Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Veel vragen, weinig antwoorden

    Veel vragen, weinig antwoorden

    Recensie door Rein Swart

    Dit boek gaat niet over een onderdeel van de biologie, maar is een roman en wel een heel  bijzondere, omdat weinig van de bedoeling wordt prijsgegeven. Het duurt enige tijd voordat de lezer in de gaten heeft waar de schrijver naar toe wil en dan nog blijven er veel vragen onbeantwoord, vooral over de bedoelingen van de hoofdpersonen.

    Het is duidelijk waar het verhaal zich afspeelt. Enerzijds is dat in Cleveland, Ohio en anderzijds in China. Chongqing, de grootste stad van China, is de uitvalsbasis van een Nederlander die zich verbaast over alles om hem heen.

    Langzaamaan begint het de lezer te dagen dat het om een jonge vrouw in de Verenigde Staten gaat en een jongeman in China. In Nederland vormden ze een stel, maar door gebrek aan liefde en begrip zijn ze uit elkaar gegaan. Het stel, dat niet met name genoemd wordt, poogt los van elkaar zichzelf te hervinden en nieuwe inspiratie op te doen voor hun relatie. Vooral de jongeman heeft dat hard nodig gezien zijn terugblik: ‘Gapende mensen zodra ik mijn mond open deed en een geliefde die zich minder en minder door mij liet inspireren.’

    De jonge vrouw verblijft in Cleveland bij haar moeder, die onlangs is gescheiden en heeft weinig op met de westerse mens. ‘Alsof een ego niet juist de kern vormt van de twijfelachtige plantenkunde waar we nog altijd deel van uitmaken. Iedereen een persoonlijkheid? Elke aardbewoner een kunstenaar? Voor elk mens afzonderlijk alleen maar het beste? Dat is in plaats van leuk een koortsdroom, een nieuw waandenkbeeld, een volgende list om ons aan de gang te houden en uiteindelijk in het ongeluk te storten.’

    Het inzicht moet vooral van de 32-jarige jongeman komen. Hij denkt in het China met zijn aloude culturele en religieuze tradities een antwoord te krijgen op de vragen waarmee hij worstelt. Die betreffen allereerst zijn relatie, maar reiken ook verder. Hij zou zelfs de compositie van de werkelijkheid willen veranderen. Wat is de bron van de Chinese onverstoorbaarheid en kalmte? vraagt hij zich af.

    De jongeman reist gedurende een half jaar door het land. Chauffeur Sheng brengt hem naar leraar Yao en zegt: ‘Leraar Yao komt uit een familie van tao-meesters. De wijsheid is doorgegeven van generatie op generatie. Hij weet alles over plantenkunde. De aarde is volgens hem een levend organisme.’
    Hij bezoekt de Drieklovendam, het Terrocattaleger in Xian en krijgt een visum voor Lhasa in Tibet. Het zijn betoverende ervaringen voor hem.

    De auteur, volgens de achterflap docent visuele taalkunde in Stuttgart, doet er alles aan om met een open geest en origineel te schrijven, zoals over een andere tijdrekening van de Chinezen. ‘Deze week valt vrijdag op zondag,’ zegt een Chinees bijvoorbeeld tegen de jongeman die er weinig van begrijpt.

    Na enige tijd gaat deze roman, die is opgebouwd uit zeventien hoofdstukken met nogal inwisselbare titels als ‘distantie’, ‘vindingrijkheid’, ‘scherpte’ – om de eerste drie maar te noemen, vervelen. De nogal cryptische formuleringen en de stortvloed aan moeilijke vragen die vooral vanuit Cleveland over de lezer worden uitgestort, worden teveel. De verwondering raakt weg, te meer omdat er van een ontwikkeling geen sprake is. Het taalgebruik van de jonge vrouw kent een hoog abstractieniveau en de avonturen van de jongeman blijven erg cerebraal. Hij oefent geen enkele kritiek uit op het Chinese beleid ten opzichte van Tibet, maar neemt voor lief dat men het Tibetaanse volk achterlijk vindt. Het is toch al een roman waarin veel vragen niet ingelost worden, bijvoorbeeld of de jongeman iets heeft geleerd of dat zijn relatie erbij gewonnen heeft. Dat de kritiek op Tibet onweersproken blijft, maakt het boek er niet beter op.

     

  • Net iets te en daarom wat minder

    Net iets te en daarom wat minder

    Het is druk in de hemelse kamer de nieuwe roman van Huub Beurskens, dichter, schrijver en voormalig redacteur van De Gids. Niet omdat er veel romanfiguren in voorkomen, dat is niet het geval, maar omdat er zo heel veel wordt verwezen, geciteerd, uitgeweid en opgesomd. Of ze nu bekend zijn in de populaire cultuur of de hoge kunsten, namen als Julio Cortazar, Jack Bauer (24), Jacques Lacan, Ludwig Wittgenstein, Conny Froboess, John McEnroe en Pinocchio, komen allemaal langs en dienen als versiering voor wat tot de laatste honderd bladzijden een betrekkelijk gewoon verhaal lijkt te zijn. Maar dan…

    Hoofdpersoon en lange tijd verteller is Lino Nomellini, zoon van een Italiaanse ijsverkoper en een Nederlandse vrouw, en wonend in Amsterdam Noord. Hij wordt in zijn middelbare schooldagen verliefd op Inés, dochter van Spaanse immigranten en zij op hem. Lino heeft weinig oog voor iets anders dan zijn geliefde, ondanks de bezwaren van moeder Nomellini en de vader van Inés. De liefde tussen de twee is hemels tot op het moment dat het Spaanse gezin plotseling zonder bericht of spoor achter te laten, teruggaat naar Spanje.

    Bijna dertig jaar later woont Lino in Parijs en verdient zijn geld als klassiek muzikant. Natuurlijk is hij Inés nooit echt vergeten en hij schrikt op een dag dan ook als hij toevallig foto’s op internet ziet van een model dat wel heel erg op haar lijkt. En omdat het toeval ook een aanzienlijke rol speelt in dit boek, komt Lino dit model, dat in bijna alles een jongere versie van Inés lijkt te zijn, op een wandeling langs de Seine tegen. De twee belanden samen in bed en Lino lijkt zijn jeugdliefde opnieuw te beleven. Dan zijn er nog ongeveer honderd bladzijden te gaan.

    Zo samengevat is het verhaal voorspelbaar romantisch en bijna clichématig, maar de eigenzinnige zelfbewuste stijl waarin de roman geschreven is, voorkomt lange tijd elke gemeenplaats. Doordat Beurskens kiest voor de overdrijving en het bij vlagen openzetten van alle taalkundige en ironische registers, ben je als lezer blij met een eenvoudig verhaal. Voor moeilijke woorden en lange zinnen is Beurskens namelijk niet bang. Neem bijvoorbeeld de lange zin, afkomstig van bladzijde 181, waarin tegelijkertijd details worden opgesomd, over bijzaken uitgeweid en de lezer direct wordt aangesproken:

    Ik veronderstel dat u niet al hoofdstukken lang zit te wachter totdat ik eindelijk de muren heb gegranold, heb behangen of met schrootjes heb betimmerd, totdat ik de vloer heb voorzien van parket, linoleum of hoogpolig tapijt, en de Wassilystoelen, rotanmeubels of gecapitonneerde leren fauteuils er hun plek op heb gegeven, totdat ik lampen heb opgehangen, plafonnieres, luchters, spots, een tafellamp heb neergezet, eentje van Wilhelm Wagenfeld of de Wisteria van Tiffany & Co., totdat ik serviesgoed heb uitgekozen, of tot in den treure heb beschreven hoe Laurent dat eigenlijk allemaal voor mij had gedaan, maar dat u zich al lang een beeld hebt gevormd van mijn appartement in de Rue Bebuquin, het zelf gemeubileerd en verder voor me ingericht hebt, geheel naar eigen inzicht en met vast en zeker goede smaak.’

    Postmodern kun je een dergelijke stijl rustig noemen.  De hemelse kamer heeft veel van de kenmerken die je ook bij schrijvers als David Foster Wallace, Robert Coover en Thomas Pynchon tegen kunt komen (om er maar een paar te noemen). Denk aan het nadrukkelijk verwijzen naar zowel hoge (bijvoorbeeld Wittgenstein, Lacan) als lage cultuur (Jack Bauer uit 24), het opsommend beschrijven van dameskleding (inclusief prijs), het kort beschrijven van wetenschappelijke feitjes (diergedrag), de zelfbewuste verteller die bovendien de lezer toespreekt, het ironisch verwijzen naar psychoanalytische theorie en het zonder gêne gebruik van woorden als hemolymfe en hypothenusisch (blz 274).

    Beurskens heeft op zijn blog nog een rijtje met 330 ‘annotaties’ klaar gezet die wat uitleg verschaffen over de talrijke verwijzingen in zijn roman. Dat doet wel erg denken aan Foster Wallace die in zijn ook niet altijd even makkelijk leesbare meesterwerk Infinite Jest iets minder dan 900 voetnoten opnam.

    Beurskens’ stijl is enorm zelfbewust. Dat wil zeggen, dat tegelijk met het vertellen van het verhaal, er over gereflecteerd en commentaar op geleverd wordt. Vaak is dat komisch of amusant, soms intrigerend of ergerlijk, maar bijna altijd is de toon ironisch. En door de ironie wordt voorkomen dat de lezer zich echt mee laat slepen, zich verliest in het verhaal. Net als de schrijver blijft ook de lezer zelfbewust; hij wordt er steeds op gewezen dat hij een verhaal leest. Neem bijvoorbeeld de scène waarin de liefde tussen Lino en Inés tot hevige bloei komt. Het decor is de dierentuin Artis waar de leerlingen vragenlijsten over dieren moeten invullen.

    Ik had mijn vragen over de tokeh (Gekko gecko) beantwoord en schoof de volgende hoek van 135 graden naar rechts om, bij wijze van spreken van vitrine zes naar vitrine vijf. Tegelijkertijd – O, Almachtige… – , terzelfdertijd – O Dobbelgod! Schoof ZIJ linksom van vier naar VIJF!’

    Geestig? Misschien, en voor sommigen wellicht herkenbaar, maar nergens zul je hier serieus meegaan in de verliefde gevoelens van de verteller. Dit is een ironische overdrijving. We lachen eerder om de verteller dan we met hem meevoelen. Moet dat dan? Nee, niet noodzakelijk, maar dan moet die postmoderne overdrijving ons wel voortdurend blijven boeien en moeten we niet zo overdonderd worden met verwijzingen en commentaar dat nieuwsgierigheid en bewondering omslaan in ergernis.

