Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Krankzinnigen en heiligen

    Hij heeft een missie, de christus van Elqui. Hij predikt, geneest zieken en hij, zo gaat althans het gerucht, wekt doden tot leven. Daarbij is hij naarstig op zoek naar zijn eigen Maria Magdalena.

    De oorspronkelijke titel van het nu vertaalde De christus van Elqui is, bij de speciale gratie van het Spaans, oneindig veel mooier: El arte de la resurrección. De Chileen Hernán Rivera Letelier (1950) won met het boek in 2010 de Premio Alfaguara, een grote prijs in de Spaanstalige letterenwereld. Het verhaal van deze gereïncarneerde, ‘wederopgestane’ christus speelt zich af op ‘het terrein van de duivel’, rond de mijnen en dorpen in de Atacamawoestijn. Het is de plek waar Letelier zelf groot is geworden. In de mijnen werkte Letelier van jongs af aan en in de woestijn predikte zijn vader.

    Maar de titelfiguur in Leteliers roman ontleent zijn naam en karakter niet aan zijn vader, maar aan een prediker die decennia geleden rondtrok in de woestijn. Het is zijn verhaal dat door Letelier als uitgangspunt wordt genomen. De echte naam van de christus van Elqui luidt Domingo Zárate Vega. Een aantal jaren woonde hij als kluizenaar in het Elqui-dal, waar hij goddelijke visioenen kreeg en begon te geloven dat hij een reïncarnatie van Christus was. En zoals het een christus betaamd – en bovendien heeft hij het zijn overleden moeder beloofd – reist hij rond om goede werken uit te voeren.

    Dat gaat niet altijd even gemakkelijk. Al in de eerste scène ondergaat hij een beproeving: door een groep mijnwerkers wordt hij gevraagd om te proberen hun tijdens een flinke zuipsessie plots voor dood neergevallen kameraad, Lazarus geheten, weer tot leven te wekken. De christus van Elqui waagt een poging, en tijdens zijn geprevel en gemurmel begint Lazarus inderdaad tekenen van leven te vertonen. Maar het blijkt geen ware resurrectie, enkel de bekroning van de grap die Lazarus en zijn kameraden met de christus van Elqui uithalen.

    Zo’n grap is problematisch, want ook deze christus weet ‘dat je om prediker te zijn niet alleen moet geloven, maar ook geloofwaardig moet zijn.’ Op andere momenten wordt er wel met ontzag naar zijn preken geluisterd. Bovendien schijnt de christus van Elqui inderdaad wonderen te hebben verricht, al blijft het bewijs hiervoor apocrief. Het is vooral de gelovigheid van de mijnwerkers die te wensen overlaat. Zo krijgt hij op zijn pleidooi voor een matige alcoholconsumptie de bulderende reactie: ‘Beter een kutwijn dan wijwater, maat!’

    Desondanks is deze christus zelf allerminst een ontzagwekkende heilige. Zijn profetieën zijn doorspekt met pseudo-intelligente en maar halfgrappige clichés. Een voorbeeld: ‘Hij die over gebaande wegen gaat, laat geen sporen achter’. Om het zo maar te zeggen: zijn preken zijn meer hemeltergend dan hemelwijzend. En tegenover de vrouwen is hij vooral een smeerlap, een ‘wellustige sater’, die – zo geeft hij zelf ook toe – het als deel van zijn heilige missie ziet een eigen Maria Magdalena te vinden, een vrouwelijke apostel die hem volgt ‘met hart en ziel’.

    En hij komt haar op het spoor, namelijk Magalena (wiens vader ruzie had met de man van het geboorteregister, die daarop de ‘D’ wegliet). In het mijnwerkerskamp La Providencia, oftewel De Luis, heeft zij haar ‘gaarkeuken van de liefde’ opgezet. In de hoek van haar slaapkamertje staat een bijna manshoog Mariabeeld; waarvan ze, als zij haar ‘kerkgangers’ ontvangt, nog wel het gelaat met een fluwelen lapje bedekt.

    In De Luis voltrekt zich het voornaamste gedeelte van dit met bijbelverwijzingen doorspekte verhaal. Het meest intrigerende verhaalonderdeel is dat rond Don Anónimo, ‘De gek met de bezem’, die iedere dag de woestijn gaat vegen. Hij schijnt ooit meegereisd te zijn met een trein vol krankzinnigen. Evenals de meeste krankzinnigen en heiligen – waartussen de grens, niet onverwacht, permeabel is – draagt Don Anónimo een weerzinwekkend geheim met zich mee.

    Magalena verkrijgt in de perceptie van de lezer daadwerkelijk iets heiligs wanneer ze deze arme man liefdevol opneemt. Ook de christus van Elqui woont een korte tijd bij hen, wat de mooiste stukken oplevert in deze meestentijds toch tegenvallende roman. Mede als gevolg van teveel flauwe grappen en verwijzingen lukt het de lezer maar niet zijn of haar houding tegenover ofwel de heilige prostituee Magalena ofwel de christus van Elqui te bepalen. Alsof Letelier ons wil laten herinneren dat we het beoordelen van een christus altijd al moeilijk vonden.

    Rond ieder Latijns-Amerikaans verhaal, zeker wanneer het zich afspeelt in een zinderende woestijn, zweemt het modieuze predikaat ‘magisch-realisme’. Zo ook op deze boekcover. De vreemde trekken van De Luis zijn allerminst onrealistisch en zeker niet vergelijkbaar met bijvoorbeeld Marquez’ magische Macondo. De christus van Elqui bezit evenmin magische kwaliteiten. Hij zou het graag anders zien, maar wanneer hij probeert te vliegen resulteert dat toch gewoon in een smak op de grond. Wat sommige mensen er niet van weerhoudt te beweren dat de prediker ‘echt een paar meter had gevlogen terwijl hij als een aangeschoten vogel wild met zijn armen fladderde.’

    Omwille van het onderwerp is Leteliers roman wellicht beter te vergelijken met dat andere recente Latijns-Amerikaanse hoogtepunt, De oorlog van het einde van de wereld van Vargas Llosa, zelf evenmin een echte magisch realist. Maar De christus van Elqui bevat de scherts die Vargas Llosa’s apocalyptische meesterwerk niet bezit. Het is ook als gevolg van diezelfde scherts dat het boek uit balans raakt. Na de twintigste halfgrappige, vaak naar seksuele uitspattingen verwijzende beschrijving is het wel genoeg geweest.

    Bovendien werkt de combinatie tussen bevreemding – die haast noodzakelijk optreedt door de extreme locatie, de beknopte verhaallijnen van de krankzinnigen en door de aanwezigheid van de profeet – en de satire niet goed. De eigenaardigheden van de profeet zijn eventjes leuk, maar deze moeten niet de overhand nemen. Onwillekeurig rijst het verlangen om meegezogen te worden in ofwel de zengende realiteit van de woestijn ofwel in haar luchtspiegelingen. En dat gebeurt niet.

     

     

  • Oude man worstelt met verleden

    Oude man worstelt met verleden

    Recensie door Rein Swart

    België en Congo hebben een intieme band met elkaar, een trauma waarover Van Reybrouck onlangs nog in extenso berichtte. Dit pijnlijke onderwerp kan ook in een kleinere opzet uitgestald worden. Dat bewijst Elvis Peeters in de vorm van de herinnering van een 77 jarige ex-huurling die in een buitenwijk van Brussel woont.

    We beleven een een doordeweekse dinsdag uit het leven van deze man, waarop hij een boodschap doet, wat gras snijdt om daarmee, als het eenmaal tot stro verdroogd is, de kieren te dichten tussen de dakpannen. Sinds zijn vrouw Simone naar het rusthuis ging, slaapt hij op zolder. Het rusthuis staat ook niet ver van zijn bed. Hij krijgt regelmatig bezoek van een meisje van de sociale dienst, dat wil dat hij zijn huur opzegt zodat men kan beginnen met sociale woningbouw op de plaats van zijn huis. Hoewel ze hem beloofd heeft dat hij vanuit het rusthuis terug kan keren naar de nieuwbouw, is de man daar niet voor te porren.

    Fascinerend is de terloopse manier waarop de man de lezer inlicht over zijn leven. Seks speelde daarin altijd een belangrijke rol. ’Mijn lul wijst niet langer naar de hemel, denkt hij. Als ik hem nu achternaga, zak ik in het graf,’ mijmert hij bij het opstaan.

