Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Een eigenwijze kater

    Een eigenwijze kater

    In Nederland is Marlen Haushofer (1920-1970) redelijk onbekend, ondanks dat er nog steeds nieuwe vertalingen van haar boeken verschijnen. In eigen land wordt zij gerekend tot Oostenrijks grootste schrijvers. Haushofer schreef kinderboeken, verhalen, novellen en romans. De roman Die Wand (De wand), bekroond met de Arthur Schnitzler-prijs, betekende haar grote doorbraak. Ook ontving zij andere prijzen zoals de Staatlicher Förderungspreis für Literatur (1953 en 1968). De wand verscheen in al 1963, maar werd pas in 1988 in het Nederlands vertaald en onlangs, in 2012, verfilmd.

    De wand is een intrigerende en goed geschreven roman over een onzichtbare wand die een vrouw scheidt van de rest van de wereld. Zij kan de wereld, die versteend lijkt, wel zien, maar niet bereiken. Zij is letterlijk geïsoleerd en heeft alleen gezelschap van haar hond. In prachtige zinnen beschrijft Haushofer de groeiende band tussen vrouw en hond. En al weet de lezer vanaf de eerste pagina’s dat deze hond zal sterven, zijn dood komt toch als een schok. Het gemis en het verdriet om zijn sterven maken indruk. De intense beschrijvingen van de band tussen mens en dier zijn sterk en intens. Helaas weet Haushofer deze diepgang niet te bereiken in haar onlangs heruitgegeven boek De avonturen van kater Balthazar.

    De kater Balthazar is het stralende middelpunt van het gezin bij wie hij woont. Hij is ‘kats-eigenwijs’ en bij vlagen onuitstaanbaar. Moeder moet haar ochtendjas aan hem afstaan en vader zijn waterglas.
    Voor kattenliefhebbers is Balthazars eigenwijze kijk op de wereld herkenbaar en wellicht aandoenlijk, maar de capriolen van de kater raken de lezer niet: het verhaal blijft te oppervlakkig. De intense beschrijvingen uit Haushofers andere werk ontbreken en het taalgebruik is gedateerd en oubollig. De manier van vertellen is zo vlak en expliciet dat dit dikwijls gaat irriteren: ‘mama’ wordt door de kater gekoeioneerd en ook ‘papa’ danst naar de katers pijpen. Balthazar wordt gevangen door ‘een slechte man’ en bevrijd door een ‘aardige mevrouw’.

    In te expliciete beschrijvingen blijkt hoe belangrijk het katje is voor het gezin.
    ‘Wanneer mama op zolder kwam en Balthazar riep, kwam hij als een paardje ergens vandaan gegaloppeerd, sprong hoog tegen haar op, maakte een salto in de lucht en stoof weer weg. Zijn stralende humeur werkte zo aanstekelijk dat je in zijn aanwezigheid gewoon niet nors of bedroefd kon zijn. Op die manier betaalde Balthazar alles terug wat hij zijn huisgenoten schuldig was.’ Van de lezer wordt niet veel inspanning gevraagd.

    De lange titels van de hoofdstukken zijn niet alleen nauwelijks leesbaar, maar ook samenvattingen van wat er gaat gebeuren. ‘Balthazar ontdekt de zolder en beleeft een gelukkige tijd. Omdat hij niets van het groene gras wil weten wordt hij opgesloten. Later maakt hij op het dakterras kennis met Bolletje’. Een titel van een willekeurig hoofdstuk. Het is jammer dat de inhoud al prijsgegeven wordt, waardoor het boek een wat voorspelbare leeservaring wordt.

    De avonturen van kater Balthazar is een aardig boek voor kattenliefhebbers die wat ontspanning zoeken, maar een literair hoogstandje is het niet.

  • Gezegend met een heerlijke zelfspot

    Gezegend met een heerlijke zelfspot

    Niet zelden wordt in literaire kritieken uitgegaan van een set ‘basisregels’ waaraan een literair werk zou moeten voldoen. Deze basisregels staan boven alle twijfel verheven en worden besproken als de essentiële eigenschappen van literatuur of poëzie. Niemand vindt het vreemd als een recensent stelt dat een literair boek een zekere diepgang moet kennen, of dat de hoofdpersoon een ontwikkeling moet doormaken. Aan de hand van Ben Lerners roman Leaving the Atocha Station (in het Nederlands vertaald als Vertrek van station Atocha) wil ik nader ingaan op dit fenomeen. Men kan nu boos uitroepen dat deze roman wordt ‘misbruikt’ voor andere doeleinden, dat ondergetekende het boek op deze manier geen recht doet (hetgeen overigens ook zo’n subjectieve vooronderstelling is), maar dit moet direct krachtig worden tegengesproken: Vertrek van station Atocha wordt op deze manier vermoedelijk in een positiever licht gesteld dan als we het werk op mimetisch niveau zouden bespreken.

    Daarenboven geeft de roman zelf aanleiding tot overpeinzingen van een meer filosofische aard. Het begin is uitermate boeiend. De jonge Amerikaanse dichter Adam (de ik-figuur) heeft een beurs gekregen om in Spanje aan een poëzieproject inzake de Spaanse burgeroorlog te werken. Hij doet dit, zoals het een student betaamt, op zijn dooie gemakje. Drugs, zeeën van tijd, wat boeken lezen, struinen door Madrid – het is welhaast een clichébeeld. Bijna elke morgen bezoekt hij het Prado om zich daar (vrij letterlijk) te vergapen aan de Kruisafneming van Rogier van der Weyden, een schilderij dat in dit boek zeer treffend wordt beschreven. Waarom de hoofdpersoon steeds weer terugkeert naar ditzelfde schilderij, is een volstrekt raadsel. Dat wordt expliciet gemaakt wanneer Adam op een gegeven moment een andere bezoeker voor de Kruisafneming ziet staan en deze in snikken uitbarst; de man, zo beseft Adam, heeft een diepe kunstzinnige ervaring! (Overigens een bijzonder komische scène.) Het geeft hem te denken: hijzelf heeft nog nooit zulk een ervaring gehad, en hij vraagt zich af of hij er überhaupt wel toe in staat is.

    Wanneer dit zó prominent naar voren wordt gebracht aan het begin van een roman, kan het moeilijk worden afgedaan als een triviaal verhaalelement, temeer daar de episode vrij in het luchtledige lijkt te hangen. De lezer wordt aan het denken gezet over het fenomeen van zo’n artistieke ervaring – de hoofdpersoon gaat in de loop van het boek een stapje verder en komt tot de conclusie dat al zijn waarnemingen een wat afstandelijk karakter hebben. Zijn houding tegenover de poëzie (hij wil een dichtwerk schrijven over de Spaanse burgeroorlog) is in grote mate onverschillig: hij schrijft voor het behouden van zijn beurs, en niet andersom. In eerste instantie is Adam zich niet eens bewust van de nare kanten van deze nonchalance: dat komt pas later, wanneer hij verliefd wordt. De titel van de roman refereert naar Adams inkeer: wanneer op 11 maart 2004 een terroristische aanslag op het station Atocha wordt gepleegd, moet Adam een keuze maken: aan de zijlijn blijven staan, zoals hij gewoon is, of deelnemen aan het verdriet en de woede. Wat Adam kiest, blijft echter onvermeld. Het is aan de lezer om dit in te vullen.

