Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Ook een mooie ukelele is nog geen gitaar

    Ook een mooie ukelele is nog geen gitaar

    De rode loper van Thomas Rosenboom voert ons terug naar de jaren 70. We volgen vanaf het begin de vriendschap tussen de twee hoofdpersonen die er toevallig net vóór het laatste examen op het Arnhems Lyceum achter komen dat zij eenzelfde toekomst voor zich zien.
    Lou Baljon is een jongen van buitengewoon fors postuur met lang, wit en wattig haar, een vol gezicht met een vlasbaardje, een houthakkershemd en cowboylaarzen. De andere jongen is Eddie van de Beek en de tegenpool van Lou. Scherp gezicht, bijzonder tenger, met een oude maar geklede regenjas, en zijn donkere haar is dik en sluik. Hij woont in Zevenaar.

    Ze bespreken hun aspiraties. Geen studie zoals alle anderen, zij willen iets anders, (…) weg van het gebaande pad – ze gaan in de bijstand. Eddie heeft berekend dat de bijstand de meest ideale oplossing is, ook voor de staatskas. ‘Iets hoger nog dan een studiebeurs, je zit meteen ook in het ziekenfonds, en je behoudt je vrijheid’. Eddie wil journalist worden bij De Gelderlander en Lou wordt roadie bij de bekendste popgroep van Arnhem, Shout. Een viermansformatie waarvan alle leden ook in de bijstand zitten. Hun succes is matig. Er is slechts één hoogtepunt in hun bestaan: de tournee van 14 dagen in ‘rockstad’ Wenen. Lou is helemaal weg van de witte Fender-basgitaar van Walter. Hij kijkt ernaar zoals hij naar een vrouw kijkt. Altijd als hij alleen is in de oefenruimte, pakt hij de Fender en speelt ‘Blackbird’ van The Beatles.

    We volgen het weinig inspirerende leven van Lou als roadie. Muziek, muziek…. Met Lou aan de knoppen. Hoe zit het met de liefde? De meisjes zijn dol op hem maar niet verliefd. Lou ook niet, als het mee zit kent hij hun voornaam. Als het meisje haar haren naar achteren strijkt, dan wil ze wel, heeft hij ervaren. ‘Was dat het geval, dan gingen ze een eindje rijden, (…) dan stopte hij ergens op een parkeerplaats en deden ze het, liggend op een van de twee banken voor in de bus of anders, als er te veel mensen rondliepen, staand in het donkere vrachtruim, waarvan de laadvloer steeds meer bezaaid raakte met kapotjes, net of iemand een blikje sardines uit zijn handen had laten vallen.’

    Lou ondergaat een hernia operatie en wordt blijvend mank door een klapvoet. Deze ‘dwangstand’ verergert zijn minderwaardigheidscomplex. Als roadie is hij exit.
    Op aandringen van Eddie verhuist Lou naar Zevenaar en begint een eigen geluidsstudio: Studio Seven. We zijn dan in de tweede helft van de jaren 80. De studio loopt goed en vooral door zijn bijbaan als trouwfotograaf wordt hij een bekend persoon in Zevenaar. Echter, als carnavalsverenigingen opnames in zijn studio komen maken, houdt Lou het niet meer vol en sluit hij de tent.
    Vriend Eddie komt weer te hulp en adviseert hem een bioscoop te beginnen die uitsluitend horrorfilms draait. Hij weet ook wel een geschikte ruimte om te kraken.

    De episode ‘Bioscoop Corona’ zorgt voor enige hilariteit in het boek door de humor die Rosenboom gebruikt om de burgerlijkheid van Zevenaar op de hak te nemen met als kopman wethouder Vonk.
    Om de 35 jaar chronologisch te overbruggen heeft de schrijver niet alleen drie tijdsprongen van tien jaar bedacht, maar ook twee verhaallijnen die niet synchroon lopen.
    De tweede lijn die in het heden speelt en al begint in hoofdstuk 4 is een geniale vondst. De lezer wordt nieuwsgierig gemaakt, er komt spanning in het verhaal. We volgen Riet, de vrouw van Eddie, met haar jongere nicht Lena. Ze zijn in een limo op weg zijn naar een première ‘à la Brooke Shields’ met Lena in de hoofdrol. Lena is 35 jaar, ‘zeker, ze was mooi, (…) maar haar schoonheid was die van een etalagepop, of een onbewoond eiland’. Lena zegt niets uit zichzelf. Haar dwangstand is ‘mute’ om een toepasselijke muziekterm te gebruiken.

    Maar dan. Tien jaar verder. Voor de eerste keer krijgt Lou nu zelf een lumineus idee tijdens een gesprek met Eddie over de huidige narcistische samenleving. Het is duidelijk dat Eddie hier de visie van de schrijver verwoordt. Er klinkt een ongezouten mening over talentenshows in door. Hij ‘verklaart’ het waanzinnige succes van X-factor, Idols, enz. ‘De doorsnee kijker ziet een doorsnee zanger gefilmd worden op de rode loper, en wat is er mooier dan je eigen droom te zien uitkomen bij iemand die ook nergens in uitblinkt.’ (…)
    Lou ziet het helemaal voor zich! ‘Ik leg voor de Corona een rode loper neer, de mensen lopen erover naar binnen, een cameraman in het portaal filmt (…)’
    De rode loper als autonoom gebeuren.

    Riet en de wonderschone Lena schrijden naar binnen, Lena wordt herkend. Lou kijkt vanuit zijn cabine naar de film en ziet dat Lena hem recht aankijkt, glimlacht en haar haren naar achteren schudt… Hij is helemaal van de kaart en spoelt de film telkens weer terug. Wat gaat Lou doen.

    De laatste vijf hoofdstukken zijn subliem. De vier levens komen bij elkaar via de schijnwerpers, de opnames, de rode lopers. De muziek speelt nog steeds een allesoverheersende rol. De ukelele van Eddie bewijst zijn dienst, al wordt het nooit een gitaar. De Fender-gitaar wordt voor Lou een vrouw in zijn armen, hij speelt de melodie telkens opnieuw. Helaas, voor Lou is nu ook voor hem de definitieve fade-out nabij. Hij blijft alleen achter. ‘Hij zette de Fender in een fauteuil en het glas van Lena op de armleuning. Toen hij ertegenover ging zitten was het of hij bezoek had.’

    Rosenboom schrijft toegankelijk, gebruikt de taal van het milieu dat hij beschrijft en werkt de karakters van de vier weinig spectaculaire hoofdpersonen goed uit; de mooie Lena wordt zelfs een karikatuur. Eddie en Riet vallen nauwelijks uit hun rol. Lou evolueert evenmin, hij is eigenlijk een sneue figuur, een loser Hij laat geen succes toe. Opmerkelijk hoe hij daardoor juist boeiend is.

    De constructie van de roman is mathematisch perfect. Opvallend zijn de vele herhalingen. Je kunt een longlist maken van steeds weer terugkerende beelden, motieven, zinnen, woorden, muziektermen. De rode loper is ook voer voor psychologen, het stokpaardje van Rosenboom.

    Thomas Rosenboom (1956) groeide op in Arnhem, een belangrijk gegeven voor dit boek. In 1983 debuteerde hij met de verhalenbundel De mensen thuis (1983). Al snel volgde Vriend van verdienste (1985). Zijn grote doorbraak kwam met de imposante roman Gewassen vlees (1994), waarvoor hij de Libris Literatuur Prijs ontving. Vijf jaar later publiceerde hij Publieke werken (1999) – en opnieuw won hij daar de Libris Literatuur Prijs mee. Andere werken: De nieuwe man (2003)en Zoete mond (2009).

     

  • Almachtig, maar niet alwetend

    Almachtig, maar niet alwetend

     

    ‘In den beginne was alles…’

    De eerste zin van Vader van God maakt het meteen duidelijk. Dit boek gaat over God en de Bijbel, maar dan net iets anders dan we gewend zijn.

    God woont ergens daarboven en is druk met scheppen, terwijl zijn huishoudster wat om hem heen scharrelt met een stofdoek. Samen werpen ze een blik in Gods terrarium. ‘Dat met die Kelten wordt volgens mij niets…’ meent de huishoudster. En natuurlijk krijgt ze gelijk. Hoe hoopvol hij telkens ook weer is, vaak leidt zijn schepping nergens toe. Hij schept, creëert en worstelt. ‘Tot diep in de avond van die zo hoopvol begonnen dag zat God over zijn schepping gebogen en zag met lede ogen waartoe de vrije wil kon leiden: een saga van hartstochtelijk familietwisten, incest en verraad, van zingende helden die met bronzen zwaarden op aarden ringwallen stonden of hun eigen paleizen in brand staken met al hun gasten erin.’ Het is duidelijk: God is wel Almachtig, maar zeker niet Alwetend als het om de mensheid gaat. Hij klungelt maar wat aan en eigenlijk bakt hij er niet zoveel van. En begrijpen doet hij zijn schepping al helemaal niet.

    Na een zoveelste teleurstelling valt God oververmoeid in een diepe slaap. Hij slaapt lang, heel lang en Bartje de huishoudster maakt zich een beetje zorgen. Er meldt zich een bezoeker, Mozes, en Bartje is onder de indruk van zijn verschijning. Zij laat hem bij Gods lessenaar en daar leest hij de chaotische stapels notities die God voor de heilige boeken van de mensheid heeft gemaakt. Vol bewondering leest hij de aantekeningen over Gods schepping. Bartjes herinneringen zijn echter heel anders: ‘Hij was altijd al goed met de pen…’, mompelt ze.

    Als Mozes weer vertrokken is, ontwaakt God eindelijk uit zijn lange slaap. Hij ontdekt dat Mozes zijn aantekeningen heeft gestolen en begrijpt nu dat hij zijn schepping los moet laten. Hij schept dan wel alles, maar kan desondanks niet alles beheersen. Maar loslaten is makkelijker gezegd dan gedaan.  ‘Allengs begon God geroezemoes te onderscheiden: de stemmen van een mensheid die Hij aan haar lot overgelaten had, drongen steeds duidelijker tot hem door, en met dezelfde nieuwsgierigheid waarmee men volgt wat een voormalige geliefde met zijn of haar leven doet, bleef God luisteren.’ God besluit vermomd als herder naar de aarde te gaan. ‘Uiteindelijk besloot Hij hun een nieuwe kans te geven, zij het als een naijverige en toornige God die geen misstap zou dulden.’