    Als hij vervolgens in de ochtend de straat overziet, trekt hij de volgende conclusie: ‘Ik stel met tussenpozen vast dat ik er nog ben, dat het anderen zijn die vertrekken en dat van degenen die blijven er mij steeds minder interesseren.’

    We weten inmiddels dat de man veel rookt en een maaglijder is en we krijgen te horen dat hij een hoerenloper was, die, voordat hij Simone ontmoette, kennis kreeg aan de oudere prostituée Erna.

    Temidden van de herinneringen aan deze vrouwen herkauwt hij zijn herinneringen aan Congo. Nadat hij een meisje uit het dorp verkracht had, werd hij op zijn achttiende door zijn ouders naar de koffieplantage van zijn zus in Congo gestuurd. De man werkte daar eerst een tijdje, maar zijn vrijheidsdrang en zijn seksuele lust wonnen het van zijn plichtsbesef. Hij maakte per scooter een tocht langs verschillende werkplekken in de mijnprovincie Katanga. Later vocht hij als huurling voor de Simba’s, een groep zwarte rebellen, in de oorlog om de Congolese onafhankelijkheid.

    Mooi is de dialoog met zijn moeder daarover:
    ‘Ik heb jaren op een brief van jou uit Congo gewacht. Je schreef niet graag. Pen en papier, dat was niets voor jou, dat wisten we. Maar een paar woorden, zei ze.
    Een paar woorden, zei hij.
    Ja, een paar woorden maar.
    Nee, zei hij, een paar woorden maar, dat ging niet, dat was nooit genoeg geweest.’

    Hij heeft zijn vrouwen nimmer veel verteld over de oorlog. Terug in België werd hij vrachtrijder. Hij probeerde goederen te verdonkeremanen zoals waspoeder, dat hij verborg in de ouderlijke boerderij, die inmiddels in handen van zijn broer was overgegaan. Als Erna en Simone hem wel eens zagen schieten op de kermis, verbaasden ze zich over zijn vaste hand. Het richten van een geweer ging hem gemakkelijk af.

    De man strooit kwistig met algemeenheden als: ’Een man moet zijn plek kennen en die ligt uiteindelijk altijd onder de grond.’ Tegelijk haalt hij prachtige anekdotes aan over zichzelf als kind toen hij tot ontsteltenis van zijn moeder in het hok van de waakhond gekropen was, over de commandant van de Simba’s die een stukje in Guido Gezelle leest of toen hij als vrachtrijder een keer alle lampen in de Sint Bernardtunnel aan gort reed.

    Behalve door de herinneringen aan Afrika, wordt de man bedreigd door het meisje van de sociale dienst dat vaak in zijn gedachten is, omdat hij niet echt meer in staat is om goed voor zichzelf te zorgen. Af en toe lijkt ze bij hem te zijn en hem daarover aan zijn kop te zeuren.

    Mooi is het Vlaamse taalgebruik zoals over Simone’s hoofd dat bleef verkazen. Opmerkelijk de soepele wisseling tussen de eerste en de derde persoon, waardoor het verleden terugwijkt en weer terugkomt. Het enige kritiekpunt zou kunnen zijn dat het plot niet dwingend is, net zoals de dag in de week wat willekeurig lijkt gekozen, maar dat wordt ruimschoots goed gemaakt door de levensechte wijze waarop Elvis Peeters zijn personage heeft geschilderd.

     

     

  • Verbeeldingskracht met een vleugje fantasie

    Verbeeldingskracht met een vleugje fantasie

    Recensie Joyce Bloemert

    De verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit is het debuut van schrijver Gilles van der Loo. De bundel bevat een mooie verzameling korte verhalen die stijlvol en vermakelijk geschreven zijn. Er is geen verhaal dat onderdoet voor een ander, hoewel ze onderling sterk verschillen. Elk verhaal heeft een eigen invalshoek maar de rode draad in de verhalen is de haperende verhouding tussen mensen en dan niet alleen die tussen geliefden maar bijvoorbeeld ook die tussen ouders en kinderen.

    Verschillende onderwerpen passeren de revue. Zo begint de bundel met het verhaal ‘Het bezoek’ over een bejaard echtpaar dat hun zoon verloor en ieder op hun eigen manier het verdriet verwerkt, hetgeen tot uiting komt als hun schoondochter met haar kinderen en haar nieuwe vriend op bezoek komt. Andere verhalen gaan over een zakenvrouw die bezig is haar echtscheiding te regelen, over een man die ontslag heeft gekregen en vervolgens een verwarde vrouw van de straat plukt en mee naar huis neemt, over een man die samen met zijn zieke vader een week op vakantie gaat naar Palermo, en over twee getrouwde mannen die elkaar een half jaar moeten missen en zo heel belangrijke informatie uit elkaars leven mislopen.

    De bundel ontleent haar titel aan het verhaal over Omar, een zwarte buschauffeur in New York vlak voor een fatale aanslag. Hij heeft al jaren geen contact meer met zijn moeder. Tijdens de rit droomt hij dat hij zijn moeder belt en tegen haar zegt dat het hier sneeuwt, waarop zij antwoordt ‘bij ons sneeuwt het nooit’. De titel heeft geen relatie met andere verhalen en lijkt willekeurig te zijn gekozen.

    De in totaal 15 verhalen spelen zich niet alleen in Nederland af maar ook in Egypte, ergens in de rimboe, Palermo en Montelupu. Door de matige verhoudingen tussen mensen hebben enkele verhalen geen happy-end. Gilles van der Loo laat de lezer zo nu en dan in mysterie achter door bijvoorbeeld slechts enkele kenmerken van de hoofdpersoon bloot te geven, hetgeen je aan het denken zet. Na het lezen blijf je dan lichtelijk verward achter. Het voorlaatste verhaal, ‘De wandelaar’, wijkt erg af van de rest van de verhalen omdat daarin een vis begint te praten. De overige verhalen vertellen min of meer over de dagelijkse werkelijkheid. Hierin zit af en toe een vleugje fantasie verwerkt.

    Van der Loo, geboren in 1973 te Breda, is schrijver en huisvrouw, zo valt op zijn website te lezen. De verhalen in deze bundel zijn eerder gepubliceerd in Tirade en in Volkskrant Magazine. De meeste verhalen hebben een ik-figuur waardoor je als het ware in het leven van de hoofdpersoon kruipt. Hierdoor raak je betrokken in het verhaal en krijg je sympathie voor de zeer verschillende hoofdpersonen. De schrijfstijl van Gilles van der Loo is duidelijk, beknopt en leest fijn weg. Hier sneeuwt het nooit is een gevarieerde bundel korte verhalen, geschikt om in een vrij moment even tevoorschijn te halen of om cadeau te geven.

     

     

  • Facebook en de pijn van het zijn

    Facebook en de pijn van het zijn

    Facebook maakt ons ongelukkig, ondergraaft onze authenticiteit en laat ons denken dat iedereen beter af is dan wijzelf. Socioloog Koen Damhuis is jong genoeg om er een boek over te schrijven. Best leuk, maar het maakt niet gelukkig.

    We leven in verwarrende tijden. De hele wereld past in de iPhone en die past weer in onze binnenzak. Maar door de globalisering is de wereld wel erg groot geworden. En alles kan. Iedereen roept dat je alles kunt worden wat je wilt, áls je maar wilt. De tv stroomt over van talentenjachten waarbij roem – of althans veel Twittervolgers – voor iedereen binnen handbereik lijkt. Je vrienden op Facebook leiden allemaal een rijk leven vol reizen, feesten en hippe must haves. En ja, dan wil je wel eens aan het twijfelen slaan. Bij voorbeeld als je student bent in Parijs. Want succes komt niet vanzelf: het is hard ploeteren in de bieb, je weet niet wat je worden wilt, en door de crisis kán dat ook misschien wel niet. Maar al je vrienden zijn al wél wat, en doen nog veel meer. En dat zul je weten ook, met dank aan Facebook en Twitter.

