Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Visueel logboek van een leven

    Als Juan Salvatierra negen jaar oud is, raakt hij ernstig gewond door een val van een paard. Hierna verliest hij zijn spraakvermogen. Nooit wordt duidelijk of dit een gevolg van het ongeluk is, of dat hij simpelweg weigert nog te praten. Volgens de verteller, zijn zoon Miguel, bevrijdt Salvatierra’s stomheid hem van het harde boerenbestaan waar mannen in deze plattelandsregio van Argentinië haast automatisch in terecht komen. Niemand verwacht nog iets van hem. Hij hoeft niet meer mee te doen met de ruige mannen en kan zijn tijd besteden aan wat hij het liefste doet: schilderen.

    Op zijn twintigtste begint Salvatierra aan een megalomaan project. Op rollen doek schildert hij zijn dagelijks leven. Het is zowel een persoonlijk dagboek, een logboek van wat er gebeurt in het dorp bij de rivier, als een kijkje in Salvatierra’s innerlijke leven: zijn dromen, nachtmerries en fantasieën. Omdat Salvatierra nog altijd niet spreekt, is het voor zijn vrouw en zoons ook de enige manier om een beeld te krijgen van wat er in hem omgaat. Zestig jaar lang, tot enkele dagen voor zijn dood, schildert Salvatierra aan het doek. Toch maakt hij op zijn sterfbed een wegwerpgebaar als Miguel vraagt wat ze met de talloze rollen, die zijn opgeslagen in de schuur, moeten doen. Salvatierra lijkt het werk vooral voor zichzelf gemaakt te hebben, hij heeft geen belangstelling om het de wereld in te sturen.

    Nadat ook hun moeder is gestorven, trekken Miguel en zijn broer Luis, inmiddels vijftigers, van Buenos Aires naar hun geboortedorp aan de rivier. Ze kunnen het niet over hun hart verkrijgen de artistieke nalatenschap van hun vader in het desolate, verarmde dorp te laten verstoffen en weten een Nederlandse stichting geïnteresseerd te krijgen de rollen aan te kopen en naar hun museum in Amsterdam over te brengen. Dit vereist nogal wat voorwerk en bureaucratisch gesteggel, waardoor Miguel veel tijd moet doorbrengen in het stoffige dorpje. De eigenaar van de plaatselijke supermarkt heeft belangstelling voor het stuk grond van Salvatierra, maar Miguel kan en wil het land pas verkopen als hij het project van zijn vader veilig gesteld heeft.

    Het werk van Salvatierra brengt herinneringen aan vroeger naar boven, aan zijn vader, aan Miguels eigen leven. Als Miguel erachter komt dat er één rol in de verzameling mist, het jaar 1961, stelt hij zichzelf ten doel deze rol te vinden. Hij kan zich niet voorstellen dat zijn vader een heel jaar niet geschilderd heeft. Wat is er met de rol gebeurd en vooral: wat is er met Salvatierra gebeurd in dit jaar?

    Deze zoektocht vormt min of meer de rode draad in Het verdwenen jaar van Salvatierra van Pedro Mairal. Het boek, meer een novelle dan een roman, meandert door de tijd en het landschap als de rivier in het levenswerk van Salvatierra. Miguel vraagt zich af wat de invloed van zijn vaders werk op zijn eigen leven is geweest, waarom zijn broer en hij beiden hebben gekozen voor een grijs bestaan in Buenos Aires, terwijl de wereld van hun vader zo kleurrijk en levendig was.

    Pedro Mairal, geboren in Buenos Aires in 1970, heeft naast een eerdere roman, ook twee poëziebundels uitgebracht. Dit is duidelijk te terug te lezen in zijn sfeervolle en beeldende proza. De landerigheid van een haast uitgestorven dorpje aan de rivier de Uruguay, de vissers aan de oevers, de monsterlijke riviervissen en de bontgekleurde vogels – de wereld die Mairal beschrijft, ontrolt zich voor de lezer als het schilderij van Salvatierra. Gloedvol, weemoedig en duister tegelijk.

    De verteller Miguel is iets te nadrukkelijk aanwezig. De schrijver heeft nogal eens de neiging de emoties en gedachten van de hoofdpersoon voor de lezer in te vullen. Ook de dialogen zijn soms wat houterig. Een kleine smet op een poëtisch en bijzonder verhaal. Het verdwenen jaar van Salvatierra is een boek om op een warme zomermiddag in één keer uit te lezen. Dan komt deze stream of consciousness het beste tot zijn recht.

     

  • Nooit helemaal gelijkwaardig

    Nooit helemaal gelijkwaardig

    ‘… en nauwelijks stonden de twee zussen bij ons in de wasserij, (…) of ik had het gevoel dat de ramen van onze wasserij wijd openstonden (…)’ .

    Dat verfrissende gevoel heb je ook als je Duiven vliegen op leest. Zo fris, licht en sprankelend is het geschreven.

    De zinnen van Nadj Abonji zijn lang. Heel lang soms. Maar dat hindert niet. Sterker nog, het is één bruisende stroom van gedachten, feiten, historische gegevens en familieverhalen die zo natuurlijk met elkaar verbonden worden dat je niet anders wilt dan doorlezen. Of opnieuw beginnen als je het boek uit hebt.
    Wat Nadj Abonji vertelt in Duiven vliegen op is ook de moeite waard. Ze vertelt over de Hongaars-Servische familie Kocsis, over hun inburgering in een nieuw vaderland, over de oorlog in hun eigen land en over de familieleden die daar zijn achtergebleven.

    Met niet meer dan een koffer komt Miklos Kocsis in 1970 in Zwitserland aan. Later volgt ook zijn vrouw Rósza. Hun dochters, Ildikó en Nomi blijven onder de hoede van hun grootmoeder achter in Vojvodina, een Hongaars-Servische provincie in het voormalige Joegoslavië. Het duurt nog ‘drie jaar, tien maanden, twaalf dagen voordat de inreisvergunning voor de kinderen er eindelijk was’.

    Miklos en Rósza werken keihard, slikken veel en blijven doorgaan. Allemaal voor een beter leven voor hun dochters. Het buffelen wordt beloond: ze halen hun inburgeringscursus, krijgen het Zwitserse staatsburgerschap en zijn trots als ze café-restaurant Mondial mogen overnemen. ‘Mogen’ overnemen, zo voelen zij dat. Dat gevoel blijft manifest in hun houding. Dankbaar, dienstbaar en toch nooit helemaal gelijkwaardig. Dat is precies waar Ildikó uiteindelijk zó van baalt, dat ze een drastisch besluit neemt.

    Ildikó, of Idli zoals ze meestal genoemd wordt, is de verteller in het verhaal. Ze is dertien als ze in Zwitserland aankomt. Later geeft zij haar universitaire studie (tijdelijk) op om samen met haar zusje mee te werken in het Mondial. Via haar maken we kennis met de familie in Vojvodina bij wie ze voordat de Balkanoorlog uitbreekt, nog regelmatig op bezoek gaan. De beschrijvingen van die bezoeken zijn een feest om te lezen en passen naadloos in de Oost-Europese verteltraditie. Nadj Abonji’s stijl versterkt dat genot alleen maar.

    Als de Balkanoorlog eenmaal is uitgebroken, is het afgelopen met de familiebezoeken en is er uiteindelijk helemaal geen contact meer mogelijk met de achtergebleven familieleden. In het Mondial gaat het leven door. Op de achtergrond is die oorlog echter steeds aanwezig. De oorlog verdeelt niet alleen families en gemeenschappen ter plekke maar bereikt zelfs de keuken van het Mondial, waar twee keukenhulpen plotseling ruzieën over Tuđman en Milosevic.
    De onzekerheid over het lot van de familie is zwaar, niet alleen voor de ouders, maar ook voor de beide zusjes. Idli: ‘Later, op de weinige momenten dat het mogelijk zou zijn geweest om over dit abrupte einde van ons leven zoals we dat tot dusver hadden gekend, te praten, was het altijd onmiddelijk duidelijk dat, wat betreft ons geboorteland, alleen moeder en vader aanspraak op de diepere, pijnlijker gevoelens mochten maken; wat er in die tijd in Nomi of mijzelf omging was van weing of geen belang.’
    Uiteindelijk breekt het haar op om altijd alleen maar rekening te houden met haar ouders en hun houding ten opzichte van het nieuwe vaderland. Ze maakt zich vrij.

    Subtiel maar onmiskenbaar maakt dit boek duidelijk hoeveel mensen moeten slikken als ze hun leven achter zich laten en wat willen bereiken in een nieuw land; en wat dat betekent voor de volgende generatie.

    Duiven vliegen op bevat veel autobiografische elementen. Melinda Nadj Abonji (1968) was zelf vijf jaar toen ze vanuit Vojvodina in Zwitserland aankwam. Haar moedertaal is Hongaars. Voor dit boek ontving zij in 2010 zowel de Duitse als de Zwitserse prijs voor het beste boek van het jaar.

     

  • Vroeger is geweest

    Vroeger is geweest

    Of je nu muziekliefhebber bent of niet: opgroeien gaat altijd gepaard met een muzikale omlijsting. Victor Schiferli beschrijft in zijn debuut Dromen van Schalkwijk de jeugd van het personage Felix Swammerdam, een wat schuchtere jongen die opgroeit in een troosteloze buitenwijk van Haarlem. Schiferli typeert de tijdsgeest aan de hand van muziek. Onder andere Iggy Pop, Tom Petty, John Hiatt en bands met voor de jaren tachtig kenmerkende namen als The Meteors, The Stooges, The Tears, The Teardrop Explodes en The Cure komen terug in het boek. De roman zal bij de generatie die geboren is in de (late) jaren zestig direct herkenning en nostalgische gevoelens oproepen. Bij het vormgeven van het verhaal heeft Schiferli zich laten inspireren door het cassettebandje, een inmiddels bijna vergeten voorwerp. Het boek is opgedeeld in een kant één en kant twee, allebei voorzien van een aantal ‘tracks’ die de titels van de hoofdstukken vormen.