    Adams afstandelijkheid tot de wereld om hem heen kleurt ook de verhaaltrant. Lerners boek is een klassiek voorbeeld van de stream of consciousness: observaties, indrukken en gedachten wisselen elkaar af en beïnvloeden elkaar – vaak is hierbij niet duidelijk of hij iets écht waarneemt, het zich verbeeldt of het in herinnering roept. Dit dwingt ook de lezer tot het nemen van een zekere afstand want de onbetrouwbaarheid van de ik-figuur – de combinatie van drugs met poëzie levert een volstrekt eigenzinnige waarneming op -, heeft bij vlagen wel wat weg van het alcoholische delirium in Venedikt Jerofejevs Moskou op sterk water. Toch gaat Lerner niet zover als Jerofejev (die zijn ik-personage zelfs zijn eigen dood laat beschrijven). Het blijft te allen tijde geloofwaardig. Adam is een aparte dichter-niksnut, maar zijn verhaal is wel plausibel.

    Of Vertrek van station Atocha een ‘goed’ boek is, hangt dus af van de criteria die worden gesteld; de hoofdpersoon is weinig sympathiek, de verhaallijn weinig opwindend en de schrijfstijl weinig direct. Daarentegen biedt de roman voldoende: een poëtisch kijkje op Spanje, een fervent gefilosofeer en tal van thema’s ‘ter contemplatie’. Wederom in de lijn van Jerofejevs boek, is Vertrek van station Atocha zo af en toe eerder een prozagedicht dan een roman. Maar de verteller is gezegend met een heerlijke zelfspot:

    ‘Een schilderij fotograferen…’, zei ik bijvoorbeeld met honende geheimzinnigheid (…) of ik zei bijvoorbeeld ‘Blauw is een idee over afstand…’, of ‘Literatuur eindigt in dat specifieke blauw…’ (…) enzovoort. (p.51)

     

  • 10 jaar Literair Nederland: 2005 Sonny Boy – Annejet van der Zijl

    Op zoek naar een goed boek snuffel ik regelmatig in het archief van Literair Nederland.  Dan lees ik vaak ook recensies van boeken die ik met plezier gelezen heb. Zo stuitte ik op de recensie van Sonny Boy van Annejet van Zijl geschreven door Maja. Het eerste dat me opviel is dat het eigenlijk meer een samenvatting dan een recensie is. Literair Nederland heeft wat dat betreft een positieve ontwikkeling doorgemaakt, in plaats van korte samenvattingen van boeken verschijnen er inmiddels beargumenteerde recensies.

    Dan de recensie zelf: na een lange, ietwat warrige samenvatting  komt de recensent tot haar oordeel. En dat is redelijk positief:  ‘leest als een trein’, ‘een duidelijke sfeerbepaling’ en  ‘heeft iets gehaast’. Toch klinkt het ‘al met al een aanrader’ wat zuinig.
    Van mij had het wat enthousiaster gemogen. Voor mij is dit boek de ideale vertegenwoordiger van ‘literaire nonfictie’ wat we inmiddels een heus genre mogen noemen.

    Het boek in een paar woorden:
    Literair en non fictie tegelijkertijd
    Afstand, maar  toch betrokkenheid
    En vooral heel veel tegenstellingen.

    Tegenstellingen tussen blank en zwart, tussen katholiek en protestant, tussen stad en platteland, tussen goed en kwaad, tussen zedelijkheid en leven in zonde.
    En ondanks al deze uitersten blijkt het toch erg moeilijk een duidelijke scheidslijn aan te brengen. Een boek waar je nog eens aan terug denkt

     

    Lees ook:
    2011, Knip dan, toe dan 
    2003, De zwemmer van Zsuzsa Bánk
    2007, Doris Lessing wint Nobelprijs
    en: Een herinnering aan 10 jaar Literair Nederland 

     

  • Vijf eeuwen politieke inspiratie

    Vijf eeuwen politieke inspiratie

     Het afgelopen jaar was in Nederland politiek ongekend woelig. Het kabinet viel, politieke carrières braken en bloeiden op en meerdere politieke partijen lagen in- of extern onder vuur. De leugen – of het ontmaskeren ervan – speelde een geheel nieuwe hoofdrol tijdens of na de verkiezingen en een nieuw kabinet kwam in een ongekend tempo tot stand. Zonder rol voor de vorstin ditmaal. En juist in dit politiek enerverende jaar zijn twee vertalingen van Niccolò Machiavelli’s (1469-1527) meest bekende werk, De Vorst, bijna vijf eeuwen oud, opnieuw uitgebracht. Eerst de vertaling van Jo Otten uit 1940 (voor het eerst met complete inleiding), daarna die van Paul van Heck uit 2006 (opnieuw bewerkt en geactualiseerd). Bovendien kwam in dit jaar de Nederlandse vertaling uit van Machiavelli’s biografie van Miles J. Unger (Ambo). Is het toeval dat al deze boeken juist nu uitkwamen of is het een teken van de blijvende waarde van Machiavelli’s adviezen als politiek kompas?

    Zowel Otten als van Heck leiden hun vertaling uitgebreid in, waarbij een duidelijk verschil in visie naar voren komt. Voor Otten is Machiavelli ‘sleutel van onze tijd’ en verklaart zijn oeuvre zowel de verdeeldheid van Europa als de gewenste koers voor de toekomst. Voor Van Heck is Machiavelli vooral een Italiaans denker uit de Renaissance, die in zijn eigen context begrepen moet worden, en voor het heden wel inspiratie maar geen verklaring biedt.

    Otten gebruikt zijn inleiding om kritiek te leveren op de politiek van zijn dagen, die van Europa een verdeeld continent had gemaakt. Deze visie leverde echter ook direct problemen op. Toen De vorst na de dood van Otten in 1940 werd gepubliceerd vond men een al te grote nadruk op het verdeelde Europa onwenselijk (Nederland viel inmiddels onder Duits regime). Het eerste hoofdstuk van Otten’s inleiding, waarin de verdeeldheid van Europa centraal stond, werd geschrapt. Pas nu, ruim zeventig jaar later, verschijnt dit hoofdstuk voor de eerste maal in druk. De boodschap die in dit hoofdstuk centraal staat is dat het leven een strijd is. ‘De hele beschaving is een strijd tegen agressie’. Na een korte periode van hoop in het interbellum bleek Europa verdeelder dan ooit, waarbij Machiavelli’s naam meer en meer werd gebruikt als legitimatie voor politiek handelen. Het aan Machiavelli toegeschreven (maar nooit door hemzelf gehanteerde) maxime dat het doel de middelen heiligt had volgens Otten in de internationale politiek meer en meer gelding gekregen.