    Hersenschimmen, schone schijn
    Koen Damhuis studeerde sociologie aan de Sorbonne en dacht na over zijn onbehagen in De virtuele spiegel. Gezien het epische succes van Facebook, Twitter en andere sociale media is er alle reden voor een nadere beschouwing van het fenomeen. Damhuis vertelt over Twitter als wereld van schone schijn, waar vooral would be-genieën kunnen schitteren, zoals lady Gaga met haar 20 miljoen volgers. Hij schrijft over FOMO, the fear of missing out, omdat je de hele tijd wordt bestookt met tweets en posts van dingen waar jij bij had moeten of willen zijn. Over de media die ons continu aanpraten dat we kunnen worden wat we willen, of, zoals Idols-jurylid Stacy Rookhuizen het zo trefzeker zegt: ‘Als je overal schijt aan hebt, kun je alles bereiken.’ We wachten af. Damhuis denkt door over wat er gebeurt met onze identiteit en authenticiteit. Facebook confronteert ons ermee dat dat hersenschimmen zijn. Het een, omdat de eenduidigheid ontbreekt (we hebben geen kern) en het ander omdat we niet meer zijn dan een verhaal dat we over onszelf in omloop brengen (ik parafraseer Komrij). En dan maar hopen dat dat verhaal aanslaat… Gevolg is dat we onszelf als Narcissus verliezen in ons spiegelbeeld. Alleen is dat nu verzadigd met de reflecties van facebookvrienden, die soms niet te beroerd zijn om een opgestoken duimpje aan te klikken (aandacht! erkenning!), maar ons meestal veroordelen tot het ‘vind-ik-leuken’ van wat zij posten. Hebben we een probleem? Ja, zeggen psychologen in de VS: de Facebookdepresssie waart rond.

    In de laatste hoofdstukken biedt Damhuis drie overlevingsstrategieën om aan de malaise te ontsnappen: zelfverbetering (fake it, till you make it), zelfaanvaarding (stop being perfect) of: ‘durf te falen’ (dare to be boring).

    Hardvochtig gehakt
    Hebben we wat aan zijn wijze raad? Nee, natuurlijk niet. De virtuele spiegel is geen zelfhulpboek, maar een snel geschreven, vlot lezende beschouwing over de hedendaagse pijn van het zijn, opgehangen aan sociale media als Facebook, Twitter en LinkedIn. Af en toe mag een grote denker een oneliner leveren (Montesquieu, De la Rochefoucauld, Schopenhauer), maar de meeste zendtijd gaat toch naar doorgeleerde columnisten als Rob Wijnberg, Stine Jensen, Alain de Botton en Bas Haring. Om van Stacey Rookhuizen maar te zwijgen. Altijd fijn, die veelstemmigheid, maar het risico bestaat dat de citaten elkaar doodslaan. Zo zegt niemand minder dan ‘cultuurcriticus en oud-hoogleraar Engelse literatuur aan de universiteit van Yale William Deresiewicz’: ‘Not long ago, it was easy to feel lonely. Now, it is impossible to be alone.’ Dat deed koningin – Eenzaam maar niet alleen – Wilhelmina beter.

    De conclusie zou kunnen zijn: een aardig boekje, dat op luchtige toon probeert iets zinnigs te zeggen over ons tijdgewricht. Goed genoeg om een middagje in te lezen, niet goed genoeg om ‘te gek’ te zijn. Maar dan wel met een paar aantekeningen. De tekst is opgehakt in stukjes van 2 tot 4 pagina’s, met allemaal hun eigen titel, gebundeld in een tiental hoofdstukken. Die mogen allemaal bovenaan hun eigen pagina beginnen, met alle hele en halve witte bladzijden van dien. Door die operatie kan zo’n stuk dan ineens beginnen met: ‘Gelukkig bestaat er dan ook alleen maar een “vind ik leuk”- knop …’ of ‘Het bijeen sprokkelen van dit soort informatie voedt wat sociologen relatieve deprivatie noemen’. Hier is een lopend betoog wreed onderbroken. Een stapje erger wordt het als de overlevingsstrategieën in beeld komen. De tekst gaat daar over identiteit, de mate waarin we die kunnen creëren, de rol van imitatie daarbij en de wijze waarop dat door Facebook aan het schuiven gaat. Met dank aan de filosoof-socioloog René Girard. De contouren van een samenhangende visie lijken op te doemen, maar moeten wijken voor scheurkalenderwijsheden. De overlevingsstrategieën als zodanig zijn er later op of in gelegd en dat pakt slecht uit. Wie heeft hier gedacht: het moet ehhh… leuker? Gewoon, niks eigen denkwerk, maar korte stukkies, kekke titels en lekker veel wit, dan komt het goed. En toen het niet goed kwam: misschien een duidelijke format, dat geeft houvast. Een zelfhulpboek ofzo. Ga toch twitteren, denk ik dan vermoeid.

     

     

  • Het onbelangrijke dat belangrijk is

    Het onbelangrijke dat belangrijk is

    De hoofdpersoon in Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden is Dorte, een jonge vrouw op zoek naar identiteit en volwassenheid. Helle beschrijft de eenzaamheid en alledaagsheid van haar bestaan.

    Dorte worstelt met niet zo diepgaande relaties en met kleine tegenslagen: van het jezelf buiten je woning sluiten, tot de ketting die van de fiets loopt of het onvermogen een wasserette te vinden. Dichtbij Dorte kom je echter nooit. Je leert haar, ondanks de beschrijving van haar alledaagse leven, niet echt kennen. Je komt te weten dat ze schrijft, maar inzicht in wat ze precies schrijft, waarom en waarover, krijg je niet of nauwelijks. Ook weet Helle Helle niet voldoende inleefbaar te maken, waarom Dorte liegt over het feit dat ze colleges in Kopenhagen zou volgen. Is Dorte in de war, net als haar tante die ook Dorte heet? En waarom heeft ze een zo gebrekkige  band met haar ouders? Dorte blijft een wat moelijk te doorgronden figuur.

    Het boek is een vertelling over verhuizingen, vriendjes, volwassen worden en verantwoordelijkheid, zonder grote conflicten, geheimen of verlangens. Hier en daar is het geestig. Zo wordt een stel dat net uit elkaar is als volgt beschreven: ‘Nog maar een paar weken geleden had ze hen hand in hand zien staan bij het koelvak, ze hadden naar salami staan kijken. “Wat vind jij?” had de een gevraagd. “Dat weet ik niet, wat vind jij?” zei de ander.’ (p. 96) Stond het hele boek maar vol van dit soort passages. De schrijfster kan namelijk rake beschrijvingen geven.

    Misschien probeert de auteur met de beschrijving van niet zo spannend lijkende gebeurtenissen een schrijnend beeld van het nietszeggende leven van Dorte neer te zetten. Dat lukt ten dele. Een leven kan echter nog zinlozer zijn dan het leven dat Helle Helle in dit boek beschrijft, daarvan getuigen vele klassieke romans. Het opgeroepen beeld van eenzaamheid moet worden genuanceerd, Dorte komt wel degelijk tot enigszins bevredigende relaties met anderen.

    Het boek gaat over het onbelangrijke dat toch belangrijk is. Door het ontbreken van grote gebeurtenissen ontstaat een realistischer beeld van het leven van veel (jonge) mensen, dan in boeken vol verrassende plotwendingen, die gaan over overstelpende verlangens of grote passies. Helle Helle lijkt te vinden dat sommige dingen gewoon gebeuren en dat alleen dàt feit, ze al belangrijk maakt.
    Voor de couleur locale hoef je Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden niet te lezen: de personages hebben Deense namen, maar verder zou het allemaal ook makkelijk in Nederland kunnen spelen.

    De roman biedt wel enig inzicht in de leefwereld van een jonge vrouw die de weg wat kwijt lijkt te zijn. Het geheel is vlot maar ingetogen geschreven, zo ingetogen dat je soms een beetje verlangt naar creatieve ontsporing, tergende spanning of rauwe schrijfpassie. Het boek gaat over het alledaagse leven, maar de tekst zelf lééft niet echt. Lang niet elke passage urgent. Het lijken soms wat lukraak gekozen flarden uit een eentonig leven.

    Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden werd uit het Deens vertaald door Kor de Vries. Helle Helle is een in Denemarken populaire en bekroonde schrijfster, van wie eerder Het idee van een ongecompliceerd leven met een man en Naar de honden in het Nederlands werden vertaald.

     

  • ‘Het is moeilijk een verhaal te verzinnen met de loop van een geladen pistool op je gericht.’

    Het is moeilijk een verhaal te verzinnen met de loop van een geladen pistool op je gericht. Maar de kerel staat erop. “In dit land,” verklaart hij, “moet je, als je iets wilt hebben, dwang gebruiken.”’

    (…)

    ‘“Er zitten twee mensen in een kamer,” begin ik. “Ineens wordt er aan de deur geklopt.”’