    Gods verblijf op de aarde is geen succes. Na veel gedoe dat uiteindelijk leidt tot de vernietiging van Jericho keert hij ontgoocheld terug naar boven en bedenkt spijtig dat hij ook een bloementuin van de schepping had kunnen maken. Hij heeft helemaal genoeg van de mensheid en besluit nogmaals zich nergens meer mee te bemoeien, maar dan slaat de verveling toe. Hij legt zich toe op de training van vredesduiven en herleest de Bijbel. Het concept van de Verlosser dat hij er in beschreef, biedt kansen realiseert hij zich. Wat als hij nu eens zelf als Messias ten tonele verschijnt? Een mooie kans om de mens te leren begrijpen en dan heeft hij meteen de vader naar wie hij zo verlangt.

    Op dit punt verschuift het verhaal naar de aarde, naar Jozef, die zijn zoon tracht te behoeden voor zijn noodlot. Jozef lijdt en de engel Gabriël brengt hem vele therapeutische bezoekjes. Dit leidt tot jaloezie bij de andere engelen. Erg sympathiek is Gods engelenschare trouwens niet.

    ‘Er viel een traan op Jozefs gebruinde hand, en Gabriël had moeite zijn verveling te verbergen.’

    Erg veel steun heeft hij niet aan de engel en Jozef kan maar één oplossing bedenken: Jezus mag geen Messias worden. Hij mag zich in niets onderscheiden en moet onopgemerkt leven. Daarvoor moet hij aan het alziende oog van God onttrokken worden. Hij ziet maar een uitweg: hij slaat met Jezus op de vlucht. Niet erg gunstig voor Gabriëls imago: hij vreest de annalen in te gaan ‘als de weke therapeut die Jozef een proefverlof toestond.’

    Met Vader van God heeft Martin Michael Driessen, regisseur en vertaler, een origineel boek geschreven. Enerzijds is het een humoristisch, maar toch respectvol bijbelcommentaar, anderzijds is het een pakkende roman over vaders en zonen. Gods verlangen naar een vader en Jozefs drang om zijn zoon te redden vullen elkaar mooi aan. De stijl is mooi en warm en overtuigt, ondanks (of juist dankzij?) de vele anachronismen. Zo verlangt de huishoudster naar mooie winkelstraten en een nieuw servies, terwijl het nog niet eens in God opgekomen is om die te scheppen. Verwonderd vraagt hij zich dan ook af waarom zijn huishoudster vaak meer lijkt te weten hijzelf. De rol van Jozef is ontroerend en Driessen slaagt er zelfs in om God als een geloofwaardig personage neer te zetten, met wensen en verlangens, teleurstelling en onhandigheden. Maar uiteindelijk is de glansrol  voor de huishoudster!

     

  • Gewone mensen in een woelige tijd

    Gewone mensen in een woelige tijd

    Joke van Leeuwen neemt de lezer in Feest van het begin direct mee terug in de tijd, naar het Parijs ten tijde van de Franse revolutie (1789-1795). De tijd dat er nog koetsen reden, chirurgijns werkten, de eerste kranten werden gedrukt en de guillotine zijn entree maakte. En hoewel Van Leeuwen nergens expliciet ‘Parijs’ of ‘revolutie’ noemt, geeft ze in het verhaal zoveel aanwijzingen dat er geen twijfel over kan bestaan dat we ons daar bevinden. Het is niet verwonderlijk dat Van Leeuwen een historisch thema heeft gekozen, want naast auteur voor kinderen en volwassenen, is ze historica. Van Leeuwen heeft deze roman gebaseerd op de memoires van Charles-Henry Sanson, de beul die van 1739 tot 1806 in Parijs leefde en die duizenden mensen om het leven heeft gebracht.

    In zeer mooi geformuleerde en beeldende zinnen geeft Van Leeuwen een beeld van het Franse leven aan het einde van de achttiende eeuw. In de proloog weet ze zeer pakkend de omgeving en de sfeer te schetsen:

    […] De regen stort nietsontziend op de hoofdstad. Hij slaat putjes in het water van de rivier die er als een kromme ruggengraat doorheen loopt en tekent slingerbeekjes in de modder van nog ongeplaveide straten. De open goten kunnen de toevloed niet meer verstouwen en uit de regenpijpen, die maar tot halverwege de gevels reiken, spuit het water op de rillende flanken van de paarden en de dunne daken van de koetsen.  

    Het hele verhaal doet door dit soort formuleringen en gebeurtenissen wat sprookjesachtig aan. En dat terwijl het verhaal alles behalve een rooskleurig, happy-end verhaal is: personages gaan dood, zijn eenzaam en arm. Bovendien is de lucht ‘dik van bederf’ en de rivier ‘geurend naar dood’. De personages doen allerlei pogingen om gelukkig te worden, ze proberen met de revolutie – het feest van het (nieuwe) begin – een nieuwe start te maken, maar het is droeve ellende. Van Leeuwen geeft de tijdsgeest goed weer, ze heeft het verhaal niet geromantiseerd. Een nadeel is dat zij haar woordgebruik nauwelijks aangepast heeft, wat herhaaldelijk tot wenkbrauwfronzen leidt bij woorden als ‘faubourg’, ‘bergère’, ‘assignaten’, ‘commensaal’ en ‘sakkeren’. Het is daardoor even ‘inkomen’, maar als je eenmaal in het verhaal zit, word je in rap tempo meegesleept.

    Het verhaal gaat over verschillende personages die in die periode leven: Catho, een vondelinge, die opgroeit in een weeshuis dat door nonnen gerund wordt; Berthe, een jonge non van rijke afkomst; Tobias, een klavierbouwer van Duitse afkomst met een absoluut gehoor (gebaseerd op Tobias Schmidt die voorkomt in de memoires van Sanson); en Gustaphe, een idealistische kunstschilder die vastberaden is om de schilderkunst te vernieuwen. Catho en Berthe ontmoeten elkaar in het weeshuis, waar Berthe Catho leert lezen en schrijven en waar zij een bijzondere band opbouwen. Als Berthe het weeshuis plotseling verlaat, wordt Catho’s drang om ook het weeshuis te verlaten nog groter. Ze sluit zich aan bij de revolutionaire jongeren en trekt in bij Gustaphe. Hij gebruikt haar als model voor zijn ‘vrijheidsschilderijen’ en om zijn seksuele lusten op los te vieren. Berthe, die haar luxueuze leven weer heeft opgepakt, besluit een piano te kopen bij de klavierbouwer en zo worden alle personages met elkaar verbonden. De klavierbouwer heeft een onwaarschijnlijke vriendschap opgebouwd met Charles, de beul van de stad. En hoewel zijn vrouw vreest voor de reputatie van de zaak en het tegen zijn principes is, besluit hij toch om Charles te helpen.

    De levendigheid en de warmte waarmee Van Leeuwen de omgeving en de gebeurtenissen omschrijft ontbreekt helaas af en toe bij de personages. De afstand tussen de lezer en de personages is heel groot: door het uitblijven van het beschrijven van de emoties en door de afstand die wordt gecreëerd door het steeds te blijven herhalen van ‘de vondelinge’ (Catho) en ‘de nieuwe’ (Berthe). Ook zijn personages wel erg naïef – zo begrijpt Berthe niet dat haar vroegere huisknecht haar haar eigen huis uitwerkt en houdt Catho er geen rekening mee dat als je je geld in een café legt, het wellicht gestolen wordt. Dat maakt ze niet altijd geloofwaardig. Desondanks zijn de personages interessant, want tekenend voor de idealen en het krampachtig streven naar geluk van de mensen uit die periode. Treffend is dan ook het motto wat Van Leeuwen in het boek heeft opgenomen: ‘Weest gelukkig, want jullie zijn niet schuldig’.

    Wat de personages bindt is ook de verregaande ambitie, zo is Catho vastberaden om haar ontwikkelingsachterstand in te halen, wil Berthe iets betekenen voor de vrouwen in de maatschappij, is Gustaphe van plan om het vrouwbeeld te veranderen en wil Tobias een nieuw instrument bouwen, maar geen van allen slagen ze (volledig). Het is een roman van vallen en opstaan, van doorgaan – soms tegen beter weten in. Typisch is dat zowel Catho als Berthe – die beiden opkrabbelen na een val – zich bij iedere poging een nieuwe identiteit aanmeten. Ze laten zo hun verleden achter zich en veranderen hun naam. Als Catho het weeshuis verlaat stelt ze vast: ‘Eigenlijk is ze opnieuw geboren, meteen in een bruikbaar formaat.’ En bij die nieuwe geboorte hoort een nieuwe identiteit, daarom besluit ze zich vanaf dan Claire te noemen. Ook Berthe begint met een schone lei als ze het weeshuis verlaat: ze offert haar lange namen op voor het korte en meer burgerlijke ‘Berthe’.

    De roman geeft ook stof tot nadenken. Zo worden de positie van de vrouw en de schuld van de beul ter discussie gesteld. De hele stad mijdt de beul en houdt hem verantwoordelijk voor de vele doden. Maar – zoals hij zelf zegt – ‘als men iets doet wat niemand anders wil doen, verdient men dan minachting of juist respect?’ Een interessante kwestie. Het antwoord? Lees dit boek en oordeel zelf.

     

     

  • Lezen met voorkennis

    Lezen met voorkennis

    In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw was de Duitser Lion Feuchtwanger (1884 – 1958) een grote naam in de literaire wereld. In zijn eigen land kwam hij echter steeds meer onder druk te staan. Toen zijn roman Succes in 1930 verscheen, weigerden sommige Duitse boekhandels het te verkopen en vertegenwoordigers van de uitgeverijen werden soms hardhandig de deur uit gewerkt. Met Succes was de joodse Feuchtwanger op de nationaalsocialistische tenen van de Duitsers gaan staan, en dat werd hem niet bepaald in dank afgenomen.

