Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Een prachtig debuut

    Een prachtig debuut

    Door Niels Nijborg

    In het debuut van Naomi Rebekka Boekwijt, de verhalenbundel Pels, spelen in meerdere verhalen vrouwen en boerderijen een belangrijke rol. Verklaarbaar als je weet dat de auteur nu, na een studie filosofie, op een boerderij in Zwitserland woont en werkt. In alle verhalen in de bundel verkeren jonge mensen in een situatie waarin zij iets willen van anderen, of anderen iets willen van hen. Maar nooit gaat het zoals zij het willen of verwachten. Een bundel met prachtige zinnen en beelden. Bijzonder als je bedenkt dat de schrijfster nog zeer jong is, Naomi Rebekka Boekweit is geboren in 1990.

    Vanwege de boerderijen en soms stugge zwijgzame karakters ligt het voor de hand om bij het lezen te denken aan Gerbrand Bakkers Boven is het stil. Ook de beschrijvingen van de natuur doen er aan denken. Boekwijt formuleert echter preciezer. Er staat geen woord teveel in haar verhalen. Bovendien is ze poëtischer: ‘De dagen worden ingevroren. Het ochtendwerk trekt sporen over die van de vorige dag.’ Of: ‘Woorden zijn muizen in het veld.’ Ook eigen aan Boekweit is dat in een aantal verhalen de sekse van de verteller in het midden wordt gelaten. Voor zover van belang spelen liefde en seks zich af tussen personen van hetzelfde geslacht. Sekse lijkt voor de schrijfster niet van belang. De karakters zijn het enige dat telt. De ontwikkeling van de karakters hoeft niet per se te leiden tot een slotakkoord. De beschrijving van een scène, een gebeurtenis waarin de karakters fungeren is voldoende. De plot is bijzaak. En daarin heeft Boekweit gelijk, omdat ze het zeer secuur en prachtig gedoseerd doet.

    Het laatste verhaal, Bruska – Ter mythevorming, heeft een geheel andere stijl dan de rest van de bundel. De hoofdpersoon is wel nogal op zichzelf, maar de natuur ontbreekt en het verhaal heeft, in tegenstelling tot de andere verhalen, onmiskenbaar Reviaanse elementen. In Bruska wordt verteld over de teloorgang van een filosofiefaculteit en het laatste kliekje studenten die de filosofieprofessor Bruska uit de titel aanbidden. Het verhaal staat vol donkere humor en misantropie en is, naarmate het einde van de faculteit nadert, als een storm die in sterkte toeneemt. Een citaat uit dit verhaal, omdat het zo mooi en typerend is:

    ‘Vader rookte de kamer blauw en bladerde door reisgidsen, moeder las de krant. Mijn zus zat aan het ventje gekleefd, wachtend op het avondeten. Ze zouden nooit eens muziek opzetten. Ik hoorde het geadem en gerochel van die vier mensen. Ze merkten niet dat ze er waren, dat ze ademden, dat ademen geluid maakt. De woonkamer was een decor van drie wanden en ik was de vierde wand.’

    Dit is mooi gedaan. Hopelijk schrijft Boekwijt haar eerste roman in de Reviaanse stijl van het laatste verhaal en volgen er nog vele prachtige verhalen in de verstilde Bakkeriaanse stijl.

    Pels

    Auteur: Naomi Rebekka Boekwijt
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 124
    Prijs: € 17,95

  • Recensie door Rein Swart

    Recensie door Rein Swart

    Hoe lang is een tijdje?

    Dammers zijn bijzondere mensen met een bepaalde hersenkronkel waardoor ze gemakkelijk de weg vinden op het speelbord. Jannes van der Wal was het meest sprekende voorbeeld van een dammer: hij kwam moeilijk uit zijn woorden, was erg verlegen, maar aan de wedstrijdtafel onverslaanbaar. Owen Donkers tovert, binnen het fraaie omslag van Ron van Roon, in zijn tweede roman een vergelijkbaar personage uit zijn hoed, al staat deze nog aan het begin van zijn carrière.

    De elfjarige dammer in IJsbrood is zijn moeder kwijt. Zij is weggelopen uit het gezin vanwege de vele ruzies met haar man, een onverstoorbare ambtenaar die in zijn vrije tijd de schilderskwast hanteert en zich verder afsluit. Zijn zoon moet zich zoveel mogelijk in zijn eentje zien te redden, want aan zijn zus die op de middelbare school zit, heeft hij niet veel. Ze redderen samen het huishouden, maar in gevoelskwesties staan ze beiden machteloos. Daar kunnen ze niet mee overweg. De jongen verwoordt dit fraai in de zin: ‘Soms kreeg je lasagne, soms kwam er zuurkool op tafel. Niks had je erover te zeggen.’

    Het is voor de jongen uit groep acht totaal onduidelijk wat er met zijn moeder gebeurd is. Zij kon na een ongeval met de fiets niet eens lopen. Ze is in het weekend opgehaald met een auto, had zijn zus gehoord. Zelf sliep hij vast. De jongen heeft geen flauw idee wie haar heeft opgehaald. Pas later vertelt zijn vader dat hun moeder een tijdje bij Ron, de ex-vriend van haar vriendin, is gaan wonen.

    Met zijn ontwapenende schrijfstijl neemt Owen Donkers de lezer mee het verhaal in. In een tijd dat platen langzaamaan vervangen worden door cd’s probeert een nogal weerloze jongen de onduidelijkheden in zijn leven te beredeneren. Hij vraagt zich af wanneer zijn moeder terugkomt. Hoe lang duurt het ´tijdje´ dat zijn vader genoemd heeft? Door te dammen kan hij zijn gedachten verzetten. Het blijkt een geschikte hobby, waarin hij snel vorderingen maakt. Op de club en op school doet hij mee aan wedstrijden. Hij heeft al de nodige medailles gewonnen en aast op een beker.

    In korte zinnen schakelt de verteller verrassend tussen gebeurtenissen, waarin op subtiele wijze de wanhoop van de jongen duidelijk wordt:
    ‘Mijn vader zette een pan op tafel, en mijn zus vroeg: Wanneer komt mama terug? De pan, zag ik, was een pan met bloemkool. Bloemkool was al erg genoeg, maar nu mijn vader het had gemaakt zou het nog wel erger zijn.’

    De humor is onderkoeld en grappig, bijvoorbeeld over kinderen die op het schoolplein vaak de pineut zijn, op boksen moeten gaan van hun ouders en dan weer in elkaar geslagen worden of over regen in het park. ‘In het park bleef het altijd nog een kwartier regenen als het niet meer regende. Daar stond tegenover dat het ook pas begon te regenen als het al een kwartier regende. In het park wist je niet of het nou regende of niet.’

    Af en toe staan er cursieve stukjes in het verhaal, zoals een Polygoon journaalachtig stukje over de damsport, die moeilijk te plaatsen zijn. Een ander minpuntje is dat Donkers de magie niet weet vol te houden. Langzaam zakt de verrassing uit het verhaal weg, maar de machteloosheid van de sympathieke jongen blijft toch in het geheugen gegrift.

     

    IJsbrood

    Auteur: Owen Donkers
    Verschenen bij: Uitgeverij Thomas Rap
    Aantal pagina’s: 112
    Prijs: € 16,90

  • Papieren monument voor een kortebaanstilist

    Papieren monument voor een kortebaanstilist

    Simon Carmiggelt had al een bronzen standbeeld in Amsterdam en was in De Steeg al op een bankje neergezet, nu is er ook nog eens een papieren monument voor hem, met de uitstraling van de boeken uit de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag op 7 oktober 2013 laat deze uitgever een fraai verzorgde bundel met 100 korte verhalen verschijnen onder de titel Gedundrukt. Het is een eerbetoon aan de man die in zijn gedicht ‘De minor poet’ een dichter met een zeer bescheiden oeuvre aan de hemelpoort liet fantaseren:

    Hij zag zich al gedundrukt door Van Oorschot
    en mompelde: ‘Ga ik dan niet teloor, God?’