    Bij dit eerste verhaal in de bundel van Etgar Keret denk ik onmiddellijk aan het wereldberoemde toneelstuk La cantatrice chauve (De kale zangeres). Het is inderdaad maar een hele kleine stap terug naar het Théâtre de l’Absurde van Eugène Ionesco (1909-1994) en naar dit eerste absurdistische toneelstuk dat in 1950 voor de eerste keer opgevoerd werd en dat nu nog steeds speelt in Théâtre de la Huchette in Parijs! Hierin komt een brandweerman aanbellen om te informeren of er echt niet een klein brandje is om te blussen. Zijn opdracht is alle branden te doven in de stad (…). En de zaken gaan slecht, er zijn geen serieuze branden meer. Dus is de premie ook laag. De anderen in de kamer voeren sinds het begin van het stuk een dialogue de sourds, kort gezegd, het is alsof zij redelijke dingen zeggen, maar zij lijken elkaar niet te horen, hun antwoorden raken kant noch wal en het loopt uit in complete wartaal. De absurditeit ten top! Maar wel heel komisch! De spiegel die ons op deze manier wordt voorgehouden geeft in wezen een heel tragisch beeld van de mensheid!  Voldoende stof om over na te denken.
    Zo ook bij Keret.

    Keret beschrijft in 39 korte verhalen een ons vertrouwde, bekende, hele gewone wereld. Het is alsof wij de mensen over wie hij schrijft al kennen. Het zou de buurman kunnen zijn. Of je directeur, je leraar, misschien wel je vader of je zoontje. Al spoedig echter, neemt het verhaal een onverwachte wending en eindigt het nog verrassender. De lezer heeft even met de personen mogen meelopen. Maar mag het zelf verder uitzoeken.
    Kerets eerst zo realistische beschrijving van de beginsituatie gaat ongemerkt over in een gefantaseerde, gedroomde, leugenachtige en soms zelfs surrealistische werkelijkheid. Zijn humor hierbij is ongeëvenaard! Keret vindt het heerlijk om de wereld om hem heen te bespotten. In eenvoudige woorden, in weinig zinnen, weet hij door zijn gekke, absurde beschrijvingen meedogenloos de zwakke punten in de samenleving aan te wijzen.

    Hoewel er geen onderling verband is tussen de verhalen of de personen, is er wel degelijk een duidelijke leidraad te ontdekken. Al zijn personen proberen zich te onttrekken aan de realiteit die hen benauwt, angstig maakt, die ze kost wat kost willen ontvluchten. Ze belanden ook vaak ‘naast het verhaal’ door bijvoorbeeld hun reïncarnatie. Maar, ze weten steeds een oplossing te vinden voor hun ongelukkige situatie. Ze gaan over tot actie, bewust of onbewust, want ze geloven nog in het leven en dat is positief!
    Misschien zou je daarom zelfs kunnen zeggen dat deze 39 verhalen eigenlijk 39 ‘therapeutische’ oefeningen zijn om te ontsnappen aan de ons omringende negatieve wereld, om anders te leren leven, om beter om te kunnen gaan met de dood, met een scheiding, een ongelukkige liefde, met eenzaamheid, met zinloos geweld. 39 Levenslessen dus.

    Zoals hiervoor reeds opgemerkt, zijn de verhalen van Keret doortrokken van veel sarcastische humor, soms zelfs morbide humor die overigens op geen enkel moment tranen trekkend is. In sommige verhalen vindt men ook de zo specifieke joodse humor terug. Heerlijk! ‘En Osjri zei gedag met een knipoog, want als je rechterarm is verlamd zit handen schudden er niet in (…).’

    Vanaf het eerste tot en met het laatste verhaal is het duidelijk dat de achtergrond Israël, het Midden-Oosten is. In elk verhaal is ofwel de schaduw, de dreiging of de gevolgen van terrorisme merkbaar. De aanwezigheid van engelen en diverse positieve reïncarnaties zorgen daarbij voor een tegenstrijdig beeld die de werkelijkheid verzachten.
    Keret schrijft over Israëlische mannen, vrouwen en kinderen.
    Niet verwonderlijk, als je weet dat Etgar Keret in Tel-Aviv in 1967 geboren werd, en dat zijn hele leven vanaf het begin een politiek oormerk draagt. Overigens schuwt Keret karikaturale beschrijvingen van zijn geboorteland zeker niet. Lees bijvoorbeeld het begincitaat en het eerste verhaal.

    Alle 39 verhalen zijn zeer de moeite waard! Deze stuk voor stuk bespreken is dan ook niet aan de orde, maar toch, om de nieuwsgierigheid te prikkelen…:

    In ‘De Teef’ ziet een weduwnaar in een hondje het gezicht van zijn overleden vrouw Chalina. En zij praat met hem!
    ‘“Ben je nu blij?” vroegen de ogen van de poedel. “Het gaat” Hij keek terug. “Het is moeilijk alleen te zijn. En jij?” “Niet slecht”. De poedel opende zijn bek in wat bijna een glimlach leek. “Mijn bazin zorgt goed voor me, ze is een goede vrouw. Hoe gaat ’t met onze dochter?”’

    Hoofdpersoon Osjri in ‘Slecht Karma’ probeert in zijn nachtelijke dromen de coma opnieuw te beleven waarin hij zes wekenlang heeft gelegen na een ongeluk. ‘Hij herinnerde zich de kleuren en de smaak en de frisse lucht die zijn gezicht verkoelde. Hij herinnerde zich de afwezigheid van herinnering. (…) Hij wist niets, alleen dat hij leefde. En alleen die wetenschap vervulde hem van een enorm geluk.’ (…) ‘Je behoort geen geluk te beleven aan je coma terwijl de vrouw en dochter zich aan je bed de ogen uit hun kop huilen. Dus toen zij vroegen of hij zich er iets van herinnerde, zei hij van niet.’

    In ‘Pudding’ droomt Avisjai dat hij weer kind is en bij zijn moeder woont die heerlijk eten voor hem klaar maakt… Hij stelt het moment van wakker worden uit om dit gelukzalige gevoel te laten voortduren.

    In ‘Goudvis’ maken we kennis met een goudvis die de drie wensen van Sergei laat uitkomen. Maar wat wordt nu zijn derde wens?

    In ‘Guave’ verscheen 40 seconden vóór Sjkedi aan zijn eind kwam, een engel, helemaal in het wit, die hem meedeelde dat hij een laatste wens kreeg. Wat wenst Sjkedi? ‘Vrede op aarde!’.
    En hoe gaat het verhaal dan verder?

    Zou de lezer dezelfde beslissing hebben genomen als de patholoog-anatoom in  ‘Verrassingsei’ toen hij bij autopsie van een slachtoffer van een zelfmoordterrorist bemerkte dat deze jonge vrouw van 32 jaar binnen zeer korte tijd een onvermijdelijke dood zou zijn gestorven? De echtgenoot het wel vertellen of niet? De filosofische gedachten van deze arts zijn zeer de moeite van het lezen waard. Misschien is dit wel het mooiste verhaal van de bunde! Het enige verhaal overigens dat een opdracht heeft ‘Voor Danny’ en al eerder verschenen is in Gaza Blues (2006).

    Verrassing van Etgar Keret verscheen oorspronkelijk bij Kinneret Zmora-Bitan Dvir als PitomDfika Ba-Delret. Deze verhalen werden uit de Amerikaans-Engelse vertaling (Suddenly, a Knock on the Door) vertaald door Adriaan Krabbendam onder supervisie van Ruben Verhasselt, die de tekst vergeleek met de Hebreeuwse brontekst. De Nederlandse vertaling is erg eigentijds. Korte, simpele zinnen. Veel spreektaal. Als korte scenario’s voor een film.

    Nog een laatste citaat, uit ‘Verrassingsei’. Veel van de genoemde pluspunten zijn hierin verenigd.

    ‘Slachtoffers van aanslagen worden voor autopsie overgebracht naar het Instituut voor Forensische Geneeskunde (…). Veel mensen met sleutelposities in de Israëlische samenleving zetten vraagtekens bij deze procedure (…)  “Een lijk is geen verrassingsei dat je openmaakt zonder te weten of je er een zeilscheepje, een raceautootje of een koalabeertje in zult aantreffen. Want als ze sectie verrichten, vinden ze altijd dezelfde dingen: kogeltjes, spijkers of metaalscherven. Kortom, heel weinig verrassingen. Maar in dit geval. (…)’

    Van Etgar Keret verscheen onder meer de bundel Pizzeria Kamikaze. Zijn boeken verschijnen in meer dan 30 landen en hij publiceert onder andere in The New York Times en Le Monde. Naast schrijver en universitair docent is Keret filmmaker.

