knokken

     

    Als je je met hart en ziel in de strijd werpt, krijg je daar een flinke stoot adrenaline van. Je voelt je er helemaal in ondergedompeld en ervaart geen enkele twijfel. Er bestaat geen scheiding meer tussen gevoel en verstand, angst en aarzeling spelen niet meer voor je. Daarom houden mannen van vechten. Vrouwen lijken daar echter, vreemd genoeg, niet van te houden. Ze komen althans niet voor in de voorbeelden die Peter Venmans geeft in zijn boek Het derde deel van de ziel. Over thymos.

    Echt vechten waar bloed en mensenlevens bij betrokken zijn, vinden we niet meer netjes. We zijn pacifisten en verafschuwen oorlog, althans de verstandigen onder ons, denken we. Militair vertoon, zoals niet zo lang geleden nog de ceremonie bij de uitreiking van de Willemsorde, vinden we maar raar en uit de tijd. Toch kunnen we volop van vechten genieten. Voetbal bijvoorbeeld is oorlog, volgens Rinus Michels. Fight club met Brad Pitt was een groot succes in de bioscoop. Honderd duizenden kijken weekenden lang gefascineerd naar de gevechten om tienden en zelfs honderden van seconden bij het schaatsen. Deze tweeslachtige houding ten opzichte van vechten en strijdlust is het onderwerp van de essays van Venmans.

    Hij beschrijft daartoe allerlei opvattingen over het filosofisch begrip thymos. En dat zijn er veel. Plato bijvoorbeeld legt uit dat de tweedeling geest en lichaam onvoldoende toereikend is om het menselijk gedrag te verklaren en noemt als derde verklarende factor de thymos: de mannenmoed, de vechtlust, het tot het uiterste gaan, de onverschrokkenheid. In de Politeia, Plato’s opvattingen over de ideale staat, vertegenwoordigen de zilveren mensen, de krachtige krijgers, de thymos. De gouden mensen, die door de geest, de logos, worden bestuurd, houden de zilveren mensen onder controle. Zonder strenge discipline geen goede soldaten. De bronzen mensen, de meesten van ons, laten zich alleen maar leiden door hun lichamelijke driften.

    Doel van Peter Venmans’ essays is ons duidelijk te maken dat thymos gevaarlijk kan zijn, maar dat het nadenken erover ons beter bewust maakt van een diepe waarheid in onszelf. Hij wil de menselijke geldingsdrang, ook een vorm van thymos, zijn verdiende plaats geven in ons denken zonder dat het komt tot gewelddadige uitwassen die van ongebreidelde thymos het gevolg kunnen zijn. Psychologische verklaringen geeft hij als filosoof niet, maar hij weet wel overtuigend te beredeneren waarom hij om praktische redenen het begrip ziel gebruikt.

    Venmans heeft eerder filosofische werken gepubliceerd. Over de Joods-Duits-Amerikaanse filosofe en politiek denker Hanna Arendt bijvoorbeeld, en in 2008 Over de zin van nut dat ging over het pragmatisme van de kort daarvoor overleden Amerikaanse filosoof Richard Rorty. Hij propageerde een vredelievende, ontspannen, ironische, liberaal thymotische levensstijl met als richtlijn geen wreedheid. Venmans noemt zich rortiaan.

    De essays beginnen met het heftige, emotionele gedrag van de Griekse held Achilles in de Trojaanse oorlog, de ideeën over de staat van Plato en het ideaal van de ridderlijkheid in de Middeleeuwen. Dan schrijft Venmans over wat hij Verlichtingshelden noemt, en wij klokkenluiders. De mensen die de door Immanuel Kant gedefinieerde Verlichtingsmoed ten toon spreiden door zelfstandig een eigen oordeel te vormen, naar eigen inzicht en verantwoordelijkheid te handelen en zich publiekelijk uit te spreken. Hij beschrijft literaire helden als El Cid, Don Quichot en de ‘happy warrior’ van Wordsworth. Filosofische beschouwingen over het begrip thymos van Hobbes, Adam Smith, Hegel en Sartre komen langs. Veel aandacht geeft Venmans aan de belangwekkende ideeën van Nietzsche.