    Een citaat in Otten’s inleiding onderstreept de relevantie van Machiavelli voor de twintigste eeuw: ‘Ik stel vast dat de leer van Machiavelli, na meer dan vier eeuwen, vitaler dan ooit is, omdat, hoewel de uiterlijke verschijningsvormen van ons leven zeer zijn gewijzigd, zich geen diepgaande veranderingen in de geest der individuen en volken hebben voltrokken’. Deze woorden zijn echter niet van Otten, maar van Mussolini, uit zijn Preludio al Machiavelli (1924). Een wrang bewijs dat twintigste eeuwse politici, in ieder geval Mussolini, Machiavelli als ‘eigentijdse’ adviseur waardeerden. Het verklaart mede  waarom Otten Machiavelli ‘sleutel van zijn tijd’ vond. Omdat het handelen van politici, bewust of onbewust, was geworteld in Machiavelli’s politieke lessen.

    Van Heck hanteert een ander vertrekpunt. Zijn inleiding is minder gericht op de relevantie van De vorst voor het heden. Sterker nog, hij verzet zich tegen het uit de context halen van Machiavelli’s politieke stellingname en het zo maar verbinden ervan aan een andere tijd. Hij licht dat zelf in een gesprek als volgt toe: ‘Werkelijk begrip van een denker of schrijver kun je m.i. alleen verwerven als je diens werk en ideeën beziet in de de context waarin zij tot stand kwamen en waarop zij een reactie vormden. Er is niet zoiets als een ‘absolute’ Machiavelli, een context-onafhankelijke Machiavelli. Er bestaat alleen een Machiavelli die leefde van 1469 tot 1527, in Florence, in een tijd dat het Italiaanse schiereiland werd overspoeld door buitenlandse legers, enzovoort. Die omstandigheden hebben Machiavelli’s identiteit als schrijver en denker bepaald, en dienen dus in elk betoog over Machiavelli verdisconteerd te worden.’ Het zijn ook die omstandigheden die kunnen verklaren waarom het voor Machiavelli zo belangrijk was te vertrouwen op de kracht van de eigen wil, non dependere da nessuno. Hij heeft dit zijn hele leven nagestreefd, om overeind te blijven in een tijd waarin er steeds andere machthebbers waren en zijn eigen fortuin als gevolg daarvan hoge pieken, maar ook diepe dalen kende. In die context een eigen onafhankelijkheid behouden, dat was Machiavelli’s belangrijkste doel. Zowel voor zichzelf als voor Italië, zo blijkt uit het laatste hoofdstuk van De vorst. Dat is volgens van Heck misschien wel belangrijkste les uit zijn werken.

    Ook in een interview in Trouw (31 oktober 2012) benadrukt van Heck de betrekkelijkheid van Machiavelli voor het heden: ‘Wat ik zijn belangrijkste les vind, is dat beleid altijd gericht moet zijn op de context. Bepaalde situaties vroegen om bepaalde oplossingen en bepaalde leiders. Adviezen voor de ene situatie kun je niet zomaar extrapoleren naar een andere situatie. En met dromen over een ideale wereld schiet je al helemaal niets op.’
    Wat overigens niet wegneemt dat Van Heck vindt dat Machiavelli, net als andere grote denkers uit het verleden, voor het heden relevant kunnen zijn. Zolang we ons maar bewust blijven dat onze context niet die van Machiavelli is.

    Hoe dan ook, of we De vorst lezen als historisch waardevol pamflet dat ons helpt het Italië van de Renaissance te begrijpen, of als sleutel van onze eigen tijd, het blijft een intrigerend politiek kleinood, dat met plezier gelezen wordt. Want wie wil nu niet lezen waarom mensen gewaardeerd worden, of leiders wel of niet mogen liegen en of een gehaat leider beter zal leiden of niet. De context waarin de lessen geschreven zijn moge bepalend zijn voor de boodschap ervan, dat doet niets af aan de tijdloze inspiratie die je eraan kunt ontlenen, ten goede of kwade.

    Het zal toeval zijn dat de publicatie van twee nieuwe Nederlandse uitgaven van De vorst in 2012 gepaard gaan met politiek woelige baren. Als Machiavelli’s lessen echt dagelijkse kost zijn voor Nederlandse politici dan had Diederik Samsom zijn politieke opponent Mark Rutte waarschijnlijk niet met een ‘Nu doet u het weer’ tot de orde geroepen, maar met een ‘Het doel heiligt niet alle middelen, meneer Rutte’. Maar dat Machiavelli en zijn De vorst na bijna vijf eeuwen nog steeds relevant en stimulerend zijn wordt door de twee nieuwe uitgaven meer dan onderstreept.

     

  • Literaire avonturenroman met een scherp randje

    Literaire avonturenroman met een scherp randje

    Door Niels Nijborg

    Onlangs verscheen bij uitgeverij Cossee het laatste boek van Sherko Fatah De dief van Bagdad (Ein weisses Land). Eerder werd We gaan als het donker wordt (Das dunkle Schiff) uitgegeven. De vermelding van dit boek in 2008 op de shortlist van de Deutsche Buchpreis veroorzaakte Fatahs internationale doorbraak. De schrijver groeide op in Oost-Duitsland en vertrok later naar West-Berlijn, waar hij nog steeds woont. Hij is de zoon van een Koerdische vader en een Duitse moeder. Een Duitse schrijver die al in meerdere boeken voor een decor in het Midden-Oosten koos. De dief van Bagdad is een Bildungsroman (en een zoektocht naar moraal) waarin de avonturen worden verteld van een Iraanse straatjongen die vooruit wil komen in de wereld. Het resultaat is een fascinerende roman die je na de laatste bladzijde laat zitten met een aantal knagende vragen.

    De hoofdfiguur in De dief van Bagdad is Anwar. Als straatjongen in Bagdad in de jaren dertig van de vorige eeuw komt hij in contact met een rijke Joodse familie. Via de zoon van de familie maakt hij kennis met het communisme en via de dochter maakt hij kennis met de liefde. Maar Anwar wil meer. Hij streeft ernaar opgenomen te worden in de kringen van de rijken en machtigen. Hij ontmoet de roverhoofdman Malik van wie hij het inbrekersvak leert. Nu is hij in staat om de huizen van de rijken te betreden zonder opgemerkt te worden, maar dit vervult niet zijn verlangen om als gelijkwaardige te worden beschouwd. Dat is zijn doel. En niets is belangrijker voor hem dan dat.

    Ondertussen schildert Fatah een prachtig beeld van Bagdad in de jaren dertig. Een overvloed aan details brengen de stad tot leven voor de lezer. Hier beginnen de avonturen van Anwar. Anwar gaat op reis, zijn leven staat regelmatig op het spel en uiteindelijk komt hij weer thuis, de klassieke verhaallijn van een avonturenroman. In die zin is de titel niet slecht gekozen door de vertaalster. Net als de held uit 1001 nacht gaat ook Anwar op avontuur.