  • Op zoek naar een verloren droom

    Op zoek naar een verloren droom

    Als de eerste bladzijde van een boek of een verhaal bepalend is, zoals in veel literaire analyses wordt beweerd, dan kom je in deze novelle van Georg Büchner wel aan je trekken. In de eerste acht regels: grijs gesteente, zwaar omlaag hangende sparretakken, vochtige lucht, grauwe wolken, nevel zo traag, zo plomp. En ‘Lenz stapte onverschillig door, de weg interesseerde hem niets, nu eens omhoog, dan weer omlaag… het beklemde hem, hij zocht naar iets, als naar een verloren droom, maar hij vond niets.’

    Lenz is een jonge man, die zich onrustig en onzeker voelt. Hij wordt gekweld door angst, gevoelens van leegte en door waanvoorstellingen. Hij gaat op zoek naar een plaats om rust te vinden en komt bij een dominee, Oberlin. Deze dominee ontvangt hem vriendelijk en vraagt hem niets, hij mag er gewoon zijn. Lenz gaat met de dominee mee, wanneer deze op huisbezoek bij de boeren in de omgeving gaat. Dat doet hem goed. Maar wanneer hij ’s avonds alleen is, slaat de angst weer toe en springt hij in een koude bron. De dominee en zijn vrouw halen hem eruit en troosten hem. De volgende dag vraagt Lenz of hij zondag mag preken in de kerk. De dominee staat het toe. De mensen zijn geraakt door de preek van Lenz. Later in zijn kamer barst hij in tranen uit.

    Hij voert gesprekken met Oberlin over de natuur, over stemmingen, over intelligentie. Dan komt er een vriend, Kaufmann op bezoek. Lenz wordt weer onrustig. Enerzijds kent Kaufmann zijn ouders, hij brengt ook het verzoek van Lenz’ vader over om weer thuis te komen. Anderzijds wordt hij geprikkeld tot discussies over kunst en literatuur.

    Een paar dagen later gaan Oberlin en Kaufmann naar Zwitserland. Lenz is alleen en wandelt onrustig door de bergen. Dan komt hij in een hut terecht, waar een ziek meisje ligt. Daar overnacht hij. In gesprekken met de vrouw van Oberlin vertelt hij over die ervaring, maar ook over een meisje, Friederieke, die veel voor hem betekent.

    De onrust neemt weer toe. Als Oberlin na zijn thuiskomst uit Zwitserland hem ook vraagt naar zijn vader terug te keren, weigert Lenz. Hij springt weer in de koude bron. De volgende dag blijft hij in bed en klaagt over verveling. Later springt hij uit het raam. Oberlin zoekt iemand, die over Lenz wil waken. Maar hij ontvlucht telkens en vertelt verhalen, die steeds verwarder zijn.

    Georg Büchner (1813 -1837) was de zoon van een arts en studeerde ook medicijnen in Hessen. Hij kwam met medestudenten in opstand tegen de adel en schreef pamfletten in regionale kranten. Zijn studie deed hij uit plichtsgevoel, maar hij wilde eigenlijk schrijven. Als schrijver koos hij vooral voor mensen die het slachtoffer zijn van hun onvermijdelijke lot. Büchner had gelezen over de schrijver Jacob Lenz, die al op jonge leeftijd heftige angstaanvallen en wanen had. Hij ging op advies van vrienden naar de predikant Oberlin, in de Elzas, die bekend stond om zijn vermogen mensen te helpen.

    In het nawoord van dit boek wordt vermeld, dat Büchner zich vermoedelijk sterk identificeerde met Lenz en een aantal thema’s uit zijn eigen leven projecteerde op die persoon.

    Je zou de novelle min of meer een dubbel-verhaal kunnen noemen, de geslaagde beschrijving van Jacob Lenz’ zoektocht naar rust, en de vertaling van Büchners opvattingen over kunst, literatuur en zelfonderzoek.

    Dit boekje is de zeer de moeite waard, zowel het verhaal als de korte beschrijvingen van Büchner en Lenz achterin. Daarbij de passende omslag van Caspar David Friedrich. In het Duits zou men zeggen: Ein Kostbarkeit!

     

     

  • ‘Zo kwam je overal doorheen’

    ‘Zo kwam je overal doorheen’

    Een stadje aan de Rijn, een klaslokaal met ijsbloemen op de ruiten, zeventien jongens in de schoolbanken en een onderwijzeres die met ze mee springt en rent als ze naar buiten gaan. Een lieflijk verhaal zou het worden. Maar alles verandert met de tijd en plaats: Duitsland, dinsdag 27 februari 1934, precies een jaar na de brand van de Rijksdag. In de klas van de katholieke jongensschool dragen de meeste tienjarige jongens het uniform van de Hitlerjugend met een speldje van de nieuwe vlag op de bruine kraag, de negenjarigen mogen nog geen lid worden en zijn in versleten kleren gehuld.

    De Duits-Amerikaanse schrijfster Ursala Hegi keert sinds haar bestseller Stenen van de rivier weer terug naar het fictieve stadje Burgdorf. In die roman – opgenomen in Oprah’s Book Club – observeerde de dwerg Trudi Montag de wereld om haar heen in de periode van de Eerste Wereldoorlog tot na de Tweede. Trudi komt nog even langs, maar nu leven we mee met de onderwijzeres Thekla Jansen.
    Thekla Jansen (34, ongetrouwd, wel een minnaar) heeft eindelijk een aanstelling als onderwijzeres gekregen. Tien jaar moest ze wachten. Nu heeft ze de kans gekregen om de klas over te nemen van haar eigen lerares Sonja Siderova. ‘Het enthousiasme van onze leerlingen herkennen vormt de helft van ons onderwijs’ was het motto van Siderova. En Thekla weet dat in de praktijk te brengen: ze gooit het lesprogramma om als ze merkt dat haar leerlingen op dat moment nieuwsgierig zijn naar andere kennis, weet biologie, taal, rekenen en literatuur tijdens een excursie met elkaar te verbinden en heeft oog voor wat er omgaat in haar leerlingen. Ze is een droomlerares en alle jongens zijn verliefd op haar.
    Een heldin dus. Maar hoe moedig is de op het eerste gezicht kritische Thekla? Als kind wist ze zich al aan te passen: ‘Ze laat de dingen die haar verontrusten van zich afglijden. Zo kwam je overal doorheen [..]’ En zo gaat ze ook om met de eisen die de Führer aan het onderwijs stelt. Dat gebeurt stap voor stap. Eerst playbackt ze nog de Hitlergroet en doet ze haar arm niet omhoog, maar al snel salueert ze hardop, voor het geval haar leerlingen haar betrappen. ‘Het zijn maar woorden,’ houdt ze zichzelf voor. Gedichten van de verboden Heinrich Heine verruilt ze als dat nodig is voor die van Goethe. ‘Zij kan wel afwachten tot dit overwaait.’ Moeilijke zaken loopt ze uit de weg. Het gebruikelijk bezoek aan haar oude lerares Sonja Siderova blijft ze uitstellen, net als het gesprek met de ouders van Bruno Stosick. Bruno, die zo graag lid wil worden van de Hitlerjugend, maar niet mag van zijn ouders. Thekla wil ze overtuigen dat een lidmaatschap hun zoon goed zal doen; ze gunt hem het kameraadschap: ‘Wat kan het voor kwaad om Bruno een paar bijeenkomsten te laten meemaken? Wij hadden vroeger ook liedjes en vreugdevuren.’
    De keuze voor een onderwijzeres als hoofpersonage is een gouden vondst. Zo kan Hegi in het klein laten zien wat ook op hogere niveaus gebeurt: de groepsprocessen in de klas zijn vergelijkbaar met de meutevorming bij de Hitlerjugend en die van de Duitse bevolking. ‘Toen [Thekla] Bruno naar de bijeenkomst was gevolgd, had ze meteen gezien dat die georganiseerd was door mensen die begrepen wat onderwijs was, hoe ze kinderen moesten respecteren en inspireren. Zo gaf Thekla ook les, instinctief.’