    Het is niet de enige bundeling van verhalen die Carmiggelts honderdste geboortedag opluistert. Zijn biograaf Henk van Gelder stelde ter meerdere hulde nog een wandelgids samen van Amsterdamse verhalen (Dwalen door Amsterdam met S. Carmiggelt).

    In zijn literaire leven schreef Carmiggelt (1913-1987) meer dan 10.000 cursiefjes, korte verhalen met scherpe observaties van alledaagse gebeurtenissen. Zijn eerste dateren uit de jaren ’30 van de vorige eeuw (hij noemde ze toen nog Kleinigheden) en hij bleef ze schrijven tot enkele jaren voor zijn dood.
    In Gedundrukt staan de 100 beste. Of eigenlijk is dat niet juist: ‘100 van zijn mooiste’ staat op de flap. Alsof de samenstellers willen zeggen: ‘we stopten bij 100, maar er zijn nog zoveel méér mooie’. Maar toch, als we er van uit mogen gaan dat de samenstellers van de bundel het topje van de piramide hebben willen opnemen, dan heeft Carmiggelt dertig jaar lang een hoog niveau gehaald. In Gedundrukt zijn opgenomen één vooroorlogs verhaal (1938), acht uit de periode 1945-1950, 32 uit de periode 1951-1960 (waarvan de helft uit 1953 en 1954), 25 uit de periode 1961-1970 (redelijk evenwichtig over de jaren verdeeld) en 34 uit de jaren 1971-1980 (waarvan eenderde uit 1977). Van na 1980 is geen enkel verhaal opgenomen. Als je op deze selectie af mag gaan haalde Carmiggelt dus tussen 1951 en 1980 een langdurig hoog niveau, met topjaren in 1953, 1954 en 1977.

    Natuurlijk valt er van alles af te dingen op de keuze. Het is bijvoorbeeld vergeefs zoeken naar wellicht zijn beroemdste verhaal ‘Het woord’; daaraan hebben we ‘epibreren’ te danken, dat zelfs een lemma werd in Van Dale. Maar wie dit stukje uit 1954 nu nog eens naleest (het staat in de bundel Ping pong uit uit dat jaar en is in 1998 nog eens heruitgegeven door de Arbeiderspers) zal moeten toegeven dat het verhaal inderdaad niet een van zijn beste is.
    Teleurstelling voelt de lezer misschien ook omdat Gedundrukt geen enkele vers van Karel Bralleput (zijn pseudoniem als dichter) bevat – behalve dan ‘De minor poet’ op het omslag. De bundel kent verder geen inleiding en zelfs geen verantwoording.
    Maar dat is misschien juist wel de kracht. Carmiggelt is hier open en bloot neergezet in zijn eigen woorden. Zonder toespraak of bloemen. Hij spreekt voor zich. Dat is de grootste eer die de samenstellers hem konden bewijzen.

    En de verhalen zelf dan? Het kan niet anders of er zit enige sleet op. Carmiggelt beschrijft taferelen op kantoren, in cafeetjes, op terrasjes en op banken in parkjes die wij niet meer herkennen en de verteltrant is af en toe van een sukkelgang die ons vreemd is geworden. Toch zindert er een beleving onder die in onze tijd nog steeds aanwezig is. Carmiggelt weet prachtig te vatten hoe we in contact verhullen wat we werkelijk voelen en hoe we langs elkaar heen praten. Hij zou in onze tijd als geen ander hebben kunnen beschrijven wat een tragische eenzaamheid er schuilt onder het hebben van honderden Facebookvrienden en in de opgewekte sms-jes en haastige tweets die ons om de oren vliegen.
    Wij zijn als maatschappelijke wezens zo veel veranderd dat de teksten van Carmiggelt bij vluchtige lezing nauwelijks nog mee kunnen. Maar voor wie er de tijd voor neemt doemen aan ons, 21ste eeuwers, verwante zielen op.

    Mooi om te zien is dat Carmiggelt in de bijna veertig jaar die deze bundel bestrijkt ook zelf is veranderd. Zo is zijn ironie, die alle verhalen wel kenmerkt, in de loop van de jaren milder geworden en verfijnder. In de vroegste stukken bijvoorbeeld, zit nog veel oorlog en bezetting. Daarin noemt hij het Duits van de Grüne Polizei een ‘Pruisische paardentaal’ en ‘snodderig’. Daarin zit een felle minachting, die er in latere verhalen veel minder dik bovenop ligt. Er is dan zelfs compassie, zoals in ‘Liefde’ uit 1963 waarin een serveerster van vieze kroketten haar klanten bedient: ‘een klein, tanig vrouwtje, aan gene zijde van de vijftig, permanent in sukkeldraf op weg naar een plicht. Ze zette de bordjes en de schaaltjes neer met een zeker mededogen’.
    Nog een verschil is dat Carmiggelt in zijn late stukken ingetogener en verstilder is. Het verhaal ‘Motregen’ bijvoorbeeld uit 1978 is een herinnering aan een uitnodiging, lang geleden, van een jonge vrouw om nog ergens wat met haar te drinken: ‘Elsje heette ze. De vrouw van een bevriende collega. Een zeer bijzondere vrouw. Ik vond haar erg mooi en erg aardig. Ja, ik geloof zelfs dat ik een beetje verliefd op haar was.’ Hij sloeg de uitnodiging schuchter af, ‘want ik heb om acht uur een afspraak’. Daarna zag hij haar nooit meer: ‘Kijk, dáár heb ik nu nog altijd spijt van’.
    Zet dat eens af tegen ‘Takelen’ uit 1953 over de bovenbuurman die steeds nieuwe kortdurende relaties heeft met weer andere vrouwen die vervolgens bij hem intrekken. Om de zoveel tijd zijn de onderburen er getuige van hoe bezittingen van de nieuwe beminde naar boven worden getakeld, om korte tijd later weer in omgekeerde richting te worden afgevoerd. Die geschiedenis is ronduit kluchtig verteld.

    De verhalen van Carmiggelt stammen uit een tijd die achter ons ligt: commensalen (in 1954 door Carmiggelt nog gebezigd als contemporain begrip) kennen we niet meer, en welke ‘mevrouw’ zien we nog achter een glaasje ‘schilletjes met suiker’? Toch weet Carmiggelt nog te ontroeren. En zijn stijl blijft meesterlijk.

    Gedundrukt is een boekje om stil in te brevieren.

    Gedundrukt
    (verhalen)

    Auteur: Simon Carmiggelt
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2013)
    Pagina’s: 310
    Prijs: € 24,90

  • De basso continuo van de storm

    De basso continuo van de storm

    Vijfenveertig jaar na een dramatische gebeurtenis treffen drie Nederlanders elkaar aan de Nederlandse kust. Het is hun laatste reünie, zo zal blijken. In het hotel Hoogduin zijn de Nederlandse ambassadeur in Angola, Ferdy Aronius, zijn moeder Alice en haar ex-minnaar Mees Stork samen. De drie hebben een gezamenlijk Indisch verleden. Gezamenlijk? Al op de eerste pagina’s van De beige man, de eerste novelle in de bundel Een tropische herinnering, wordt duidelijk dat er een nooit gedeeld geheim is. Iedereen is op de hoogte van de verschrikkelijke dood van Dieudonné, broer van Ferdy en de andere zoon van Alice. Dat gebeurde tijdens de Bersiap, de gewelddadige periode eind 1945 waarin onder andere veel slachtoffers vielen onder de Indo-Europeanen. Maar er is in de verwarring van die dagen teveel gebeurd om elkaar nog te durven vertrouwen. En daardoor vinden de drie al vijfenveertig jaar geen troost bij elkaar.