    Voordat hij vertrekt raakt hij betrokken bij verschillende complotten in Bagdad. Hij speelt een rol bij een aantal historische gebeurtenissen, maar begrijpt noch het belang, noch de consequenties ervan. Bagdad in de jaren dertig is een broeinest van politieke intriges en Anwar bevindt zich in het middelpunt. Hij spioneert voor zowel Malik de dief, als voor de nationalistische militair Nidal, als voor de Joodse communisten. Irak had na de Eerste Wereldoorlog een zekere mate van zelfstandigheid, maar feitelijk hielden de Engelsen, na het aflopen van hun mandaat in 1921, nog een dikke vinger in de pap vanwege de olie. Uiteindelijk leidt dit tot een staatsgreep in 1941 van nationalistische militairen met steun van Duitsland en de Grootmoefti van Jeruzalem. In Bagdad wordt een groot deel van de Joodse bevolking vermoord tijdens de coup. De Joodse bevolking had zich verbonden aan de Engelsen omdat zij op die manier een eigen land hoopten te verwerven. Het Arabische antisemitisme is in tegenstelling tot het Europese antisemitisme grotendeels gebaseerd op een territoriaal conflict met de Joodse bevolking. Anwar begrijpt niet dat hij medeverantwoordelijk is voor de problemen van zijn Joodse vrienden, dat zijn keuzes politieke en sociale consequenties hebben. Het enige doel dat hij heeft, is vooruitkomen in de wereld. Fatahs hoofdfiguur heeft geen moreel kompas omdat hij nooit heeft geleerd dat zijn acties gevolgen kunnen hebben voor anderen. De keuzes die Anwar maakt, maakt hij niet uit kwaadaardigheid. Hij heeft ook niet door dat hij zich door anderen laat gebruiken. Anwar komt op de lezer over als een sympathieke, naïeve hoofdpersoon.

    De opstand in Bagdad wordt onderdrukt door de Engelsen. Anwar vertrekt in het gevolg van de Grootmoefti van Jeruzalem naar Duitsland. Deze Grootmoefti is een figuur die werkelijk heeft bestaan. Een virulente Jodenhater die door de Duitsers gretig werd ingezet voor propagandadoeleinden. Later speelde hij een belangrijke rol in het mogelijk maken van een legioen bestaande uit Moslims dat onder andere aan het oostfront heeft gevochten. De historische figuren en gebeurtenissen uit het boek zijn door Fatah uit en te na onderzocht om ervoor te zorgen dat zijn verzonnen hoofdfiguur zo goed mogelijk is ingebed in de waarheid. Uiteindelijk is het avontuur van de verzonnen figuur Anwar net zo ongelofelijk als van vele historische personages uit die tijd. Door zijn verhaal ‘Erdung’ te geven, een historisch verantwoorde achtergrond, zoals Fatah vertelt in een uitzending van De Avonden van de VPRO (17 oktober 2012), wordt Anwar geloofwaardig. Het levert in ieder geval prachtige scènes op, zoals die waarin de hotelgasten onverstoorbaar doorgaan met hun gesprekken in de schuilkelder van het luxehotel tijdens een luchtaanval op Berlijn.

    Als Anwar wordt ingezet als soldaat aan het oostfront wordt het voor de lezer steeds moeilijker om hem zijn naïviteit te vergeven. Enerzijds doet hij wat nodig is om te overleven, maar anderzijds zijn de dingen die hij doet wreed en genadeloos. In een oorlogssituatie is het normaal dat ethiek en moraal naar de achtergrond verschuiven, eigenlijk de normale houding van Anwar. Vanaf het begin van het boek krijgen de daden, de keuzes van Anwar steeds vergaander consequenties. In een oorlog vecht je voor je leven, maar kan je het iemand vergeven dat hij in vredestijd zonder moraal functioneert? Bij nader inzien bekruipt de lezer het gevoel dat Anwar toch minder sympathiek is dan eerst gedacht. De gevolgen van zijn naïviteit zijn te wreed, te erg.
    Bij Anwars terugkeer in Bagdad, weten we dat we te maken hebben met meer dan een avonturenroman. De auteur heeft ons begeleid tijdens een zoektocht naar moraal, de Bildung van een persoon. De vraag is of dit ook duidelijk is voor Anwar. Anwar is te allen tijden een overlever en vertelt ons zonder het zelf te weten iets over moraal in woelige tijden. Hoe verder we komen in het boek, hoe ongemakkelijker we ons gaan voelen over zijn daden en keuzes. En misschien, aan het eind van het boek, voelt Anwar dat zelf ook.

     

  • Het archief, 10 jaar Literair Nederland, 2005: Briefwisseling 1951 – 1987

     

    Om één recensie uit een archief vol leeservaringen te kiezen is natuurlijk geen doen, maar dat mag geen reden zijn het te laten. Ik stuitte in mijn zoektocht op een geleerd, maar leesbaar exposé over Elementaire Deeltjes van Michel Houellebecq, van Ludo Hellemans waarin het boek vakkundig ethologisch wordt neergezet op zodanige wijze dat het allerminst zou misstaan in een literair periodiek dat je niet onder de € 10,- koopt. Kwam onder meer een mooie bespreking tegen van de verzamelpoëziebundel Altijd weer dit leven van de niet voor één gat te vangen Pieter Boskma daterend uit een tijd dat de recensent nog anoniem mocht blijven. Maar het leukst vond ik de aanbeveling ‘zeer de moeite waard’ te lezen achter de prijs van de gebonden editie van de briefwisseling tussen Gerard Reve en uitgever Geert van Oorschot. Zoiets lees je nooit in een krant en de methode van deze recensent, Coen Peppelenbos, zou navolging verdienen. Als het boek nog niet in mijn kast stond, zou ik het mijzelf van harte bij wijze van kerstgeschenk gegund hebben, want de recensent komt met een citaat dat mij als geïnteresseerde lezer over de streep zou hebben getrokken. Gerard Reve valt daarin broer Karel aan in diens keuze van boektitels: ‘Een boek moet dus niet heten: Waarom Die & Die Misschien Gedeeltelijk Ongelijk Heeft, maar: Op Weg Naar Het Einde, De Avonden, Nader Tot U, Weg Met De Arbeiders, De Geile Jongens Van De Boslaan, Elke Zondag Seks Voor Niks. Kijk de kleine problemen van de schrijver & zijn taalkundige onmacht, die moet hij geheim & voor zich houden. Dus Niet als titel: Een Knoop Die Ik Er Steeds Weer Aanzette Ging Telkens Weer Los, maar: Naaien Tot Je Er Bij Neer Valt.’ Zet zoiets eens af tegen de Kersttoespraak van onze vorstin en je beseft weer welk kostbaar bezit je met een goed boek in handen hebt.