    De manier waarop Victor Schiferli zijn debuutroman heeft vormgegeven onthult iets van de achtergrond van de auteur. Schiferli is naast schrijver ook muzikant, dichter en redacteur en speelde in de vroege jaren negentig van de vorige eeuw in de band Girlfriend Misery, waarmee hij met name in Spanje successen heeft behaald. Zijn eerste dichtbundel, Aan een open raam (2000), werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en ook Toespraak in een struik (2008) was kanshebber voor een belangrijke poëzieprijs. In Dromen van Schalkwijk brengt Schiferli een ode aan de muziek, hij laat een tijdperk herleven en verzuimt gelukkig niet dit retrospectieve relaas te voorzien van een gezonde dosis ironie.

    Als je stoer wilde zijn in de jaren tachtig, dan luisterde je naar punk en new wave. Felix Swammerdam doet dat ook, hoewel hij op zijn slaapkamer stiekem wegdroomt bij Neil Young, gadegeslagen door een papieren Elvis Costello. Felix sluit vriendschap met een paar leeftijdgenoten die een band hebben opgericht, genaamd New Dark Age. Hij bezit zelf geen muzikaal talent, maar raakt als ’manager’ verzeild in een wereld vol cynische songteksten, beautiful losers, springende gitaarsnaren, wiet en bier. De puberale uitspattingen zijn een welkome afwisseling op de gespannen thuissituatie van Felix. Zijn ouders zijn al een tijd gescheiden, de moeder is hertrouwd met een conservatieve, haatdragende man die het verleden en de daarbij behorende mensen (zijn ex-vrouw en de vader van Felix) het liefst zou laten verdwijnen. De jongen weet zich staande te houden door zich terug te trekken op zijn kamer, die zich bevindt op een etage van één van de talrijke, asgrauwe flats die Schalwijk rijk is. Vader Swammerdam, een vrijzinnige fotograaf die sinds zijn mislukte huwelijk vele vrouwen heeft verlaten, bezoekt zijn zoon regelmatig, maar van een hechte band is geen sprake.

    Eén van de ergste beledigingen die je als ‘authentieke underdog’ naar je hoofd geslingerd kon krijgen, bestond uit het woord cliché. Helaas is Felix erg chlichématig. Aan het einde van de roman wordt hem dat gezegd door een leeftijdgenoot, maar voor de lezer was het al lang duidelijk. Zo verstaat het hoofdpersonage de kunst om met onuitsprekelijk alleszeggende woorden eigenlijk niets te zeggen: ‘De allesoverheersende wil tot het realiseren van een ondenkbaar verlangen. Herinneringen aan rusteloze avonden en nutteloze nachten. De wetenschap te hopen op het onmogelijke, het najagen van onbestaanbare idealen, ijdele verlangens. En ondanks die wetenschap vasthouden aan wat je weet dat onmogelijk is.’ Het object van het ‘ondenkbare verlangen’ is Charlotte, het meisje waarop Felix verliefd is. ‘Sinds ik haar voor het eerst zag, was ik verloren.’ Het is niet verbazingwekkend dat het meisje weinig onder de indruk is van haar bewonderaar.

    Dat het in de roman gaat om dromen, herinneringen, maakt Schiferli duidelijk aan de hand van zijn minimalistische benadering. De personages blijven vlak, psychologisering is onnodig. Aan de hand van de muziek, de omgeving en gebeurtenissen krijgt de lezer een indruk van de jeugd van Felix, zonder dat er wordt ingegaan op innerlijke motivaties. Het taalgebruik is eenvoudig, recht door zee, hoewel de poëtische kant van de auteur zich af en toe manifesteert: ‘De muziek is bijna afgelopen. We leven in de uitloopgroef van de geschiedenis.’ In sommige gevallen wordt de lezer enigszins onderschat en legt Schiferli te veel uit. Zo beschrijft Felix één van zijn vaders vriendinnen als ‘een onopvallend type dat zelf zei dat ze weinig aandacht nodig had, alsof het een vetplantje was dat bijna geen water hoefde. Je vroeg je af of ze het echt meende.’ Door de laatste zin wordt het cynisme onderuit gehaald met een knullige constatering. Dat zegt wellicht iets over het personage, maar het verwijdert tegelijkertijd de welkome scherpe randjes van de tekst.

    In Dromen van Schalkwijk schuurt er iets, ondanks de nostalgie en het jeugdsentiment. De muziek komt ongeschonden uit de puberale strijd, maar jongensdromen over een flitsend leven als authentiek kunstenaar lossen langzaam op. De idealen van de jonge bandleden van New Dark Age imploderen, vriendschappen verwateren. De onaantastbare status van David, frontman van de band en de personificatie van de kritische, grensverleggende en brutale tijdsgeest, brokkelt langzamerhand af. Grote plannen hebben is prima, maar ze moeten wel haalbaar zijn. Tijdens een optreden kun je het publiek uitdagen, maar je moet het niet schofferen. Drugs horen erbij, maar bij welke joint ga je over de schreef? Felix, de kleurloze, richt zijn blik uiteindelijk op de sterren. Beter omhoog kijken dan omlaag, want vroeger is geweest.

     

  • Van kritische distantie tot doorvoelde blik

    Van kritische distantie tot doorvoelde blik

    Twee beginnende filosofen, promoverend en docerend aan de Vrije Universiteit, gingen in gesprek met tien filosofen van naam over de vraag wat dat nou eigenlijk is: filosoferen. Het leidde tot een boek met interviews, waaruit de interviewers zichzelf hebben weggeschreven. Tien maal een monoloog, hier en daar onderbroken door tussenkopjes als ‘Wetenschappen kritisch bevragen’ en ‘De charme van formeel denken.’ Een tikkie braaf wel. En ook de interviews zelf zijn vrij van orakeltaal en al te bevlogen betogen. En – denk je na lezing, dat is maar goed ook.

    Filosoferen, zo blijkt uit de interviews, is inderdaad een ambacht. Althans: een beroep met evident ambachtelijke kanten. Bronnenonderzoek, analyse, argumentatie, logica, reflectie en formuleren, zonder dat wordt het geen filosofie. Zorgvuldigheid en grondigheid komen in vele varianten aan bod, evenals grondige kennis van de filosofische traditie. En dan moet je je betoog nog eens zo formuleren dat het vatbaar is voor discussie. Een filosofische variant van ‘je kwetsbaar opstellen’. En alvorens je tanden in het betoog van een ander te zetten, moet je dat eerst echt zien te begrijpen: alle kritische oordeel opschorten en proberen ‘de argumenten van de ander eerst zo sterk mogelijk te maken.’Weinig spectaculair, ben je geneigd te denken. Maar door alle parallellen in de verhalen van deze uiteenlopende denkers, begint zich ook iets van een paradigma van de polderfilosofie af te tekenen. Geen hoogvliegerij, maar kritische bezonnenheid en openheid. ‘Filosofie is openheid in praktijk brengen’, zegt Heinz Kimmerle. Herman Philipse zegt: ‘Grondigheid, helderheid en openheid zijn essentiële voorwaarden voor een filosoof om in discussie te gaan en iemand eerlijk te ontmoeten in een gesprek.’ In allerlei varianten speelt deze gedachte door de bundel. Je eindeloos afvragen wat het betekent dat een woord ‘betekenis’ heeft (René van Woudenberg), of alles lezen van Heidegger en zijn bronnen – tot de oude Grieken aan toe – voordat je hem fileert. Stapels boeken lezen over geweld, om zoveel mogelijk meningen daarover tot hun recht te laten komen voordat je er zelf iets over beweert. En zelfs – het is even schrikken – de deur uit en de maatschappij in, om bij voorbeeld een winkelier in afluisterapparaten te interviewen voor een studie over liegen (Stine Jensen).

    Tegen jezelf in denken
    Bij zo´n dienstbare houding passen geen grote woorden. Een filosoof denkt niet maar een potje in het wilde weg, voortgedreven door de wens het wereldraadsel op te lossen, of de zin van het bestaan te formuleren. Een filosoof bestudeert de klassieken, schort zijn oordeel op, wacht tot hij/zij iets heeft doorgrond, en begint dan logisch redenerend en zorgvuldig formulerend aan zijn betoog te spinnen. Als het goed is gaat dat dan wel over zaken die ertoe doen: de westerse vrijheid, de dood van God, levensbeëindiging van de mens, het wezen van het geweld en het onbehagen in de cultuur, om er een paar te noemen. Maar ook over drogredenen in praktisch redeneren, over modale logica, over het waarheidsbegrip in Afrikaanse filosofie en over leugenaars.

    Ondanks de stelligheid waarmee ze elkaar of grote voorgangers de maat nemen, heerst bescheidenheid alom. Zo schreef de gelovige René van Woudenberg een boekje waarin hij aantoonde ‘dat er geen goede bezwaren zijn aan te voeren tegen het Christendom, of tegen het theïsme, uitgaande van bepaalde stellingen over het bestaan van kwaad in de wereld, of het bestaan van toeval in de wereld.’ De omzichtigheid van de formulering is tekenend voor de bescheidenheid van de man. Hij zou het mooier vinden als hij ‘positieve argumenten’ zou kunnen geven voor het bestaan van God, ‘maar zover ben ik tot op heden niet gekomen’.

    En ‘filosoof des vaderlands’ Hans Achterhuis, die het kapitalisme ontmaskerde als utopie en het geweld op de snijtafel legde in zijn volumineuze Met alle geweld, stelt: ‘In vergelijking met vroeger ben ik als filosoof veel bescheidener geworden.’ ‘Tegen jezelf in denken’, en ‘je terugbuigen over je eigen veronderstellingen’ zijn de termen die hij gebruikt om zijn tastende en toetsende werkwijze te karakteriseren. Afshin Ellian zegt zelfs: ‘Tegenwoordig ben ik steeds meer geneigd om te denken dat ik weinig voorstel.’ Dat weerhoudt hem er niet van om in zijn NRC-columns, maar ook in dit interview stevige stellingen te poneren, zoals ‘Met de uitspraak dat filosofie een westerse uitvinding is, bedoel ik dat de Chinese, Berberse of Marokkaanse filosofie niet bestaat.’