    Beurskens is lange tijd goed op weg. Maar de laatste honderd bladzijden van de hemelse kamer zet veel in de roman op zijn kop. Het verhaal dat tot nu toe duidelijk en begrijpelijk was, verandert abrupt wanneer een nogal absurdistische, terroristische organisatie wordt opgevoerd. Lino blijkt nu het slachtoffer van een complot dat volkomen uit de lucht komt vallen. Daarbij neemt het aantal personages plotseling snel toe en wisselt het verhaal nog twee maal van vertelperspectief.

    Beurskens heeft zelf ook wel opgemerkt dat de terreurorganisatie voor veel lezers ‘uit de lucht komt vallen.’ Hij laat het de laatste verteller in de slotpagina’s als kritiek op het voorafgaande zelf beweren. Het lijkt erop dat een dergelijk vertoon van zelfbewustzijn mogelijke kritiek moet ondervangen. Dat doet het niet.

    Het mag de lezer best eens moeilijk gemaakt worden, zo lang deze zijn interesse maar niet verliest. Dat dreigt in deze nu wel heel volle kamer, hemels of niet, wel te gebeuren. Daarbij helpt het niet dat Beurskens ook nog eens nadrukkelijker dan in het eerste deel van de roman filosofische spelletjes begint te spelen. Hij citeert herhaaldelijk Wittgenstein, verwijst naar psychoanalytische denkbeelden en probeert sier te maken met flauwe beweringen als ‘de waarheid is gestructureerd als fictie’ en ‘alles hangt met alles samen’. Voor wijsgerige clichés blijkt opeens nog alle ruimte. Bovendien worden de grappen soms uitermate flauw. Zo rijdt Lino per trein naar Brussel en dan volgt de uit de lucht gegrepen een wel heel melige zin:

    Dat ik in de stationshal niet werd ontvangen door de heer Thielemans (Freddy, burgemeester van de Belgische hoofdstad, niet te verwarren met Jean Toots, de Brussels mondharmonicaspeler) en het Koninklijk Trompetterkorps, lag in de lijn der verwachtingen.’

    De plotselinge opkomst van een geheimzinnige terreurbeweging en het gegeven van een absurde complottheorie doen, zij het lichtjes, aan een postmoderne Amerikaanse schrijver denken: Thomas Pynchon. In diens werk, waarin de verhaallijn vaak net zo lastig is samen te vatten als de honderd laatste bladzijden van de hemelse kamer, spelen geheime genootschappen en complottheorieën ook een opmerkelijke rol. Dat Beurskens’ plotwending bizar is en dat zijn verhaal onoverzichtelijk wordt is dan ook niet het grootste bezwaar. Maar de uitvoering is net niet goed genoeg om de lezer bij de les te houden. Daar is ook het contrast met het voorafgaande deel van de roman te groot voor.

    Beurskens is met de hemelse kamer een postmodern experiment begonnen dat niet in alle opzichten geslaagd is. Hij kan uiteindelijk niet tippen aan Foster Wallace die geestiger, intelligenter schreef en bovendien de ironie kon laten varen. Die ironie en de onnavolgbare plotwending zitten hem uiteindelijk toch nog dwars.

    Maar of Foster Wallace, Pynchon of anderen, Beurskens nu tot voorbeeld hebben gediend of niet (hij noemt deze schrijvers niet in zijn uitgebreide annotaties), belangrijker dan het gedeeltelijk mislukken van het experiment is misschien wel dat het is uitgevoerd. Beurskens biedt met zijn roman iets geheel anders dan wat velen gewend zullen zijn en zoiets kan nooit kwaad. Bovendien kan Beurskens zeker schrijven en moet de complexiteit van het experiment niet worden onderschat. Wie zich wil wagen aan postmodernisme uit de polder moet gewoon in het diepe springen.

     

     

  • Ernst de Vreede een predikant in Nederlands-Indië

    Ernst de Vreede een predikant in Nederlands-Indië

    Kristine Groenhart 1964) is Neerlandica en sinds 2008 fulltime schrijver. Zij schreef  twee non-fictie boeken voor uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep. De levensgeschiedenis van Ernst de Vreede, Mangalaan 27 is haar derde boek. Ze heeft dit boek op verzoek van zijn dochter, schrijfster Mischa de Vreede geschreven.

    Ernst de Vreede komt in 1925 met zijn kersverse bruid Henny Bomers aan op Ambon waar hij als hervormd predikant de inlandse bevolking tot het protestantisme zal bekeren. Al sinds zijn prille jeugd is dit de idealistische jongensdroom van Ernst de Vreede. Door zijn theologie- en zendingsstudies, zijn serieuze karakter, zijn onstuitbare wil en dankzij zijn contacten die hem (financieel) steunen, betekent deze droom niet alleen zijn roeping, maar ook zijn levenspassie. Ondanks de vele ernstige gebeurtenissen en tegenslagen die hij in zijn leven zou meemaken, is deze passie altijd onverminderd in stand gebleven.

    Bijgeloof en het Indische lot 

    ‘(…) dominee Ernst de Vreede zou tijdens zijn laatste kampeertocht met de Dageraad op de berg Sirimau de tempajang, de heilige kruik, leeggegoten hebben om het bijgeloof uit te bannen. (…) Daarbij is toen bij al die Ambonse jongelui de vrees om het hart geslagen. O wee, dit wordt tjelaka, dit wordt wraak, daar komt een ongeluk van (…)’. Kondigt het noodlot zich hiermee al aan? Het ‘Indische lot’ wellicht, als gevolg van dit respectloze gedrag van De Vreede ten aanzien van het bijgeloof van de inlanders?

    Tijdens de eerste zwangerschap wordt zijn vrouw Henny ziek. De baby moet geaborteerd worden, maar Henny bezwijkt helaas toch. Ernst beschrijft aan zijn schoonouders haar sterfbed: ‘Maar ze was rustig; de dokters hadden op haar vragen gezegd dat generlei schuld bij haar lag en ook niet bij Indië.’
    ‘Ik ben mijn vrouw kwijt, wat bergen van moeite meebrengt, ook in mijn werk.’

    Daarna volgt een moeilijke periode van zeven jaar weduwnaarschap en een mislukte verloving met Titia Eerdmans. De moeder van Titia had een behoorlijke stem in het verbreken van deze verloving. Zij vond Ernst ‘erg vervelend, en heel heerszuchtig, veel te vertellen zul je niet bij hem hebben.’ Zij werd daarin gesteund door anderen die Ernst erg goed meenden te kennen. De Vreede heeft het heel moeilijk maar overwint zichzelf door een beroep te doen op geestelijke waarden en krachten.

    Onverwacht dient de verandering zich aan tijdens zijn werk als predikant op Celebes. Over de ontmoeting met zijn tweede vrouw Leny Varekamp (de moeder van Mischa de Vreede), lezen we: ‘(…) Terwijl hij in de tuin van het meisjesinternaat zijn buurmeisje Leny zag staan begon het plotsklaps hard te regenen. Hij rende naar buiten, bood haar zijn loden regencape aan en drapeerde deze om haar schouders. Zij vond het zo’n aardige, vriendelijke man. Een paar weken later vroeg hij haar – u-zeggend – ten huwelijk’.

    Gelukkige zeven jaren

    Dan volgt er een gelukkige periode van weer zeven jaar. Ernst werkt korte tijd in Batavia en vestigt zich later op Sumatra, in Medan in de Mangastraat 27. Er worden drie kinderen geboren.
    Totdat de oorlog uitbreekt in Europa, Nederland bezet wordt door de Duitsers en Japan zijn oog laat vallen op Nederlands-Indië. Japan zou een ‘nieuwe orde’ scheppen in een ‘Groter Oost-Azië’: Indo-China (nu Vietnam), Siam (Thailand), Burma, Malakka (Maleisië), Nederlands-Indië, Nieuw-Guinea en Nieuw Caledonië. De blanken zijn niet langer meer gewenst in Indië en verdwijnen in de interneringskampen van de Japanners. Het noodlot slaat wederom toe.

    Over de avond vóór de gang naar het interneringskamp, schrijft later dochter Mischa: ‘Ik lag opgewonden met mijn broertje te praten in bed. Mijn moeder kwam binnen en vroeg of papa nu de laatste avond dat hij bij ons was nog boos op ons moest worden. Wij zouden de volgende dag geïnterneerd worden, en wat dat was wist ik niet precies. Dat mijn vader niet bij ons zou blijven drong nu pas tot ons door’.

    Deze periode van drie en een half jaar interneringskamp in Noord-Sumatra, waarin de kinderen gescheiden worden van hun vader en zelfs een keer een jaar van hun moeder, wordt door Groenhart minutieus beschreven aan de hand van boeken, documenten, brieven, foto’s, dagboeken en andere getuigenissen en gesprekken.

    Opmerkelijk is dat Goedharts beschrijving zakelijk en emotieloos blijft. Ook wanneer zij citeert uit de boeken die Mischa de Vreede zelf geschreven heeft over deze periode. (O.a. Waar ik mee leef (1995). Mijn reis (1981).)
    Over het weerzien aan het eind van de oorlog schrijft Mischa: ‘Ik zag mijn moeder gearmd met een vreemdeling met een ontbloot bovenlijf op ons toe lopen. Dat zal onze vader wel wezen, zei ik tegen mijn broer.’ ‘Ernst had zijn vrouw en kinderen drie jaar niet gezien.’

    Daarna volgt de repatriëring van het gezin De Vreede naar Nederland. Mangalaan 27 begint met dit inschepen op stoomschip de Tjisadane naar Amsterdam. ‘Zij waren de nummers 898-902. Ernst, Leny en hun drie kinderen: Erik, Mischa en Matthijs.’
    ‘Ernst was de predikant voor de hervormden op zee. Ernst stond aan de reling en zag hoe zijn bagage aan boord getakeld werd. Veel was het niet, hij had alleen nog een koffer met wat boeken en wat zilver. Maar het belangrijkste, zijn vrouw en zijn drie kinderen, zij waren gespaard gebleven. Hij klaagde niet (…).’
    Het boek eindigt met dezelfde blik van Ernst naar zijn bagage: ‘Daar kwam zijn koffer met zijn dierbaarste boeken die de oorlog hadden overleefd. Een volgend moment zag Ernst zijn boeken in zee vallen. Die zouden daar voorgoed achterblijven.’

    Ruim eenentwintig jaar onderweg geweest

    Mangalaan 27 geeft een nauwkeurig, interessant en zeer informatief beeld van het leven van het predikantengezin De Vreede in de periode 1925 – 1946 in Nederlands-Indië. Vooral de sfeer weet Groenhart goed te treffen mede ook dankzij de vele brieven die zij onverkort heeft overgenomen. De brief die Ernst schrijft aan zijn schoonouders na het overlijden van zijn vrouw is een juweeltje van prachtig proza uit die tijd. Daarbij geeft het boek ook een goed beeld van het Nederlands-Indië dat veel Nederlanders die er niet door familie of kennissen direct mee te maken hebben gehad, eigenlijk nauwelijks kennen. Het standsverschil tussen de inlanders en de zendelingen is, naar onze huidige maatstaven, schrijnend.