    Een tropische herinnering is het literaire debuut van de 79-jarige acteur en regisseur Eric Schneider, die dit jaar ook nog met zijn zoon Beau op de planken staat in Levenslang theater. Eric is de broer van Carel Jan, die hem als schrijver onder de naam F. Springer voor ging. Hij heeft zijn debuut aan hem en zijn tweede broer Hans opgedragen. De regisseur kan met dit debuut in de schaduw staan van Springer, al heeft zijn stijl niet de souplesse en zijn verhaalopbouw niet de evenwichtigheid van zijn veelgeprezen broer.
    Het is verleidelijk de twee te vergelijken, maar ook onterecht. Bloedverwantschap staat niet in de weg aan een geheel eigen karakter en ontwikkeling. De neiging van de buitenwereld om de literaire uitingen van de broers aan elkaar af te meten (Eric heeft die vast onderkend) maakt het aan de andere kant des te moediger dat hij zich daardoor niet liet weerhouden.

    De beige man voert de lezer langzaam naar de gebeurtenissen die tot de dood van Dieudonné hebben geleid. Die gebeurtenis zelf wordt uiteindelijk in slechts een paar regels, nuchter registrerend, verteld. Hij is dan ook niet het werkelijke thema van de novelle. Belangrijker is hoe beschadigd de drie reünisten uit het Jappenkamp en de Bersiap zijn gekomen en voorgoed het vertrouwen in elkaar zijn kwijtgeraakt. De reünie in Hotel Hoogduin is een traditie onder hen ter gelegenheid van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, waardoor de Japanse terreur in Indië eindigde. Tijdens de bijeenkomst wordt de ondergang van die steden, zoals het in de novelle heet, ‘gevierd’.

    Maar zoals Indië niet meer ‘van ons’ is, zo is Hotel Hoogduin tijdens deze laatste reünie ook niet meer het eigendom van Mees Stork. Hij heeft het noodgedwongen moeten verkopen aan zijn vroegere bediende in Indië, Boelie Kamidjojo. Die verbouwt het nu tot een Indische uitspanning met de naam Hotel Nieuw Buitenzorg. Diezelfde Boelie is de beige man uit de titel. Hij bedient de drie reünisten en waart voortdurend door de novelle als een onontkoombare personificatie van het schimmige verleden.

    Zoals tijdens een reünie gebruikelijk, worden doorlopend herinneringen opgehaald: aan het weerzien van elkaar na de gevangenschap in het Jappenkamp, aan de dood en uitvaart van Alice’s man, die dominee was en aan het verleden dat Alice en Mees met elkaar delen. Maar vooral schrijnend is wat jaren werd verzwegen en wat nu niet langer wordt verhuld: de eerste ontmoeting van Alice en Mees en hoe die het vertrouwen van de kinderen beschaamde, de ware toedracht van de dood van Dieudonné, de schuldgevoelens bij moeder en zoon en het onvermogen tot troost. ‘Dit gewelddadig herinneren’ noemt Ferdy, door wiens ogen we de reünie meebeleven, dit. Buiten het hotel klinkt ‘de basso continuo van de storm’ als een echo van wat zich binnen afspeelt.

    Hoewel deze eerste novelle ons in een duidelijke lijn naar de climax toedrijft, is hij ook in onbalans. Er komt wel erg veel gewicht liggen bij de talrijke ontmoetingen van Mees en Alice en de herinneringen aan hun gezamenlijke dans- en muziekgeneugten. Dat wordt enigszins storend als je als lezer het gevoel krijgt dat die passages door de auteur zijn uitgesponnen om de ontknoping uit te stellen. Tegelijk kun je ook stellen dat Schneider wat teveel ineens wil. De herinneringen aan de Bersiap, de omgang met het verlies van het gezag over Indië (Mees blijft ook nu nog als een koeliedrijver tekeer gaan tegen Boelie, hoewel de werelden zijn omgekeerd), de twijfels van Ferdy over zijn identiteit (Was de dominee zijn vader of is Mees dat? Wat moet hij met zijn homoseksualiteit in de diplomatie?): het zijn allemaal thema’s die voldoende stof zouden leveren voor afzonderlijke novelles.

    Toch levert Eric Schneider mooie passages. Zo beschrijft hij de gedachten van Ferdy aan de dood van zijn vader, die hij niet mocht, in een mooie mengeling van afschuw en tederheid: ‘zijn reusachtige, veel te dikke vader was in de loop van een jaar gereduceerd tot een uit het nest gevallen vogeltje’. En als Ferdy eerst zijn moeder en daarna Mees telefonisch op de hoogte wil stellen van zijn dood en bij beiden de ingesprektoon krijgt, staat er: ‘Zacht, alsof hij hen had afgeluisterd, legde hij de hoorn weer op de haak’.

    Eveneens herinneringen aan traumatische gebeurtenissen in de tweede novelle, getiteld Firs. Een epiloog. Een kort verhaal van nog geen veertig pagina’s, dat net als het eerste overloopt van de thema’s. Centraal staat een ruim tachtigjarige acteur, die de rol speelt van de bediende Firs uit De Kersentuin van Tsjechov. Op de nachtelijke terugweg naar huis rijdt de bus met acteurs een hert dood. Bij het ongeluk raakt de Firsvertolker lichtgewond. Thuis voor de spiegel kijkt hij zijn gekwetste gezicht aan, terwijl zijn vrouw, dementerend en alcoholiste bovendien en overdag verzorgd door een Surinaamse weduwe, in bed ligt te slapen. Hij mag haar vooral niet storen omdat ze dan onhandelbaar is.

    De tragiek van zijn situatie wordt voor de lezer steeds voelbaarder terwijl hij in de nacht voortmijmert. Over de ontwikkelingen die hij niet meer kan volgen. Over zijn gevoel als acteur te worden afgedankt, nog eens bevestigd door het telefoontje van de regisseur in dezelfde nacht dat hij van plan is de rol aan een ander te geven omdat het gezelschap niet kan wachten tot hij opgeknapt is.

    Vervolgens dringt het leven van zijn vrouw, een actrice die al lang niet meer kan optreden, zich aan hem op. Hun eerste woelige kennismaking, de slippertjes, het kind dat ze kreeg en verloor (doodde?) in de onderduik, de merkwaardige ‘muisstille man’ in hun leven, haar ziekte en aftakeling. Hij beseft dat hij ook haar niet meer bij zich kan houden. Uiteindelijk staat hij naakt en verloren in de vroege morgen in zijn kamer.

    ‘Mij hebben ze vergeten’ zegt hij Firs in de slotscène uit De Kersentuin na.

    Duidelijk is hoe dit meedogenloze afschminken van een oude acteur Eric Schneider, zelf bijna tachtig jaar, bezighoudt. Het was ook al eens het onderwerp in zijn voorstelling Nocturne in 2009.

    Met Een tropische herinnering (niet alleen de titel van deze uitgave, maar ook de ondertitel van de eerste novelle) wil hij ook weer het theater in. In 2014 gaat de toneelbewerking ervan in première.

     

  • De kaart als ontdekkingsreis – Simon Garfield

    De kaart als ontdekkingsreis – Simon Garfield

    Recensie door: Sunny Jansen

    Betoverende kijk op de wereld

    Elke landkaart vertelt een verhaal. Een verhaal over ontdekkingsreizen en veroveringen. Over grenzen en dynastieën. Vaak zijn kaarten een aandenken aan landen die je bezocht hebt en soms is het gewoon een hulpmiddel om in eigen land de snelste weg te vinden. Tegenwoordig delven kaarten het onderspit, er is immers GPS en vrijwel iedere auto heeft een navigatiesysteem. Toch maken ook sociale media gebruik van kaarten. Eind 2010 publiceerde Facebook een wereldkaart. Deze kaart leek verdacht veel op  de 16e eeuwse wereldprojectie van Mercator, maar tegelijkertijd was het iets totaal anders. Het was een kaart van Facebookverbindingen. Een gloednieuwe, hedendaagse manier om de wereld in kaart te brengen.