    Schuld en onbehagen
    De meerwaarde van de schoolse aanpak – dezelfde reeks vragen voorleggen aan alle gesprekspartners – leidt ertoe dat de heren en dames filosofen als het ware met elkaar in gesprek gaan. Indirect, maar toch. Er tekenen zich bepaalde patronen af. Een soort beroepsethiek, die cirkelt rond woorden als kritisch, open en zorgvuldig. En ondanks alle distantie en bescheidenheid ook: engagement. Ze schrijven pamfletten en columns (tegen de islam, voor atheïsme, tegen utopieën, voor euthanasie, tegen het vrouwelijke schoonheidsideaal), vertonen zich op tv, zijn oprichter van Beter Onderwijs Nederland (Ad Verbrugge) of lid van de Eerste Kamer (Heleen Dupuis). Zowel hun engagement als hun passie voor beschouwing en analyse is vaak terug te voeren op ervaringen in hun jeugd: het puberale onbehagen van Verbrugge, de vluchtelingenstatus van Ellian, de fascinatie voor schuld bij Kimmerle (die als Duitse jongeling de Tweede Wereldoorlog probeerde te verwerken). Heleen Dupuis maakte mee dat haar vader (huisarts) een 16-jarige patiënte zag sterven doordat ze bij zichzelf had geprobeerd een abortus op te wekken. En bij Stine Jensen was het de verbijstering over de oppervlakkigheid van haar talenstudie, die haar richting filosofie dreef.

    Wie wil weten wat alle gefilosofeer oplevert moet de publicaties van de geïnterviewden zelf lezen. Of desnoods hun columns. Maar dit boek geeft enig zicht op wat ze beweegt en hoe ze te werk gaan. Je zou willen dat alle opiniepapegaaien in politiek en journalistiek het zouden lezen, en dan zorgvuldig en met ‘een open grondhouding’.

     

     

  • Hölderin: ongekend modern en prachtig

    Hölderin: ongekend modern en prachtig

    In 1941 maakten de nazi’s een propagandafilm waarin het gedicht ‘De dood voor het vaderland’ van de Duitse romantische dichter Frederich Hölderlin (1770-1843) een hoofdrol speelt. Opmerkelijk genoeg verscheen er twee jaar later in Londen de bundel Poems of Hölderlin, vertaald door een Duitse jood wiens familie een aantal jaren geleden uit Duitsland was gevlucht. Zowel de nazi’s als hun slachtoffers en vijanden konden tijdens de oorlog blijkbaar grote waardering opbrengen voor dezelfde dichter. Hoe is dat mogelijk?

    Misschien kan het antwoord bij de dichter zelf gevonden worden. In het gedicht ‘Patmos’ (1802) schreef Hölderlin:

    ‘Nabij is
    en moeilijk te vatten de god.
    Waar echter gevaar is, groeit
    het reddende ook.’

    De regels bevatten, zoals veel van Hölderlins gedichten, tegenstellingen; de god is nabij maar moeilijk te vatten, het gevaar groeit maar het reddende ook. Dat zowel nazi’s als joden zijn poëzie tijdens de oorlog met bewondering lazen is een tegenstelling die je alleen te boven kunt komen door de gedichten te gaan lezen.

    Een andere tegenstelling. Die zelfde regels uit ‘Patmos’ werden in 1953 geciteerd op de eerste bladzijde van Van de afgrond en de luchtmens, de vierde dichtbundel van Lucebert. Hoe kan het dat de experimentele dichter Lucebert, die teksten schreef als ‘de minister president is een kanon/ piep piep piep piep’ zich aangetrokken voelde tot het werk van een dichter die zich in zijn poëzie strak hield aan klassieke vormen en zich voortdurend liet leiden door een ideaal dat hij in het oude Griekenland gevonden meende te hebben?

    Vandaag de dag wordt Hölderlin zonder aarzeling de grootste romantische, Duitse dichter genoemd. Maar tijdens zijn leven was Hölderlins literaire roem beperkt tot een paar liefhebbers, en marginaal in vergelijking met dat van beroemdheden als Goethe en Schiller. Na zijn dood werd zijn werk helemaal niet meer gelezen om in de beginjaren van de twintigste eeuw herontdekt te worden. In de jaren daarna groeide de bekendheid van het werk snel en meenden sommigen in Hölderlin een profeet te hebben ontdekt.

    Wat maakt deze Duitse dichter zo geschikt voor de twintigste en de eenentwintigste eeuw? Op het eerste gezicht helemaal niet zo veel. Wie de gedichten oppervlakkig leest, ziet juist allerlei kenmerken van romantiek en classicisme, typerend voor veel achttiende-eeuwse literatuur. Eerst even kort over de romantiek. Gevoelsuitbarstingen, tranen, bergen, dalen en groene weiden, zelfs herten kom je tegen in de poëzie van Hölderlin. Veel gedichten ademen een grote liefde voor de natuur die veel meer is dan een landschap waar je in kunt wandelen. Natuur is bij Hölderlin een levensbrengende kracht die, zoals bomen naar het licht groeien, opstijgt tot de goddelijke hemel. Wat het classicisme betreft,  Hölderlins gedichten zijn vaak gebaseerd op klassieke vormen, zoals de elegie, de ode en de hymne. Maar er is veel meer oud Grieks te vinden in zijn werk.

    Hölderlin kun je zonder meer een filhelleen, een bijna obsessieve bewonderaar van de antieke Grieken, noemen. Bijna alles wat goed en mooi was, had zijn voorbeeld in het land van Plato en Pericles. Aan het eind van de achttiende eeuw ging er een golf van filhellenisme over Europa. Het oude Griekenland kwam in de mode en werd een voorbeeld voor bijna alles. Er werd gedicht zoals de oude Grieken het deden, er werd geschilderd als de oude Grieken en er werd muziek gemaakt als de oude Grieken. Dat er geen Griekse schilderingen zijn overgeleverd en geen oude Griekse noot bewaard is gebleven, mocht de pret niet drukken.

    Aanstichter van deze enorme, overweldigende belangstelling voor de oudheid was Joachim Winckelmann (1717-1768) geweest, die een generatie eerder de antieke Griekse kunst systematisch en met veel bewondering had beschreven. Winckelmanns beroemd geworden woorden ‘nobele eenvoud en stille grandeur’ vatten kort samen welke eigenschappen de Griekse beelden zo uniek maakten. Het was een beschrijving van een kunst waarin emotie en temperament zichtbaar zijn, maar beteugeld worden door vormen die in een perfecte verhouding staan.

    Hölderlins generatie kreeg langzamerhand een beetje genoeg van die Griekse mode, die vaak gekunsteld en oppervlakkig aandeed. Steeds vaker zocht men andere vormen in kunst en literatuur. Dat gold niet voor Hölderlin zelf. Zijn werk is doordrenkt met liefde voor de Griekse cultuur en alles behalve oppervlakkig. Net als Winkelmann schoot hij soms door in zijn kijk op het verleden. Het oude Griekenland was voor beiden niet anders dan een utopie, een voorbeeld dat de weg wees naar een nieuw Duits, maar vooral een persoonlijk ideaal. (Zowel Winckelmann als Hölderlin heeft Griekenland overigens nooit bezocht.)

    Maar in tegenstelling tot wat je zou verwachten, leidt de combinatie van levendige romantiek en nobel classicisme bij Hölderlin tot iets wat helemaal niet zo kenmerkend is voor de achttiende eeuw. Waar je bij Goethe je bij vlagen kunt ergeren aan muffe of belerende zinnen, uitdrukkelijk bedoeld ter lering en vermaak, daar verbaast Hölderlin met zijn kracht en kijk op het leven. Het classicisme is bij hem geen benauwende, opgelegde eis tot imitatie van stoffig oude Grieken, maar komt voort uit een oprecht, doorleefd enthousiasme voor een prachtige cultuur. Het was ook niet zijn bedoeling, zoals veel van zijn tijdgenoten, de Grieken na te doen of te kopiëren. Voor Hölderlin bood de antieke samenleving een houvast, een inspirerend voorbeeld om te komen tot een leven dat in allerlei opzichten meer in evenwicht was. De zoektocht naar een geestelijk, bijna religieus evenwicht maakt Hölderlins werk aantrekkelijk voor de moderne lezer.

    Lees bijvoorbeeld het gedicht ‘Brood en Wijn’. In de strofe die ik hieronder citeer, wordt de Griekse wereld bezongen en wordt het betreurd dat de cultuur ten onder is gegaan. Maar opmerkelijk genoeg is het vooral een religieus, geestelijk gemis dat onder woorden wordt gebracht.

    ‘Zalig Griekenland! o gij huis aller hemelse goden,
    is het dan waar wat wij eens, jong reeds, hebben gehoord?
    Feestlijke zaal! de zee als een vloer en als tafels de bergen,
    waarlijk tot heilig gebruik voor alle tijden gebouwd!
    Maar de tronen, waar zijn ze? de tempels en heilige vaten,
    waar het van nectar vervuld, goden-verheugend gezang?
    Waar, waar lichten ze dan, de eenmaal ver-treffende spreuken?
    Delphi sluimert en waar spreekt nog der hemelsen wil?
    Waar stort het lot, onverhoeds, vol altegenwoordige vreugde,
    dondrend uit heldere lucht, over de ogen zich uit?’

    Het gemis van het oude Griekenland zegt bij Hölderlin altijd meer over zijn tijd (en de onze) dan over het verleden. Zoals hier, in het zelfde gedicht:

    ‘Vriend! maar wij komen te laat. Want weliswaar leven de goden,
    echter boven ons hoofd, hoog in een ander domein.
    Eindeloos werken zij daar, maar het is alsof ‘t hun niet aanging,
    dat wij leven, zozeer sparen de hemelsen ons.
    Immers niet altijd vermag een breekbaar vat hen te vatten,
    zelden helaas kan de mens godlijke overvloed aan.’