    Groenhart heeft veel onderzoekswerk verricht. Uit de beschrijvingen van de eilanden, de vele plaatsen en plekken die zij beschrijft, is het duidelijk dat zij er zelf is geweest.  In haar uitgebreide epiloog schrijft ze dat zij gestaan heeft op de ferry met hetzelfde uitzicht als Ernst en Henny hadden bij hun aankomst op Ambon. En dat zij zelfs gecontroleerd heeft of er nu nog steeds water zat in de tampajang op de berg Sirimau. (Ja!)

    De zakelijke en emotieloze schrijfstijl wordt enerzijds veroorzaakt door de vele brieven en documenten. Het zijn weliswaar prachtige voorbeelden van het Nederlandse taalgebruik en ook van de voorgeschreven etiquette uit die tijd, maar de mensen komen er niet echt door tot leven. Anderzijds is de historische informatie die Goedhart toevoegt over Nederlands Indië en het zendelingswerk interessant maar te gedetailleerd. Het lezen wordt daardoor op den duur wat moeizaam.

     

     

     

  • Multatuli in een ander daglicht

    Multatuli in een ander daglicht

    Ach, we houden zoveel van lijstjes, van hiërarchieën. Héérlijk vinden we het, die Top 2000, die filmlijst van de IMDb, die peilingen van Maurice de Hond. Genieten. Redacties weten dit als geen ander en verwennen ons met sterren: vier sterren voor die film met Julia Roberts, drie voor die met Tom Hanks, vijf voor die schitterende roman van Buwalda. Dit lijstjeswalhalla is ook de wetenschap niet onbekend gebleven en dientengevolge schonk de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde ons reeds tien jaar geleden de beeldschone, tot diepe ontroering voerende ‘Nederlandse literaire canon’. Voor literatuurliefhebbers was dit een godsgeschenk – dat Slauerhoffs Het verboden rijk op plaats 109 stond, en dat we Heijermans’ Op hoop van zegen op plaats 65 aantroffen. ’s Avonds, als met het donker de eerlijkheid komt, huilen wij allen nog van verdriet om de schamele plek van Vestdijks De koperen tuin (117), doch bij het opstaan bejubelen wij Multatuli, en begroeten wij elkaar – bij de badkamer, in de supermarkt – met citaten uit de Max Havelaar.

    Tja, die Multatuli. De grootste Nederlandse auteur aller tijden, met zijn Max Havelaar als het neusje van de literaire zalm. Zijn wij echt allemaal zulke multatulianen? Op middelbare scholen wordt hij nog maar weinig gekozen voor de leeslijst (men leest liever iets van Hermans of Mulisch), en in een werkgroep Moderne Nederlandse letterkunde aan de RuG bestudeert men duizendmaal liever Nicolaas Beets (ja, desnoods zelfs Jacob van Lennep). Is Multatuli dan echt gedoemd om de Homerus van zijn tijd te worden? Vaak genoemd (want dat staat erudiet), maar nooit gelezen? Nu, misschien niet. Atte Jongstra, bekend van zijn roman De avonturen van Henry II Fix (2007), heeft toetsenbord ter hand genomen en een vlot, boeiend essay over Multatuli geschreven: Kristalman. Als dít er niet in slaagt om nieuwe Multatuli-lezers te werven…

    Kristalman, met als ondertitel Multatuli-oefeningen, is een hoogst opmerkelijk boek. Kennis van Multatuli of van zijn vele publicaties is niet vereist. Het heeft wat weg van een biografie van Eduard Douwes Dekker (de eigenlijke naam van Multatuli, waarschijnlijk overbodig om te vermelden, maar – om met Jean Pierre Rawie te spreken – ‘je weet nooit wie zo’n stukje onder ogen krijgt’); aan de andere kant gaat Kristalman over veel meer. Vanuit de gedachte dat de figuur Multatuli is ‘gekristalliseerd’ in allerlei ditjes en datjes wordt er geen levensbeschrijving van de schrijver gegeven (op een kort overzicht na dan), maar wordt hij benaderd vanuit verschillende, bijzonder verrassende invalshoeken. Zo worden er hoofdstukken besteed aan worst, melk en Multatuli’s opvattingen over ‘gevoel’. De verkenningen of ‘oefeningen’ die Jongstra doet om Multatuli beter te leren kennen, gaan vaak aan de hand van citaten, met name uit Multatuli’s Millioenen-studiën (1872) en Ideeën (1872-1880). Het stevig ingeburgerde beeld van de idealistische schrijver die zich met hart en ziel inzet om een emancipatie van Nederlands-Indië te bewerkstelligen, moet plaats maken voor een veel genuanceerder beeld: eerzucht en een kort lontje zijn dan wel moeilijk verenigbaar met het beeld van de ‘held’ Multatuli, ze maken hem tezelfdertijd tot een veel interessanter persoon.

    Boeken over oudere literatuur zijn zelden ‘leuk’. Wie neemt wel eens een literatuurgeschiedenis mee op vakantie? Lekker op het strand liggen bladeren in een verhandeling over het retorisch vernuft van Cicero. Flaneren over de boulevard van Marseille, met in je zak een pocketversie van Bastets biografie van Couperus. Een knappe Spanjaard aan de haak slaan door te beginnen over de maatschappijvisie in de Don Quichot. Nou, wie? Laten we eerlijk zijn: het merendeel der Nederlanders vindt het lezen van literatuur-historische werken te gênant voor woorden. Liever bloot in de trein dan met Beets in de trein. Nu zal Atte Jongstra hier weinig verandering in gaan brengen, maar wellicht wil men toch voor Kristalman wel een uitzondering maken: het is namelijk een vakantieboek. Het is rijk geïllustreerd, zowel in beeld als in woord (bij dit laatste denke men aan citaten uit Couperus en Zola), en het ademt een opgewekt sfeertje uit. Hier is geen dweepzieke multatuliaan aan het woord, geen stoffige filoloog, maar een romanschrijver die eens grondig onderzoek heeft gedaan naar een belangrijke collega van weleer en dit onderzoek op een luchtige wijze presenteert. Er schuilt ook humor in.

    Natuurlijk blijft de vraag voor wie dit boek bestemd is. Allereerst natuurlijk de Multatuli-fans, al is het maar de vraag of zij zich altijd kunnen vinden in Jongstra’s opvattingen van onze Veellijder. De letterkundigen zullen zich kostelijk vermaken met Kristalman (en er in stilistisch opzicht veel van kunnen opsteken), maar hun aantal is te verwaarlozen binnen de wereld van het geschreven woord. Rest de ‘gewone’ lezer. U dus. Komaan, wees een Vakantielezer! Denk aan zandkorreltjes over voetnoten, denk aan de knappe Spanjaard! Denk aan al die bevallige, charmante multatulianen, die in strandcafés en nachtclubs smachten naar uw kennis van de timmervaardigheden en melkafkeer van de grootste Nederlandse auteur aller tijden! Komaan!

     

     


  • Een rockchick verloren in de edele Stilte 

    Een rockchick verloren in de edele Stilte 

    Een roman schrijven over een jonge vrouw met een leven vol sex, drugs en rock &roll, die zich terugtrekt in een Boeddhistisch klooster. Kan dat? Wordt dat geen blijmoedige kitsch of goedkope tirade tegen het westerse materialisme? Niet noodzakelijk.

    Universitair docent Tim Parks publiceerde in de afgelopen 20 jaar een stevige boekenplank aan romans, non-fictie (over zijn leven in Italië, of een seizoen van ‘zijn’ voetbalclub Verona, of over literatuur) en verwierf roem in twintig talen met zijn voorlaatste boek Leer ons stil te zitten. Daarin beschrijft hij hoe chronische pijn en plasproblemen dokters voor raadsels stellen, en hem ertoe brengen zijn heil te zoeken in Vipassana meditatie. Stil zitten en niks denken, zeg maar. Zijn scepsis is groot, maar zijn wanhoop is groter. En verdomd, het blijkt te werken. Die ervaring dwingt hem zijn (westerse) ideeën over de waarde die hij hechtte aan de taal en de geest te herzien, en na te denken over de spanning tussen lichaam en geest die inherent is aan het leven van een intellectuele boekenwurm. Zo zegt hij: ‘soms denk ik dat deze vreemde strijd tussen lichaam en geest met de taal begonnen is.’ Dat is nogal een drastische conclusie voor een schrijver.

    Gedachten uitroeien
    Met De dienares schreef Parks een ‘companion-novel’ bij Leer ons stil te zitten. De roman gaat deels over schrijven, en over  de consequenties van zijn meditatie-inzichten voor de literatuur. Maar het gaat vooral over de Engelse Beth, een 21-jarige lead-zangeres van de band Pocus, die een klassiek rock&roll leven leidde met seks, drugs, drank en fastfood. Ze had een vaste relatie met Carl, de gitarist van de band – een keurige jongen die haar aanbad en die tot haar afgrijzen zo bij haar vader in de smaak valt dat hij in het familiebedrijf mag komen werken. Daarnaast deed ze het – tot in de bioscoopzaal aan toe – met de veel oudere Jonathan, een kunstschilder die haar niet bepaald aanbad, maar wel vereeuwigde op een schilderij. En dan was er nog de lesbische bassiste in de band, en de nachtelijke vreet- en zuippartijen na een geslaagd optreden: bier en byriani, joints en whisky. Op een gegeven moment gaat het mis. Tijdens een dronken nachtelijke zwemtocht in een stormachtige zee verdrinkt ze net niet, maar een vluchtige vriend raakt in coma en ze verliest haar baby. Beth vlucht weg uit het ziekenhuis en meldt zich aan de poort van het Dasgupta-instituut, ‘een prima plaats om je gedachten  uit te roeien’, voor een tiendaagse meditatie-sessie. Geen sigaretten, drank of seks (mannen en vrouwen leven strikt gescheiden) en absoluut niet praten. Schrijven is verboden en de inwendige mens is veroordeeld tot rooibosthee en vegetarische maaltijden. De dag wordt gevuld met lezingen over de drie wijsheden, het achtvoudige pad, dhukka (lijden), annica (veranderlijkheid) en hoe daarmee om te gaan, en vooral met meditatiesessies: urenlang stil zitten, concentreren op de eigen ademhaling, denken aan niets. En dat doet iets met een mens. ‘Op een dag merkte ik dat ik niet meer rookte. Op een dag realiseerde ik me dat ik niet meer aan papa en mama en Jonathan en Carl en Zoe dacht. Ik dacht niet meer aan Pocus, dacht niet meer aan de toekomst. De Dasgupta-techniek werkt dus.’ Na tien dagen keren de meeste cursisten terug naar hun oude of nieuwe leven, maar Beth blijft. Na negen maanden is ze er nog steeds, en wordt ze bevorderd tot ‘dienares’. Ze is gegroeid in Dhamma (in ‘leven in het hier en nu’ en dus in de Bhoeddistische waarheid), en mag een deel van haar meditatiesessies inruilen voor nuttig werk ten behoeve van de nieuwe cursisten, van keukenwerk tot wc’s schoonmaken. In de keuken werken ook mannen en er mag zelfs gepraat worden; maar alleen om het goede en het nodige te zeggen. Roddelen of discussiëren zou een stap terug betekenen.