    Simon Garfield, een bekend auteur van non-fictieboeken, schreef een boek over al deze kaarten. Op de kaart vertelt de geschiedenis van landkaarten op een originele en aanstekelijke manier. Hij begint bij de kaarten van de Oude Grieken en eindigt bij Google Maps en satelietnavigatie. Duidelijk wordt hoe kaarten de wereld hebben vormgegeven en hoe zij de geschiedenis hebben beïnvloed. Kaarten vertellen immers de geschiedenis van de mens en brengen er lijn in aan.

    Interessant zijn de hoofdstukken over de eerste kaartenmakers Eratosthenes, Strabo – een groot wereldreiziger die graag opschepte – en Ptolemeus. Het is intrigerend hoe zij hun werk deden in een tijd dat de wereld nog klein was. Zij waren inventief in het inschatten van afstanden en af en toe erg creatief in de keuzes die zij maakten. Zo vond Strabo Groot Britannië eigenlijk niet vermeldenswaardig: het is er ellendig en onbewoonbaar, vond hij. De zon schijnt er nooit. En bovendien wemelde het in Ierland van de kannibalen. Ondanks de nauwkeurigheid van zijn kaarten, beweerde hij wonderlijke dingen. Zo groeide volgens hem op het eiland Ceylon, dat op zeven dagen varen van India ligt, een ongebruikelijk gewas, te weten olifanten.

    Na deze Griekse wijsgeren, die er wonderwel in slaagden structuur in de wereld aan te brengen, stond de cartografische ontwikkeling lang stil. Ruim 1000 jaar lang werden er geen ontdekkingen en aanvullingen op hun kaarten gedaan. Maar dat betekent niet dat er niets te vertellen is, laat dat maar aan Garfield over. Het knappe is, dat hij een geschiedenis van 2000 jaar kaarten en een  bloemlezing in één schreef. Met goed gekozen voorbeelden die je bij blijven. Over de Hereford Mappa Mundi (ca. 1290) bijvoorbeeld. Dit is één van de beroemdste kaarten uit de wereldgeschiedenis. Het is een samenvatting van geografische, historische en religieuze kennis en lijkt op een reisgids. De toren van Babel is er te zien, net als de ark van Noach en het labyrinth van de minotaurus op Kreta. Garfield verhaalt over het plan de kaart in 1988 te verkopen om de kathedraal die hem herbergde te kunnen restaureren. Massaal protest volgde en de geschiedenis van deze kaart leest als een spannend verhaal. Maar wat een frustratie: na 10 pagina’s over de Mappa Mundi wil je hem ook zien! Een goede afbeelding in kleur ontbreekt echter.

    Al voor de Mappa Muni maakte monnik Matthew Paris (ca 1200-1259) een routekaart naar het Midden Oosten. Hij bood de reiziger keuzemogelijkheden in de vorm van alternatieve routes en zijn kaart had uitschuifbare delen en vastgelijmde uitklapbladen met beschrijvingen. Het was een interactieve kaart, die eigenlijk meer weg had van een virtuele kruistocht dan een routekaart. De meeste kijkers waren ook helemaal niet van plan deze reis ook echt te maken. Toch, de illustraties en zijn kijk op de wereld zijn nog steeds betoverend.

    Vaak verschaffen kaarten duidelijkheid, inzicht en overzicht. Maar soms ook niet.
    In 1798 tekende de Engelse cartograaf James Rendell de Mountains of Kong in op een kaart van Afrika. Hij verzon een bergketen die duizenden kilometers door West-Afrika liep. Honderd jaar lang verscheen deze bergketen op vrijwel alle kaarten van het gebied. Tot een Franse ontdekkingssreiziger er eens een kijkje ging nemen en ontdekte dat deze enorme bergketen helemaal niet bestond.

    Via de ontdekkigen in de Westerse en Arabische wereld neemt Garfield zijn lezer mee naar de gouden eeuw van de kunst van het kaarten maken. Hij springt door de tijd en staat stil bij het belang van de beroemde wereldprojectie van Mercator, maar besteedt even goed aandacht aan draken en fabeldieren die op kaarten voorkomen. Via stippenkaarten die besmettelijke ziektes in kaart brachten, de geschiedenis van reisgidsen, kaartendieven, de Londense metrokaart en het belang van kaarten voor games komt zelfs de vraag of mannen of vrouwen beter kunnen kaartlezen aan de orde. Ook de witte plekken op de kaart, schatkaarten en zelfs Harry Potters Sluipwijzer ontbreken niet.

    Kortom elk aspect van kaarten wordt in dit boek behandeld. Toch blijft het overzichtelijk, toegankelijk en prima leesbaar. Zoals de sticker op de cover met 4 NRC sterren al zegt: ‘popular science op zijn best’. En dat is het. Op de kaart is één grote ontdekkingsreis. Maar wat jammer van de sobere uitgave. Bijna 500 pagina’s lang lees je prachtige, spannende verhalen en interessante details over kaarten in allerlei soorten en maten, om dan afgescheept te worden met op zijn best een kleine zwart wit foto. Wat een gemiste kans….

     

    De kaart als ontdekkingsreis 

    Auteur: Simon Garfield
    Vertaald door: Tracy Drost-Plegt en Bert Meelker
    Verschenen bij Uitgeverij Uitgeverij Podium/ Luster
    Aantal pagina’s: 496
    Prijs: € 25,-

  • Een levenservaring die leidt naar een religieus ontwaken

    Een levenservaring die leidt naar een religieus ontwaken

    Het smalle pad van de liefde van Vonne van der Meer is een roman over vriendschap, verlies, overspel en religie. Twee stellen en hun kinderen brengen elk jaar de zomervakantie samen door in Frankrijk. Het huis dat aan het ene stel, Floris en Françoise toebehoort, is er ruim genoeg voor. Het andere stel, Pieter en May, leerde hen kennen na de dood van het jongste kind van Floris en Françoise, Björn, die door een noodlottig ongeluk om het leven kwam. Ze spreken normaal niet over het ongeluk en zo komt May pas later te weten dat Françoise deels schuldig is aan de dood van haar zoontje, iets wat de lezer echter al van het begin af weet.

    De wisselwerking en aantrekkingskracht tussen de beide stellen is goed beschreven. Het overspel tussen Floris en May wordt subtiel neergezet, zonder te veel details. De personages zijn in de eerste helft van het boek geloofwaardig. Maar het personage May, dat het meest gevolgd wordt, ontdekt in de tweede helft van de roman haar religieuze gevoelens en die psychologische ontwikkeling overtuigt niet geheel. De verandering van de moderne, seculiere stadsvrouw May in iemand die ontvankelijk is voor het katholieke geloof, is vrij abrupt.

    Het beschrijven van de plotse ontvankelijkheid voor het katholicisme is waarschijnlijk één van de hoofddoelstellingen van de schrijfster geweest, die zelf na haar jeugd katholiek werd. Voor diegenen die niet bevattelijk zijn voor religie is het moeilijk mee te leven met de ontwikkeling van May. Misschien is voor hen geloven iets dat te geheimzinnig is. Als het uitdrukking geven aan het mysterie dat geloven is, de opzet was, is dit wel gelukt. Vanuit die optie is de verandering die May doormaakt interessant omdat deze in lijkt te gaan tegen de tijdgeest in.

    De roman heeft een alwetende verteller. Van der Meer schrijft passages als: ‘Hier zou dit verhaal opnieuw een andere wending kunnen nemen, een misdaadroman worden over twee geliefden die nog nooit een vlieg kwaad hebben gedaan.’  Daar voegt ze even later aan toe: ‘Maar zo’n verhaal wil dit niet worden, moordenaars worden onze geliefden niet.’