    We volgen Thekla Jansen die ene dag in februari, van ‘s ochtends vroeg in het klaslokaal tot ‘s avonds laat als ze bedenkt welk gedicht ze haar jongens de volgende dag zal voordragen. Deze beschreven dag wordt afgewisseld met hoofdstukken die zich in het verleden afspelen tussen 1899 en 1933. Zo ontstaan er twee niveaus. De dag zelf die steeds abrupt midden in een scène wordt afgebroken, in wisselwerking met de terugblik die we krijgen op het verleden van Thekla en haar ouders. Ursula Hegi bouwt door middel van van deze structuur de spanning op.

    Maar helaas ontwikkelt Jongens en vuur zich tot een pageturner die tegenvalt. De gekozen structuur weet Hegi niet vast te houden. De ene dag uit het leven van Thekla bestaat voornamelijk uit fragmenten innerlijke monoloog (herinneringen, mijmeringen en voornemens ) – dus ook weer sprongen in de tijd. En daarbij wisselt ze regelmatig van vertelperspectief. We kijken plotseling door de ogen van een specifieke leerling, de hele groep jongens, en soms brengt ze zelfs een ouderwetse alwetende verteller naar voren. De wisseling van perspectief is op zichzelf natuurlijk geen bezwaar, maar Hegi laat op deze manier weinig werk voor de lezer over. Alles wordt uitgelegd en verteld (ook bijvoorbeeld het verhaal van Icarus, het belang voor de geschiedenis van de Rijksdagbrand), voor het geval we het nog niet doorhadden. En zo lijkt Hegi ook haar eigen personage te behandelen. De roman werkt naar een climax toe die voor de lezer al snel duidelijk is, en het is niet overtuigend dat de intelligente Thekla de uitleg van haar docente Sonja Siderova nodig heeft.

    De grote onderwerpen en thema’s (buitenechtelijke zwangerschappen, verloren kinderen, zelfmoord) tegen de achtergrond van nazi-Duitsland en de vragen en dilemma’s die daarbij horen, maken Jongens en vuur tot een pageturner die je op sommige momenten met een brok in je keel moet lezen, maar die uiteindelijk niet overtuigt.

     

  • Alles hangt met alles samen

    Al in de eerste zin van Een heel nieuw leven geschreven door Gerrit Brand, gaat het mis: ‘Vanaf de grenzen van het heelal de Melkweg onzichtbaar.’ De trend is gezet. Deze uitgave staat vol zetfouten: letters op verkeerde plekken, woorden die weggevallen zijn en zinnen die daardoor niet lopen. Het kleine lettertype en de veel te volle bladspiegel dragen niet bij aan de leesbaarheid van het ook al moeizame plot. De typografie verspringt af en toe naar een nog kleiner lettertype. Dit alles samen maakt dat deze eerste druk erg slordig en afgeraffeld overkomt. Daarnaast wordt zowel in de flaptekst als in de uitgebreide tekst op de binnenflap de plot grotendeels uit te doeken gedaan. En dat is jammer: het maakt de eerste helft van het boek erg voorspelbaar. Al met al flink wat punten van kritiek op het werk van Uitgeverij Nobelman. Helaas is ook op het werk van auteur Gerrit Brand nogal wat aan te merken: variërend van een kabbelend plot, eindeloze herhalingen tot een betweterige alwetende verteller en archaïsch taalgebruik.

    Hoofdpersoon in Een heel nieuw leven is juwelier/horlogemaker Tadema. Hij is ontevreden met het leven, net als zijn vrouw Adèle. Ze zijn uitgepraat en weten niet hoe ze verder moeten. Het is tijd voor verandering, maar beiden zitten vastgeroest in een sleur.  ‘Alvorens de winkel binnen te gaan wierp hij een blik in de spiegel. Trots was hij niet op wat hij zag, twee fletsblauwe ogen in een roodachtig gezicht, een norse trek om de mond. Zo ziet een ontevreden mens er dus uit, dacht hij en streek zijn dunne haar glad.’ Dan bestelt Theo baron van Echten een duur horloge. Een Grande Complication, een zeer gecompliceerd mechanisch uurwerk met allerlei functies zoals een eeuwig durende kalender met dag-, datum-, maand- en maanstandaanduiding. Kostprijs: zo’n twee ton. Adèle begint een verhouding met de baron en eigenlijk kan dat Tadema niet eens zoveel schelen. Ze doet maar, denkt hij. Als Tadema’s zaak 100 jaar bestaat, regelt zijn zakelijke netwerk, de Industrieele Club, het predikaat ‘hofleverancier’ voor hem. Dit luidt ironisch genoeg het begin van het einde in. Als Adèle er op het jubileumfeest definitief met de baron vandoor gaat, wordt het Tadema pijnlijk duidelijk: ‘die baron had het evenwicht in zijn leven op grove wijze verstoord’. Als de baron dan ook nog eens weigert om zijn dure horloge te betalen, raakt de juwelierszaak in grote financiële problemen. Geleidelijk aan neemt het idee van wraak bezit van Tadema. Binnen een paar weken staat zijn leven volledig op zijn kop en loopt het raderwerk vast.

    Vanaf het eerste hoofdstuk is de rode draad van het boek helder. ‘Alles hing met alles samen, als alle onderdeeltjes van het horloge perfect in elkaar grepen, liep het klokje probleemloos. Maar o wee als er ook maar iets aan mankeerde.’ Het horloge als metafoor voor de ordening in de wereld. Een prima rode draad, een goed gevonden vergelijking, ware het niet dat deze boodschap wel heel vaak herhaald wordt in allerlei vormen van beeldspraak. Een paar pagina’s verder lezen we: ‘Al die radertjes grepen in elkaar. Elk onderdeel had een functie binnen het grotere geheel. Dit horloge was als een universum, alles had zijn plek, alles bestond dankzij het feit dat iets anders ook bestond. Het ene kon niet draaien zonder de ander.’ De auteur geeft de lezer nauwelijks ruimte. Hij blijft het maar herhalen en halverwege het boek spelt hij het nog maar eens uit: ‘… de Grande Complication, het perfecte raderwerk, als metafoor voor het menselijk leven…’. Alsof de lezer dat na al die herhalingen nog niet door had.

    De alwetende verteller is in het hele verhaal erg nadrukkelijk aanwezig, soms op het storende af. Hij geeft regelmatig extra informatie of commentaar op het gebeurde, tussen haakjes door de lopende tekst heen. Hij geeft zelfs aan hoe de lezer naar een scène moet kijken. ‘Je zou het in een split screen moeten zien. Links op het scherm Tadema die zijn motorfiets op de Grote Markt parkeert en aan de praat raakt met Hermens de postbode en rechts Adèle die met een grote zonnebril op in haar rode sportwagentje bij een plattelandsstationnetje komt aanrijden.’ De lezer krijgt weinig ruimte om te ademen of het verhaal zelf te beleven. Alles wordt genadeloos dichtgetimmerd. Als de lezer toch weet door te zetten (en met de vermoeiend volle bladspiegel is dat een flinke klus), wordt hij beloond met een goed gevonden wending en een onverwacht einde.

    Communicatieadviseur en uitgever Gerrit Brand geeft zich in Een heel nieuw leven over aan een overdaad aan beeldspraak en overbodige zijwegen en gedachten. Ook het achterhaalde taalgebruik en de expliciete verwijzingen naar W.F. Hermans dragen niet bij aan een prettige leeservaring. En dat is jammer, want de laatste paar hoofdstukken zijn erg goed. En zoals gezegd: uiteindelijk wacht de lezer dan toch nog een verrassend einde.

     

     

  • ‘Ik laat je nooit los, zusje.’

    ‘Ik laat je nooit los, zusje.’

    Maria Hinckelbein is eigenaresse van de Beste Baarnsche Boekhandel. Deze boekwinkel was een dankbaar argument voor Maria om het eiland Texel te ontvluchten en nooit meer terug te keren. Ze is opgegroeid op dit eiland en verloor er haar 16-jarige zusje Lisa. Het is evident dat Maria hier een rol in heeft gespeeld. Maar welke? Ze gaat onder geen beding naar het graf van haar zusje, ze gaat zelfs niet terug wanneer haar vader is overleden. Ze heeft haar zusje en haar jeugd op Texel achtergelaten maar de gebeurtenissen van toen blijven haar achtervolgen.

    Maria kan simpelweg geen liefde geven. Ze ervaart haar naar liefde verlangende moeder als een last. Over de liefde praten, kan ze al helemaal niet met haar moeder.  Alle soorten van liefde zijn begraven gelijk met Lisa. Voor Maria is liefde slechts lust, met wie maakt niet uit. Of dit nu met haar zus, vriendin, man van vriendin of vriend is.