    Pijn is een deur
    Een goed deel van De dienares is gevuld met beschrijvingen van het gemediteer: de pijn, zowel lichamelijk als geestelijk (en dat hangt natuurlijk met elkaar samen) – door gedachten aan trauma’s uit het verleden, die zich iedere keer weer opdringen en waar je afstand van moet nemen. Stop, begin opnieuw, maak je leeg… enzovoorts. Uit de meditatieflarden ontstaat stukje bij beetje een beeld van wat er allemaal fout ging in Beths leven, van het liefdeloze huwelijk tussen haar ouders, de wens van haar vader om haar in het familiebedrijf op te nemen, en haar slordige leven in verzet daartegen. ‘Better of on my own’ is haar lijflied. Negen maanden navelstaren zijn blijkbaar niet genoeg om daarmee af te rekenen (Boeddhistischer gezegd: om die gevoelens te aanvaarden en los te laten). Beth ontspoort als boeddhistisch dienares. Ze flirt en zoent met mannelijke keukenhulp Ralph, rookt weer sigaretten en gaat op onderzoek uit in de mannenafdeling. In een kamer treft ze het dagboek aan van een in zijn leven vastgelopen uitgever, Geoff Hall: zijn huwelijk stelt niets meer voor, zijn bedrijf gaat failliet en zijn enig kind heeft nauwelijks een eigen leven, omdat ze door moederlief wordt klaargestoomd voor een danscarrière. Geoff heeft grote moeite met de meditatiediscipline. Hij klaagt over pijn en Beth kan het niet laten in zijn dagboek te noteren: Je pijn is een deur, ga er door. Ze verlaat de kamer voor hij weer terug is, maar later zal ze hem wel degelijk ontmoeten. Uiteindelijk verlaat Beth het Dasgupta-instituut, even later gevolgd door Geoff. Dat lijkt eerst nog uit de hand te lopen (met cafébezoek en zoenpartij), maar uiteindelijk levert hij haar netjes af bij haar moeder. Een soort naschrijft van de hand van Beth, 18 maanden later, maakt duidelijk dat alle navelstaarderij heeft geholpen. Ze studeert psychologie, heeft een ´heel leuk vriendje´ dat ze van plan is te dumpen voor hij haar dumpt, ze zingt weer en ze probeert een uur per dag te mediteren.

    Lijden is verleidelijk
    De dienares heeft iets paradoxaals. De essentie van Vipassana meditatie is het afstand nemen van je gevoelens van pijn, verlies en andere traumata. En ook van je vreugde en geluk. Je moet ze onder ogen zien, maar niet alsof ze van jezelf zijn. Dat is het tegenovergestelde van wat in romans – maar ook rocksongs en emotie-tv – aan de orde is: het intensiveren en inleefbaar maken van gevoelens, het forceren van een crisis, om het drama dat inherent is aan iedere mensenleven te verwerken. Het tragische, het dramatische en – als tegengif – het komische en ironische, die de bouw- en brandstof zijn van bijna alle moderne literatuur, daar moet je binnen de muren van het Dasgupta-instituut juist tegen vechten. En door alle leefregels bestaat de meditatiegemeenschap vooral uit zwijgende en in zichzelf gekeerde langs elkaar heen schuivende individuen. Interactie uitgesloten. Daarmee lijkt iedere oprechte poging om een roman te schrijven binnen de kaders van het Vipassanadenken gedoemd. Failliete uitgever Geoff komt in zijn dagboeken dan ook tot kritische inzichten over ‘zijn’ boeken: ‘Wat doen die verhalen anders dan pijn verheerlijken? Dat geldt voor alle romans die ik heb gepubliceerd, alle pretentieuze sagen waarvan ik hoopte dat ze het aangezicht van de Engelse literatuur zouden veranderen. Ze verheerlijken het lijden. Alleen een leven met lijden is aantrekkelijk. Dat is duidelijk. Te beginnen met Christus.’ En verderop mijmert hij over een meisje dat wegens een hysterische huilbui de meditatiezaal uit wordt gestuurd: ‘Ze heeft een verhaal te vertellen, een roman te schrijven. Weldra zal ze naar een uitgever rennen met haar typoscript. […] Dan kan haar lijden openbaar gemaakt worden en kan iedereen het in zijn handen houden, ervan proeven, het strelen, de bladzijden omslaan en zuchten, o wat een intense gevoelens, wat een helse dilemma’s, o hoe nobel is de menselijke ziel!’ En daar zit je dan, als lezer, met De dienares voor je neus….

    De dienares is geslaagd als inleiding-in-romanvorm tot de Boeddhistische meditatiepraktijk. Het bevat geen klamme zweverigheid of pittoreske goeroes en al evenmin dweperige beschrijvingen van exotische oorden. Geen oriëntalistische kitsch dus. En het boek geeft wel degelijk een goed beeld van hoe het werkt en wat het met je doet. Maar een volwaardige roman is het niet: daarvoor verloopt het verhaal te lineair, terwijl alle passie wordt versnipperd en gesmoord in meditatie, afstand nemen, loslaten en volledig aandachtig linzen wassen. Daardoor ontstaat ook afstand tussen de lezer en Beth. Heel goed zegt de boeddhist, maar best jammer zegt de lezer. Een patstelling.

     

     

  • Liever waanzin dan weemoed

    Liever waanzin dan weemoed

    Ademhalen onder de maan is Ingmar Heytzes tiende bundel. Eentje met gedichten over dagelijkse gebeurlijkheden, zelf beleefd dan wel opgepikt uit krantenberichten, alledaagse gedachten en ervaringen en bij voorkeur afgeleiden daarvan, al dan niet in opdracht geschreven en 39 in getal. De flaptekst vertelt dat Heytze in deze bundel levens van anderen leeft, ‘want één leven is hem te weinig’. Wat is er in godsnaam mis met zijn leven dat het hem niet genoeg is? Er bestaan kunstenaars die aan een paar motieven genoeg hebben om een leven lang mee toe te kunnen. Er bestaat ook een polemisch artikel van Heytze van begin dit jaar waarin hij zijn grieven spuit over het feit dat onverstaanbare poëzie (met name genoemde afscheiders daarvan: Robert Anker, Arjen Duinker, Nachoem Wijnberg, F. van Dixhoorn) zoveel meer in de prijzen valt dan haar verstaanbare tegenpool, waarvoor o.a. dichters als Menno Wigman, Frank Koenegracht, Ester Naomi Perquin, Tjitske Jansen en Jules Deelder zouden tekenen. Zou het werkelijk? Het artikel mag dan niet onvermakelijk geschreven zijn, de strekking was helaas zo belegen als een Belgenmop. Wanneer Heytze zich blijft overgeven aan dit soort achterhoedegevechten zal hij aan zijn eigen leven zeker niet genoeg hebben. Maar bij Heytze is de lezer in ieder geval verzekerd van verstaanbaarheid. We zullen eens zien wat dat oplevert.

    Gedichten over een wasstraat, over een uit de hand gelopen ontgroening, over het (inmiddels verdwenen) ‘blauwe bord’ van de treinvertrektijden in de Utrechtse stationshal komen langs. Verzen over de vrouw van de 16de eeuwse schilder Jan van Scorel of over Joeri Gagarin zijn gedichten waarin de dichter zich in een ander heeft verplaatst. De meeste van deze gedichten kabbelen rustig voort. Het blijft meestal keurig binnen de lijntjes van wat je van een beetje dichter mag verwachten. Bij Heytze is dat: een verantwoorde dosis verstaanbaarheid aangelengd met een al even verantwoorde dosis feelgood melancholie. Producten van iemand die het zelf te goed gaat om zich zijn lot of dat van de wereld te beklagen. Een voorbeeldige dichter die je gerust ook cadeau kunt doen aan wie beweert nooit poëzie te lezen. Een boeketje slappe zinnen is echter zo geplukt: ‘Ik geef je een wereld om in te wonen’.’de wereld is groot / en vol geheimen’, ‘met je naam / vol aah’s om te fluisteren in de nacht,’ ‘Alles is samen jij’. Of postbus 51 instant kitsch als: ‘Hier is de wereld, te groot om in te pakken. / Hier is de wereld, te klein om meer te zijn / dan één tussen de miljarden, net als wij.’ Een gedicht dat handelt over de gedachte dat alles evengoed ook wenselijker had kunnen verlopen eindigt met de regel waarin een tikkeltje te veel verstaanbaarheid is gestopt: ‘Een ziekenhuis waar jij genas.’

    Dat mag allemaal zo zijn, máár … net zo goed tref je in hun directe nabijheid iets moois aan als: ‘Met jou zal ik nooit ergens anders zijn dan halverwege, // in het midden van de wereld.’ Zinnen die je blij maken. ‘Elke bange idioot is een heelal / dat in slowmotion aan scherven gaat.’ Een rake stoot wordt uitgedeeld aan protserige types die zich op grond van hun afstamming heel wat verbeelden ‘voorrang eisend met te grote wagens’.

    Het openingsgedicht van deze bundel is in z’n geheel een vers om te citeren:

    ‘Kumari

    Ergens in de wereld laat een kunstenaar een huizenhoge
    rubberen eend te water. In een ander land overvalt een vrouw
    een bank met een pak melk als wapen. Elders schildert
    een man zijn eigen zebrapad, staat een jongen, conform
    zijn laatste wens, drie dagen verticaal opgebaard.