    Briefwisseling 1951-1987 
    Gerard Reve en Geert van Oorschot
    Uitgeverij van Oorschot, € 32,50

     

    Lees ook Uit het archief, 10 jaar Literair Nederland:
    2011, Knip dan, toe dan 
    2003, De zwemmer van Zsuzsa Bánk
    2003, Alleen op de wereld
    2005, Het kleine meisje van meneer Linh


    en: 
    Een herinnering aan 10 jaar Literair Nederland

  • Het archief, 10 jaar Literair Nederland, 2011: Reizen met Charley

     

    Op mijn stapeltje te lezen boeken liggen er twee gebroederlijk te wachten. Tot ik ze één voor één ter hand ga nemen. Een klein literair project zal ik maar zeggen. Het eerste boek is in het Engels, Travels with Charley. John Steinbeck publiceerde het in 1962 als verslag van zijn zoektocht naar Amerika. Ik kan het mezelf natuurlijk ook wat makkelijker maken en de vertaling lezen van Tineke Fundhoff uit 2011. Karel Wasch schreef hier ongeveer een jaar geleden een enthousiaste recensie over op deze site. Wasch had het boek met veel plezier gelezen en vond dat dat Steinbeck in zijn roadtrip de Amerikaanse samenleving goed had blootgelegd. Een prima aanrader om dit boek ter hand te nemen. Toch heb ik de Nederlandse vertaling eerder naast me neer gelegd en de originele Engelse uitgave aangeschaft. Hier ben ik eigenwijs in: als ik het origineel kan lezen geef ik daar toch meestal de voorkeur aan. Onder Travels with Charley ligt Geert Mak’s Reizen zonder John. Op zoek naar Amerika. Een eigentijdse variant, door de ogen van een buitenlander. Met zijn ruim 500 pagina’s heel wat omvangrijker dan Steinbeck’s 200 pagina’s. Al met al een heel project dat me zonder twijfel de komende feestdagen flink wat leesplezier gaat opleveren.

    Reizen met Charley, John Steinbeck, Uitgeverij Atlas

    Lees ook Uit het archief, 10 jaar Literair Nederland:
    2011, Knip dan, toe dan 
    2003, De zwemmer van Zsuzsa Bánk
    2003, Alleen op de wereld
    2005, Het kleine meisje van meneer Linh


    en: 
    Een herinnering aan 10 jaar Literair Nederland

  • Ambitieuze maar lichtvoetige ‘kunstroman’

    Ambitieuze maar lichtvoetige ‘kunstroman’

    Joy is een uitermate eigentijds literair werk, inclusief felrealistische scènes, straattaal, postmoderne montagetrucks en downloadbare soundtrack. Maar hij gaat over kunst, schoonheid en onvergankelijkheid en ruikt naar de 19e eeuw: Rodin, De Nerval, Baudelaire en Brussel. In zijn debuut weet Patrick Bassant uit die uiteenlopende ingrediënten een spannende en prikkelende cocktail te shaken.

    Joy begint met een motto van de 19e-eeuwse romanticus-zelfmoordenaar Gérard de Nerval: ‘Ik jaag achter een beeld aan, verder niets’. Maar daarna wordt de lezer de jaren ’80 van de 20e eeuw in gesleurd. Joy wordt geboren als ongewenst kind van lamzakkige ouders in een tijd vol doemdenken en neutronenbommen. De muziek van Joy Division geeft de stemming goed weer (ergens valt de naam van zanger-zelfmoordenaar Ian Curtis). Een lichtpunt in Joys eenzame bestaan is haar 5e verjaardag. Dan mag ze – ‘een meisje met kippenvel, spookogen en een glimmende onderbroek’- de hoofdrol spelen in een videoclip. De hele dag moet ze dramatisch over het strand hollen met een in zwart geklede band op de achtergrond en dreinmuziek in haar oren. De regisseur vindt haar een engel en een schoonheid, en vanaf dat moment komt het nooit meer helemaal goed.

    Sufgeblowde rasta
    Joy vereenzaamt in een huis met afwezige ouders. Haar spiegelbeeld is haar enige vriendin. Pa en ma sterven in hun auto op de bodem van een Turks ravijn, waarna ze verder wordt opgevoed door goedbedoelende machteloze grootouders. Ze pubert, spreekt de taal van de straat en heeft exhibitionistische neigingen: ‘Nee lauwe bobbel, je gaat me echt niet aanraken! Je mag me checken en met je bana spelen.’ Dat werk. De situatie wordt onhoudbaar als ze de sneue partnerruil-avondjes van opa en oma versjteert door de hond Viagra te voeren. Dakloos zwerft ze naar Brussel waar ze eindigt als levend standbeeld op de Grote Markt, getraind en gecoacht door Hoeka, een sufgeblowde Vlaamse rasta uit de jeugdherberg.

    Nee, dan de naamloze ik-figuur annex verteller. Hoofdpersoon, zeg maar. Die wordt als enig en zeer gewenst kind vertroeteld door zijn ouders, gaat studeren en wordt interim manager voor het geld. Op zijn twintigste krijgt hij een hartstilstand. ‘De dokter met reisfolderkop sneed mij lek, zaagde mij open, naaide mij dicht en verdween om een belangwekkend artikel te schrijven voor een medisch tijdschrift.’ In de hartkamer had hij een klein versteend embryo aangetroffen. Hoofdpersoon voelt een leegte in zijn hart, ‘alsof er een deel van mezelf was weggehaald.’

    Zacht glanzend brons
    In een museum in Lissabon wordt hij diep geraakt door een beeld van Auguste Rodin. Officieel ‘Het bronzen tijdperk´ (L’age d’arrain), maar de oorspronkelijke naam ‘De verslagene’ geeft beter weer waar het om gaat. Een beeldschone jongeling, wanhopig grijpend naar zijn gewonde hoofd, in licht getourmenteerde houding waardoor zijn fysieke verschijning optimaal uitkomt, in zacht glanzend brons. De volmaakte mix van vergankelijke kwetsbaarheid en onaantastbare schoonheid. Zo levensecht dat Rodin er van werd verdacht afgietsels van echte mensen te hebben gemaakt – daar zou geen kunst aan zijn. Hoe dan ook: in de ik-figuur is een passie ontbrand. Hij reist de wereld af op zoek naar andere kopieën – tot in het New Yorkse WTC toe… Langzaam rijpt in zijn van kunst en cultuur doortrokken brein het plan om Rodins beeld onherstelbaar te verbeteren. Vrouwelijker, meer naar het leven, dichter bij de dood, de ultieme vereeuwiging. Hij gaat op jacht naar een vrouw en maakt zich de ambachten eigen die nodig zijn voor de beeldvorming: bronsgieter (van origineel in klei tot beeld van brons) en preparateur (van rottend kadaver tot tijdsbestendig origineel). Hij verhuist naar Brussel – waar Rodin ooit woonde en Joy nu voor standbeeld speelt, en … Nee, ik zal de afloop niet weggeven.

    Mythe en beeldvorming
    Joy gaat over deze tijd, maar het gaat vooral over beelden en betekenis. Voer voor discussie is waarom de hoofdfiguur over het interpretatieproces praat als over gamen, als in videogames. Zie hoofdstuk Vampire Hunter 3.0. … ‘Ik was de uitdaging aangegaan met L´age d´arrain […] Het beeld is zo realistisch, naakt, gewond, politiek, trots en wulps dat het zo goed als onmogelijk is een van al deze interpretaties te verwerpen. Ik bleef steken op level 4, ik zag geen uitgang, geen magische sleutel.’ Interpretatie als videogame, als first person shooter, het is een idee, maar wel een tikkie gekunsteld. De kunstmatigheid werkt ook door in de structuur van het boek. Joy begint als fel realistische zedenschets, maar er zijn ook hoofdstukken met zorgvuldige uitleg over het gieten van bronzen beelden, de ontwikkelingsgang van Rodin, het villen en opzetten van katten en bespiegelingen over kunst – zoals we al zagen. Die worden dan weer doorsneden door vier delen ‘Memoires van een standbeeld’, over hoe het voelt om in regen en wind te staan, wat je ziet en hoe er naar je wordt gekeken, of je wel eens geil of ongelukkig bent – als standbeeld zijnde. Later wordt duidelijk waar die passages vandaan komen….