    Nu God dood is, is de mens op zichzelf aangewezen. Je kunt gelukkig zijn met te zijn zoals je bent en dat meer dan genoeg vinden. Je weet dat er geen absolute zekerheden zijn waarvoor je zou willen strijden, je streeft naar een klein beetje privégeluk en probeert tolerant te zijn. Nietzsche noemt jou ‘de laatste mens’. Je zoekt de comfortzones op, vermijdt strijd en bent, zegt Venmans, een hedonistische conformist. Maar Nietzsche veracht jou. Hij verlangt naar de übermensch die zichzelf overwint, die niet blijft zoals hij is en die wordt wie hij kan zijn! Nietzsche vindt dat thymos een belangrijke rol moet spelen in je houding en gedrag.

    Het is een actueel boek omdat Venmans steeds weer relaties legt met het heden. Met hoe moderne denkers thymos een belangrijke rol laten spelen in hun denkbeelden. Zoals Klaus Theweleit met het principe van pijn, Martin van Creveld over het belang van een oorlogscultuur, Harvey Mansfield die de in verdrukking geraakte mannelijkheid verdedigt en Harry Frankfurt met zijn gebruik van het begrip ‘wholeheartedness’.

    Thymos is niet weg te denken. Zelfs al is de bevrediging van onze basale behoeften in de westerse wereld praktisch gegarandeerd, altijd zullen er mensen zijn die meer willen en kunnen bereiken. We vinden het vanzelfsprekend dat ze zich moeite geven om hun idealen te verwezenlijken en van hun leven een succes te maken. We vinden zelfs dat iedereen daartoe in de gelegenheid gesteld moet worden. Ook als hun talenten minder toereikend zijn en ze daarbij geholpen moeten worden.

    Venmans maakt een zeer belezen indruk. Hij put uit een uitgebreid arsenaal aan informatie. Dat hoeft de lezer echter niet af te schrikken, want hij illustreert de ideeën van de verschillende denkers met voorbeelden die zeer herkenbaar zijn en aan ons dagelijks leven zijn ontleend. Hij vertelt zijn verhaal op een boeiende manier en zijn stellingname prikkelt tot nadenken, terugbladeren en herlezen. Hij blijkt in staat te zijn duidelijk te maken dat het begrip thymos onvermijdelijk een belangrijke rol speelt in het maatschappelijk discours over sociaal democratie en liberalisme. Dat alleen al maakt het een waardevol boek.

     

     

  • Een vader rouwt

    Een vader rouwt

     

    Een zoon krijgt meningitis en sterft binnen enkele dagen. De vader is radeloos.

    Dat is het onderwerp van deze novelle, die verrassend genoeg de overleden zoon als ik-figuur heeft. Het is het relaas van een rouwproces, beschreven vanuit het gezichtspunt van de zoon, wat het geheel meer afstand geeft, en hier en daar zelfs humor. Door deze afstand is het geen larmoyant boek geworden.

    De vader (en de moeder ook, maar het is duidelijk dat de vader hier de protagonist is) doorloopt alle stadia van rouw: opnieuw beleven van de laatste dagen, spijt over gemiste kansen, vreugde over kleine momenten van geluk in die laatste tijd, eindeloos foto’s maken van het met paarse vlekken bespikkelde lijk, twijfel over de onontkoombaarheid van het gebeurde, twijfels over de levensdrift, of doodsdrift, van zijn zoon, zoeken in agenda, dagboek en losse briefjes naar aanwijzingen die op de naderende dood zouden kunnen wijzen. Vervolgens het regelen van de uitvaart, al die praktische beslissingen, die hij niet wil nemen, omdat hij niet wil dat zijn zoon dood is. De troostrijke gesprekken met vrienden, het zich vastklampen aan allerlei toevalligheden, die de schijn kunnen wekken dat het allemaal zo heeft moeten gebeuren, en ten slotte het uitstrooien van een deel van de as boven IJsland.