    In 1931 schreef de krant van Hitlers NSDAP, de Völkischer Beobachter een recensie over de roman en sloot deze af met het dreigement dat de auteur hiermee zijn toekomstige emigrantenpas rijkelijk verdiend had. Twee jaar later, in 1933, werd dit dreigement uitgevoerd. Hitler greep de macht en op de allereerste lijst van ongewenste personen die het naziregime opstelde, stond Feuchtwangers naam.

    Door een gelukkig toeval bevond Feuchtwanger zich op dat moment niet in Duitsland maar in de Verenigde Staten waar hij aan een lange lezingentournee bezig was. Toen Hitler de macht greep werd het hem duidelijk dat hij niet meer terug kon.

    Net als in Duitsland verscheen Succes in Nederland in 1930. De dichter Anthony Donker (pseudoniem van Nico Donkersloot) had de meer dan 600 bladzijden razendsnel vertaald en literatuurkenners als Menno ter Braak, Hendrik Marsman en Victor E. van Vriesland schreven er over.

    Ter Braak vond, kort gezegd, de roman stom vervelend. Zijn vriend E. du Perron deelde die mening en noemde Succes in een brief ‘een dom, dik boek’. De dichter Hendrik Marsman vond het lezen zelfs een kwelling en kwam niet verder dan de helft. Van Vriesland daarentegen was laaiend enthousiast. Volgens hem gaf het boek een prachtig tijdsbeeld weer.

    Succes is nu opnieuw uitgegeven in de oorspronkelijke, wat opgepoetste vertaling van Anthony Donker. Het is interessant om 82 jaar na de eerste verschijning te kijken waarom de nazi’s zo boos waren op dit boek en in hoeverre Ter Braak, Du Perron en Marsman gelijk hadden in hun kritiek. Had Lion Feuchtwanger echt zo’n slechte roman geschreven, of lezen wij dit boek tegenwoordig heel anders dan de critici in 1930? Het laatste is zonder meer het geval. De nazi’s waren boos geworden op de inhoud van de roman, Ter Braak, Du Perron en Marsman stoorde zich vooral aan de vorm.

    In zijn essay Het Schrijverspalet, dat men kan waarderen zonder het er mee eens te zijn, rekent Ter Braak keihard af met Feuchtwanger. Ter Braak had een uitgesproken afkeer van beschrijvingen in de literatuur en hij vergeleek Feuchtwangers stijl met die van een filmregisseur – en dat was niet complimenteus bedoeld. Ter Braak hekelde de onpersoonlijke, documentaire stijl die Feuchtwanger in Succes hanteerde: ‘Zou het iemand schokken, als men hoorde, dat drievierde van Erfolg door Feuchtwanger’s generalen staf in het bijkantoor was vervaardigd?’

    Ook Marsman bekritiseerde uitsluitend de vorm van de roman en liet de inhoud onbesproken. Dat is merkwaardig omdat juist de politieke inhoud van Succes zo opmerkelijk is. De nazi’s in Duitsland maakten zich niet voor niets kwaad over dit boek. Een gegeven waarvan het drietal Ter Braak, Du Perron en Marsman in 1930 de relevantie nog niet inzagen. Weinig mensen hadden duidelijk geen idee wat deze roman hen over de te komen jaren probeerde duidelijk te maken.

    Succes is een sleutelroman (alleen van Vriesland merkte dat op)  waarin onder meer de opkomst van Hitlers NSDAP en zijn mislukte poging tot een staatsgreep in 1924 versleuteld beschreven worden. Tegelijkertijd is Succes ook een historische roman over een periode in de geschiedenis van Beieren die, op het moment dat het boek verscheen, nog maar zes jaar oud was. Feuchtwanger stopt de roman vol met weetjes die voor lezers uit 1930 overbekend en zelfs vervelend zullen zijn geweest, maar nu overkomen als fraaie, historische details.

    Het boek begint met het verhaal van de kunsthistoricus en conservator Martin Krüger die door het Beierse gerecht wordt veroordeeld voor meineed en daarvoor drie jaar onschuldig vast komt te zitten. De ware reden voor zijn veroordeling is een door hem georganiseerde schilderijententoonstelling die de politieke elite in het verkeerde keelgat is geschoten. Krüger wordt gezien als iemand die de moraal ondermijnt, een subversieve geest die monddood moet worden gemaakt. Hij is een slachtoffer van een onverdraagzaam, politiek systeem.

    Krüger is echter niet de hoofdpersoon van de roman. Feuchtwanger beschrijft in korte hoofdstukken de gebeurtenissen vanuit het gezichtspunt van een aantal personen, van wie er niet één de hoofdrol opeist. Het gebrek aan een echte hoofdpersoon heeft als nadeel dat er weinig is na te voelen en de roman doet zeker in het begin daarom wat zielloos aan. Maar het is Feuchtwanger duidelijk te doen om het weergeven van een tijdsbeeld en het volgen van personen wordt daaraan ondergeschikt gemaakt.

    Het proces van Krüger en zijn uiteindelijke veroordeling geeft een uitermate zwart beeld van de Beierse justitie tijdens de Weimarrepubliek. Krüger wordt met een valse getuigenis veroordeeld voor een zaak die niets te maken heeft met de door hem tentoongestelde schilderijen. Het vonnis staat van te voren vast, de rechters zijn allesbehalve onafhankelijk en het is de Beierse minister van Justitie die achter de veroordeling van Krüger zit.

    Krüger verdwijnt na zijn veroordeling gaandeweg wat meer naar de achtergrond om meer ruimte te maken voor een aantal personen uit de Münchense rechtspraak, politiek en cultuur. Het onrecht dat Krüger is aangedaan lijkt ook wat te verbleken wanneer het politieke klimaat in München duidelijk verhardt en de straffeloosheid toeneemt.

    Een aantal van Feuchtwangers personages komt in de ban van een zekere Rupert Kutzner en zijn beweging van de Nieuwe Duitsers. Het is niet moeilijk om in Kutzner Adolf Hitler en in zijn beweging de NSDAP te herkennen en de moderne lezer weet dan ook wat komen gaat. De Ware Duitsers gebruiken geweld en antisemitisme als politiek middel en schrikken ook niet terug voor het vermoorden van politieke tegenstanders.

    Krügers lot blijft echter toch de rode draad in de roman. Ondanks het groeiend aantal misdaden van de Ware Duitsers en de sfeer van straffeloosheid blijft Feuchtwanger stilstaan bij het onrecht van een enkeling. Ieder mens telt, zo luidt de eenvoudige boodschap.

    Kutzners Ware Duitsers zorgen ervoor dat de spanningen in de tweede helft van de roman enorm oplopen. Tegelijkertijd wakkert de enorme hyperinflatie de onrust nog eens verder aan. Beiden ontwikkelingen komen samen tot een bijna rampzalig hoogtepunt dat ook de plot van de roman vormt. De dollar wordt miljarden mark waard en Kutzner doet in een bierhal een greep naar de macht. Maar aan beiden crises wordt het hoofd geboden. Kutzners staatsgreep mislukt en de hyperinflatie verdwijnt door maatregelen uit Berlijn als sneeuw voor de zon.

    Er is weinig door Feuchtwanger bedacht als het om deze twee crises gaat. Hitlers staatsgreep in de Bürgerbräukeller in 1924 mislukte, en de genoemde wisselkoersen komen rechtstreeks uit de krant van die tijd. Een aantal figuren die een rol speelt in Kutzners couppoging is dan ook te herleiden tot historische personen. Gustav von Kahr, de Beierse politicus die grote sympathie had voor Hitler maar desondanks diens staatsgreep deed mislukken, wordt in de roman Franz Flaucher genoemd. De fictieve generaal Vesemann is te herleiden tot de destijds zeer bekende Generaal Ludendorff.

    Behalve rond Kutzner/Hitler zijn er in de roman nog andere personen van wie het aardig is de sleutel te kennen. Krügers vriend Kaspar Pröckl lijkt bijvoorbeeld sterk op Berthold Brecht, Feuchtwangers vriend en collega. En de figuur Balthasar Hierl is gebaseerd op de komiek, schrijver en regisseur Karl Valentin.

    Ook een aantal kleinere gebeurtenissen in de roman vertonen grote overeenkomsten met historische feiten. De moord op het dienstmeisje Amalie Sandhuber, in de roman straffeloos gepleegd door de Ware Duitsers, is gebaseerd op de dood van Maria Sandmayer. En één van de schilderijen die Krüger tentoonstelt en hem zo veel problemen brengt, doet sterk denken aan een kruisbeeld van Ludwig Gies, dat voor de opkomst van de nazi’s al tot woedende reacties aanleiding gaf.

    Helaas bevat de nieuwe uitgave van Succes uitsluitend de tekst van de roman. Er is geen inleiding, geen nawoord of index en wie meer wil weten over de sleutels in deze roman, zal het internet op moeten. Dat is een gemiste kans want er valt veel te zeggen over Succes.

    Met de stijl van Feuchtwanger valt het overigens reuze mee. Langdradig saai wordt de roman nergens, al had het hier en daar best wat korter gekund. In de eerste honderd bladzijden worden weliswaar veel personages geïntroduceerd, maar Feuchtwanger verdient een compliment voor het voorkomen van verwarring; de roman blijft erg overzichtelijk.

    Ter Braak heeft trouwens wel een punt wanneer hij wijst op het, volgens hem ergerlijk gebruik van bijvoeglijke naamwoorden, die vaak in twee- of drietallen voorkomen. Inderdaad kom je af en toe een lelijke zin tegen als: ‘De mooie, zinnelijke vrouw sprak, met diepe, rustige stem in de nacht.’  Maar zo slecht geschreven als Ter Braak wil doen geloven is deze roman allerminst.