    Literaire constructie
    Joy is beslist niet de eerste roman over leven en kunst, beeld en authenticiteit. De Griekse beeldhouwer Pygmalion werd verliefd op zijn eigen beeld van de onbezoedelde Galatea en verzocht de goden het tot leven te wekken. Die mythe werd door Bernard Shaw omgewerkt tot een toneelstuk dat weer de basis vormde voor de musical My fair lady. Andere link: Oscar Wilde schreef het sprookje De gelukkige prins, over een standbeeld met een rijk gevoelsleven, dat bittere tranen schreit om het leed in de wereld. Enzovoorts. Rond het midden van het boek zijn twee beeldgedichten opgenomen die in hun opvallende vorm – vermoedelijk – de Spaanse trappen verbeelden. Het is een portret-als-opsomming van Rome, het andere een lijst van alle verblijfplaatsen van de kopieën van het bewuste beeld van Rodin. En dan is er ook nog een heuse ‘soundtrack’ van KOLBAK, die je kunt beluisteren via internet. Kortom: meer dan een ‘vlot verteld verhaal’, een literaire constructie die het kunstmatige van de beeldvorming verbeeldt. Geen middel wordt onbenut gelaten om duidelijk te maken dat het hier gaat om de kunst en niet om de natuur.

    Een dodo op zoek naar een ei
    Het is niet gering, allemaal, maar toch is Joy geen feilloos debuut: Soms wil je minder de gedachten lezen en meer de beweegredenen navoelen van de hoofdpersonen. Bassant is niet zo van de zielenroerselen; zelfs ontroering wordt afstandelijk geformuleerd. Over Rome: ‘Alsof ik in een fontein van Bernini zat en de stad zijn schoonheid uit de bek van een dolfijn over me heen spoog. Dan is een doekje gemaakt van cynisme niet voldoende om je af te drogen.’ Iets teveel ‘alsof’ dus. ‘Alsof’ maakt ruimte voor beeldspraak, maar creëert afstand tot wat woelt van binnen. En soms zijn de kunsthistorische beschouwinkjes wel wat erg vlot geparafraseerde collegedictaten, aangelengd met studentikoze diepzinnigheid. Veel wordt vergoed door de stilistische scherpte en rake oneliners. Hoofdpersoon loopt door New York ‘als een dodo op zoek naar een ei’ en zegt van zichzelf: ‘In mijn vrije tijd ontplooi ik me zo graag dat ik me iedere maandag weer moet opvouwen.’ Schijnbaar moeiteloos bouwt Bassant met literaire middelen een brug van laag-bij-de-gronds leven naar hooggestemd sterven. Alles voor de kunst en weg met de natuur. Indrukwekkend.

     

  • Uit het archief van 10 jaar Literair Nederland – 2003: Alleen op de wereld

     

    Een zeer toepasselijke bijdrage voor deze donkere dagen, die onvermijdelijk op de kerstdagen afstevenen, is deze bijdrage over het boek Alleen op de wereld van Hector Malot. Het is een zeer korte weergave van het verhaal, een stukje van niks eigenlijk. En je vraagt je af waarom dit klassieke kinderboek, waardoor generaties aan het lezen zijn geslagen, sowieso nog een recensie behoeft. Maar met de ellende die Remi, de hoofdpersoon uit het boek, aan den lijve ondervindt, houdt de vooralsnog anonieme auteur ons een spiegel voor waarin we onszelf met het schaamrood op de kaken terug zien.

    Voor wie er moeite mee heeft twee hele kerstdagen alleen, of in familiesfeer door te brengen, lees hier de speciale kerstboodschap en geniet.

     

  • Het archief, 10 jaar Literair Nederland, 2005: Het kleine meisje van meneer Linh

    Al ‘bladerend’ door het archief van Literair Nederland, stuitte ik op een recensie over Het kleine meisje van meneer Linh. De recensie, – eigenlijk is het meer een samenvatting dan een recensie – is geschreven door Bernadet. Wie deze Bernadet is, weet ik niet. Duidelijk is wel dat ze genoten heeft van dit prachtige boekje van Philippe Claudel. Ze noemt het een aanrader en dat is het ook.
    Het kleine meisje van meneer Linh gaat over een oude, breekbare grootvader die zijn door oorlog getraumatiseerde land ontvlucht om elders een betere toekomst voor zijn kleindochtertje op te bouwen. Zijn toewijding is ontroerend. Het verhaal ook.

    Hartverscheurend mooi – een betere omschrijving voor dit boekje is er niet.

    Lees hier de recensie over Het kleine meisje van meneer Linh, die op 21 november 2005 op Literair Nederland gepubliceerd is. Het boek is nog steeds verkrijgbaar (De Bezige Bij, pocket, € 10,-).

     

    Lees ook Uit het archief, 10 jaar Literair Nederland:
    2011, Knip dan, toe dan 
    2003, De zwemmer van Zsuzsa Bánk


    en: 
    Een herinnering aan 10 jaar Literair Nederland 

     

  • Literaire tomaten

    Literaire tomaten

    Misschien maar beter bij aanvang gezegd: wanneer de slotwoorden van deze negende feuilletonbundeling er niet om liegen, is hiermee zijn laatste verschenen: ‘Ik neem afscheid van de trouwe volgers van mijn Restletsels. Vaart allen wel en: ketemoe lagi!’ Anders dan bij Philip Roth, die onlangs kenbaar maakte niet meer te schrijven omdat hem daartoe geestelijk de strijdlust ontbrak, ligt bij Jeroen Brouwers de oorzaak vooral in het fysieke: twee herseninfarcten, een lamme schrijfhand bij een toch al puffend, reutelend en haperend lichaam maken het schrijven voor hem tot een hels karwei. Te geloven dat de inspiratie bij deze literaire mopperkont tanende zou zijn ligt niet voor de hand gezien de omvang van dit negende deel feuilletons. Met bijna 300 pagina’s is deze laatste bundel z’n dikste en misschien ook wel z’n beste.  Al blijft de ouverture Zwavelzuur ondermaats: een wat oppervlakkig stuk gewijd aan Willem Frederik Hermans en dan vooral aan diens Mandarijnen op Zwavelzuur, het zuurbad waarin Hermans vanaf de jaren vijftig de toenmalige mandarijnen van het literaire establishment de oren waste. Brouwers brengt hierin geen nieuwe visie naar voren. ’t Lijkt eerder duidelijk te willen maken waar hij de inspiratie voor zijn eenmanstijdschrift vandaan haalde, en verder scherpt hij het begrip ‘polemiek’ aan: ‘Polemiseren: is chargeren, overdrijven, pletten. Hoe heftiger hoe leuker. Belachelijk maken, simplificeren: allemaal toegestaan. Hoe scherper de karikatuur, hoe duidelijker de essentie van de ergernis. (..) Wie polemiseert moet vooral niet met zeven brillen op en met in iedere hand een vergrootglas aandachtig gaan zitten nuanceren (…) Kinderachtig? In de liefde en de polemiek doet alles ertoe. (…) Polemiek is nooit verheffend.(…) Kenmerkend voor de polemiek is de taalbrille waarmee het allemaal wordt uiteengezet en opengelegd (…) Het komt aan op de hakbijlscherpe formulering van hetgeen in de ogen van de polemist ten hemel schreiend verkeerd is en op exacte karakterisering van de persoon die zich eraan heeft bezondigd, waarna het tomatengooien kan beginnen onder het liefst zo hilarisch mogelijk en ijzig sarcastisch slaken van beledigingen, beschimpingen en vervloekingen, alles in zo briljant mogelijke taal en zegging.’ Voor wie mocht denken dat dan alles geoorloofd is, knijpt Brouwers in de rem: ‘Niet lasteren. Niet liegen. Polemiek moet in die zin betrouwbaar en waar zijn, dat alle schandelijkheden die de polemist zijn tegenstander in diens verwerpelijke tronie wrijft, met bewijzen en argumenten moeten worden gestaafd’. Brouwers betreurt het intussen dat de polemiek geen echte literaire erkenning geniet zoals een roman, toneelstuk of gedicht. Terwijl de polemiek zijns inziens bepaald niet het makkelijkst te beoefenen literaire genre betreft, waaraan men zich dan ook beter niet waagt als men zich niet reeds eerder in andere literaire vormen heeft bekwaamd. In navolging van wat wijlen F. Jacobse van De Tegenpartij als ‘interrumperen’ beschouwde, te weten ‘mondelinge tomaten’, ziet Brouwers het polemiseren dus als een soort literaire tomaten. Welnu, de positie is bepaald, het mes is geslepen. Beginnen maar!