    Hölderlin is een schrijver van wie je al gauw alles wilt lezen: de gedichten, de bijna hallucinerende roman Hyperion, zijn onafgemaakt treurspel De dood van Empedocles en niet te vergeten zijn brieven. Wie dat alles leest, krijgt een beschrijving van het leven van de dichter, in na- en voorwoorden, er gratis bij. En leven en werk blijken bij Hölderlin bijna naadloos in elkaar over te gaan, al moet je bij dat soort uitspraken natuurlijk voorzichtig zijn.

    Twee gebeurtenissen in zijn leven zijn van grote invloed op zijn werk geweest. De eerste is de intense, onmogelijke liefde voor Susette Gontard, de vrouw van het gezin waar hij huisleraar was. Zijn liefde wordt beantwoord maar niet lang daarna ook ontdekt door Susettes echtgenoot. Hölderlin neemt ontslag en de relatie is ten einde. Zijn liefde voor Susette is van een bijna ongezonde hevigheid geweest en het afscheid viel hem dan ook buitengewoon zwaar. In zijn gedichten en zijn roman Hyperion, die in die tijd verschijnt, noemt hij Susette Diotima, naar de priesteres uit Plato’s Symposion die Socrates de betekenis van de liefde had uitgelegd. Susette overlijdt niet veel later aan TBC en dat brengt ons bij de tweede belangrijke gebeurtenis in Hölderlins leven: perioden van verwardheid, waanzin of, zoals de Duisters zeggen narrheit.

    Hij krijgt last van woedeaanvallen, beleeft momenten van intense verwardheid en wordt enige tijd opgenomen in een kliniek. Een vriend helpt hem, verzorgt hem en geeft hem onderdak op een plek die nu bekend staat als de toren van Hölderlin, in Tübingen. Daar leeft de dichter teruggetrokken, af en toe nog dichtend, tot het einde van zijn leven, 1843.

    De verwarde dichter die zich eenzaam terugtrok in een toren is een romantisch beeld dat nog steeds tot de verbeelding spreekt. Kester Freriks, momenteel Hölderlins grootste pleitbezorger in Nederland, schreef er een roman over.

    De waanzin klinkt af en toe ook door in Hölderlins gedichten en dat leidt voor moderne en postmoderne lezers tot prachtige poëzie. (Tijdgenoten hadden er aanzienlijk meer moeite mee.) Lees het gedicht ‘In liefelijk blauw’ met daarin de prachtige regels:

    ‘Zou ik een komeet willen zijn? Ik denk het wel,
    want zij hebben de snelheid van vogels,
    zij bloeien van vuur en zij zijn
    als kindren zo rein. Iets groters
    te wensen kan niet’

    Ook het gedicht ‘Patmos’, waaruit Lucebert citeerde in Van de afgrond en de luchtmens, is door een vleug waanzin, ongekend modern en prachtig:

    ‘O geef ons vleugels om trouw van zin
    over te vliegen en weder te keren’

    Het is niet zo verwonderlijk dat de moderne tijd Hölderlin weer ontdekt heeft en koestert als een groot dichter. De intensiteit van bijna al zijn werk is groot en het beeld van een in de liefde teleurgestelde, door waanzin geplaagde dichter die zich terugtrekt in een toren is voor velen onweerstaanbaar gebleken. Maar er is veel meer in Hölderlin dat de aandacht trekt. Teveel om hier even samen te vatten. Zijn werk lijkt met het ene been in de achttiende en het andere in de twintigste eeuw te staan. Hoe dat kan, blijft een literair wonder.

    Zoals hierboven gezegd, voor sommigen is het werk aanleiding geweest om hem tot profeet uit te roepen. Misschien dacht Lucebert wel aan Hölderlin toen hij zijn gedicht ‘De verjaarde profeet’ schreef:

    ‘je was zwart je was een voorzeggende echo
    en je hing aan de bergen je ging door de dalen
    geduldig je sprak van de lucht van de afgrond’

    Het zou zo maar kunnen.

     

     

  • Als de hele wereld je nauwlettend in de gaten houdt

    Als de hele wereld je nauwlettend in de gaten houdt

    Kantor is een correspondent in Washington en al jarenlang geïntrigeerd door het leven van de Obama’s. Zij heeft meer dan vijf jaar onderzoek gedaan naar het leven van de Obama’s voordat ze het boek schreef. In Barack en Michelle, het openbare huwelijk van de Obama’s wordt de politiek gelaten voor wat ze is. In dit boek geen politieke beschouwingen, geen kritiek of lofzangen over Obama’s optreden of over de bedenkingen die de Amerikanen tegen hem of zijn manier van regeren hebben. Kantor heeft er in dit boek voor gekozen om het leven van de Obama’s te belichten vanuit een andere hoek: hun huwelijk. In welke mate is hun huwelijk veranderd in de afgelopen vier jaar? Is het wat ze ervan verwacht hadden? Tegen wat voor dingen loop je aan in je liefdesleven als je president bent? Hoe gaat Baracks vrouw Michelle om met al deze veranderingen? Het moet niet gemakkelijk zijn om je huwelijksleven nog privé te houden, als iedereen op de wereld je nauwlettend in de gaten houdt. Geen woord of stap gaat immers onopgemerkt.

    De schrijfster van het boek probeert een antwoord te geven op al deze vragen. Ze beschrijft het huwelijk van de Obama’s in een chronologische volgorde, vanaf de dag dat Obama president wordt tot nu, met af en toe flashbacks naar de tijd voordat Barack president werd.

    Door de chronologische volgorde is het boek overzichtelijk opgebouwd. Ook de hoofdstukken zijn duidelijk afgebakend en omvatten steeds twee maanden uit het leven van de Obama’s.

    Helaas weet Kantor met het verhaal geen vaart te maken en zo krijgt ze de lezer niet achter zich. Het verhaal is niet pakkend, wellicht omdat de samenhang tussen de verschillende hoofdstukken behalve de chronologie in de tijd, niet duidelijk is. Waarom heeft Kantor bijvoorbeeld gekozen om steeds twee maanden te beschrijven in een hoofdstuk, en zorgt het begin van het ene nieuwe hoofdstuk wel, maar het andere hoofdstuk niet voor een verandering van het plot?

    Het siert Kantor dat ze eens een andere kant heeft willen belichten van het leven van de Obama’s, het is interessant om te zien wat voor invloed de politiek op iemands huwelijksleven kan hebben. We lezen bijvoorbeeld over de twijfels die Michelle had bij de politieke stappen die Barack maakte. Ook de foto’s achter in het boek zijn een waardevolle toevoeging bij de tekst, omdat dit portretten zijn van Obama buiten zijn politieke rol.

    Maar toch blijft ze met het verhaal een beetje op de achtergrond, het blijft te oppervlakkig, de manier van beschrijven lokt geen emotie uit en dat is een groot gemis van het boek. Misschien is Kantor bewust aan de oppervlakte gebleven met het verhaal omdat ze het boek niet een te hoog ‘sentiment’ gehalte wilden geven. Indien ze de gevoelens op een meer dramatische wijze had beschreven was het boek wellicht te subjectief geworden, en dat wilde ze voorkomen. Maar nu is het net alsof je een boek leest dat geschreven is door iemand die op de hoek van de straat een familie staat te observeren en alles wat ze ziet en merkt noteert en verder niet becommentarieert. De journalist in Kantor komt hierbij te zeer naar boven, het ligt er te dik bovenop dat het boek vooral niet subjectief mag zijn.

    Bovendien is het maar de vraag hoe objectief Kantor nu eigenlijk is, dus of ze er wel in is geslaagd om neutraal te blijven in het boek. Uit alles blijkt dat ze graag een neutrale voorstelling van zaken wil geven (dit beschrijft ze onder andere in het nawoord). Ze heeft ongetwijfeld veel onderzoek gedaan voor het schrijven van dit boek, en ze beschrijft ook dat ze honderden mensen heeft geïnterviewd voor het boek, ook medewerkers van het Witte Huis. Ze heeft ook Barack en Michelle zelf geïnterviewd over hun huwelijk. De informatie die ze heeft verkregen uit de interviews heeft ze naar eigen zeggen altijd gecheckt bij anderen. Ze wilde per sé mensen spreken van meerdere ‘kampen’, voor- en tegenstanders, omdat ze zich ervan bewust was dat het anders nogal subjectief zou zijn. Maar toch kreeg ze in een interview naar aanleiding van dit boek al kritiek dat er ‘teveel van horen zeggen’ in het boek staat. Ze had misschien nog zekerder van haar zaak moeten zijn. Overigens was Michelle ook niet zo blij met de manier waarop ze geportretteerd werd: als een boze zwarte vrouw die verbitterd is en niet blij is met wat haar man doet.

    Jammer dus van de misschien te geforceerde poging om maar zo objectief mogelijk te zijn, het verhaal mist daardoor diepgang en is alsnog te zien als een subjectieve voorstelling van de zaken.

     

     

  • Research voor een roman die nog geschreven moet worden

    Research voor een roman die nog geschreven moet worden

    ‘Straks is ze dood en kan niemand het meer navertellen. Niemand die nog zou weten dat het nog maar veertig jaar geleden is dat meisjes zuchtten onder de dwang van de maatschappij, die voorschreef hoe zij moesten denken. En vooral ook van de dominee, die hen opzadelde met een eeuwig schuldgevoel. Niemand die nog zou weten dat je voortdurend bang was om zwanger te raken. [..] Niemand. Behalve zij.’ Aldus Franny in Vriendinnen van vroeger, vrouwen van nu, alias van Rudi Wester (1943), voormalig directeur van het Literair Nederlands Productie- en Vertalingenfonds en van het Institut Néerlandais in Parijs.