    Het is verleidelijk om naar aanleiding van Succes te beweren dat men in 1930 had kunnen weten dat Hitlers een groot gevaar voor de wereldvrede zou worden. Maar zo eenvoudig ligt het toch niet. Aan de motieven van Hitler hoefde weliswaar niemand na het lezen van Succes nog te twijfelen maar Feuchtwanger eindigt zijn roman opmerkelijk genoeg erg hoopvol. Nadat de gevaren van Kutzners staatsgreep en hyperinflatie zijn geweken beginnen de verschillende hoofdpersonen voorzichtig te bouwen aan een betere toekomst. Alsof de nazi’s hun enige kans op de macht hadden laten mislukken en hun ‘beste’ tijd gehad hadden. Die hoop doet na 82 jaar bijna pijnlijk naïef aan en bevestigt tegelijkertijd het idee dat we met kennis van de geschiedenis heel anders lezen.

  • Van gedreven priesterstudent tot sceptische schrijver

    Van gedreven priesterstudent tot sceptische schrijver

    Naar verhalen over ontnuchtering hoef je in de wereldliteratuur nooit lang te zoeken. Personages zijn teleurgesteld over het volwassen leven en het huwelijk, zoals Emma Bovary in Madame Bovary, of in de carrière van hun kind, zoals in Een ontgoocheling van Elsshot. De hoge verwachtingen van deze dromers stuiten op de harde realiteit, die er meestal minder rooskleurig uitziet. In En het regende brood, de debuutroman van ex-priester Stefan van Dierendonck, strandt het geloof van de idealistische jonge priester Clemens Driessen op de praktijken in het seminarie en de parochie.

    Vanuit het perspectief van pater Johannes Beckers wordt het korte leven gereconstrueerd van Clemens Driessen, die in Vaticaanstad, het hart van de katholieke kerk, om het leven komt. Wat is er precies gebeurd? Aan de hand van dagboeken, opnames en opgetekende gesprekken leert de lezer steeds meer over de persoonlijke ontwikkeling die Clemens doormaakte: van een begeesterde, gedreven priesterstudent tot een teleurgestelde priester die zich vastklampt aan de laatste strohalm, de Heilige Hostie. Het zal de lezer niet verbazen dat En het regende brood is gebaseerd op de eigen ervaringen van de auteur, die zijn bestaan als priester en gelovige inruilde voor dat van sceptische schrijver.

    Hoewel Van Dierendonck boeiend kan schrijven, is zijn stijl soms wat onhandig. Wanneer Clemens’ huisgenoot Pim in de kantine van het seminarie van Den Bosch thuiskomt met twee zakken friet, noteert pater Beckers: ‘De geur van friet werd waarneembaar’. Het woord ‘waarneembaar’ past in een theologische discussie over de aanwezigheid van God, maar niet in combinatie met het minder verheven ‘friet’. Van Dierendonck laat de zaken soms groter lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Clemens’ levensverhaal was volgens Beckers zo uniek dat ‘het moest worden verteld’ en het hoofdstuk over Clemens’ vroege jeugd heet ‘Harde data’, alsof het hier een wetenschappelijk onderzoek naar Jezus van Nazareth betreft. Over het handschrift van Clemens wordt gezegd dat ‘een grafoloog in het dagboek vast een wonderlijke tegenstrijdigheid zou ontdekken, de aanwijzing dat deze krabbels een revolutionair karakter onthullen in het loslaten van de conventionele lettervormen (…)’. Clemens een revolutionair noemen, is wat overdreven. Voor een gelovige is het wellicht moeilijk ‘om iemand te worden die zijn eigen weg bepaalde’, maar vóór Clemens hebben al veel andere ex-gelovigen dat gedaan, zoals beschreven in Moederkerk (2012). Van Dierendonck zondert Clemens af van de rest van de samenleving, die buiten beeld wordt gehouden. Zo wordt de van zijn geloof gevallen ex-priesterstudent een ‘uniek geval’, terwijl hij dat eigenlijk niet is.

    Clemens, die als maagd met de opleiding tot priester begon, schrikt van de harde realiteit in het seminarie en de parochie. De priesterschool is niet zo’n deugdzame plaats als hij verwacht had – seksuele betrekkingen tussen studenten worden gedoogd uit angst voor schandalen – en in de parochie moeten de priesters dansen naar de pijpen van de gelovigen en het kerkbestuur. In de periode waarin Clemens als jonge pastoor verbonden is aan een Brabantse parochie, wordt het dilemma van de hedendaagse katholieke kerk treffend verbeeld: tegemoet komen aan de eisen van de gelovigen (die meer ‘vrijheid’ willen), of de norm stellen? Clemens, als jonge conservatieve priester, haalt de teugels flink aan, wat stuit op onbegrip van de parochianen. Wanneer zij onder Clemens’ leiding massaal afhaken, moet hij van het kerkbestuur het veld ruimen. De starre manier waarop de Kerk omgaat met Clemens’ glutenallergie is uiteindelijk de druppel die de emmer doet overlopen. Van een hoge functionaris in Rome mag hij tijdens de mis geen glutenvrije hostie gebruiken, terwijl Clemens daar – letterlijk- ziek van wordt.

    Aangezien Clemens’ geloof onlosmakelijk is verbonden met de kerkelijke instituties die zijn katholieke geloof vormgeven en representeren, gaat hij steeds meer twijfelen aan zijn roeping. Maar de schuldvraag wordt door de schrijver jammer genoeg niet omgedraaid: is Clemens niet naïef? Heeft hij niet een te mooie voorstelling van zaken voordat hij aan zijn priesteropleiding begint? Hoewel de ontwikkeling van Clemens’ geloof (en wat daarvan overblijft) onder de loep wordt genomen, steekt zijn psychologische ontwikkeling daar schril bij af. Als hij al twijfelt, heeft dat altijd betrekking op het geloof of zijn roeping (‘Mijn levenskeuze leek op een duivels dilemma uit te lopen’). Over zijn gevoelens, zijn sociale contacten en zijn seksuele verlangens wordt nauwelijks gerept. Die lijkt hij niet te hebben. Zijn moeder belt hij eens per maand om te zeggen dat alles goed is. Daardoor blijft Clemens een vlak personage en komt hij nooit echt tot leven.

    Het gebrek aan psychologische scherpte maakt ook andere personages ongeloofwaardig. Van Dierendonck schrijft dat het dunne blonde haar van Clemens’ professor moraaltheorie van ingehouden woede trilt tijdens een college over intrinsiek kwade handelingen. ‘De man hield niet van trage studenten, al waren ze nog zo vaak afgestudeerd econoom.’ Een docent die woedend wordt omdat zijn studenten niet het juiste antwoord geven, kan beter in zijn studeerkamer blijven. De professor is een karikatuur van een strenge docent, zoals er in deze roman meerdere karikaturen voorkomen. Niettemin is En het regende brood een onderhoudende roman waarin Clemens’ worsteling met zijn roeping en de kerkelijke instituties treffend is weergegeven.

     

  • Een onbestemde, poëtische waas en een geladen sfeer

    Een onbestemde, poëtische waas en een geladen sfeer

     

    Onlangs heeft dichter/vertaler Jan van der Haar een nieuwe titel van Curzio Malaparte (1898-1957), de Italiaanse schrijver die met de oorlogsboeken Kaputt en De huid een ware cultstatus verwierf, voor het Nederlandse taalgebied ontsloten. Het gaat om de verhalenbundel Bloed (‘Sangue’) uit 1937.

    Bloed bevat een dertiental verhalen, aangevuld met twee voorwoorden van Malaparte zelf uit 1937 en 1954. Daarin lezen we hoezeer Malapartes eigen leven door bloed gekleurd was: ‘Mijn jeugdherinneringen zijn rood van het bloed.’  Weldra volgt een quasi cultureel filosofische uiteenzetting van de Italiaanse horigheid aan de wetten van het bloed. Gespeend van een zeker pathos blijft het niet en de lezer moet enige gedateerde zinnen voor lief nemen.

    Aangezien Italianen alles ondergeschikt hebben gemaakt aan het heilige ontzag voor het menselijk leven, komt hun morele besef alleen bij het vloeien van bloed naar voren. Het Italiaanse volk is nooit slaaf geweest van ideeën of geld, maar des te meer van hun hartstochten. En tot die typisch Italiaanse hartstochten rekent Malaparte jaloezie, eerzucht, liefde voor de moeder, de familie, het land. Uitsluitend een warmbloedig gepleegde moord is voor de Italiaan daarom vergeeflijk. Maar die welke gepleegd uit berekening, ambitie of hebzucht, zal nooit op vergeving kunnen rekenen. En net wanneer je als lezer denkt ‘het zal wel’ komt de schrijver met een welgemikte vuistslag: ‘Zelfs de grootste zielenpoten, kansarmen, blinden, bij wie het morele besef als het ware dood en begraven is, zijn nooit slaaf van honger of hebzucht, maar wel van hun bloed, en dat is de enige slavernij die ze vrij aanvaarden, alsof het een natuurlijke staat of een genadestaat is. In deze warme, strenge heerschappij brengen ze hun bestaan door, ze veroordelen zich tot de hel, maken zich op voor het paradijs. Hun wet ligt in hun aderen. Buiten die wet is er niets wat vat op hun lotsbestemming heeft: de rede, angst noch enigerlei hoop. (…) Vandaar dat aandoenlijke begrip voor andermans lichamelijk lijden. Om moreel leed malen ze niet zo, ja, soms lijken ze er bijna van te genieten, vooral bij anderen: en dan niet uit rancune, afgunst of een ander minderwaardig sentiment, maar uit een diep gevoel voor rechtvaardigheid, uit ervaring met de slechtheid en kleinheid van de mens. Omdat ze weten dat mensen allerlei vernedering, schande en wanhoop verdienen’. Kijk, dat maakt duidelijk waarom de als Kurt Erich Suckert geboren auteur juist Malaparte (‘hij die aan de slechte kant staat’) als pseudoniem koos, de antipode van Bonaparte. Als lezer ben je meteen wakker geschud. Want dat is de kracht van Malaparte: zo nu en dan strooien met rake, schurende zinnen, beelden die zich op je netvlies zetten en niet meer willen wijken. Dergelijke messteken maken het lezen van deze auteur de moeite waard.