    Het boek begint als Maria, na een bezoek aan haar ouders, op het perron een man in een plas bloed ziet liggen. Het belangrijkste wat ze moet doen, is 112 bellen.
    ‘Hij is dood. Dit is de blik van een dode. (…) Ik glijd bijna uit en begin dan te rennen, de tunnel uit, de trap op. (…)  Zo snel als ik kon fietste ik van het station naar huis. Hij was toch dood?  (…) Het begon te regenen, steeds harder, terwijl ik maar trapte, alsof de dode man aan mijn snelbinders hing  (…) – op de vlucht voor wat ik zag, maar ook voor wat twaalf jaar geleden gebeurde en wat ik maar niet kan vergeten.’
    Hier worden gebeurtenissen uit verleden en heden aan elkaar gespiegeld. Natter verwijst naar het ongeluk met Lisa. Zij lag in een plas bloed en ook toen was Maria niet in staat hulp te bieden. De dode Lisa hangt bij Maria nog steeds aan haar bagagedrager. Waarom hielp ze niet destijds?

    Jason Lowie, de ‘dode’ man in die plas bloed, zorgt ervoor dat het hele verhaal rondom Maria en Lisa onthuld wordt. Uit de dood herrezen, komt Jason in de winkel van Maria. Hij zegt haar te herkennen van een filmpremière waar hij een foto van haar en haar kortstondige relatie Wiggel maakte. Ze voelt zich erg aangetrokken tot Jason. Door haar liefde aan Jason te geven probeert ze het schuldgevoel waar ze haar hele leven al mee worstelt te negeren. Jason was neergeschoten maar vraagt zich niet af wie de dader. Hij wil door met zijn leven maar om het te verwerken moet hij wel naar de onheilsplek die Maria hem wijst. En Jason krijgt Maria zover om na zestien jaar de begraafplaats te bezoeken waar haar zusje en vader liggen. Hij overtuigt haar om haar jeugd af te sluiten ‘Zoek wat je daar hebt verloren, dan kunnen we samen verder.’ Maar zo gemakkelijk is dat niet.

    Dan komen we achter het echte verhaal. In een droom, zittend op de rug van een pelikaan ziet Maria de laatste week in het leven van Lisa. De pelikaan staat in de iconografie zowel symbool voor opofferingsgezindheid als voor opstanding. Offerde Lisa zich op voor Maria? Kon ze het leven niet aan? Had Maria in het graf moeten liggen? Er volgt een gesprek tussen de overleden Lisa en Maria waardoor de laatste het verleden verwerken kan. Nu Maria weet wat er is gebeurd, moet ze verder met haar leven. Wrang is wel dat de ontknoping van het verhaal Maria een schuldgevoel bezorgt waar ze nooit meer vanaf komt.

    Het motto van het boek is: ‘nu kerm, nu klaegh niet meer’. Een zin uit Joost van den Vondels toneelstuk Jeptha (1659). In dit toneelstuk neemt de vader een besluit dat de dood van zijn kind tot gevolg heeft. Een vooruitwijzing. De vader van Lisa is fel tegen alcohol. Hij ruikt aan haar mond als ze is uit geweest om er zeker van te zijn dat ze niet gedronken heeft. Maar pubers zijn vindingrijk, ook Lisa. In deze tijd waarin pubers in coma raken door overmatig alcoholgebruik, lees je hoe je dronken kunt raken zonder te drinken. Het toneelstuk van Vondel komt ook in het boek voor. De rondborstige actrice Welmoed, tevens beste vriendin van Maria, speelt de hoofdrol in Jephta. Zij is de dochter die geofferd gaat worden. In haar priveleven laat Welmoed haar man en drie kinderen achter voor Allard Wiggel, die op dat moment de vriend van Maria is. Maar Maria heeft geen bezwaar. Liefde doet haar niet zo veel en Wiggel is een koele. Maakt Welmoed de goede keuze? Als het toneelstuk hier ook een vooruitwijzing is, dan gaat het met haar slecht aflopen maar daar komen we niet achter in het boek.

    De verhaallijnen rondom Wiggel blijven sowieso vaag. Maria gaat met Allard Wiggel naar het huis van diens vader. De deur gaat moeilijk open; er blijkt ingebroken te zijn. Maria vindt een revolver in de magnetron. Heeft dit wapen met de aanslag op Jason te maken? Welk geheim heeft Wiggel?

    Het is een boeiend boek waar veel in gebeurt en het leest prettig. Er is veel dialoog waardoor er niet veel diepgang is bij de personages Welmoed, Wiggel, Maria’s moeder en Jason. Het perspectief ligt namelijk bij Maria. Er zijn veel vooruitwijzingen naar de ontknoping. Het is de moeite om de eerste bladzijden nog eens te herlezen als het boek uit is.
    Het boek bevat mooie zinnen die bij het verwerken van traumatische gebeurtenissen ondersteunend kunnen zijn zoals: ‘In het heden kun je alleen de toekomst veranderen, niet wat voorbij is, dat blijft voorbij.’

    Bert Natter is oud-uitgever en journalist. Hij publiceerde diverse jeugdboeken en schreef Het Rijksmuseum Kookboek. Zijn literaire debuut Begeerte heeft ons aangeraakt, werd bekroond met de Selexys Debuurprijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs.

     

     

  • Het leven van een vrouw in de onderduik

    Het leven van een vrouw in de onderduik

    Recensie door Rein Swart

    Zoals Jos Palm onlangs in het VPRO-programma Boeken bekende, wilde hij met dit boek zijn moeder Greetje eren, die in 2006 niet de solide katholieke begrafenis had gekregen die zijn vader zo’n tien jaar daarvoor wel heeft gehad. Terwijl de kinderen als het ware met hun gebeden de vader de hemel in duwden, takelde hun moeder langzaam af en stierf zonder veel ruchtbaarheid in een verzorgingstehuis.

    Palm trekt in Moederkerk een parallel tussen het leven van zijn moeder en dat van de kerk: zoals de kerk een moeder was voor de gelovigen, zo was zijn moeder de spil in het gezin. De kerk deed er in het begin van de twintigste eeuw alles aan om kerk en gezin samen te smeden tot een hecht bondgenootschap. Greetjes vader, een muzikant, werd niet door de kerk geaccepteerd. Greetje was een Arnhems stadsmeisje, ‘dat wilde geloven en wilde leven’, maar zich voorbeeldig schikte in haar rol. ‘Mijn moeder moet al heel jong een soort dubbelleven hebben geleid,’ schrijft Jos Palm, ‘een verwachtingsvol leven buitenshuis en een afgesloten leven thuis in het kosterhuis, waar ze leefde in de slagschaduw van haar grootouders.’ Voorafgaande aan het moederschap was de vaderloze Greetje eerst nog jeugdleidster. We zijn dan in de tijd van het Rijke Roomse Leven.

    Palm beschrijft met veel medegevoel dit vrouwenleven ten tijde van de opkomst en de glorietijd van het katholicisme, en de gestage neergang ervan na de Tweede Wereldoorlog. De katholieken vormden lang een minderheidsgroepering in een protestantse maatschappij. Pas na de erkenning van hun bestaan in 1853 kregen ze recht van spreken.  De gelijkberechtiging van het confessioneel onderwijs in het begin van de twintigste eeuw, leidde tot een bloei van de katholieke scholen. De katholieke zuil wist zich temidden van andere zuilen omhoog te boksen, maar na de Tweede Wereldoorlog verbrokkelde zij onontkoombaar door wat Palm het ‘toegenomen persoonlijk welbevinden van de gelovigen’ noemt.

    Greetje spiegelde zich wat de liefde betreft aan haar moeder. Ook zij mocht niet met haar ware, de protestantse Henk, trouwen. Twee geloven op één kussen daar sliep de duivel tussen. Een winkeliersvrouw ensceneerde een romance voor Greet met haar broer Piet, een elektricien, die recht in de leer was. In een lijstje met een foto van haar en haar man die na haar dood gemonteerd werd, staat een tekstje dat de indruk wekt dat Greet haar eerste liefde nooit heeft afgezworen. De auteur zegt dat ze zich als vrouw had verstopt. Net als veel seksegenoten van haar generatie bezat ze ‘het vermogen om het eigene in de onderduik te laten gaan, tot er mogelijkheden waren om de levenslust te vieren.’ Veel meer levenslust dan gedienstigheid aan haar gezin en de geestelijkheid viel haar niet ten deel, schrijft haar zoon met spijt. Later werd ze teleurgesteld door de afvalligheid van haar kinderen, die hun heil zochten bij een politieke ideologie in plaats van bij de kerk.