    Franny wil daarom een boek schrijven ‘over hun unieke vriendschap, over hun verleden en heden over een tijdsbeeld van vrouwen tout court’ en daarvoor heeft zij haar  vriendinnen uitgenodigd voor een weekend in een Twents landhuis: een makelaar, hoogleraar, huisvrouw, oprichtster van een modellenbureau en zijzelf is directeur van een museum voor moderne kunst. Ze hebben elkaar leren kennen op het studentendispuut van de Vereniging voor Vrouwelijke Studenten aan de Vrije Universiteit. Nu, 40 jaar later, halen ze herinneringen met elkaar op over die bijzondere tijd in de jaren zestig.

    In deze debuutroman van Rudi Wester volgen we de vriendinnen van vrijdagmiddag tot zondagavond. Ieder hoofdstuk is een dagdeel. Tussen het praten door maken ze een wandeling, zijn ze aan het eten of drinken ze een glas wijn. De meeste passages van de roman bestaan uit de gesprekken tussen de vriendinnen.

    Die gesprekken verlopen keurig thematisch: bij het diner de rol van godsdienst (ze komen alle vijf uit een gereformeerd nest), tijdens het ontbijt het studentenleven en op zaterdagavond seks. Soms heeft het iets weg van een geschiedenisles over de jaren zestig: ontgroening, de Provo’s, Dolle Mina’s, Baghwan, de pil (alleen beschikbaar voor getrouwde vrouwen) en het dubbeltje van Abraham Kuyper voor de instandhouding van de – gereformeerde – Vrije Universiteit.

    Het verhaal en de gesprekken worden onderbroken door overpeinzingen over vriendschap, zoals  ‘Bij vriendinnen heb je gradaties. Je hebt hartsvriendinnen, goede vriendinnen en gewone vriendinnen. Wij zijn buitengewone vriendinnen, want we weten eigenlijk niets van elkaar.’

    Van een plot is niet echt sprake, maar via een alwetende verteller wordt op verschillende momenten spanning opgeroepen. De verteller voorspelt bijvoorbeeld dat het weekend ‘totaal anders’ zal verlopen dan Franny denkt. Ook Franny zelf  heeft regelmatig voorgevoelens dat dit weekend schadelijk kan zijn voor de vriendschap. Die spanning wordt niet waargemaakt. De climax is een ruzie van paar regels over pensioen: misschien origineel, maar wel een anticlimax.

    Rudi Wester heeft in interviews aangegeven dat ze oorspronkelijk een non-fictieboek wilde schrijven. Omdat een van de vriendinnen uiteindelijk tegen publicatie was, heeft Wester het boek gefictionaliseerd en er een roman van gemaakt. Daarin is de schrijfster niet ver genoeg gegaan. Zo wordt de lezer regelmatig getrakteerd op informatieve passages met uitleg over de oprichting van de Vrije Universiteit of het ontstaan van de Baghwanbeweging die eerder passen in een non-fictieboek.

    Hoofdpersoon Franny heeft als voorbereiding op dit weekend de roman The Group (1963) van Mary McCarthy aan haar vriendinnen gestuurd, ook een portret van vriendinnen en vrouwenlevens maar dan in de jaren dertig in New York. In deze roman leven we als lezer mee met de vrouwen in een bijzondere tijd, bij Wester luisteren we alleen maar de gesprekken af óver die tijd van vroeger. Vriendinnen van vroeger, vrouwen van nu geeft daardoor de indruk van een gefictionaliseerd verslag van de research voor een roman die nog geschreven moet worden.

     

     

     

     

  • ‘alsof hij de laatste lezer uitbeeldt’

    ‘alsof hij de laatste lezer uitbeeldt’

    Het is niet zo dat alle poëzie de grote waarheden des levens hoeft te bevatten. Soms is het een persoonlijke kreet à la Lodeizen, soms een verhaaltje, soms een opmerking over de kleur van de dakgoot, soms een paar woorden. De bundel Twee vogels één kogel van poëzierecensent Willem Thies hangt een beetje tussen dit alles in.

    In het najaar van 2011 schreef Thies in een recensie van het werk De bloedplek van Paul Demets: ‘Poëzie dient niet ‘alleen maar’ of ‘uitsluitend’ mooi te zijn, maar zij moet wel (of kán) op zijn minst mooi zijn.’ Een gedurfd en niet onomstreden standpunt, getuige ook de vurige polemiek die hiermee werd opgeroepen. Thies pleitte ‘voor een herwaardering van de schoonheid in de (dicht)kunst’, maar hem werd in stevige bewoordingen meegedeeld dat dit een onzinstelling was: dichters als Lucebert, Armando en Ter Balkt zouden eenvoudigweg zoeken naar andere vormen van schoonheid. Laat thans één ding duidelijk zijn: ondergetekende schaart zich volledig aan Thies’ zijde, hoewel zijn stelling lichtelijk moet worden hergeformuleerd: laten we pleiten voor de herwaardering van de gewone, meer traditionele en minder vergezochte schoonheid in de (dicht)kunst. Zeker in deze tijd, waarin het genre van de poëzie het in commercieel opzicht zwaar heeft, is het niet onredelijk om te verlangen naar kunsten (poëzie, proza, beeldende en performatieve kunst) die dichter bij de mensen staan. Waarom zouden we in vakliteratuur blijven verkondigen dat de minimalistische muziek (u kent ’t wel: tien minuten getik op een tafel etc.) de essentie van schoonheid verwoordt, en een dada-foto van een fiets evenzo, terwijl we thuis duizendmaal liever naar Adele luisteren, of naar de Pastorale van Beethoven, en in de woonkamer een fotoreproductie van Tiepolo’s De vier continenten hebben hangen? Zo bezien is dit dus een pleit voor een ‘vereerlijking’ van de schoonheid: schoonheid heeft niets te maken met stromingen of bewegingen, maar is gewoon wat mensen mooi vinden.

    Wie dezelfde opvatting is toegedaan, kan zijn of haar hart ophalen aan Thies’ nieuwste dichtbundel. Twee vogels één kogel is een bundeltje met teksten die over het algemeen zó bescheiden zijn, dat je haast zou verwachten achterin het werk een nederige verontschuldiging voor het lettertype van de paginanummering aan te treffen (dit in tegenstelling tot het merendeel van andere hedendaagse dichtbundels, die in hun gehele wezen schreeuwen: kijk, dit ben ik!).

    De bundel begint met een citaat van Trakl: ‘Stille fand sein Schritt die Stadt am Abend;/ Die dunkle Klage seines Munds:/ Ich will ein Reiter werden.’ Een betere toonzetter is nauwelijks voorstelbaar. Het wordt gevolgd door een los gedicht, ‘Ontwaken’, dat een nieuwsgierig kind introduceert, een kind dat in de rest van de bundel telkenmale weer opduikt en via wiens ogen wij het gepresenteerde alledaagse aanschouwen. De overige gedichten in Twee vogels één kogel zijn over drie reeksen verdeeld: ‘De laatste lezer’, ‘De dag voltrekt zich’ en ‘In de bergen zijn geen delinquenten’. De eerste twee reeksen spelen zich af tegen een stedelijke achtergrond; hun gedichten komen zo nu en dan in de buurt van de ‘stadspoëzie’ van Dennis Gaens. In de laatste reeks echter zijn de gedichten wat ‘natuurlijker’ van aard.

    Kernthema lijkt het handhaven van het (banale) menselijke leven, en dan vooral in de stad: op het ene moment verschilt de mens niet wezenlijk van de hem omringende grijze gebouwen, een andere keer doolt hij vol onbegrip rond. Maar de stad is tenminste van hem – begeeft hij zich in de natuur, dan treedt dit niet-begrijpen haarscherp op de voorgrond, en lijkt de mens wel een verdwaald stukje stad, een flatappartement op twee benen. In het gedicht ‘Strand’ komt dit mooi naar voren: ‘De man klopt zijn broekspijpen blauw/ ontslaat zich van het strand.’

    De auteur toont met dit bundeltje aan te beschikken over een meesterlijk beschrijftalent. Want dat doet hij, beschrijven. Er zijn maar weinig overpeinzingen in te vinden, laat staan gebeurtenissen of dialoog. Hij geeft beschrijvingen, meestentijds vanuit stilstand, en de beelden spreken voor zich. Soms gebeurt dit op originele wijze (‘Aan een tafel bij het raam zit een man over zijn boek gebogen,/ alsof hij de laatste lezer uitbeeldt.’), soms wordt het wat voor- en omzichtig gedaan (‘Als de wind oplaait/ trekken ze zich terug/ in witte huizen,/ landinwaarts.’). En hoewel het beschrevene zo af en toe wat dor en nors is, zijn de gedichten in stilistisch opzicht móói, zoals men het bekende ‘Avond’ van Kloos mooi kan vinden, of de ‘Kinderballade’ van Komrij: het is rustig, bescheiden, bijna verlegen, maar met hier en daar een verrassend cadeautje: ‘Het is rustig in de bergen. De honden blaffen/ alleen naar elkaar. In de lente worden ze gek.’

     

     

  • Dialoog van een huwelijk

    Dialoog van een huwelijk

    Het werk van J.J. Voskuil bestaat uit meer dan vijfduizend pagina’s waarin zijn eigen leven centraal staat. De roman Binnen de huid (voltooid in 1968 en postuum uitgegeven in 2009) gaat over een dieptepunt in zijn leven waarin hij bevangen raakt door een haast vernietigende verliefdheid op de vrouw van zijn vriend. Een semi-autobiografische roman waarin Voskuil voor het eerst de ik-vorm hanteert. Ook de onlangs verschenen roman De buurman valt onder deze categorie.

    In De buurman legt de schrijver getuigenis af – voornamelijk in dialogen – van de ongelijkwaardige vriendschap met het homoseksuele stel Petrus en Peer. Waarbij  het onvermogen zijn vrouw te kunnen volgen in haar blinde gedrevenheid dit stel in hun leven te betrekken, onverbloemd aan de oppervlakte komt. De eerste passage uit het boek geeft een kijkje achter de voordeur van huize Koning wanneer er nog geen vuiltje aan de lucht is. Een kennis- making met Maarten en Nicolien, en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Voor de liefhebbers van Voskuil zal dit een voortzetting van de kennismaking betekenen en voor degene die met De buurman het eerste boek van Voskuil openslaan, een passende introductie.