    In het verhaal Een stad als ik, waarin de auteur een portret van zichzelf als stad schetst, laat hij zijn gedachten gaan over haar bewoners en die ziet hij het liefst als: ‘Liefhebbers van fatsoenlijk vermaak, die eerder uit zijn op vrede dan op rijkdom. Maar ik zou wel graag een geheime onrust in die hoofden willen, want mensen die zo tevreden, zo zeker van zichzelf en anderen zijn, blijken niet tot grootse dingen in staat. Ik zou ze onrustig en onzeker voor de toekomst maken, zonder spijt of weemoed naar het verleden’. Volmaakt in de klassieke zin zou die stad niet moeten zijn, want ‘wat er echt nodig zou zijn, en waar men niet zonder kan, is een donkere smet op de keien van een steeg (..) Een druppel bloed, niemand zou weten hoe die er kwam, wie er gestorven is, en waarom. (…) Mocht hij als een smet op het geweten van de stad rusten: een reden van berouw en angst moet er immers zijn in een stad, als je wilt dat die volmaakt is.’ Weer bloed dus.

    Er valt van alles over deze bundel te beweren, maar niet dat de titel de lading niet zou dekken. Alle dertien verhalen staan in het teken van het ontzag voor bloed. Daarover kon na het voorwoord al geen twijfel meer bestaan. En hoewel de schrijver daarin beweert bloed te verafschuwen, stelt hij zich tot taak zijn ‘eerste inzichten, ontdekkingen en onthullingen van de mysterieuze wetten van het bloed en bewustzijn’ te beschrijven. Als sommige passages wreed zouden lijken, komt dat echter niet doordat de auteur ze ‘gebundeld [heeft] uit een morbide genoegen in wrede beelden, maar om te tonen hoe men door de pijnlijkste ervaringen een ultiem, vrij bewustzijn van zichzelf en zijn volk en zijn tijd kan bereiken.’

    Toch kan, wie de soms surrealistische oorlogstaferelen uit Kaputt en De huid in het geheugen gegrift staan, alleen maar constateren dat het met die wreedheid in Bloed nog wel meevalt. Ze ligt voortdurend op de loer, maar de verhalen waarin de wreedheid botgevierd wordt, zijn in de minderheid. Hier is de auteur aanzienlijk ingetogener, poëtischer te werk gegaan, is de sfeer minder bizar. De verhalen dateren nog van vóór de Tweede Wereldoorlog. En hoewel Malaparte als adolescent in de Eerste Wereldoorlog vocht, klinkt het krijgsgewoel daarvan nauwelijks door. De toon in de verhalen is beduidend bescheidener dan die van het voorwoord. Veel verhalen hebben een onbestemde, poëtische waas over zich. Er gebeurt vaak te weinig om van een plot te kunnen spreken, maar de sfeer is geladen. De meeste gaan over de als somber en beklemmend beleefde kindertijd en over het gevoel overal buiten te staan: geen binding te hebben met de mens, met de wereld om hem heen. ‘Als kind was ik triest, diep ongelukkig’ is een zin die wat betreft de gemoedstoestand van het jonge kind veel samenvat. Alle zintuigen staan open, want de buitenwereld is vol dreiging. Dat levert uitdagende, expressieve beeldspraak op als ‘er hing een reusachtige kwetsbare rust in de lucht’ en ‘onder het raam hijgde de zee als een koe voor de gesloten staldeur’. Wanneer de schrijver het vertelperspectief even overneemt, worden zulke zinnen even makkelijk ingewisseld voor wat meer reflectieve: ‘Ik ken mijn geheimen, mijn kracht, de duistere en lichte kanten van mijn geest, wat er al dood is in mij, wat nog levend. Ik weet hoe ik mezelf moet teleurstellen’.

    Langzaamaan zien we de het kind tot jongeling opgroeien. In het verhaal Jongenskwelling gaat de ik-figuur gebukt onder de last van twijfel en onzekerheden. Wanneer hij eindelijk een jongen in vertrouwen heeft genomen om hem zijn kwellende gevoelens op te biechten, lezen we: ‘ik voelde dat ik hem ongewild met mijn woorden de zekerheid had gegeven dat voor hem nu alles verloren was, dat niets hem meer zou kunnen verlossen van die angst, die vrees voor de dood waarvan mijn biecht me voorgoed had bevrijd.’

    Dat iemand zich ten koste van een ander van zijn juk bevrijdt, zien we terug in het langste verhaal Een gelukkige dag, waarmee de bundel besluit. Hierin volgen we een ambtenaar van het Kadaster die zomaar besluit een dag niet naar zijn werk te gaan, maar de buitenwijken van Rome in te trekken, alwaar hij de sfeer van het zuivere Italië meent te beleven en zich verwelkomd voelt door de militairen en zwarthemden. Wanneer hij in een café, in kennelijke staat verkerend, aan de aanwezige arbeiders een rondje geeft, raakt hij met hen in gesprek. Voortdrinkend komt de ambtenaar tot het besef dat zijn kantoorbaan, zijn leventje één grote gevangenis is en dat hij zich al die jaren door angst heeft laten regeren. Hij betreurt het uit ander hout te zijn gesneden dan de arbeider. Een dreigende sfeer ontstaat wanneer een handgemeen volgt met de waard die vindt dat er inmiddels genoeg alcohol is geschonken. Maar die bui trekt vooralsnog over. Van echte toenadering wil het evenwel niet meer komen, en enigszins ontnuchterd druipt de ambtenaar af. Thuisgekomen komt die sfeer van dreiging weer vervaarlijk terug en in een vlaag van blinde woede reageert hij zich mededogenloos af op zijn huiskat. Met stip de gruwelijkste scène van het boek. Het brengt de dader wel in een staat van bevrijding. ‘Een glimlach van overwinning, maar dan schuchter en zacht, die van een kind dat eindelijk genezen is van een heimelijk verdriet en zich overgeeft aan een vrije, blije droom’, luiden de laatste woorden. En aldus lijkt de open wond van de kindertijd definitief geheeld en is de volwassen man verschoond van zijn angsten.

    De vertaling leest goed. Slechts bij een heel enkel zinnetje was er even twijfel: ‘hm, wat zou hier in het origineel hebben gestaan?’ Een omissie is echter wel dat nergens in het boek (niet eens achterop!) enige informatie te lezen valt over de auteur. Terwijl de achterflap bij uitstek gelegenheid biedt een auteur als Malaparte met goed in de markt liggende termen als ‘controversieel’ en ‘cultstatus’ te etaleren. Enige gegevens omtrent de man die in zijn politieke wisselvalligheid dikwijls aan de verkeerde kant van de geschiedenis belandde, had geen kwaad gekund. De potentiële lezer die nog onbekend is met de naam Malaparte, en die het boek in een boekwinkel, afgaande op de niet oninteressant luidende titel, van de stapel plukt en enig houvast zoekt in de vorm van auteursinfo, wordt nu niet op zijn wenken bediend. De toegankelijkheid en het niveau van de verhalen maken het boek echter zeer geschikt ter introductie van Malapartes werk. Voor de lezer die zich al gewonnen had gegeven na lezing van Kaputt of De huid, en het zonder flaptekst kan stellen, is deze bundel natuurlijk sowieso een aanrader.

     

     

  • Uit het leven van een sociale Italiaanse ondernemer

    Uit het leven van een sociale Italiaanse ondernemer

    Recensie door Rein Swart

    Het kapitalisme is niet alleen een last voor de arbeider, ook de fabrieksdirecteur is een gevangene van het helse systeem dat altijd zoekt naar meer winst. In Velours uit Prato,  De geschiedenis van een Italiaanse textielfamilie beschrijft Nesi dit proces van binnenuit. Zijn boek gaat dan ook niet alleen over zijn familie, maar breder over de kwijnende Italiaanse (textiel)industrie in een tijd van globalisering.

    Nesi begint met een familiefoto die weliswaar niet getoond wordt, maar wel een helder beeld geeft van het in de twintiger jaren door de grootvader en zijn broer opgerichte Wolfabriek T.O. Nesi & Zonen nv., waarvan Edoardo (1964) later een van de eigenaren zal worden. Hij is aanvankelijk niet van plan om in het bedrijf te stappen. Op 16 jarige leeftijd vertrekt hij naar de Verenigde Staten om Engels te leren. Daar blijft hij hangen op verschillende zomerscholen tot hij na een mislukte studie rechten naar Florence terugkeert en in het familiebedrijf gaat werken. Hij vermaakt zich wel. ‘Ook en vooral omdat iedereen in het bedrijf altijd doet wat jij zegt, of dat nu zinnig is of niet.’

    Hij vertelt dat het bedrijf dat in de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s wordt verwoest, maar later weer wordt opgebouwd. Hij schrijft over de telexen van hun Duitse agent en de bezoeken die hij samen met zijn vader aan Duitsland brengt en over zijn interesse voor stoffen die door bijvoorbeeld Lowry in zijn romans worden beschreven. Naast zijn werk als ondernemer heeft hij veel belangstelling voor literatuur. Hij leest veel en schrijft boeken als De gouden eeuw en Per Sempre (Voor altijd). In 2004 verkoopt hij het bedrijf.

    De gouden eeuw gaat over een denkbeeldige textielondernemer uit Prato die verstikt wordt door de globalisering. Het verhaal speelt zich af in 2010, het jaar dat Velours uit Prato in Italië wordt uitgebracht.

    Voor altijd staat voor het feit dat ik me op mijn vierenveertigste heb gerealiseerd dat de afrekening van het leven wordt gevormd door je herinneringen, dat elke link met mijn jeugd nu alleen nog maar berust op het geheugen, dat meedogenloze monster dat je onmogelijk het zwijgen op kunt leggen; dat er dingen en mensen en gebeurtenissen en liefdes en momenten van hartverscheurend verdriet en geluk zijn die ik nooit meer zal kunnen vergeten en die ik dus inderdaad voor altijd met me mee zal dragen; dat het schoolbord van mijn leven, zeg maar, niet meer kan worden schoongeveegd, en dat alle nieuwe dingen die ik er eventueel nog op zou willen schrijven een plekje moeten zien te vinden tussen alles wat er al op staat.’