    Dergelijke beschouwingen op wat voor soort vertelling het is, zijn interessant en beklemtonen de fictionaliteit van de roman.
    Het begin van het boek is goed geschreven. Je wordt direct het verhaal in getrokken. Het is een beschrijving van de gebeurtenissen die leidden tot de dood van Björn. Dit emotionele moment raakt je echter minder dan wanneer het later in de tekst (als terugblik) zou zijn beschreven, als je al meer met Floris en Françoise meeleeft. Nu is deze gebeurtenis echter wel een wrang fundament onder het verhaal. De beschrijving van baby Björn is summier, maar mooi: ‘Zijn lach als een van zijn zusjes haar gezicht vlak bij het zijne bracht, [was] een geschater dat diep uit zijn buik kwam, als je Boeddha kon horen lachen, klonk het zo.’

    Van der Meer komt met een heel eigen geluid dat afsteekt tegen überhip geschrijf van veel andere hedendaagse schrijvers. Het verhaal gaat ergens over, maar niet iedere lezer zal iets kunnen met de thematiek van een religieus ontwaken.

     

     

  • Herinneringen aan het Oostfront door een Italiaanse Alpenjager

    Herinneringen aan het Oostfront door een Italiaanse Alpenjager

    In 1953 kreeg Primo Levi de vraag voorgelegd met wie hij dat jaar de kerst zou willen doorbrengen. Hij antwoordde: “Met Rigoni, in een baita in de bergen, wij met zijn tweeën en een vuur om in te kijken”.

    In zijn boek Sergeant in de sneeuw beschrijft Mario Rigoni zijn herinneringen aan de gevechten aan het Oostfront, waaraan hij heeft deelgenomen als sergeant-majoor van het bataljon Vestone, onderdeel van het Alpenjagerskorps dat door Mussolini naar het Oostfront was gestuurd als ondersteuning van de Duitse opmars tegen de Russen. Het verhaal speelt zich af van begin 1943 tot ongeveer begin maart van datzelfde jaar en handelt over de terugtocht van de door de Russen ingesloten Alpenjagers van de rivier de Don richting de Oekraïne. Op de dag van de Duitse capitulatie bij Stalingrad slagen de Italianen erin, na hevige gevechten bij het dorp Nikolajevka, uit de omsingeling te breken en keert Rigoni met de overgebleven Alpenjagers terug, lopend via de Oekraïne naar Wit-Rusland en vandaar per trein naar Italië. Als het Mussolinibewind is gevallen, wordt Rigoni door de Duitsers als krijgsgevangene geïnterneerd in diverse werkkampen in Oost-Pruisen en Oostenrijk. Daar begint hij in het geheim zijn belevenissen op te schrijven, ‘opdat het kamp ze niet uit zijn geheugen zou kunnen wissen’. Als het boek tenslotte in 1953 verschijnt, vormt dit het begin van een indrukwekkende schrijverscarrière. Desondanks blijft de bescheiden Rigoni tot zijn pensioen werken als ambtenaar op het lokale kadaster van zijn woonplaats in het Noord-Italiaanse Asiago.

    Italo Calvino vergelijkt de Sergeant met de Anabasis van de Griekse schrijver Xenophon, waarin deze verhaalt van zijn terugtocht uit Klein-Azië met het Griekse leger van 10.000 man na de nederlaag tegen de Perzen in 401 v.Chr.: ‘Het verlangen om zo snel mogelijk terug te keren, de verschrikking van het vreemde land, de moeite die de soldaten zich getroosten om niet te worden verstrooid, want zolang ze nog samen zijn, dragen ze op een bepaalde manier hun vaderland met zich mee. Het is de strijd van een leger dat wil terugkeren, …….’ ‘Sergentmagiu, che rivarem a baita?’,’Majoor, we komen toch wel weer thuis?’, vraagt soldaat Giuanin regelmatig aan Rigoni: de ‘baita’, de berghut, het ‘thuis’ voor de Noord-Italiaanse Alpenjagers.

    Het is voor ons, 21e eeuwse Nederlanders, eigenlijk onvoorstelbaar dat mensen als Rigoni hebben kunnen overleven, dag en nacht lopend door onherbergzaam steppeland met zware bepakking van wapens en munitie, geteisterd door sneeuwstormen en helse temperaturen van 30-40 graden onder nul , voortdurend bedacht op onverhoedse aanvallen van de vijand. Rigoni beoogt niet feitelijk verslag te doen van de gebeurtenissen aan het Oostfront, maar een sfeertekening te geven van hetgeen eigenlijk niet beschreven kan worden. Hij doet dit sans rancune tegenover degenen die verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor het lijden van de Alpenjagers. Zijn observaties zijn soms zo weerzinwekkend mooi dat je er bijna tranen van in je ogen krijgt, bijvoorbeeld als hij het lot beschrijft van de Russische krijgsgevangenen:

    De Duitsers nemen alle Russen mee die we gevangen genomen hebben. Ze gaan weg. Daarna horen we een aantal salvo’s en een enkel schot. Het sneeuwt.’ 

    Onbeschrijfelijk mooi is ook het fragment waarin Rigoni er zelf bijna de brui aangeeft: ‘We lopen en weer wordt het nacht. Het is koud: kouder dan ooit, misschien wel min veertig graden. De adem bevriest op je baard en snor; met de deken over ons hoofd getrokken lopen we in stilte verder. We blijven staan, er is niets. Geen bomen, geen huizen, alleen de sneeuw en wij en de sterren. Ik laat me vallen in de sneeuw. Het lijkt alsof zelfs de sneeuw er niet is. Ik sluit mijn ogen voor het niets. Misschien is dit wel hoe de dood eruitziet. Of misschien slaap ik. Ik zit in een witte wolk. Wie roept me daar? Wie schudt me zo door elkaar? Laat me met rust. […….] En langzaam maar zeker komen we weer bij de compagnie en begin ik alles te begrijpen [….] Hoe velen zijn er niet in de sneeuw gaan liggen […..].’
    Eigenlijk illustreren deze fragmenten alleen maar de woorden van Primo Levi: ‘….wij met zijn tweeën en een vuur om in te kijken.’

    Het hoeft geen betoog dat het hier gaat om een indrukwekkend boek, dat in Nederland niet zo bekend is. Het verdient dan ook alle lof dat De Arbeiderspers dit boek heeft uitgegeven  en nog wel in zo’n prachtige uitgave met een uiterst informatief nawoord van de vertaler Asker Pelgrom.

     

     

  • Inzicht in de Servische geschiedenis en mentaliteit

    Inzicht in de Servische geschiedenis en mentaliteit

    In het voorwoord merkt de schrijver op dat het proces van het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag tegen Ratko Mladić, de voormalige generaal van het leger van de Servische Republiek in Bosnië, in een kritieke fase is gekomen, ‘doordat er steeds weer wordt verwezen naar historische gebeurtenissen’. Naar deze historische gebeurtenissen is een diepgaand onderzoek ingesteld. Van de uitkomsten van dit onderzoek vinden we het verslag in dit boek, en wel op een zeer aangename manier gepresenteerd: de lezer is aanwezig bij een verhoor van getuigen die op de een of andere wijze betrokken waren bij de historische gebeurtenissen die van belang zijn voor een juist begrip van de meest recente oorlogen op het Balkan-schiereiland en van de mentaliteit van de volkeren aldaar. Wie kan de lezer dat beter uitleggen dan de Serviër Čičovački die, geboren onder het bewind van Tito, bij het uitbreken van de oorlog in 1991 zijn land is ontvlucht?