    Voordat Petrus (60 jr.) in het achterhuis kwam wonen en later Peer (45 jr.) bij hem introk, zat er een groothandelaar in wc-potten. Maarten en Nicolien hebben de man in kwestie nooit ontmoet. Wel hoorde Nicolien hem elke werkdag langskomen als Maarten naar zijn bureau was en zij de afwas deed. Ze hoorde hoe hij over het portaal liep, de negen treden naar het achterhuis beklom, zijn voordeur opende en weer zachtjes achter zich sloot. Ze wist dat het een oude man was. Dat ook kon ze horen.

    Op een dag wordt er gebeld. De oude man staat voor de deur en Maarten nodigt hem binnen waar hij met Nicolien aan de borrel zit en biedt de man er ook een aan. Het is de directeur van het bedrijfje in het achterhuis, die aankondigt te gaan verhuizen. “‘U gaat verhuizen!’ zei ik verrast. Hij knikte. ‘Eind van de maand.’ ‘Dat is jammer.’ ‘Ik vind het ook jammer, maar het kon niet anders.’ ‘Omdat we altijd een goede buurman aan u gehad hebben ’ Ik keek naar Nicolien om een bevestiging. ‘Ja,’ zei ze. ‘En ik aan u,’ zei hij beleefd. Er viel een stilte waarin ik het nieuws verwerkte.”

    Een rustige passage in een verder zeer onrustig boek, waarin de Konings nooit meer zo’n goede buurman zullen treffen. De eigenaardigheden van Nicolien (die het niet verdraagt tegengesproken te worden) en Maarten (die de discussie nooit echt aangaat) ontaarden geregeld, zo niet constant in vlammende ruzies. En deze ruzies worden altijd ‘afgedwongen’ door Nicolien. Zo gauw er derden hun leven binnnentreden, ontstaan de irritaties over elkaar vanzelf. Veel huwelijken kunnen als een mijnenveld beschreven worden waar de echtelieden alles vermijden om de pais en vree niet te verstoren. Echter, zo gauw er derden binnenkomen, verliest men het zicht op de kwetsbare plekken, wordt men roekeloos. Zo ook Maarten Koning die er in gezelschap van alles uitflapt. Met het gevolg dat er in het mijnenveld plofjes ontstaan of heftige uitbarstingen. Uiteraard achter gesloten deuren. Na iedere ontmoeting met de buren uit het achterhuis voelt Nicolien de behoefte elk woord te herkauwen, speurend naar onvolkomendheden. En die zijn er altijd te vinden, waar Maarten dan op wordt afgerekend.

    Hoewel Nicolien aan het begin van het boek roept dat ze toch echt niet hoopt dat er in het leegstaande achterhuis aan de Herengracht waar ze wonen, een echtpaar intrekt, ‘Want ik heb geen zin om hier samen huisvrouwtje te gaan zitten spelen.’ (…) ‘En dan bij elkaar op de koffie of de thee zeker. Ik denk er niet over!’ (…) ‘Wat zou ik dat verschrikkelijk vinden!’ is dat precies wat ze zelf inzet in haar contact met de nieuwe buren. Een kopje thee over en weer, een borrel, koffie en taart op verjaardagen en zelfs samen uit eten en gedeelde vakanties. Nicolien is ervan overtuigd dat homo’s tot de underdogs van de samenleving behoren en daarom haar toewijding verdienen en ook die van Maarten. Maar daar past hij voor. Een vriendschap dus waarin onderling veel getolereerd wordt en waar hun huwelijk flink onder te lijden heeft.

    Maarten doet zijn best maar zijn pogingen zijn tot mislukken gedoemd omdat hij het stel  niet serieus kan nemen. ‘Vanachter gezien leek Petrus nog het meest op een kever: kromme, dunne benen in een te korte, te nauwe zwarte broek, waardoor zijn knieën opvallend uitstaken, daarboven een onbeweeglijke rechthoekige massa in een te groot jack, met daar weer boven dat eigenaardige hoofd met sprieten die stijf vooruitstaken boven de ogen en rond de mond.’ De vriendschap loopt de nodige schade op door nogal wat boute uitspraken van Maarten. Het zal je maar gezegd worden dat de badkamer in het huis van je zus (Peer), waar ze met zijn vieren vakantie vieren, ‘iets weg heeft van een bordeel’.  Maarten is zich van geen kwaad bewust maar het einde van de vriendschap is ingezet.

    Wanneer Petrus en Peer hen ontwijken en er duidelijk iets aan de vriendschap schort, slooft Maarten zich uit in gedienstigheid. Hij neemt de krant voor ze mee en gaat zelfs zo ver dat wanneer Petrus een ei komt lenen en ze die niet in huis hebben, Maarten aanbiedt die te gaan halen in de winkel. En wanneer hij ze op straat tegenkomt, verplicht hij zich met ze op te lopen, al was hij duizend keer liever alleen gebleven. Hij manouvreert zich in situaties waardoor hij zo opgefokt raakt dat zijn gezicht ‘stijf staat’ van de spanning.

    In Binnen de huid is sprake van veel opgekropte, ongecontroleerde woede bij Maarten wat onder andere Nicolien moet ontgelden. Geregeld zegt Maarten ‘erop te willen slaan’. Dat zijn handen trillen van ingehouden woede en hij zo gespannen is dat hij zijn blik niet kan richten op zijn gesprekspartner. In De buurman is het Nicolien die met haar verbale agressie jegens Maarten zichzelf overtreft en hem letterlijk en figuurlijk van alles naar zijn hoofd smijt en hem geregeld de deur wijst.

    Maarten beseft niet dat het Nicolien woedend maakt als hij, om ruzie te vermijden haar naar de mond praat. Ze raakt gefrustreerd door zijn ontwijkende gedrag waarmee hij onbewust hun huwelijk in een immer kabbelende kibbelstand zet. ‘Misschien ben jij ook eigenlijk bang voor ruzie. Ik vind ruzie fijn. Ik zou nog veel scherper willen zijn.’ zei Nicolien al in het begin van hun huwelijk (Uit: Binnen de huid, pag. 59). Maar in een meningsverschil met Maarten over Peer en Petrus eist ze haar territorium op en snoert ze Maarten de mond. ‘Peer en Petrus, is mijn terrein. Daar weet ik alles van af!’ Als Maarten haar waarschuwt dat ze haar kunnen horen, schreeuwt ze: ‘Ze zijn niet thuis! En dan heb jij te luisteren! Dan moet je zeggen: ‘O, zit dat zo? Dat wist ik niet. Dat is interessant. Want zo heb ik het nog nooit gezien.” Dat moet je zeggen.’ Waarna ze opnieuw begint te huilen en het ruziemaken waarvan ze ooit zei te houden, wel een zeer eenzijdig actie is geworden.

    Het werk van Voskuil, waarin minutieus wordt beschreven wat er gezegd wordt, en vooral hoe het gezegd wordt (geknepen mond, hij keek weg, of het onvergetelijke ‘van onder de wenkbrauwen kijken’ in Bij nader inzien) en alledaagse problemen die als gefileerde vis gepresenteerd worden, is gretig weg te lezen. In De buurman is het huwelijk verworden tot een plaats waar Maarten zich niet begrepen voelt en Nicolien onvoorstelbaar eenzaam is. Nog nooit is een huwelijk in de Nederlandse literatuur zo van alle vlees ontdaan en tot op het bot beschreven.

    Maar het is niet alles treurnis in De buurman. Want juist deze wanhopige dialogen werken aanstekelijk op de lachspieren. Ik kon het niet laten verschillende dialogen aan mijn huisgenoot voor te lezen (‘luister!’, of, ‘deze is fantastisch’ of, ‘nee, deze, niet te geloven!’). De uitzichtloosheid van deze dialogen werkt bevrijdend want ohzo herkenbaar. Waarna geconstateerd moet worden dat er zo toch best te leven valt. Daarvan getuigt het lange leven dat Voskuil met zijn Lousje deelde, tot de dood erop volgde. Niet onbelangrijk is de ruimte die Voskuil, dankzij diezelfde Lousje, kreeg om aan zijn oeuvre te werken. Woede is een dankbare aanjager om scheppend werk te verrichten.

     

     

  • Een wereld van overkanters en eilanders

    Een wereld van overkanters en eilanders

    ‘Ik weet niet of ik weer thuiskom.’
    ‘Je bent een visser,’ zegt Geeske, ‘Geen enkele visser weet of hij ’s avonds thuiskomt.’
    (…)
    ‘Ik ben een molenaarszoon.’ 

    Deze drie citaten vormen de synopsis van de debuutroman van Rebekka Bremmer (1977) over het vissersgezin van Johannes Mulder, zijn vrouw Geeske, hun enige dochter Trijntje en hun kleindochter Geesje. In eenvoudige woorden geven zij het drama onder dit huwelijk aan. Deze citaten zijn tevens karakteristiek voor de schrijfstijl van de hele roman. Er wordt meer bedoeld dan er concreet staat. In woorden wordt er weinig gezegd. Men praat in simpele taal over alledaagse dingen, maar de lezer deelt ook de gedachten van de hoofdpersonen en deze zijn interessant, soms zelfs filosofisch en verrassend ‘modern’. Een slimme manier van Bremmer om de lezer nieuwsgierig te maken en vast te houden.

    Getrouwd met de andere kant

    Johannes is geen visser, hij is geen ‘eilander’, maar een ‘overkanter’. ‘Een molenaar, Geeske. Hij heeft het nog lang volgehouden, (…) maar uiteindelijk kan een molenaar de zee niet bedwingen. Je had er nooit aan moeten beginnen. Hij hoort hier niet.’
    En Geeske heeft zichzelf als ‘eilander’ door dit gemengde huwelijk ook buiten de gemeenschap geplaatst. ‘De vrouwen kijken haar niet aan. Alsof ze vals speelt. Alsof Johannes nooit de zee op had mogen gaan. Omdat hij altijd terugkomt.’ Gelukkig heeft Geeske een grote familie.