    Vreemd genoeg is de stijl die van een detective, en als lezer verwacht je ieder moment een absurde of onverwachte ‘ontknoping’, die niet komt, want het boek is echt alleen maar de beschrijving van de rouw van de vader. Een rouw die, getuige het dankwoord aan het eind, is gebaseerd op de werkelijke rouw van de schrijver om zijn overleden zoon.

    De novelle is vlot en, zoals gezegd, heel boeiend geschreven. Daarom is het contrast met de inhoud erg groot. Weliswaar is het verdriet, de twijfel en het obsessieve steun zoeken bij mensen en dingen heel invoelbaar beschreven. Maar toch wordt het eentonig, hoe triest ook. Ook de boodschap aan het eind, dat er uiteindellijk toch te leven valt met zo’n groot verdriet, doet daar niets aan af.

    Samenvattend: een goed geschreven novelle, waarvan de beperking ligt in het te lang doorgaan op een thema dat al na een kwart van het boek uitgeput lijkt.

    De vertaling is opvallend levendig, met aangenaam eigentijdse dialogen.

     

     

  • Het geheugen zit vol nutteloze details

    Het geheugen zit vol nutteloze details

     

    ‘Ik ga een boek schrijven over Nijmegen en Arnhem’, schrijft Thomas Verbogt (1952) op de eerste pagina van Herfst in het Oosten. En dat is inderdaad precies wat hij heeft gedaan: hij heeft een boek geschreven. Dus geen meeslepende roman, realistische novelle of interessant naslagwerk; ook geen smeuïge autobiografie, filosofisch relaas of geëngageerde kritiek. Herfst in het Oosten is een combinatie van dit alles, en het lijkt op niets wat al eerder is verschenen. Ook de schrijver van dit boek is geen mysterieuze ik-persoon of verstopte alwetendheid: de schrijver is onmiskenbaar Verbogt zelf. Hij haalt immers vele malen zijn eerder verschenen werken aan, zoals De verdwijning (1999), Eindelijk de zee (2007) en Verdwenen tijd (2009), en hij betrekt de lezer graag bij de wereld van de auteur: ‘Ik zal proberen te omschrijven wat het was wat we toen deden.’.

    In Herfst in het Oosten doet Verbogt verslag van zijn ervaringen in en herinneringen aan Nijmegen en Arnhem, de steden waarin hij is opgegroeid. In oktober en november van 2010 verbleef Verbogt als Writer in Residence in Nijmegen. Deze periode heeft hij gebruikt om terug te gaan naar de plaatsen van zijn jeugd, en om daar na te denken over diepgaande kwesties als: ‘wie ben ik?’, ‘wat is thuis?’ en ‘wat is thuiskomen?’. Deze ideeën heeft hij in korte hoofdstukken opgeschreven en ze zijn uiteindelijk in dit boek samengebracht. In de hoofdstukken vertelt Verbogt naar welke plaatsen hij is teruggegaan en wat zijn herinneringen zijn aan die plaatsen. De rode draad in het boek is Verbogts zoektocht naar zijn identiteit, wat waarschijnlijk ook de aanleiding van zijn rustperiode in Nijmegen was.

    Sommige hoofdstukken zijn heel interessant en meeslepend, zoals bijvoorbeeld ‘Onder de dekens’ en – het sterkste hoofdstuk – ‘Always on my mind’. In deze twee hoofdstukken vertelt Verbogt over zijn belevenissen in de stad, en begint Herfst in het Oosten zowaar op een (amusante) roman te lijken. Er zijn daarentegen ook (te) veel hoofdstukken die bestaan uit citaten uit eerdere werken; uit vage gedachtespinsels; uit persoonlijke feiten –Verbogt: ‘Feiten zijn op te zoeken, feiten zijn meestal saai’; en voor de lezer niet interessante details, want, zoals Verbogt ook zelf schrijft: ‘het geheugen zit vol nutteloze details’.