    Velours uit Prato is verrassend gevarieerd opgebouwd met leuke inkijkjes, en vlot, op een haast terloopse manier, geschreven. Bijvoorbeeld in een fragment waarin zijn dochter hem vraagt van wie de popsong is die ze hoort. De verteller schrijft dan: ‘Ze vindt het geweldig, haar broer heeft het haar laten horen, en ik antwoord dat het ‘Knockin’on Heaven’s Door’ van Bob Dylan is, en ook al staat de muziek hard en ook al heeft het er niets mee te maken en moeten we zo meteen weer gaan, ik zou zo graag tegen haar zeggen dat het fantastisch zou zijn als het nu juist de cultuur was die de redding van Italië zou betekenen.’

    Het boek is doorspekt met film en literatuur, maar gaat toch vooral over de boosheid van Nesi over economen die begin 2000 de globalisering verwelkomden en daarmee de Italiaanse industriële bedrijvigheid de nekslag gaven. Nesi beschrijft helder dat bedrijven producten verkochten zonder winst te maken, puur om een opdracht in de wacht te slepen. Hij klaagt illegale Chinese naaiateliers aan die erbarmelijke werkomstandigheden bieden maar wel Made in Italy op hun producten mogen zetten en beschrijft de werkloze magazijnbediende Fabio die drie jaar voor zijn pensioen ontslagen wordt bij gebrek aan werk en in de put raakt.

    Als Nesi in 2008 meedoet met een demonstratie om steun te vragen voor de lokale industrie wordt hij gefeliciteerd door een mededemonstrant met zijn boek De gouden eeuw, maar Nesi voelt zich bitter. Liever zag hij de Pratese industrie bloeien.

    Velours uit Prato heeft de kwaliteit van oud Italiaans handwerk, wellicht dat uitgeverij Atlas meer van Nesi kan uitgeven.

     

     

     

  • Variatie op een oud idee

    Variatie op een oud idee

     

    Er zijn mensen die beweren dat alles al een keer gezegd of gedaan is. Als dat waar is, wanneer heeft dan het moment plaats gevonden dat iemand voor het laatst iets origineels gezegd of gedaan heeft? Sinds wanneer precies viel er niets nieuws meer te doen en bleef ons alleen nog de herhaling?

    In afwachting van het antwoord op die vraag kunnen we vaststellen dat er genoeg wordt gevarieerd op oude ideeën. Soms leidt dit tot verrassende resultaten. Een voorbeeld is het kleine, dunne boekje Mooi hè, zo’n naadloze bh!. Wie geluk heeft, heeft een exemplaar in de trein gevonden, wie geen geluk heeft en benieuwd is, zal het moeten aanschaffen. Het boekje belichaamt een inmiddels oud idee en is tegelijkertijd een prachtige variatie op iets wat al eerder gedaan is.

    De tekst is in de trein, op het traject Haarlem – Den Haag, gevonden door uitgever en kunstenaar André Westra. Hij heeft besloten dat deze woorden verder moeten leven als boek, en gelezen moeten worden alsof het literatuur, of beter gezegd kunst is. De tekst bestaat uit een handleiding voor het organiseren van een filiaalavond van een modeketen en is niet bewerkt of van commentaar voorzien. Voor bezoekers van de modedag, waar de tekst oorspronkelijk voor geschreven is, is het een duidelijke en informatieve verzameling instructies. Maar hoe lees je deze woorden wanneer je het opvat als literatuur, als je geen benul hebt van welke modedag ook?

    Het idee om een gevonden tekst opnieuw uit te geven en aan te bieden aan lezers die de tekst buiten de oorspronkelijke context zullen lezen, doet sterk denken aan de readymade.

    Readymade was de naam die Marcel Duchamp vanaf 1915 gaf aan een aantal door hem zorgvuldig gekozen, alledaagse voorwerpen. Hij signeerde ze, gaf ze humoristische titels en beschouwde ze vanaf die tijd ze als kunst. Voorbeelden van Duchamps readymades zijn een sneeuwschep, een flessenrek, een fietswiel op een krukje en een op zijn kop staand urinoir.

    De kunst van Marcel Duchamp zit boordevol ironie en er om lachen is toegestaan, al vergeten veel kunstkijkers dat wel eens. Tegelijkertijd zet de idee van een readymade ook aan tot nadenken, met name over kunst en schoonheid. Door een doodgewoon voorwerp als een urinoir als kunstvoorwerp ten toon te stellen, wordt het anders bekeken. In 1917 gaf de tentoonstelling van het urinoir nog aanleiding tot ophef. Later, in de jaren zestig, had het zo’n grote status als kunstobject dat er verschillende replica’s gemaakt werden. Dat ging niet zonder problemen. Het origineel was vlak na de eerste tentoonstelling bij het grof vuil gezet en dit model was inmiddels bij de betere toilethandel niet meer verkrijgbaar.

    In de loop van de jaren werd zo een doodgewoon urinoir één van de bekendste kunstvoorwerpen ter wereld. Het werk wordt nu met een zorg omringd die ongepast lijkt voor welk toilet dan ook. Ik heb een medewerkster van de Tate Gallery in London eens met een wattenstaafje zeer zorgvuldig hun exemplaar zien schoonmaken. Dit kan geen urinoir meer zijn, dit moet wel kunst zijn.

    Wie dat proces interessant vindt moet Mooi hè, zo’n naadloze bh! lezen. Dat Westra de tekst in de trein gevonden heeft, moet even worden vergeten. Het is van belang zo onbevangen mogelijk het boekje open te slaan. De vervreemding ervaart men direct op de eerste bladzijde:

    Deze tekst heb je ontvangen na afloop van de Modedag in juni. We hopen dat je een inspirerende dag hebt gehad, waarin je de nieuwe presentatievormen hebt gezien en er uitgebreid is gesproken over nieuwe werkmethoden en Actieve Verkoop.’

    Deze zinnen hebben iets onweerstaanbaars, althans voor iemand die nooit van zijn leven naar een Modedag is geweest, geen idee heeft wat die nieuwe werkmethoden zijn en wat bedoeld kan worden met Actieve Verkoop. Het lijkt het begin van een merkwaardige roman en je vergeet dat het een handleiding is die helpt ‘om mode weer goed op de kaart te zetten.’

    Het vervreemdende effect van de readymade werkt bij deze tekst goed. Sommige delen doen zelfs dadaïstisch aan:

    ‘Presenteer…

    • Van links naar rechts
    • Van licht naar donker
    • Van klein naar groot’

     

    En mooi verstillend is ook de zin, geplaatst in een losse alinea:

    ‘Wanneer een klant een vraag stelt of een artikel zoekt, loopt de medewerker mee.’

    Aardig is ook dat de tekst onbedoeld een tijdsbeeld geeft. Het draait allemaal om verkopen (meer klanten laten kopen en klanten meer laten kopen).  Er worden voortdurend op vriendelijke maar dwingende wijze, instructies gegeven om mensen tot kopen aan te zetten. Tegen een klant die bijvoorbeeld een naadloze bh koopt, dient gezegd te worden ‘Mooi hè, zo’n naadloze bh! Daar ziet of voelt u helemaal niks van tijdens het dragen.’ Alle instructies staan in dienst van een vergroting van de omzet en daarmee wordt elk sprankje spontaniteit zorgvuldig uit de verkopers verdreven. Op de lezer van de readymade versie van deze tekst heeft dat soms een licht hilarische uitwerking: ‘Dank iedereen voor de inzet.’

    De tekst in Mooi hè, zo’n naadloze bh! doet het als readymade behoorlijk goed. Toch zullen er niet veel mensen zijn, die met veel plezier het werkje van voor naar achter lezen. Maar dit is dan ook geen literatuur, dit is een kunstwerk. Beter is het dit kleine boek af en toe eens open te slaan, erin te bladeren, om er even om te kunnen glimlachen, het te bewonderen of aan anderen te laten zien. Het is uiteindelijk niet de tekst maar het idee van de readymade, de niet alledaagse manier van lezen, die waardevol is.

    Duchamp beperkte zijn readymades tot een klein aantal om inflatie te voorkomen. André Westra doet iets soortgelijks. Hij heeft de uitgeverij Tanker Boot opgericht om zijn gevonden teksten uit te geven. Mooi hè, zo’n naadloze bh! is al het derde deel in een serie van teksten die in de trein gevonden zijn. Een enkel exemplaar wordt teruggelegd in de trein en slechts 275 kopieën zijn beschikbaar voor de vrije verkoop.

    Westra’s uitgaven zijn variaties op het inmiddels bijna honderd jaar oude idee van de readymade. Wie denkt dat er daarom niets nieuws aan te beleven valt heeft gelijk. En toch is deze uitgave van Tanker Boot op vrolijke wijze origineel.

     

     

     

     

  • Stereotype meerstemmigheid

    Stereotype meerstemmigheid

    De Britse schrijver Mark Haddon schreef in 2003 met Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht, over een jongen met het syndroom van Asperger, een internationale bestseller. Hierna volgde in 2006 Een Akkefietje. Nu publiceert hij zijn derde boek voor een volwassen publiek, de meerstemmige roman Het Rode Huis.

    In Het Rode Huis brengen een van elkaar vervreemd geraakte broer en zus en hun beider gezinnen samen een week door in een vakantiehuis in Wales. Richard neemt zijn nieuwe trophy wife Louisa en haar dochter Melissa mee. Zijn zus Angela is met haar man Dominic,  zoon Alex, dochter Daisy en jongste zoon Benjy. Alex, Daisy en Melissa zijn alledrie pubers en vooral bezig met elkaar en hun telefoons, terwijl de wat jongere Benjy opgaat in computerspelletjes en samuraifantasieën.

    Haddon laat ons het verhaal beleven vanuit alle personages. Dit zorgt voor vele perspectiefwisselingen, soms zelfs binnen een alinea. De stijl is zeer fragmentarisch – flarden van gesprekken, verhalen, boekfragmenten, songteksten, spelletjes die gespeeld worden, wisselen elkaar in een stevig tempo af. Dit maakt het boek afwisselend, maar ook vrij onrustig. Door de hak-op-de-tak stijl duurt het lang voordat je de personages leert kennen. Net als je dieper lijkt door te dringen, vlieg je alweer door naar iemand anders. Weliswaar is niemand zoals hij of zij op het eerste gezicht lijkt, of door de anderen gezien wordt, maar Haddon heeft niet alle karakters even sterk uitgewerkt. Hierdoor blijven sommige personages toch te veel een stereotype – iets wat de schrijver juist lijkt te hebben willen voorkomen door iedereen een stem te geven.