    Van alles komt langs. Kleine dingetjes, grote dingetjes. Soms wat gezocht, soms wat melig (‘Aleid Truitjes’). Soms wat aanstellerig taalgebruik als ‘onderlaatst’ voor ‘onlangs’, en het parmantige ‘collegae’. Brouwers bewandelt stilistisch niet de kortste route: ‘Het door J. Weverbergh door het Letterenhuis geoffreerde bedrag, waarvoor J. Weverbergh met het Letterenhuis tot overeenkomst kwam, deed J. Weverbergh opeens beseffen (..).’ Natuurlijk, die stapelmethode is onderdeel van zijn stijl, maar ’t kan soms vermoeiend lezen. Stilistische overacting ligt op de loer. Maar toch leg je als lezer de bundel niet weg, want als Brouwers eenmaal echt los gaat, krijg je als lezer beslist iets smakelijks voorgeschoteld. Dan voldoet hij ruimschoots aan zijn eigen definitie van de polemiek. Het fulmineren tegen het Letterkundig Museum (‘letterenbordeel’), inzonderheid tegen de directeur die als ijdeltuit wordt afgeserveerd, is tot een omvangrijk prachtstuk uitgegroeid. En daarbij mag zeker gelachen worden. Directeur Aad Meinderts ging bij wijze van ‘literaire roadtrip’ de graven langs van honderd vooraanstaande, dode Nederlandse schrijvers. Om er een roos op te leggen. Uit het daarvan verschenen boekje lepelt Brouwers zo nu en dan een citaatje op, dat hij van snedig commentaar voorziet: ‘“Tijdens de reis twitter ik dat het een aard heeft”, schrijft de druktemaker. Dat het een aard heeft! Zelf ter aard had hij moeten gaan. In overall. Schrobben had hij gemoeten, als pantheondirecteur de schrijversgraven om te beginnen schoonboenen als stijlvol eerbetoon, dat had hij gemoeten, nederig en met respect, op handen en knieën over de arduinen naamplaten kruipend van degenen aan wie hij zijn leuke baantje dankt.”’ De terechtstelling van Jan Siebelink verderop in de bundel is niet minder vermakelijk. Hoe de zichzelf in interviews als calvinistisch afficherende schrijver ooit eens ten overstaan van Brouwers en diens toenmalige gezellin schaamteloos kenbaar maakte lust te hebben ‘in een lekkere hoer’ leest men beter zelf. Brouwers op z’n best!

    Brouwers zou Brouwers niet zijn als de polemiek zo nu en dan niet ook plaatsmaakt voor stukken waaruit overduidelijk compassie spreekt. In een kort, liefdevol geschreven stukje over de overleden literaire verschoppeling Marcel van Maele treft de fraaie zin: ‘Hij zorgde ervoor dat men om hem lachte als clown, om niet te worden uitgelachen om zijn ernst.’ Een waarderend stuk, De wereldreus, over Harry Mulisch die Brouwers altijd hoog had staan, mist daarentegen een heldere lijn. Als persoonlijk eerbetoon komt het niet echt uit de verf. Wel weet Brouwers ook hier met sommige fraaie, in dit geval niet pesterig bedoelde typeringen te scoren als ‘bejaarde poppenkasthoofd’ voor de kop van Mulisch. Het opstel schudt een tas met wederwaardigheidjes leeg en de lezer mag er naar believen wat uithalen. Een van de interessantste is evenwel het feit dat Brouwers het motto voor zijn roman Bittere Bloemen lukraak gekozen heeft toen hij, na van Mulisch’ dood vernomen te hebben, een Mulischboek uit de kast trok en opensloeg…Geheel in Mulisch’ stijl om het raadsel te vergroten, houdt Brouwers de vindplaats van het citaat voor zich.

    Met het klimmen der jaren mag zijn vriendenschare afgenomen zijn, het aantal vijanden lijkt er niet minder op geworden. En over die laatste lijkt Brouwers bij lange na niet uitgeschreven. De Nederlandse Taalunie rekende buiten de waard toen zij de auteur in 2007 met de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren waardig dacht te eren. Het daaraan verbonden geldbedrag van € 16.000,- was in Brouwers’ ogen echter niet in overeenstemming met de zogenaamde waardigheid van de oeuvreprijs. Hij weigerde dan ook. De schimpscheuten richting die club schieten nog steeds voorbij in deze bundel. Her en der, in gevarieerde formulering, weerklinkt het als een Leitmotiv: ‘Intussen blijft onverminderd mijn overtuiging staande dat het onzininstituut taalunie, drijvend op miljoenen uit twee landen die krom gaan onder de bezuinigingen en inkrimping, onmiddellijk en zonder dat iemand het missen zal, kan worden opgedoekt’. Ach, Brouwers zit nog zo vol van anderen dat hij niet eens veel plaats inruimt voor zijn eigen sores. Want natuurlijk slaat de titel Restletsels behalve op het geestelijke ongemak ook op de fysiek zorgelijke toestand van de schrijver zelf. Ook dat is een terugkerend motief. Het zelfbeklag blijft echter ondergeschikt aan het op de hak nemen van de hedendaagse, door computers bestierde ziekenhuizen en de eeuwenoude arrogantie van sommige geneesheren. Tja, na lezing van deze bundel bekroop me toch het gevoel dat het ergens onrechtvaardig zou zijn als Brouwers wordt opgeheven in plaats van de Taalunie.