    Verbogt hanteert over het algemeen een prettig, interessant taalgebruik. Er passeren ook een aantal vreemde uitspraken als: ‘[…] het begin van de jaren zestig toen […] de zon nog een lekker zonnetje werd genoemd’, maar met name in de wat meer filosofische hoofdstukken, formuleert Verbogt prachtige zinnen:

    ‘Volgens mij gaat het niet om de waarheid, maar om hoe de waarheid zich kan gedragen’; en:
    ‘Opnieuw thuiskomen bestaat misschien niet. Opnieuw thuiskomen is weer weten hoe het was om thuis te zijn. Wás. Niet: is. Je zoekt naar wat het hart van toen is. Dat is verbonden met plekken, maar het zit vooral in je hoofd’.

    Het boek bevat absoluut zinnen die geschikt zouden zijn als oneliner, zinnen waaruit blijkt dat Verbogt wel degelijk een begenadigd schrijver is maar wat in dit boek niet helemaal uit de verf komt, maar ook zinnen die zeer aandachtig lezen vereisen. En als je dit lezen dan zeer aandachtig doet, is dit boek toch geregeld teleurstellend. Hij uit interessante filosofieën, maar het blijft bij een paar losse opmerkingen; er zijn boeiende, verhalende hoofdstukken, maar het merendeel is een verslag van een persoonlijke herinnering die hij niet verder uitwerkt; hij heeft geprobeerd een rode draad aan te brengen, maar wijkt hier vaak vanaf. Niet voor niets schrijft Verbogt in het begin van zijn boek: ‘Wanneer je begint met schrijven ga je op avontuur en dat avontuur kan je naar een andere bestemming voeren dan je oorspronkelijk voor ogen stond.’ Dat is hier gebeurd, Verbogt is op (persoonlijk) avontuur gegaan, maar had geen duidelijk doel voor ogen, waardoor de verhaallijnen – voor zover aanwezig – niet afgemaakt zijn en het boek een wat rommelig geheel is geworden.

    Het blijft ook lastig om het door Verbogt beoogde publiek vast te stellen. Verbogt lijkt voornamelijk voor zichzelf te schrijven: hij maakt immers een tocht langs de plekken in Nijmegen en Arnhem waaraan hij persoonlijk herinneringen heeft. Voor iemand die deze steden totaal niet kent, is het boek geen aanrader – zij zullen de plaatsen die Verbogt beschrijft niet herkennen en de sfeer niet begrijpen. Voor de inwoners van deze steden is dit boek ook allerminst geschikt: Verbogt schetst immers een stereotiep en kwetsend beeld van met name de Nijmegenaren, wat onder andere blijkt uit: ‘In Nijmegen wonen nog steeds veel zeikerdjes. Ze hebben posities, ze hebben iets voor het zeggen, maar wel binnen de werktijden, want dan verdwijnen ze weer in getut’. Ondanks dat Verbogt de grote invloed van Nijmegen dus benadrukt, schildert hij de (andere) Nijmegenaren toch negatief af, een beetje vreemd.

    Al met al lijkt het hele boek een grote therapeutische oefening voor Verbogt: heerlijk om te schrijven, maar niet boeiend voor lezer. Is het lezen van dit boek dan een vreselijke tijdverspilling? Nee, dat ook niet. Hoewel het lang niet altijd interessant is en Verbogt nauwelijks boven zijn individuele wereld uit kan stijgen, zet het werk je wel aan het denken. En tsja, deze hele nieuwe boekvorm is toch ook een pluspunt.