    Af en toe doet de schrijver rake observaties – een uil in het landschap die bij de familie eerst tot verwonderde kreten leidt en later niemand meer opvalt, omdat hij onderdeel is geworden van het decor. Haddon begint vaak sterk, om vervolgens te veel in te vullen. Zo schrijft hij: ‘Ze dacht aan de mannen met pijl en boog. Die waren hier ooit wel echt geweest. En mammoeten en dames met hoepelrokken en Spitfires in de lucht. Plaatsen bleven bestaan en de tijd stroomde erdoorheen als wind door het gras.’

    Tot daar mooi, maar dan gaat hij verder met: ‘Nu, op dit moment. Dit was de toekomst die in het verleden veranderde. Iets werd iets anders. Als een vlam aan het einde van de lucifer. Hout dat rook werd. Konden we maar feller branden. Een laaiende schuur in de nacht.’ Hiermee dramt hij zijn punt door, waardoor het aan zeggingskracht verliest en op het eind zelfs vaag wordt.

    Uiteraard verloopt de week in Wales grotendeels rampzalig. Onuitgevochten conflicten en pijnlijke herinneringen komen boven bij de volwassenen, de pubers doen gênante nieuwe ervaringen op en aan het eind van het verhaal is niemand er echt op vooruit gegaan, maar ze zullen deze vakantieweek in ieder geval nooit vergeten. Mark Haddon kiest met deze opzet voor een klassieke premisse – een verzameling personages die het niet al te goed met elkaar kan vinden, zit samen opgesloten in een huis. Onvermijdelijk leidt dat tot drama, het oprakelen van oud zeer. Niemand zal ongeschonden uit de strijd komen. En zo gaat het ook. Dit maakt het verloop van het verhaal enigszins voorspelbaar, maar over het algemeen zijn de verwikkelingen interessant genoeg om toch geboeid te blijven.

    Grote en kleine gebeurtenissen wisselen elkaar af. Onthullingen en bekentenissen worden gedaan, levenslessen geleerd. Vaak loopt het met een sisser af, wat weliswaar realistisch is, maar de spanning niet altijd goed doet.  Het Rode Huis is een ambitieus opgezette, maar niet geheel evenwichtig uitgewerkte roman.

     

  • Zijn er niet gewoon te veel soorten?

    Zijn er niet gewoon te veel soorten?

     

    Bas Haring (1968), bekend van tv, columns, lezingen en boeken, vindt de geuzennaam ‘volksfilosoof’ goed passen bij wat hij allemaal doet. Hij ziet het als zijn roeping om actuele onderwerpen, zoals ‘hebben we eigenlijk wel een eigen wil?’ en ‘hoe kan het toch dat vooraanstaande economen zo van mening verschillen over de aanpak van de crisis?’, op zo’n manier uit te leggen dat ze voor iedereen begrijpelijk worden. Gelukkig vermijdt hij daarbij Jip en Janneketaal. Zo jong als hij is, is hij in Leiden al benoemd tot Bijzonder hoogleraar Publiek begrip van wetenschap.

    Zijn eerste boek, Kaas en de evolutietheorie, kreeg in 2002 de Gouden Uil voor jeugdliteratuur en de Eureka!prijs voor populairwetenschappelijke literatuur. In Duitsland werd het bekroond als het beste wetenschappelijk werk dat in 2003 daar verscheen.

    Plastic panda’s uit 2011 gaat over de natuur. Over de bij velen levende vraag of het erg is dat er stukken natuur of soorten verdwijnen. Een onderwerp dat natuurlijk aanspreekt omdat het aansluit bij onze zorg of er voor iedereen op aarde wel voldoende voedsel is, bij ons ongemak over de verdeling van armoede en rijkdom in de wereld en bij onze angst voor milieurampen en klimaatverandering.

    Kenmerkend voor zijn aanpak is dat hij heel systematisch alle begrippen, die bij zulke discussies als deze over de natuur gehanteerd worden, opspoort, ontleedt en definieert. Zodat verwarring en misverstand de meningsvorming bij de deelnemers aan het publieke debat niet hoeven te vertroebelen. Van de bij die discussies naar voren gebrachte feiten onderzoekt hij of ze wel kloppen, zodat de lezer, toehoorder of kijker de waarde ervan zelf kan beoordelen. Bovendien presenteert hij feiten en cijfers zo dat je ze je concreet kunt voorstellen. In een bekertje tuinaarde, schrijft hij bijvoorbeeld in Plastic panda’s, zitten meer bacteriën dan er mensen op aarde leven, zo’n zeven miljard. Die beschrijving is zo beeldend dat je het gelijk voor je ziet.

    Bas Harings aanpak in Plastic  panda’s is noodgedwongen net iets anders dan bij zijn vorige boeken. De kennis over de natuur is nog niet zodanig uitgekristalliseerd dat alleen maar ordenen en goed uitleggen toereikend kan zijn, vindt hij. Wetenschappelijke instituten van naam presenteren soms onderzoeksresultaten die elkaar tegenspreken. Haring lost dat probleem op door zijn boek als een persoonlijke zoektocht te zien. Hij zet niet alleen zijn gezond verstand in, maar hij luistert ook serieus naar zijn gevoelens. Die dienen vaak als uitgangspunt bij het onderzoeken van zijn vragen.

    Hij noemt zichzelf geen natuurscepticus maar is ook geen natuurfanaat. Hij zegt dat hij heeft geen verborgen agenda heeft. Maar enkele soorten minder van bepaalde planten of dieren maakt hem weinig uit, zeker gevoelsmatig. Zou het sowieso erg zijn als de helft van elke soort verdween? Dan zijn wel alle bekende soorten nog behouden, maar is de natuur gehalveerd. Hoe erg is dat? Op dit moment zijn er door de wetenschap zo’n 2 miljoen planten en dieren beschreven. Schimmels en bacteriën zitten daar niet eens bij maar zijn natuurlijk wel natuur. Is dat aantal misschien niet te veel?

    Al vijf keer eerder was er op aarde sprake van massa-uitsterving beweert hij. De laatste keer was 65 miljoen jaar geleden. Driekwart van de soorten, waaronder de dinosauriër, verdween. Het duurde 5 tot 10 miljoen jaar voordat de soortenrijkdom weer toenam. Het is bekend dat sinds het jaar 1500 van onze jaartelling er van de 60.000 soorten gewervelde dieren – vogels, vissen, zoogdieren, reptielen en amfibieën – 410 zijn uitgestorven. Ook op dit moment verdwijnen er soorten. Haring merkt er maar weinig van, maar hij geeft ook toe dat hij er eigenlijk onvoldoende van af weet om die afname te kunnen zien. De boodschap achter de presentatie van zo’n  rijtje cijfers lijkt dat de natuur op den duur wel weer op eigen kracht op zijn pootjes terecht komt, ook al duurt het lang. Maar gegarandeerd is dat natuurlijk niet.

    Hij bespreekt vragen als waar de diversiteit in de natuur vandaan komt, waardoor er soorten verdwijnen, of soorten een eigen intrinsieke waarde hebben, hoeveel biodiversiteit er eigenlijk nodig is. Maar hij behandelt ook uiteenlopende zaken als zijn ervaringen in het regenwoud en de uitgangspunten achter het Rondeel-ei. Hij rekent uit hoeveel natuur elk mens nodig heeft om plezierig te kunnen leven en verbaast zich over de voordelen voor de natuur van de gifberg bij IJburg.

    Door die typerende aanpak kunnen zijn conclusies vaak ontnuchterend zijn. Ontnuchterend omdat duidelijk blijkt dat we nog niet zo veel weten en omdat veel van wat we in de veelal verhitte discussies voor vanzelfsprekend en waar aannemen en als zodanig naar voren brengen, feitelijk niet zo vanzelfsprekend en waar is. Hij kan daardoor best anderen tegen de schenen schoppen. Wat natuurlijk pijnlijk is en weerstand oproept.

    Gelukkig laat hij ook zijn twijfels en onzekerheid duidelijk merken. Eén van de hoofdstukken heet zelfs ‘Ben ik goed bezig?’. Als hij conclusies formuleert, laat hij ruimte voor mogelijke aanvullingen en nuances. De wetenschap ontwikkelt zich en er kunnen altijd nieuwe feiten ontdekt worden. Misschien kunnen bijvoorbeeld bepaalde verstoringen in de relatie tussen de soorten toch negatieve gevolgen hebben die we nu nog niet overzien. Hoewel hij, geeft hij eerlijk toe, tijdens zijn zoektocht nog steeds niet echt overtuigd is geraakt van de zinvolheid van die grote verscheidenheid aan soorten.

    Haring lijkt heel makkelijk te formuleren. Zijn taalgebruik is losjes en populair maar ook zorgvuldig. Het leest alsof hij hardop tegen de lezer aan het spreken is. Wellicht daardoor staan er zulke  aardige woorden in het boek als ‘inenen’ in plaats van ineens of ‘het donkerte’ in plaats van het donker. Hij schrijft ook zelf dat hij het leuk vindt om het woord ‘Kukident’ eindelijk eens in een tekst te kunnen gebruiken. Zijn plezier in het helder onder woorden brengen van zijn gedachten straalt er dan ook van af.

    Bas Harings Plastic panda’s. Over het opheffen van de natuur is origineel en boeiend, zet je aan het denken, leest vlot en ziet er goed verzorgd uit. Het maakt je benieuwd naar zijn andere werk.

     

  • Aan een wonder is niets verwonderlijk

    Aan een wonder is niets verwonderlijk


    Recensie door Rein Swart

    De legende van de heilige drinker dateert uit 1939. Het jaar dat er een einde kwam aan het leven van Joseph Roth. Hij stierf op 45-jarige leeftijd in armoede in Parijs aan de gevolgen van alcoholisme. Andreas Kartak, de hoofdpersoon van De legende van de heilige drinker heeft daar veel gelijkenis mee. Hij slaapt onder de bruggen en is verloederd, tot hij een heer tegenkomt die hem graag tweehonderd franc leent. Andreas zegt dat hij ondanks zijn berooide toestand een man van eer is en hem het geld zal terugbetalen. De heer antwoordt hem dat hij dan maar op een zondagochtend naar de kapel Sainte Marie de Batignolles moet gaan en het geld aan een priester in bewaring moet geven. Het komt toe aan de kleine heilige Thérèse van Lisieux, die hij vereert en die daar afgebeeld staat.