    Het is opmerkelijk dat Palm weinig meldt over de sfeer in het gezin. Het zou aardig zijn meer te horen over de verstandhouding tussen de ouders en de kinderen in een veranderende tijd, te meer omdat de algemene kerkgeschiedenis al uitvoerig is belicht. Hoe botsten de kinderen met de ouders, hoe reageerden de kinderen op elkaar, waarin verschilden ze in hun opvattingen? Behalve de notie dat God meekeek als ze in de huiskamer een spelletje Halma speelden, blijft het gezin een gesloten boek. Daarmee samenhangend is de stijl nogal wollig. Het lijkt soms op de commentaarstem op de radio die programma’s begeleidt. ‘Niet langer…, voortaan…’, hoewel dat later in het boek minder gekunsteld wordt.

    Het devote jongetje op het omslag, dat bidt voor zijn boterham lijkt niet erg op Jos Palm, tenzij het theater speelt. Voor Palm was het geloof een vorm, die gemakkelijk kon worden ingewisseld voor een leerstellige politieke variant, zo zegt hij zelf. ‘Welbeschouwd was het geloof van mijn generatiegenoten, geboren in de jaren vijftig, blijven steken in de fase van loyaliteit aan de ouders, verder was het nooit gekomen, en misschien was het daarom ook zo gemakkelijk van ons afgegleden.’

    Palm neemt het in Moederkerk vooral op voor zijn moeder, die door de kerk in de steek is gelaten. Het lijkt erop alsof hij het de kerk kwalijk neemt dat ze, zoals bisschop Bekkers voorstond, de menselijke kant ging benadrukken en niet meer de verticale relatie met de hemel als zalig makend beschouwde. In de dorpskerk stond na de preek de hoofdonderwijzer op om een verklaring te eisen over het weghalen van het oude altaar. Nieuwe welgestelden holden volgens Palm het bolwerk verder uit, waardoor de ouders hun toevlucht moesten nemen tot conservatieven.als pater Kotte en later een ouderwetse monseigneur, die door hen op handen gedragen werden. Maar viel de vooruitgang tegen te houden? Het was misschien inherent aan de snelle, geforceerde periode van bloei dat de sensus catholicus ook weer in hoog tempo verloren ging. Voor gelovigen, zoals de moeder van Jos Palm, een bittere pil, die ze maar te slikken hadden en die nog een nasmaak ook had toen later bleek dat onder de oppervlakte allerlei gif in de vorm van seksueel misbruik, verborgen zat.

     

     

  • ‘een dood schommelt aan zijn vleugelpennen’

    ‘een dood schommelt aan zijn vleugelpennen’

    Sinds jaar en dag geldt het (post)modernisme als de voornaamste stroming in de Nederlandse kunst – en misschien wel het sterkst in de poëzie. Het is een behoorlijk gecompliceerd fenomeen, maar het uitgangspunt is simpel: zoek niet naar een verscholen boodschap, betekenis of Antwoord, want het enige Antwoord dat het kunstwerk je kan geven is dat dit Antwoord niet bestaat. Om een goede impressie van dit gedachtegoed te krijgen, doet men er goed aan het korte verhaal La continuidad de los parques (in het Engels vertaald als The Continuity of Parks) van Julio Cortázar te lezen, of, dichter bij huis, gedichten als ‘Oote’ van Jan Hanlo en ‘Koppig’ van Mustafa Stitou. Decennialang hebben de (post)moderne denkbeelden het culturele wezen bepaald. We danken er canonieke meesterwerken als Joyce’ Ulysses, Hermans’ De donkere kamer van Damokles en Mulisch’ Siegfried aan.

    De jaren ’90 waren overwegend postmodernistisch van aard, maar sinds het begin van dit millennium zijn er tekenen dat dit postmodernisme in kracht afneemt en langzaamaan plaats maakt voor een heropleving van twee sentimentele stromingen: een modern neoclassicisme en een moderne neoromantiek. En in dit licht neme men een blik op Hans Groenewegens dichtbundel Van alle angst ontdaan (2011).

    Als een dichtbundel begint met de zin ‘een dood schommelt aan zijn vleugelpennen’, maakt dit indruk. Het roept een lugubere sfeer op, doet denken aan de verhalen van E.T.A. Hoffmann en heeft een sterk beeldend karakter. We zien de dood zo voor ons. Dit beeldende aspect is tekenend voor alle poëzie van Groenewegen. Zijn gedichten zijn schilderijtjes met grote onderwerpen. Meestentijds zijn deze onderwerpen niet erg opgewekt. Ze missen het beweeglijke van Oosterhoff en het onschuldige van Tellegen. Ze handelen over angsten, over eenzaamheid en over passionele, maar van genegenheid beroofde liefde.

    Het zou te ver voeren alle gedichten uit de bundel hier afzonderlijk te bespreken, maar enkele juweeltjes mogen niet ongenoemd blijven. Zo is er een prachtig gedicht dat begint met: ‘hij draait zich om bij de deur/ de kinderen lopen de zee in/ de naaldbomen besluiten te blijven’, en dat hier vervolgens op varieert. Ook in dit gedicht zien we dat er veel beeldende taal wordt gebruikt. De sfeer is tragisch, maar de achterliggende gedachte lijkt niet donker. We hebben hier te maken met een bijzonder uitvloeisel van een 21ste-eeuwse neoromantiek, ontdaan van de christelijke signatuur die voorheen zo van belang was. Het gedicht schetst eenzame taferelen, met een tragische noot. Het slotakkoord laat ons in verwarring achter: hoe nu verder?

    Deze neoromantische insteek treffen we ook aan in zijn gedicht ‘groningen’, dat een landschap beschrijft dat zó van een schilderij van John Constable kan worden geplukt (‘in hope op zegen van behaaglijke/ veilige slaap onder dit oude hoge/ land in de schaduwval van de hoogzee’). Ook hier vinden we stilte, een vleugje weemoed en een liefde voor de natuur. In zekere zin lijkt dit gedicht op Marsmans beroemde ‘Herinnering aan Holland’, ware het niet dat Groenewegens poëzie romantischer is en, zoals de titel van de bundel ons meldt, ‘van alle angst ontdaan’. De wereld moge dan tragisch van karakter zijn, het is aan de mens om dit accepteren.

    Het zij duidelijk dat het hier méér betreft dan een louter poëtische tendens. In de filmwereld manifesteert deze moderne neoromantiek zich enigermate (zie bijvoorbeeld het immense succes van de fantasyfilms en van de heruitgave (!) van Walt Disney’s The Lion King), maar ook in de literatuur (de historische roman is welhaast ongekend populair) en zelfs in de muziek (beluister het fenomenale The Resurrection of the Wrong van Orange Skyline als voorbeeld).

    Een andere heropleving, die van het neoclassicisme, zien we ook terug in Groenewegens bundel, zij het in mindere mate. Het met stip mooiste gedicht uit zijn werk, getiteld ‘doodsengel te wierum’, doet denken aan dat schitterende beeld van Canova, Amor en Psychè. De hoofdpersoon van het gedicht, de doodsengel, wordt even teder afgeschilderd: ‘soms als hij hier is gaan zitten/ vouwt hij om zijn knieën zijn vleugels/ en heeft hij geen oog voor de velden’. Zijn waarnemingen van de wereld lijken uit Ovidius’ Metamorfosen te stammen. Wat de doodsengel om zich heen ziet, is Romantiek. Hij is classicisme.

    Het is erg zonde dat Hans Groenewegen niet is opgenomen in de canoniserende bloemlezingen van Komrij of Pfeiffer. En ja, natuurlijk zijn er ook enkele mindere gedichten in zijn werk aan te wijzen, zeker die waarin hij zich wat teveel vrijheid veroorlooft, maar ach, dit valt al met al in het niet bij de krachtige meesterwerkjes die Groenewegen verspreid door de bundel heeft geschilderd. Een glas wijn, een symfonie van Richard Strauss, Caspar David Friedrich aan de muur en dan als voorafje op Goethe of Victor Hugo een paar gedichten van Hans Groenewegen. Heerlijk.