    Naast de getuigen zijn aanwezig de rechter, de aanklager en de verdediger. Tijdens het getuigenverhoor dat vijftig dagen in beslag neemt (in het boek verwerkt tot tien bedrijven), passeren veertien eeuwen de revue.
    Zoals de subtitel fantasmagorie al aangeeft, worden geesten/schimmen uit het verleden ten tonele gebracht om met hen te communiceren.
    De aanklager en verdediger roepen zowel gemeenschappelijke getuigen op als afzonderlijke getuigen à charge of décharge. Bekende en minder bekende historische figuren treden de rechtszaal binnen: Tiberius (niet de Tiberius onder wiens keizerschap Jezus Christus gekruisigd is) van Byzantium, keizer van het Oost-Romeinse Rijk, die volgens eigen zeggen leefde van 539 tot 602, gevolgd door Friedrich I Barbarossa, koning van Duitsland en keizer van het Heilige Roomse Rijk (12e eeuw), daarna vorst Kulin, die van 1180 tot 1204 over Bosnië regeerde, en nog vele anderen.
    Reeds bij de eerste getuige, Tiberius, wordt duidelijk waarom de Balkan 1500 jaar geteisterd is door oorlog. Tiberius heeft namelijk vlak voor zijn gewelddadige dood een vloek over de Slaven uitgesproken. ‘“Dat het vervloekte Slavische volk nooit vrede zal kennen (…), en dat na het einde van de ene oorlog meteen de volgende zal aanvangen. (…)”’ (pag. 20/21). De weggelaten gedeeltes van het citaat laten zich gemakkelijk raden, wanneer men bedenkt wat er zich in het laatste decennium van de vorige eeuw heeft afgespeeld op de Balkan.

    Werkelijk spannend is het verhoor van de voorlaatste getuige, Tito, enerzijds omdat hij voor velen ongetwijfeld de meest bekende persoon uit de geschiedenis van de Balkanlanden is, anderzijds omdat bij velen het bewind van Tito nog vers in het geheugen ligt, en zo niet, dan toch in elk geval de jongste oorlogen op de Balkan.
    De rij getuigen wordt afgesloten met Rudolph Archibald Reiss, Duitser van geboorte, Zwitser van nationaliteit, die van 1914 tot aan zijn dood in 1929 in Servië woonde. Reiss was hoogleraar aan de universiteit van Lausanne en richtte daar het Instituut voor Forensische Wetenschappen op. De aanklager vermeldt dat hij en de verdediger Reiss als gezamenlijke getuige gekozen hebben omdat (hoewel buitenlander) ‘hij behoort tot degenen die de Serviërs en de situatie op de Balkan het best kennen. (…) Hij schreef enkele studies over het Servische volk, en ook na zijn dood bleef hij de politieke situatie op de Balkan volgen en analyseren.’ (pag. 242/243) Door zulke opmerkingen als de laatste heeft het boek toch een zekere luchtigheid ondanks de zwaarte van het onderwerp. Temeer daar dergelijke opmerkingen in de juiste hoeveelheid en op de juiste plaats gedaan worden.

    Het zal duidelijk zijn dat dit boek niet voor niets zo diep ingaat op en zover teruggaat in de historie van de Balkanlanden. Wat bovenal duidelijk wordt, is dat de vraag of Ratko Mladić schuldig is, niet simpelweg met ja of nee valt te beantwoorden. En daarom lezen we dan ook in de epiloog dat de aanklager Ratko Mladić ‘op alle punten van de aanklacht die betrekking hebben op de genocide en de misdaden tegen de menselijkheid die in de periode tussen 1992 en 1995 werden begaan’ (pag. 262) schuldig acht, terwijl de verdediger Mladić op geen enkel punt van de aanklacht schuldig acht.

    Ongetwijfeld heeft de manier waarop in dit boek de geschiedenis gepresenteerd wordt, er mede voor gezorgd dat je het in één adem uitleest.  Daarbij komt dat je nergens het gevoel hebt een ‘vertaling’ te lezen. Complimenten dus aan de vertaler Roel Schuyt.
    Een verzoek aan de uitgever: voeg bij een herdruk bij elk bedrijf een historische, geografische kaart van de betreffende periode bij.

     

     

     

  • Recensie door Hilde van Vlaanderen

    Recensie door Hilde van Vlaanderen

    Had het anders gekund?

    Rudi van Dantzig wilde zijn herinneringen aan Sonia Gaskell schrijven. Hij had een voorlopig manuscript liggen toen hij in januari 2012 overleed. Maria Vlaar, journalist en redacteur, heeft het manuscript gelezen en bewerkt. In haar nawoord geeft zij – gelukkig – een uitgebreide toelichting van het materiaal dat zij aantrof en hoe zij het boek vormgegeven heeft.

    In dit nawoord schrijft zij o.a. Dat Van Dantzig aan het eind geen grip meer had op zijn tekst en dat zijn ‘driesporenbeleid’ geen goede greep was, bleek bij lezing al snel. Er zat goud in het manuscript verborgen, maar dat zou wel zorgvuldig uit het ruwe materiaal opgediept moeten worden. Dat was mijn taak en daarbij heb ik vooral, paradoxaal genoeg, hulp gekregen van de schrijver zelf. Door zijn prachtige roman Voor een verloren soldaat te herlezen, raakte ik opnieuw onder de indruk van zijn heldere, geciseleerde stijl en zijn gevoeligheid voor details.’ 

    Van Dantzig kon dus wel degelijk schrijven. De vraag dringt zich op hoe voorlopig het manuscript was dat ze na zijn dood vonden. Hoeveel zou hij zelf nog geschrapt en bijgeschaafd hebben?

    Vlaar heeft ruim een kwart van de oorspronkelijke tekst geschrapt, een indeling in hoofdstukken gemaakt en de verhaallijn chronologischer gemaakt. Met alle waardering voor haar consciëntieuze bewerking is er een boek uitgekomen, dat toch gemengde gevoelens oproept.

    Rudi van Dantzig wilde zijn herinneringen aan Sonia Gaskell schrijven. Dat heeft hij zeker gedaan. Maar dat niet alleen. Hij schreef ook een stuk balletgeschiedenis van Nederland. Hij beschreef ook de start van zijn eigen loopbaan. Daarnaast beschreef hij de ontmoeting met Sonia Gaskell, de lessen, de samenwerking, het gedeelde enthousiasme voor de dans, zijn bewondering voor haar tomeloze energie en doorzettingsvermogen. Maar vooral beschreef hij ook de verwondering, het ongemak, het vaak terugkerende onderlinge onbegrip. ‘Gaskell kon een schaduw over onze levens laten vallen of een felle lichtstraal op ons richten, ons opzwepen, deprimeren, verhelderen of versomberen, hoopvol laten zijn of diep zwartgallig. Ze kon ons ons nietige schepsels doen voelen en soms liet ze ons dat ook zo ervaren. Gaskell was onze ochtend en avond, in die tijd. Donker en licht. (pag. 163) (Maria Vlaar had nog wel meer mogen schrappen).

    Het boek geeft een beeld van een gedreven, soms niets ontziende, vaak wispelturige vrouw die maar één doel voor ogen had: een uitstekende balletopleiding en daaruit voortvloeiend een professioneel corps de ballet. Enerzijds wilde iedereen les bij haar hebben, anderzijds werd er gemopperd over haar strenge optreden. Nu eens koesterde zij haar favoriete leerlingen, dan weer werden ze geschokt door onverwachte beslissingen. Die voortdurende wisselingen in stemmingen, in reacties over en weer heeft Van Dantzig goed beschreven. Zo goed, dat je al lezend ook boos wordt, maar ook denkt: ‘waarom kon niemand op redelijke wijze met deze vrouw omgaan?’ Waren het karakterverschillen of ook cultuurverschillen?

    Het hoofdstuk, dat Rudi van Dantzig aan de levensloop van Sonia Gaskell wijdt is nogal feitelijk opgezet, heeft weinig kleur. Dit zal mede veroorzaakt zijn door het feit, dat zij vermoedelijk zelf weinig heeft losgelaten en hij meer van haar zus gehoord heeft. Toch ontstaat de vraag, of hij als leerling en later collega wel voldoende afstand had om dieper door te vragen, door te zoeken. Bij veel biografen, die niet zo verbonden zijn met de persoon over wie zij schrijven, zie je toch vaker meer inkleuring. Juist die afstand creëert dan de mogelijkheid om dichter bij de persoon te komen.