     

  • Een decennium lang Het liegend konijn

     

    Het liegend konijn is een tijdschrift voor hedendaagse poëzie met tweemaal per jaar een uitgave waarin enkel en alleen niet eerder gepubliceerde poëzie wordt opgenomen.  Geen recensies of beschouwingen ontnemen het zicht op het werk van de dichter, aan de lezer de taak zelf te oordelen. Het blad heeft een oplage van 1.500 exemplaren en telt 400 abonnees en kent sinds 2007 de tweejaarlijkse Debuutprijs Het liegend konijn toe.

    Poëzie zien als kind van deze tijd, als de spiegel van onze samenleving, zo waardeert de enige redacteur van het blad, Jozef Deleu het dichterschap:  ‘Dichters als gangmakers voor wat er te gebeuren staat met mens en wereld’.

    Struinend door de twee edities van Het liegend konijn van dit jaar is het een proeven, ruiken en opnemen. Er komt een grote verscheidenheid aan dichtkunst in voor. Dichters van uiteenlopende leeftijden, jonge debutanten, oude getrouwen en  enkele senioren leverden ‘niet eerder gepubliceerd’ werk. Uit de 67 dichters die in deze twee edities publiceerden, wordt hier de jongste dichter, Arno Van Vlierberghe (1990) en Nederlands grootste, de in Amerika woonachtige Leo Vroman (1915) belicht. Interessant is te zien hoe deze twee generatie dichters zich verhouden tot de toekomst:

    Ideaal (Leo Vroman)

    ‘Engel, als ik zo dromen kon
    en voor ons beiden
    de wolken zien glijden
    langs het plafond,

    Uit een bloemig vloerkleed groeiden
    de bedoelde planten
    en bloeiden langs de kanten
    de bedoelde bloemen,

    Werden de kamerwanden
    welig wuivend lover
    van ons tweeën  en van  de
    rest bleef niets dan liefde over.’

    In dit gedicht is de wereld klein, en wordt het leven teruggebracht tot de essentie van het leven zoals de dichter die beleeft. Dat na het heengaan, het sterven, ‘niets dan liefde’ is wat overblijft en waaruit,  een overgave spreekt die vredig stemt. Een kleine, overzichtelijke wereld: ‘Uit een bloemig vloerkleed groeiden / de bedoelde planten.’ Wat zoveel betekenen kan als: het leven heeft zijn belofte waargemaakt.

    De jonge dichter Arno van Vlierberghe dicht over een wereld die zich naar alle kanten uitstrekt en waarin het leven an sich een soort dreigement inhoudt waaraan niet te ontkomen is. Een gedichten‘epos’, al is er over heldendaden niets te melden. Een reeks gedichten over het verleden, hoe het was en dan, wat het gaat worden. Door zich het verleden te herinneren wordt de deur naar de toekomst geforceerd. Het is een gedichtenreeks waarvan de laatste strofe eindigt met: ‘En je moet je wijfje nog gaan vinden.’ Dat na alle gebeurtenissen en indrukken die een heel leven omvatten, het grote werk, het echte leven nog moet beginnen, is duidelijk. Hieronder het eerste gedicht uit de reeks: We waren allemaal even lelijk

    ‘Toen we nog naar verjaardagsfeestjes gingen,
    de Opel kadet net gestolen dus te voet
    hand in hand, de kleine klamme in grote klamme hand,
    door de slapende stad.

    Siliconen hielden toen de dieven buiten,
    de kinderen binnen en
    o wee als Arno aan de ramen van
    dit alles prutst, dan wordt er gestorven
    op vreselijke plekken
    Toen leerden we plastic kaas te smaken,
    roze puree te witten. Het kauwen werd
    ons opgelegd.’

    Waar in het gedicht van Vroman de belofte van de toekomst lijkt te zijn ingelost, heeft Van Vlierberghe de belofte die het leven inhoudt net ontwaard.

    Bij deze tiende jaargang komt Deleu eindelijk met de waarheid op de proppen omtrent de naamgeving van het tijdschrift. De naam is niet, zoals abusievelijk wordt aangenomen, geïnspireerd op het verhaal over een konijn van Paul van Ostaijen welke bij elke editie op de achterkant werd afgedrukt. Het begon in 1990 in Boedapest in een restaurant waar Deleu de tafel deelde met neerlandici uit Midden-Europa en waar, vermoedelijk ter ontspanning, de vreemdste verhalen werden opgedist. Waarop Deleu reageerde met de uitdrukking ‘jullie liegen als een konijn’. Waarna er een Internationaal Genootschap voor Taalvernuftelingen onder de naam Het liegend konijn werd opgericht. Het genootschap hield niet lang stand maar de naam leefde voort, en Deleu richtte aldus in 2003 het literair tijdschrift Het liegend konijn op. Daarna kwam pas het verhaaltje van Van Ostaijen ‘over het konijn dat de lach zocht’ in beeld en werd sinds het eerste nummer, als zijnde zeer toepasselijk, op de achterflap afgedrukt.

    Drie dichters ontvingen inmiddels de Debuutprijs Het liegend konijn. Ester Naomi Perquin won in 2007 voor het eerst deze prijs. In 2009 was het Ruth Lasters die de prijs won en in 2011 Lieke Marsman. Alle drie de laureaten schreven werk voor de tweede editie van Het liegend konijn.

    Verdere dichters die, verdeeld over beide edities, met een enkel of meerdere gedichten in Het liegend konijn zijn opgenomen, zijn onder meer: Huub Beurskens, Wim Brands, Y.M. Dangre, Maarten Das, Ellen Deckwitz, Piet Gerbrandy, Eva Gerlach, Peter Ghyssaert, Peter Holvoet-Hanssen, Tjitske Jansen, Wiel Kusters, Hanz Mirck, Froukje van der Ploeg Daniël Vis, Judith van der Wel, Anneke Brassinga, Paul Demets, Kees Engelhart, Anna Enquist, Edwin Fagel, Ingmar Heytze, Maarten Inghels, Sylvie Marie, Erik Menkveld, Erwin Mortier, Erik Spinoy, Peter Swanborn en Eriek Verpale. 

    Met deze tiende jaargang van Het liegend konijn is Jozef Deleu hoogst waarschijnlijk de langst zittende eenmans redactie van een literair tijdschrift. Wekelijks krijgt hij honderden gedichten toegezonden. Die hij zuiver op taalgevoel en herkenbaar aanwezig talent, selecteert. De gedichten die uiteindelijk geplaatst worden zijn van een kwaliteit die het dichtersgilde eer aan doet maar vooral ook het kritisch oog van Deleu kenmerkt.

    ‘Dichters als gangmakers voor wat er te gebeuren staat met mens en wereld.’ Een mooie gedachte die onverhuld de wens in zich draagt dat men meer gedichten moet gaan lezen wil men bij de ‘dichterlijke’ tijd blijven. Met Het liegend konijn in de hand zien we het volgend decennium met vertrouwen tegemoet.

     

    Het liegend konijn

    Onder redactie van Josef Deleu
    10e jaargang nr. 1 april 2012,
    Blz.: 264
    Prijs: 20,-
    nr. 2 oktober 2012
    Blz.: 272
    Prijs: 20,-
    Uitgeverij van Halewyck, Leuven & Van Gennep, Amsterdam

    www.hetliegendkonijn.be