    Ze voelt zich daardoor schuldig. Was het een grote fout om een overkanter te trouwen? In gedachten hoort de diepgelovige Geeske de dreigende preken van de dominee die haar angst inboezemen. Ze kent de meeste Bijbelteksten uit het hoofd. Vooral het verhaal van de ongehoorzame vrouw van Lot die in een zoutpilaar verandert, obsedeert haar. Kan dit haar ook overkomen als zij omkijkt? Is zij misschien al bezig in een zoutpilaar te veranderen? Welk deel van je lichaam zou als eerste tot zout worden? (…) Ze kijkt naar haar vingers, de rimpeltjes als barsten in haar hand. (…)’

    Het verhaal van de kinderloze Sara is voor haar een troostrijke obsessie. Sara, de vrouw van Abraham die haar man toestaat om bij haar dienstmaagd Hagar kinderen te
    verwekken, maar die dan zelf toch nog op zeer hoge leeftijd een zoon
    baart! Het is immers, de grote wens van Geeske om nog één keer te baren. Niet alleen is Sara haar voorbeeld, maar ook haar eigen moeder. ‘Tien vingertjes, tien teentjes’, ze heeft dit beeld constant op haar netvlies.

    De leeftijd van Geeske kunnen we slechts schatten. Enkele jaren kinderloosheid, één kind, één kleinkind, het tweede op komst en ze is zelf nog vruchtbaar. Eind 40 ongeveer. Johannes was eerder weduwnaar en nu getrouwd met Geeske. Hij is ouder dan zij.

    Twee werelden

    De naam van het kleine eiland wordt niet genoemd, noch van het dorp aan de overkant waar Johannes geboren werd. Hij komt uit het hoogveenland, er zijn veenplassen, tarwevelden en rijen populieren. De vuurtoren van het eiland staat in Noordhoorn en Jakob de Oude, de vuurtorenwachter, kan aanwijzen waar het vasteland zich bevindt. De postbode peddelt op één dag heen en weer. De vissers die de overkant aan doen om hun vis te slijten, zijn ’s avonds weer thuis. De afstand is dus niet groot maar die tussen de geïsoleerde gemeenschappen daarentegen wel. Overkanters zijn vreemdelingen voor de eilanders. Dat geldt ook voor de roomsen die op het eiland bij elkaar in een nederzetting wonen. Ze horen er niet bij. Het zijn geen vissers. De eilanders kijken op hen neer. Ze zijn goed voor het oogsten van zeegras dat gebruikt wordt voor matrassen, kussens en de dijken!
    Weinig eilanders zijn ooit op het vasteland geweest en voor de meeste overkanters geldt dat zij nog nooit de zee hebben gezien. Via aanwijzingen, een vuurtoren met olielampen, zwavelstokjes in plaats van lucifers, weten we dat het ongeveer eind 19e eeuw is.

    Vierentwintig uur
    Johannes is nu al drie dagen weg. EB beschrijft slechts één dag, vierentwintig uur van wachten, in vierentwintig korte hoofdstukken. Van zonsondergang de derde dag tot aan zonsondergang van de vierde dag. De hoofdstuktitels intrigeren. Accentueren zij de dubbele betekenis van de inhoud? In ‘Onderstroom’ lezen we de moeizame conversatie tussen Geeske en Gezientje. Ze vragen beiden niet wat ze eigenlijk willen weten. In ‘Drift’ volgen we Johannes.

    Geeske en Johannes

    Opvallend is dat Geeske haar verdriet niet uit. Over gevoelens praat men niet. Het lijkt dat ze zich schikt in het lot van een vissersvrouw. Het alledaagse leven gaat door en houdt haar bezig. Ze maakt vissoep, speet haringen, graaft pieren op, gaat naar het kerkhof om te wieden, past op haar kleindochter, enzovoorts. Maar ze heeft alle tijd om te denken. Haar leven komt als een film voorbij. In de bedstee denkt ze vooral aan Johannes. Ze voelt weer zijn liefde en ‘Geeske merkt dat ze haar eigen buik aait….. Ze zucht.’
    Geeske verlangt altijd naar haar man. En als de vissers weer aan wal stappen, ‘altijd snel in de bedstee glipt’ en ‘zich voorstelt hoe dat warme lijf zou voelen, hoe het haar zou omhelzen, en zich afvraagt of hij haar vannacht wakker zou maken of dat hij haar zou laten slapen.’ En wie is Jorrit? Bij een ontmoeting met hem op het kerkhof, lezen we ‘Geeske voelt hoe ze begint te gloeien onder haar onderrokken.’

    Overkanter op het eiland

    Dan verschijnt er plotseling een grote, struise vrouw, Gezientje Bogemaker is een overkanter. Biedt zij de oplossing voor het plotselinge verdwijnen van Johannes? Of komt zij deze juist zoeken…?  ‘Ik had gehoopt dat hij bij u zou zijn.’ lezen we pas op blz. 154 terwijl het eerste hoofdstuk begint met de eerste zeereis van Gezientje in het bootje van de postbode met daarna haar moeizame klim naar het huisje van Geeske, het laatste huisje van de baai. De lezer heeft de achterflap gelezen en is vanaf het begin nieuwsgierig. De eilanders bekijken deze onbekende vrouw met grote ogen en ook Geeske die haar ziet aankomen, vraagt zich af wat zij komt doen. Ze herinnert zich niet haar ooit te hebben gezien. Maar ook de lezer moet wachten, wachten tot het tij keert. Het is eb. Het zal vloed worden en weer eb.

    Bremmer beschrijft in hoofdzaak de vrouwelijke hoofdpersonen. Eb is daardoor een getrouwe kroniek van het leven van de achterblijvende vissersvrouwen in het Nederland van eind 19e eeuw. Wat houdt hen de hele dag bezig?

    Illustratief voor die bezigheden zijn bijvoorbeeld de twee gebreide truien van Johannes. De huwelijkstrui, cadeau van Geeske, met de motieven van het eiland (golven, visgraten en het Godsoog dat alles ziet) en de trui die de ‘moeder’ van Johannes gebreid heeft met de tarwehalmen, graankorrels, korenbloemen en de wieken van de molen. De blauwe sajet werd versterkt met de haren van de breister. Hun initialen ontbraken niet. Als een visser op zee bleef en aanspoelde kon men aan de hand van de motieven op de trui achterhalen waar hij vandaan kwam. Elk dorp, elke streek had zijn eigen motieven. Handig als ID!

    Het tempo van het verhaal is  traag en wordt op een ouderwetse toon verteld. Maar desondanks boeiend met prachtige, duidelijke beelden en metaforen. Van de natuur, het landschap, van de mensen, de vogels. Een prachtige roman, fraai geschreven. Zeker niet saai. Interessant om er met anderen over te praten. Er wordt uitgekeken naar de tweede roman van deze schrijfster.

     

  • Een ode aan alles wat langzaam verdwijnt

    Een ode aan alles wat langzaam verdwijnt

    De bundel Schaduwgrens van Hans van de Waarsenburg opent met de reeks ’Consul’, waarin onmiskenbaar de hoofdpersoon uit Malcolm Lowry’s roman Under the vulcano wordt geportretteerd. Een consul, inderdaad, met eeuwigdurende dorst, die zich voortsleept van delirium naar kater, en hoopt dat zijn geliefde ooit terugkeert en alles goed zal komen. De toon van de bundel is gezet: melancholisch verlangen en hopen, in de zekerheid verloren te hebben. Heel veel vrolijker wordt het niet, maar uiteindelijk triomfeert de taal van de dichter over de treurnis van zijn lot.

    Waterpokken en waaiende wieren
    Ook in de tweede reeks van de bundel wordt de ‘schaduwgrens’ tussen waan en werkelijkheid in beide richtingen overschreden. ´Ik was nog niet wakker´ omvat 11 gedichten waarin een ik-figuur worstelt met het ontwaken uit een deliriumachtige slaap. Een zware kater, luidt de diagnose: veel snot, koppijn en onverdraaglijke herrie, en regels als ‘de uppercut op de kin, de doffe leverslag’. Dat alles samengevat tot ‘Ik hoestte zwaar in het slijm van de begeleidende kotsmuziek’. Dat lichamelijk ongemak wordt doorsneden door macabere droombeelden van een gestorven geliefde (wellicht verhangen, gezien een ‘henneptouw’, maar veel is onzeker hier), gehangen misdadigers, ‘doden op de rug’ en een verdronkene in een scheepswrak: ‘Ik vond een hoofd vol waterpokken en waaiende wieren.’ De gedichten ogen strak, drie maal vier regels elk, en in ieder gedicht duikt de titel wel ergens op, als een stokregel. Maar onder dat pantser van taal woelen surrealistische angstvisioenen en wraakgedachten (‘ik verlangde naar […] een moordwapen / om aan het talentloos geblaat te ontkomen.’). Het laatste gedicht in de reeks brengt geen verlossing, geen ontwaken en geen verzoening. Vier gedichten eerder bekent de dichter al: ‘Ik huiver / Als de tijd mij aanraakt’ en spreekt hij over ‘Dagelijks bezoek aan de Hades / En glaskoorts, wonden die niet heelbaar zijn.’