    Het verhaal is als een droom waarin het Andreas steeds maar niet lukt om het geld te retourneren. Net als in een droom zijn alle gebeurtenissen reëel. ‘Want het was gewoon een wonder, en aan een wonder is niets verwonderlijk.’ Af en toe komt hij hier en daar aan geld, maar als puntje bij paaltje komt kan hij het niet teruggeven. Verschillende keren komt hij aan bij de kapel en omdat er dan nog een mis bezig is, bezoekt hij eerst weer een café waar hij zijn geld dan uitgeeft.

    Andreas komt uit Silezië en heeft in de mijnen gewerkt. Hij zat in het gevang vanwege de moord op een man om een vrouw, Caroline, die hem roept als hij uit een kroeg vandaan komt. Ze brengen de nacht door in een hotelkamer, maar in de ochtend vertrekt Andreas omdat hij ziet dat ze oud geworden is. Onrust omgeeft hem net als de hoofdpersoon Ferdinand Bardamu in Reis naar het einde van de nacht van Celine.

    Andreas ontmoet een oud-klasgenoot die een beroemd voetballer is geworden en hem een kostuum bezorgt en een hotelkamer tegenover de kamer van een mooi meisje, op wie hij zijn lusten botviert. Andreas kent weinig intimiteit. ‘En nadat ze de wezenlijke ervaring die man en vrouw vergund is zo lichtvaardig hadden verkwist, wisten ze niet meer wat ze met elkaar aan moesten.’ Ze gingen maar naar de bioscoop.

    Af en toe dringt de visie van de schrijver door de uitspattingen van Andreas heen, vooral als hij teleurgesteld is dat er geen nieuwe wonderen gebeuren: ‘Want aan niets raken de mensen zo vlug gewend als aan wonderen, wanneer die hun één, twee, drie keer zijn overkomen. Ja, de aard van de mensen is zodanig dat ze zelfs kwaad worden als hun niet voortdurend alles te deel valt wat een toevallig en voorbijgaand lot hun beloofd lijkt te hebben. Zo zijn de mensen – en wat anders zouden we mogen verwachten van Andreas.’

    De taal is eenvoudig. Zeer toegankelijk, soms op het kinderlijke af. Bijvoorbeeld als een andere heer hem een hotelkamer aanbiedt, waarin zich een geheimzinnige deur met een witte knop bevindt… ‘waarachter zich iets mysterieus, althans voor Andreas iets mysterieus, leek te verbergen.’

    Het verhaal kent een fraaie afwisseling tussen de tekst, vertaald door Wilfred Oranje en de zwart-wit tekeningen van Bert Dekker, die sfeer toevoegen. De legende van de waterdrinker vormt een heerlijke appetizer tot het werk van Joseph Roth.

  • Voorbeeldig lezen, of tastend op zoek naar zin

    Voorbeeldig lezen, of tastend op zoek naar zin

     

    Wiel Kusters nam afgelopen voorjaar afscheid als hoogleraar letterkunde aan de universiteit van Maastricht. Daarmee sloot hij een literatuurwetenschappelijke carrière af die als eerste mijlpaal een proefschrift kende over een cyclus gedichten van Gerrit Kouwenaar. Nu verscheen een bundeling van artikelen over een breed scala aan schrijvers en dichters. Waaronder Kouwenaar, natuurlijk.

    De schrijver als Killer
    Kusters promoveerde in 1986 op een proefschrift over Kouwenaars gedichtencyclus ‘Weg/verdwenen’. Titel: De killer. Het was een hoogtepunt en in zekere zin eindpunt van de ergocentrische literatuurbenadering: de literaire tekst stond centraal en alleen zorgvuldige close-reading kon de geheimen ervan aan het licht brengen. De buitenwacht sprak vol ontzag (of sarcasme) over het aantal pagina’s geleerdheid per dichtregel van Kouwenaar. Enig afkeurend gemompel klonk op uit de academische gelederen. Niet omdat Kusters verdacht leesbaar was, maar omdat hij teksten ‘van buiten’ inzette ter verheldering. Bij voorbeeld krantenartikelen over de afbraak van de galerie van het Amsterdamse Paleis voor de Volksvlijt. En die waren van de hand van – o huiver – de vader van de dichter. Biografisme! Doodzonde! En het laatste hoofdstuk was gewijd aan de poetica (de literatuuropvatting) van Kouwenaar. Werd daar niet de weg terug van tekst naar schrijver ingeslagen? Afijn. Kusters promoveerde en de rest is geschiedenis. Hij publiceerde onverdroten leesbare artikelen die ontspannen omgingen met poëzie en publiceerde zelfs een biografie over Pierre Kemp. Enige maanden geleden nam hij afscheid als hoogleraar en verscheen een bundeling van negentien essays over proza en poëzie. Die waren tussen 1993 en 2009 gepubliceerd in literaire tijdschriften, in thematische bundelingen (´Oostende in de literatuur´, ´De Zuiderzee verbeeld´), in huldebundels (voor Fens en Brems), monografieën (over Bloem en Hermans) en zelfs in het Tijdschrift voor Geneeskunde en Ethiek.

    Tekst op de pijnbank
    De titel Dit nog, ook dit, ontleent Kusters aan een gedicht van Willem Frederik Hermans. Hij verwijst ongetwijfeld naar het verzamel-karakter van de bundel, maar ook naar Kusters’ manier van lezen: hij neemt de lezer stap voor stap mee door de tekst en wijst aan waar het gebeurt; waar de betekenis tot stand komt, waar aandacht vereist is, waar misverstanden loeren en waar verbanden liggen met andere teksten. Kusters interpreteert teksten van canonieke en klassiek-‘moeilijke’ auteurs (Kouwenaar, Hermans en Beurskens), maar ook de veel toegankelijker Aafjes, Hoornik en Elschot, vaak met verrassend resultaat.

    De bundel opent met een beschouwing over het verhaal ‘Maagpijn’ van Louis Paul Boon, dat hij op de pijnbank legt om het thema ´pijn´ nader te duiden. Daarna volgt een drietal samenhangende artikelen over W.F. Hermans, waarin Kusters diens wereldbeeld vol ‘chaos’ en ‘entropie’ verheldert aan de hand van Hermans’ (populair-)wetenschappelijke boek Erosie en zijn essay ‘Achter borden verboden Toegang’. De mens is niet het culminatiepunt van de schepping of evolutie, maar een restproduct, voortgekomen uit en levend op erosie, afval, puin. Onder die puinschil gaat een granietharde en strak geordende wereld schuil. Hermans’ mensbeeld, maar ook zijn obsessie met ´de pijl van de tijd´, – zie de roman De Heilige van de Horlogerie – krijgen er een dimensie bij. Kusters traceert dit thema in het gedicht ‘Gij zonne, sta stil’ en het verhaal ‘Samen naar Oostende’. De Hermans-artikelen vormen het beste van het boek, omdat ze niet alleen specifieke teksten verhelderen, maar nieuw licht werpen op Hermans’ oeuvre, waar de lezer ‘mee voort kan’.

    Tekst en leven
    Andere stukken zijn meer thematisch: over het motief van de huid als papier en het schrijven als aanraken (in gedichten van Vroman, Elburg, Gorter, Kemp en anderen); over sporen van Nijhoff in de poëzie van na de Tweede Wereldoorlog, of gedichten over het doorbreken van het doodsbesef bij kinderen (van Leeflang, Vroman, Van Duinkerken en Hoornik). Het zijn meer verkennende wandelingen dan expedities met nieuwe ontdekkingen. Kusters’ aanpak werkt beter als het terrein duidelijker wordt afgegrensd, zoals in zijn artikel over ´kinderen, gedichten en abortus bij M. Nijhoff´. Daarin mengt hij biografische gegevens in zijn interpretatie van ´Het steenen kindje´ en ´Het kind en ik´ en hij besluit met de voor ergocentristen opmerkelijke conclusie dat ‘het kind’ bij Nijhoff ook verwijst naar ‘een ambivalente binding met het kind in Nijhoffs praktische (of onpraktische) bestaan’. Daarover zou hij graag meer willen lezen in een biografie. Iets dergelijks doet hij bij de interpretatie van twee gedichten van Jan Hanlo, waar hij het thema ‘ anders’ zijn aanwijst, op te vatten als ‘een combinatie van kind en volwassene tegelijk’. Kusters verwijst vervolgens naar Hanlo’s ‘liefde voor kinderen’ – zijn pedofilie, – zonder dat helemaal duidelijk wordt wat de literatuurliefhebber daar mee moet.

    Rouw en cabaret
    Verrassend is Kusters in zijn stuk over ‘ Funeral Blues’ van W.H. Auden. U weet wel, dat aan gort geciteerde gedicht uit Four weddings and a funeral. Vooral op basis van de regel ‘I thought love would last for ever, it’s not true‘ veronderstelt Kusters dat dit niet gaat over een gestorven geliefde, maar om overspel. Hij trekt een parallel met een gedicht van Heine, en signaleert dat het eigenlijk een liedtekst betrof voor een varieté-artiste. Kortom: geen hooggestemd rouwbeklag, maar theatraal liefdesgejammer. Daarover valt te twisten. Maar Kusters tekst maakt in zijn betwistbaarheid duidelijk wat je in de andere stukken soms miste: een standpunt dat roept om instemming of tegenspraak. Of een bevinding die beklijft – zoals in de Hermans-stukken. Iets van de passie die Kusters er ooit toe bracht om mijngangen van duiding te hakken in de duisternis van Kouwenaars poëzie, had ook urgentie en smaak kunnen verlenen aan zijn beschouwingen. Te vaak blijft het bij ‘Dit nog, ook dit’.