    Een babywalvis denkt dat een schip zijn moeder is en sterft
    na enkele dagen meezwemmen aan ondervoeding. Nepalese
    geestelijken zoeken naar een meisje tussen twee en vier,
    met de inborst van een leeuw, het lichaam van een vijgenboom
    en de stem van een eend, de levende incarnatie van de godin
    Kumari. Eenmaal gevonden draagt ze rood en goud,

    mag ze alles doen waar ze zin in heeft totdat ze bloedt en ik –
    ik ben de bewaker van dit moment, ik heb de stem van een eend
    en de inborst van een leeuw, ik eet vijgen als ik er zin in heb,
    ik kijk naar alle schermen tegelijk en zie: ergens in de wereld
    laat een kunstenaar een huizenhoge rubberen eend te water -‘

     

    Een in zijn onoverkomelijkheid bijna dwingend gedicht in de Heytze kenmerkende, ogenschijnlijk nonchalante, maar intussen trefzeker geformuleerde stijl geschreven. De achteloze mededelingen ritsen zich in dit vers ineen van een kunstenaar naar een vrouw, dan weer een man. De seksen voorbeeldig afgewisseld als op een PvdA-verkiezingslijst. De ik-figuur die de beelden even achteloos als machteloos op zijn beeldschermen thuis krijgt voorgeschoteld, en zich zo een beveiligingsbeambte kan wanen zonder de mogelijkheid tot ingrijpen, laat staan het ook maar te begrijpen. Niet eindigend met een veilige punt maar met een gedachtestreepje, alsof het niet van ophouden weet…

    Heytze heeft in navolging van Menno Wigman een tijdje in een psychiatrische inrichting in Den Dolder mogen verblijven. Nee, niet als patiënt, maar om als dichter zogezegd inspiratie op te doen. Dat heeft hem goed gedaan, resulterend in een aantal gedichten waarin de dichter het soms maar dunne scheidingswandje tussen de waanwereld en ‘normale wereld’ treffend heeft verbeeld. In het gedicht Hazen bijvoorbeeld (‘Een haas gaat slechts gekleed in weiland, / in de afstand tussen jou en hem.’) is een vrouw helemaal vol van hazen. De dichter informeert tussen de regels door naar egels: ‘En egels, vraag ik, hoe zit het met egels?’ ‘Ook mooi, maar anders, / hulpelozer. (…) Hoe ze er nooit in slagen /  te verdwijnen in zichzelf. // Hazen, zegt ze na een tijdje. Hazen zijn omgekeerde egels.’ Kijk, dat is klare taal. Valt niets tegen in te brengen! Heytze bevalt mij daarom ook beter als hij toegeeft aan dat beetje waanzin in zichzelf en in de wereld, zoals in het gedicht dat simpelweg getiteld is met K.K. Afkorting voor de makelaarsterm kosten koper.

    ‘Achter elke voordeur huis een leven als een hond
    (Kom verder. Aan de keukentafel zitten we te eten,

    lachen met vrienden, dood en levend. In de tuin
    schemert een blauweregen in de pergola. Trap op

    links de kamer waar de baby wordt verwekt.
    Bij de serre zegt ze, op een dag met kouder licht,

    dat ze vertrekt. Verder: zolder die geen zon verdraagt,
    schuur die ruikt naar aarde, golfplaat. Badkamer

    met ligbad waar je later wordt gevonden), een dolle
    hond die bloed ruikt, dagen, jaren voor je komt.

     

    Schitterend gedicht, waarin twee werelden tegen elkaar opbieden. Staat als een huis. In het gedicht Het uur van het schaap lezen we ook al:

    ‘Ik ben een grote, valse hond,

    het baasje is dood, ik knaag
    mijn weg door groene heggen.’

     

    Zodra Heytze z’n tanden laat zien, neemt hij meteen flink afstand van het schoothondje van de gelegenheidsdichter. De allemansvriend die aan weemoed op bestelling doet kan niet tippen aan de dichter die de waanzin in de ogen van een dolle hond heeft gezien. In poëzie is waanzin mij liever dan weemoed. Alleen dan doet de dichter waarlijk recht aan het motto van Charles Bukowski dat aan deze bundel voorafgaat: ‘and after what seemed like / an eternity / we finally found the tunnel at the end of the light’ en komt hij zelf met door waanzin gefilterde gedichten die onze huis-tuin-en-keuken wereld op z’n kop zetten.

     

     


  • Peuteren aan de rafelranden van het gewone

    Peuteren aan de rafelranden van het gewone

    De Canadese pianist Glenn Gould (1932-1983), ooit wereldberoemd door zijn onnavolgbare uitvoeringen van Bach, waarbij je hem kon horen neuriën en zichzelf met één hand zag dirigeren, had een voorliefde voor de muziek van Arnold Schönberg. Deze had in 1921 de zogenaamde twaalf tonen muziek bedacht. Piep- en knor muziek heb ik het wel eens horen noemen. Gewone harmonieën zijn verdwenen en de klanken klinken nog wel eens willekeurig, waardoor de meeste mensen zich achter de oren krabben en zich afvragen waar ze nu eigenlijk naar luisteren. Schönbergs twaalf toon muziek verwart, zeker diegenen die het voor het eerst horen.

    Gould vroeg zich af waarom we toch zo veel moeite hebben met zulke muziek die fundamenteel afwijkt van de melodische  klanken die we gewend zijn. Als je nou eens een kind alleen maar atonale muziek zou laten horen, zou het dan later net zo in de war raken van conventionele, tonale muziek? Gould dacht van wel. Het zijn volwassenen die moeite hebben het ongewone gewoon te vinden.

    Je zou kunnen zeggen dat Schönberg het muzikale alfabet had veranderd. Hij had de harmonische wetten van de muziek naar zijn eigen hand gezet. In het begin van de twintigste eeuw was hij niet de enige die morrelde aan bestaande alfabetten, wetten en grammatica’s. Schönbergs vriend, de schilder Kandinsky maakte abstracte schilderijen bestaande uit cirkels, driehoeken, lijnen en kleurvlakken die allemaal een eigen betekenis hadden en onderdeel waren van een zelf bedachte, spirituele taal. Tijdgenoot Marcel Duchamps bedacht zelfs een alternatieve, humoristische natuurkunde die hij in zijn kunstwerken tot in detail uitwerkte. Het resultaat van al die experimenten was telkens dat het gewone plotseling ongewoon werd en het enige wat je daarvoor hoefde te doen was iets veranderen aan een klein maar fundamenteel principe.

    In K. Schippers nieuwe roman Op de foto staat een dergelijk experiment centraal. Ons alfabet kent 26 letters, maar wat als er nu een 27ste zou blijken te zijn? Hoe zou die letter er uit zien en hoe zou de taal er mee verrijkt worden? Schippers’ roman is een dans rond die vragen en de lezer blijft na afloop prettig duizelig achter.

    Een extra letter in het alfabet hoe zou die eruit zien? In Schippers roman is het een kleuterklas die op die vraag het best en zonder moeite het antwoord weet. Het zijn de volwassenen die reageren alsof ze voor het eerst een muziekstuk van Schönberg horen. Zij zijn het die even verward raken, op zoek gaan naar betekenis en in een enkel geval zelfs hun leven een andere wending geven. Glenn Gould zou tevreden geknikt hebben.

    Het verhaal is in deze roman eigenlijk ondergeschikt aan het gedachtenexperiment rond de 27ste letter. Abbie en Jan zijn op vakantie en laten door een onbekende een foto van hen maken. De foto (op een ouderwets rolletje) wordt naar huis gestuurd waar een zekere Yvette en haar vriend Rob onmiddellijk geïntrigeerd raken door de foto. Er is iets mee. Het tweetal ziet er van alles in en komt er snel achter dat hij gemaakt is door Alain Dubout, een beroemd fotograaf. Ze besluiten dan ook de foto te koop aan te bieden aan een Londens veilinghuis dat onmiddellijk geïnteresseerd is. Abbie en Jan weten ondertussen van niets, maar ook zij raken later in de ban van de foto en ontdekken dat deze verwijst naar de 27ste letter van het alfabet. Zowel foto als letter worden een steeds belangrijker onderdeel van hun leven. Maar het is Yvette die alleen besluit af te reizen naar het eiland en op zoek te gaan Dubout en het raadsel van die ene letter probeert te ontcijferen.

    Het verhaal mag dan ondergeschikt zijn aan het idee van een extra letter in het alfabet, de manier waarop het verteld wordt, vol met raadseltjes en (pseudo)aanwijzingen, blijft voortdurend boeien en illustreert op een fraaie manier het doel van experiment. Schippers peutert voortdurend aan de rafelrandjes van het gewone, waardoor je op zijn minst het vermoeden krijgt dat er iets ongewoons onder zit. Het idee dat elke zin betekenis heeft kun je bij Schippers dan ook het beste los laten. Zo noemt hij de naam van het eiland niet waar Abbie en Jan op vakantie zijn en waar Dubout de foto maakt, en prikken Rob en Yvette spelden op een kaart om zo bij te houden waar Dubout op zijn reizen is geweest. Maar wie er achter komt dat het eiland Corsica is, heeft een puzzelstukje in handen dat op geen enkele plaats lijkt te passen. De boodschap lijkt te zijn dat de randen van een enkel puzzelstukje veel leuker zijn dan de afgemaakte puzzel en dat een zoektocht veel interessanter is als je dingen vindt waar je helemaal niet naar op zoek was. Sterker nog, de lol is er af als je snel vindt waar je naar op zoek naar bent.

    ‘Plezier’ is het woord dat komt bovendrijven na het lezen van deze roman. Plezier om het gewone weer ongewoon te vinden, de plezier van de lichte verwarring en de plezier van het vluchtig kennismaken met kunstenaars en kunst. Want Schippers wordt niet moe in kleine terzijdes te verwijzen naar kunstenaars, literatuur en muziek, van Meret Oppenheim tot Judy Garland. Maar nergens wordt het opdringerig of overdreven ijdeltuiterij. In plaats daarvan illustreren al deze verwijzingen het plezier van het peuteren aan het gewone. Je zou dan ook kunnen zeggen dat Op de foto in essentie gaat over kunst, die op een lichtvoetige manier levenskunst wordt.

    In 2010 publiceerde Schippers nog zijn zoektocht naar Marcel Duchamps en je zou deze roman een fictieve versie van dat verslag kunnen noemen. Zoals Schippers gefascineerd en beïnvloed werd door de kunstenaar die gewone voorwerpen tot kunst verhief en eigen wetten en meeteenheden bedacht, zo raakt Yvette gefascineerd door Dubout, die veel meer blijkt te zijn dan een fotograaf. Net als Duchamps is Dubout een kunstenaar die kunst en leven met elkaar vermengt, zich terugtrekt en geen aandacht besteed aan roem en publiciteit.

    Duchamps werk is wel in verband gebracht met Dada, de beweging die na de eerste Wereldoorlog Europa even in zijn ban had. En Schippers draagt zijn oude, niet versleten liefde voor Dada nog altijd uit, zoals vorig jaar nog tijdens de tentoonstelling van de gebroeders Ritsema in Drachten. In Op de foto is het dan ook niet voor niets dat Abbie kinderpsychologe is en pogingen doet om het moment vast te leggen dat kinderklanken betekenis krijgen. Dada probeerde in zekere zin het omgekeerde; het betekenisvolle moest tot onzin worden afgebroken.