    Het boek is interessant voor mensen, die willen lezen over de ontwikkelingen in de Nederlandse balletwereld. Het biedt echter vooral een boeiend inkijkje in botsende karakters en de onmogelijkheid om tot elkaar te komen, terwijl er toch een gezamenlijke wereld is. Hoe tragisch was het uiteengaan na een inhoudelijk conflict, waarbij mevrouw Gaskell ogenschijnlijk de grote verliezer is en alleen achterblijft. Zeker, het is duidelijk dat Rudi van Dantzig gekweld werd door alle misverstanden en bleef schommelen tussen bewondering en verwondering. Misschien komt er ooit een biografie, zowel over Rudi van Dantzig als over Sonia Gaskell. Maar op de vraag, of het niet anders had gekund, zullen we wel nooit een antwoord krijgen.

     

    Herinneringen aan Sonia Gaskell

    Auteur: Rudi van Dantzig
    Redactie en van een nawoord voorzien door: Maria Vlaar
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 360
    Prijs: € 24,95

  • Grote Deense auteur eindelijk vertaald

    Grote Deense auteur eindelijk vertaald

    De lezer wordt al in de eerste zin gelijk aangesproken door een verteller, die de gedachten van zijn moeder weergeeft toen ze hem onmiddellijk na de geboorte in haar handen kreeg. Die verteller levert daar meteen weer zijn eigen commentaar op, geformuleerd zoals een jong kind dat zou doen. Dat alles in een kort stukje van ruim zes gedrukte regels, met veel komma’s en maar één punt, namelijk die aan het einde.

    Dat de vorm waarin deze tekst wordt gepresenteerd als eerste wordt beschreven, is voor de hand liggend. Die vorm is een belangrijk aspect bij het beleven, en genieten, van dit boek. Hultbergs Preludes bestaat namelijk uit louter korte fragmenten van hooguit een bladzijde, waarbij de verteller steeds een ander kan zijn. De eerste verteller blijkt de latere meesterpianist en componist Chopin, maar ook zijn moeder, vader, zusters en enkele anderen laten zich in de fragmenten horen. Die vertellers geven hun gedachten weer, en niet noodzakelijk in goed lopende zinnen.

    Eerst lijkt de taal van het kind Chopin vooral wat gebabbel, door het gebruik van simpele woorden, herhalingen en beelden. Ook de inhoud is eenvoudig. De taal van de fragmenten echter volgt zijn ontwikkeling tot hij ongeveer twaalf jaar oud is en naar het gymnasium gaat. Daar houdt het verhaal op.

    Fryc of Frycek, en een enkele keer Frédéric maar dan is er iets ernstigs aan de hand, is dan al een tijdje een wonderkind. Als hij nog heel jong is, misschien is hij pas twee, vindt één van de vertellers, vader of moeder, dat er iets vreemds aan hem is. Hij kan niet stilstaan als er piano gespeeld wordt, hij moet meebewegen met het ritme en hij danst net zolang door als er muziek klinkt. Als hij maar niet gek wordt, verzucht de verteller. Het moet hem echt verboden worden. Het kan niet goed zijn voor zijn rug en zijn beentjes, misschien krijgt hij wel O-benen.

    Zijn opvoeding is het hoofdonderwerp van het boek. Chopin is in 1809 geboren in een gegoed burgerlijk Warschau’s milieu. Wie Nummer Veertien, home, de indrukwekkende video van Guido van der Werve over zijn bezetenheid voor onder anderen Chopin heeft gezien, die begin dit jaar in het Stedelijk Museum in Amsterdam werd getoond, heeft een glimp van zijn geboortehuis kunnen opvangen. Chopins vader was Frans en zijn moeder Pools. Vader wilde als volgeling van de Verlichting en Rousseau zijn zoon zowel rationeel als naar de natuur vrij opvoeden. Hij moest dus niets hebben van de bijgelovigheid van de moeder en het dorpse dienstmeisje. Gelijkertijd moesten het kind wel de strenge fatsoensregels van het burgerlijke milieu eigen gemaakt worden, waartoe vanzelfsprekend ook religie en kerkbezoek behoorden.

    Af en toe worden de vertelfragmenten afgewisseld met eigentijdse teksten over opvoeding. Soms zijn ze heel gruwelijk, maar vaak ook zeer zoetsappig. Alles samen leveren ze een beeld op van hoe in het burgerlijk vroegnegentiende-eeuws Europa gedacht werd over opvoeding. Niet echt op een wetenschappelijke manier, maar veeleer suggererend en beeldend.

    Interessant aan het boek is ook hoe Hultberg de ontdekking, bij het kind zelf en bij zijn omgeving, schetst van Chopins muzikale talenten. Voor het kind is het iets vanzelfsprekends, iets waar hij veel plezier en bevrediging in vindt. Voor zijn ouders is de muziek eigenlijk maar een bijzaak, maar wel eentje waardoor ze maatschappelijk aanzien verwerven. Het schattige wonderkind Chopin wordt door de adel van Warschau op handen gedragen. En door zijn goede opvoeding kan hij zich in de hoogste milieus gelukkig gemakkelijk bewegen. Toch is al die muziek voor de toekomst van het kind niet het belangrijkste. Wanneer Chopin naar het gymnasium gaat, moet zijn aandacht daarvoor echt wijken voor serieuzere zaken vinden zijn ouders.

    Het verklappen van de inhoud maakt voor het plezier van het lezen van het boek eigenlijk niet zoveel uit. Het gaat om het beleven van de tekst, die heel beeldend en meeslepend is. En om al lezend de gevoelens van het kind te ontdekken. In hoeverre de schrijver voor het verhaal zijn fantasie heeft gebruikt of zich heeft gebaseerd op gedegen onderzoek, is dan eigenlijk geen relevante vraag.

    Peer Hultberg (1935-2007), die vooral na 1985 zeer productief was, wordt in Denemarken als een belangrijk prozavernieuwer beschouwd doordat hij een eigen invulling weet te geven aan de moderne stijlvorm ‘stream of consciousness’. Op basis van deze goed lezende vertaling lijkt die reputatie zeer wel verdiend.

     

    Preludes

    Auteur: Peer Hultberg,
    Vertaald door: Gerard Cruys
    Met een nawoord van Henk van der Liet
    Verschenen bij: Uitgeverij Watervis, 2012
    Aantal pagina’s: 268
    Prijs: € 19,95

     

  • Het ontstaan van een vriendschap in een armoedig Napels

    Het ontstaan van een vriendschap in een armoedig Napels

    ‘Als je nog niet zo lang op de wereld bent, is het moeilijk om te zien welke rampen ten grondslag liggen aan wat wij als ramp ervaren, en misschien heb je er ook geen behoefte aan. In afwachting van morgen bewegen grote mensen zich in een heden waarachter een gisteren ligt of een eergisteren  [….]: aan de rest willen ze niet denken. Kleine kinderen kennen de betekenis van eergisteren niet, en evenmin die van morgen, alles is dit, nu: dit is de straat, dat is de voordeur, dit zijn de trappen, dit is mama, dit is papa, dit is de dag, dit is de nacht. Ik was klein en als het erop aankwam wist mijn pop meer dan ik. Ik praatte tegen haar, zij praatte tegen mij.’

    Op een kwade dag wordt Elena gebeld door Rino, de zoon van Lila, haar hartsvriendin uit haar kinds- en puberteitsjaren, met de mededeling dat zijn moeder is verdwenen zonder een spoor achter te laten. ‘Ik was verschrikkelijk boos. Laten we maar eens zien wie dit keer zijn zin krijgt, zei ik bij mezelf. Ik zette de computer aan en begon onze geschiedenis op te schrijven, alles wat ik me ervan herinner, tot in de details.’