    De wijn ontkurkt
    In Schaduwgrens is een dichter op leeftijd aan het woord, die zich kwetsbaar voelt tegenover – jawel – het verstrijken van de tijd. Maar hij verwoordt die kwetsbaarheid in vitale beelden, rake woorden en regels die blijven hangen. De overige gedichten in Schaduwgrens zijn minder surrealistisch dan ‘Ik was nog niet wakker’. Zo beschrijft ‘IN’ een doorweekte wandeling door regenachtig Dublin, waar de dichter een meisje ziet dansen ‘Solo. Of ze niet te stoppen was. Of er leven / Te winnen viel na de dood.’ ‘Dreischor’ (gehucht op Schouwen-Duiveland), is een reeks kwatrijnen over een winter aan zee waarin veel Adriaan Roland-Holst meeklinkt, inclusief ballingschap, stemmen van overzee en ‘woeden tegen de tijd’. In 1980 zei Van de Waarsenburg in een interview: ‘Misschien ben ik wel een reïncarnatie van Roland Holst aan het worden.’ Daarvoor is zijn toon te nuchter, maar toch: zeker is dat de geest van Holst hier rondwaart. De reeks eindigt overigens voorzichtig optimistisch met de komst van de lente: ‘In het jonge riet wordt schoorvoetend de wijn ontkurkt.’

    Er zijn meer literaire verwijzingen te traceren: naar Percy’s song van Bob Dylan (Turn, turn, to the rain and the wind’), bij voorbeeld, en naar Dylan Thomas Under milkwood: ‘Call em Dolores, like they do in the stories’). Hugh Lane is wat lastiger thuis te brengen; het is de galerie in Dublin waar het atelier van de schilder Francis Bacon is tentoongesteld en tot op de snipper is gedocumenteerd. Niet tot genoegen van de dichter, die het heeft over ‘het atelier dat zielloos /Een dode voorstelt. Waanruimte.’ Andere reeksen zijn gewijd aan kunstenaars, wat het risico oproept van het mijmerdichten bij een schilderij, zoals in de reeks ‘Korenveld’, over de schilder Theo Kuijpers. En ook aan die andere valkuil van de virtuoze dichter ontkomt Van de Waarsenburg niet altijd: de woordspeling die al snel stijlbreuk wordt. ‘Ik […] schonk geen vermogen aan al die werelden die met een drie beginnen’, bijvoorbeeld. Of: ‘De dood / Zong in B. met een Z. ervoor.’ – in een gedicht over de componist Matty Niël.

    Wat taal wel en niet vermag
    Van de Waarsenburgs poëzie is onverkort romantisch, maar dan niet van de weemakende soort. Hij schrijft strofische gedichten, maar zonder eindrijm of metrum (maar des te meer ritme) en valt zeker niet in te delen bij de ‘klassieke’ sonnettenmakers als Rawie of Kal. Een ‘rijpe’ dichter, zoals dat heet, die in een halve eeuw (hij debuteerde in 1963) heeft geleerd wat taal wel en niet vermag: geen overwinning op de dood, maar sterke beelden en vitaal verzet. De Schaduwgrens verwijst naar de overgang tussen dag en nacht,  leven en dood (ergens wordt de dood aangeduid als ‘Een schaduwman in een tranende ooghoek’). Het laatste gedicht heet ´Schaduwgrens´ en beschrijft een vrouw en onderwaterlandschap tegelijk. Bevreemdend maar trefzeker. Moet vaak worden genoten en gebloemleesd. Vooruit dan, de laatste regels, op voorwaarde dat je de rest ook gaat lezen:

    […] Mijn lief,

    Ik wil niets meer dan dit uitzicht vol mooie, naar mij

    Zwaaiende vissen. De sluier van je haren en heuvels

    Die glooien. Een ode aan alles wat langzaam verdwijnt.

     

     

  • Eenzame getuige in tweestrijd

    Eenzame getuige in tweestrijd

    ‘Ik zag sterren, ze straalden helder aan de zomerse nacht, ze waren kil, onverschillig, maar schenen over de gehele stad, ook over deze wijk die onder slaag gebukt ging. “Ik moet alleen daarnaar kijken,” zei ik. “Jammer dat ik daar niet eerder aan heb gedacht, nu zal ik niet meer alleen zijn als ik aan die sterren denk. Ze horen bij me en hebben me altijd toebehoord, niemand kan ze van me afpakken.’

    Dit zijn de gedachten van Josef Roubíček, wanneer hij bij de Joodse gemeente een baantje heeft gekregen en ’s nachts de stad in moet om affiches te verwijderen of antifascistische teksten op muren over te schilderen. In het volgende hoofdstuk krijgt hij een gele ster, die hij op zijn kleding moet naaien. Twee betekenissen van het woord ster in de titel. Een illustratie van de stijl van Jiří Weil, die observeert, registreert, beschrijft.

    Josef Roubíček woont alleen op een kale, koude zolderkamer van een kleine, verwaarloosde woning in een buitenwijk van Praag. Hij wacht op het bericht, dat hij op transport moet. Hij is helemaal alleen, zijn vroegere geliefde heeft hem verlaten. Voor de oorlog had hij een rustig, prettig leven. Hij werkte als bankbediende, had een inkomen waarmee hij redelijk comfortabel kon leven, ging met zijn geliefde Růžena naar de bioscoop of uit eten, of soms een dagje op stap. Door de bezetting van de Duitsers verandert zijn leven totaal. Aanvankelijk heeft Růžena voorgesteld om samen te vluchten naar het buitenland, maar Josef kan niet beslissen en dan is het op een gegeven moment te laat.
    Langzaam maar zeker verandert alles: hij krijgt geen geld meer, hij mag niet meer ’s morgens naar winkels, hij mag niet meer in parken en op pleinen, hij mag niet meer met de tram reizen. Talloos zijn de acties die door de bezetters bedacht worden om de Joodse bevolking te vernederen.
    Eerst denkt Josef, dat de oplossing is, dat hij zich helemaal terugtrekt, onzichtbaar wordt. Hij gaat inderdaad overal lopend naar toe, maar door de voortdurende honger gaat zijn conditie achteruit en zakt hij op straat bijna in elkaar.
    Op een dag krijgt hij via de Joodse Gemeente werk, eerst het overschilderen ’s nachts, later een baantje op het Joodse Kerkhof, waar ze met enkele mannen bladeren moeten vegen, de graven schoonhouden, in de zomer ook nog wat groente verbouwen voor patiënten uit het Joodse ziekenhuis. Op het kerkhof komt hij in contact met mensen, die hun levensperspectief afmeten aan de kansen op het dreigende transport.
    Van een vroegere klasgenoot heeft hij wat geld gekregen en Josef leeft een tijd rustiger, hoewel de spanning om de oproep blijft.
    Intussen is een zwerfkat , Thomas, bij hem ‘ingetrokken’. En zoals Josef in het begin steeds in gedachten tegen zijn voormalige geliefde Růžena praat, heeft hij nu de poes om aan te vertellen wat hij allemaal denkt.

    Door een stom toeval bij de Joodse gemeente blijkt zijn kaart niet uit de kaartenbak gehaald te zijn en wordt Josef Roubíček niet opgeroepen voor het transport naar Theresienstadt. Nu wordt hij getuige van het lot van anderen, die verschillend reageren op hun toekomst. Zijn klasgenoot Pavel, die getrouwd is en een kind heeft, meent dat hij om die reden niet kan vluchten en zijn lot – weggevoerd worden met zijn gezin – moet aanvaarden. Een vroegere collega is van mening, dat hij zelfmoord moet plegen en dan vooral om zijn vrouw en dochter hun kansen op een normale toekomst niet te ontnemen, hij staat hen als Jood alleen maar in de weg. Op het kerkhof hoort hij het verhaal van ene Froehlich, die vroeger directeur van een groot bedrijf was en die een oud-medewerker al zijn geld heeft gegeven om bij hem te kunnen onderduiken. Wanneer hij wordt ontdekt, verdedigt hij zich met zijn pistool en vecht zich letterlijk dood. Dit roept onder de mannen op het kerkhof een discussie op: mag je als je wilt onderduiken zo het leven van een ander in gevaar brengen?

    Wanneer een jonge arbeider, Josef Materna, die in het buurhuis woont, Josef voorstelt, dat hij hem wil helpen door een onderduikadres te zoeken, slaat wederom de twijfel toe. En talloze vragen: wat voor zin heeft zijn leven eigenlijk? Voor wie moet hij blijven leven? Wil hij blijven leven? Wie heeft hem nog nodig?
    Zijn tante en oom, die vroeger voor hem gezorgd hebben, zijn al weg met het transport, net als zijn vrienden en de collega’s met wie hij werkte. Wanneer de kat Thomas doodgeschoten is door een ‘man met een pet die in die prachtige villa woont en die zo graag in uniform rondloopt’ is Josef ten einde raad: ‘… ze hadden Thomas doodgemaakt, die lui hadden het gedaan, zoals ze ook mij wilden doden. Wat maakte het ze uit of Thomas schuldig was of niet, ze hadden hem gedood omdat die lui het recht hadden om te schieten, omdat ze geweren hadden en zich verveelden als ze niemand konden doden.’
    Kort daarop hoort hij door luidsprekers op straat namen omroepen van mensen, die doodgeschoten zijn, hij hoort ook de naam van Růžena.
    Tenslotte, als alles en iedereen hem afgenomen is, vindt hij de kracht voor zijn beslissing om te blijven leven.

    Jiří Weil heeft in deze roman veel feiten uit zijn eigen leven verwerkt. Toen hij in 1942 een oproep kreeg, fingeerde hij een zelfmoord door de schijn te wekken, dat hij in de Moldau was gesprongen. En daarna bleef hij tot het eind van de oorlog ondergedoken.
    Op ongelooflijk knappe wijze heeft hij de waanzinnige, absurde omstandigheden en de dilemma’s van de hoofdpersoon beschreven. Dit boek zet echt aan het denken. Over de waarde van bezit, over de invloed van de omgeving, een onderdrukkend systeem op de mens, over de relatie tussen mens en dier, over verantwoordelijkheid, over leven en dood.
    Op de achterflap staat een citaat van Philip Roth ‘Dit boek is zonder enige twijfel de meest indrukwekkende roman over het lot van de joden tijdens de nazibezetting die ik ooit onder ogen heb gekregen. Ik ken geen boek dat ermee te vergelijken is.’ Dit is niet zomaar een aanbeveling. Het is inderdaad een schitterend boek, bijna universeel zou je zeggen.