    Het is op de scheidslijn van onzin en betekenis waar Schippers zich het meest op zijn gemak voelt. In 1958 richtte hij samen met Bernlef en G. Brands het tijdschrift Barbarber op, waarin de poëzie gezocht werd in de onzin en het verrassende in het alledaagse. Naast bijdragen van de oprichters en hun vriendenkring waren regelmatig teksten te lezen van dadaïsten of half vergeten schrijvers uit vroeger tijd. Een enkeling wordt ook genoemd in Op de foto, zoals bijvoorbeeld Edward Lear (1812-1888), aan wie Barbarber eens een heel nummer opdroeg. Lear is de auteur van diverse onzin alfabetten die overigens allemaal 26 letters hebben. Lear schreef onzin rijmpjes voor elke letter van het alfabet, en gaf ze in eerste instantie aan kinderen te lezen. Dat de kring rond Barbarber ze zo mooi vond, heeft alles te maken met het kinderlijk vermogen de grens tussen onzin en betekenis te laten vervagen. Bij Lear werd de systematiek van het alfabet immers ondermijnd door de ontregelende onzin van zijn rijmpjes.

    In 1990 toen Schippers, Bernlef en Brands hun Barbarber-tijd wilden samenvatten in een boek, deden ze dat ook in de vorm van een alfabet. Maar ook hier ontbreekt de 27ste letter. Op de foto maakt die omissie goed.

     

  • Gedichten voor mensenkinderen

    J.C. Bloem heeft het in één van zijn gedichten over ‘Moeilijk gewoon geluk’. Zeker in poëzie is dat een precaire zaak. Kitsch en wezenloosheid liggen op de loer. Hoewel: Gorter (Verzen 1890), Leo Vroman (maar lang niet altijd) en zelfs Gerrit Achterberg (bij vlagen, in Hoonte) wisten er wel weg mee. En Sjoerd Kuyper. De bloemlezing Het heelal van jouw hart levert het bewijs.

    Sjoerd Kuyper is beroemd als kinderboekenschrijver en musicaldichter, maar minder bekend als dichter voor volwassenen. Binnenkort mag hij de driejaarlijkse Theo Thijssen-prijs voor kinder- en jeugdliteratuur 2012 ophalen – en terecht, gezien het dertigtal kinderboeken dat hij publiceerde (waarmee hij al een hand vol Griffels, een Vlag en Wimpel en nog zo wat binnenhaalde). Hij won een Musical Award voor zijn teksten voor Turks Fruit en een Emmy voor het scenario voor De jongen met het mes. Veel minder aandacht kreeg hij voor zijn negen bundels gedichten voor grote mensen. In Het heelal van jouw hart brachten vrouw en schilderes Margje Kuyper en vriend en schrijver Thomas Verbogt de 47 mooiste gedichten bijeen. Margje leverde bovendien het omslagschilderij en Thomas schreef een Inleiding. Die gaat over vriendschap en geluk, en over blije dagen vol bier en jenever in Bakkum en Bergen – waar Kuyper woonde dan wel woont. En het gaat over zijn poëzie: ‘Ik ken geen schrijver in Nederland die zo mooi over geluk kan schrijven. Over de eenvoud van geluk, over de dynamiek van geluk, en ook over het breekbare van geluk. (…) Je krijgt er een ontzettend goed gevoel van.’ Gezellig. Als dat maar goed gaat.

    Van Gorter doordrenkt
    Neem nu het titel- en openingsgedicht, met regels als ‘Ik wil wonen / op een ster / in het heelal / van jouw hart’ en ´En de nacht viel en de kinderen / sliepen in hun zoete geur / en wij dronken nog een whisky / op het stoepje bij de deur.’ Het is, hoe zeg je dat, een onverdunde idylle die zich naadloos voortzet in de dood: ´En we maakten nog één reisje, / het heelal in voor het eerst, / en we vreeën voor het laatst daar / in Hotel De Kleine Beer.’ Nijntje is verliefd, zegt de zure man in mij. Meer een lied dan een gedicht, denk ik vervolgens. Een goed gemaakt lied (uit Turks fruit, zegt Google), dat in heldere taal zonder tierelantijnen inderdaad een goed gevoel oproept. Zo zijn er meer, ook zonder liedtekst te zijn: ‘Rije rije rije, ik en jij en / jij en ik en ik blijf altijd bij je.’ Of, in het van Gorter doordrenkte ‘Liedje van God’: ‘Ik wou ik was / het licht / op je gezicht, / wit in het blauw. Ik hou van jou.’ Niks mis mee, en onmiskenbaar poëzie voor volwassenen, maar is het ook volwassen poëzie?

    Boeken van troost
    In zijn Roland Holst-lezing uit 2003 vertelt Kuyper hoe hij door de dood van een vriend na vele jaren teksten voor kinderen, weer eens grotemensen-poëzie wilde schrijven. Na veel geworstel verscheen op het papier ‘een taal die helder was als water, voor ieder kind te begrijpen. Het leken woorden die in de poëzie voor volwassenen waren uitgestorven.’ Het is niet alleen de taal waardoor kinder- en volwassenenboeken tegenwoordig van elkaar verschillen, volgens Kuyper: ‘kinderboeken gaan altijd over de lezer. Zelfs als in een gedicht het woordje ‘ik’ opduikt, is die ‘ik’ de lezer van het gedicht, niet de schrijver. Literatuur voor volwassenen daarentegen gaat altijd over de volwassen auteur.’  De hedendaagse dichter, zo las hij in de krant, maakt poëzie ‘die met satanisch plezier de taal afbreekt, vergruist, drevelt en met voorhamers bewerkt…’ (Het logische vervolg op Luceberts ‘ik heb daarom de taal / in haar schoonheid opgezocht / hoorde daar dat zij niet meer menselijks had / dan de spraakgebreken van de schaduw.’) Kuyper doet daar niet aan mee. ‘Op het moment dat bijna alle anderen zich grimmig op de chaos stortten,’ ging hij ‘moedig voort op het gebaande pad’ en bleef ´boeken van troost´ schrijven ´voor kinderen en volwassenen, al werden ze sindsdien dan ook kinderboeken genoemd.´ Ik citeer nog steeds uit zijn lezing, omdat die verheldert waar hij staat en wat hij beoogt. Troost bieden, met de schoonheid van klare taal, in herkenbare teksten, zonder rijmangst of stameldwang, voor lezers die zich durven te herkennen in de ‘ik’. En als iemand dat geen volwassen poëzie vindt, dan is dat maar zo.

    Hemel van geurend hout
    Het heelal van jouw hart bevat niet alleen liefdesgedichten. Het gaat ook over een jongeman wiens vader de deur uitvond. Over de Noordenwind, die zo graag lid wilde worden van ´Mooi waaien´ en daarin slaagde door de eekhoorn ‘te doen’. Het gaat over een verlegen restaurant, over het huis van de dichter (op kippenpoten), of over ´een hemel van geurend hout´ met vers gras voor de konijnen en water voor de goudvis (voor de huisdieren van zijn kinderen). Aangenaam absurd. In andere gedichten sluipt het ouder worden binnen (‘Na de pleuris’) en onvermijdelijk de dood, zoals in het afsluitende ‘Zo’n dag’. Ook daar blijft Kuyper monter. Hij kijkt uit naar ‘het laatste feest, / waarop wij samen vieren dat het mooi was / om jij en ik en ik en jij te zijn geweest.’

    De titel van Kuypers Roland-Holst lezing was ‘Dichters dansen niet’. Wie de eerste regels van ‘Het heelal van jouw hart’ leest begrijpt wat hij bedoelt: ‘Ik wil altijd blijven dansen, lief, / dansen zolang ik leef.’ Het zij hem gegund. Het mooiste vind ik een van de oudere gedichten. Best idyllisch al, maar ook bevreemdend en ontregelend:

    ‘Er was een tijd

    Er was een tijd, niet lang geleden, waarin ik

    Botten had die zacht waren als zijde. De meiden

    Giechelden, ze wogen me en schommelden mijn wieg.

     

    Er was een tijd dat ik mocht denken: kijk, ik ben

    Van marsepein. En als dat niet beviel, dan dacht ik:

    Kijk, zilverpapier. Of een kaars, dan kon ik branden.

     

    Jongen en meisje tegelijk. Ik zoende m’n eigen handen.’

     

     

  • Een zoektocht naar het antwoord op de vraag: wie ben ik?

    Een zoektocht naar het antwoord op de vraag: wie ben ik?

    Kwantiteit zegt nog niets over kwaliteit, zo bewijst het boek Isis van Hans Dekkers. Het boek is helaas vrij dun; iedere pagina vraagt om meer. Dekkers is auteur van romans, korte verhalen, gedichten, essays en theaterstukken. Met name zijn dichterstalent komt terug in deze psychologische roman. Zijn woorden en korte zinsopbouw zijn gekozen alsof hij één lang gedicht heeft willen schrijven.

    Op basis van de cover van het boek, zou je zeggen dat het om een thriller gaat. Je ziet twee schimmige meisjes weerspiegeld tegenover elkaar staan, terwijl de wind door hun haren waait en op de achtergrond stormwolken te zien zijn. Het boek begint dan ook met de zin: ‘Er zit onweer in de lucht en de stad zucht onder de zwaarte van een asgrijze hemel.’ De identieke meisjes zijn een tweeling. De ene helft van de tweeling, de puber Isis, vormt de hoofdpersonage van het boek. Vanuit de ik-figuur wordt gesproken over hoe zij naar de wereld kijkt en over haar zoektocht naar het antwoord op de vraag ‘wie ben ik’? Hoewel het boek opbouwt naar een climax en daardoor soms lichtelijk spannend aandoet, is er geen sprake van een thriller, maar eerder van een psychologische roman.

    Isis lijkt een verveeld meisje dat opgroeit in dit digitale tijdperk in een moeilijk milieu – haar ouders zijn jong omgekomen bij een auto-ongeluk, zo is haar verteld, en sindsdien woont zij samen met haar zusje Galya en haar grootmoeder Boma, met wie zij niet goed kan opschieten. Alles wat Isis meemaakt in haar dagelijks leven, ervaart zij zeer associatief. Herinneringen, beelden, en zelfs geluiden worden in haar gedachten opgeroepen. Deze beelden zijn vaak afkomstig uit verschillende media. Zo denkt ze op pagina 11 terug aan een scène uit de film Hannibal. En ook flarden van muziek worden verscheidene malen bij Isis opgeroepen: ‘Het liedje in mijn hoofd versnelt. Blazende bastonen. I walk through mindfields so watch year head rock.’ (p. 9) Isis’ gedachten stromen over met dit soort associaties. De beelden in haar hoofd lijken op te gaan in de werkelijkheid, waardoor feit en fictie nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Isis bemerkt dit zelf ook en begint te twijfelen over haar identiteit. De stemmen en beelden zitten in haar hoofd, maar zij weet niet waar ze vandaan komen: ‘In mij gonst het van de stemmen en geluiden en het maakt mij niet uit of ze binnen of buiten mij klinken. Soms komen er stemmen in mij op die niet van mij zijn. Ze spreken vreemde woorden. Dat is omdat ik van vreemde woorden houd. Ik noem ze V-woorden en sla ze ergens in mijn achterhoofd op.’ (p. 8). Isis manipuleert haar ervaring van de werkelijke wereld dus met haar fantasie.