    Elena en Lila groeien op in de jaren 50 en 60 in een Napolitaanse volksbuurt, door Ferrante prachtig beschreven in sfeervolle beelden: de armoede van de jaren 50 tegenover de eerste verschijnselen van de consumptiemaatschappij in de jaren ’60; de langzaam eroderende Napolitaanse masculine machocultuur gebaseerd op het verdedigen van de eer van de familie; het losbreken uit de verstikkende sociale beslotenheid van de familie en de wijk, het ontluikende zelfbewustzijn van vrouwen. Ferrante slaagt er heel knap in de typisch lokale Napolitaanse werkelijkheid van die tijd te transformeren naar de meer universele werkelijkheid van de jaren ’50 en ’60. Ook voor ons in Nederland is deze heel herkenbaar in de opkomst van de nozems, de rock and roll, de TV en de auto, en de botsing tussen generaties.

    Als Lila de pop van Elena weggooit achter het gaas van het souterrain van de in de ogen van de kinderen meest boosaardige man van de wijk, beantwoordt Elena deze gemene streek met het op haar beurt weggooien van de pop van Lila. In plaats van te huilen om het gebeuren, sluiten ze een bondgenootschap en spreken af samen de poppen terug te halen. Dit is het begin van een levenslange vriendschap, waarvan de verhoudingen meteen duidelijk zijn. Beiden zijn voortdurend op zoek naar de grenzen van hun mogelijkheden, waarbij Lila het voortouw neemt en Elena niet aflaat te volgen. Door het verhaal in de ik-vorm te vertellen, is het mogelijk intens mee te leven met de gevoelens van Elena: gevoelens van bewondering voor Lila tegenover eigen minderwaardigheid, gevoelens van wrok en haat tegenover solidariteit en liefde. Elena leeft in voortdurende concurrentie met Lila. Lila is de geniale vriendin van Elena. Lila is wat Elena wil zijn. Beiden trotseren de benepen wereld van hun omgeving door weliswaar ieder hun eigen weg te gaan, maar voortdurend in contact met elkaar. Uiteindelijk blijken zij beiden er niet in te slagen zich hieraan te ontworstelen. Lila treedt in het huwelijk met iemand die haar op haar eigen huwelijksdag al weet te verraden, terwijl Elena beseft dat ook zij niet in staat is te ontsnappen uit de gevangenis van haar achtergrond door zich te voegen naar de conventies van haar omgeving.

    Eigenlijk ligt hierin ook de oorsprong van het verhaal. Elena kan niet accepteren dat Lila er uiteindelijk toch in zal slagen zich aan haar omgeving te ontworstelen door te vertrekken zonder een spoor achter te laten.

    Elena Ferrante heeft een heerlijk boek geschreven dat leest als een trein. Het biedt een prachtig inkijkje in de geesteswereld van een onzeker pubermeisje in een overgangstijd. Ook compositorisch zit het boek knap in elkaar: het heden dwingt volwassenen tot terugkijken, het verleden werkt door in het heden met het oog op morgen: Elena is woedend omdat Lila alsnog lijkt te slagen waar zij faalde.

     

     

     

  • Geschiedenis uit een duister verleden

    Geschiedenis uit een duister verleden

    Recensie door Lodewijk Lasschuit

    Als in 2013 in Nederland de afschaffing van de slavernij wordt gevierd is er eigenlijk weinig feestvreugde maar des te meer te herdenken. De verhalen over de slaventransporten krijgen gedurende dit jaar meer aandacht. Dan Sleigh en Piet Westra hebben er een boek over geschreven. De Verenigde Oost-Indische compagnie organiseerde de slaventransporten. In sommige documenten wordt gesproken over de ‘loffelijke compagnie’ en ook is er sprake van de ‘achtbare compagnie’. Heden ten dage is het moeilijk te bevatten wat er eigenlijk zo loffelijk of achtbaar aan deze onderneming was.

    Het verhaal over de reis met de Meermin weerspiegelt het gebrek aan compassie en de ongebreidelde zucht naar geldelijk gewin. In het jaar 1717 werd er onderzoek gedaan naar de mogelijke inzetbaarheid van Aziatische en Afrikaanse slaven. De bewindvoerders van de VOC waren van mening dat zij goedkoper waren dan Europese arbeiders. Ook waren zij inschikkelijker en meer bereid om minder aangename en zwaardere taken te verrichten.

    In de praktijk bleek echter dat de slaven zorgden voor een voortdurende staat van onrust en ondanks zware straffen bleven ontsnappen en vreselijke misdaden begingen als reactie op hun onmenselijke behandeling. Er werden proclamaties uitgevaardigd waarin werd vastgelegd dat een slaaf die zijn hand ophief tegen zijn eigenaar ter dood zou worden gebracht en een slaaf die zich luidruchtig gedroeg tijdens een kerkdienst zou worden gegeseld. Dit was de achtergrond waartegen het drama van de slavenopstand op de Meermin zich in 1766 afspeelde.

    Onder commando van Schipper Gerrit Christoffel Muller zette men koers naar Madagaskar. Met de plaatselijke heersers werd onderhandeld over de prijs die moest worden betaald voor de slaven. Om de handel vlot te laten verlopen en om de plaatselijke bevolking gunstig te stemmen werden geschenken overhandigd bestaande uit messen, lappen stof, kralen, arak (sterke drank), pijpen en tabak. Soms werd na veel loven en bieden de prijs van een slaaf bepaald op twee geweren, honderd kogels en honderd vuurstenen terwijl over de hier nog aan toe te voegen hoeveelheid buskruit nog verder werd onderhandeld. Overigens werden regelmatig de prijzen verhoogd doordat er hevige concurrentie ontstond tussen Hollandse en Franse kooplieden. Eenmaal aan boord van het schip dat ze zou vervoeren naar Kaap de Goede Hoop, werden de slaven kaal geschoren en paarsgewijs geboeid. Mannen en vrouwen werden van elkaar gescheiden. Om te voorkomen dat messen of andere wapens werden verborgen, was het enige kledingstuk dat de slaven mochten dragen een doek om hun naaktheid te bedekken. Er breekt scheurbuik uit onder de slaven en op aanraden van de scheepsarts worden de slaven bevrijd van hun boeien om ziekte en dood te voorkomen. De slaven maken zich meester van een aantal assegaaien en een zwaard en komen in opstand. Drieëntwintig officieren en manschappen worden gedood. Sommigen werden levend in zee gegooid, anderen eerst met een assegaai, een bijl of een hamer vermoord. Negenentwintig bemanningsleden hebben de ramp overleefd en van een aantal van hen zijn in het boek getuigenverklaringen opgenomen. Uiteindelijk worden de leiders van de opstand gestraft. De gezagvoerder van de Meermin en zijn stuurman worden wegens nalatigheid en plichtsverzuim ontslagen, zij worden verantwoordelijk gehouden voor het verlies van het schip dat aan hen was toevertrouwd.

    De in het boek opgenomen opsommingen van onder meer de inventaris van goederen die zijn geborgen uit de Meermin en op een openbare verkoping werden geveild, komen de leesbaarheid van het boek niet ten goede. Heel gedetailleerd zijn een bouwplan en een zeilplan van het schip opgenomen hetgeen de in maritieme historie geïnteresseerde lezer zeker zal plezieren. De als bijlage opgenomen chronologie draagt er toe bij dat een helder overzicht van de gebeurtenissen wordt verkregen. Deze chronologie is vooral belangrijk omdat door de uitvoerige uiteenzettingen over bijvoorbeeld de getuigenverhoren de aandacht van de lezer wel eens zou kunnen verslappen.

    Nergens in het boek wordt een moreel oordeel gegeven over de slavernij of de handelswijze van de Europese bemanningsleden. De schrijvers hebben zich onafhankelijk opgesteld en geven op een academische wijze de feiten weer.

     

    De opstand op het slavenschip Meermin

    Auteurs: Dan Sleigh en Piet Westra
    Vertaald door: Riet de Jong-Goossens
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 206
    Prijs: € 21,90