    Isis’ ervaringsbeschrijvingen van de wereld hebben veel weg van films als The Matrix en Inception, en – in iets mindere mate – The Black Swan: werelden die gedomineerd worden door technologie, waardoor de echte wereld vrijwel niet meer te onderscheiden is van droomwerelden. Isis probeert zelfs op te gaan in deze droomwerelden. Zij heeft namelijk op cyberspace een plek gebouwd, waar zij kopieën heeft gemaakt van alle mensen in haar leven. Deze Avatars in haar virtuele wereld noemt zij ‘X-..’. Zo is het verschil tussen Galya’s echte hond Georgie en X-Georgie, dat X-Georgie nooit ‘uit zijn bek [stinkt]’ (p. 18). Isis heeft de macht en controle over haar Avatars, niet over de werkelijke mensen. Toch weet Isis aan het begin van de roman nog niet zeker aan wie zij de voorkeur geeft. Kiest zij voor haar zelfverzonnen droomwereld, of blijft ze toch liever onderdeel uitmaken van de werkelijke wereld? Isis wordt iedere keer opnieuw met haarzelf geconfronteerd.

    Zodra Uncle X en Martijn ten tonele komen, wordt Isis wakker geschud. Uncle X is een onbekende oom van Galya en Isis, die Isis online heeft weten te vinden via Facebook. Hij stuurt Isis e-mails waarin hij opmerkt dat hij vindt dat de meisjes oud genoeg zijn om het ware verhaal omtrent hun ouders te weten te komen. Uncle X beweert dat Boma jaren heeft gelogen over de toedracht van de dood van de ouders van de tweeling. Uncle X wil alles niet meteen per e-mail vertellen, maar stuurt aanwijzingen, zodat Isis net genoeg informatie heeft om zelf op zoek te gaan naar het geheim over haar verleden. Ondanks dat Galya zeer afstandelijk tegenover deze oom en diens opmerkingen staat, gaat Isis niet alleen op onderzoek uit. Zij selecteert Martijn, een schoolgenootje, om mee op pad te gaan. Martijn weet zichzelf in Isis’ droomwereld te voegen, door bijvoorbeeld in haar taal te spreken; hij hanteert dezelfde pubertaal als Isis en ook hij weet al snel ‘V-woorden’ in de mond te nemen. Hun vriendschap mondt uit in een liefdesrelatie. Maar hoewel Isis zich letterlijk aan hem blootgeeft, lukt het Martijn niet Isis dusdanig aan hem te binden dat zij zich tevens figuurlijk aan hem bloot durft te geven. Isis blijft geremd en afstandelijk. Bindingsangst speelt Isis op alle vlakken parten in de werkelijke wereld. ‘Controle’ hebben, blijkt het kernwoord te zijn waar het gedrag van Isis aan op te hangen is.

    Isis is een geweldig boek. Niet alleen word je meegezogen in Isis´ werkelijke en psychische zoektocht naar het verleden, maar je wordt ook aan het denken gezet over het onderscheid tussen droomervaringen en werkelijke ervaringen, en over de invloed van techniek op ons denken en doen. Dekkers weet je non-stop te boeien. De climax en het einde van de roman zijn compleet onverwacht.

     

     

     

  • Fijngestampte hersens, hartzeer en de dood

    Fijngestampte hersens, hartzeer en de dood

    Het is 1851, in Californië is dat de tijd van de Koorts. De alom aanwezige Amerikaanse cowboys worden wild van goudzucht. Door deze contreien trekken de titelbroers in De gebroeders Sisters. Hun doel is simpel: Hermann Kermit Warm moet dood.

    Charlie en Eli Sisters zijn beruchte moordenaars, met een faam à la Buffalo Bill. Het verschil is dat de broers Sisters in loondienst zijn, en wel bij de Commodore, een autoritaire en zelfgenoegzame rijkaard. Hun doelwit, Warm, is goud aan het zoeken in de buurt van San Francisco en wordt daar in de gaten gehouden door een andere medewerker van de Commodore. Om bij Warm in de buurt te komen reizen de broers door het koortsige cowboyland.

    Nu heeft de Canadees Patrick DeWitt (1975) met dit boek twee belangwekkende Canadese literaire prijzen gewonnen, de Governor General’s Literary Award en de Writers Trust Prize. Eveneens was hij vorig jaar genomineerd voor de Man Booker Prize. Tijdens het lezen van pakweg de eerste tientallen pagina’s kan deze wetenschap bevreemden: het lijkt een doorsnee western, en aanvankelijk is onduidelijk waarom DeWitts roman het literaire niveau van pakweg Karl May ontstijgt – laat staan dat het in de buurt komt van de romans van de hedendaagse meester Cormac McCarthy.

    Maar gestaag begint het boek te bevallen, en dat in steeds grotere mate. Er zit veel meer in dan de eerste lezersblik bevroedt. En dan niet alleen de amusante manier waarop DeWitt zowel de tandenborstel als de telefoon introduceert.

    Ja, de gebroeders Sisters moorden, en dat kunnen ze verdomd goed. Zonder enig literair voor- of naspel vallen de doden. Maar deze ogenschijnlijk gebroederlijk moordende mannen zijn allerminst hetzelfde: ‘Ons bloed is hetzelfde, we gebruiken het alleen verschillend.’ Hebben ze daarom van DeWitt de zo contradictoir op gebroeders volgende achternaam Sisters meegekregen? Anders dan de harte- en achteloos moordende Charlie, een drinker, blijkt de ik-persoon Eli helemaal geen kille moordenaar. Juist niet: alleen op drift kan hij moorden.

    Maar wanneer hij eenmaal in zo’n driftbui verkeert, dan is hij al briesend tot alles in staat. Natuurlijk weet Charlie dit en evenzo weet hij, broer als hij is, precies hoe Eli zo te manipuleren dat hij, als ware hij een opwindpoppetje, tot gebries en gemoord overgaat: ‘Mijn naam is Eli Sisters, jij hoerenjong, en als je niet opschiet en me brengt wat ik gevraagd heb schiet ik je ter plekke overhoop.’

    Dit is Eli Sisters, en het is eigenlijk een ontzettend sympathieke man. Het is een opmerkelijke prestatie van DeWitt dat waarschijnlijk elke lezer met Eli zal meeleven, ondanks zijn waarlijk moordlustige drift: ‘De hersens van de man kleurden paars van het bloed en schuim borrelde tussen de plooien omhoog. Ik trok mijn been op en stampte met mijn volle gewicht de hiel van mijn laars in het gat van zijn schedel, waardoor wat ervan over was verbrijzelde en zo compleet werd platgewalst dat het niet meer als menselijk hoofd herkenbaar was. Toen ik mijn voet weer optilde, voelde het alsof ik hem uit de natte modder trok.’

    De sympathie van de lezer wordt namelijk opgewekt door Eli’s gemijmer. Steeds meer begint hij te peinzen over het leven en over vrouwen. Het leidt hem tot alleszins terechte vragen: waarom moord ik eigenlijk, en zou ik er niet mee stoppen? De antwoorden volgen beetje bij beetje. Deze deelantwoorden worden afgewisseld met bijna-verliefdheden, maar toch vooral met moorden, waarmee Eli varieert op het ‘eerst schieten, dan vragen stellen’.

    Af en toe, en zeker in het begin, lijkt DeWitt teveel een procedé te volgen. Dit gaat als volgt: in ieder kort hoofdstuk speelt zich een opvallende situatie af, waarin de broers hun ruige reputatie versterken, en dan eindigt het met een quasi-reflectieve mijmer van Eli Sisters. Maar ook wat dit betreft komt het boek op gang, worden Eli’s kronkels prikkelender en laat het boek de voorspelbare trant los.

    Terwijl zijn broer zich iedere avond ongans drinkt aan de brandewijn, raakt de peinzende Eli vervuld van walging van zijn professie – en daarmee vervuld van zelfhaat. Het lijkt erop dat de moord op Warm zijn laatste klus voor de Commodore zal zijn. Eli’s mentale ontwikkeling en de reis van de gebroeders Sisters wordt afgewisseld met twee vreemde, enkele pagina’s tellende ‘intermezzo’s’. In het eerste treft Eli een zeven- of achtjarig meisje, die hem in haar droom had gezien: ‘“Ik kwam voor in je droom?” “Er kwam een man in voor. Een man die ik niet kende en niet mocht.” “Was het een goede of een slechte man?” Ze fluisterde: “Het was een beschermde man.”’

    Is Eli beschermd, en zo ja, wat houdt dat dan in? Zowel Eli als de lezer mogen hierop broeden. Zo ook op de verschillende passages, net over de helft van de roman, waarin de broers en Hermann Kermit Warm samen optreden. De naam van Warm mag haast opgevat worden als een onomatopee: Hermann Kermit Warm is een opmerkelijke figuur. Zijn karakter straalt onafhankelijkheid uit, en is aangekleed met een aantal verwonderlijke tics. Zo begint hij, terwijl hij zich in een levensbedreigende situatie bevindt, te fluiten. De melancholicus Eli raakt direct gecharmeerd: ‘Ik herkende het wijsje niet, maar het was zo’n deuntje als ik altijd graag hoorde: traag en sentimenteel en ongetwijfeld met een bijbehorende tekst die over hartzeer en de dood handelde. (…) Hij was een uiterst getalenteerde fluiter; het lied daalde en steeg, kwinkeleerde in de lucht en verdween toen in de ruisende rivier.’

    Maar waarom zitten de gebroeders Sisters achter deze figuur aan? Er blijkt iets met Warm te zijn dat op velen een koortsverhogende uitwerking heeft. Verklapt mag worden dat het plan van de broers, ondanks hun onmiskenbare moordenaarskwaliteiten, anders loopt dan gedacht. Wat volgt onthutst, amuseert ondanks de dood en weet soms zelfs te vertederen. Dit maakt De gebroeders Sisters niet tot een klassieker, maar wel tot een verrassend prettige roman.

     

  • Als stripheld kan het wel

    Als stripheld kan het wel

    De Brooklynclub van de Vlaamse auteur Bart Koubaa biedt een vertekende werkelijkheid. De plot in dit boek is zo onwaarschijnlijk, zo duidelijk geen deel van de realiteit, zo ‘over the top’ dat het haast komisch is. Tot op zekere hoogte in ieder geval.

    In zijn terugblik gaat de ik-figuur, een Amerikaan die in zijn leven diverse onaanzienlijke baantjes vervulde, in op de moord die hij, als een late wraakneming, pleegde en waar hij van had gehoopt dat hij er mee weg zou komen. Maar het toeval, vreemd genoeg verpersoonlijkt door een eekhoorn, beslist anders.

    De ik-figuur probeert een kennis uit Groenland, een zekere Paaluk, een louche figuur die in het boek wel degelijk een misdaad begaat, maar geen moord pleegt, voor de moord op te laten draaien. Dit lukt bijna. Maar uiteindelijk wordt de ik-persoon toch in Groenland gearresteerd en naar een Amerikaanse gevangenis gebracht. Daarmee verraad ik niets, dat wordt aan het begin van het boek al weggeven.

    Echt meeleven met het hoofdpersonage is door de auteur moeilijk gemaakt, want de ik-persoon is weinig innemend. Hij is racistisch en gelooft in complottheorieën. Toch wil je wel doorlezen, doordat de verteller een eigen stem heeft.

    Het verhaal gaat onder meer over een ‘fight club’-achtige organisatie van New Yorkse mannen die elkaar in de ring bekampen met roedenbundels, de zogenaamde Brooklyn club uit de titel. Wanneer de vastgoedmakelaar Mayer zijn intrede doet in de club, verwordt de organisatie al snel. Mayer verkracht de vriendin van de ik-figuur voor diens ogen en die van andere clubleden. Pas veertig jaar later krijgt de ik-persoon de mogelijkheid om wraak te nemen. Hij vermoordt Mayer op brute wijze. Met een waanzinnig plan hoopt hij uit de handen van het gerecht te blijven.

    In dat plan speelt het motief van de dubbelganger een rol, bekend uit diverse klassieke werken uit de wereldliteratuur. De ik-figuur lijkt namelijk sprekend op zijn doelwit, Mayer. Dit gegeven gebruikt hij in zijn moordplan. Dit boek haalt het echter niet bij De Donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans of de novelle The secret sharer van Joseph Conrad, waarin dubbelgangers ook een rol spelen. Het boek is niet beklemmend, eerder apart. Daarvoor zorgt de absurde plot, die in het begin fascinerend is, maar op den duur enige thematische leegte lijkt te moeten verhullen.

    In zijn bekentenis springt de ik-figuur door de tijd, zodat je pas op het einde de hele clou min of meer snapt. De verhaallijntjes komen bij elkaar, maar helemaal bevredigend is het niet. Dat wil je in al zijn onwaarschijnlijkheid best accepteren, maar als lezer hoop je op meer. Je kunt de ik-figuur niet altijd volgen in zijn gedachtenspinsels. Zo zegt hij: ‘Op de vraag waarom ik zo lang gewacht heb om Mayer te vernietigen kan ik in de huidige omstandigheden met wat ik nu weet alleen maar antwoorden dat ik met de beste wil van de wereld geen mens zou kunnen doden. Om Mayer te kunnen vernietigen moest hij in tegenstelling tot Superman, een stripheld worden, een eend in Duck Hunt die je met plezier dood schiet…’ (126)  Deze passage laat tegelijkertijd de sterkte en zwakte van het boek zien. Koubaa heeft stilistisch wat in zijn mars, maar geloofwaardige personages met dito levenskeuzes schept hij, althans in dit boek, niet.
    De ik-figuur is de enige persoon die enigszins wordt uitgewerkt. De andere figuren maken deel uit van diens vervormde wereld. Jammer is bijvoorbeeld dat een potentieel interessant personage als de ontsporende psychiater dr. Neumann, niet verder wordt uitgewerkt.

    Het boek stipt kort gebeurtenissen uit de Amerikaanse geschiedenis van de laatste decennia aan, van de ontploffing van het ruimteveer Challenger en de oliecrisis tot de aanslagen van 11 september. Zo kan De Brooklynclub ook als tijdsdocument gezien worden. Koubaa gaat verder in op de Amerikaanse populaire cultuur, van honkbalwedstrijden tot de strips over Superman en de tekenfilms over Tom en Jerry. Deze verschijnselen vormen de achtergrond voor het handelen van de hoofdpersoon. Dit inkijkje in de Amerikaanse geschiedenis en de populaire cultuur vormt het meest aansprekende deel van dit boek, dat ook qua stijl en compositie wel het een en ander te bieden heeft.

    Bart Koubaa (1968) schreef  eerder onder meer De leraar en Maria van Barcelona.

     

     

  • ‘Eenmansguerrilla’ in Rusland

    ‘Eenmansguerrilla’ in Rusland

    Edward Limonov (1943), de hoofdpersoon van deze literaire biografie heet in werkelijkheid Eduard Veniaminovich Savenko. Limon is citroen in het Russisch en Limonka handgranaat. De combinatie zuur en explosief zijn uiterst toepasselijk als we kijken naar het personage Edward Limonov, dat ons wordt voorgeschoteld door Emmanuel Carrère. De laatste is een bestsellerschrijver uit Frankrijk, die ook vloeiend Russisch spreekt. Carrère ontmoet Limonov op de herdenking van de moord op journaliste Politkovskaja in 2006 in Moskou. Het besluit om een biografische roman te schrijven ontstaat bij die gelegenheid. In eerste instantie lijkt Edward Limonov een fictief personage maar allengs blijkt dat hij wel degelijk bestaat, al zijn zijn escapades haast bovennatuurlijk. De kracht van het boek schuilt erin dat de schrijver ons meeneemt op een speurtocht naar de persoon Limonov en dat we uiteindelijk van hem gaan houden en hem gaan verafschuwen.

    Edward wordt geboren in de Tweede Wereldoorlog als zoon van een beroepsmilitair in een Russisch provinciestadje. Na de oorlog zoekt hij als 15-jarige al snel toenadering tot de misdaadbendes in zijn geboortestadje. Hij leert hier alles wat God verboden heeft en dat loopt aardig uit de hand. Er wordt wodka gedronken, gevochten, geroofd en verkracht alsof het heel normaal is. Edward moet een aantal proeven van bekwaamheid afleggen en doorloopt ze met goed gevolg. Hij is bovendien een aantrekkelijke jongen en heeft erg veel vriendinnen. Na enige tijd belandt hij in Moskou en sluit zich aan bij een alternatieve kring van schrijvers, acteurs en min of meer obscure politici. Het is het post-Chroestjtsov-tijdperk. De repressie is weer in volle gang door het trio Brezjnev-Kosygin-Gromyko en Edward wordt gearresteerd door de KGB omdat hij een exemplaar van Paris Match in zijn bezit heeft. Edward wordt steeds meer een rebel en hij vergelijkt de dissidente Solzjenitsyn met partijchef Brezjnev en de dichter en latere Nobelprijswinnaar Brodski met Kosygin. Brodski moet er om lachen. Hij heeft een zwak voor de brutale Limonov.

    In de late jaren ’60 trouwt Edward met Jelena Shchapova, een beeldschone vrouw en dichteres. Hij weet via een visum met haar naar de VS te komen en belandt in New York. Het echtpaar komt op parties en ontmoet celebreties zoals Andy Warhol, Susan Sontag, Truman Capote en de fotograaf Richard Avedon. Uiteindelijk – een zich herhalend thema – verlaat Jelena hem en stort Edward zich in een zapoj een tomeloos drankgelag van dagen achtereen. Hij knoopt een verhouding aan met een neger en heeft sex met hem. Dat is de eerste keer met een man. Hij schrijft artikelen, die aanvankelijk worden geweigerd maar uiteindelijk in obscure krantjes verschijnen van Russische bannelingen. Een fel artikel tegen de geleerde Sacharov, verschijnt zeer tegen zijn zin in de Pravda. Het boek It’s Me, Eddie zal later verschijnen in de VS maar pas nadat het in Parijs een groot succes is geworden.

    Limonov is intussen in de ’80-er jaren een soort punk geworden, met voorkeur voor de Sex Pistols. In New York is hij nog een tijdje butler bij een miljonair en begint een verhouding met de dochter des huizes. Het levert het boek His Butler’s story op. Zijn boek De Russische dichter houdt van grote negers komt uit in Parijs. Edward verhuist naar de Franse hoofdstad en heeft inmiddels een onmogelijke verhouding met Natasja Medvedeva, een zangeres, die is geëngageerd in het beroemde cabaret Raspoutine, waar veel Parijse kunstenaars optreden. Zijn pogingen om steenrijk te worden van zijn pen halen bakzeil en hij wordt steeds meer geconfronteerd met het alcoholisme van Natasja. Hij ontmoet Zinjavski, de beroemde dissident, maar Limonov vindt hem ‘een oude man in een rolstoel.’

    Zijn eigen politieke ideeën zijn inmiddels uitgegroeid tot een bizar samenraapsel van postbolsjewistische, fascistische denkbeelden vermengd met boeddhisme. Hij bewondert de Wit- Russische Nicolaus Robert Baron von Ungern-Sternberg (1886-1921) , die boeddhisme vermengde met militair optreden tegen de bolsjewieken. In 1989 vertrekt Limonov tegen alle verwachtingen in, weer richting Moskou. Iedereen verklaart hem voor gek, maar dat interesseert hem niet. Hij wil de revolutie gaan leiden. Hij vindt de politieke leiders ‘een stel landverraders’ en rekent daar Gorbatsjov ook onder. Later richt hij de Nationaal-bolsjewistische partij op. Een raar samenraapsel van linkse en rechtse politieke verdwaalden. En in de jaren ’90 gaat hij naar Sarajevo en schiet met een machinegeweer op de stad. Is hij bij de Serven of de Kroaten? Hij wil gewoon een oorlog meemaken en hoopt dat de revolutie in de Balkan leidt tot de val van de regering in Moskou. In 1991 is het bijna zover, na een machtsgreep van Jeltsin probeert Roetskoj met een handvol medestanders het Witte Huis in Moskou te bezetten en Limonov is aanwezig. Maar als hij even naar buiten gaat wordt de coup in bloed gesmoord door paratroopers. Edward weet in de chaos van de bestorming te vluchten, maar wordt later toch gearresteerd.

    Carrère strooit in het boek met gebeurtenissen uit zijn eigen leven, die echter nergens ter zake doen. Dat hij een moeder heeft, een boek schrijft enz. Het leidt af van het personage Limonov.

    Het mag de pret echter niet drukken. We stomen met Limonov op naar zijn gevangenschap in de Engels-gevangenis. Een zeldzaam streng bewind moet hem klein krijgen. Maar hij heeft zich door meditatie gesterkt en door een ijzeren discipline. Zijn dagritme is steeds hetzelfde, het eten kan hem niet deren en hij gaat zelfs bij -25 naar buiten om zijn lichaam te stalen. Hij leest en schrijft. De andere gevangenen kijken tv en blijven op hun brits liggen of gaan kaarten. Dat vindt Limonov tijdsverspilling.

    Na zijn vervroegde vrijlating keert hij terug naar zijn nieuwe 17 jarige vriendin. Limonov is bijna 70, maar kerngezond. Hij voert met Kasparov de oppositie aan tegen Poetin. Hij brengt in praktijk wat Jan Cremer een ‘eenmansguerrilla’ zou noemen. Dat maakt het boek tot een belevenis, maar omdat hij er zulke vreemde ideeën op nahoudt en behoorlijk agressief te werk gaat, wekt het ook verbazing en ergernis op.